This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32025R1952
Commission Implementing Regulation (EU) 2025/1952 of 29 September 2025 on measures to prevent the establishment and the spread within the Union territory of Anoplophora glabripennis (Motschulsky) and for the eradication and containment of that pest within certain demarcated areas and repealing Implementing Decision (EU) 2015/893
Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1952 van de Commissie van 29 september 2025 betreffende maatregelen om de vestiging en verspreiding op het grondgebied van de Unie van Anoplophora glabripennis (Motschulsky) te voorkomen en om dat plaagorganisme in bepaalde afgebakende gebieden uit te roeien en in te perken en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/893
Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1952 van de Commissie van 29 september 2025 betreffende maatregelen om de vestiging en verspreiding op het grondgebied van de Unie van Anoplophora glabripennis (Motschulsky) te voorkomen en om dat plaagorganisme in bepaalde afgebakende gebieden uit te roeien en in te perken en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/893
C/2025/6532
PB L, 2025/1952, 3.12.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/1952/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
In force
|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2025/1952 |
3.12.2025 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2025/1952 VAN DE COMMISSIE
van 29 september 2025
betreffende maatregelen om de vestiging en verspreiding op het grondgebied van de Unie van Anoplophora glabripennis (Motschulsky) te voorkomen en om dat plaagorganisme in bepaalde afgebakende gebieden uit te roeien en in te perken en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/893
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad (1), en met name artikel 28, leden 1 en 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/893 van de Commissie (2) zijn maatregelen vastgesteld om het binnenbrengen en de verspreiding in de Unie van Anoplophora glabripennis (Motschulsky) (“het nader omschreven plaagorganisme”) te voorkomen. |
|
(2) |
Deel B van bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 van de Commissie (3) bevat de lijst van EU-quarantaineorganismen waarvan bekend is dat zij op het grondgebied van de Unie voorkomen. |
|
(3) |
Het nader omschreven plaagorganisme is in de lijst in deel B van bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 opgenomen, omdat bekend is dat het in bepaalde delen van het grondgebied van de Unie voorkomt. Het is een polyfaag plaagorganisme waarvan geweten is dat het gevolgen heeft voor veel verschillende plantensoorten op het grondgebied van de Unie. |
|
(4) |
Het nader omschreven plaagorganisme is ook opgenomen in de lijst van prioritaire plaagorganismen in de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1702 van de Commissie (4). |
|
(5) |
Planten die waardplanten van het nader omschreven plaagorganisme (“waardplanten”) zijn, moeten aan onderzoeken worden onderworpen om ervoor te zorgen dat het nader omschreven plaagorganisme zo snel mogelijk wordt opgespoord. |
|
(6) |
Verschillende waardplanten kunnen worden gebruikt om het nader omschreven plaagorganisme aan te trekken en zo de aanwezigheid ervan af te bakenen wanneer het wordt aangetroffen. In dit verband moeten zij “verklikkerplanten” worden genoemd. |
|
(7) |
Waardplanten waarvan in het verleden is vastgesteld dat zij op het grondgebied van de Unie met het nader omschreven plaagorganisme zijn besmet, dragen hoogstwaarschijnlijk bij tot de verspreiding ervan. Zij moeten “nader omschreven planten” worden genoemd. Daarnaast moeten zij in de afgebakende gebieden worden onderworpen aan bepaalde uitroeiings- of inperkingsmaatregelen, naargelang het geval. |
|
(8) |
Met het oog op de vroegtijdige opsporing en uitroeiing van het nader omschreven plaagorganisme moeten de lidstaten jaarlijkse onderzoeken uitvoeren in de delen van het grondgebied van de Unie waarvan bekend is dat het nader omschreven plaagorganisme er niet voorkomt. Om zo doeltreffend mogelijk te zijn, moeten die onderzoeken alle waardplanten bestrijken. De onderzoeken moeten worden gebaseerd op het wetenschappelijk advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) dat is opgenomen in de algemene richtsnoeren voor statistisch verantwoorde en risicogebaseerde onderzoeken naar plaagorganismen bij planten (5). |
|
(9) |
Daarnaast moet elke lidstaat op grond van Verordening (EU) 2016/2031 voor elk prioritair plaagorganisme dat in staat is zijn grondgebied binnen te komen en zich aldaar te vestigen een noodplan opstellen en bijwerken. Gezien de ervaring met eerdere uitbraken moeten specifieke regels worden vastgesteld ter uitvoering van artikel 25 van Verordening (EU) 2016/2031 betreffende het opstellen van een alomvattend noodplan voor het geval dat het nader omschreven plaagorganisme in de Unie wordt aangetroffen. |
|
(10) |
Om de verspreiding van het nader omschreven plaagorganisme op het grondgebied van de Unie te voorkomen en rekening houdend met het vermogen van het nader omschreven plaagorganisme om zich te verspreiden, moet de breedte van een bufferzone ten minste 2 km vanaf de grenzen van de besmette zone meten. |
|
(11) |
Om de onmiddellijke toepassing van uitroeiingsmaatregelen te waarborgen en de verdere verspreiding van het nader omschreven plaagorganisme naar de rest van het grondgebied van de Unie te voorkomen, moeten regels worden vastgesteld voor de jaarlijkse onderzoeken van de afgebakende gebieden. Die regels moeten worden gebaseerd op de algemene richtsnoeren voor statistisch verantwoorde en risicogebaseerde onderzoeken naar plaagorganismen bij planten van de EFSA, zodat zij in overeenstemming zijn met de meest actuele wetenschappelijke en technische gegevens. |
|
(12) |
Om een evenredige respons op het respectieve fytosanitaire risico dat van het nader omschreven plaagorganisme uitgaat te waarborgen, moeten regels worden vastgesteld voor de vermindering van de omvang van de afgebakende gebieden, afwijkingen betreffende de instelling ervan en de afschaffing ervan. Er moeten specifieke voorwaarden voor de toepassing van die regels worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat het nader omschreven plaagorganisme zich niet naar de rest van het grondgebied van de Unie verspreidt. |
|
(13) |
Bij geïsoleerde vondsten van het nader omschreven plaagorganisme op het grondgebied van de Unie hoeft er, indien het nader omschreven plaagorganisme van de betrokken planten kan worden verwijderd en er aanwijzingen zijn dat die planten besmet waren vóórdat zij in het gebied werden binnengebracht of dat de specifieke vondst naar verwachting niet tot vestiging van het nader omschreven plaagorganisme zal leiden, geen verplichting te bestaan om een afgebakend gebied in te stellen. Dit is de meest evenredige aanpak, mits de in het betrokken gebied uitgevoerde onderzoeken bevestigen dat het nader omschreven plaagorganisme niet aanwezig is. In zeer specifieke gevallen, namelijk wanneer het opduiken en de verspreiding van het nader omschreven plaagorganisme op het grondgebied van de Unie ondubbelzinnig kunnen worden uitgesloten en het respectieve risico verwaarloosbaar wordt geacht, is een dergelijke bewaking echter niet gerechtvaardigd en mag die dus niet worden vereist. |
|
(14) |
In bepaalde delen van het grondgebied van de Unie is het niet langer mogelijk het nader omschreven plaagorganisme uit te roeien. De betrokken lidstaten moeten daarom de mogelijkheid krijgen om in die gebieden maatregelen voor de inperking, in plaats van de uitroeiing, van dat plaagorganisme toe te passen. |
|
(15) |
De maatregelen in de afgebakende gebieden waar inperkingsmaatregelen gelden, moeten minder streng zijn dan de uitroeiingsmaatregelen, maar zij moeten een zorgvuldige aanpak van de onderzoeken waarborgen en garanderen dat voorzorgsmaatregelen worden getroffen, met name in de respectieve bufferzones, teneinde de verspreiding van het nader omschreven plaagorganisme naar de rest van het grondgebied van de Unie te voorkomen. |
|
(16) |
Aangezien de maatregelen met betrekking tot de afgebakende gebieden voor inperking minder streng zijn, moet de breedte van de bufferzone worden vergroot tot ten minste 4 km om ervoor te zorgen dat het nader omschreven plaagorganisme zich niet buiten die afgebakende gebieden verspreidt. |
|
(17) |
De lidstaten moeten de Commissie en de andere lidstaten in kennis stellen van elk afgebakend gebied voor inperking dat zij voornemens zijn aan te wijzen of te wijzigen, zodat de Commissie een overzicht van de verspreiding van het nader omschreven plaagorganisme op het grondgebied van de Unie kan krijgen en dat gebied kan opnemen in een lijst van afgebakende gebieden voor inperking in bijlage I bij deze verordening. |
|
(18) |
Om te waarborgen dat de besmette planten onmiddellijk worden verwijderd en om verdere verspreiding van het nader omschreven plaagorganisme naar de rest van het grondgebied van de Unie te voorkomen, moeten de onderzoeken van de bufferzones jaarlijks in de meest geschikte tijd van het jaar en met voldoende intensiteit worden uitgevoerd, rekening houdend met de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten om de waardplanten in de besmette zones voor inperking verder te monitoren. |
|
(19) |
Om de mogelijke verspreiding van het nader omschreven plaagorganisme buiten afgebakende gebieden te voorkomen, moeten de jaarlijkse onderzoeken rond de productieplaatsen in de afgebakende gebieden intensiever zijn dan in de rest van deze gebieden. |
|
(20) |
De maatregelen van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/893 betreffende het binnenbrengen en het vervoer van de nader omschreven planten op het grondgebied van de Unie zijn opgenomen in de bijlagen VII en VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072, terwijl de maatregelen betreffende onderzoeken, uitroeiing en inperking van het nader omschreven plaagorganisme worden bijgewerkt en vervangen door de maatregelen van deze verordening. |
|
(21) |
Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/893 moet daarom worden ingetrokken en door deze verordening worden vervangen. |
|
(22) |
De bepalingen van deze verordening betreffende onderzoeken op basis van de richtsnoeren voor onderzoek naar Anoplophora glabripennis van de EFSA (6) (“de onderzoeksrichtsnoeren”) en van de algemene richtsnoeren van de EFSA voor statistisch verantwoorde en risicogebaseerde onderzoeken, moeten van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2027, zodat de bevoegde autoriteiten voldoende tijd hebben om dergelijke onderzoeken te plannen, de opzet ervan uit te werken en er voldoende middelen voor beschikbaar te stellen. |
|
(23) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ONDERWERP EN DEFINITIES
Artikel 1
Onderwerp
Deze verordening voorziet in maatregelen om te voorkomen dat Anoplophora glabripennis (Motschulsky) zich op het grondgebied van de Unie vestigt en verspreidt, maatregelen om dit plaagorganisme uit te roeien wanneer het op het grondgebied van de Unie wordt aangetroffen, en maatregelen om het in te perken indien uitroeiing niet meer mogelijk is.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
|
1) |
“nader omschreven plaagorganisme”: Anoplophora glabripennis (Motschulsky); |
|
2) |
“nader omschreven planten”: voor opplant bestemde planten met een stam- of wortelhalsdiameter van één cm of meer op hun dikste punt, van Acer spp., Aesculus spp., Betula spp., Fraxinus spp., Populus spp., Salix spp. en Ulmus spp.; |
|
3) |
“waardplanten”: voor opplant bestemde planten met een stam- of wortelhalsdiameter van één cm of meer op hun dikste punt, van Acer spp., Aesculus spp., Albizia spp., Alnus spp., Betula spp., Carpinus spp., Celtis spp., Cercidiphyllum spp., Corylus spp., Elaeagnus spp., Fagus spp., Fraxinus spp., Gleditsia spp., Hibiscus spp., Koelreuteria spp., Malus spp., Melia spp., Morus spp., Platanus spp., Populus spp., Prunus spp., Pyrus spp., Ostrya spp., Quercus rubra, Robinia spp., Salix spp., Sophora spp., Sorbus spp., Tilia spp. en Ulmus spp.; |
|
4) |
“nader omschreven hout en houten verpakkingsmateriaal”: hout en houten verpakkingsmateriaal van Acer spp., Aesculus spp., Betula spp., Fraxinus spp., Populus spp., Salix spp. en Ulmus spp.; |
|
5) |
“verklikkerplanten”: nader omschreven planten die speciaal worden geplant ter ondersteuning van de vroegtijdige opsporing van het nader omschreven plaagorganisme en die voor onderzoeken worden gebruikt; |
|
6) |
“afgebakend gebied voor inperking”: een in de lijst in bijlage I opgenomen gebied waar het nader omschreven plaagorganisme niet kan worden uitgeroeid. |
HOOFDSTUK II
JAARLIJKSE ONDERZOEKEN NAAR HET NADER OMSCHREVEN PLAAGORGANISME BUITEN AFGEBAKENDE GEBIEDEN OP HET GRONDGEBIED VAN DE UNIE EN NOODPLANNEN
Artikel 3
Onderzoeken van het grondgebied van de Unie buiten de afgebakende gebieden
1. De bevoegde autoriteiten voeren jaarlijkse risicogebaseerde onderzoeken uit van de waardplanten in de gebieden op hun grondgebied waar het nader omschreven plaagorganisme voor zover bekend niet voorkomt, om deze te controleren op de aanwezigheid van dat plaagorganisme.
2. De opzet en het bemonsteringsschema van die onderzoeken moeten het mogelijk maken om in de betrokken lidstaat met een voldoende mate van betrouwbaarheid een gering besmettingsniveau van de planten op te sporen.
De onderzoeken moeten worden gebaseerd op de algemene richtsnoeren voor statistisch verantwoorde en risicogebaseerde onderzoeken naar plaagorganismen bij planten van de EFSA.
3. De onderzoeken worden uitgevoerd:
|
a) |
door middel van technieken waarmee besmetting ter hoogte van de boomkruinen kan worden opgespoord; |
|
b) |
in de open lucht, in natuur- en stedelijke gebieden, op stopplaatsen langs wegen en aan haltes langs spoorwegen, alsook in kwekerijen, tuincentra, handelscentra en hardhoutzagerijen en op andere relevante locaties waarvan de bevoegde autoriteiten menen dat de kans groter is om er het nader omschreven plaagorganisme te detecteren; |
|
c) |
rekening houdend met de aanwezigheid en de biologische eigenschappen van de waardplanten en met de wetenschappelijke en technische gegevens in de onderzoeksrichtsnoeren. |
4. De onderzoeken bestaan uit:
|
a) |
visueel onderzoek van waardplanten, en |
|
b) |
in voorkomend geval, het verzamelen van monsters van voor opplant bestemde planten, hout of houten verpakkingsmateriaal en het testen daarvan. |
Ter aanvulling van het visuele onderzoek mogen in voorkomend geval speciaal opgeleide speurhonden of vallen worden gebruikt.
Artikel 4
Noodplannen
Elke lidstaat neemt in zijn krachtens artikel 25 van Verordening (EU) 2016/2031 vereiste noodplan het volgende op:
|
a) |
de uitroeiing van het nader omschreven plaagorganisme zoals vastgelegd in artikel 9; |
|
b) |
de middelen die beschikbaar moeten worden gesteld en de procedures voor het beschikbaar stellen van die middelen in geval van bevestigde of vermoedelijke aanwezigheid van het nader omschreven plaagorganisme; |
|
c) |
de bepalingen voor de toepassing van de bijzondere voorschriften voor het binnenbrengen van waardplanten op en het verkeer ervan binnen het grondgebied van de Unie zoals vastgesteld in de bijlagen VII en VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072; |
|
d) |
de procedures voor het identificeren van de eigenaren van privéterreinen waar maatregelen moeten worden genomen indien het nader omschreven plaagorganisme wordt aangetroffen. |
De lidstaten werken hun noodplannen jaarlijks bij, voor zover dat nodig is.
HOOFDSTUK III
AFGEBAKENDE GEBIEDEN
Artikel 5
Instelling van afgebakende gebieden
1. Wanneer de aanwezigheid van het nader omschreven plaagorganisme officieel is bevestigd, stelt de betrokken lidstaat onverwijld een afgebakend gebied in om het nader omschreven plaagorganisme uit te roeien.
2. Na een officiële bevestiging van de aanwezigheid van het nader omschreven plaagorganisme en de instelling van het afgebakende gebied zoals bedoeld in lid 1, bepalen de bevoegde autoriteiten onverwijld het besmettingsniveau door middel van een onderzoek ter afgrenzing van het besmette gebied.
3. Wanneer op basis van de resultaten van het in artikel 8 bedoelde onderzoek gedurende ten minste vier opeenvolgende jaren wordt geconcludeerd dat de mate van besmetting met het nader omschreven plaagorganisme zo hoog is dat uitroeiing niet mogelijk is, verstrekken de bevoegde autoriteiten de Commissie onmiddellijk de gegevens over het afgebakende gebied voor inperking dat zij voornemens zijn aan te wijzen of te wijzigen, zodat dat gebied in de lijst van afgebakende gebieden voor inperking in bijlage I kan worden opgenomen.
4. Een afgebakend gebied bestaat uit:
|
a) |
een zone die alle besmette planten en alle nader omschreven planten die besmet kunnen raken en zich binnen een straal van ten minste 100 m rond de besmette planten bevinden, omvat (“besmette zone”); |
|
b) |
een bufferzone:
|
5. Bij het bepalen van de grenzen van het afgebakende gebied moet rekening worden gehouden met de wetenschappelijke beginselen, de biologische eigenschappen van het nader omschreven plaagorganisme, het besmettingsniveau, de specifieke verdeling van de waardplanten in het betrokken gebied en het bewijsmateriaal inzake de vestiging van het nader omschreven plaagorganisme.
Dit moet gebaseerd zijn op een onderzoek ter afgrenzing van het besmette gebied met een opzet en bemonsteringsschema waarmee het mogelijk is met ten minste 95 % betrouwbaarheid een besmettingsniveau van 1 % van de planten vast te stellen. Het onderzoek moet worden gebaseerd op de richtsnoeren voor statistisch verantwoorde en risicogebaseerde onderzoeken van de EFSA.
6. Met het oog op het treffen van de in artikel 9 bedoelde uitroeiingsmaatregelen mag de breedte van de bufferzone worden teruggebracht tot minimaal één km wanneer de bevoegde autoriteit concludeert dat uitroeiing van het nader omschreven plaagorganisme mogelijk is, rekening houdend met de omstandigheden van de uitbraak, zoals de omvang en locatie ervan, het besmettingsniveau of het aantal en de verdeling van waardplanten.
In geval van een afgebakend gebied voor inperking mag de breedte van de bufferzone worden teruggebracht tot minimaal twee km wanneer de bevoegde autoriteit van oordeel is dat die afstand toereikend is voor de inperking van het nader omschreven plaagorganisme, rekening houdend met de omstandigheden van de uitbraak, zoals de omvang en locatie ervan, het besmettingsniveau of het aantal en de verdeling van waardplanten.
Binnen de afgebakende gebieden zorgen de bevoegde autoriteiten ervoor dat het grote publiek en de professionele marktdeelnemers op de hoogte zijn van de afbakening van de gebieden.
Artikel 6
Afwijking van de instelling van afgebakende gebieden
1. In afwijking van artikel 5 kunnen de bevoegde autoriteiten ervoor kiezen geen afgebakend gebied in te stellen of een voorlopig afgebakend gebied in te stellen, mits er bewijs is dat:
|
a) |
het nader omschreven plaagorganisme in het gebied is binnengebracht met de planten, het hout of het houten verpakkingsmateriaal waarop het werd gevonden en die planten, dat hout of dat houten verpakkingsmateriaal besmet waren vóórdat zij in het betrokken gebied zijn binnengebracht, en dat het nader omschreven plaagorganisme zich niet heeft vermeerderd of dat het om een geïsoleerde vondst gaat die naar verwachting niet tot vestiging zal leiden, en |
|
b) |
het nader omschreven plaagorganisme zich niet heeft gevestigd en de verspreiding of succesvolle voortplanting ervan niet mogelijk zijn wegens zijn biologische eigenschappen, rekening houdend met de resultaten van een specifiek onderzoek en met de getroffen uitroeiingsmaatregelen. |
2. Wanneer de bevoegde autoriteit gebruikmaakt van de in lid 1 bedoelde afwijking:
|
a) |
treft zij onmiddellijk maatregelen om te zorgen voor de snelle uitroeiing van het nader omschreven plaagorganisme en om de mogelijkheid van de verspreiding ervan uit te sluiten; |
|
b) |
voert zij overeenkomstig artikel 3 onderzoeken uit gedurende ten minste één levenscyclus van het nader omschreven plaagorganisme plus één aanvullend jaar, en ten minste vier achtereenvolgende jaren, over een breedte van minstens één km rond de besmette planten of de plaats waar het nader omschreven plaagorganisme is gevonden, waarbij deze onderzoeken ten minste gedurende de eerste vliegperiode van het nader omschreven plaagorganisme regelmatig en intensief moeten zijn; |
|
c) |
traceert zij de oorsprong van de besmetting door de nader omschreven planten en het nader omschreven hout en houten verpakkingsmateriaal in de buurt van de vindplaats op tekenen van besmetting te onderzoeken, onder andere door middel van gerichte destructieve bemonstering, om de aanwezigheid van larven uit te sluiten; |
|
d) |
maakt zij het publiek bewust van de dreiging die van het nader omschreven plaagorganisme uitgaat, en |
|
e) |
neemt zij alle andere maatregelen die kunnen helpen het nader omschreven plaagorganisme uit te roeien, waarbij rekening wordt gehouden met ISPM nr. 9 (7) en overeenkomstig de beginselen van ISPM nr. 14 (8) een geïntegreerde aanpak wordt toegepast. |
Het in lid 2, punt b), bedoelde onderzoek hoeft echter niet te worden uitgevoerd als de aanwezigheid of het opduiken van volwassen exemplaren van het nader omschreven plaagorganisme op de waardplant, het nader omschreven hout of het nader omschreven houten verpakkingsmateriaal ondubbelzinnig kan worden uitgesloten en de redenen voor die conclusie schriftelijk aan de Commissie zijn meegedeeld.
Artikel 7
Opheffing van een afgebakend gebied
1. Een afgebakend gebied kan worden opgeheven wanneer het nader omschreven plaagorganisme op basis van de in artikel 8 bedoelde onderzoeken gedurende ten minste vier opeenvolgende jaren niet in het afgebakende gebied wordt aangetroffen.
2. De afbakening mag ook worden opgeheven wanneer aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, is voldaan.
Artikel 8
Jaarlijkse onderzoeken in afgebakende gebieden
1. De bevoegde autoriteiten voeren in de afgebakende gebieden overeenkomstig de leden 2 tot en met 5 van dit artikel intensieve jaarlijkse onderzoeken van de waardplanten zoals bedoeld in artikel 19, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031 uit om de aanwezigheid van het nader omschreven plaagorganisme te detecteren, en houden daarbij rekening met de informatie waarnaar in de onderzoeksrichtsnoeren wordt verwezen.
2. In voorkomend geval voert de bevoegde autoriteit gerichte destructieve bemonstering uit.
3. Wanneer verklikkerplanten worden gebruikt, worden die nader omschreven planten ten minste eenmaal per maand geïnspecteerd. Zij worden ten laatste vernietigd en onderzocht voordat het nader omschreven plaagorganisme één volledige levenscyclus in het gebied kan voltooien, zoals bepaald door de betrokken bevoegde autoriteit.
4. Voor de onderzoeksopzet wordt rekening gehouden met de algemene richtsnoeren voor statistisch verantwoorde en risicogebaseerde onderzoeken van de EFSA. Met de onderzoeksopzet en het bemonsteringsschema voor detectieonderzoeken kan met een betrouwbaarheid van ten minste 95 % een aanwezigheid van het nader omschreven plaagorganisme van 1 % worden gedetecteerd.
5. De bevoegde autoriteit voert op daartoe geschikte tijdstippen jaarlijkse onderzoeken uit van de aanwezigheid van het nader omschreven plaagorganisme door middel van inspecties van waardplanten binnen een breedte van ten minste 1 km rond een behandelings- of verwerkingsinstallatie voor nader omschreven hout en houten verpakkingsmateriaal en bast.
HOOFDSTUK IV
UITROEIINGS- EN INPERKINGSMAATREGELEN
Artikel 9
Uitroeiingsmaatregelen
1. Om het nader omschreven plaagorganisme uit te roeien, nemen de bevoegde autoriteiten de volgende maatregelen in de afgebakende gebieden:
|
a) |
het onmiddellijk kappen van besmette planten en planten met door het nader omschreven plaagorganisme veroorzaakte symptomen en de volledige verwijdering van hun wortels als er onder de wortelhals van de besmette plant door larven uitgevreten gangen worden vastgesteld; als de besmette planten buiten de vliegperiode van het nader omschreven plaagorganisme zijn aangetroffen, worden het kappen en verwijderen vóór het begin van de volgende vliegperiode uitgevoerd; |
|
b) |
het kappen van alle nader omschreven planten binnen een straal van ten minste 100 m rond de besmette planten en het onderzoeken van die nader omschreven planten op tekenen van besmetting; |
|
c) |
verwijdering, onderzoek en veilige afvoer van de overeenkomstig de punten a) en b) gekapte planten, waarbij alle nodige voorzorgsmaatregelen worden genomen om de verspreiding van het nader omschreven plaagorganisme tijdens en na het kappen te vermijden; |
|
d) |
verwijdering, onderzoek en veilige afvoer van het/de met de besmetting verband houdende hout, bast en houten verpakkingsmateriaal, waarbij de nodige voorzorgsmaatregelen worden genomen om de verspreiding van het nader omschreven plaagorganisme te vermijden; |
|
e) |
een verbod op het vervoer van mogelijk besmette nader omschreven planten en nader omschreven hout en houten verpakkingsmateriaal uit het afgebakende gebied; |
|
f) |
onderzoek naar de oorsprong van de besmetting door de planten, het hout, de bast en andere met de besmetting verband houdende materialen te traceren, en onderzoek daarvan op tekenen van besmetting, met inbegrip van gerichte destructieve bemonstering; |
|
g) |
waar het passend is, vervanging van nader omschreven planten door planten van andere, niet-gevoelige soorten; |
|
h) |
een verbod op de aanwezigheid van nieuwe nader omschreven planten in de open lucht in het in punt b) bedoelde gebied, behalve voor de in punt 17.2 van bijlage VIII bij Verordening (EU) 2019/2072 bedoelde productieplaatsen en verklikkerplanten; |
|
i) |
het publiek meer bewust maken van de bedreiging die van het nader omschreven plaagorganisme uitgaat en van de in dit artikel vastgestelde uitroeiingsmaatregelen, inclusief de voorwaarden betreffende het vervoer van de nader omschreven planten uit het afgebakende gebied; |
|
j) |
indien nodig, specifieke maatregelen voor de aanpak van bijzondere omstandigheden of complicaties waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij de uitroeiing tegenhouden, belemmeren of vertragen, met name maatregelen met betrekking tot de toegang tot en de passende uitroeiing van alle planten, besmet of verdacht van besmetting, ongeacht hun ligging, ongeacht of zij publieke of particuliere eigendom zijn en ongeacht de persoon of instantie die verantwoordelijk is voor de planten; |
|
k) |
alle andere maatregelen die kunnen bijdragen tot de uitroeiing van het nader omschreven plaagorganisme, overeenkomstig internationale norm voor fytosanitaire maatregelen (ISPM) nr. 9 (9), en tot de toepassing van een systeembenadering overeenkomstig de beginselen van ISPM nr. 14 (10). |
Wanneer het in het geval van de eerste alinea, punt a), niet mogelijk is diepgewortelde stronken en oppervlaktewortels te verwijderen, worden deze vermalen tot ten minste 40 cm onder het oppervlak of bedekt met insectenwerend materiaal.
2. De jaarlijkse officiële onderzoeken binnen een breedte van ten minste één km rond de in punt 17.2 van bijlage VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 bedoelde productieplaatsen moeten worden gebaseerd op de algemene richtsnoeren voor statistisch verantwoorde en risicogebaseerde onderzoeken naar plaagorganismen bij planten van de EFSA en met de gebruikte onderzoeksopzet en het gebruikte bemonsteringsschema moet het mogelijk zijn met een betrouwbaarheidsniveau van ten minste 99 % een besmettingsniveau van 1 % van de planten vast te stellen.
3. Als er in het geval van de verplaatsing van nader omschreven hout en houten verpakkingsmateriaal en bast uit het afgebakende gebied geen behandelings- of verwerkingsinstallaties beschikbaar zijn binnen het afgebakende gebied, worden het nader omschreven hout en houten verpakkingsmateriaal en de bast vervoerd naar de dichtstbijzijnde geschikte installatie buiten het afgebakende gebied om de onmiddellijke behandeling of verwerking overeenkomstig de punten 30 tot en met 32 van bijlage VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 te verzekeren. Die verplaatsing vindt onder officieel toezicht en in afgesloten omstandigheden plaats op zodanige wijze dat het nader omschreven plaagorganisme zich niet kan verspreiden.
De verantwoordelijke officiële instantie voert op daartoe geschikte tijdstippen jaarlijkse onderzoeken uit van de aanwezigheid van het nader omschreven plaagorganisme door middel van inspecties van waardplanten binnen een breedte van ten minste 1 km rond die behandelings- of verwerkingsinstallatie.
4. In afwijking van lid 1, eerste alinea, punt b), worden, indien een bevoegde autoriteit concludeert dat het kappen voor een beperkt aantal afzonderlijke planten wegens hun bijzondere sociale, culturele of milieuwaarde ongeschikt is, die afzonderlijke planten onderworpen aan een maandelijks individueel onderzoek naar tekenen van besmetting en moeten alternatieve maatregelen voor het kappen worden genomen die een hoog beschermingsniveau waarborgen, om de mogelijke verspreiding van het nader omschreven plaagorganisme vanaf die planten te voorkomen.
Artikel 10
Inperkingsmaatregelen
1. In de besmette zones van de afgebakende gebieden voor inperking, zoals opgenomen in de lijst in bijlage I, nemen de bevoegde autoriteiten elk van de volgende maatregelen:
|
a) |
het kappen van besmette planten en planten met door het nader omschreven plaagorganisme veroorzaakte symptomen en de volledige verwijdering van hun wortels als er onder de wortelhals van de besmette plant door larven uitgevreten gangen worden vastgesteld; |
|
b) |
verwijdering, onderzoek en veilige afvoer van de overeenkomstig punt a) gekapte planten, waarbij de nodige voorzorgsmaatregelen worden genomen om de verspreiding van het nader omschreven plaagorganisme tijdens en na het kappen te vermijden; |
|
c) |
een verbod op het vervoer van mogelijk besmette nader omschreven planten en nader omschreven hout en houten verpakkingsmateriaal uit het afgebakende gebied; |
|
d) |
indien van toepassing, vervanging van nader omschreven planten door andere, niet-gevoelige planten; |
|
e) |
een verbod op de aanwezigheid in de besmette zone van nieuwe nader omschreven planten in de open lucht, behalve voor de in punt 17.2 van bijlage VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 bedoelde productieplaatsen en het planten van verklikkerplanten; |
|
f) |
het publiek meer bewust maken van de bedreiging die van het nader omschreven plaagorganisme uitgaat en van de in dit artikel vastgestelde inperkingsmaatregelen, inclusief de voorwaarden betreffende het vervoer van de nader omschreven planten uit het overeenkomstig artikel 5 ingestelde afgebakende gebied; |
|
g) |
indien nodig, specifieke maatregelen voor de aanpak van alle andere problemen of complicaties waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij de inperking tegenhouden, belemmeren of vertragen, met name maatregelen met betrekking tot de toegang tot en het op passende wijze kappen en vernietigen van alle planten, besmet of verdacht van besmetting, ongeacht hun ligging en ongeacht de eigenaar of de persoon die verantwoordelijk is voor de planten; |
|
h) |
elke andere maatregel die het nader omschreven plaagorganisme kan helpen inperken. |
In het geval van de eerste alinea, punt a), gaan de activiteiten voor het kappen onmiddellijk van start; als de besmette planten buiten de vliegperiode van het nader omschreven plaagorganisme zijn aangetroffen, worden het kappen en verwijderen vóór het begin van de volgende vliegperiode uitgevoerd. Wanneer het niet mogelijk is diepgewortelde stronken en oppervlaktewortels te verwijderen, worden deze vermalen tot ten minste 40 cm onder het oppervlak of bedekt met insectenwerend materiaal.
2. De jaarlijkse officiële onderzoeken binnen een breedte van ten minste één km rond de in punt 17.2 van bijlage VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 bedoelde productieplaatsen moeten worden gebaseerd op de algemene richtsnoeren voor statistisch verantwoorde en risicogebaseerde onderzoeken naar plaagorganismen bij planten van de EFSA en met de gebruikte onderzoeksopzet en het gebruikte bemonsteringsschema moet het mogelijk zijn met een betrouwbaarheidsniveau van ten minste 99 % een besmettingsniveau van 1 % van de planten vast te stellen.
De verantwoordelijke officiële instantie voert op daartoe geschikte tijdstippen jaarlijkse onderzoeken uit van de aanwezigheid van het nader omschreven plaagorganisme door middel van inspecties van waardplanten binnen een breedte van ten minste 1 km rond die behandelings- of verwerkingsinstallatie.
3. Als er in het geval van de verplaatsing van nader omschreven hout en houten verpakkingsmateriaal en bast uit het afgebakende gebied en van de besmette zone naar de bufferzone geen behandelings- of verwerkingsinstallaties beschikbaar zijn binnen het afgebakende gebied, worden het nader omschreven hout en houten verpakkingsmateriaal en de bast vervoerd naar de dichtstbijzijnde geschikte installatie buiten het afgebakende gebied om de onmiddellijke behandeling of verwerking overeenkomstig de punten 30 tot en met 32 van bijlage VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 te verzekeren. Die verplaatsing vindt onder officieel toezicht en in afgesloten omstandigheden plaats op zodanige wijze dat het nader omschreven plaagorganisme zich niet kan verspreiden.
4. Wanneer de aanwezigheid van het nader omschreven plaagorganisme in de bufferzone officieel is bevestigd, zijn de artikelen 17 en 18 van Verordening (EU) 2016/2031 dienovereenkomstig van toepassing.
HOOFDSTUK V
SLOTBEPALINGEN
Artikel 11
Rapportageverplichtingen
1. De lidstaten dienen uiterlijk op 30 april van elk jaar bij de Commissie en de andere lidstaten een verslag in over de maatregelen die zij in het voorgaande kalenderjaar uit hoofde van deze verordening hebben genomen en over de resultaten van de in de artikelen 3 tot en met 10 bedoelde maatregelen.
Dat verslag bevat:
|
a) |
het aantal overeenkomstig artikel 8, lid 2, genomen monsters; |
|
b) |
de redenen voor het gebruik van de in artikel 9, lid 4, bedoelde afwijking en de naar aanleiding daarvan genomen maatregelen. |
2. De resultaten van de overeenkomstig artikel 8 uitgevoerde onderzoeken worden bij de Commissie ingediend met behulp van een van de modellen in bijlage II.
Artikel 12
Intrekking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/893
Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/893 wordt ingetrokken.
Artikel 13
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
De volgende bepalingen zijn met ingang van 1 januari 2027 van toepassing:
|
a) |
artikel 3, lid 2, |
|
b) |
artikel 5, lid 5, tweede alinea, |
|
c) |
artikel 8, lid 4, |
|
d) |
artikel 9, lid 2, |
|
e) |
artikel 10, lid 2. |
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 29 september 2025.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 317 van 23.11.2016, blz. 4, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/2031/oj.
(2) Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/893 van de Commissie van 9 juni 2015 betreffende maatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Unie van Anoplophora glabripennis (Motschulsky) te voorkomen (PB L 146 van 11.6.2015, blz. 16, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2015/893/oj).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 van de Commissie van 28 november 2019 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 690/2008 van de Commissie en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2019 van de Commissie (PB L 319 van 10.12.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/2072/oj).
(4) Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1702 van de Commissie van 1 augustus 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad door de vaststelling van de lijst van prioritaire plaagorganismen (PB L 260 van 11.10.2019, blz. 8, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2019/1702/oj).
(5) EFSA (Europese Autoriteit voor voedselveiligheid), “General guidelines for statistically sound and risk-based surveys of plant pests”, 8 september 2020, DOI:10.2903/sp.efsa.2020.EN-1919.
(6) EFSA, 2019, “Story map for survey of Anoplophora glabripennis ”, EFSA Journal 2019;16(12):EN-1750, online beschikbaar op https://efsa.maps.arcgis.com/, voor het laatst bijgewerkt op 29 mei 2021.
(7) Guidelines for pest eradication programmes — Reference Standard ISPM No 9, secretariaat van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten, Rome.
(8) The use of integrated measures in a systems approach for pest risk management — Reference Standard ISPM No 14, secretariaat van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten, Rome.
(9) Guidelines for pest eradication programmes — Reference Standard ISPM No 9, secretariaat van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten, Rome, gepubliceerd op 15 december 2011.
(10) The use of integrated measures in a systems approach for pest risk management — Reference Standard ISPM No 14, secretariaat van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten, Rome, gepubliceerd op 8 januari 2014.
BIJLAGE I
Afgebakende gebieden voor inperking
ITALIE
|
Europhyt-nummer van het afgebakende gebied |
Zone van het afgebakende gebied |
Regio |
Gemeenten of andere administratieve/geografische begrenzingen |
|
206 |
Besmette zone |
Marche |
Een deel van het grondgebied van de volgende gemeenten: Ostra, Senigallia, Trecastelli, Corinaldo, Ostra Vetere, Belvedere Ostrense |
|
Bufferzone |
Een deel van het grondgebied van de volgende gemeenten: Ostra, Senigallia, Trecastelli, Corinaldo, Ostra Vetere, Belvedere Ostrense, Morro d’Alba, Montecarotto |
||
|
358 |
Besmette zone |
Marche |
Het hele grondgebied van de volgende gemeenten: Monte Urano, Rapagnano, Magliano di Tenna, Belmonte Piceno, Grottazzolina, Monte Vidon Corrado. Een deel van het grondgebied van de volgende gemeenten: Sant’Elpidio a Mare, Torre San Patrizio, Monte San Pietrangeli, Francavilla d’Ete, Montegiorgio, Falerone, Servigliano, Montottone, Monte Gilberto, Ponzano di Fermo, Fermo |
|
Bufferzone |
Het hele grondgebied van Porto San Giorgio Een deel van het grondgebied van de volgende gemeenten: Porto Sant’Elpidio, Sant’Elpidio a Mare, Montegranaro, Torre San Patrizio, Monte San Pietrangeli, Monte San Giusto, Corridonia, Francavilla d’Ete, Mogliano, Montegiorgio, Massa Fermana, Montappone, Monsampietro Morico, Loro Piceno, Sant’Angelo in Pontano, Falerone, Penna San Giovanni, Servigliano, Monteleone di Fermo, Monsampietro Morico, Montottone, Monte Vidon Combatte, Monte Giberto, Petritoli, Ponzano di Fermo, Fermo, Monterubbiano, Lapedona, Santa Vittoria in Matenano |
||
|
866 |
Besmette zone |
Marche |
Het hele grondgebied van de volgende gemeenten: Civitanova Marche, Montecosaro Een deel van het grondgebied van de volgende gemeenten: Morrovalle, Montegranaro, Sant’Elpidio a Mare, Porto Sant’Elpidio |
|
Bufferzone |
Een deel van het grondgebied van de volgende gemeenten: Porto Sant’Elpidio, Sant’Elpidio a Mare, Potenza Picena, Montelupone, Morrovalle, Monte San Giusto, Montegranaro |
BIJLAGE II
Modellen voor de verslaglegging van de resultaten van de overeenkomstig artikel 8 uitgevoerde onderzoeken
DEEL A
1. Model voor de verslaglegging van de resultaten van jaarlijkse onderzoeken
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Naam |
Datum van instelling |
Beschrijving |
Aantal |
|
Aantal |
Datum |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
A |
B |
C |
D |
E |
F |
G |
H |
I |
i |
ii |
iii |
iv |
i |
ii |
iii |
iv |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
2. Instructies voor het invullen van het model
Indien dit model wordt ingevuld, wordt het model in deel B van deze bijlage niet ingevuld.
Kolom 1: vermeld de naam van het geografische gebied, het uitbraaknummer of andere informatie waarmee dit afgebakende gebied kan worden geïdentificeerd, en de datum van instelling.
Kolom 2: vermeld de omvang van het afgebakende gebied voor aanvang van het onderzoek.
Kolom 3: vermeld de omvang van het afgebakende gebied na het onderzoek.
Kolom 4: vermeld de aanpak: uitroeiing of inperking. Voeg zo veel rijen toe als nodig, afhankelijk van het aantal afgebakende gebieden per plaagorganisme en de aanpak die in deze gebieden wordt gehanteerd.
Kolom 5: vermeld de zone van het afgebakende gebied waar het onderzoek is uitgevoerd, met zoveel rijen als nodig: besmette zone of bufferzone, in afzonderlijke rijen. Vermeld, indien van toepassing, in afzonderlijke rijen het gebied van de besmette zone waar het onderzoek is uitgevoerd (bv. de laatste 20 km aangrenzend aan de bufferzone, rond kwekerijen).
Kolom 6: vermeld het aantal en de beschrijving van de onderzoekslocaties, door een van de volgende vermeldingen te kiezen:
|
1. |
in de open lucht (productiegebied): 1.1 veld (landbouwgrond, weidegrond); 1.2 boomgaard/wijngaard; 1.3 kwekerij; 1.4 bos; |
|
2. |
in de open lucht (overig): 2.1 privétuin; 2.2 openbare locaties; 2.3 beschermd gebied; 2.4 wilde planten in een niet-beschermd gebied; 2.5 andere locatie, met specificatie van het specifieke geval (bv. tuincentrum, commerciële locatie waar verpakkingsmateriaal van hout wordt gebruikt, houtindustrie, waterrijk natuurgebied, irrigatie- en drainagenetwerk); |
|
3. |
besloten omgeving: 3.1 kas; 3.2 privéterrein anders dan een kas; 3.3 openbare locatie anders dan een kas; 3.4 andere locatie, met specificatie van het specifieke geval (bv. tuincentrum, commerciële locatie waar verpakkingsmateriaal van hout wordt gebruikt, houtindustrie). |
Kolom 7: vermeld welke risicogebieden zijn vastgesteld op basis van de biologische eigenschappen van het plaagorganisme/de plaagorganismen, de aanwezigheid van waardplanten, ecoklimatologische omstandigheden en risicolocaties.
Kolom 8: vermeld van de in kolom 7 vermelde risicogebieden, de in het onderzoek opgenomen risicogebieden.
Kolom 9: vermeld planten, vruchten, zaden, bodem, verpakkingsmateriaal, hout, machines, voertuigen, water, andere, met vermelding van het specifieke geval.
Kolom 10: vermeld de lijst van onderzochte plantensoorten/-geslachten, met telkens één rij per plantensoort/-geslacht.
Kolom 11: vermeld de maanden van het jaar waarin het onderzoek is uitgevoerd.
Kolom 12: vermeld de bijzonderheden van het onderzoek, afhankelijk van de specifieke wettelijke voorschriften voor elk plaagorganisme. Geef met “n.v.t.” aan wanneer de gegevens van een bepaalde kolom niet van toepassing zijn.
Kolommen 13 en 14: vermeld de resultaten, indien van toepassing, en verstrek de beschikbare informatie in de desbetreffende kolommen. Onder “niet bekend” wordt verstaan: de geanalyseerde monsters waarbij om verschillende redenen geen resultaat kon worden verkregen (bv. onder het detectieniveau, niet-geïdentificeerd of onverwerkt monster, oud monster).
Kolom 15: vermeld voor vondsten in de bufferzone de kennisgevingen van uitbraken van het jaar waarin het onderzoek heeft plaatsgevonden. Het kennisgevingsnummer van de uitbraak hoeft niet te worden vermeld wanneer de bevoegde autoriteit heeft besloten dat het een van de in artikel 14, lid 2, artikel 15, lid 2, of artikel 16 van Verordening (EU) 2016/2031 bedoelde gevallen betreft. Vermeld in dit geval in kolom 16 (Opmerkingen) de reden voor het niet verstrekken van deze informatie.
DEEL B
1. Model voor de verslaglegging van de resultaten van op statistische gegevens gebaseerde jaarlijkse onderzoeken
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Naam |
Datum van instelling |
Beschrijving |
Aantal |
Waardsoort |
Gebied (ha of andere, relevantere eenheid) |
Inspectie-eenheden |
Beschrijving |
Eenheden |
Visuele onderzoeken |
Vallen |
Tests |
Overige methoden |
Risicofactor |
Risiconiveaus |
Aantal locaties |
Relatieve risico’s |
Aandeel van de waardpopulatie |
positief |
negatief |
niet bekend |
Aantal |
Datum |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||
2. Instructies voor het invullen van het model
Licht de onderliggende aannamen voor de opzet van het onderzoek per plaagorganisme toe. Geef een samenvatting en motivering van:
|
— |
de doelpopulatie, de epidemiologische eenheid en de inspectie-eenheden; |
|
— |
de detectiemethode en de gevoeligheid van de methode; |
|
— |
de risicofactor(en), met vermelding van de risiconiveaus en de dienovereenkomstige relatieve risico’s en aandelen van de waardplantpopulatie. |
Kolom 1: vermeld de naam van het geografische gebied, het uitbraaknummer of andere informatie waarmee dit afgebakende gebied kan worden geïdentificeerd, en de datum van instelling.
Kolom 2: vermeld de omvang van het afgebakende gebied voor aanvang van het onderzoek.
Kolom 3: vermeld de omvang van het afgebakende gebied na het onderzoek.
Kolom 4: vermeld de aanpak: uitroeiing of inperking. Voeg zo veel rijen toe als nodig, afhankelijk van het aantal afgebakende gebieden per plaagorganisme en de aanpak die in deze gebieden wordt gehanteerd.
Kolom 5: vermeld de zone van het afgebakende gebied waar het onderzoek is uitgevoerd, met zoveel rijen als nodig: besmette zone of bufferzone, in afzonderlijke rijen. Vermeld, indien van toepassing, in afzonderlijke rijen het gebied van de besmette zone waar het onderzoek is uitgevoerd (bv. de laatste 20 km aangrenzend aan de bufferzone, rond kwekerijen).
Kolom 6: vermeld het aantal en de beschrijving van de onderzoekslocaties, door een van de volgende vermeldingen te kiezen:
|
1. |
in de open lucht (productiegebied): 1.1 veld (landbouwgrond, weidegrond); 1.2 boomgaard/wijngaard; 1.3 kwekerij; 1.4 bos; |
|
2. |
in de open lucht (overig): 2.1 privétuinen; 2.2 openbare locaties; 2.3 beschermd gebied; 2.4 wilde planten in een niet-beschermd gebied; 2.5 andere locatie, met specificatie van het specifieke geval (bv. tuincentrum, commerciële locatie waar verpakkingsmateriaal van hout wordt gebruikt, houtindustrie, waterrijk natuurgebied, irrigatie- en drainagenetwerk); |
|
3. |
besloten omgeving: 3.1 kas; 3.2 privéterrein anders dan een kas; 3.3 openbare locatie anders dan een kas; 3.4 andere locatie, met specificatie van het specifieke geval (bv. tuincentrum, commerciële locatie waar verpakkingsmateriaal van hout wordt gebruikt, houtindustrie). |
Kolom 7: vermeld de maanden van het jaar waarin de onderzoeken zijn uitgevoerd.
Kolom 8: vermeld de gekozen doelpopulatie, met de dienovereenkomstige lijst van waardsoorten/-geslachten en het bestreken gebied. De doelpopulatie wordt omschreven als het geheel van inspectie-eenheden. De omvang daarvan wordt voor landbouwgebieden gewoonlijk in hectaren omschreven, maar kan ook in percelen, velden, kassen enz. worden uitgedrukt. Motiveer de gemaakte keuze in de onderliggende aannamen. Vermeld de onderzochte inspectie-eenheden. Onder “inspectie-eenheid” wordt verstaan: planten, delen van planten, producten, materialen, vectoren die zijn onderzocht om de plaagorganismen te identificeren en op te sporen.
Kolom 9: vermeld de onderzochte epidemiologische eenheden, met vermelding van de beschrijving en de meeteenheid. Onder “epidemiologische eenheid” wordt verstaan: een homogeen gebied waar de interacties tussen het plaagorganisme, de waardplanten en de abiotische en biotische factoren en omstandigheden tot dezelfde epidemiologie zouden leiden als het plaagorganisme aanwezig is. Epidemiologische eenheden zijn een onderverdeling van de doelpopulatie die, wat de epidemiologie betreft, homogeen zijn en die ten minste één waardplant omvatten. In sommige gevallen kan de volledige waardpopulatie in een regio/gebied/land als epidemiologische eenheid worden gedefinieerd. Een epidemiologische eenheid kan een NUTS-regio (nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek), een stedelijk gebied, een bos, een rozentuin of een landbouwbedrijf zijn, of een gebied dat uit een bepaald aantal hectaren bestaat. De keuze van de epidemiologische eenheden moet in de onderliggende aannamen worden verantwoord.
Kolom 10: vermeld de bij het onderzoek gebruikte methoden en het aantal activiteiten voor elk geval, afhankelijk van de specifieke wettelijke voorschriften voor elk plaagorganisme. Geef met “n.v.t.” aan wanneer de gegevens van een bepaalde kolom niet beschikbaar zijn.
Kolom 11: geef een schatting van de doeltreffendheid van de monsterneming. Onder “doeltreffendheid van de monsterneming” wordt verstaan: de waarschijnlijkheid dat van een besmette plant de besmette delen worden geselecteerd. Voor vectoren wordt gekeken naar de doeltreffendheid van de methode voor het vangen van een positieve vector wanneer deze in het onderzoeksgebied aanwezig is. Voor de bodem wordt gekeken naar de doeltreffendheid van het selecteren van een bodemmonster dat het plaagorganisme bevat, wanneer het plaagorganisme in het onderzoeksgebied aanwezig is.
Kolom 12: onder “gevoeligheid van de methode” wordt verstaan: de waarschijnlijkheid dat de aanwezigheid van een plaagorganisme correct met een methode wordt aangetoond. De gevoeligheid van de methode wordt omschreven als de waarschijnlijkheid dat een daadwerkelijk positieve waard een positief testresultaat geeft. De doeltreffendheid van de bemonstering (d.w.z. de waarschijnlijkheid dat van een besmette plant de besmette delen worden geselecteerd) wordt vermenigvuldigd met de diagnostische gevoeligheid (die wordt gekenmerkt door de visuele controles en/of de laboratoriumtest die tijdens het identificatieproces wordt gebruikt).
Kolom 13: vermeld de risicofactoren in afzonderlijke rijen en voeg zoveel rijen toe als nodig. Vermeld voor elke risicofactor het risiconiveau, het overeenkomstige relatieve risico en het aandeel van de waardpopulatie.
Kolom B: vermeld de bijzonderheden van het onderzoek, afhankelijk van de specifieke wettelijke voorschriften voor elk plaagorganisme. Geef met “n.v.t.” aan wanneer de gegevens van een bepaalde kolom niet van toepassing zijn. De in deze kolommen te verstrekken informatie houdt verband met de informatie in kolom 10 “Detectiemethoden”.
Kolom 18: vermeld het aantal locaties met vallen indien dit aantal verschilt van het aantal vallen (kolom 17) (bv. omdat dezelfde val op verschillende plaatsen is gebruikt).
Kolom 21: vermeld het aantal positieve en negatieve monsters en het aantal monsters waarvan het resultaat niet bekend is. Onder “niet bekend” wordt verstaan: de geanalyseerde monsters waarbij om verschillende redenen geen resultaat kon worden verkregen (bv. onder het detectieniveau, niet-geïdentificeerd of onverwerkt monster, oud monster).
Kolom 22: vermeld de kennisgevingen van uitbraken van het jaar waarin het onderzoek heeft plaatsgevonden. Het kennisgevingsnummer van de uitbraak hoeft niet te worden vermeld wanneer de bevoegde autoriteit heeft besloten dat het een van de in artikel 14, lid 2, artikel 15, lid 2, of artikel 16 van Verordening (EU) 2016/2031 bedoelde gevallen betreft. Vermeld in dit geval in kolom 25 (Opmerkingen) de reden voor het niet verstrekken van deze informatie.
Kolom 23: vermeld de gevoeligheid van het onderzoek zoals omschreven in internationale norm voor fytosanitaire maatregelen (ISPM) nr. 31. Deze waarde betreffende het behaalde betrouwbaarheidsniveau van de afwezigheid van plaagorganismen wordt berekend op basis van de uitgevoerde onderzoeken (en/of monsternemingen) waarbij de gevoeligheid van de methode en aangenomen prevalentie vaststaan.
Kolom 24: vermeld de aangenomen prevalentie op basis van een aan het onderzoek voorafgaande raming van de vermoedelijke daadwerkelijke prevalentie van het plaagorganisme in de praktijk. De aangenomen prevalentie wordt als doel van het onderzoek vastgesteld en komt overeen met de afweging die de risicobeheerders maken tussen het risico dat het plaagorganisme aanwezig is, en de middelen die voor het onderzoek beschikbaar zijn. Voor een opsporingsonderzoek wordt gewoonlijk een waarde van 1 % vastgelegd.
(1) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1715 van de Commissie van 30 september 2019 tot vaststelling van regels inzake de werking van het informatiemanagementsysteem voor officiële controles en de systeemcomponenten ervan (de Imsoc-verordening) (sPB L 261 van 14.10.2019, blz. 37, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/1715/oj).
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/1952/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)