Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32025D1904

Besluit (EU) 2025/1904 van het Europees Parlement en de Raad van 10 september 2025 over de goedkeuring door de Unie van de Overeenkomst betreffende de uitlegging en toepassing van het Verdrag inzake het Energiehandvest

PE/15/2025/REV/1

PB L, 2025/1904, 19.9.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2025/1904/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2025/1904/oj

European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2025/1904

19.9.2025

BESLUIT (EU) 2025/1904 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 10 september 2025

over de goedkeuring door de Unie van de Overeenkomst betreffende de uitlegging en toepassing van het Verdrag inzake het Energiehandvest

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 194,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In zijn arrest van 2 september 2021 in zaak C-741/19 (3), Republiek Moldavië/Komstroy (het “arrest Komstroy”), heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het “Hof van Justitie”) geoordeeld dat artikel 26, lid 2, punt c), van het Verdrag inzake het Energiehandvest, goedgekeurd namens de Europese Gemeenschappen bij Besluit 98/181/EG, EGKS, Euratom van de Raad en de Commissie (4), aldus moet worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op geschillen tussen een lidstaat en een investeerder uit een andere lidstaat over een investering die die investeerder heeft gedaan in eerstgenoemde lidstaat, d.w.z. intra-EU-geschillen.

(2)

Ondanks het arrest Komstroy blijven scheidsgerechten de bevoegdheid aanvaarden en uitspraken doen in intra-EU-arbitrageprocedures die gebaseerd zouden zijn op artikel 26, lid 2, punt c), van het Verdrag inzake het Energiehandvest. Volgens het Hof van Justitie is een dergelijke uitspraak onverenigbaar met het recht van de Unie, en met name met de artikelen 267 en 344 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Daarom kunnen dergelijke uitspraken geen rechtsgevolgen hebben en de betaling van schadevergoeding naar aanleiding van die uitspraken kan dan ook niet ten uitvoer worden gelegd.

(3)

De doeltreffende uitvoering van het recht van de Unie wordt ondermijnd door uitspraken die het recht van de Unie in intra-EU-arbitrageprocedures schenden. Er bestaat een gevaar van strijdigheid tussen de Verdragen enerzijds en het Verdrag inzake het Energiehandvest zoals uitgelegd door sommige scheidsgerechten anderzijds, die, indien die uitlegging wordt bevestigd door de rechtbanken van een derde land, de facto tot een rechtsconflict zou leiden indien in de rechtsorde van derde landen dergelijke uitspraken zouden circuleren.

(4)

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie kan het gevaar van een strijdigheid tussen rechtsbepalingen ertoe leiden dat een internationale overeenkomst onverenigbaar is met het recht van de Unie. Het gevaar van een dergelijke strijdigheid tussen de Verdragen en het Verdrag inzake het Energiehandvest moet daarom worden uitgesloten. De aanneming van een internationaalrechtelijk instrument in de vorm van een overeenkomst waarin de gemeenschappelijke opvatting van de partijen bij die overeenkomst over de niet-toepasselijkheid van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest als grondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures wordt vastgelegd, zou helpen dat gevaar uit te sluiten.

(5)

De Commissie, namens de Unie, en de lidstaten hebben de onderhandelingen over de voorwaarden van een Overeenkomst betreffende de uitlegging en toepassing van het Verdrag inzake het Energiehandvest afgerond. De gemeenschappelijke opvatting in die overeenkomst wordt herhaald in de “Verklaring over de rechtsgevolgen van het arrest Komstroy van het Hof van Justitie en de gemeenschappelijke opvatting inzake de niet-toepasselijkheid van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest als grondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures” van 26 juni 2024 (5).

(6)

De Overeenkomst betreffende de uitlegging en toepassing van het Verdrag inzake het Energiehandvest moet daarom worden goedgekeurd teneinde de ondertekening ervan door de Unie mogelijk te maken en om kenbaar te maken dat de Unie ermee instemt door de overeenkomst gebonden te zijn,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde Overeenkomst betreffende de uitlegging en toepassing van het Verdrag inzake het Energiehandvest wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Straatsburg, 10 september 2025.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

M. BJERRE


(1)  Advies van 4 december 2024 (PB C, C/2025/776, 11.2.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/776/oj).

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 18 juni 2025 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 8 juli 2025.

(3)  Arrest van het Hof van Justitie van 2 september 2021, Republiek Moldavië/Komstroy, C-741/19, ECLI:EU:C:2021:655, punt 66.

(4)  Besluit 98/181/EG, EGKS, Euratom van de Raad en de Commissie van 23 september 1997 betreffende sluiting door de Europese Gemeenschappen van het Verdrag inzake het Energiehandvest en het protocol bij het Energiehandvest betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten (PB L 69 van 9.3.1998, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/1998/181/oj).

(5)   PB L, 2024/2121, 6.8.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/declar/2024/2121/oj.


OVEREENKOMST BETREFFENDE DE UITLEGGING EN TOEPASSING VAN HET VERDRAG INZAKE HET ENERGIEHANDVEST

HET KONINKRIJK BELGIË,

DE REPUBLIEK BULGARIJE,

DE TSJECHISCHE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK DENEMARKEN,

DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

DE REPUBLIEK ESTLAND,

IERLAND,

DE HELLEENSE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK SPANJE,

DE FRANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK KROATIË,

DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK CYPRUS,

DE REPUBLIEK LETLAND,

DE REPUBLIEK LITOUWEN,

HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG,

DE REPUBLIEK MALTA,

HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN,

DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,

DE REPUBLIEK POLEN,

DE PORTUGESE REPUBLIEK,

ROEMENIË,

DE REPUBLIEK SLOVENIË,

DE SLOWAAKSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK FINLAND,

HET KONINKRIJK ZWEDEN en

DE EUROPESE UNIE,

hierna gezamenlijk de “partijen” genoemd,

INDACHTIG het Verdrag inzake het Energiehandvest, ondertekend te Lissabon op 17 december 1994  (1) en goedgekeurd namens de Europese Gemeenschappen bij Besluit 98/181/EG, EGKS, Euratom van de Raad en de Commissie op 23 september 1997  (2), laatstelijk gewijzigd,

INDACHTIG de regels van internationaal gewoonterecht zoals neergelegd in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, gedaan te Wenen op 23 mei 1969,

OVERWEGENDE dat de leden van een regionale organisatie voor economische integratie in de zin van artikel 1, punt 3, van het Verdrag inzake het Energiehandvest hierbij een gemeenschappelijke opvatting tot uitdrukking brengen over de uitlegging en toepassing van een verdrag in hun onderlinge betrekkingen,

ERAAN HERINNEREND dat de opzegging van het Verdrag inzake het Energiehandvest geen afbreuk doet aan de samenstelling van de in dat verdrag vermelde regionale organisatie voor economische integratie, noch belet dat zij belang heeft bij het tot uitdrukking brengen van een gemeenschappelijke opvatting over de uitlegging en toepassing van dat verdrag zolang dit kan worden geacht rechtsgevolgen te hebben voor een partij die het verdrag heeft opgezegd, en met name met betrekking tot artikel 47, lid 3, van het Verdrag inzake het Energiehandvest,

INDACHTIG het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de algemene beginselen van het recht van de Europese Unie,

OVERWEGENDE dat de in deze overeenkomst voorkomende verwijzingen naar de Europese Unie ook moeten worden opgevat als verwijzingen naar de voorganger ervan, de Europese Economische Gemeenschap en, vervolgens, de Europese Gemeenschap, totdat laatstgenoemde door de Europese Unie is opgevolgd,

ERAAN HERINNEREND dat, overeenkomstig de rechtspraak van het Permanent Hof van Internationale Justitie (3) en van het Internationaal Gerechtshof (4), het recht om een gezaghebbende uitlegging van een rechtsregel te geven met betrekking tot een internationale overeenkomst, toekomt aan de partijen bij die overeenkomst,

ERAAN HERINNEREND dat de lidstaten van de Europese Unie (“lidstaten”) het recht tot gezaghebbende uitleggingen van het recht van de Unie hebben toegekend aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het “Hof van Justitie”), zoals het Hof van Justitie heeft verduidelijkt in het arrest van 30 mei 2006 in zaak C-459/03, Commissie/Ierland (Mox Plant) (5), waarin het stelde dat de exclusieve bevoegdheid tot uitlegging en toepassing van het recht van de Unie zich uitstrekt tot de uitlegging en toepassing van internationale overeenkomsten waarbij de Europese Unie en haar lidstaten partij zijn in geval van een geschil tussen twee lidstaten of tussen de Europese Unie en een lidstaat,

ERAAN HERINNEREND dat de lidstaten overeenkomstig artikel 344 VWEU een geschil betreffende de uitlegging of de toepassing van de Verdragen niet op andere wijze mogen doen beslechten dan in die Verdragen is voorgeschreven,

ERAAN HERINNEREND dat het Hof van Justitie in zijn arrest van 6 maart 2018, in zaak C-284/16, Achmea (6), heeft geoordeeld dat de artikelen 267 en 344 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een bepaling in een tussen lidstaten gesloten internationale overeenkomst uit hoofde waarvan een investeerder uit een van die lidstaten, in geval van een geschil over investeringen in de andere lidstaat, tegen laatstgenoemde lidstaat een procedure kan inleiden voor een scheidsgerecht waarvan die lidstaat zich ertoe heeft verbonden de bevoegdheid te aanvaarden,

HERINNEREND aan het consequent herhaalde standpunt van de Europese Unie dat het Verdrag inzake het Energiehandvest niet van toepassing mag zijn op betrekkingen binnen de EU en dat de Europese Unie, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten niet de bedoeling hadden, noch hadden kunnen hebben, dat het Verdrag inzake het Energiehandvest voor hen onderlinge verplichtingen zou scheppen, aangezien het is gesloten als instrument van het externe energiebeleid van de Europese Unie met het oog op de totstandbrenging van een kader voor samenwerking op energiegebied met derde landen, terwijl het interne energiebeleid van de Europese Unie daarentegen bestaat uit een uitgebreid stelsel van regels die tot doel hebben een interne energiemarkt tot stand te brengen en bij uitsluiting van toepassing zijn op betrekkingen tussen de lidstaten op dat gebied,

ERAAN HERINNEREND dat het Hof van Justitie in zijn arrest van 2 september 2021, in zaak C-741/19, Republiek Moldavië/Komstroy (7) (het “arrest Komstroy”), zoals bevestigd in zijn advies van 16 juni 2022, 1/20 (8), heeft geoordeeld dat artikel 26, lid 2, punt c), van het Verdrag inzake het Energiehandvest aldus moet worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op geschillen tussen een lidstaat en een investeerder uit een andere lidstaat over een investering die die investeerder heeft gedaan in eerstgenoemde lidstaat,

ERAAN HERINNEREND dat, als een uitlegging door de bevoegde rechter en voortvloeiend uit een algemeen beginsel van internationaal publiekrecht, de uitlegging van het Verdrag inzake het Energiehandvest in het arrest Komstroy van toepassing is vanaf de goedkeuring van het Verdrag inzake het Energiehandvest door de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten,

OVERWEGENDE dat de artikelen 267 en 344 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een uitlegging van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest op grond waarvan geschillen tussen enerzijds een investeerder uit een lidstaat en anderzijds een andere lidstaat of de Europese Unie kunnen worden beslecht voor een scheidsgerecht (“intra-EU-arbitrageprocedure”),

OVERWEGENDE dat indien een geschil tussen enerzijds een investeerder uit een lidstaat en anderzijds een andere lidstaat of de Europese Unie niet in der minne kan worden geschikt, een partij bij dat geschil er altijd voor kan kiezen het geschil overeenkomstig het nationale recht ter beslechting voor te leggen aan de bevoegde rechters of administratiefrechtelijke instanties, zoals gewaarborgd door de algemene rechtsbeginselen en de eerbiediging van de grondrechten, die onder meer zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

GELEID door de gemeenschappelijke opvatting die in deze overeenkomst tot uitdrukking wordt gebracht, dat als gevolg daarvan een bepaling als artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest niet in het verleden, noch thans of in de toekomst als de rechtsgrondslag kon of kan dienen voor arbitrageprocedures die door een investeerder uit een lidstaat worden ingeleid met betrekking tot investeringen in een andere lidstaat,

HERHALENDE Verklaring nr. 17 betreffende voorrang, gehecht aan de Slotakte van de intergouvernementele conferentie die het Verdrag van Lissabon heeft aangenomen, waarin eraan wordt herinnerd dat de Verdragen en het recht dat de Unie op grond van de Verdragen vaststelt, voorrang hebben boven het recht van de lidstaten, en dat het voorrangsbeginsel een conflictregel is in hun onderlinge betrekkingen,

ERAAN HERINNEREND daarom dat een door de lidstaten uit hoofde van het internationaal recht gesloten internationale overeenkomst, teneinde eventuele conflicten tussen rechtsnormen op te lossen, in de betrekkingen binnen de EU slechts van toepassing kan zijn voor zover de bepalingen ervan verenigbaar zijn met de EU-Verdragen,

OVERWEGENDE dat als gevolg van de niet-toepasselijkheid van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest als rechtsgrondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures, artikel 47, lid 3, van het Verdrag inzake het Energiehandvest niet tot dergelijke procedures kan worden uitgebreid en daarvoor niet was bedoeld,

OVERWEGENDE dat, als gevolg van de niet-toepasselijkheid van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest als rechtsgrondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures, de partijen die bij aanhangige intra-EU-arbitrageprocedures betrokken zijn, hetzij als verweerder, hetzij als lidstaat van een investeerder, moeten samenwerken om ervoor te zorgen dat het bestaan van deze overeenkomst onder de aandacht van het betrokken scheidsgerecht wordt gebracht, zodat noodzakelijkerwijs de conclusie moet worden getrokken dat dat scheidsgerecht niet bevoegd is,

OVERWEGENDE dat er bovendien geen nieuwe intra-EU-arbitrageprocedures zouden mogen worden geregistreerd, en HET EROVER EENS ZIJNDE dat wanneer niettemin kennisgeving wordt gedaan van arbitrage, de partijen die bij die procedure betrokken zijn, hetzij als verweerder, hetzij als lidstaat van een investeerder, moeten samenwerken om ervoor te zorgen dat het bestaan van deze overeenkomst onder de aandacht van het betrokken scheidsgerecht wordt gebracht, zodat noodzakelijkerwijs de conclusie moet worden getrokken dat artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest niet als rechtsgrondslag voor een dergelijke procedure kan dienen,

OVERWEGENDE dat desalniettemin schikkingen en uitspraken in intra-EU-arbitrageprocedures inzake investeringen die niet langer kunnen worden vernietigd en die vrijwillig zijn nageleefd of definitief ten uitvoer zijn gelegd, niet mogen worden aangevochten,

BETREUREND dat scheidsgerechten al uitspraken hebben gedaan, nog steeds doen en zouden kunnen doen in intra-EU-arbitrageprocedures die zijn ingeleid met verwijzing naar artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest op een wijze die strijdig is met het recht van de Europese Unie, onder meer zoals uitgedrukt in de rechtspraak van het Hof van Justitie,

het eveneens BETREUREND dat dergelijke scheidsrechterlijke uitspraken voorwerp zijn van tenuitvoerleggingsprocedures, ook in derde landen, dat scheidsgerechten zich in aanhangige intra-EU-arbitrageprocedures die naar verluidt gebaseerd zijn op artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest niet onbevoegd verklaren, en dat arbitrage-instanties nieuwe arbitrageprocedures blijven registreren en die niet kennelijk niet-ontvankelijk verklaren op grond van het feit dat instemming met arbitrage ontbreekt,

OVERWEGENDE dat het daarom noodzakelijk is het consistente standpunt van de partijen uitdrukkelijk en ondubbelzinnig te herhalen door middel van een overeenkomst waarin hun gemeenschappelijke opvatting over de uitlegging en toepassing van het Verdrag inzake het Energiehandvest, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, wordt bevestigd voor zover het intra-EU-arbitrageprocedures betreft,

OVERWEGENDE dat een aantal bepalingen van het Verdrag inzake het Energiehandvest, overeenkomstig het arrest van het Internationaal Gerechtshof van 5 februari 1970, Barcelona Traction, Light and Power Company, Limited (9) en zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in het arrest Komstroy, bilaterale betrekkingen beogen te regelen,

OVERWEGENDE dat deze overeenkomst daarom alleen betrekking heeft op de bilaterale betrekkingen tussen de partijen, en, bij uitbreiding, de investeerders van die lidstaten als partijen bij het Verdrag inzake het Energiehandvest, en dat deze overeenkomst bijgevolg alleen gevolgen heeft voor de partijen bij het Verdrag inzake het Energiehandvest die onder het recht van de Europese Unie als regionale organisatie voor economische integratie in de zin van artikel 1, punt 3, van het Verdrag inzake het Energiehandvest vallen, en dat zij geen afbreuk doet aan het genot door de andere partijen bij het Verdrag inzake het Energiehandvest van hun rechten uit hoofde van dat verdrag of de nakoming van hun verplichtingen,

ERAAN HERINNEREND dat de partijen bij deze overeenkomst de partijen bij het Verdrag inzake het Energiehandvest in kennis hebben gesteld van hun voornemen om deze overeenkomst te sluiten,

OVERWEGENDE dat de partijen door het sluiten van deze overeenkomst en in overeenstemming met hun wettelijke verplichtingen uit hoofde van het recht van de Europese Unie, maar onverminderd hun recht om dergelijke vorderingen in te stellen die zij passend achten met betrekking tot de kosten die zij als verweerder in het kader van intra-EU-arbitrageprocedures hebben gemaakt, ervoor zorgen dat het arrest Komstroy volledig en daadwerkelijk wordt nageleefd, en onderstrepen dat bestaande scheidsrechterlijke uitspraken niet-afdwingbaar zijn, dat scheidsgerechten verplicht zijn om alle aanhangige intra-EU-arbitrageprocedures onmiddellijk te beëindigen, dat arbitrage-instanties verplicht zijn om geen toekomstige intra-EU-arbitrageprocedures meer te registreren, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden uit hoofde van artikel 36, lid 3, van het Verdrag inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten (“ICSID-verdrag”), gesloten te Washington op 18 maart 1965 en artikel 12 van de arbitrageregels van de Kamer van Koophandel van Stockholm (Stockholm Chamber of Commerce — “SCC”), en dat scheidsgerechten verplicht zijn om te verklaren dat intra-EU-arbitrageprocedures die bij hen willen worden geregistreerd, een rechtsgrondslag ontberen,

HET EROVER EENS ZIJNDE dat deze overeenkomst van toepassing is op arbitrageprocedures tussen investeerders en staten waarbij de partijen betrokken zijn als partij bij intra-EU-geschillen op grond van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest uit hoofde van om het even welke arbitrageverdragen of -regels, met inbegrip van het ICSID-verdrag en de ICSID-arbitrageregels, de arbitrageregels van het Arbitrage-instituut van de SCC, de arbitrageregels van de Commissie van de Verenigde Naties voor internationaal handelsrecht en ad-hoc arbitrage, en

IN AANMERKING NEMENDE dat de bepalingen van deze overeenkomst het recht van de Europese Commissie of een lidstaat om zich op basis van de artikelen 258, 259 en 260 VWEU tot het Hof van Justitie te wenden, onverlet laten,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

AFDELING 1

GEMEENSCHAPPELIJKE OPVATTING OVER DE NIET-TOEPASSELIJKHEID VAN ARTIKEL 26 VAN HET VERDRAG INZAKE HET ENERGIEHANDVEST ALS BASIS VOOR INTRA-EU-ARBITRAGEPROCEDURES

ARTIKEL 1

Definities

Voor de toepassing van deze overeenkomst gelden de volgende definities:

1)

“Verdrag inzake het Energiehandvest”: het Verdrag inzake het Energiehandvest, ondertekend te Lissabon op 17 december 1994 en goedgekeurd namens de Europese Gemeenschappen bij Besluit 98/181/EG, EGKS, Euratom op 23 september 1997, zoals het van tijd tot tijd kan zijn gewijzigd;

2)

“betrekkingen binnen de EU”: de betrekkingen tussen lidstaten of tussen een lidstaat en de Europese Unie;

3)

“intra-EU-arbitrageprocedure”: een procedure voor een scheidsgerecht die is ingeleid met verwijzing naar artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest met het oog op de beslechting van een geschil tussen enerzijds een investeerder uit een lidstaat en anderzijds een andere lidstaat of de Europese Unie.

ARTIKEL 2

Gemeenschappelijke opvatting over de uitlegging en de blijvende niet-toepasselijkheid van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest en het ontbreken van een rechtsgrondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures

1.   De partijen bevestigen, voor meer zekerheid, dat zij een gemeenschappelijke opvatting delen over de uitlegging en toepassing van het Verdrag inzake het Energiehandvest, die behelst dat artikel 26 van dat verdrag niet als rechtsgrondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures kan en nooit heeft kunnen dienen.

De in de eerste alinea verwoorde gemeenschappelijke opvatting is gebaseerd op de volgende elementen van het recht van de Europese Unie:

a)

de uitlegging door het Hof van Justitie van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest in die zin dat die bepaling niet van toepassing is en nooit had mogen worden toegepast als basis voor intra-EU-arbitrageprocedures, en

b)

de voorrang van het recht van de Europese Unie, die in herinnering is gebracht in Verklaring nr. 17, gehecht aan de Slotakte van de intergouvernementele conferentie die het Verdrag van Lissabon heeft aangenomen, als regel van internationaal recht die conflicten tussen rechtsnormen in hun onderlinge betrekkingen regelt, zodat artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest hoe dan ook niet van toepassing is of kan zijn als grondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures.

2.   De partijen bevestigen voor meer zekerheid dat zij de gemeenschappelijke opvatting delen dat, als gevolg van het ontbreken van een rechtsgrondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures op grond van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest, artikel 47, lid 3, van het Verdrag inzake het Energiehandvest niet tot dergelijke procedures wordt uitgebreid of te allen tijde niet kan worden uitgebreid. Bijgevolg kan artikel 47, lid 3, van het Verdrag inzake het Energiehandvest geen rechtsgevolgen hebben gehad in betrekkingen binnen de EU wanneer een lidstaat het Verdrag inzake het Energiehandvest vóór de sluiting van deze overeenkomst heeft opgezegd, en zou geen rechtsgevolgen hebben in betrekkingen binnen de EU indien een partij het Verdrag inzake het Energiehandvest later opzegt.

3.   Voor alle duidelijkheid: de partijen zijn het erover eens dat artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest, overeenkomstig de in de leden 1 en 2 van dit artikel uitgedrukte gemeenschappelijke opvatting, en onverminderd die opvatting, niet van toepassing is als grondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures en dat artikel 47, lid 3, van het Verdrag inzake het Energiehandvest geen rechtsgevolgen heeft voor betrekkingen binnen de EU.

4.   De leden 1, 2 en 3 laten de uitlegging en toepassing van andere bepalingen van het Verdrag inzake het Energiehandvest onverlet voor zover dat zij betrekking hebben op betrekkingen binnen de EU.

AFDELING 2

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL 3

Depositaris

1.   De secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie treedt op als depositaris van deze overeenkomst (de “depositaris”).

2.   De depositaris stelt de partijen in kennis van:

a)

de nederlegging van elke akte van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding overeenkomstig artikel 5;

b)

de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst overeenkomstig artikel 6, lid 1;

c)

de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst voor elke partij overeenkomstig artikel 6, lid 2.

3.   De depositaris maakt de overeenkomst bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie en stelt de depositaris van het Verdrag inzake het Energiehandvest en het secretariaat van het Energiehandvest in kennis van de vaststelling en inwerkingtreding ervan.

4.   De depositaris verzoekt de depositaris van het Verdrag inzake het Energiehandvest de andere partijen bij het Verdrag inzake het Energiehandvest in kennis te stellen van deze overeenkomst.

5.   Overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties wordt deze overeenkomst na de inwerkingtreding ervan door de depositaris geregistreerd bij het secretariaat van de Verenigde Naties.

ARTIKEL 4

Voorbehouden

Ten aanzien van deze overeenkomst kunnen geen voorbehouden worden gemaakt.

ARTIKEL 5

Bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding

Deze overeenkomst moet worden bekrachtigd, goedgekeurd of aanvaard.

De partijen leggen hun akte van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding neer bij de depositaris.

ARTIKEL 6

Inwerkingtreding

1.   Deze overeenkomst treedt 30 kalenderdagen na de datum waarop de depositaris de tweede akte van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding ontvangt, in werking.

2.   Voor elke partij die deze overeenkomst bekrachtigt, goedkeurt of aanvaardt na de inwerkingtreding ervan overeenkomstig lid 1, treedt zij 30 kalenderdagen na de datum van neerlegging door deze partij van haar akte van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding in werking.

ARTIKEL 7

Authentieke teksten

Deze overeenkomst, opgesteld in één exemplaar in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn, wordt neergelegd in het archief van de depositaris.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze overeenkomst hebben ondertekend.

Gedaan te…, op …

Het Koninkrijk België,

De Republiek Bulgarije,

De Tsjechische Republiek,

Het Koninkrijk Denemarken,

De Bondsrepubliek Duitsland,

De Republiek Estland,

Ierland,

De Helleense Republiek,

Het Koninkrijk Spanje,

De Franse Republiek,

De Republiek Kroatië,

De Italiaanse Republiek,

De Republiek Cyprus,

De Republiek Letland,

De Republiek Litouwen,

Het Groothertogdom Luxemburg,

De Republiek Malta,

Het Koninkrijk der Nederlanden,

De Republiek Oostenrijk,

De Republiek Polen,

De Portugese Republiek,

Roemenië,

De Republiek Slovenië,

De Slowaakse Republiek,

De Republiek Finland,

Het Koninkrijk Zweden en

De Europese Unie


(1)  Slotakte bij de Conferentie over het Europese Energiehandvest (PB L 380 van 31.12.1994, blz. 24, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/1994/998/oj).

(2)  Besluit 98/181/EG, EGKS, Euratom van de Raad en de Commissie van 23 september 1997 betreffende sluiting door de Europese Gemeenschappen van het Verdrag inzake het Energiehandvest en het protocol bij het Energiehandvest betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten (PB L 69 van 9.3.1998, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/1998/181/oj).

(3)  Permanent Hof van Internationale Justitie, kwestie Jaworzyna (Pools-Tsjechoslowaakse grens), advies, [1923] PCIJ-serie B nr. 8, 37.

(4)  Internationaal Gerechtshof, voorbehoud bij het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide, advies, [1951] I.C.J. Reports, 15, 20.

(5)  Arrest van het Hof van Justitie van 30 mei 2006, Commissie/Ierland, C-459/03, ECLI EU:C:2006:345, punten 129 tot en met 137.

(6)  Arrest van het Hof van Justitie van 6 maart 2018, Achmea, C-284/16, ECLI EU:C:2018:158.

(7)  Arrest van het Hof van Justitie van 2 september 2021, Republiek Moldavië/Komstroy, C-741/19, ECLI:EU:C:2021:655, punt 66.

(8)  Advies van het Hof van Justitie van 16 juni 2022, 1/20, EU:C:2022:485, punt 47.

(9)  Arrest van het Internationaal Gerechtshof van 5 februari 1970, Barcelona Traction, Light and Power Company, Limited (België/Spanje) (ICJ Reports 1970, blz. 3, punten 33 en 35).


ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2025/1904/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)


Top