Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32025D0429

Besluit (EU) 2025/429 van de Commissie van 30 april 2024 betreffende steunmaatregel SA.58207 (2021/N) die Tsjechië voornemens is ten uitvoer te leggen ten behoeve van de bouw en exploitatie van een nieuwe kerncentrale in Dukovany (Kennisgeving geschied onder nummer C(2024) 2858)

C/2024/2858

PB L, 2025/429, 12.3.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2025/429/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2025/429/oj

European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2025/429

12.3.2025

BESLUIT (EU) 2025/429 VAN DE COMMISSIE

van 30 april 2024

betreffende steunmaatregel SA.58207 (2021/N) die Tsjechië voornemens is ten uitvoer te leggen ten behoeve van de bouw en exploitatie van een nieuwe kerncentrale in Dukovany

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2024) 2858)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en met name artikel 62, lid 1, punt a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen (1) te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

(1)

Bij brief van 15 maart 2022 heeft Tsjechië de Commissie in kennis gesteld van de maatregel ter ondersteuning van de bouw en exploitatie van een nieuwe kerncentrale op de locatie Dukovany (het “project”). Tsjechië heeft de Commissie bij brief van 5 mei 2022 aanvullende inlichtingen verstrekt naar aanleiding van het verzoek om inlichtingen van de Commissie van 21 april 2022.

(2)

De Commissie heeft Tsjechië bij schrijven van 30 juni 2022 in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ten aanzien van deze maatregel (“het inleidingsbesluit”). Het inleidingsbesluit is in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt. De Commissie heeft belanghebbenden verzocht hun opmerkingen te maken.

(3)

Tsjechië heeft op 31 augustus 2022 zijn opmerkingen over het inleidingsbesluit ingediend.

(4)

De Commissie heeft opmerkingen van derde partijen ontvangen. Zij heeft deze voor een reactie aan Tsjechië doorgezonden; diens opmerkingen werden op 21 oktober 2022 ontvangen.

(5)

Tsjechië heeft nadere informatie verstrekt op 30 januari 2023, 16 maart 2023, 4 april 2023, 11 april 2023, 24 april 2023, 9 juni 2023, 21 juni 2023, 3 juli 2023, 14 juli 2023, 2 augustus 2023, 8 september 2023, 14 september 2023, 22 september 2023, 6 oktober 2023, 9 oktober 2023, 18 oktober 2023, 19 oktober 2023, 22 oktober 2023, 25 oktober 2023, 8 november 2023, 20 november 2023, 16 december 2023, 10 januari 2024, 26 januari 2024, 1 februari 2024, 7 februari 2024, 9 februari 2024, 12 februari 2024, 21 februari 2024, 23 februari 2024, 26 februari 2024, 1 maart 2024, 7 maart 2024, 8 maart 2024, 11 maart 2024, 19 maart 2024, 20 maart 2024, 21 maart 2024 en 15 april 2024.

(6)

Op 26 januari 2024 stemden de Tsjechische autoriteiten er bij wijze van uitzondering mee in af te zien van hun uit artikel 342 VWEU in samenhang met artikel 3 van Verordening 1/1958 voortvloeiende rechten, en om dit besluit in het Engels te laten aannemen en bekendmaken.

2.   BESCHRIJVING VAN DE CONTEXT

2.1.   Elektriciteitsproductie in Tsjechië

(7)

Zoals uiteengezet in punt 2.1 van het inleidingsbesluit, wordt de energiemix van Tsjechië momenteel gedomineerd door bruinkool en elektriciteitsproductie uit kernenergie. De volgende tabel toont de ontwikkeling van de elektriciteitsproductiecapaciteit en de bruto-elektriciteitsproductie in Tsjechië tussen 2000 en 2022.

Tabel 1

Ontwikkeling van de capaciteit voor elektriciteitsproductie in gigawatt (GW) en de bruto-elektriciteitsproductie in terawattuur (“TWh”) in Tsjechië, 2000-2022

Image 1

Bron:

Tsjechische autoriteiten.

(8)

In het geactualiseerde ontwerp van het nationaal energie- en klimaatplan van 2023 (2) heeft Tsjechië opnieuw toegezegd zijn elektriciteitssysteem koolstofvrij te zullen maken en het gebruik van steenkool voor energie- en warmteproductie tegen 2033 te zullen uitfaseren.

(9)

Volgens het geactualiseerde ontwerp van het nationaal energie- en klimaatplan zullen fotovoltaïsche en onshore-windmolenparken tegen 2030 een belangrijke rol spelen bij het koolstofvrij maken van de elektriciteitsvoorziening. Tsjechië is van mening dat intermitterende hernieuwbare energiebronnen, hoewel zij naar verwachting aanzienlijk zullen worden uitgebreid, als zodanig het Tsjechische energiesysteem niet koolstofvrij zullen kunnen maken, aangezien zij de verwachte voorzieningskloof niet kunnen dichten. De Tsjechische autoriteiten hebben toegelicht dat deze intermitterende bronnen in Tsjechië een relatief beperkte capaciteitsfactor kennen, namelijk 11 % voor fotovoltaïsche energie en 22 % voor onshore-windenergie. Bovendien is gebleken dat er in Tsjechië een beperkt potentieel voor de ontwikkeling van windenergie bestaat als gevolg van de geringe maatschappelijke acceptatie en de hoge bevolkingsdichtheid. Daarnaast bestaan in Tsjechië ook geen mogelijkheden voor offshore-windenergie of een grootschalig gebruik van waterkracht, waardoor de opties om grootschalige productiecapaciteit op basis van hernieuwbare energie te creëren verder worden beperkt.

(10)

Tsjechië beschouwt aardgas niet als een geschikte vervanging voor steenkool en bruinkool vanwege de hoge emissiefactor (499 ton CO2e/GWh per levenscyclus tegenover 85 ton in het geval van kernenergie of 29 ton bij zonne-energie) en omdat het niet afhankelijk wil zijn van de invoer van gas. De afhankelijkheid van gas is in de winter over het algemeen groter, aangezien hernieuwbare energiebronnen in die periode niet genoeg elektriciteit produceren en de vraag naar aardgas dan toeneemt vanwege de behoefte aan verwarming. Gezien de huidige geopolitieke situatie en de gevolgen daarvan voor de gasleveranties aan de Europese Unie, met name vanuit Rusland, streven de Tsjechische autoriteiten er bovendien naar minder afhankelijk te worden van de invoer van gas.

(11)

In oktober 2019 presenteerde de Tsjechische transmissiesysteembeheerder ČEPS de vooruitzichten voor de toereikendheid van de elektriciteitsvoorziening (3), met twee scenario’s, te weten scenario A: een basisscenario waarbij wordt uitgegaan van elektriciteitsproductie in gemoderniseerde bruinkoolcentrales (Prunéřov II, Tušimice, Mělník I en Ledvice PP) en scenario B: een koolstofarm scenario, waarin ervan wordt uitgegaan dat alle bruinkoolcentrales behalve Ledvice PP zullen worden uitgefaseerd. Beide scenario’s leiden tot problemen met de toereikendheid.

(12)

Een ander, recenter onderzoek van ČEPS (4) wijst op problemen met de toereikendheid van de elektriciteitsproductie vanaf 2030 als gevolg van de uitfasering van bruinkool, waardoor het aandeel ingevoerde stroom tot meer dan 20 % moet worden opgevoerd om aan de vraag in Tsjechië te voldoen. In alle scenario’s ontstaan er vanaf 2035 elektriciteitstekorten. Deze zijn bijzonder acuut in de scenario’s waarin sprake is van een volledige uitfasering van steenkool, hetzij in 2033 (in het hoofdscenario dat ČEPS het meest waarschijnlijk acht), hetzij in 2030 (in het decarbonisatiescenario). Deze prognoses (uitgaande van een maximale netto-invoer van 20 TWh in verband met technische en veiligheidsbeperkingen en ervan uitgaande dat de nieuwe kerncentrale na 2035 in bedrijf is genomen) maken duidelijk dat de LOLE-niveaus (5) nog altijd onvoldoende zouden zijn. Uit berekeningen voor het hoofdscenario blijkt dat de productiecapaciteit al in 2030 onvoldoende zou zijn om het verbruik te dekken.

(13)

In de door de Tsjechische autoriteiten gepresenteerde studies wordt rekening gehouden met de verwachte grensoverschrijdende elektriciteitsstromen tussen Tsjechië en zijn buurlanden. Het Tsjechische elektriciteitssysteem heeft goede verbindingen met de systemen van naburige lidstaten en de aansluitcapaciteit zal naar verwachting in de toekomst verder toenemen (6). De Tsjechische day-ahead-elektriciteitsmarkt is verbonden door multiregionale koppeling (“Multi-Regional Coupling”) (7), waarbij grensoverschrijdende capaciteit impliciet wordt toegewezen op basis van netto-transmissiecapaciteit. In juni 2022 ging het project voor de stroomgebaseerde marktkoppeling van de CORE-regio (8) (9) van start. Daarbij heeft Tsjechië zijn day-ahead- en intradaymarkten voor elektriciteit volledig geïntegreerd om het streefmodel voor de elektriciteitsmarkt in de Europese Unie te verwezenlijken, zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2015/1222 van de Commissie van 24 juli 2015 tot vaststelling van richtsnoeren betreffende capaciteitstoewijzing en congestiebeheer (10).

(14)

Momenteel is Tsjechië een netto-exporteur van elektriciteit naar landen in Midden- en Oost-Europa, maar volgens ČEPS kan dit in de toekomst niet worden volgehouden. Volgens de vooruitzichten voor de toereikendheid van de levering van 2019 zal de uitvoer in 2025 worden teruggebracht tot 5,4 TWh, met een totaal saldo van 1,8 TWh in het voordeel van Tsjechië. Het saldo zou in 2030 negatief worden, met een invoer van 8,2 TWh elektriciteit en een totaal negatief saldo van 5,4 TWh, uitgaande van het basisscenario. In het koolstofarme scenario voor 2030 zou het totale negatieve saldo 9,2 TWh bedragen.

(15)

Hoewel de elektriciteitsproductie naar verwachting zal afnemen, zal het verbruik naar verwachting licht stijgen van momenteel ongeveer 67 TWh tot ongeveer 77,5 TWh in 2040, ondanks de toepassing van de energie-efficiëntiemaatregelen uit hoofde van Richtlijn (EU) 2018/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie. In de vooruitzichten voor de toereikendheid van de levering van ČEPS uit 2022 wordt in alle verwachte scenario’s uitgegaan van een meetbare stijging van de vraag naar elektriciteit in de komende 15 jaar. Daarbij geldt voor het hoofdscenario een stijging van 46 % tot 98 TWh per jaar ten opzichte van het huidige niveau van ongeveer 67 TWh. Tsjechië verwacht ook een hogere vraag naar elektriciteit, deels als gevolg van de overschakeling van gasgestookte verwarming naar het gebruik van warmtepompen en de algehele vervanging van gas door elektriciteit in de industrie.

(16)

Hoewel Tsjechië goede verbindingen heeft met de omliggende landen, fluctueren de elektriciteitsstromen op verschillende momenten van het jaar aanzienlijk. In de vooruitzichten voor de toereikendheid van de levering uit 2019 werd erop gewezen dat zich in de Midden-Europese regio (CORE-regio voor de berekening van de transmissiecapaciteit) naar verwachting in de systemen van verschillende landen tegelijkertijd perioden met elektriciteitstekorten zullen voordoen als gevolg van vergelijkbare klimatologische omstandigheden, plannen voor de uitfasering van steenkool en leveringstekorten (11). De Tsjechische autoriteiten zijn van mening dat de afname van de industriële productie als gevolg van het verwachte tekort aan elektriciteit kan leiden tot een verzwakking van de economische groei en het concurrentievermogen van de Tsjechische economie, wat ook weer kan resulteren in sterk teruglopende inkomsten in overheidsbegrotingen. Stroomonderbrekingen of tekorten op langere termijn kunnen dus aanzienlijke gevolgen hebben voor de maatschappelijke stabiliteit van het land, met alle bijbehorende negatieve gevolgen.

(17)

Volgens de bovengenoemde studies vormt kernenergie een veiligere optie voor toekomstige investeringen in koolstofvrije energie in Tsjechië. De Tsjechische autoriteiten hebben toegelicht dat het besluit om te investeren in nieuwe nucleaire capaciteit gebaseerd is op de decarbonisatiedoelstellingen van Tsjechië en de vooruitzichten voor toereikendheid van de levering uit 2019, die een belangrijke input vormden voor het kwantificeren van de behoefte aan nieuwe investeringen in kernenergie. De Tsjechische regering heeft een uitbreiding van ongeveer 4 GW aan nieuwe nucleaire capaciteit gepland (met inbegrip van de aangemelde investering) tussen 2036 en 2050.

2.2.   Doelstellingen en achtergrond

(18)

De Tsjechische autoriteiten zijn voornemens de rol van kernenergie bij de opwekking van elektriciteit te handhaven of te vergroten, en zo bij te dragen tot het koolstofvrij maken van de energiemix, het scheppen van banen en de versterking van het concurrentievermogen van de industrie, alsook om de hierboven beschreven problemen met betrekking tot de voorzieningszekerheid aan te pakken. Het project maakt deel uit van een breder programma ter ondersteuning van koolstofarme energiebronnen, dat streeft naar een aandeel van kernenergie in de totale capaciteit voor elektriciteitsproductie in Tsjechië van ongeveer 50 %. In het nationale actieplan voor de ontwikkeling van kernenergie in Tsjechië (12), dat in juni 2015 werd goedgekeurd, werd al ingegaan op de versterking van de rol van kernenergie.

(19)

Momenteel zijn er zes kernreactoren actief in Tsjechië, in Temelín (13) en Dukovany (14). Volgens Tsjechië zullen de vier bestaande reactoren op de locatie Dukovany tussen 2045 en 2047 worden gesloten, gesteld dat het staatsbureau voor nucleaire veiligheid om de tien jaar bevestigt dat de bestaande kerncentrale nog aan de veiligheidseisen voldoet. De Tsjechische autoriteiten stellen dat er momenteel geen specifieke afspraken bestaan over de exploitatie na deze periode.

(20)

In het ontwerp van het geactualiseerde nationaal energie- en klimaatplan (15) voor Tsjechië zijn streefcijfers voor energiediversificatie vastgesteld voor het aandeel van diverse brandstoffen in i) de totale primaire energiebronnen (met uitzondering van elektriciteit) en ii) de elektriciteitsproductie. De Tsjechische autoriteiten hebben toegelicht dat het aandeel kernenergie in 2022 respectievelijk 15 % en 37 % bedroeg, terwijl het streefniveau voor 2040 werd vastgesteld op 25-33 % voor primaire energiebronnen (exclusief elektriciteit) en 46-58 % voor de elektriciteitsproductie.

(21)

Een toename van het aandeel kernenergie en hernieuwbare bronnen als vervanging voor fossiele brandstoffen wordt in het nationale energie- en klimaatplan van essentieel belang geacht voor het nakomen van de verbintenissen voor de lange termijn om de broeikasgasemissies te verminderen. Tsjechië heeft zich ertoe verbonden tegen 2050 klimaatneutraal te zijn. Om dat doel te bereiken, zullen de structuur van de Tsjechische energiemarkt en de voor elektriciteitsopwekking gebruikte energiebronnen aanzienlijk moeten veranderen. Met fossiele brandstoffen gestookte elektriciteitscentrales die veel koolstof uitstoten, moeten geleidelijk worden uitgefaseerd; tegelijkertijd moeten verouderde kerncentrales worden ontmanteld.

(22)

Volgens Tsjechië zal het land tegen 2030 een netto-importeur van elektriciteit worden; als niet in nieuwe nucleaire capaciteit wordt geïnvesteerd, zou Tsjechië sterker afhankelijk worden van de invoer van elektriciteit. Tsjechië stelt dat het project een cruciale rol zal spelen bij het waarborgen van de energiezekerheid en de betrouwbaarheid van de elektriciteitsvoorziening, wat een essentiële voorwaarde is voor de transformatie van de energiemix en het bereiken van koolstofneutraliteit in Tsjechië. Tsjechië stelt verder dat bruinkool- en steenkoolcentrales die elektriciteit leveren op de markt momenteel worden ontmanteld, wat naar verwachting vanaf 2025 zal leiden tot een op invoer gerichte elektriciteitssector.

(23)

Gezien de behoefte aan vervangingscapaciteit en de nationale doelstellingen op het gebied van decarbonisatie en voorzieningszekerheid, heeft Tsjechië, gelet op de afhankelijkheid van de Tsjechische economie en industriesector van energie, geconcludeerd dat er aanzienlijke nieuwe nucleaire capaciteit nodig is. De Tsjechische autoriteiten benadrukken dat investeringen in koolstofarme kernenergie, naast hernieuwbare energiebronnen en andere koolstofneutrale technologieën, zullen bijdragen tot de verwezenlijking van de duurzaamheids- en milieubeschermingsdoelstellingen van de EU (16).

(24)

Tsjechië heeft verder uitgelegd dat het project ook rechtstreeks zal bijdragen aan de doelstellingen van REPowerEU, aangezien het de afhankelijkheid van ingevoerde fossiele brandstoffen, die blootstaan aan prijsschommelingen en geopolitieke risico’s, zal verminderen en de energiezekerheid zal versterken (17).

2.3.   Alternatieve opties voor het bewerkstelligen van een koolstofarme energiemix

(25)

De Tsjechische autoriteiten hebben verschillende opties onderzocht om een koolstofarme energiemix te bewerkstelligen, namelijk investeringen in hernieuwbare energiebronnen, elektriciteitsopwekking uit gas, verhoging van de invoer, vraagrespons en kernenergie. Nadere details over de onderzochte alternatieven staan beschreven in de overwegingen 19, 20 en 21 van het inleidingsbesluit.

(26)

Vanwege de specifieke geografische kenmerken en de moeilijkheden om in Tsjechië grootschalige projecten voor hernieuwbare energie te ontwikkelen, hebben de Tsjechische autoriteiten een voorkeur voor kernenergie (18). Zij beschouwen de lange levensduur, de lage CO2-emissies, de hoge capaciteitsbenuttingsfactor, de hoge brandstofconcentratie en de stabiele, betrouwbare en voorspelbare werking ervan als belangrijke voordelen. De twee kerncentrales in Dukovany en Temelín hebben goede verbindingen met industriële en onderzoeks- en innovatiecentra. Om die redenen is de ontwikkeling van kernenergie aangemerkt als een strategische doelstelling, die een aanvulling vormt op de andere doelstellingen van Tsjechië op het gebied van energiezekerheid en -duurzaamheid (verhoging van het aandeel hernieuwbare energiebronnen, uitfasering van bruinkoolcentrales enz.).

2.4.   Mogelijke alternatieve financieringsmechanismen voor kernenergie

(27)

Op 1 oktober 2021 heeft Tsjechië de wet inzake maatregelen voor de transitie van Tsjechië naar een koolstofarme energiesector (19) (“wet koolstofarme energie” of “WKE”) vastgesteld. De WKE stelt het kader vast voor de bouw en exploitatie na 2030 van kerncentrales van meer dan 100 megawatt (MW) in Tsjechië, met inbegrip van het project (20).

(28)

Nadere details over de onderzochte alternatieven staan beschreven in de overwegingen 24 tot en met 31 van het inleidingsbesluit.

3.   GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN DE MAATREGELEN

3.1.   Wijzigingen van de maatregelen door Tsjechië naar aanleiding van het inleidingsbesluit

(29)

Naar aanleiding van de twijfels die de Commissie in haar inleidingsbesluit heeft geuit (zie punt 3.13), heeft Tsjechië bepaalde elementen van de oorspronkelijk geplande maatregelen gewijzigd.

(30)

Deze wijzigingen hebben met name betrekking op:

de looptijd van de afnameovereenkomst voor elektriciteit, die werd verkort van zestig jaar tot veertig jaar (zie de overwegingen 83, 84 en 85);

de formule voor de berekening van de vergoeding van de begunstigde in het kader van de afnameovereenkomst, die werd gewijzigd om aanvullende financiële prikkels te creëren voor een efficiënte exploitatie en onderhoudsplanning (zie de overwegingen 83 tot en met 106);

de motivering van het streefpercentage voor het rendement op eigen vermogen (“RoE”), waarbij Tsjechië de premie voor nucleair risico/Standalone Major Risk Premium (“SMRP”) heeft geschrapt (zie de overwegingen 120 tot en met 140);

het winstdelingsmechanisme, waarbij een iets hogere verdeelsleutel voor toepassing na afloop van de afnameovereenkomst werd ingevoerd om rekening te houden met de toegenomen risico’s, met name vanwege de kortere duur van de afnameovereenkomst (zie de overwegingen 161 tot en met 169);

de invoering van voorwaarden voor de handel in door de kerncentrale geproduceerde elektriciteit gedurende haar levensduur (zie de overwegingen 112 tot en met 118);

geactualiseerde ramingen van de bouw- en exploitatiekosten van de kerncentrale om rekening te houden met de marktontwikkelingen (zie punt 3.6.6).

(31)

De bovenstaande wijzigingen zijn in detail uiteengezet in het resterende deel van punt 3 van dit besluit.

3.2.   De begunstigden

3.2.1.   ČEZ en EDU II

(32)

ČEZ is het enige bedrijf in Tsjechië dat kerncentrales exploiteert. Het is een overheidsbedrijf dat genoteerd staat op de beurs van Praag en Warschau en de moedermaatschappij van de ČEZ-groep die actief is in verschillende Europese landen (met name Tsjechië, Duitsland, Polen, Slowakije, Frankrijk, Italië, Nederland en Oostenrijk). De ČEZ-groep is voornamelijk actief op het gebied van elektriciteitsproductie, -handel, en -distributie, alsook de verkoop van elektriciteit en warmte. De ČEZ-groep is ook in mindere mate actief op het gebied van grondstoffenhandel, gasdistributie en -levering, mijnbouw en energiediensten (21). De meerderheidsaandeelhouder van ČEZ is Tsjechië met 69,78 %; de aandeelhoudersrechten worden uitgeoefend door het Ministerie van Financiën.

(33)

De rechtstreeks begunstigde van de maatregel is Elektrárna Dukovany II a. s. (“EDU II”), een volle dochteronderneming van ČEZ die is opgericht met het oog op de bouw en exploitatie van de nieuwe kerncentrale op de locatie Dukovany. EDU II is de begunstigde van de afnameovereenkomst die is gesloten met het special purpose vehicle (“SPV”) (22) en van de terugvorderbare financiële steun (staatslening) (23). EDU II en ČEZ genieten ook investeringsbescherming op grond van het beschermingsmechanisme tegen wets- of beleidswijzigingen.

(34)

Tsjechië heeft uitgelegd dat op het project toezicht zal worden gehouden door twee bestuursorganen (de strategische projectstuurgroep en de projectstuurgroep) en een uitvoerend managementteam met ervaring op het gebied van nucleaire en conventionele energiecentrales.

De strategische projectstuurgroep (24) (waarin ook ČEZ is vertegenwoordigd) is het hoogste projectorgaan binnen de ČEZ-groep. Zij wordt voorgezeten door de Chief Executive Officer (CEO) van ČEZ en bestaat uit leden van de raad van bestuur van ČEZ en andere belangrijke managers van ČEZ en EDU II, zoals de Chief Executive Officer en de projectdirecteur van EDU II.

De projectstuurgroep is verantwoordelijk voor het gezamenlijke projectbeheer door ČEZ en EDU II. Zij wordt voorgezeten door de CEO van EDU II en bestaat uit leden van ČEZ en EDU II die verantwoordelijk zijn voor zelfstandige onderdelen van het project. De leden van de raad van bestuur van ČEZ hebben het recht de vergaderingen van deze stuurgroep regelmatig bij te wonen.

(35)

Terwijl ČEZ als projectsponsor belast is met de strategische controle en toezicht op het project, fungeert EDU II als een afzonderlijke entiteit die feitelijk alle beheerstaken zal uitvoeren onder controle en toezicht van ČEZ. De Tsjechische autoriteiten voeren aan dat ČEZ en EDU II om de volgende redenen onafhankelijk van elkaar zullen worden bestuurd.

(36)

Ten eerste stelt Tsjechië dat er sprake zal zijn van een duidelijke juridische en financiële scheiding tussen EDU II en ČEZ. Door de bestuursstructuur (25) zal de onafhankelijkheid van EDU II van ČEZ worden gewaarborgd en zullen de prikkels voor ČEZ om zich om oneigenlijke redenen te mengen in het dagelijkse beheer van EDU II doeltreffend worden weggenomen.

(37)

Ten tweede hebben de voorwaarden van de afnameovereenkomst tot doel het belang van de staat bij betrouwbare leveringen te waarborgen en te zorgen voor sanctiemechanismen in geval van niet-nakoming van contractuele verplichtingen door EDU II. Hoe dan ook zou de staat er door zijn meerderheidsbelang in ČEZ (26) ook voor kunnen zorgen dat de optimale exploitatie van de centrale door EDU II niet wordt belemmerd.

(38)

Ten derde heeft Tsjechië toegelicht dat er voor EDU II een sterke economische prikkel bestaat om efficiënt te opereren op de elektriciteitsmarkt, zoals gewaarborgd door de vergoedingsformule in de afnameovereenkomst. Elke activiteit die erop gericht is de inkomsten van EDU II te verminderen, zou indruisen tegen de economische belangen van de onderneming.

(39)

Ten vierde heeft Tsjechië uitgelegd dat het project van cruciaal belang is voor de productieportefeuille en de financiële resultaten van de ČEZ-groep, met name na de uitfasering van steenkool en de buitengebruikstelling van Dukovany I (die zoals nu verwacht tussen 2045 en 2047 zal plaatsvinden, zie overweging 19). Volgens het door ČEZ opgestelde ondernemingsplan (zie overweging 76) raamt de ČEZ-groep de gemiddelde jaarlijkse ebitda van EDU II gedurende de looptijd van het project op ongeveer [200 tot 500] miljoen EUR in reële termen van 2020, wat, bij verder gelijke omstandigheden, neerkomt op een stijging van ongeveer [10 tot 20] % ten opzichte van de huidige ebitda van de groep, mits volledig geconsolideerd. Gelet op de omvang van het project, met name in verhouding tot de bestaande productieportefeuille en balans van ČEZ, zal het wezenlijke gevolgen hebben voor de ČEZ-groep in haar geheel.

3.2.2.   Het SPV

(40)

De bedoeling is dat de overeenkomst inzake de afname van de door de kerncentrale geproduceerde elektriciteit (zie punt 3.6) de vorm krijgt van een contract tussen de staat en EDU II, de belangrijkste begunstigde van het project. In de conditielijst voor de afnameovereenkomst die de staat en EDU II hebben ondertekend, is vastgelegd dat de staat het recht heeft om bepaalde uit de afnameovereenkomst (of een specifiek deel daarvan) voortvloeiende rechten en verplichtingen over te dragen/te delegeren aan een rechtspersoon die voor 100 % in handen is van de staat en houder van een vergunning voor de handel in elektriciteit uit hoofde van de energiewet (special purpose vehicle — “SPV”), welke na de overdracht/delegatie partij zou worden bij deze overeenkomst.

(41)

Indien de elektriciteitsprijzen hoger zijn dan de in de afnameovereenkomst vastgestelde uitoefenprijs (zoals uiteengezet in de overwegingen 94 tot en met 106), zal het SPV geen extra overheidsmiddelen nodig hebben. Indien de uitoefenprijs echter hoger is dan de marktprijzen voor elektriciteit, zal de staat het prijsverschil moeten financieren met overheidsmiddelen, namelijk via de staatsbegroting en/of via verbruiksheffingen, in overeenstemming met de in de afnameovereenkomst vastgelegde vergoedingsformule (zie de overwegingen 88 tot en met 93). Artikel 8 WKE biedt de staat de mogelijkheid om gebruik te maken van een van beide of beide financiële mechanismen. De Tsjechische autoriteiten verklaarden dat waarschijnlijk gekozen zal worden voor een combinatie van financiering uit de staatsbegroting en specifieke heffingen.

(42)

Artikel 8 WKE stelt de regels vast op grond waarvan het SPV een heffing kan vaststellen die de transmissie- en distributiesysteembeheerders bij de verbruikers van elektriciteit kunnen innen en vervolgens aan het SPV moeten overmaken. De nationale energieregulator (het Toezichthoudend Bureau voor de energiesector) bepaalt welke methode en termijnen voor de berekening en betaling van de heffing gebruikt worden om de desbetreffende kosten te dekken. De Tsjechische autoriteiten hebben ook bevestigd dat indien er gebruikgemaakt wordt van een heffing en de opbrengst daarvan niet toereikend is om de kosten van het SPV te dekken, de rest van de kosten uit de staatsbegroting moeten worden betaald. Indien de heffing daarentegen inkomsten genereert die hoger zijn dan de kosten, zou het overschot ten goede komen aan de staatsbegroting. De Tsjechische autoriteiten hebben aangevoerd dat alle kosten van het SPV in het kader van de maatregel uitsluitend zouden worden gecompenseerd voor zover deze onder marktvoorwaarden tot stand komen (27). Bovendien zal met de wetgeving inzake overheidsopdrachten ook worden gewaarborgd dat het SPV overeenkomstig marktvoorwaarden handelt.

(43)

Bij maatregel 1 lopen de kasstromen daadwerkelijk via het SPV (zie punt 3.6). Het SPV zal dus de verliezen voor zijn rekening nemen en inkomsten ontvangen uit de verkoop van de door EDU II geproduceerde elektriciteit aan de markt. In gunstige marktomstandigheden levert de verkoop van elektriciteit het SPV dus winst op. De Tsjechische autoriteiten hebben uitgelegd dat deze inkomsten uiteindelijk ten goede komen aan de staatsbegroting (of zullen worden gebruikt voor de financiering van steun voor investeringen in hernieuwbare energie, waardoor de desbetreffende heffing wordt verlaagd), aangezien het SPV volledig in handen zal zijn van en onder zeggenschap zal staan van Tsjechië. De Tsjechische autoriteiten hebben aangegeven dat de maatregel niet voorziet in de rechtstreekse verdeling van de opbrengsten onder de afnemers van elektriciteit.

(44)

Het SPV zal beschikken over een vergunning voor de handel in elektriciteit op grond van de Tsjechische energiewet, waardoor het de productie van EDU II op de groothandelsmarkten voor elektriciteit kan aanbieden. Het is de bedoeling dat het in de eerste plaats fungeert als balanceringsverantwoordelijke partij (“BRP”) ten opzichte van de Tsjechische marktbeheerder, OTE.

(45)

De Tsjechische autoriteiten hebben toegelicht dat die structuur tot doel heeft het risico op mogelijke marktverstoringen als gevolg van de concentratie van marktmacht binnen de ČEZ-groep te beperken.

(46)

De bedoeling van de Tsjechische autoriteiten is dat het SPV zijn eigen handelsafdeling en -activiteiten zal opzetten. Zij hebben echter aangegeven dat, indien het SPV dit gezien de gekozen aanpak passender en kosteneffectiever acht, het SPV een concurrerende, transparante en niet-discriminerende aanbesteding kan houden die openstaat voor alle geschikte partijen waaraan de geselecteerde functies kunnen worden uitbesteed. Dit kan in de toekomst ook de functie van BRP of de handelsfunctie omvatten, mits er voldoende gekwalificeerde potentiële tegenpartijen op de relevante markt aanwezig zijn. In geen geval kan de handel in elektriciteit door het SPV echter worden uitbesteed aan de ČEZ-groep of aan entiteiten die deel uitmaken van de ČEZ-groep.

(47)

Derhalve zal het SPV ofwel de elektriciteit op de groothandelsmarkt verkopen via zijn eigen handelsafdeling, ofwel de exploitatie ervan uitbesteden door een overeenkomst te sluiten met een derde partij, die zich ertoe verbindt de elektriciteit namens het SPV op de markt te verkopen. Het SPV kan ook bilaterale contracten sluiten voor de verkoop van elektriciteit of hedgingcontracten met individuele afnemers, naast de verkoop op de day-ahead- en intraday-(spot)markten.

(48)

Tsjechië heeft verklaard dat het SPV naar verwachting niet eerder dan 2030, maar niet later dan twaalf maanden vóór de inbedrijfstelling van de nieuwe kerncentrale zal worden opgericht om onnodige kosten te vermijden, gelet op de onzekerheden rond de markt en het regelgevingsklimaat na 2030. Volgens Tsjechië zal het SPV worden opgezet overeenkomstig het toepasselijke nationale recht en het toepasselijke recht van de Europese Unie, d.w.z. met inachtneming van met name de beginselen van onafhankelijkheid, bevoegdheid en transparantie. Volgens de WKE moet het SPV een entiteit zijn die voor 100 % in handen is van de staat en over een vergunning beschikt voor de handel in elektriciteit (28).

(49)

Het SPV zal geen deel uitmaken van een verticaal geïntegreerde groep onder zeggenschap van ČEZ. De ondernemingsstructuur van het SPV zal worden vastgesteld bij wet nr. 90/2012 inzake handelsvennootschappen en coöperaties, met inbegrip van regels inzake de bestuurlijke zorgplicht van de leden van de organen van het SPV. Er zal een raad van toezicht worden opgezet om de beginselen van bevoegdheid en transparantie te waarborgen. Daarnaast zal er een onafhankelijk auditcomité worden opgericht om toezicht te houden op alle boekhoudkundige en controlewerkzaamheden bij het SPV.

3.2.3.   De selectie van de begunstigde

(50)

De Tsjechische autoriteiten hebben uitgelegd dat de keuze van het huidige projectmodel en ČEZ als projectontwikkelaar het resultaat was van een gedetailleerde beoordeling door de regering, maar niet werd voorafgegaan door een aanbesteding, een selectieprocedure of een openbare oproep tot het indienen van blijken van belangstelling.

(51)

In juni 2017 heeft het Permanent Comité voor Kernenergie een verslag opgesteld en besproken (29), waarin een samenvatting wordt gegeven van de verrichte analyses, alsook van de beoordeling van de verschillende investeringsmodellen (waaronder consortia van particuliere ondernemingen) en financieringsmodellen die voor het project werden overwogen. In het verslag worden drie opties beschreven. De eerste optie was een consortium van particuliere investeerders, met drie subopties: i) een consortium van investeerders waarbij deelname van de Tsjechische staat en de ČEZ-groep volledig werd uitgesloten; ii) een consortium van investeerders waarbij de ČEZ-groep een minderheidsbelang zou krijgen, en iii) een consortium van investeerders waarbij de staat een minderheidsbelang zou krijgen. De eerste optie werd niet geselecteerd vanwege de beperkte invloed die de staat in dat geval kon uitoefenen op de voltooiing van het project. De tweede optie bestond erin het project volledig te laten uitvoeren door een zelfstandig staatsbedrijf dat met de bouw en exploitatie van de nieuwe kerncentrale zou worden belast. Deze optie bood weliswaar voldoende zekerheid, maar werd verworpen vanwege de grote gevolgen voor de begroting en het gebrek aan technische kennis.

(52)

De derde optie, waarbij ČEZ de projectontwikkelaar was (30), werd door de Tsjechische autoriteiten als optimaal beschouwd, aangezien de staat hierbij de nodige controle kreeg (met name door oprichting van het SPV) en de ervaring van ČEZ met de bouw en exploitatie van kerncentrales werd benut. Volgens de Tsjechische autoriteiten is ČEZ het meest geschikt om bij het project op te treden als ontwikkelaar en investeerder, deels vanwege het meerderheidsbelang van Tsjechië in de onderneming, vertegenwoordigd door het Ministerie van Financiën. Dat biedt de Tsjechische regering de nodige zekerheid over de nationale veiligheidsaspecten en de beschikbaarheid van het vereiste aandelenkapitaal. Deze optie werd goedgekeurd volgend op regeringsbesluit nr. 485 van 8 juli 2019.

(53)

De Tsjechische autoriteiten hebben toegelicht dat ČEZ beschikt over uitgebreide ervaring op de markt als betrouwbare en bekwame ontwikkelaar en exploitant van kerncentrales in Tsjechië en zeer vertrouwd is met het wet- en regelgevingskader, waaronder de vergunningsprocedures. Als een van de tien grootste energiebedrijven in Europa heeft de ČEZ-groep ook ervaring met nucleair onderzoek, de planning, de bouw en het onderhoud van energievoorzieningen en de verwerking van de bijproducten van energie. Zo hebben de Tsjechische autoriteiten uitgelegd dat ČEZ beschikt over hooggekwalificeerd personeel dat niet alleen ervaring heeft op het gebied van kernenergie, maar ook op het gebied van overheidsopdrachten en onderhandelingen, wat volgens hen voordelen biedt bij de uitvoering van het project.

(54)

Volgens de Tsjechische autoriteiten zijn de beschikbaarheid van geschikte locaties voor de bouw van een kerncentrale en de economische rationaliteit van die bouw andere belangrijke aspecten van het project. Er zijn in Tsjechië weinig locaties die voldoen aan de geologische, geografische en technische voorwaarden voor de bouw van een nieuwe kerncentrale, zoals stabiliteit van de ondergrond, de beschikbaarheid van water en de mogelijkheid voor transmissie van de geproduceerde elektriciteit. De Tsjechische autoriteiten waren van mening dat de beste omstandigheden worden geboden door Dukovany, waar de bestaande reactoren al meer dan dertig jaar in gebruik zijn.

(55)

De Tsjechische autoriteiten hebben een gedetailleerde beschrijving gegeven van de voorbereidende maatregelen die ČEZ tot dusver heeft genomen. ČEZ heeft met name de voorgestelde locatie voor de kerncentrale aangekocht, een proces dat in april 2008 van start is gegaan en in 2021 is afgerond. Daarnaast heeft ČEZ haalbaarheidsstudies uitgevoerd om na te gaan of het mogelijk was een korter tijdschema voor de ontwikkeling van het project te hanteren en de bijbehorende kosten te verminderen. Deze maatregelen zijn genomen om de verwachte capaciteitskloof te dichten en de voorzieningszekerheid van het systeem te waarborgen. Daarnaast heeft Tsjechië benadrukt dat alternatieve projecten met een langere ontwikkelingstermijn niet voldoende tegemoetkomen aan de onmiddellijke voorzieningsproblemen. De Tsjechische autoriteiten hebben uitgelegd dat indien een andere projectontwikkelaar een geschikte locatie voor een kerncentrale in Tsjechië zou moeten zoeken, zich naar schatting een aanzienlijke vertraging van mogelijk 14 jaar in de projectplanning zou kunnen voordoen, samen met verhoogde risico’s en kosten. Tot slot hebben de Tsjechische autoriteiten uitgelegd dat indien voor een andere projectontwikkelaar zou worden gekozen, er waarschijnlijk [200 tot 700] miljoen EUR aan extra kosten zouden moeten worden gemaakt voor de aanschaf van het terrein voor de kerncentrale, vergunningen, ontwikkelingsactiviteiten en het tot stand brengen van synergieën met de bestaande infrastructuur voor kerncentrales.

(56)

ČEZ en EDU II beschikken reeds over een aantal essentiële vergunningen en goedkeuringen voor de uitvoering van het project, zoals een milieueffectbeoordeling en een vestigingsvergunning overeenkomstig de kernenergiewet en een vergunning van de staat voor een nieuwe kerncentrale. Ook bij het proces voor het verkrijgen van de bouwvergunningen, zoals vereist op grond van de nationale voorschriften, zijn al vorderingen geboekt.

(57)

Volgens de Tsjechische autoriteiten zijn de bedreigingen voor de nationale economie in verband met de energievoorziening grotendeels afkomstig van externe bronnen. Het feit dat de meerderheid van de ČEZ-aandelen in handen is van de overheid was een belangrijk aspect bij de selectie, met name vanuit het oogpunt van de bescherming van de nationale veiligheidsbelangen van Tsjechië.

(58)

In verband met de uitbreiding van de nucleaire productiecapaciteit in de portefeuille van de ČEZ-groep ter vervanging een aantal van de bestaande energiecentrales die de toekomst zullen worden ontmanteld, vormt het project een centraal onderdeel van de bedrijfsstrategie van ČEZ op de middellange tot lange termijn.

(59)

Tot slot heeft Tsjechië aangevoerd dat er voor het project geen ander haalbaar alternatief dan ČEZ bestaat, wat bij soortgelijke projecten in de toekomst niet het geval hoeft te zijn.

3.3.   Algemene beschrijving van het project

(60)

Het project betreft de bouw en exploitatie van een nieuwe kerncentrale in Dukovany (Tsjechië) met een capaciteit tot 1 200 MW.

(61)

De WKE, die een breed kader creëert voor steun voor investeringen in kernenergie, valt niet onder het toepassingsgebied van dit besluit, aangezien de WKE een algemeen geldende wet vormt, in tegenstelling tot de specifiek voor het project ontworpen en beoogde staatssteunmaatregelen.

(62)

De staatssteun bestaat uit een pakket van drie maatregelen:

(63)

maatregel 1: een overeenkomst inzake de afname van elektriciteit (“afnameovereenkomst”) tussen de hoofdbegunstigde — EDU II, een volle dochteronderneming van ČEZ — en de staat, vertegenwoordigd door het Ministerie van Industrie en Handel (“het ministerie”). De elektriciteit zal worden verkocht aan een als SPV optredende onderneming (in een later stadium op te richten), die eigendom is van en rechtstreeks beheerd wordt door de staat (zie punt 3.6);

(64)

maatregel 2: een staatslening (terugvorderbare financiële steun) tegen een gesubsidieerde rentevoet die in beginsel 100 % van de bouwkosten dekt (zie punt 3.7);

(65)

maatregel 3: een beschermingsmechanisme tegen wets- of beleidswijzigingen ten behoeve van ČEZ als investeerder (ook wel “de investeerder” genoemd; zie punt 3.8).

(66)

De begunstigden (zie punt 3.2) en de structuur van het project worden weergegeven in de volgende figuur:

Figuur 1

Projectstructuur Dukovany

Image 2

Bron:

Tsjechische autoriteiten.

(67)

Het project bestaat uit vijf fasen:

fase 1: voorbereiding en selectie van leveranciers [2020-2025]

fase 2: voorbereidende werkzaamheden [2025-2029]

fase 3: bouw en inbedrijfstelling [2030-2036]

fase 4: garantieperiode [2036-2038]

fase 5a: exploitatie [2038-2096]

fase 5b: ontmanteling [2096-2116]

(68)

De nieuwgebouwde kerncentrale zal naar verwachting in 2036 in bedrijf worden gesteld om proef te draaien, terwijl de commerciële activiteiten volgens de planning in 2038 van start zullen gaan. De centrale heeft een levensduur van zestig jaar en zal volgens de planning vanaf 2096 worden ontmanteld.

(69)

De Tsjechische autoriteiten hebben uitgelegd dat er een eerste uitvoeringsovereenkomst is gesloten tussen Tsjechië, ČEZ en EDU II, die betrekking heeft op fase 1 van het project, d.w.z. totdat de contractant voor de engineering, aankoop en bouw (EAB) wordt geselecteerd. Deze overeenkomst ziet onder meer op de fundamentele veiligheidsbelangen van Tsjechië tijdens de uitvoering van het project en waarborgt de toegang van Tsjechië tot informatie over het project en de toepassing van veiligheidseisen bij de selectieprocedures. Deze fase zal naar verwachting in 2025 zijn voltooid. Voor de fasen 2 en 3 van het project (d.w.z. voorbereidende werkzaamheden, bouw en inbedrijfstelling) bepaalt de eerste uitvoeringsovereenkomst dat op of vóór 31 december 2024 een tweede uitvoeringsovereenkomst of afnameovereenkomst zal worden ondertekend, die in de plaats komt van de eerste uitvoeringsovereenkomst. De afnameovereenkomst zal vervolgens worden aangevuld met een investeringsovereenkomst en een besluit van de staat om de staatslening te verstrekken.

(70)

Tsjechië voert aan dat de staat vanwege het essentiële belang van het project voor de nationale veiligheid voorwaarden in het contractuele kader moest opnemen om voldoende controle over het project te krijgen. Deze voorwaarden zijn opgenomen in de eerste uitvoeringsovereenkomst en hebben onder meer betrekking op de uitwisseling van vertrouwelijke informatie en staatsveiligheidsaspecten. In die overeenkomst stellen de partijen dat nationale veiligheidsbelangen bij de selectie van een contractant voor de bouw van de energiecentrale een geldige reden vormen om af te wijken van de nationale regels inzake overheidsopdrachten op grond van artikel 29, punt a), van wet nr. 134/2016 inzake overheidsopdrachten (31).

(71)

ČEZ en EDU II bespraken met het Nationaal Bureau voor de bescherming van de mededinging de mogelijkheid om de aanbesteding buiten de wet inzake overheidsopdrachten om te organiseren en ontvingen hierover op 15 juni 2020 een positief advies, waarna zij tot de aanbesteding overgingen (32).

(72)

De EAB-leverancier is verantwoordelijk voor de engineering, de bouw en de inbedrijfstelling van het project. Na het besluit van de staat om inschrijvers uit te sluiten uit staten die geen partij zijn bij de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (33), waren er bij aanvang van de aanbestedingsprocedure nog drie mogelijke technologische opties:

model AP1000 van Westinghouse Electric Company LLC (VS);

model APR1000+ van Korea Hydro & Nuclear Power (Zuid-Korea), en

model EPR 1200 van EdF (Frankrijk).

(73)

De aanbesteding voor de selectie van de EAB-contractant werd in maart 2022 uitgeschreven door ČEZ, via zijn dochteronderneming EDU II, en de eerste inschrijvingen van de drie voorgeselecteerde leveranciers werden in november van hetzelfde jaar ontvangen. Nadat de termijn voor de indiening van de definitieve offertes tweemaal was verlengd, hebben de drie voorgeselecteerde potentiële leveranciers op 31 oktober 2023 geactualiseerde offertes ingediend. Tsjechië heeft toegelicht dat de respectieve offertes volgens de voorwaarden van de aanbestedingsprocedure bindende biedingen moesten bevatten voor de bouw van de vijfde eenheid in Dukovany, de reactor waarop het project betrekking heeft en die het voorwerp vormt van dit besluit, alsook niet-bindende biedingen voor drie extra eenheden, waarvan één op de locatie Dukovany en twee op de locatie Temelín.

(74)

Op 31 januari 2024 besloot de Tsjechische regering (34) het toepassingsgebied van de EAB-aanbesteding uit te breiden door EDU II opdracht te geven om te verzoeken om bindende biedingen voor maximaal vier kernreactoren (met inbegrip van het project). Op die manier zou de mogelijkheid ontstaan om deze extra eenheden op enig moment in de toekomst te laten bouwen, indien en wanneer de Tsjechische staat daartoe zou besluiten. Tsjechië heeft verklaard dat bij de vaststelling van dit besluit niet werd bepaald wie de investeerder/exploitant voor deze extra eenheden zal zijn en evenmin wat voor financieringsmodel daarvoor zal worden gehanteerd. De Tsjechische regering heeft de minister van Industrie en Handel en de minister van Financiën opgedragen om uiterlijk op 31 december 2024 bij de regering een voorstel in te dienen voor de financiering van de drie extra nieuwe kernreactoren op de locaties Dukovany en Temelín. De eventuele staatssteun voor de bouw van deze drie extra eenheden valt buiten het toepassingsgebied van dit besluit.

(75)

De Tsjechische autoriteiten hebben toegezegd dat, indien er staatssteun nodig wordt geacht voor de drie extra kernreactoren naast de vijfde reactor op de locatie Dukovany, Tsjechië de steun in dat geval zal aanmelden bij de Europese Commissie en zal wachten op de goedkeuring van de Commissie voordat deze ten uitvoer wordt gelegd.

3.4.   Voorbereidende werkzaamheden voor het project

(76)

Gezien de behoefte aan nieuwe nucleaire capaciteit heeft ČEZ in 2010 een eerste bedrijfsplan goedgekeurd om tegen 2036 tot 1 200 MW aan extra capaciteit op de locatie Dukovany te creëren. In datzelfde jaar werd een haalbaarheidsstudie afgerond naar uitbreiding van de bestaande nucleaire capaciteit op de locatie Dukovany. Een eerste bedrijfsplan van ČEZ werd in juni 2021 bij de Commissie ingediend; op 25 oktober 2023 werd een bijgewerkte versie verstrekt.

(77)

ČEZ is al in april 2008 begonnen met de aankoop van de voor het project benodigde grond. Sinds februari 2024 is EDU II eigenaar van de voor het project benodigde grond en zijn alle inschrijvers (van de EAB-aanbesteding) geïnformeerd over de beschikbare ruimte.

(78)

Het project moest een milieueffectbeoordeling (“MEB”) ondergaan om de voorzienbare gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid vast te stellen, te beschrijven en grondig te beoordelen. Het proces ging begin 2016 van start en omvatte internationale raadplegingen en openbare discussies, die in 2018 werden gehouden. De MEB werd gevolgd door een positieve onafhankelijke beoordeling en het Ministerie van Milieu gaf in augustus 2019 een bindende goedkeurende verklaring af over de MEB van het project (35), een noodzakelijke stap om de vergunningsprocedure voor het project in gang te kunnen zetten.

(79)

In maart 2020 begonnen ČEZ en EDU II met het proces van beoordeling van de locatie voor een kerninstallatie, waarbij gekeken werd naar nucleaire veiligheid, stralingsbescherming en andere stralingsaspecten, technische veiligheid, monitoring, het beheer van buitengewone stralingsincidenten en de beveiliging gedurende de hele levensduur van de kerninstallatie. EDU II verkreeg in maart 2021 een vergunning voor de vestiging van de kerninstallatie, de eerste vergunning die vereist is voor een nieuwe kerncentrale. Tsjechië stelt dat alle belangrijke vergunningen die nodig zijn voor een tijdige uitvoering van het project zijn verkregen.

3.5.   Technische kenmerken

(80)

Het project is gericht op de bouw van een generatie-III+-drukwaterreactor. De beoogde capaciteit tussen 850 MW en 1 200 MW wordt geacht voldoende technische mogelijkheden te bieden voor de selectie van een technologieleverancier. De Tsjechische autoriteiten hebben aangegeven dat de technologische en uitvoeringspartners voor het project zullen worden geselecteerd via een concurrerende en transparante aanbestedingsprocedure.

(81)

De Tsjechische autoriteiten hebben ook toegelicht dat het project zal voldoen aan de technische screeningcriteria van punt 4.27 van de gedelegeerde handeling die is vastgesteld op grond van de taxonomieverordening (36). Op 11 januari 2023 heeft Tsjechië regeringsbesluit nr. 24/2023 vastgesteld (37), waarin is bepaald dat Tsjechië moet voldoen aan de uit de taxonomieverordening voortvloeiende technische screeningcriteria die verband houden met het beheer van radioactief afval. In het bijzonder bevat dit besluit de verplichting om de punten 4.26, 4.27 en 4.28 van bijlage I bij de taxonomieverordening na te leven, waaronder het vereiste om te beschikken over een gedocumenteerd plan met gedetailleerde stappen om uiterlijk in 2050 een bergingsfaciliteit voor hoogactief afval in bedrijf te hebben, en vanaf 2025 gebruik te maken van ongevaltolerante splijtstof. Volgens het besluit moet de minister van Industrie en Handel uiterlijk op 31 december 2024 bij de Tsjechische regering een voorstel indienen voor de actualisering van het nationale beleid inzake het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstof, met inbegrip van de uiterste datum voor de selectie van de definitieve locatie en de back-uplocaties voor de toekomstige diepe bergingsfaciliteit.

(82)

Bovendien hebben de Tsjechische autoriteiten uitgelegd dat er, in naleving van de taxonomieverordening, aan het einde van de geraamde nuttige levensduur van de kerncentrale middelen beschikbaar zullen zijn om de geraamde kosten voor het beheer van het radioactief afval en de ontmanteling te dekken, zoals blijkt uit de opname van de ontmantelingskosten en de kosten voor de verwerking van kernafval in het financiële model van het project (zie punt 3.6.6).

3.6.   Maatregel 1: de afnameovereenkomst

3.6.1.   Belangrijkste elementen van de afnameovereenkomst

(83)

De eerste maatregel bestaat uit de afnameovereenkomst tussen de staat als afnemer en EDU II als leverancier, op grond waarvan gedurende de eerste veertig jaar van de exploitatie van de kerncentrale inkomstensteun wordt verleend. De begunstigde is EDU II, een volle dochteronderneming van de ČEZ-groep (zie punt 3.2); de contractuele tegenpartij is het SPV, dat volledig in handen zal zijn van de Tsjechische staat (zie punt 3.2.2).

(84)

Tsjechië deed aanvankelijk melding van een contractduur van zestig jaar en een geraamde vaste prijs die tussen 50 en 60 EUR/MWh lag, waardoor de energiecentrale zou worden gestimuleerd om de productie te maximaliseren.

(85)

Om tegemoet te komen aan de twijfels die de Commissie in het inleidingsbesluit heeft geuit, heeft Tsjechië de in overweging 84 beschreven maatregel vervangen door de afnameovereenkomst met een vergoedingsformule. Deze formule heeft volgens Tsjechië vergelijkbare effecten als een tweerichtingscontract ter verrekening van verschillen (Contract for Difference, CfD) (38), dat naast een inkomstengarantie ook een plafond voor de marktinkomsten van de begunstigde omvat. Tsjechië heeft uitgelegd dat de gewijzigde steunmaatregel EDU II passende stimulansen zal bieden om efficiënt te werken en deel te nemen aan de elektriciteitsmarkten door de productie optimaal af te stemmen op de marktsignalen, met inachtneming van de technische beperkingen van de centrale.

(86)

Volgens de ontwerpvoorwaarden van de afnameovereenkomst zal het SPV vanaf het begin van de exploitatie alle door EDU II opgewekte en aan het net geleverde stroom (het “productievolume”) gedurende een periode van veertig jaar (de “afnameperiode”) afnemen. (39) EDU II is tijdens de afnameperiode verplicht zijn volledige productievolume uitsluitend aan het SPV te verkopen en wordt hiervoor betaald op basis van de “vergoedingsformule” voorzien in de afnameovereenkomst (zie overweging 88).

(87)

EDU II beschikt over volledige dispatchingrechten. Indien het SPV verzuimt het productievolume of een deel daarvan af te nemen, zal EDU II in dit uitzonderlijke geval de elektriciteit als prijsnemer op de spotmarkt verkopen. Tsjechië stelt dat het doel hiervan is ervoor te zorgen dat de productie van elektriciteit kan worden voortgezet totdat de situatie is opgelost. De redenen voor dit verzuim kunnen juridisch zijn (verlies van handelsvergunning), financieel (insolventie, onvermogen om verplichtingen na te komen, niet-naleving van de financiële voorwaarden voor de verrekening van afwijkingen) of technisch (verlies van toegang van SPV tot markten). In deze gevallen blijft de centrale energie produceren en moet de elektriciteit op de markt worden gebracht. Het SPV zal EDU II een vergoeding betalen om eventuele gederfde inkomsten te dekken die EDU II zou hebben verkregen als het SPV aan zijn afnameverplichting had voldaan. Tsjechië heeft toegezegd dat EDU II in dit geval alle geproduceerde elektriciteit op de spotmarkt (een beurs die day-ahead- of intradayhandel verzorgt) zal verkopen als prijsnemer (dus zonder een minimumprijs voor elektriciteit vast te stellen). De Tsjechische autoriteiten hebben aangevoerd dat EDU II in deze situatie geen specifieke koper kan selecteren (aangezien de verkoop plaatsvindt op een anonieme beurs), noch de prijs of de verkoopvoorwaarden kan bepalen (aangezien standaardproducten op de beurs tegen de marginale prijs worden verkocht). De Tsjechische autoriteiten stellen dat het ministerie als de entiteit die verantwoordelijk is voor de aanwijzing van het SPV in een dergelijke situatie de nodige stappen zal ondernemen om het SPV opnieuw in staat te stellen zijn afnameverplichtingen na te komen. Overeenkomstig de wet koolstofarme energie stelt het SPV of het ministerie de nationale regelgevende instantie op de hoogte van dergelijke gebeurtenissen.

(88)

Op basis van de vergoedingsformule in de afnameovereenkomst worden de bedragen berekend die het SPV aan EDU II moet betalen, of omgekeerd. De formule bestaat uit twee onderdelen: 1) verrekening achteraf en 2) marktblootstelling. Hij is gebaseerd op de volgende basisformule:

Image 3

met bepaalde aanpassingen die van toepassing zijn op de verrekening achteraf, afhankelijk van de marktomstandigheden en de operationele kosten van de centrale. De exacte vergoedingsformule in de afnameovereenkomst luidt als volgt:

Formula
Formula

waarbij:

(R) de vergoeding is;

(p h ) de marktprijs is, gedefinieerd als de day-aheadmarktprijs per uur op de PXE (40);

(q h ) het productievolume van EDU II in een bepaald uur is;

(q) het totale productievolume van EDU II in de verrekeningsperiode is (de periode waarvoor de marktreferentieprijs is vastgesteld, d.w.z. één jaar);

(f) de uitoefenprijs is (zie punt 3.6.2);

(p') de marktreferentieprijs is, gedefinieerd als het eenvoudig gemiddelde achteraf van de marktprijzen (p h ) over het jaar dat eindigt op de datum waarop de marktreferentieprijs wordt berekend;

(k) de referentiehoeveelheid is die vooraf is vastgesteld als het veronderstelde productievolume gedurende de verrekeningsperiode;

(c) de variabele operationele kosten van de energiecentrale zijn;

(α) wordt gedefinieerd als het quotiënt van de uitoefenprijs en de operationele kosten (α=f/c). Alfa wordt vastgesteld op het moment waarop het aan EDU II te betalen bedrag van de verrekening achteraf wordt berekend op basis van de toepasselijke waarden van (c) en (f).

(89)

De Tsjechische autoriteiten hebben toegelicht dat de eerste term van de basisformule, d.w.z. de verrekening achteraf, de begunstigde, ongeacht de gemiddelde marktomstandigheden, inkomstenstabiliteit zal bieden en tegelijkertijd de staat zal beschermen tegen overcompensatie (41). Het achteraf te verrekenen bedrag wordt berekend voor de verrekeningsperiode (de periode waarin de marktreferentieprijs is vastgesteld, d.w.z. één jaar) op basis van de werkelijke waarden van de marktreferentieprijs, Alfa en andere toepasselijke parameters, en wordt twee maanden na het einde van elke verrekeningsperiode betaald. Het algemene beginsel van de basisformule is dat wanneer de marktreferentieprijs (p’) lager is dan de uitoefenprijs (f), de centrale het verschil ontvangt tussen de uitoefenprijs (f) en de marktreferentieprijs (p’) voor de referentiehoeveelheid (k). Wanneer de marktreferentieprijs (p’) daarentegen hoger is dan de uitoefenprijs (f), is de centrale verplicht het verschil voor de referentiehoeveelheid (k) terug te betalen.

(90)

Vergeleken met de basisformule voorziet de vergoedingsformule in de afnameovereenkomst in bepaalde aanpassingen van de verrekening achteraf, afhankelijk van de marktomstandigheden (p’) en de variabele operationele kosten per eenheid van de centrale (c), zoals gedefinieerd in overweging 88. Wanneer de marktreferentieprijs (p’) hoger is dan de variabele operationele kosten van de elektriciteitscentrale (c) tijdens de verrekeningsperiode, zal de verrekening achteraf worden aangepast om het terugvorderbare bedrag te beperken, als waarborg tegen operationele verliezen in geval van ongeplande onderbrekingen wanneer de prijzen hoog zijn. Indien bijvoorbeeld de referentiemarktprijs hoger is dan de variabele operationele kosten (c) en hoger dan de uitoefenprijs (f), betaalt EDU II het verschil tussen de marktreferentieprijs (p’) en de uitoefenprijs (f) terug voor de referentiehoeveelheid (k) of het productievolume (q), afhankelijk van welke lager is. Wanneer de marktreferentieprijs (p') gelijk is aan of lager is dan de operationele variabele kosten van de centrale (c), wordt de waarde van de verrekening achteraf geplafonneerd op het verschil tussen de uitoefenprijs (f) en de variabele operationele kosten (c) vermenigvuldigd met de referentiehoeveelheid (k), als waarborg tegen te hoge vergoedingen wanneer de prijzen laag zijn.

(91)

De tweede term van de basisformule, d.w.z. de marktblootstelling, is bedoeld als stimulans voor EDU II om de activiteiten ervan gedurende het hele jaar te optimaliseren op basis van signalen van de day-ahead-marktprijzen per uur (p h ). Aan het einde van elke maand ontvangt EDU II de desbetreffende betalingen van het SPV, berekend op basis van het werkelijke productievolume per uur vermenigvuldigd met de werkelijke marktprijzen voor elk uur van die maand, d.w.z.

Formula

.

(92)

Volgens de afnameovereenkomst staat het EDU II vrij om zijn productie te bepalen en is het bedrijf niet gebonden aan een vooraf bepaald minimumproductieniveau. Alle door EDU II geproduceerde elektriciteit zal worden aangekocht door het SPV, dat deze op de markt zal verkopen, op basis van een verkoopstrategie die aan bepaalde voorwaarden moet voldoen (zie punt 3.6.4). Het verschil tussen de door het SPV op de markt behaalde prijs en de aan EDU II betaalde marktprijs komt voor rekening van het SPV.

(93)

Tsjechië heeft aangegeven dat de afnameovereenkomst in een later stadium zal worden gesloten, na de selectie van de EAB-contractant en de uitvoeringspartners. De afnameovereenkomst zal worden gesloten en ondertekend overeenkomstig de voorwaarden van de EAB-overeenkomst. Het SPV zal op een later tijdstip, voorafgaand aan de inbedrijfstelling van de nieuwgebouwde energiecentrale, worden opgericht als contractuele tegenpartij van de afnameovereenkomst.

3.6.2.   Vaststelling van de uitoefenprijs voor de afnameovereenkomst

(94)

De Tsjechische autoriteiten hebben uitgelegd dat de initiële uitoefenprijs in de afnameovereenkomst zal worden bepaald. Deze wordt berekend op basis van het door Tsjechië gepresenteerde financiële model (“financieel model”) (42), bedoeld om de investeerder in staat te stellen gedurende de verwachte operationele levensduur van het project een streefrendement op eigen vermogen (“toegestaan intern rendement op eigen vermogen”, “IRR” of “RoE”) te behalen van [9 tot 11] % nominaal, na belastingen en precommerciële financiering (inclusief ontmantelingskosten). De waarde van de uitoefenprijs op basis van de aannamen van het financiële model dat op 15 maart 2024 bij de Commissie is ingediend, bedraagt [65 tot 80] EUR/MWh (43) en de waarde van de referentiehoeveelheid [75 tot 100] % van de nettocapaciteit. De waarde van de uitoefenprijs kan sterk variëren, afhankelijk van de verschillende inputparameters die hieronder in dit punt worden beschreven. Indien bijvoorbeeld de verwachte bouwkosten na de sluiting van de EAB-overeenkomst aanzienlijk hoger zouden uitvallen dan oorspronkelijk verondersteld, zou dit, voor zover de kostenstijging gebaseerd is op legitieme gronden (zie overweging 104), leiden tot een aanzienlijke stijging van de uitoefenprijs. Tsjechië heeft de Commissie in totaal 35 verschillende scenario’s verstrekt die uitgaan van verschillende mogelijke aannamen over de ontwikkeling van de kosten en de inkomsten en resulteren in initiële uitoefenprijzen die variëren van [50 tot 80] EUR/MWh (in scenario 35, op basis van hoge marktprijzen van [100 tot 200] EUR/MWh) tot [100 tot 125] EUR/MWh (in scenario 30, op basis van een toename van de bouwkosten tot [17 tot 18] miljard EUR).

(95)

Het financiële model gebruikt aannamen als input, onder meer met betrekking tot de verwachte marktprijzen, de beschikbaarheid van EDU II, de verwachte toepassing van “load following” (44), de verwachte bouwkosten, de exploitatie- en ontmantelingskosten en andere relevante aannamen, zoals betreffende kapitaaluitgaven en de financiering (met inbegrip van de staatslening, zie punt 3.7), alsook de initiële referentiehoeveelheid voor de vergoedingsformule in de afnameovereenkomst. In punt 3.6.6 worden deze aannamen nader toegelicht.

(96)

Het financiële model maakt het mogelijk het productievolume te voorspellen en voor elk jaar de vrije kasstroom te berekenen vanaf de ondertekening van de afnameovereenkomst tot het moment waarop de ontmanteling is voltooid. De uitoefenprijs (die van invloed is op de verwachte inkomsten van de centrale op basis van de verrekening achteraf) wordt in het financieel model berekend als de waarde die een netto contante waarde van de kasstromen oplevert die gelijk is aan nul, uitgaande van het toegestane intern rendement op eigen vermogen.

(97)

De meeste kostenposten en andere inputs voor het model (waaronder de verwachte marktprijzen) zullen aan inflatie-indexering onderhevig zijn. Dat geldt ook voor de uitoefenprijs in de afnameovereenkomst. Op alle relevante kostenposten en andere inputs in het model wordt een bepaalde index of indexkorf toegepast. Sommige kostenposten zullen niet worden geïndexeerd, aangezien deze worden bepaald bij wetgeving of de overeenkomst inzake de staatslening (bv. de op de steun toepasselijke rente, de ontmantelingskosten, de bijdragen aan het nucleair fonds, minimumreserves voor claims). De verwachte marktprijzen zullen worden geïndexeerd op basis van de Tsjechische consumentenprijsindex (CPI) (45). Voor zowel de bouw- als de operationele kosten zal een korf van gepubliceerde indexcijfers worden gebruikt om de indexering te bepalen. Deze korf is gebaseerd op een weging van vier indexcijfers in Tsjechië, namelijk de producentenprijsindex (PPI) (46), de Tsjechische CPI, de PPI voor de EU (47) en de Tsjechische loonindex (48), en wel als volgt:

a)

de bouwkosten worden als volgt geïndexeerd: PPI Tsjechië ([30-50] %), CPI Tsjechië ([0-10] %), PPI EU ([30-50] %), Tsjechische loonindex ([10-30] %);

b)

de operationele kosten worden als volgt geïndexeerd: PPI Tsjechië ([30-50] %), CPI Tsjechië ([10-30] %), PPI EU ([0-10] %), Tsjechische loonindex ([30-50] %).

(98)

Het indexeringsmechanisme voor de uitoefenprijs wordt gebaseerd op de bovenstaande indexcijfers en wegingen, naargelang het project zich in de bouwfase of de exploitatiefase bevindt (d.w.z. de uitoefenprijs zal tijdens de bouw worden bijgesteld op basis van de indexkorf voor de bouw en tijdens de exploitatie op basis van de indexkorf voor de exploitatie). De afnameovereenkomst zal voorzien in een indexeringsmechanisme (inclusief relevante index en toepassingsmethode) op grond waarvan de geldende uitoefenprijs jaarlijks naar boven zal worden bijgesteld. De veronderstelde inflatie die voor het indexeringsmechanisme wordt gebruikt, zal worden geactualiseerd in het kader van de toetsingen op overcompensatie die om de vijf jaar plaatsvinden (zie punt 3.6.7).

(99)

Dit betekent bijvoorbeeld dat een uitoefenprijs van [60 tot 80] EUR/MWh in 2020, bij een veronderstelde inflatie van 2 %, in nominale termen (zonder rekening te houden met eventuele wijzigingen in inputparameters bij periodieke evaluaties) zou resulteren in een uitoefenprijs van [90 tot 110] EUR/MWh in 2036, [130 tot 170] EUR/MWh in 2056 en [200 tot 250] EUR/MWh in 2076. Volgens de Tsjechische autoriteiten wordt met deze benadering een eerlijke lastenverdeling tussen generaties beoogd, aangezien op deze manier buitensporig hoge uitoefenprijzen aan het begin van de exploitatie en (rekening houdend met de algemene inflatie) buitensporig lage uitoefenprijzen tegen het einde van de afnameovereenkomst worden voorkomen. Zij voeren aan dat bij de inputwaarden voor de berekening van de uitoefenprijs weliswaar ook rekening wordt gehouden met de inflatie, maar dat dit niet leidt tot een dubbele indexering, aangezien zonder afzonderlijke indexering van de uitoefenprijs de initiële uitoefenprijs aanzienlijk hoger zou moeten zijn. Uitgaande van het bovenstaande voorbeeld stellen zij dat de alternatieve niet-geïndexeerde uitoefenprijs in het basisscenario gedurende de looptijd van de afnameovereenkomst [100 tot 150] EUR/MWh zou bedragen.

(100)

Andere kosten worden als volgt geïndexeerd: voor de ontwikkelings- en bouwkosten wordt gebruikgemaakt van de hierboven beschreven bouwindex. Voor de exploitatie- en ontmantelingskosten wordt gebruikgemaakt van de hierboven beschreven operationele index.

(101)

De uitoefenprijs en de referentiehoeveelheid zullen worden vastgesteld op basis van de parameters die na ondertekening van het EAB-contract beschikbaar zijn, met name wat de bouwkosten betreft, en worden pas herzien 1) tijdens de periodieke evaluatie van de parameters van de vergoedingsformule in de afnameovereenkomst (zie overweging 102), en 2) wanneer de in de afnameovereenkomst afgesproken aanpassingen van de uitoefenprijs plaatsvinden (zie overweging 104).

(102)

Ten eerste zal om de vijf jaar de periodieke evaluatie van de parameters van de vergoedingsformule in de afnameovereenkomst plaatsvinden; de bedoeling is dat de eerste toetsing vóór aanvang van de werkzaamheden plaatsvindt of op schriftelijk verzoek van een van de contractpartijen. Bij de evaluatie zullen de waarden van bepaalde parameters van de vergoedingsformule in de afnameovereenkomst, te weten (c), (k), (f) en (

Formula

), alsook een aantal aannamen in het financieel model worden bijgesteld (naar boven of naar beneden, naar gelang het geval), bijvoorbeeld die welke betrekking hebben op de operationele uitgaven (“OPEX”), de inflatie-indexcijfers of de aannamen inzake load following. De uitoefenprijs en de referentiehoeveelheid zullen in het financieel model worden herberekend aan de hand van de geactualiseerde aannamen om ervoor te zorgen dat de investeerder het toegestane intern rendement op eigen vermogen kan behalen. Op de evaluatie zal toezicht worden gehouden door een onafhankelijke derde partij, naar verwachting de Tsjechische energietoezichthouder.

(103)

De door Tsjechië verstrekte ontwerpen van de contractuele documenten voorzien ook in de mogelijkheid van een herziening van de definities van de parameters die in de vergoedingsformule worden gebruikt. Van wijzigingen in deze definities moet echter vóór de uitvoering ervan kennisgeving worden gedaan aan de Commissie.

(104)

Ten tweede kan de uitoefenprijs volgens de afnameovereenkomst worden bijgesteld in geval van een gebeurtenis die leidt tot een toename van de kapitaal- of operationele uitgaven, een verlies van projectopbrengsten of andere negatieve gevolgen voor het project, in de afnameovereenkomst aangeduid als een “legitieme grond”. De afnameovereenkomst zal een uitputtende lijst van legitieme gronden bevatten (49). Als zich een legitieme grond voordoet, zullen de waarden van bepaalde parameters van de vergoedingsformule in de afnameovereenkomst, te weten (c), (k), (f) en (α), alsook de inputparameters voor het financieel model, worden herzien en geactualiseerd om de effecten van de situatie voor EDU II te verzachten. Deze aanpassingen van de uitoefenprijs zijn bedoeld om EDU II in staat te stellen ten hoogste hetzelfde toegestane intern rendement op eigen vermogen te behalen als zou zijn behaald indien de desbetreffende legitieme grond zich niet had voorgedaan. Dit betekent dat wanneer zich veranderingen voordoen die geen legitieme gronden vormen en deze andere veranderingen tot een lager IRR leiden, de gevolgen van de legitieme gronden geen aanleiding mogen vormen om de gevolgen van de niet-legitieme gronden te compenseren en het beoogde intern rendement op eigen vermogen lager zal zijn dan het toegestane intern rendement op eigen vermogen van [9 tot 11] %.

(105)

In het geval van legitieme gronden kunnen EDU II en de staat, in plaats van een prijscorrectie, overeenkomen dat EDU II een vergoeding zal ontvangen in de vorm van een forfaitaire betaling (eventueel in meerdere tranches) die binnen een overeengekomen termijn nadat de relevante legitieme grond zich doet gelden, moet worden betaald.

(106)

De Tsjechische autoriteiten hebben verder uitgelegd dat legitieme gronden kunnen worden aangevoerd op voorwaarde dat de nadelige gevolgen niet door EDU II kunnen worden ondervangen door passende zorgvuldigheid te betrachten.

3.6.3.   Financiering van de afnameovereenkomst en gebruik van de inkomsten uit het afnamecontract

(107)

Zoals bepaald in artikel 9 WKE, wordt de financiering van de steun voor kernenergie door het ministerie gefinancierd uit middelen die afkomstig zijn van: i) de inkomsten uit de verkoop van elektriciteit door het SPV; ii) een heffing (50) die door de netbeheerders aan eindverbruikers van elektriciteit in rekening wordt gebracht, vergelijkbaar met de bestaande financiering van hernieuwbare energiebronnen, en iii) bijdragen uit de staatsbegroting.

(108)

Tsjechië voert aan dat de keuze om de belastingbetaler of de consument heffingen op te leggen of kortingen te bieden een beleidskwestie is en ter beoordeling is aan de staat. De Tsjechische autoriteiten hebben toegelicht dat zij voornemens zijn alle in artikel 9 WKE beschreven inkomstenstromen te gebruiken. De middelen die bestemd zijn voor de financiering van maatregelen voor de transitie naar een koolstofarme energiesector zullen door het ministerie of door het SPV worden aangehouden op afzonderlijke, speciale rekeningen bij banken in Tsjechië.

(109)

De Tsjechische autoriteiten hebben bevestigd dat indien een door de netbeheerders toegepaste heffing niet toereikend zou zijn om een tekort te dekken tussen de uit de heffing afkomstige middelen en de inkomsten van het SPV uit de verkoop van elektriciteit, gebruik zou worden gemaakt van bijdragen uit de Tsjechische staatsbegroting om het tekort te dekken overeenkomstig artikel 9, lid 1, punt d), en artikel 9, lid 9, WKE. Indien er daarentegen na dekking van de kosten van de maatregel sprake is van een overschot, komt dit overschot ten goede aan de staatsbegroting.

(110)

De Tsjechische autoriteiten hebben verder verklaard dat een heffing weliswaar kan bijdragen aan de financiering van de maatregelen, maar dat de financiering niet afhankelijk zal zijn van een dergelijke heffing en potentiële tekorten waar nodig uit de staatsbegroting zullen worden gedekt. Tsjechië heeft met name toegezegd dat de staat zal bijspringen om eventuele verschillen tussen de met de potentiële heffing verkregen middelen en de beoogde steun voor het project te dekken.

(111)

De potentiële inkomsten van het SPV uit de verrekening achteraf zullen, overeenkomstig wet nr. 367/2021 inzake maatregelen voor de transitie van Tsjechië naar een koolstofarme energiesector, worden gebruikt: i) in eerste instantie voor de financiering van de vergoedingen aan de begunstigde in de toekomst, en ii) in tweede instantie voor de financiering van hernieuwbare energiebronnen overeenkomstig wet nr. 165/2012 Coll. inzake de bevordering van energiebronnen (op niet-discriminerende basis door verlaging van het via de gereguleerde component van de elektriciteitsprijs te financieren bedrag), of anders worden teruggestort in de staatsbegroting.

3.6.4.   De verbintenissen inzake de verkoop van elektriciteit

(112)

Tsjechië heeft zich ertoe verbonden ervoor te zorgen dat ten minste 70 % van de totale elektriciteitsproductie van EDU II gedurende de gehele levensduur van de kerncentrale zal worden verkocht op de day-ahead-, intraday- en futuresmarkten. Deze verbintenis is derhalve gedurende de gehele periode van de afnameovereenkomst van toepassing op het SPV en daarna nog op EDU II als begunstigde, alsook op elke entiteit waaraan het SPV of EDU II hun handelsactiviteiten delegeren (alle verwijzingen naar het SPV/EDU II in punt 3.6.4 omvatten ook de entiteiten waaraan de handelsactiviteiten zijn gedelegeerd).

(113)

In beginsel zullen het SPV/EDU II (51) de elektriciteit verkopen op de day-ahead- en intradaymarkten van de beurs voor kortetermijnhandel die wordt georganiseerd door de Tsjechische elektriciteitsmarktbeheerder (OTE) en op de termijnmarkten van de Tsjechische elektriciteitsbeurs (PXE), en slechts bij wijze van uitzondering en na voorafgaande toestemming van de diensten van de Commissie via andere beurzen.

(114)

Het SPV/EDU II zal de rest van de totale elektriciteitsproductie van EDU II (d.w.z. ten hoogste 30 %) op objectieve, transparante en niet-discriminerende voorwaarden verkopen door middel van veilingen. De regels en/of het kader voor deze veilingen moeten vooraf worden beoordeeld en goedgekeurd door de Tsjechische energietoezichthouder in overeenstemming met de taken en bevoegdheden van de toezichthouder voorzien in de Tsjechische energiewet. Het SPV/EDU II moet de Tsjechische energietoezichthouder uiterlijk één dag vóór de openbare bekendmaking van elke veiling hiervan in kennis stellen.

(115)

Tsjechië heeft toegezegd te zullen waarborgen dat de veilingen voor kernenergie openbaar, inzichtelijk, transparant en niet-discriminerend zijn, gebaseerd zijn op van tevoren vastgestelde objectieve criteria en het risico van strategische biedingen tot een minimum beperken. De veilingen moeten worden gehouden op een breed beschikbaar platform om de toegankelijkheid ervan te waarborgen en tegelijkertijd eventuele geografische belemmeringen weg te nemen en de deelname van een breed scala aan marktspelers mogelijk te maken. Het platform moet zodanig worden ontworpen dat het veilingproces wordt vereenvoudigd en de bruikbaarheid voor alle deelnemers wordt verbeterd, terwijl tegelijkertijd de vertrouwelijkheid en integriteit van de veilinggegevens worden gewaarborgd. Het platform moet voldoen aan de relevante wettelijke voorschriften en normen voor elektriciteitsmarkten, met inbegrip van de regels betreffende de structuur en werking van de markt, transparantie en eerlijke mededinging. De deelname aan veilingen moet in gelijke mate en onder dezelfde voorwaarden toegankelijk zijn voor alle erkende en geregistreerde handelaren. Er zullen geen beperkingen gelden voor het eindgebruik van elektriciteit die via veilingen wordt verkocht. De criteria voor de veilingen worden ruim vóór de uiterste datum voor indiening van biedingen bekendgemaakt, het verwachte aantal bieders moet voldoende zijn om daadwerkelijke mededinging mogelijk te maken en de hoeveelheid elektriciteit die op de veiling wordt verkocht, vormt een bindende beperking. Aanpassingen achteraf van het resultaat van de biedprocedure moeten worden vermeden. De Tsjechische energietoezichthouder zal toezicht houden op het veilingproces en de naleving van de goedgekeurde veilingregels. Hij zal ook alle gevallen van niet-naleving aan de Europese Commissie melden.

(116)

Tsjechië heeft uitgelegd dat de beoogde parameters van de toekomstige kernenergieveilingen onder meer betrekking zullen hebben op de geraamde omvang van de partijen (1-10 MW) en de contractduur (één jaar, een kwart jaar of een kortere termijn). De veilingen zullen op basis van “pay-as-bid” worden georganiseerd, met een vooraf bepaalde minimumprijs die niet eerder dan één tot twee dagen vóór de sluiting van de biedingen wordt bekendgemaakt. Verder wordt de frequentie van de veilingen op kwartaal- tot jaarbasis vastgesteld, met transparante regels betreffende de aankondigingsperiode van dertig dagen vóór het begin van de veiling. Ten slotte zullen de veilingen niet langer dan zeven kalenderdagen duren; de resultaten worden in de daaropvolgende volgende week bekendgemaakt. Dit geldt zowel voor veilingen tijdens de afnameovereenkomst als voor veilingen die na afloop daarvan worden gehouden.

(117)

In uitzonderlijke omstandigheden mag het SPV/EDU II van de hierboven beschreven regels voor de handel afwijken. Indien de “churn factor” (52) voor de beurs waarop het SPV/EDU II verplicht gedurende een periode van dertig opeenvolgende dagen ten minste 70 % van de totale elektriciteitsproductie van EDU II verkoopt onder 40 % daalt (de “drempel”), heeft het SPV/EDU II het recht om gedurende een periode van dertig dagen tot 50 % van de totale elektriciteitsproductie van EDU II te verkopen via veilingen die voldoen aan de in dit punt beschreven voorwaarden, te beginnen op de eenendertigste dag nadat de Tsjechische energietoezichthouder heeft vastgesteld dat de churn factor onder de drempel is gedaald. Voor alle duidelijkheid: Tsjechië verbindt zich er in deze gevallen toe dat ten minste 50 % van de totale elektriciteitsproductie van EDU II op de beurzen zal worden verkocht overeenkomstig overweging 113.

(118)

Tsjechië zal de diensten van de Commissie onverwijld op de hoogte stellen wanneer de churn factor onder de drempel zakt en wanneer het SPV/EDU II voornemens is tot 50 % van de totale elektriciteitsproductie van EDU II via veilingen te verkopen.

(119)

Indien het SPV in een kalenderjaar gebruikmaakt van de uitzondering om tot 50 % van de totale elektriciteitsproductie van EDU II via veilingen te verkopen, dient Tsjechië bij de Commissie een jaarverslag in over het toezicht op deze uitzondering, waarin wordt uiteengezet waarom van de uitzondering gebruik is gemaakt, alsook hoe lang.

3.6.5.   Rendement

(120)

Tsjechië had aanvankelijk een beoogd intern rendement op eigen vermogen (of toegestaan intern rendement op eigen vermogen) gemeld (53) van [9 tot 11] % (54), gebaseerd op een raming van het vereiste RoE van […] % tot […] %, die was berekend aan de hand van een evaluatiemodel voor financiële activa (Capital Asset Pricing Model, CAPM. Deze raming was gebaseerd op gegevens over de markt en vergelijkbare marktdeelnemers op dat moment en omvatte een premie voor de bouw en exploitatie van een kerncentrale om rekening te houden met de specifieke risico’s die een dergelijke centrale met zich meebrengt.

(121)

In het inleidingsbesluit (55) betwijfelde de Commissie of de aannamen die waren gebruikt om het vereiste rendement op eigen vermogen te ramen een juist beeld gaven van de risicoblootstelling van de investeerder De Commissie had met name twijfels over de premie voor de bouw en exploitatie van kerncentrales, gelet op de beperkte risicoblootstelling van de begunstigde.

(122)

Om tegemoet te komen aan de twijfels die de Commissie in het inleidingsbesluit heeft geuit, heeft Tsjechië verschillende opmerkingen ingediend en het RoE geactualiseerd op basis van:

a)

de meest recente marktgegevens: naar aanleiding hiervan heeft Tsjechië de aannamen inzake de risicovrije rentevoet, de marktrisicopremie en de bèta bijgewerkt, en

b)

de risicoblootstelling van het project: bij wijze van erkenning van de inkomstenbescherming en andere steunmaatregelen van de overheid waarvan werd uitgegaan in de contractuele en commerciële structuur van het project, werd de Standalone Major Projects Premium (voorheen aangeduid als de premie voor de bouw en exploitatie van kerncentrales) van 3 % tot 3,5 % door Tsjechië uit zijn berekening van het RoE geschrapt.

(123)

Tsjechië voert aan dat het gewijzigde RoE (of streefrendement op eigen vermogen) van [9 tot 11] % gedurende de looptijd van het project een passende vergoeding zal bieden aan de aandeelhouders van EDU II.

(124)

Tsjechië heeft tal van documenten ingediend ter onderbouwing van zijn standpunt. De Tsjechische regering heeft daarnaast ook een financieel model ingediend. De laatste versie van dit model werd op 15 maart 2024 bij de Commissie ingediend.

(125)

Het inleidingsbesluit bevat een beoordeling van de standpunten die Tsjechië over elke belangrijke kwestie heeft ingenomen in de opmerkingen die tot de datum van het inleidingsbesluit zijn ingediend (56). De rest van dit punt bevat een overzicht van het standpunt van Tsjechië over de belangrijkste kwesties die na de bekendmaking van het inleidingsbesluit aan de orde zijn gesteld met betrekking tot de raming van het RoE, de kosten van schuldfinanciering en de WACC, alsook het eigen vermogen en het interne rendement van het project.

3.6.5.1.   Rendement voor aandeelhouders

(126)

Met het in punt 3.6.2 beschreven financiële model wordt beoogd de uitoefenprijs te ramen die nodig is om het beoogde RoE van [9 tot 11] % te halen.

(127)

De Tsjechische autoriteiten hebben toegelicht dat zij het vereiste RoE hebben beoordeeld in overeenstemming met de gebruikelijke marktpraktijken. Tsjechië heeft met name een zogenaamde bottom-upanalyse uitgevoerd op basis van het CAPM, waarbij het andere projecten en investeringen met vergelijkbare risicoprofielen als benchmark gebruikte.

(128)

De standaard CAPM-formule luidt als volgt:

Formula

waarbij:

1)

RfR het risicovrije rendement is, d.w.z. het verwachte rendement van investeringen in risicovrije activa;

2)

R m het verwachte marktrendement, dat een zogenaamde landenrisicopremie omvat, om het risico van investeringen in een bepaald land weer te geven;

3)

(

Formula

) de marktrisicopremie (MRP) is, en

4)

β (of equity-bèta) een maatstaf is voor het intrinsieke, niet-diversificeerbare risico van het project (57).

(129)

De Tsjechische autoriteiten schatten dat het marktrendement op eigen vermogen (RoE) voor een project dat vergelijkbaar is met Dukovany, tussen […] % en […] % ligt, inclusief een standalone major risk premium (“SMRP”) (58), en tussen […] % en […] %, exclusief een dergelijke premie. Deze cijfers en de onderliggende aannamen zijn weergegeven in tabel 2 en worden hieronder toegelicht.

Tabel 2

Raming Tsjechië van het RoE

Kosten eigen vermogen

Actueel RfR

Historisch langetermijngemiddelde RfR

 

Laag

Hoog

Laag

Hoog

RfR

[…] %

[…] %

[…] %

[…] %

MRP

[…] %

[…] %

[…] %

[…] %

Asset-bèta

[…]

[…]

[…]

[…]

Gearing

[…] %

[…] %

[…] %

[…] %

RoE

[…] %

[…] %

[…] %

[…] %

Schuldbèta

[…]

[…]

[…]

[…]

RoE — met schuldbèta

[…] %

[…] %

[…] %

[...] %

SMRP

3,0 %

3,5 %

3,0 %

3,5 %

RoE — met SMRP

[…] %

[…] %

[…] %

[…] %

Bron:

Tsjechische autoriteiten.

(130)

Voor het RfR (59) hebben de Tsjechische autoriteiten gebruikgemaakt van gemiddelden over twee en twintig jaar van euro- en Duitse overheidsobligaties met een looptijd van dertig jaar, alsook van Europese AAA-bedrijfsobligaties met een looptijd van tien jaar (60). Tsjechië geeft aan dat het actuele gegevens en gemiddelden op de lange termijn in aanmerking heeft genomen om de robuustheid van de analyse te waarborgen, aangezien deze een indicatie geven van de hoogte van het RfR op zowel korte als lange termijn (61). Als gevolg van deze keuze hebben de Tsjechische autoriteiten twee scenario’s ontwikkeld, waarbij het ene rekening houdt met de actuele gegevens en het andere met het gemiddelde RfR op de langere termijn. Tsjechië verklaart voorts dat, nu er Duitse en euro-obligaties zijn gebruikt om de RfR bij benadering te ramen, er aanpassingen nodig zijn om van dit RfR een passend RfR voor Tsjechië te maken, d.w.z. er moet een premie bij worden opgeteld (62). Deze premie is gelijk aan de Tsjechische tweejarige gemiddelde landenrisicopremie (63). Deze analyse levert een RfR op van [2 tot 5] %.

(131)

Voor de MRP gaat Tsjechië uit van een bandbreedte van [5 tot 7] % (64). Het percentage van […] % is het gemiddelde van de op CDS gebaseerde benadering van Damodaran ([…] %) en de benadering op basis van kredietratings ([…] %) (65). Het percentage van […] % is het gemiddelde van: a) prof. Damodaran’s percentage van […] %, en b) prof. Fernandez meest recente enquête over MRP, gepubliceerd in juni 2022, waaruit een gemiddelde en mediane MRP van respectievelijk […] % en […] % naar voren komt (66).

(132)

Voor de raming van de bèta (67) heeft Tsjechië gebruikgemaakt van de bèta van een vergelijkbare groep van ondernemingen. Bij de selectie daarvan koos eerst Tsjechië een aantal Europese beursgenoteerde energiebedrijven; deze lijst werd verfijnd door primair te kijken naar de bèta’s van bedrijven die activiteiten op het gebied van kernenergie in hun portefeuilles hebben (68). Deze analyse leverde een asset-bèta op van […] (69). Tsjechië heeft toegelicht dat deze ondernemingen weliswaar het meest geschikt zijn als benchmark voor EDU II, maar slechts een indicatieve schatting geven van de bèta voor een project dat zich uitsluitend richt op kernenergie en dat de resulterende bèta’s conservatief zijn. Tsjechië heeft er met name op gewezen dat veel van deze geselecteerde referentiebedrijven ook op verschillende andere gebieden dan kernenergie actief zijn. Tsjechië stelt daarom dat, aangezien sommige gegevens het risico weergeven dat verbonden is aan gereguleerde transmissie- en distributieactiva (in plaats van het zuivere risico van een kerncentrale), de gegevens met de nodige zorgvuldigheid moeten worden geïnterpreteerd. Om deze reden ligt de bèta voor een kerncentrale in Tsjechië volgens dat land waarschijnlijk dichter bij de bovengrens van de bandbreedte van de bèta’s van de referentiebedrijven (70).

(133)

Voor de raming van de schuldbèta (71) heeft Tsjechië het passend geacht uit te gaan van zowel een nulraming als een niet-nulraming van […] (72), zoals vastgesteld in recente wettelijke voorschriften voor de water- en energiesector in het Verenigd Koninkrijk (73). Het beoogde RoE van [9 tot 11] % werd afgeleid van de schuldbèta van […].

(134)

Voor de schatting van de gearing (74) hanteert Tsjechië een cijfer van […] %. Dit cijfer geeft de eenvoudige gemiddelde gearing gemeten over de levensduur van de kerncentrale weer, alsook de beoogde gearing van het project (75). Tsjechië merkt op dat deze aanname conservatief is, aangezien, ten eerste, de kapitaalstructuur van het project naar verwachting voor 98 % uit schuld zal bestaan en, ten tweede, de “effectieve gearing” van het project tussen 67 en 78 % ligt (76).

(135)

Met betrekking tot het SMRP heeft Tsjechië aangevoerd dat kerncentrales op zichzelf staande grote projecten zijn met bepaalde unieke kenmerken en risico’s vergeleken met andere projecten voor elektriciteitsopwekking, die in aanmerking moeten worden genomen door een specifieke risicopremie op te nemen in het op basis van het CAPM bepaalde RoE. Bij de raming van de Tsjechische autoriteiten van 3-3,5 % zou rekening zijn gehouden met deze risico’s, die niet in aanmerking waren genomen bij de ramingen van de bèta van gediversifieerde energiebedrijven (77). Gezien de aanzienlijke risicobeperkende maatregelen die in de voorgestelde financiële en contractuele opzet zijn opgenomen, met inbegrip van de bescherming van de uitoefenprijs op lange termijn, is er echter geen SMRP opgenomen in het beoogde RoE.

(136)

Op grond van de bovenstaande aannamen komt Tsjechië tot een geschatte bandbreedte voor het beoogde RoE van […] tot […] (exclusief SMRP). Tsjechië voert aan dat het beoogde RoE om de volgende redenen als ondergrens van de bandbreedte is vastgesteld: het ligt dichter bij de mediaan van de benchmarks (zie overweging 137) en het project heeft een robuust risicoprofiel vanwege de inkomstenbescherming en andere risicobeperkende elementen die in de commerciële structuur zijn opgenomen.

(137)

Om zijn analyse te benchmarken, heeft Tsjechië het streefrendement voor het project van [9 tot 11] % vergeleken met dat van vergelijkbare projecten, waaronder andere projecten op het gebied van kernenergie, grote commerciële infrastructuurprojecten, Tsjechische gereguleerde nutsbedrijven en Britse YieldCo’s. De resultaten hiervan staan weergegeven in de onderstaande tabel (78).

Tabel 3

Door Tsjechië gebruikte benchmarks  (79)

Referentieprojecten

Hefboom

(%)

RoE met hefboom

(%)

Projecten voor de productie van kernenergie

 

 

Hinkley Point C (80)

n.v.t

11,0 - 11,5

Paks II (81)

40,0 - 50,0

10,9 - 12,5

Grote commerciële infrastructuurprojecten

 

 

Duitse steenkool (82)

60,0

11,0

Duitse STEG (82)

60,0

10,0

Offshore-windenergie (83)

 

7,0 - 9,0

Gereguleerde prijscontroles in Tsjechië  (84)

 

 

Elektriciteitsdistributie en -transmissie (2021-2025)

48,9

7,9

Gasdistributie en -transmissie (2021-2025)

48,9

7,8

Britse YieldCos  (85)

34,0 - 65,0

7,2 - 11,0

Bron:

Tsjechische autoriteiten, opmerkingen van 9 januari 2024.

(138)

Tsjechië verklaart dat uit de bevindingen van deze vergelijking blijkt dat de RoE-ramingen voor de voorgestelde kerncentrale in Dukovany consistent zijn met die van andere kerncentrales en energie-infrastructuurprojecten. Tsjechië stelt verder dat het RoE van EDU II naar verwachting hoger zal zijn dan die van de andere recent gebouwde kerncentrales, onder meer gezien de grotere hefboom van EDU II. Indien de gereguleerde rendementen voor energiebedrijven in Tsjechië worden aangepast om rekening te houden met een scheve risico-rendementsverhouding (d.w.z. door de SMRP van 3-3,5 % toe te voegen) zal dit leiden tot een vergelijkbaar rendement (86).

(139)

De Tsjechische autoriteiten concluderen dat het beoogde intern rendement op eigen vermogen van [9 tot 11] % passend is gezien het marktrisico en de daarmee samenhangende risicobeperkende maatregelen. Tsjechië stelt verder dat het beoogde RoE van [9 tot 11] % aansluit bij de voorgestelde financiële structuur voor het project, waarbij EDU II de verantwoordelijkheid draagt voor de voorbereidende activiteiten voor de bouw, terwijl de bouw zelf wordt gefinancierd door een staatslening en een afnameovereenkomst met een looptijd van veertig jaar (87).

(140)

De Tsjechische autoriteiten hebben verder uitgelegd dat wanneer wordt uitgegaan van een realistisch scenario met 10 % aan kostenoverschrijdingen ten gevolge van niet-legitieme gronden, het intern rendement op eigen vermogen zou dalen tot […] %.

3.6.5.2.   Kosten schuldfinanciering

(141)

Tsjechië verklaart dat de kosten van de staatslening tijdens de bouw- en garantieperiode 0 % per jaar bedragen, terwijl de kosten daarvan tijdens de commerciële exploitatie gelijk zullen zijn aan de kosten van staatsschuldfinanciering plus 1 %, maar in elk geval niet minder dan 2 % per jaar. Tsjechië verklaart verder dat de kosten van schuldfinanciering gezien de recente ontwikkelingen in de financieringskosten van de staat en de inflatie tijdens de exploitatie 3,5 % zullen bedragen (88). Tsjechië heeft berekend dat de totale kosten van schuldfinanciering (“kosten”) [2 tot 4] % zullen bedragen (89).

3.6.5.3.   Totale rendement

(142)

Tsjechië heeft zich gebaseerd op de volgende formule voor “vanilla” WACC (90):

Formula

waarbij:

1)

CoE staat voor de kosten van eigen vermogen, of het rendement op eigen vermogen van [9 tot 11] %, zoals besproken in punt 3.6.5.1;

2)

CoD staat voor de kosten van schuldfinanciering van [2 tot 4] %, zoals besproken in punt 3.6.5.2, en

3)

Formula

staat voor de gearingratio van het project van […] %, zoals besproken in punt 3.6.5.1.

(143)

Deze formule resulteert in een WACC van [4,5 tot 7] %. Tsjechië heeft toegelicht dat in de gebruikte WACC-formule geen rekening is gehouden met de effecten van fiscale afscherming, aangezien alle fiscale effecten in het financiële model zijn opgenomen en verwerkt zijn in de kasstromen die worden gebruikt voor de berekening van de ratio’s van het financiële model (91). Indien de fiscale afschermingseffecten zouden worden meegerekend en het effectieve belastingtarief van 21 % zou worden toegepast, zou de WACC evenwel [4 tot 7] % bedragen (92).

3.6.6.   Inkomsten en kosten van het project

(144)

Zoals uiteengezet in punt 3.6.2, is het door Tsjechië ingediende financiële model gebaseerd op verschillende aannamen met betrekking tot de verwachte marktprijzen, de beschikbaarheid en de bouw-, exploitatie- en ontmantelingskosten van de centrale, alsook andere relevante aannamen, zoals betreffende de kapitaaluitgaven en de financiering van het project.

(145)

Bij de berekening van de inkomsten van de energiecentrale wordt rekening gehouden met de verwachte marktprijzen en wordt ervan uitgegaan dat een beperkte vorm van load following wordt toegepast. Daarbij past de elektriciteitscentrale haar elektriciteitsproductie binnen bepaalde technische grenzen aan, rekening houdend met de prijzen op de spotmarkt per uur, in overeenstemming met de financiële stimulansen die worden geboden door de in overweging 88 beschreven vergoedingsformule.

(146)

De Tsjechische autoriteiten hebben toegelicht dat het vermogen tot load following van de centrale zal worden beperkt door technische beperkingen, die deels afhankelijk zullen zijn van de gekozen technologie. Bij de modellering van de dispatching van de centrale in reactie op de marktprijzen is Tsjechië ervan uitgegaan dat de centrale ten minste zal voldoen aan de Europese vereisten inzake nutsvoorzieningen voor kerncentrales met lichtwaterreactoren (93). Indien de technische capaciteiten van de centrale deze minimumvereisten overtreffen, zal dit worden meegenomen in de inkomstenaannames die worden gebruikt voor de berekening van de uitoefenprijs na sluiting van het EAB-contract. Deze grotere flexibiliteit zou een betere load following mogelijk maken en daardoor een neerwaarts effect hebben op de uitoefenprijs.

(147)

Voor de ramingen van de centrale marktprijzen baseerde Tsjechië zich op de commerciële aannamen van ČEZ betreffende de ontwikkeling van de gemiddelde jaarlijkse elektriciteitsprijzen in Tsjechië tussen 2035 en 2050. Om de volledige verwachte levensduur van de centrale te dekken, gaan de Tsjechische autoriteiten ervan uit dat de marktprijzen in de periode 2051-2096 geleidelijk zullen dalen met een constant percentage van […] % per jaar, op basis van de verwachting dat de marktprijzen op langere termijn zullen dalen door een toename van hernieuwbare energiebronnen in het systeem. Zonder inflatiecorrectie wordt verondersteld dat de centrale marktprijs in 2036 eerst […] EUR/MWh zal bedragen, tegen 2050 zal dalen tot […] EUR/MWh en daarna geleidelijk zal dalen tot […] EUR/MWh in 2076 en […] EUR/MWh in 2096.

(148)

De Tsjechische autoriteiten hebben in het financieel model prijsgevoeligheidsanalyses opgenomen, gebaseerd op aanvullende scenario’s, waarin wordt uitgegaan van constante jaarlijkse gemiddelde marktprijzen die variëren van –10 EUR/MWh tot 150 EUR/MWh. In de scenario’s met marktprijzen van –10 EUR/MWh, 10 EUR/MWh en 20 EUR/MWh verwachten zij dat de centrale na het verstrijken van de afnameovereenkomst wordt gesloten. Voor alle prijsgevoeligheidsscenario’s schatten de Tsjechische autoriteiten dat de bandbreedte van de uitoefenprijs die nodig is om gedurende de looptijd van het project het streefrendement op eigen vermogen van [9 tot 11] % te behalen tussen [50 tot 80] EUR/MWh en [75 tot 90] EUR/MWh ligt. Uitgaande van een vaste uitoefenprijs van [65 tot 80] EUR/MWh (2020, in reële termen), zou het verwachte intern rendement op eigen vermogen op grond van de verschillende gevoeligheidsberekeningen […] % vóór winstdeling bedragen tijdens de looptijd van de overeenkomst, […] % vóór winstdeling tijdens de looptijd van het project en […] % na winstdeling bij een marktprijs van 150 EUR/MWh, […] % zowel vóór als na winstdeling bij 40 EUR/MWh, […] % zowel vóór als na winstdeling bij 20 EUR/MWh, en […] % zowel vóór als na winstdeling bij 10 EUR/MWh, alsook bij –10 EUR/MWh.

(149)

Zoals uiteengezet in overweging 145, heeft Tsjechië een jaarlijks inkomstenmodel ontwikkeld waarbij de inkomsten van de elektriciteitscentrale voor elk bedrijfsuur worden berekend op basis van de geraamde marktprijzen per uur en uitgaande van de optimalisering van de productie in reactie op marktprijssignalen, waarbij ook rekening wordt gehouden met gepland en ongepland onderhoud. De curves voor de uurprijzen werden vastgesteld op basis van de prijsvolatiliteit in de loop van het jaar in 2035 volgens het centrale-prijsscenario van ČEZ, dat werd toegepast op de jaarlijkse prijsprognoses over de hele levensduur van de activa. Vervolgens worden voor elke uurprijscurve de inkomsten van de centrale berekend aan de hand van de in punt 3.6.1 beschreven vergoedingsformule, ervan uitgaande dat de productie optimaal wordt afgestemd op de marktsignalen, binnen de technische begrenzingen van de kerncentrale.

(150)

Tsjechië heeft het effect op de winstgevendheid van de centrale geraamd door een scenario met load following te vergelijken met een scenario zonder load following, uitgaande van een gemiddelde jaarlijkse beschikbaarheid van de capaciteit van [75 tot 100] %. In geval van load following schatten de Tsjechische autoriteiten dat de centrale zal draaien met een gemiddelde beschikbare capaciteit van [70 tot 90] % (als gevolg van een verwachte vermindering van de productie tot 75 % in perioden waarin de marktprijzen p lager zijn dan de kosten c), waarmee gemiddeld een inkomstenniveau van 101,24 % en een kostenniveau van 96,59 % zou worden behaald vergeleken met de niveaus die de centrale gedurende de looptijd van het project zou hebben behaald zonder load following. De Tsjechische autoriteiten benadrukken dat het resultaat van de analyse sterk wordt bepaald door het profiel van de veronderstelde marktprijzen, die hypothetisch van aard zijn en alleen kunnen worden beschouwd als theoretische indicatoren van de prestaties van de centrale.

(151)

De in overweging 88 beschreven vergoedingsformule biedt EDU II stabiele inkomsten, ongeacht de gemiddelde marktsituatie tijdens de looptijd van de afnameovereenkomst (2038-2078).

(152)

Aangezien het resultaat van de EAB-aanbesteding ten tijde van de vaststelling van dit besluit niet bekend was, heeft Tsjechië indicatieve kostenramingen ingediend op basis van benchmarking en openbaar beschikbare informatie over het ontwerp, de ontwikkeling en de exploitatie van bestaande centrales. Tsjechië erkent dat de betrouwbaarheid van de kostenprognoses beperkt is, aangezien er in Tsjechië geen direct vergelijkbare recente precedenten zijn en de ontwerpen nog niet gedetailleerd genoeg zijn uitgewerkt. Tsjechië voert echter aan dat het verwacht dat de openbare aanbesteding van het EAB-contract de economisch voordeligste oplossing zal opleveren die de kosten tot een minimum moet beperken.

(153)

In het basisscenario worden de totale kapitaaluitgaven, d.w.z. de bouwkosten (“overnight cost”), geraamd op […] EUR/kW, wat overeenkomt met […] miljard EUR in reële prijzen van 2020 (en […] miljard EUR in nominale prijzen).

(154)

Tsjechië voert voorts aan dat het, gezien de complexiteit en de technische kenmerken van kerncentrales, niet ongebruikelijk is dat de bouwkosten veel hoger uitvallen dan oorspronkelijk voorzien. Tsjechië heeft aangegeven dat, in een “worst case”-scenario met kostenoverschrijdingen die vergelijkbaar zijn met die bij de kerncentrales in Vogtle (VS) en Hinkley Point C (VK), de “overnight costs” van het project kunnen oplopen tot [14 000 tot 15 000] EUR per kW, of [17 tot 18] miljard EUR (in reële prijzen van 2023).

(155)

De ramingen van de variabele operationele kosten omvatten brandstofkosten, afvalbeheervergoedingen die aan de staat worden betaald, exploitatie- en onderhoudskosten exclusief brandstofkosten, en een doorlopende verplichte voorziening voor ontmantelingsuitgaven. In totaal ramen de Tsjechische autoriteiten de variabele operationele kosten op ongeveer [10 tot 15] EUR/MWh (waarbij de brandstofkosten worden geraamd op […] EUR/MWh, de kosten van ontmanteling en afvalbeheer op […] EUR/MWh en de variabele exploitatie- en onderhoudskosten op […] EUR/MWh). De variabele operationele kosten worden gebruikt als inputvariabele (c) in de vergoedingsformule van de afnameovereenkomst, alsook om de load following te ramen op basis van de spotmarktprijzen per uur.

(156)

De totale exploitatiekosten in het financieel model dekken ook de lopende levenscycluskosten van […] EUR/MWh, die volgens de Tsjechische autoriteiten bestaan uit de kosten voor de vervanging en ingrijpende vernieuwing van onderdelen van de energiecentrale, maar niet de kosten voor het verlengen van de levensduur omvatten. Voorts dekken de exploitatiekosten in het financieel model de vaste exploitatiekosten van [10 tot 20] EUR/MWh, die volgens de Tsjechische autoriteiten onder meer bestaan uit lonen, ingekochte diensten, verzekeringen en belastingen, vergoedingen, kosten voor inspecties en controles, ontmantelingsvoorzieningen en diverse kosten.

(157)

Om rekening te houden met het kosteneffect van load following, hebben de Tsjechische autoriteiten […] EUR/MWh aan extra operationele kosten opgenomen. Volgens de Tsjechische autoriteiten houden de extra kosten van load following met betrekking tot kerncentrales verband met de toegenomen operationele complexiteit, het onderhoud en de brandstofefficiëntie, hoewel zij afhankelijk zijn van diverse factoren, zoals het specifieke ontwerp van de kerncentrale, de ouderdom ervan, het regelgevingsklimaat waarin de kerncentrale opereert en de gehanteerde operationele praktijken. Het bedrag van […] EUR/MWh vormt slechts een initiële raming en zal opnieuw worden beoordeeld na de EAB-aanbesteding en in het kader van de periodieke evaluaties.

(158)

Nadat de EAB-aanbesteding is afgerond, zal Tsjechië bepaalde hierboven beschreven kostenaannames actualiseren (zie bijlage). Met name de “overnight costs”, de variabele operationele kosten (brandstofkosten, exploitatie- en onderhoudskosten, ontmantelings- en afvalbeheerskosten), de levenscycluskosten, de vaste exploitatiekosten, de kosten van load following en de aannamen over de beschikbaarheid zullen worden bijgewerkt en in het financieel model worden gebruikt voor het berekenen van de initiële uitoefenprijs.

(159)

Tijdens de periodieke evaluaties kunnen bepaalde aannamen worden geactualiseerd (d.w.z. naar boven of naar beneden worden bijgesteld), waaronder de verwachte inflatie, de variabele operationele kosten, de levenscycluskosten, de vaste exploitatiekosten, de kosten van load following en de ramingen van de winstgevendheid van load following (zie bijlage). Op de evaluatie zal toezicht worden gehouden door een onafhankelijke derde partij, naar verwachting de Tsjechische energietoezichthouder.

(160)

Voorts kunnen bepaalde aannamen worden geactualiseerd wanneer zich legitieme gronden voordoen, zoals beschreven in punt 3.8.

3.6.7.   Controle op overcompensatie

(161)

Zoals uiteengezet in het inleidingsbesluit, hebben de Tsjechische autoriteiten aanvankelijk een controlemechanisme voor overcompensatie voorgesteld, bestaande uit een vermogenswinstdeling waarbij de drempel is vastgesteld op het niveau van het beoogde RoE van [9 tot 11] %, en de verdeelsleutel op 50:50.

(162)

Naar aanleiding van de voorgestelde wijzigingen van maatregel 1, en met name gezien de verkorting van de duur van de afnameovereenkomst van zestig tot veertig jaar, waardoor de begunstigde volgens Tsjechië gedurende de laatste twintig jaar van de levensduur van de centrale wordt blootgesteld aan marktprijsrisico’s, voeren de Tsjechische autoriteiten aan dat een kleine aanpassing van het aandeel in de vermogenswinst passend zou zijn, aangezien dit de hogere marktrisicoblootstelling van de begunstigde na afloop van de afnameovereenkomst nauwkeuriger zou weerspiegelen. Daarom geldt voor de vermogenswinstdeling het volgende:

a)

eventuele winsten die boven het RoE van [9 tot 11] % (nominaal, na belastingen, vóór commerciële financiering) uitkomen, worden 50:50 verdeeld tussen de begunstigde en het SPV gedurende een periode van veertig jaar die ingaat op de dag van inbedrijfstelling van de kerncentrale;

b)

eventuele winsten die boven het RoE van [9 tot 11] % (nominaal, na belastingen, vóór commerciële financiering) uitkomen, worden 60:40 verdeeld tussen de begunstigde en het SPV gedurende een periode van twintig jaar die onmiddellijk aansluit op de bovengenoemde periode van veertig jaar.

(163)

Tsjechië heeft uitgelegd dat de feitelijke rendementen van het project gedurende de operationele levensduur van het project met tussenpozen van vijf jaar zullen worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van overwinst. Deze beoordeling wordt uitgevoerd i) na afloop van het boekjaar waarin de voor de exploitatie van de kerncentrale verkregen vergunning in werking treedt of, indien eerder, na afloop van het laatste boekjaar van de eerste vijf jaar waarin de kerncentrale elektriciteit aan het net levert (de “initiële beoordeling van overcompensatie”), en ii) vervolgens om de vijf jaar (de “periodieke evaluatie van overcompensatie”) totdat de commerciële activiteiten van het project worden gestaakt.

(164)

De beoordeling zal worden gebaseerd op de meest recente versie van het financieel model dat aan het einde van het aan de beoordeling voorafgaande boekjaar is bijgewerkt (de “beoordelingsdatum”) met de werkelijke inkomsten en kosten.

(165)

Bij de beoordeling zal worden nagegaan of het feitelijke rendement op eigen vermogen (het “feitelijk intern rendement op eigen vermogen”) een drempel voor het intern rendement op eigen vermogen overschrijdt (de “IRR-drempel voor overcompensatie”). Het feitelijk intern rendement op eigen vermogen is het rendement dat wordt behaald bij de uitoefenprijs en marktinkomsten en andere parameters van de vergoedingsformule die op de beoordelingsdatum van toepassing zijn. Het feitelijk intern rendement op eigen vermogen wordt vastgesteld op basis van de werkelijke prestaties van het project vanaf de aanvang van het project tot aan het tijdstip van de desbetreffende beoordeling. Bij de vaststelling ervan zal geen rekening worden gehouden met de verwachte kasstromen tot het einde van de bedrijfsactiviteiten. De IRR-drempel voor overcompensatie is vooraf vastgesteld op [9 tot 11] % voor de hele operationele levensduur van het project (d.w.z. zowel tijdens als na de afnameovereenkomst).

(166)

Indien het feitelijk intern rendement op eigen vermogen de IRR-drempel voor overcompensatie overschrijdt, wordt er overcompensatie van het eigen vermogen geacht te hebben plaatsgevonden (een “situatie van overcompensatie van eigen vermogen”). In het geval van een situatie van overcompensatie van eigen vermogen wordt een forfaitair geldbedrag (een “overcompensatievergoeding”) terugbetaald aan de staat en ČEZ. Overcompensatievergoedingen worden alleen direct na een overcompensatietoetsing betaald, en niet in het jaar waarin de overcompensatie van eigen vermogen zich heeft voorgedaan.

(167)

Indien een situatie van overcompensatie van eigen vermogen wordt geacht zich te hebben voorgedaan, wordt de hoogte van de overcompensatievergoeding als volgt berekend:

(168)

Als eerste stap bij het bepalen van de vergoeding wordt het verschil berekend tussen het feitelijk intern rendement op eigen vermogen en de IRR-drempel voor overcompensatie, rekening houdend met het tijdstip van de kasstromen en exclusief eventuele overcompensatievergoedingen die al eerder aan de staat zijn betaald;

(169)

Als tweede stap wordt dit bedrag vermenigvuldigd met de verdeelsleutel om het te betalen geldbedrag te bepalen, waarvan de begunstigde op de hoogte wordt gesteld, inclusief het saldo dat aan de staat moet worden betaald. Tsjechië heeft daarnaast bevestigd dat de overcompensatievergoeding de vorm kan aannemen van een forfaitaire betaling of een aanpassing van de uitoefenprijs uit de afnameovereenkomst.

3.7.   Maatregel 2: staatslening

(170)

Tsjechië is voornemens een staatslening (terugvorderbare financiële steun) te verstrekken voor de financiering van fase 2 (projectontwikkeling) en fase 3 (bouw). Tsjechië stelt dat de verwachte kapitaaluitgaven voor de fasen 2 en 3 in het basisscenario […] miljard EUR bedragen (nominaal, in prijzen van 2020). Tsjechië heeft echter ook scenario’s verstrekt die uitgaan van hogere kapitaaluitgaven. Op basis van eerdere projecten voor kerncentrales waarbij de uitvoeringskosten het hoogst waren (d.w.z. Vogtle en HPC) zijn de kapitaaluitgaven voor de fasen 2 en 3 geraamd op [17 tot 18] miljard EUR (in reële waarden van 2023). Het exacte bedrag van de lening voor de financiering van de ontwikkeling van het project zal worden vastgesteld op basis van het resultaat van de aanbesteding en de ondertekening van het EAB-contract.

(171)

Tsjechië voert aan dat het verstrekken van een lening de volgende voordelen heeft ten opzichte van de verstrekking van een overheidsgarantie op een marktconforme lening. Ten eerste wordt met een staatslening het risico vermeden dat er op de commerciële markt geen financiering voor het project kan worden verkregen. Ten tweede biedt de staatslening een snellere oplossing om het totale financieringspakket rond te krijgen dan commerciële leningen. Ten derde brengt de staatslening lagere kosten van schuldfinanciering met zich mee, aangezien deze rechtstreeks door de staat wordt verstrekt, alsook lagere vergoedingen voor het regelen en toewijzen van de financiering gedurende de gehele bouwperiode. De Tsjechische autoriteiten hebben verder uitgelegd dat vanwege de hoogte van de schuld en de risicomijdende houding van de markt ten aanzien van projecten op het gebied van kernenergie, de hogere kosten van eventuele marktconforme leningen kunnen leiden tot een hogere uitoefenprijs in de afnameovereenkomst. Bovendien hebben de Tsjechische autoriteiten aangegeven dat de staat meer flexibiliteit heeft om te beslissen over het definitieve financieringsbedrag dan aanbieders van marktconform krediet, een flexibiliteit die nodig is omdat het EAB-contract nog niet is gesloten.

(172)

Verwacht wordt dat de staatslening 100 % van de kosten in de fasen 2 en 3 zal dekken (zie overweging 67). De activa van EDU II zullen dienen als zekerheid voor de staatslening; er zal voor de staatslening geen beroep worden gedaan op ČEZ of een garantie van ČEZ. De begunstigde betaalt tijdens de bouwfase van het project een rente van 0 % (94). Daarna komt het jaarlijkse rentetarief overeen met de kosten van de staatslening, als percentage vastgesteld door het Ministerie van Financiën voor het betrokken jaar en verhoogd met 1 procentpunt. Het zal echter in geen geval minder dan 2 % per jaar bedragen (95). De staatslening zal definitief worden vastgesteld zodra de aanbestedingsprocedure voor het EAB-contract is afgerond.

(173)

De staatslening zal voor opneming beschikbaar zijn vanaf de datum waarop de afnameovereenkomst, de investeringsovereenkomst en de leenovereenkomst in werking treden. De kredieten zullen periodiek (bijvoorbeeld jaarlijks) worden opgenomen op basis van de geactualiseerde begroting van EDU II.

(174)

De staatslening zal over een periode van dertig jaar worden afgelost op basis van specifieke projectmijlpalen, projectfasen en verwachte veranderingen. Het aflossen van de lening begint bij de verlening van de vergunning overeenkomstig de kernenergiewet. Tot dat moment wordt er een schuldaflossingsreserve gecreëerd die uitsluitend bestemd is voor de aflossing van de staatslening en de betaling van rente (de “schuldaflossingsreserve”), die vervolgens door EDU II tijdens de aflossingsperiode wordt aangehouden en uitsluitend wordt gebruikt voor de aflossing van de lening en de betaling van rente in geval van een tekort aan kasmiddelen. Indien deze tijdens de aflossingsperiode niet is aangesproken, wordt de schuldaflossingsreserve gebruikt om de laatste termijnen en rentebetalingen te voldoen.

(175)

Indien EDU II de staat meldt dat opschorting van de aflossingen voor het project vereist is om financiële wanbetaling te voorkomen (96), dat EDU II de schuldaflossingsreserve heeft uitgeput en dat ČEZ zijn financieringsverbintenissen is nagekomen (97) (een “opschortingsbericht”), zullen de aflossing van de lening en de rentebetaling worden opgeschort voor zolang als nodig is om financiële wanbetaling te voorkomen.

(176)

Vrijwillige vervroegde aflossing van de staatslening en/of herfinanciering ervan is op grond van de leningsvoorwaarden toegestaan.

(177)

In geval van een wijziging in de zeggenschap over EDU II is EDU II verplicht het geleende bedrag, vermeerderd met rente, binnen de in het leningsbesluit gespecificeerde termijn terug te betalen, tenzij alle aandelen in EDU II door de Tsjechische staat worden verworven.

(178)

EDU II heeft het recht om vanaf het begin van de afnameovereenkomst dividend uit te keren volgens de overeengekomen parameters en op voorwaarde dat alle reeds verschuldigde aflossingstermijnen van de staatslening zijn voldaan. EDU II mag ook kosteloos geldbedragen aan ČEZ betalen via andere kanalen (zoals betalingen uit hoofde van schulden aan aandeelhouders of via leningen die door EDU II aan ČEZ worden verstrekt).

(179)

Totdat de lening volledig door EDU II is terugbetaald (inclusief eventuele verschuldigde rente), kan EDU II geen uitkeringen of betalingen aan ČEZ of aan leden van de ČEZ-groep doen, met uitzondering van betalingen voor de levering van goederen of diensten binnen de groep die noodzakelijk zijn voor EDU II en/of voor de exploitatie en het onderhoud van de kerncentrale. Indien EDU II deelneemt aan gecentraliseerd kasbeheer (“cash pooling”) binnen de ČEZ-groep, zullen betalingen door of aan EDU II in verband met dit gecentraliseerd kasbeheer, voor zover voorzien in de leningsovereenkomst, op grond van de vorige zin niet verboden of aan beperkingen onderhevig zijn.

(180)

Ten slotte kan, indien er sprake is van kostenoverschrijdingen, niet worden uitgesloten dat voor een deel gebruik moet worden gemaakt van herfinanciering via particuliere marktconforme leningen om de lening terug te betalen. In dit scenario zou de terugbetaling van de investeringskosten niet langer rechtstreeks gekoppeld zijn aan de looptijd van de leningsovereenkomst.

3.8.   Maatregel 3: mechanisme voor de bescherming tegen wets- of beleidswijzigingen

(181)

De derde maatregel ter ondersteuning van het project is een beschermende maatregel die ČEZ de mogelijkheid biedt gemaakte kosten terug te krijgen indien Tsjechië besluit zijn nationale beleid inzake kernenergie te wijzigen of maatregel 1 of 2 niet uit te voeren, of indien zich legitieme gronden voordoen (“mechanisme voor de bescherming tegen wets- of beleidswijzigingen”) (98).

(182)

Het mechanisme voor de bescherming tegen wets- of beleidswijzigingen bestaat uit een putoptie (99) voor ČEZ of een calloptie (100) voor de staat indien zich bepaalde omstandigheden voordoen. Deze maatregel is opgenomen in een overeenkomst tussen de Tsjechische autoriteiten, ČEZ en EDU II, samen met de verplichting van ČEZ om het project met eigen vermogen te financieren.

(183)

Totdat de investeringsovereenkomst wordt ondertekend, vormt de eerste uitvoeringsovereenkomst het kader voor de samenwerking in verband met het project, met inbegrip van de toepassing van het mechanisme voor de bescherming tegen wets- of beleidswijzigingen in de eerste fase van het project. In de eerste uitvoeringsovereenkomst zijn met name de procedures en modaliteiten vastgelegd voor heronderhandeling van de voorwaarden van de overeenkomst, alsook voor de verkoop van aandelen aan de staat indien zich daarvoor legitieme gronden voordoen in fase 1 van het project. In de eerste uitvoeringsovereenkomst worden de verschillende regelingen voor de aankoop van aandelen beschreven om te waarborgen dat de transactie neutraal is voor beide partijen (bv. door ervoor te zorgen dat de aankoopprijs overeenkomt met de in EDU II geïnvesteerde middelen, dat er geen inkomstenoverdrachten plaatsvinden van EDU II naar ČEZ enz.).

(184)

De Tsjechische autoriteiten hebben toegelicht dat de aankoopprijs in geval van de verkoop van alle aandelen aan de staat tot het einde van fase 1 is vastgesteld op 4 509 591 000 CZK, met een mogelijke extra vergoeding in geval van legitieme gronden van maximaal 200 000 000 CZK, wat overeenkomt met het totale kapitaal dat ČEZ zal inbrengen. In een afzonderlijke overeenkomst hebben de partijen de voorwaarden vastgesteld waaronder in deze bedragen ook een economisch rendement op de investering wordt opgenomen en de voorwaarden waaronder dit niet gebeurt. Als het project op legitieme gronden wordt gestaakt, zal aan ČEZ in principe ook een rendement op de investering verschuldigd zijn.

(185)

Daarnaast hebben de Tsjechische autoriteiten uitgelegd dat het mechanisme voor de bescherming tegen wets- of beleidswijzigingen EDU II bescherming biedt in geval van gebeurtenissen waarop het geen invloed heeft (bv. in het geval van “legitieme gronden”) (101), zoals bepaald in de afnameovereenkomst (zie overweging 104). In het bijzonder in het geval van legitieme gronden die de uitvoering van de wettelijke verplichtingen van EDU II verhinderen of vertragen, zal het bedrijf niet aansprakelijk worden gehouden voor het betreffende verzuim of de betreffende vertraging bij de nakoming van zijn verplichtingen. Ook wordt, indien een legitieme grond leidt tot vertragingen bij de uitvoering van het project, de streefdatum van inbedrijfstelling per dag verlengd. Ten slotte heeft EDU II recht op een financiële vergoeding indien zich een legitieme grond voordoet.

(186)

De Tsjechische autoriteiten hebben toegelicht dat deze maatregel tot doel heeft het steunbedrag dat nodig wordt geacht bij het vaststellen van de uitoefenprijs tot een minimum te beperken door een aanvaardbaar kader voor risicoverdeling tot stand te brengen. Deze maatregel zorgt ervoor dat het risico voor de investeerder wordt beperkt; tegelijkertijd wordt de bandbreedte van het rendement op investeringen verkleind. Het doel is EDU II te beschermen tegen bepaalde risico’s (zie de bijlage bij het inleidingsbesluit). Tegelijkertijd draagt EDU II het risico van kostenoverschrijdingen door het project om redenen die niet als legitieme gronden kunnen worden aangemerkt. De Tsjechische autoriteiten hebben een overzicht gegeven van veranderingen die als legitieme gronden worden erkend. Deze omvatten veranderingen in de inputgegevens voor de berekening van de uitoefenprijs die afhankelijk zijn van de resultaten van de EAB-aanbesteding (wat betreft kapitaalkosten, duur van de bouw, beschikbaarheidsperioden (102), exploitatie-, onderhouds-, brandstof- en levenscycluskosten (103), capaciteit, alsook de technische capaciteiten van de centrale) of van de vaststelling van de staatslening (de rentevoet, het leningbedrag en de betalingsvoorwaarden die in het kader van de leningovereenkomst worden vastgesteld (zie overweging 172 en de aannamen over commerciële leningen op basis van de hoogte en de voorwaarden van de staatslening). In dit verband bevestigen de Tsjechische autoriteiten dat het financiële model gebaseerd is op de wettelijke minimale flexibiliteit die voor de centrale vereist is, en dat elke verhoging van de flexibiliteit verondersteld wordt te leiden tot efficiëntere load following, met een daling van de uitoefenprijs tot gevolg.

(187)

Het betreft ook veranderingen tijdens de looptijd van het project die, voor zover zij gebaseerd zijn op legitieme gronden, zullen worden meegenomen bij de regelmatige evaluaties van de voorwaarden van de afnameovereenkomst, daarbij inbegrepen wijzigingen in de exploitatie- en investeringskosten (zowel verhogingen als verlagingen) en wijzigingen in wetgeving zoals ontmantelingsparameters en belastingtarieven. De Tsjechische autoriteiten erkennen dat het al dan niet benutten van de technische flexibiliteit van de centrale om de productie optimaal af te stemmen op veranderende marktprijzen (“load following”) geen legitieme grond is voor extra kostenstijgingen die verder gaan dan de algemene actualisering van de exploitatiekosten die plaatsvindt in het kader van de periodieke vijfjaarlijkse evaluatie (zie punt 3.6.7). Technische beperkingen met betrekking tot load following werden derhalve uitgesloten van de lijst van legitieme gronden. Het mechanisme voor de bescherming tegen wets- of beleidswijzigingen heeft tot doel de algehele aanvaardbaarheid van het project voor de investeerder en de staat te waarborgen.

3.9.   Rechtsgrondslag en transparantie

(188)

De nationale rechtsgrondslag voor deze maatregel is de wet inzake maatregelen voor de transitie van Tsjechië naar een koolstofarme energiesector en tot wijziging van wet nr. 165/2012 (104).

(189)

De Tsjechische autoriteiten hebben uitgelegd dat de steun ook zal worden geregeld bij wet nr. 218/2000 Sb., de wet inzake begrotingsregels en tot wijziging van een aantal gerelateerde wetten (begrotingsregels), zoals gewijzigd, alsook bij de verschillende contracten en overeenkomsten met de begunstigde, zoals hieronder beschreven.

(190)

In de op 28 juli 2020 tussen het ministerie, ČEZ en EDU II ondertekende raamovereenkomst inzake samenwerking bij de bouw van nieuwe kernreactoren in Tsjechië is een algemeen kader vastgesteld voor de start en verdere ontwikkeling van de samenwerking tussen de partijen bij het project voor de bouw van nieuwe kernreactoren op de locatie Dukovany. Het bevat geen specifieke juridisch bindende verplichtingen voor de partijen. Het project wordt in de raamovereenkomst afhankelijk gesteld van de voorafgaande goedkeuring van de staatssteun.

(191)

De eerste uitvoeringsovereenkomst tussen het ministerie, ČEZ en EDU II bevat juridisch bindende regelingen van de rechten en verplichtingen van de partijen voor de eerste fase van het project, d.w.z. tot de selectie van de EAB-contractant. Deze werd ondertekend op 28 juli 2020 en vervolgens gewijzigd op 24 december 2022, 20 december 2023 en 30 januari 2024.

(192)

Op 26 januari 2024 hebben de Tsjechische autoriteiten kopieën verstrekt van:

a)

het ontwerp van de conditielijst voor de afnameovereenkomst, waarin de rechten en verplichtingen van de partijen met betrekking tot het project zijn vastgelegd en die bij ondertekening in de plaats komt van de raamovereenkomst en de eerste uitvoeringsovereenkomst. Meer in het bijzonder bevat deze overeenkomst de voorwaarden voor de energieafnameverplichting van de Tsjechische staat (met inbegrip van de berekening van de uitoefenprijs en de aanpassingen ervan, alsook de voorwaarden voor de winstdelingsverplichting), de verplichting van de staat om het SPV op te richten, de verplichting van EDU II om de kerncentrale te ontwikkelen, te bouwen en te exploiteren, alsmede de toepasselijke voorwaarden in geval van een verandering in de eigendomsstructuur;

b)

het ontwerp van de conditielijst voor de investeringsovereenkomst tussen de Tsjechische Staat, ČEZ en EDU II, waarin de verplichtingen van ČEZ inzake de financiering van het project met eigen vermogen, de overdracht van aandelen aan derden en de details van de call- en putopties zijn vastgelegd;

c)

het ontwerp van de conditielijst voor de terugvorderbare financiële steun die bij besluit van het Ministerie van Industrie en Handel moet worden toegekend.

(193)

De Tsjechische autoriteiten verklaren dat de voorwaarden van de bovengenoemde overeenkomsten definitief zullen worden vastgesteld zodra de aanbestedingsprocedure voor de selectie van de EAB-contractant is afgerond en de investerings- en exploitatiekosten van het project en de technische kenmerken ervan zijn komen vast te staan. Om dezelfde reden zullen bepaalde inputgegevens voor het financiële model dat zal worden gebruikt om de uitoefenprijs van de afnameovereenkomst te herberekenen, worden bijgewerkt om rekening te houden met de voorwaarden van het EAB-contract (zie bijlage).

(194)

De Tsjechische autoriteiten wijzen er verder op dat de overige voorwaarden van de in overweging 191 genoemde contractuele documenten en de definitieve financieringsdocumenten standaardclausules zullen bevatten die elke investeerder bij een soortgelijk project zou willen opnemen en redelijkerwijs zou kunnen verwachten. Indien de contractuele voorwaarden in de respectieve definitieve contractuele documenten worden verbeterd, waardoor de verhouding tussen de risico’s, rendementsverwachtingen of de kostendekking voor het project en de bijbehorende infrastructuur verandert ten gunste van de begunstigden, of anderszins nieuwe elementen bevatten die staatssteun kunnen vormen, verbinden de Tsjechische autoriteiten zich ertoe deze vóór uitvoering bij de Europese Commissie aan te melden.

(195)

De Tsjechische autoriteiten hebben verklaard dat de informatie over het project op de website van het ministerie zal worden gepubliceerd (https://www.mpo.cz/cz/energetika/).

3.10.   Financieringsstructuur van het project

(196)

De totale financieringsbehoefte van het project volgens de oorspronkelijke plannen wordt geraamd op […] miljard EUR (in reële termen, in prijzen van 2020) of […] miljard EUR in nominale termen. Deze zal worden gefinancierd met 0,18 miljard EUR initieel eigen vermogen van ČEZ in fase 1 en een staatslening van [9,8 tot 10,8] miljard EUR, d.w.z. de terugvorderbare financiële steun, in de fasen 2 en 3.

(197)

ČEZ heeft toegezegd een verdere 1,77 miljard EUR aan voorwaardelijk eigen vermogen te zullen verstrekken om potentiële kostenoverschrijdingen te financieren die niet het gevolg zijn van legitieme gronden. ČEZ en de staat zullen nadere afspraken maken over de financiering van eventuele kostenoverschrijdingen. De totale maximale vermogensbijdrage aan het project die ČEZ heeft toegezegd voor de ontwikkelings- en bouwfase bedraagt 1,95 miljard EUR.

(198)

De Tsjechische autoriteiten leggen uit dat het plafond voor de overschrijdingen het resultaat is van de commerciële onderhandelingen tussen de partijen en een effectieve en optimale toewijzing van de risico’s voor het project beoogt. Zij zijn van mening dat het project niet kon worden gerealiseerd met financiering op basis van een open-einderegeling.

(199)

Zoals vermeld in punt 3.6.6, verwachten de Tsjechische autoriteiten dat de bouwkosten van het project […] EUR/kW zullen bedragen (uitgaande van “overnight costs”, dus zonder rente tijdens de bouwperiode, in prijzen van 2020) en gaan zij ervan uit dat de exploitatiekosten ongeveer [25 tot 50] EUR/MWh zullen bedragen (in prijzen van 2020), bestaande uit brandstofkosten, exploitatie- en onderhoudskosten, de kosten van vernieuwing gedurende de levenscyclus en de kosten voor ontmanteling en afvalbeheer. Uitgaande van een alternatief scenario (105) schatten de Tsjechische autoriteiten dat de bouwkosten voor het project, zonder overschrijdingen op basis van legitieme gronden, 10 % hoger zullen uitvallen.

(200)

Zoals uiteengezet in overweging 154, hebben de Tsjechische autoriteiten uitgelegd dat in een “worst case”-scenario met kostenoverschrijdingen die vergelijkbaar zijn met die van Vogtle en Hinkley Point C, de “overnight costs” van het project [17 tot 18] miljard EUR zouden kunnen bedragen (in reële termen, in prijzen van 2023), of […] miljard EUR in nominale termen. In een dergelijk geval zou, indien de kostenoverschrijdingen volledig zouden worden veroorzaakt door legitieme gronden, het bedrag van de staatslening nominaal […] miljard EUR bedragen.

(201)

De kostenramingen in dit stadium zijn indicatief en zijn uitgevoerd op basis van precedenten. De werkelijke kosten zullen worden bepaald op basis van het resultaat van de EAB-aanbesteding en de geselecteerde technologie.

3.11.   Cumulatie

(202)

De maatregel kan niet met andere verstrekte steun worden gecombineerd om dezelfde kosten te dekken die in het kader van het project worden gemaakt.

3.12.   Transparantie

(203)

De Tsjechische autoriteiten hebben aangegeven dat alle relevante informatie over de maatregel op een nationale website (106) en in het transparantieregister van de Commissie zal worden gepubliceerd.

3.13.   Beschrijving van de redenen die hebben geleid tot de inleiding van de procedure

(204)

De Commissie heeft het inleidingsbesluit op 30 juni 2022 vastgesteld. De Commissie is tot het voorlopige standpunt gekomen dat de maatregelen staatssteun vormen en heeft twijfels geuit over de verenigbaarheid van de maatregelen met de interne markt op grond van artikel 107, lid 3, punt c), VWEU. Meer bepaald heeft de Commissie in het inleidingsbesluit twijfels geuit over de geschiktheid en evenredigheid van de steun en over mogelijke verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer.

(205)

Wat de twijfels over de geschiktheid in het inleidingsbesluit betreft, heeft de Commissie onderzocht of de aanvankelijk voorgestelde afnameovereenkomst met een vaste afnameprijs, gecombineerd met de staatslening en het mechanisme voor de bescherming tegen wets- of beleidswijzigingen, een geschikt instrument was om steun te verlenen, met name vergeleken met andere instrumenten uit het verleden die geschikt werden geacht voor investeringen in kernenergie. De Commissie vroeg zich af of een hoger risico voor de begunstigde niet passender zou zijn geweest. In het inleidingsbesluit merkte de Commissie met name op dat, door de begunstigde te beschermen tegen belangrijke marktrisico’s, bepaalde prikkels voor concurrentie mogelijk werden belemmerd. Zij was van mening dat de drie maatregelen (namelijk de clausule inzake bescherming tegen wetswijzigingen, de afnameovereenkomst en de staatslening) bij elkaar genomen het marktrisico aanzienlijk verminderen. Gelet op het bovenstaande was de Commissie van oordeel dat het onduidelijk was of het door Tsjechië voorgestelde evenwicht bij de toepassing van de drie maatregelen correct was, en of alternatieve instrumenten of een wijziging van de voorgestelde instrumenten misschien nodig waren om een hogere mate van blootstelling aan marktrisico’s te waarborgen (107).

(206)

Wat de evenredigheid van het project betreft, betwijfelde de Commissie in het inleidingsbesluit of de duur van de afnameovereenkomst van zestig jaar het minimum was om ervoor te zorgen dat het project zou kunnen doorgaan. De Commissie merkte met name op dat de duur aanzienlijk langer is dan de termijn voor terugbetaling van de financiële steun (dertig jaar na aanvang van de commerciële exploitatie in dit geval) en de duur van de steun die in eerdere gevallen werd overeengekomen (108). De Commissie merkte voorts op dat langetermijncontracten weliswaar een gebruikelijk vereiste zijn om grote langetermijninvesteringen mogelijk te maken, maar dat de looptijd van het contract niet noodzakelijkerwijs altijd de gehele economische levensduur van een project bestrijkt.

(207)

Bovendien betwijfelde de Commissie in het inleidingsbesluit of de risicoblootstelling van de investeerder op correcte wijze was verdisconteerd in de aannamen die zijn gebruikt voor het ramen van het vereiste rendement. De Commissie heeft met name twijfels geuit over de premie voor de bouw en exploitatie van kerncentrales die in de CAPM-raming is opgenomen, gezien de verminderde risicoblootstelling van de begunstigde dankzij de drie steunmaatregelen en de mogelijkheden voor een aanpassing van de PPA-prijs. Bijgevolg vroeg de Commissie zich af of het vereiste RoE een correcte afspiegeling vormt van de door de begunstigde gedragen risico’s en of dit percentage een redelijk rendement vormt voor een investeerder in een dergelijke activiteit, aangezien de afnameovereenkomst zowel de prijs- als de marktrisico’s bij het SPV en dus bij de staat legt (109).

(208)

Daarnaast betwijfelde de Commissie in het inleidingsbesluit of overcompensatie voldoende wordt voorkomen met het door Tsjechië voorgestelde mechanisme voor vermogenswinstdeling, met name omdat het voorziet in een verdeelsleutel van 50:50 tussen de staat en EDU II (110).

(209)

Voorts merkte de Commissie met betrekking tot ČEZ als projectontwikkelaar op dat een open selectie van de projectontwikkelaar had kunnen leiden tot vermindering van de benodigde steun voor uitvoering van het project (111).

(210)

Wat de twijfels in verband met mogelijke negatieve gevolgen voor het handelsverkeer en de mededinging betreft, heeft de Commissie vraagtekens geplaatst bij de selectie van ČEZ als begunstigde van het project en bij het feit dat ČEZ werd gekozen zonder aanbestedingsprocedure of selectieprocedure, en mogelijk zonder dat andere potentiële marktdeelnemers daadwerkelijk in aanmerking werden genomen. Naar aanleiding hiervan vroeg de Commissie waarom ČEZ de meest efficiënte marktdeelnemer zou zijn, waarom er geen gebruik werd gemaakt van een aanbesteding of ander selectiemechanisme en om welke technische of economische redenen ČEZ werd geselecteerd. De selectie van ČEZ doet twijfels rijzen in verband met een mogelijke verstoring van de marktstructuur gelet op de sterke positie van ČEZ op de Tsjechische elektriciteitsmarkt (112).

(211)

Bovendien heeft de Commissie aangegeven dat de mogelijkheid van prijsmanipulatie en bewuste capaciteitsbeperking door ČEZ niet volledig kan worden uitgesloten. Er werd bijvoorbeeld niet uitgesloten dat de ČEZ-groep, in perioden waarin de marktprijzen hoger zijn dan de vaste PPA-prijs, dit als een economische prikkel zou kunnen zien om de productie van EDU II te beperken, zodat andere onderdelen van de ČEZ-groep meer energie zouden kunnen verkopen tegen de hogere marktprijzen. De Commissie was van mening dat een mogelijke marktmanipulatie niet kon worden uitgesloten, met name vanwege de huidige sterke marktpositie van ČEZ op het gebied van elektriciteitsproductie en de feitelijke productie in Tsjechië. Gelet op het bovenstaande vroeg de Commissie zich af of ČEZ of EDU II hierdoor geprikkeld zou worden of in staat zou worden gesteld om de markt te manipuleren (113).

(212)

Ten slotte uitte de Commissie twijfels over de rol van het SPV op de markt. De Commissie merkte met name op dat, aangezien het SPV zijn verliezen kan compenseren met middelen van de staat, het onduidelijk was of het SPV voldoende prikkels zou hebben om op te treden als een particuliere entiteit die naar winstmaximalisatie streeft, tenzij die rol wordt vervuld door een daadwerkelijk zelfstandige onderneming die handelt op basis van een winstmaximalisatiestrategie, geselecteerd via een openbare aanbesteding die er niet toe leidt dat de handelsactiviteiten van het SPV uiteindelijk worden overgenomen door ČEZ. Bovendien was de Commissie van mening dat er een risico bestond dat de steun aan het SPV voor een deel bij grote elektriciteitsverbruikers zou belanden. Dit risico wordt mogelijk nog vergroot door het feit dat het SPV door de staat wordt gecontroleerd. Aangezien het nog niet helemaal duidelijk is hoe het SPV de elektriciteit zal verkopen of aan wie, kan niet worden uitgesloten dat het SPV tegen gunstige voorwaarden bilaterale overeenkomsten sluit met industriële verbruikers (114). Tot slot heeft de Commissie aangegeven dat zich mogelijk marktverstoring kan voordoen omdat het onzeker is of de SPV-PPA-constructie kan verhinderen dat marktsignalen de exploitant van de elektriciteitscentrale bereiken (115).

4.   STANDPUNT VAN DE TSJECHISCHE REGERING

(213)

Tsjechië stuurde op 30 augustus 2022 zijn antwoord op het inleidingsbesluit. De opmerkingen van Tsjechië bevatten verschillende analyses waarmee werd gereageerd op de twijfels van de Commissie in het inleidingsbesluit over de geschiktheid en de evenredigheid van de maatregel en de gevolgen voor het handelsverkeer en de mededinging.

(214)

Opgemerkt moet worden dat in het antwoord van Tsjechië op het inleidingsbesluit wordt ingegaan op de staatssteunmaatregelen zoals beschreven in het inleidingsbesluit. De huidige steunmaatregelen, die wijzigingen van de oorspronkelijk geplande maatregelen omvatten die werden doorgevoerd om tegemoet te komen aan de twijfels die de Commissie in haar inleidingsbesluit had geuit, worden in detail uiteengezet in punt 3 van dit besluit.

(215)

De argumenten van Tsjechië worden hieronder nader uiteengezet.

4.1.   Standpunt van Tsjechië over de geschiktheid van de steun

(216)

In zijn antwoord op het inleidingsbesluit voerde Tsjechië aan dat in de huidige onzekere en snel veranderende marktomstandigheden alle drie de maatregelen voor het project nodig zijn om het falen van de markt bij de ontwikkeling van kernenergie te corrigeren (d.w.z. de grote hoeveelheid benodigd kapitaal, de langdurige blootstelling aan marktprijssignalen die zelf worden verstoord door interventies, en de langdurige blootstelling aan politieke beslissingen), zoals de Commissie in het inleidingsbesluit heeft erkend (116). Volgens Tsjechië zijn afzonderlijke maar onderling verbonden overheidsinterventies nodig om het bovengenoemde marktfalen aan te pakken.

(217)

Ten eerste zou, bij gebrek aan financiering onder marktvoorwaarden uit particuliere bronnen vanwege de schaal van de benodigde investeringen en andere risico’s in verband met de ontwikkeling van projecten op het gebied van kernenergie, de aanzienlijke hoeveelheid vereist kapitaal dankzij de staatslening worden verminderd.

(218)

Ten tweede heeft het project door de langdurige blootstelling aan marktprijssignalen te maken met een hoog inkomstenrisico, terwijl de vaste kosten aanzienlijk zijn, met als gevolg een zeer hoge operationele gearing, wat niet aantrekkelijk is voor particuliere investeerders. Dit risico kan worden ondervangen door de prijsbescherming op lange termijn die onder de voorwaarden van de afnameovereenkomst wordt geboden (117).

(219)

Ten derde zou het risico van langdurige blootstelling aan politieke beslissingen, dat zich in alle fasen van het project voordoet (vanaf de ontwikkeling tot de ontmanteling), worden opgevangen door het mechanisme voor de bescherming tegen wets- en beleidswijzigingen, met inbegrip van de bescherming op basis van “legitieme gronden” voorzien in de afnameovereenkomst.

(220)

Om het bovenstaande te onderbouwen, hebben de Tsjechische autoriteiten een lijst verstrekt van kernenergieprojecten die zijn opgegeven als gevolg van een of meer van de bovengenoemde tekortkomingen van de markt als het gaat om de ontwikkeling van projecten voor de productie van kernenergie (118).

(221)

De Tsjechische autoriteiten verklaarden verder dat de huidige marktomstandigheden, gecombineerd met de belangrijkste tekortkomingen van de markt, de risico’s voor ontwikkelaars van nieuwe kernenergieprojecten aanzienlijk hebben vergroot. Deze omstandigheden zijn onder meer: i) de voortdurende technologische verschuiving naar bijvoorbeeld hernieuwbare energiebronnen en waterstof, die kan leiden tot verdringing van nucleaire technologie door bronnen met minimale marginale productiekosten; ii) het macro-economische landschap, dat onder andere inflatiedruk vertoonde, alsook veranderingen in de rentetarieven en wisselkoersen; iii) de volatiliteit van de marktprijzen van grondstoffen, die leidt tot volatiliteit van de elektriciteitsprijzen, en gebeurtenissen die als “zwarte zwaan” kunnen worden aangemerkt, zoals de Russische agressie tegen Oekraïne, die heeft geleid tot verstoringen van de markt en de toeleveringsketens.

(222)

Daarnaast hebben de Tsjechische autoriteiten nulscenario’s gepresenteerd, die lieten zien dat indien een van de drie steunmaatregelen van het project achterwege zou blijven, de belangrijkste hierboven beschreven risico’s niet zouden worden beperkt, waardoor de levensvatbaarheid van het project zou worden ondermijnd en er een onaanvaardbaar risico voor de projectontwikkelaar zou ontstaan, en de uitvoering uiteindelijk onmogelijk zou worden.

(223)

In het eerste nulscenario hebben de Tsjechische autoriteiten uitgelegd dat met de staatslening het kapitaal wordt verschaft dat nodig is voor de bouw van de nieuwe kerncentrale en het risico van marktfalen als gevolg van de zeer aanzienlijke hoeveelheid vereist kapitaal en het hoge bouwrisico worden beperkt. De Tsjechische autoriteiten stellen dat de projectontwikkelaar vanwege de bovengenoemde risico’s zonder de staatslening niet in staat zou zijn om op de commerciële markt kapitaal aan te trekken voor de bouwfase, waardoor het project zou mislukken. Bovendien stelt Tsjechië dat, als er überhaupt kapitaal zou kunnen worden aangetrokken op de commerciële markt, het zeer waarschijnlijk zou zijn dat de toegang tot deze particuliere financiering aanzienlijk hogere schuldenlasten met zich mee zou brengen dan de door de staat voorgestelde maatregel; uiteindelijk zou dit weer tot meer staatssteun leiden. Met name zou dan, om hetzelfde rendement op eigen vermogen te bereiken, een hogere uitoefenprijs vereist zijn.

(224)

In het tweede nulscenario gaven de Tsjechische autoriteiten aan dat de afnameovereenkomst een belangrijke compenserende factor is voor de zeer aanzienlijke hoeveelheid benodigd kapitaal en de langdurige blootstelling aan marktprijsvolatiliteit. Als de afnameovereenkomst zou worden geschrapt, zouden investeerders volgens Tsjechië niet gedurende de hele looptijd van het project afhankelijk willen zijn van een marktconform rendement. Verder zouden de volledige blootstelling aan het risico dat de brandstofkosten/operationele kosten hoger zouden uitvallen dan de elektriciteitsprijzen, de volatiliteit van de kasstroom en de extra hedgingkosten tijdens de exploitatie investeerders verder ontmoedigen.

(225)

Tot slot hebben de Tsjechische autoriteiten in het derde nulscenario toegelicht dat de ontwikkelaars van kernenergieprojecten geen invloed hebben op wijzigingen in wet- en regelgeving en beleid en dat dergelijke wijzigingen een aanzienlijk risico vormen voor nieuwe kernenergieprojecten, gezien de levensduur ervan en de uiteenlopende standpunten over de rol van nucleaire technologie. De Tsjechische autoriteiten stellen dat de projectontwikkelaar zich zonder het mechanisme voor de bescherming tegen wets- en beleidswijzigingen waarschijnlijk uit het project zou terugtrekken, wat zou leiden tot een vertraagde en/of mislukte uitvoering van het project.

(226)

Tijdens het formele onderzoek heeft Tsjechië besloten de maatregel te wijzigen om in het project meer ruimte te geven aan marktrisico door de vaste vergoeding van de afnameovereenkomst (119) te vervangen door een aangepaste vergoedingsformule die de marktomstandigheden weerspiegelt en rekening houdt met marktsignalen. Zie de overwegingen 83 tot en met 106 voor een gedetailleerde beschrijving van de vergoedingsformule.

4.2.   Standpunt van Tsjechië over de evenredigheid van de steun

4.2.1.   Duur van de steun

(227)

In antwoord op de twijfels van de Commissie over de duur van de afnameovereenkomst die in het inleidingsbesluit werden geuit, hebben de Tsjechische autoriteiten ten eerste aangevoerd dat de afnameovereenkomst in verhouding moet staan tot het huidige klimaat voor risicovolle investeringen. De Tsjechische autoriteiten hebben met name uitgelegd dat het investeringslandschap voor de ontwikkeling van kernenergie aanzienlijke veranderingen heeft ondergaan door de scherp gestegen risico’s als gevolg van tekorten in de mondiale toeleveringsketens, inflatiedruk, volatiele valutamarkten en de verslechtering van het geopolitieke klimaat in Europa (o.a. door de Russische aanval op Oekraïne). Energiemarkten zijn gevoelig voor dit soort geopolitieke risico’s, die recentelijk hebben geleid tot een hoge volatiliteit van de energieprijzen. Deze veranderingen hebben met name gevolgen voor investeerders in kernenergie vanwege de lange looptijd van de projecten en het aanzienlijke kapitaal dat bij aanvang van deze projecten nodig is. Gelet op het bovenstaande voert Tsjechië aan dat de voorgestelde looptijd van de afnameovereenkomst van zestig jaar in verhouding staat tot de bestaande risico’s en dat een vermindering van de looptijd zou leiden tot een hogere risicoblootstelling voor investeerders en bijgevolg tot een hoger RoE. Volgens de Tsjechische autoriteiten zou dit leiden tot een hogere uitoefenprijs, wat de doelstelling van het project om betaalbare elektriciteit te leveren zou ondermijnen.

(228)

In de tweede plaats hebben de Tsjechische autoriteiten uitgelegd dat hoe langer de afnameovereenkomst duurt, des te lager de uitoefenprijs en des te lager het risico is dat de elektriciteit duurder wordt. Volgens Tsjechië zou een afnameovereenkomst met een looptijd van minder dan zestig jaar het project aan verhoogde risico’s blootstellen. Deze risico’s houden onder meer in dat de projectontwikkelaar moet kunnen rekenen op een aanzienlijk hogere uitoefenprijs om meer werkkapitaal op te bouwen en over een kortere periode grotere bijdragen aan de ontmantelingsreserve (120) te kunnen leveren om de risico’s van ongunstige marktomstandigheden (zoals volatiliteit van de marktprijzen) na afloop van het afnamecontract te beheersen. Tegelijkertijd benadrukken de Tsjechische autoriteiten het belang van stabiele en betaalbare elektriciteitsprijzen voor consumenten, die zouden kunnen worden bereikt door een stroomafnameovereenkomst met een lange looptijd. Tot slot heeft Tsjechië aangevoerd dat de afnameovereenkomst langer moet duren dan de aflossingstermijn van de staatslening van dertig jaar om ervoor te zorgen dat het project niet in gevaar wordt gebracht door verhoogde risico’s en dat de uitoefenprijs op lange termijn redelijk en stabiel blijft.

(229)

In de derde plaats hebben de Tsjechische autoriteiten aangevoerd dat de spreiding van de exploitatiesteun over de gehele levensduur van de kerncentrale voorkomt dat de begunstigde uitzonderlijke winsten kan maken. Meer specifiek heeft Tsjechië uitgelegd dat het mechanisme tegen overcompensatie, gecombineerd met het mechanisme waarmee de uitoefenprijs regelmatig wordt aangepast om een evenredige vergoeding te waarborgen, ervoor zorgt dat het risico op uitzonderlijke winsten tot een minimum wordt beperkt. De Tsjechische autoriteiten hebben verder opgemerkt dat de looptijd van zestig jaar van de afnameovereenkomst ook zorgt voor een beperking van de uitzonderlijke winsten die zich na het verstrijken van het afnamecontract zouden kunnen voordoen als de looptijd korter was.

(230)

Ten vierde heeft Tsjechië erop gewezen dat de spreiding van de steun over de levensduur van de kerncentrale het specifieke prijseffect tot een minimum beperkt en het risico op oneerlijke economische overdrachten tussen generaties vermindert. De Tsjechische autoriteiten hebben met name aangegeven dat de afnameovereenkomst een belangrijk instrument is om consumenten te beschermen tegen volatiele marktontwikkelingen. Bovendien zou een afnameovereenkomst met een looptijd die overeenkomt met de levensduur van de kerncentrale energieverbruikers meer leverings- en prijsstabiliteit bieden, in tegenstelling tot een afnamecontract met een kortere duur, waardoor de projectontwikkelaar en energieverbruikers te maken zouden krijgen met onzekerheid over de prijs en de levering. Indien de afnameovereenkomst minder dan zestig jaar zou duren, zou er een verhoogd risico bestaan op oneerlijke economische overdrachten tussen generaties ten gevolge van mogelijke onzekerheid over de prijzen of de energievoorziening. Bovendien merkt Tsjechië op dat het in veel gevallen gebruikelijk is dat exploitatiesteun gedurende de hele levensduur van een kerncentrale wordt verstrekt. Een dergelijke benadering vermindert het investeringsrisico, aangezien investeerders hiermee een gegarandeerd rendement wordt geboden.

(231)

Ten vijfde voeren de Tsjechische autoriteiten aan dat een lange looptijd van de afnameovereenkomst bijdraagt aan het vertrouwen dat de kerncentrale gedurende haar hele levensduur actief zal blijven en zo de Tsjechische energiezekerheid bevordert. De Tsjechische autoriteiten hebben met name uitgelegd dat een lange duur van de afnameovereenkomst het signaal aan de markt geeft dat de staat zich inzet voor een stabiele voorziening van koolstofarme energie op de lange termijn. Dit vertrouwen kan leiden tot lagere kosten voor het project.

(232)

Ten zesde, en tot slot, voert Tsjechië aan dat de maatregelen (met inbegrip van de voorgestelde duur van de afnameovereenkomst) de toewijzing van het maximaal haalbare risico aan de projectontwikkelaar en de contractant mogelijk maken dat deze partijen kunnen dragen. De Tsjechische autoriteiten hebben opgemerkt dat belangrijke risico’s op grond van het voorgestelde steunpakket bij de projectontwikkelaar liggen (zoals vertragingen, kostenoverschrijdingen, problemen met de toeleveringsketens, de prestaties van de centrale, inclusief uitval, alsook veranderingen die niet onder de legitieme gronden vallen). Tsjechië is derhalve van mening dat de voorgestelde maatregelen evenredige steun vormen die niet verder gaat dan het benodigde minimumbedrag.

(233)

In de loop van het formele onderzoek heeft Tsjechië besloten de duur van de afnameovereenkomst te verkorten van zestig tot veertig jaar (zie de overwegingen 83, 84 en 85).

4.2.2.   Risico van overcompensatie

(234)

In reactie op de twijfels van de Commissie met betrekking tot het risico van overcompensatie die in het inleidingsbesluit werden geuit, hebben de Tsjechische autoriteiten aangevoerd dat het voorgestelde overcompensatiemechanisme toereikend is om overcompensatie te voorkomen. Het voorgestelde overcompensatiemechanisme bestaat uit drie belangrijke instrumenten die een sterke bescherming bieden: namelijk i) het winstdelingsmechanisme dat volgens Tsjechië verder gaat dan en strenger is dan de overeenkomstige bepalingen bij eerder goedgekeurde kernenergieprojecten; ii) het EAB-aanbestedingsproces dat zal bijdragen aan de nauwkeurige bepaling van de afnameprijs (121), en iii) de afscherming van de energiemarkten door middel van de structuur van de afnameovereenkomst, waardoor EDU II geen overcompensatie kan krijgen als gevolg van aanzienlijke veranderingen in de energieprijs op de lange termijn.

(235)

Wat betreft de eerste maatregel, hebben de Tsjechische autoriteiten opgemerkt dat het voorgestelde mechanisme de prestaties van het project gedurende de hele levensduur meet en ervoor zorgt dat alle inkomstenmeevallers binnen het toepassingsgebied vallen. Met name geldt voor alle rendementen van EDU II die de op basis van het initiële scenario overeengekomen rendementen overtreffen een verdeelsleutel van 50 %. De Tsjechische autoriteiten benadrukken voorts dat het voorgestelde winstdelingsmechanisme EDU II stimuleert om meer rendement te behalen en de staat de mogelijkheid biedt om in de winst te delen indien het project beter presteert dan verwacht.

(236)

Daarnaast stellen de Tsjechische autoriteiten dat het voorgestelde winstdelingsmechanisme gebaseerd is op het voor Hinkley Point C toegepaste mechanisme dat door de Commissie werd goedgekeurd. Zij voeren aan dat het mechanisme van het project evenwel voorziet in een grotere winstdeling tussen de staat en de exploitant bij een lager rendement op eigen vermogen dan bij Hinkley Point C. In het bijzonder hanteert het winstdelingsmechanisme van het project een aanzienlijk lagere drempel voor winstdeling dan Hinkley Point C (122). Bovendien wordt het winstdelingsmechanisme van Hinkley Point C pas geactiveerd wanneer het IRR van het project (WACC) meer dan 11,4 % bedraagt (WACC in het basisscenario van 9,02 %), terwijl het winstdelingsmechanisme van het project zou worden geactiveerd bij een veel lager economisch rendement (WACC in het basisscenario van 3,7 %). Voorts kent het winstdelingsmechanisme van het project een hogere initiële verdeelsleutel dan Hinkley Point C (50 % tegenover 30 %).

Figuur 2

Vergelijking van de winstdelingsmechanismen van EDU II en Hinkley Point C […]

Bron:

Tsjechische autoriteiten.

(237)

Met betrekking tot de tweede maatregel voeren de Tsjechische autoriteiten aan dat met de EAB-aanbesteding een concurrerend marktconform mechanisme in het proces voor het vaststellen van de aannamen wordt geïntegreerd. Dit mechanisme zorgt ervoor dat alle potentiële opdrijvende effecten die in de langetermijnaannames worden opgenomen, tot een minimum worden beperkt op basis van de resultaten van de aanbestedingsprocedure. In die zin zou de EAB-aanbestedingsprocedure er volgens Tsjechië ook voor zorgen dat eventuele overcompensatie als gevolg van mogelijke onvoorziene omstandigheden in de onderliggende aannamen beperkt blijft. Tsjechië voert aan dat de aanbestedingsprocedure voor het project bovendien afwijkt van de selectieprocedure bij Hinkley Point C, waar de projectontwikkelaar over meer instrumenten beschikte om overcompensatie te bewerkstelligen (123).

(238)

Met betrekking tot de derde maatregel hebben de Tsjechische autoriteiten uitgelegd dat de koppeling tussen de projectontwikkelaar en de marktprijzen in de voorgestelde opzet van de afnameovereenkomst wordt opgeheven, waarmee wordt voorkomen dat de ontwikkelaar overcompensatie krijgt als gevolg van marktveranderingen (zij het structurele veranderingen of prijsgerelateerde veranderingen). Een dergelijk risico kan zich in theorie voordoen na afloop van de afnameovereenkomst; volgens Tsjechië is dit een extra reden om te kiezen voor de langere duur van zestig jaar, die overeenkomt met de levensduur van de kerncentrale. Op basis van de voorgestelde opzet van de afnameovereenkomst zou EDU II alleen overcompensatie kunnen krijgen wanneer de centrale beter presteert dan verwacht in termen van productiecapaciteit.

(239)

Voorts hebben de Tsjechische autoriteiten uitgelegd dat de mogelijkheid voor de projectontwikkelaar om iets meer dan het beoogde RoE te verdienen, wenselijke stimulerende effecten heeft en EDU II zal aanmoedigen om zich marktconform te gedragen. Tsjechië heeft de steun voor het project ontworpen en hierover onderhandeld met als doel, enerzijds, het maximaal haalbare risico aan EDU II over te dragen, en, anderzijds, prikkels te bieden om EDU II en ČEZ aan te zetten tot correct economisch gedrag. De in de voorgestelde opzet opgenomen stimulansen stellen EDU II in staat doeltreffend de risico’s te beheersen, te innoveren, de efficiëntie te waarborgen en het project volgens de overeengekomen voorwaarden uit te voeren. Tot slot voert Tsjechië aan dat met de vaststelling van aanvullende overcompensatiemechanismen om mogelijke opdrijvende effecten te beperken de netto risicopositie voor EDU II zou worden verhoogd, wat mogelijk niet in overeenstemming zou zijn met de huidige positie die op minimumsteun is gebaseerd. Meer specifiek hebben de Tsjechische autoriteiten erop gewezen dat het voorgestelde winstdelingsmechanisme bescherming biedt tegen overcompensatie door het potentieel voor meevallers te verminderen, wat tot uiting komt in het huidige RoE en de uitoefenprijs die tussen Tsjechië en de projectontwikkelaar is overeengekomen. Elke aanvullende maatregel om de potentiële meevallers verder te beperken, kan leiden tot een hogere risicoblootstelling voor de projectontwikkelaar en dus mogelijk tot een hoger RoE en een hogere uitoefenprijs.

(240)

Tijdens het formele onderzoek heeft Tsjechië de formule in de afnameovereenkomst voor de vergoeding van ČEZ herzien (zie de overwegingen 83 tot en met 106) om deze meer in lijn te brengen met de marktrisico’s; ook is het winstdelingsmechanisme geactualiseerd (zie de overwegingen 161 tot en met 169) om overcompensatie te voorkomen.

4.2.3.   RoE berekend op basis van het vereiste minimum

(241)

De Tsjechische autoriteiten hebben uitgelegd dat de voorgestelde bandbreedte voor het RoE is bepaald op basis van de risico’s waarmee EDU II te maken zal krijgen vergeleken met andere grote energie-infrastructuurprojecten. Meer specifiek werden er zes categorieën van projectrisico’s beoordeeld: ontwikkelings-, bouw-, exploitatie-, inkomsten-, financierings- en regelgevingsrisico’s. De benchmarks werden onderverdeeld in drie groepen: te weten i) projecten voor de productie van kernenergie (EDU II, HPC en Paks II); ii) grote commerciële infrastructuurprojecten (projecten voor conventionele elektriciteitscentrales en offshore-windenergie), en iii) Tsjechische gereguleerde prijscontroles. Uit de kwalitatieve risicobeoordeling die Tsjechië heeft uitgevoerd, blijkt dat de projecten voor de productie van kernenergie als projecten met een “hoog” risico worden aangemerkt, terwijl de andere categorieën als projecten met een “gemiddeld” en “laag” risico worden beschouwd. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de risicobenchmarkinganalyse voor alle risicofactoren en referentieprojecten die in zes risicocategorieën zijn beoordeeld.

Tabel 4

Beknopte risicobeoordeling voor alle risicofactoren en referentieprojecten

Image 4

Image 5

Bron:

Tsjechische autoriteiten.

(242)

Volgens Tsjechië zouden de gangbare rendementen voor die referentieprojecten overeenstemmen met de onderliggende risico’s. Voor projecten voor de productie van kernenergie varieert het rendement van 9 tot 12,5 % (voor Hinkley Point C, 11-11,5 % (met hefboom), 9,02 % (zonder hefboom) en voor Paks II, 10,9-12,5 %). Voor projecten voor conventionele energiecentrales ligt het rendement met hefboom tussen 10 en 11 %, terwijl dat voor offshore-windenergie tussen 7 en 9 % ligt. Tot slot liggen de rendementen voor gereguleerde elektriciteits- en gasdistributie in Tsjechië tussen 7,76 en 7,94 %.

(243)

De Tsjechische autoriteiten hebben verder toegelicht dat er een gedetailleerde analyse op basis van marktvariabelen is gebruikt om de vereiste bandbreedte van het RoE voor EDU II te berekenen. Uit deze analyse bleek dat de bandbreedte van het RoE tussen […] en […] % lag, wat overeenkwam met de kwalitatieve vergelijkende risicobeoordeling en de rendementen van de referentieprojecten. Meer bepaald werden er marktvariabelen van de Tsjechische en Europese financiële markten gebruikt om de CAPM-parameters te ramen, met inbegrip van het risicovrije rendement, de risicopremie op eigen vermogen en de bèta-waarden. Daarnaast moet er een nucleaire premie worden opgenomen, aangezien het risico voor nucleaire projecten hoger is dan voor conventionele energie of gereguleerde netwerken. De reden hiervoor is dat nucleaire projecten wezenlijke bouw- en exploitatierisico’s met zich meebrengen; volgens Tsjechië tonen eerdere projecten de praktische moeilijkheden om nucleaire projecten tijdig en binnen de begroting uit te voeren. Tsjechië stelt dat, gezien de bescherming die het project geniet, een premie van 3 tot 3,5 % passend is; deze is opgenomen in de bottom-upberekening van het CAPM.

(244)

Daarnaast hebben de Tsjechische autoriteiten aangegeven dat de voorgestelde steunmechanismen bedoeld zijn om het maximale risico over te dragen aan EDU II; ze zijn ook toereikend om de belangrijkste tekortkomingen van de markt te compenseren.

(245)

Tijdens het formele onderzoek heeft Tsjechië een geactualiseerd RoE voorgesteld, zoals beschreven in punt 3 (zie de overwegingen 84 tot en met 99 hierboven).

4.3.   Standpunt van Tsjechië over de selectie van ČEZ

(246)

In hun antwoord op het inleidingsbesluit hebben de Tsjechische autoriteiten uitgelegd dat er verschillende oplossingen voor de rol van de projectontwikkelaar waren overwogen, maar dat ČEZ als voorkeursoptie was geselecteerd (overwegingen 147 en 148). Voorafgaand aan de selectie van ČEZ als projectontwikkelaar werden er drie opties uitvoerig geanalyseerd (namelijk i) een consortium van particuliere investeerders; ii) de optie waarbij het grootste deel van het project eigendom is van en wordt geëxploiteerd door de Tsjechische staat, en iii) een optie waarbij ČEZ de projectontwikkelaar zou zijn) (zie overweging 51). Tsjechië heeft gekozen voor de derde optie.

(247)

De Tsjechische autoriteiten hebben toegelicht dat ČEZ als projectontwikkelaar de meest geschikte keuze is, aangezien het in staat is en goede economische redenen heeft om het project uit te voeren, maar ook uit andere overwegingen, zoals voorzieningszekerheid, nationale veiligheidsbelangen en technologische neutraliteit. Meer specifiek

is ČEZ als projectontwikkelaar bij uitstek geschikt om dit project uit te voeren vanwege zijn uitgebreide ervaring op de markt als betrouwbare ontwikkelaar en exploitant van kerncentrales in Europa en als bestaande producent in Tsjechië. Daarnaast is de ČEZ-groep een van de tien grootste energiebedrijven in Europa, zowel wat de geïnstalleerde capaciteit als het aantal afnemers betreft. Daarnaast zal ČEZ tot 1,95 miljard EUR aan eigen vermogen in EDU II investeren; dit zal ČEZ een sterke prikkel bieden om van EDU II een succes te maken.

Gezien de Tsjechische doelstellingen voor koolstofneutraliteit tegen 2050 hebben overwegingen betreffende de voorzieningszekerheid een belangrijke rol gespeeld bij de selectie van het investeringsmodel voor het project. ČEZ is vastbesloten het project uit te voeren binnen een termijn die de voorzieningszekerheid van Tsjechië waarborgt en heeft tot dusver alle daarvoor benodigde maatregelen genomen (bv. de locatie is aangekocht, de nodige goedkeuringen en vergunningen voor de plannen zijn rond).

De keuze van ČEZ, een beursgenoteerde onderneming waarin Tsjechië een meerderheidsbelang heeft en die een belangrijke rol speelt op de Tsjechische energiemarkt, zorgt ervoor dat de nationale veiligheidsbelangen van Tsjechië worden beschermd, met name in een context waarin de Tsjechische economie in grote mate blootstaat aan externe bedreigingen als het om de levering van energie gaat.

Tot slot is ČEZ weliswaar geselecteerd als projectontwikkelaar, maar de leverancier van nucleaire technologie zal worden geselecteerd door middel van een openbare aanbestedingsprocedure. De EAB-leverancier zal verantwoordelijk zijn voor de bouw en de inbedrijfstelling van het project en heeft daarom een grote verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat het project met succes wordt uitgevoerd.

(248)

De Tsjechische autoriteiten hebben er bovendien op gewezen dat de selectie van ČEZ aanzienlijke efficiëntiewinsten oplevert, extra kosten voorkomt en niet de ontwikkeling van een afzonderlijke locatie vereist. Deze keuze levert dus aanzienlijke voordelen op voor een tijdige uitvoering van het project, die met de alternatieve opties niet kunnen worden verkregen.

(249)

De Tsjechische autoriteiten hebben alle voorbereidende werkzaamheden die ČEZ tot dusver heeft verricht, nader toegelicht. De ČEZ-groep is eigenaar van de voorgestelde locatie voor de kerncentrale (EDU II). Het proces voor de aankoop van de voor de bouw benodigde grond is in april 2008 van start gegaan en in 2021 afgerond (overweging 77). Daarnaast heeft ČEZ haalbaarheidsstudies uitgevoerd om Tsjechië tijd en kosten te besparen bij de ontwikkeling van het project.

(250)

Bovendien heeft ČEZ begin 2021 alle belangrijke vergunningen verkregen die nodig zijn om het project overeenkomstig het projectplan uit te voeren (zoals de vestigingsvergunning voor de kerninstallatie en de MEB (overwegingen 78 en 79). Het verkrijgen van een vergunning voor een kerncentrale duurt doorgaans zes tot zeven jaar en van een MEB drie tot vijf jaar.

(251)

Verder hebben de Tsjechische autoriteiten uitgelegd dat ČEZ als eigenaar en exploitant van een kerncentrale grondige kennis en inzicht heeft in de regelgevingsvereisten voor een nieuwe kerncentrale, waaronder de vergunningsvereisten, en de wetgeving in Tsjechië (overweging 149). Daarnaast zijn ČEZ en EDU II lid van verschillende internationale organisaties, waaronder de World Association of Nuclear Operators (“WANO”) (124), de European Harmonised Requirements for New Nuclear Power Plants (“EUR”) (125), het Electric Power Research Institute (EPRI) (126), de World Nuclear Association (“WNA”) (127) en de Nuclear Generation II & III Alliance (“NUGENIA”) (128), en hebben zij als zodanig toegang tot normen en processen die door regelgevende instanties wereldwijd worden erkend en bevorderd om bij te dragen tot voortdurende verbeteringen.

(252)

De Tsjechische autoriteiten onderstrepen voorts de sleutelrol van het project voor de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening in Tsjechië in de toekomst, met name gezien de ontmanteling van kolengestookte centrales. De Tsjechische autoriteiten hebben er met name op gewezen dat de verwachte capaciteitskloof met een kortere ontwikkelingstermijn voor het project beter kan worden aangepakt (129). De ontwikkeling van een ander project op een andere locatie met een aanzienlijk langere tijdshorizon zou niet tegemoetkomen aan de dringende behoefte van het systeem aan voorzieningszekerheid.

(253)

Bovendien heeft Tsjechië verklaard dat, gesteld dat een alternatieve projectontwikkelaar in Tsjechië een potentieel geschikte locatie voor een kerncentrale zou kopen, dit vergeleken met ČEZ zou leiden tot aanzienlijke vertragingen bij de uitvoering van het project. In dit alternatieve scenario gaan de Tsjechische autoriteiten er concreet van uit dat de vertragingen tot 14 jaar kunnen oplopen (vergeleken met de uitvoering door ČEZ), zonder dat gegarandeerd kan worden dat de kenmerken van de locatie of de stappen bij de planning die in het geval van EDU II goed werkten geen problemen zouden opleveren, waardoor de risico’s en kosten voor de ontwikkeling van het project zouden toenemen. Hoe dan ook stellen de Tsjechische autoriteiten dat er in Europa geen technologieneutrale, ervaren exploitanten te vinden zijn die kerncentrales buiten hun eigen land hebben ontwikkeld.

(254)

Indien een andere projectontwikkelaar dan ČEZ het project zou ontwikkelen, schat Tsjechië dat er minstens ongeveer [200 tot 700] miljoen EUR aan extra kosten zouden worden gemaakt, waarvoor financiering moet worden gevonden. Deze kosten bestaan voornamelijk uit de aankoopprijs van de locatie voor de kerncentrale, de haalbaarheidsstudies, de vergunningsprocedures en de ontwikkelingsactiviteiten die ČEZ tot dusver heeft uitgevoerd, alsook de synergieën die moet worden gecreëerd met de bestaande kerncentrale in Dukovany.

(255)

Tot slot hebben de Tsjechische autoriteiten opgemerkt dat de selectie van ČEZ als projectontwikkelaar in overeenstemming was met eerdere door de Commissie beoordeelde projecten voor kernenergie waarin geen open, concurrerende procedures werden gehouden voor de selectie van projectontwikkelaars vanwege de specifieke kenmerken van die projecten (130).

(256)

In aanvullende opmerkingen van 16 maart 2023 wees Tsjechië op de ervaring van ČEZ met de bouw en exploitatie van kerncentrales. In het verleden heeft ČEZ twee reactoren met een geïnstalleerd vermogen van 1 125 MW in Temelín (Tsjechië) ontwikkeld en gebouwd, die in 2000 en 2002 in gebruik werden genomen, alsook de eerste kerncentrale in Dukovany met een huidig geïnstalleerd vermogen van 2 040 MW. Deze reactoren werden tussen 1985 en 1987 in bedrijf genomen en Tsjechië benadrukt dat deze centrale volgens de WANO tot de 20 % best beheerde elektriciteitscentrales behoort.

(257)

Daarnaast wijst Tsjechië, behalve op het belang van voorzieningszekerheid en nationale veiligheid, op het belang van financiële zekerheid, aangezien ČEZ over een sterke kredietwaardigheid beschikt (131).

(258)

Tot slot heeft Tsjechië aangegeven dat een aanbesteding voor de selectie van een projectontwikkelaar, waarbij mogelijk een ander bedrijf dan ČEZ wordt gekozen, aanzienlijke nadelen met zich mee zou brengen. Tsjechië stelt in wezen dat concurrentie in deze fase van het project niets zou opleveren als het erom gaat de meest efficiënte exploitant te kiezen. Wijzend op de hierboven vermelde redenen meent Tsjechië dat de concurrentie niet zal worden bevorderd door andere partijen te verzoeken blijken van belangstelling in te dienen of door een aanbesteding te organiseren, en dat de nadelen van dit proces, met name de vertragingen en extra kosten, alsook de veiligheidsproblemen die andere potentiële kandidaten met zich mee kunnen brengen, dan ook niet konden worden gecompenseerd. Tsjechië verklaart ook dat derden in geen enkel stadium van de planning van het project klachten hebben ingediend of bezwaar hebben gemaakt tegen de aanwijzing van ČEZ als projectontwikkelaar, ook niet in de reacties van derden op het inleidingsbesluit.

4.4.   Standpunt van Tsjechië over het effect van het project op het handelsverkeer en de mededinging

4.4.1.   Mogelijke prijsmanipulatie en achterhouden van capaciteit door ČEZ

(259)

In reactie op de twijfels die de Commissie in het inleidingsbesluit heeft geuit over de mogelijke achterhouding van capaciteit door ČEZ, hebben de Tsjechische autoriteiten uitgelegd dat de ČEZ-groep noch economische prikkels zal hebben, noch in staat zal zijn om de groothandelsprijzen op te drijven door de productie van EDU II te beperken.

(260)

Ten eerste stellen de Tsjechische autoriteiten dat de bestuursstructuur van het project waarborgt dat EDU II onafhankelijk is van de ČEZ-groep; het vermogen van ČEZ om zich op oneigenlijke wijze te mengen in de dagelijkse activiteiten van de kerncentrale wordt dus daadwerkelijk beperkt.

(261)

Ten tweede zal de inbedrijfstelling van EDU II volgens het verslag van Oxera (132)“een klein maar merkbaar effect hebben op de Tsjechische elektriciteitsprijs”. Uit de prognoses in dit verslag blijkt dat de Tsjechische elektriciteitsprijzen door de inbedrijfstelling van EDU II tussen 2040 en 2050 met ongeveer 2 EUR/MWh zouden worden verlaagd (overweging 170). Op grond hiervan schatten de Tsjechische autoriteiten dat indien EDU II gedurende een jaar volledig offline zou gaan, dit zou leiden tot een verlies aan inkomsten van in totaal ongeveer 450 miljoen EUR voor EDU II (133), terwijl ČEZ slechts ongeveer 17 miljoen EUR aan extra inkomsten zou genereren uit de verkoop van het niet-afgedekte deel van de productie voor het volgende jaar (134), wat zou leiden tot een aanzienlijk financieel verlies voor de ČEZ-groep.

Figuur 3

Verschil in groothandelsprijzen voor elektriciteit in Tsjechië bij feitelijke en nulscenario’s (2030-2050)

Image 6

(262)

Ten derde hebben de Tsjechische autoriteiten uitgelegd dat, hoewel een kleine vermindering van de productie theoretisch mogelijk is voor EDU II (135), een dergelijke verandering waarschijnlijk niet zal leiden tot een betekenisvolle stijging van de elektriciteitsprijzen, gezien de onderlinge verwevenheid van de energiemarkten in Europa. De elektriciteitsmarkt van Tsjechië is met name nauw verbonden met die van zijn directe buurlanden Oostenrijk, Duitsland, Polen en Slowakije. Tsjechië beweert dat het project tussen 2030 en 2050 geen of slechts zeer beperkte gevolgen zal hebben voor de prijsvorming in Tsjechië. Het schat dat de marktprijs van elektriciteit voor de onderling verbonden regio in feite wordt vastgesteld op basis van de elektriciteitsprijzen voor energie die buiten Tsjechië wordt opgewekt (tot 98 % van het aantal geproduceerde uren is afkomstig van buitenlandse producenten). In de binnen Tsjechië opgewekte energie zou worden voorzien door aardgas en bruinkool, en in toenemende mate door hernieuwbare energiebronnen. Deze in Tsjechië aanwezige technologieën zouden slechts gedurende een klein aantal uren prijsbepalend zijn.

(263)

De Tsjechische autoriteiten voeren verder aan dat ČEZ zou worden benadeeld als het SPV EDU II zou opdragen de productie te beperken — zelfs om geldige redenen, zoals systeembalancering — aangezien een dergelijke beperking zou leiden tot lagere kasstromen voor ČEZ. Tsjechië stelt hoe dan ook dat kerncentrales, zodra zij operationeel zijn, lage marginale exploitatiekosten hebben en niet goed zijn toegerust om hun productievolumes in hoge mate te moduleren.

(264)

Ten vierde hebben de Tsjechische autoriteiten erop gewezen dat het zowel voor EDU II als voor de ČEZ-groep economisch gezien logisch is om de kerncentrale altijd zoveel mogelijk te laten produceren, omdat EDU II alleen inkomsten krijgt uit geleverde elektriciteit (136). De Tsjechische autoriteiten verwijzen hierbij naar het verslag van Oxera, dat stelt: “Elke vermindering van de productie van EDU II zal leiden tot een verlies van kasstromen en potentiële financiële problemen voor EDU II, gezien de geringe winstmarge waarover het project beschikt bij de thans voorgestelde PPA-prijs van 50 EUR/MWh.” (137) Zij hebben verder uitgelegd dat de operationele marge van EDU II gemiddeld [40 tot 50] % bedraagt, die daalt tot 6 % zodra de kosten en de aflossing van de staatslening worden meegerekend. Een vermindering van de belastingsfactor van de verwachte [75 tot 100] % naar minder dan [70 tot 90] % zou leiden tot een verlies aan beschikbare middelen voor het aflossen van de schuld en zou ertoe kunnen leiden dat EDU II de staatslening niet kan terugbetalen. Een vermindering tot minder dan [40 tot 60] % zou ertoe leiden dat de kasstromen niet toereikend zijn om de exploitatiekosten te dekken.

(265)

Met betrekking tot de twijfels van de Commissie over mogelijke prijsmanipulatie door ČEZ die in het inleidingsbesluit werden geuit, hebben de Tsjechische autoriteiten toegelicht dat het marktaandeel van ČEZ in Tsjechië en naburige landen slechts marginaal zal toenemen met de geïnstalleerde en inzetbare productiecapaciteit van EDU II en een beperkt effect zal hebben op de marktmacht van ČEZ. De Tsjechische autoriteiten hebben verder uitgelegd dat de toename van het marktaandeel door de investering in kernenergie in het kader van het project zal worden gecompenseerd door een daling van het marktaandeel ten gevolge van lagere investeringen in kolengestookte centrales en de geplande ontmanteling van bestaande kerncentrales. Tsjechië voert aan dat het SPV hoe dan ook specifiek is ontworpen om mogelijke verstoringen van de mededinging te voorkomen.

(266)

Tsjechië betwist ook dat de relevante markt alleen Tsjechië zou omvatten. Vanwege de huidige invoering van marktkoppelingsmechanismen en de doelstelling om Europa koolstofvrij te maken door de integratie van hernieuwbare energiebronnen, zal de interconnectiviteit van de elektriciteitssystemen in de lidstaten naar verwachting toenemen, aldus Tsjechië (138). Ook moet rekening worden gehouden met de mogelijke toekomstige herziening van biedzones en de mogelijkheid van grensoverschrijdende samenvoeging van biedzones. Tsjechië concludeert derhalve dat de relevante markt breder is dan Tsjechië, wat de volgende implicaties heeft voor de marktaandelen van ČEZ:

(267)

De Tsjechische autoriteiten voeren met name aan dat de capaciteit die door EDU II zal worden gegenereerd geen aanzienlijke gevolgen zal hebben voor de marktmacht van de ČEZ-groep in Tsjechië (139). Meer specifiek schatten zij dat de inzetbare productiecapaciteit van EDU II in 2040 slechts 4 % van de Tsjechische markt en ongeveer 0,8 % van de voor het project relevante geografische markt zal vormen (140). Volgens Tsjechië is het verwachte marktaandeel van de ČEZ-groep voor de periode 2030-2050 aanzienlijk gedaald en zou het marktaandeel van de groep als EDU II operationeel wordt, in Tsjechië en op de relevante geografische markt slechts met respectievelijk 4,08 %/0,76 % (in 2040) en 6,97 %/0,76 % (in 2050) toenemen. Een dergelijke toename van het marktaandeel van de groep op basis van de capaciteit van EDU II zal naar verwachting geen wezenlijk effect hebben op de marktmacht van de groep in Tsjechië of de naburige markten.

Tabel 5

Marktaandeel van ČEZ in termen van geïnstalleerde inzetbare productiecapaciteit (2020-2050), feitelijk scenario

Image 7

Tabel 6

Raming van het toekomstige marktaandeel van ČEZ op het gebied van productie volgens Tsjechië

Image 8

(268)

Daarnaast hebben de Tsjechische autoriteiten aangevoerd dat de belangrijkste strategische doelstelling van de ČEZ-groep het efficiënte beheer van kerncentrales, bruinkoolwinning en steenkoolcentrales is. De kolencentrales (die in 2019 goed waren voor 45 % van de geïnstalleerde capaciteit in GW en 39 % van de totale geproduceerde elektriciteit in TWh) zullen echter geleidelijk worden uitgefaseerd overeenkomstig de decarbonisatievereisten van de EU. ČEZ streeft ernaar tegen 2050 koolstofneutraal te zijn en is van plan de capaciteit van kolengestookte centrales met bijna de helft te verminderen, tot 3 GW in 2025 en tot 2 GW in 2030. In Tsjechië is steenkool momenteel goed voor ongeveer de helft van de elektriciteitsproductie; deze zal gedeeltelijk worden vervangen door kernenergie en, in mindere mate, hernieuwbare energiebronnen (141).

Tabel 7

Aandeel van verschillende brandstoffen in de bruto-elektriciteitsproductie in Tsjechië

Image 9

(269)

Als gevolg van de emissiereductiedoelstellingen zullen in Tsjechië nieuwe investeringen in kernenergie, hernieuwbare energiebronnen en energieproductie uit aardgas nodig zijn om de capaciteitskloof te dichten (142). De energiewinning uit steenkool en bruinkool zal naar verwachting in 2037 volledig zijn uitgefaseerd, wat neerkomt op een capaciteitsvermindering van ongeveer 6,5 GW (143).

(270)

De Tsjechische autoriteiten hebben uitgelegd dat EDU II een belangrijke rol speelt bij de verwezenlijking van de emissiereductiedoelstellingen van de Tsjechische regering en tegelijkertijd bijdraagt tot de noodzakelijke voorzieningszekerheid in Tsjechië. De nieuwe kerncentrales zijn bedoeld als vervanging voor een deel van de huidige productie uit bruinkool en steenkool, alsook van de kernreactoren die in de periode 2045-2047 op de locatie Dukovany uit bedrijf moeten worden genomen (144). Tsjechië stelt tevens dat het project niet dient als vervanging voor de investering in de productie van onshore-windenergie. In de scenario’s met en zonder het project zou tussen 2030 en 2050 dezelfde capaciteit voor de productie uit windenergie worden geïnstalleerd, hoewel de installatie iets later zou plaatsvinden als het project zou doorgaan.

Figuur 4

Netto productiecapaciteit in het referentiescenario voor elk jaar en elke technologie

Image 10

Bron:

Tsjechische autoriteiten.

(271)

Ten zesde voert Tsjechië aan dat vanwege de verplichting van ČEZ onder de afnameovereenkomst om de volledige productie van EDU II aan het SPV te verkopen en de Tsjechische toezeggingen met betrekking tot de verkoop van de door de kerncentrale tijdens haar levensduur geproduceerde elektriciteit (zie punt 3.6.4), een eventuele toename van de productiecapaciteit als gevolg van deze investering naar verwachting niet zal leiden tot een toename van de beschikbare elektriciteit die aan de afnemers van ČEZ kan worden verkocht.

(272)

Tot slot voert Tsjechië aan dat de mate van onmisbaarheid (“pivotality”) van ČEZ (145) volgens de Residual Supply Index (RSI), een index die vaak wordt gebruikt om te beoordelen of een producent onafhankelijk van zijn concurrenten kan handelen, in de toekomst aanzienlijk zou afnemen:

Figuur 5

De onmisbaarheid van ČEZ op basis van de RSI volgens Tsjechië

Image 11

4.4.2.   Rol van het SPV op de markt

(273)

Wat de rol van het SPV op de markt betreft, hebben de Tsjechische autoriteiten verklaard dat de commerciële afspraken omtrent het SPV bewust open en flexibel zijn gelaten, zodat het ontwerp ervan kan worden aangepast om mogelijke marktverstoringen te voorkomen.

(274)

Tsjechië heeft duidelijk gemaakt dat het SPV volledig onafhankelijk zal zijn van EDU II en de ČEZ-groep en een eigen bestuurs- en beheersstructuur zal hebben. Transacties met EDU II (en ČEZ, waar van toepassing) zullen onder marktconforme voorwaarden plaatsvinden. De Tsjechische autoriteiten hebben opgemerkt dat dankzij deze governancestructuur de besluitvorming over de handelsstrategie, waarvoor het SPV verantwoordelijk is en die van invloed is op de mededinging en de handel op de elektriciteitsmarkten, wordt gescheiden van de ontwikkeling en de exploitatie van de kerncentrale, waarvoor EDU II verantwoordelijk is.

(275)

De Tsjechische autoriteiten hebben voorts duidelijk gemaakt dat er een verschil bestaat tussen de door het project voorgestelde aanpak van het SPV en de maatregelen die in andere zaken betreffende kerncentrales waren overeengekomen met betrekking tot de commerciële structuur van de kerncentrale en de afname van de stroom. De Tsjechische autoriteiten hebben uitgelegd dat het vernieuwende aspect van het SPV, vergeleken met die andere gevallen, bestaat uit de oprichting van een afzonderlijke entiteit die onafhankelijk is van de exploitant van de kerncentrale. EDU II zal de eigenaar zijn van de kerncentrale en deze exploiteren, maar uitsluitend over een vergunning beschikken om elektriciteit op te wekken. De door EDU II opgewekte stroom zal volledig worden afgenomen door het SPV, dat zal beschikken over een vergunning voor de handel in elektriciteit. Het SPV zal de productie van EDU II op de groothandelsmarkt verkopen en als stroomhandelaar ook fungeren als balanceringsverantwoordelijke partij (“BRP”) ten opzichte van de Tsjechische marktbeheerder, OTE. Bijgevolg zal EDU II geen stroom aan andere marktdeelnemers verkopen (afgezien van het SPV) en zal het niet onder marktvoorwaarden opereren. De Tsjechische autoriteiten benadrukken dat deze structuur tot doel heeft het risico van mogelijke marktverstoringen door de uitoefening van marktmacht te beperken.

Tabel 8

Vergelijking van de commerciële structuur van EDU II (in de onderstaande tabel “Dukovany II” genoemd), HPC en Paks II

Image 12

Bron:

Tsjechische autoriteiten.

(276)

De Tsjechische autoriteiten hebben verder uitgelegd dat het SPV voornemens is zijn eigen handelsafdeling en -activiteiten op te zetten, maar dat, indien dit geschikter en kosteneffectiever wordt geacht, het SPV kan overwegen een openbare aanbesteding te houden om de handelsfunctie in de toekomst uit te besteden.

(277)

Bovendien hebben de Tsjechische autoriteiten aangegeven dat het SPV een strategie voor risicobeperking zal vaststellen, met als doel negatieve gevolgen voor de markt te voorkomen. Met name zal het beoogde commerciële model naar verwachting stimulansen bieden om ervoor te zorgen dat de elektriciteitsverkopen van het SPV de Tsjechische staat maximale opbrengsten opleveren, en bijgevolg dat de steun die naar het project vloeit tot een minimum wordt beperkt. Wat de handelsstrategie betreft, zal het SPV voornamelijk actief zijn op de Tsjechische groothandelsmarkt voor elektriciteit, met dien verstande dat er binnen de regio sprake is van een hoge mate van onderlinge verbondenheid en er een koppeling met de day-aheadmarkten van de buurlanden bestaat. Aangezien deze markten naar verwachting zullen groeien en de liquiditeitsniveaus in de toekomst naar verwachting zullen toenemen, met name vanwege het feit dat in juni 2021 de day-aheadmarkten in de regio’s Duitsland-Polen-Oostenrijk en Tsjechië-Hongarije-Slowakije-Roemenië volledig aan elkaar werden gekoppeld, zal de handelsstrategie regelmatig worden beoordeeld om deze af te stemmen op de meest recente marktomstandigheden. De uiteindelijke handelsstrategie, die gebaseerd zal zijn op een transparante aanpak waarbij risico’s tot een minimum worden beperkt, zal naar verwachting na 2030 worden goedgekeurd.

(278)

In de loop van het formele onderzoek heeft Tsjechië besloten toezeggingen te doen inzake de handel in kernenergie (zoals beschreven in de overwegingen 112 tot en met 119).

5.   OPMERKINGEN VAN DERDEN

(279)

De Commissie heeft gedurende de raadpleging over het inleidingsbesluit, die tot en met 5 september liep, opmerkingen ontvangen van 18 respondenten. Opgemerkt moet worden dat de meeste derden die opmerkingen indienden (namelijk 12 van de 18) het project ondersteunen. Hieronder volgt een samenvatting van de opmerkingen die relevant zijn voor de toetsing aan de staatssteunregels.

(280)

Er werden opmerkingen ontvangen van lidstaten, ondernemingen, verenigingen en niet-gouvernementele organisaties (“ngo’s”). De opmerkingen van derden worden behandeld in de relevante onderdelen van de beoordeling zonder specifieke verwijzing naar de desbetreffende opmerking.

(281)

De opmerkingen van derden zullen per onderwerp worden beschreven.

5.1.   Opmerkingen over het bestaan van steun

(282)

Er werden geen opmerkingen over het bestaan van steun ontvangen.

5.2.   Opmerkingen over de verenigbaarheid van de steun

5.2.1.   Opmerkingen over de geschiktheid van de maatregel

(283)

Twee derde partijen herhalen dat zij achter de bezwaren staan die de Commissie in het inleidingsbesluit heeft geuit in verband met de geschiktheid van de maatregel.

(284)

Daarnaast stelt één respondent dat de huidige ontwikkelingen op de Europese elektriciteitsmarkt en de toekomstige gevolgen daarvan nog niet kunnen worden ingeschat. Derhalve zou het zeer moeilijk zijn om de geschiktheid van de maatregel concreet te beoordelen.

(285)

Daarnaast geven veel respondenten aan dat zij de zorgen van de Commissie over de geschiktheid van de maatregel niet delen. Volgens hen is de voorgestelde maatregel geschikt omdat deze bestaat uit een passende combinatie van instrumenten om de beoogde doelstellingen van het project te verwezenlijken; tegelijkertijd wordt gewaarborgd dat er geen minder verstorende beleidsmaatregelen of instrumenten zijn waarmee dezelfde resultaten kunnen worden bereikt. Daarnaast hebben sommige derden aangevoerd dat de onderdelen van de maatregel (namelijk de afnameovereenkomst, de lening en de bescherming tegen wetswijzigingen) onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en noodzakelijk om de voor het project relevante tekortkomingen van de markt aan te pakken.

(286)

Bovendien merken sommige respondenten op dat in het definitieve besluit van de Commissie in de zaak Hinkley Point C een soortgelijke combinatie van maatregelen (d.w.z. een contract ter verrekening van verschillen, een staatsgarantie en een beschermingsmechanisme tegen potentieel schadelijke politieke besluiten) werd goedgekeurd en dat het risico voor de projectontwikkelaar vergelijkbaar was.

5.2.2.   Opmerkingen over de evenredigheid van de maatregel

(287)

Twee derde partijen herhalen dat zij achter de bezwaren staan die de Commissie in het inleidingsbesluit heeft geuit in verband met de evenredigheid van de maatregel.

(288)

Daarnaast stelt één respondent dat de huidige ontwikkelingen op de Europese elektriciteitsmarkt en de toekomstige gevolgen daarvan nog niet kunnen worden ingeschat. Derhalve zou het zeer moeilijk zijn om de evenredigheid van de maatregel concreet te beoordelen.

(289)

Aan de andere kant hebben veel derden geantwoord dat zij het niet eens zijn met de bezwaren van de Commissie met betrekking tot de evenredigheid van de maatregel. Volgens hen is de voorgestelde maatregel evenredig.

(290)

Verschillende respondenten hebben aangevoerd dat de aannamen die zijn gebruikt om het rendement van het project te ramen een correcte afspiegeling vormen van de risicoblootstelling van ČEZ en het door de begunstigde gedragen risico.

(291)

Bovendien werd in enkele opmerkingen aan de Commissie gesteld dat de voorgestelde periodieke evaluatie van de uitoefenprijs in de afnameovereenkomst op basis van marktevaluaties een toereikend automatisch correctiemechanisme vormt om overcompensatie te voorkomen en voldoende financiële prikkels biedt aan zowel EDU II als het SPV om de productie te maximaliseren en rendabele handelscontracten te sluiten.

(292)

Eén derde partij merkt op dat de voorgestelde duur van de afnameovereenkomst (namelijk zestig jaar, samenvallend met de exploitatieperiode van de centrale (volgens de WKE een duur van dertig jaar, die meermaals met tien jaar kan worden verlengd, mede na herbeoordeling van de evenredigheid van de door het Ministerie van Handel en Industrie gereguleerde uitoefenprijs), is vastgesteld om rekening te houden met de specifieke technische, wettelijke en financieringsvoorwaarden.

5.2.3.   Opmerkingen over de noodzaak van overheidsmaatregelen

(293)

Eén respondent merkt op dat de energievoorziening ook kan worden gegarandeerd met goedkopere technologieën en voert aan dat subsidies voor kernenergie de uitbreiding van andere goedkopere, snellere en klimaatvriendelijkere technologieën kunnen vertragen. Bovendien zou de productie van elektriciteit door kerncentrales volgens deze respondent niet mogen worden gesubsidieerd omdat deze technologie reeds volwassen is en niet rendabel.

(294)

De Commissie heeft één opmerking ontvangen waarin erop wordt gewezen dat overheidsmaatregelen voor de productie van elektriciteit door kerncentrales niet gerechtvaardigd zijn gelet op recente marktontwikkelingen. Deze respondent stelt met name dat de hoge elektriciteitsprijzen als gevolg van de recente marktturbulentie de komende decennia op een hoog niveau zullen blijven en dat de steun voor de maatregel als gevolg daarvan de doelstelling om lagere elektriciteitsprijzen op de markt te waarborgen, niet zal dienen.

(295)

In een van de opmerkingen wordt erop gewezen dat Tsjechië voor 2030 zou kunnen investeren in de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen en zo 5,3 TWh zou kunnen genereren met nieuwe windmolenparken en 4,9 TWh met nieuwe fotovoltaïsche installaties, in plaats van de ontwikkeling van de kerncentrale van Dukovany te bevorderen. Daarnaast voert de respondent aan dat de ontwikkeling van wind- en zonne-energie veel minder staatssteun vergt dan kernenergie.

(296)

In tegenstelling tot bovenstaande opmerkingen hebben verschillende derden aangevoerd dat overheidssteun noodzakelijk is om de doelstellingen van de maatregel te verwezenlijken.

(297)

Sommige respondenten hebben opgemerkt dat het zonder de betrokkenheid van de staat niet haalbaar zou zijn een project voor een nieuwe kerncentrale uit te voeren op de huidige Europese elektriciteitsmarkt. Voorts voerden zij aan dat als gevolg van bestaande tekortkomingen van de markt (de omvang van het vereiste kapitaal, volatiliteit van de marktprijzen op lange termijn en het risico van wijzigingen in wet- en regelgeving en beleid) en de hoge mate van onzekerheid rond kernenergieprojecten, particuliere investeerders worden afgeschrikt, zodat overheidsmaatregelen noodzakelijk zijn om investeringen in koolstofarme kerncentrales te waarborgen.

(298)

Daarnaast hebben sommige derden erop gewezen dat de recente volatiliteit op de energiemarkten aantoont dat staatssteunregelingen nodig zijn om de verstoringen op de markt te compenseren. Daarnaast merken deze respondenten op dat de marktomstandigheden niet bevorderlijk zijn voor de ontwikkeling van grootschalige energie-infrastructuurprojecten.

(299)

Eén respondent voert aan dat nieuwe kernenergieprojecten moeten worden bekeken vanuit het nieuwe perspectief van voorzieningszekerheid en derhalve prioriteit moeten krijgen, gezien hun potentieel om de afhankelijkheid van Russische invoer te verminderen. Deze respondent merkt verder op dat de recente opname van kernenergie in de EU-taxonomie voor duurzame financiering een belangrijke stap vormt om de weg vrij te maken voor de verdere ontwikkeling van kernenergie.

5.2.4.   Opmerkingen over de selectie van ČEZ

(300)

Bepaalde derden geven in hun opmerkingen uitdrukkelijk aan dat zij de zorgen van de Commissie over de selectie van ČEZ zonder aanbesteding of raadpleging niet delen. Om redenen van staatsveiligheid en energiezekerheid, alsook om andere redenen (zoals de deskundigheid, knowhow en efficiëntie van een bestaande exploitant), achten deze partijen het volledig gerechtvaardigd om een door de overheid gecontroleerd energiebedrijf aan te wijzen om een complexe taak uit te voeren, zoals de bouw en exploitatie van een nieuwe kerncentrale, waarbij zij erop wijzen dat dit past in de bredere internationale praktijk.

(301)

Geen enkele concurrent of andere derde partij heeft bezwaar gemaakt tegen de keuze van ČEZ als projectontwikkelaar.

5.2.5.   Opmerkingen over mogelijke buitensporige verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten

(302)

Eén respondent herhaalt in zijn opmerkingen dat hij achter de bezwaren staat die de Commissie in het inleidingsbesluit heeft geuit in verband met mogelijke verstoringen van de mededinging op de markt. Hij is van mening dat de productie van elektriciteit op basis van nucleaire technologie overgesubsidieerd wordt en daardoor niet concurrerend is, en stelt dat subsidiëring ervan zal leiden tot aanzienlijke verstoringen van de mededinging op de markt.

(303)

Anderzijds hebben verschillende andere derden opgemerkt dat het risico dat de maatregel de mededinging op de markt zal vervalsen of dreigen te vervalsen, beperkt is.

(304)

Sommige respondenten voeren aan dat de SPV-constructie een beperkte impact op de markt kan hebben, aangezien ČEZ en EDU II twee afzonderlijke economische entiteiten zijn die volledig onafhankelijk van elkaar zullen zijn. Bovendien zal er volgens hen weinig ruimte zijn voor marktmanipulatie.

(305)

Eén respondent wijst erop dat ČEZ beschikt over een groot aantal steenkolencentrales die naar verwachting in de jaren 2030 uit bedrijf zullen worden genomen, en dat de vier bestaande reactoren op de locatie Dukovany naar verwachting tussen 2045 en 2047 zullen worden stilgelegd. Op basis hiervan voert hij aan dat het marktaandeel van ČEZ op het gebied van elektriciteitsproductie niet aanzienlijk zal toenemen.

(306)

Daarnaast wijst een derde erop dat het risico van manipulatie niet groot lijkt wanneer de marktprijzen hoger zijn dan de aankoopprijs voorzien in de afnameovereenkomst, waardoor de ČEZ-groep een economische prikkel zou kunnen hebben om de productie van EDU II te verlagen, zodat andere centrales meer energie kunnen verkopen tegen hogere marktprijzen. EDU II zal immers ingesteld zijn op een hoge belastingsfactor (90 %) en EDU II wordt economisch gestimuleerd om zijn volledige beschikbare productie op de markt aan te bieden om ervoor te zorgen dat het zijn vergoedingen krijgt en zijn schulden kan aflossen. Daarnaast bestaat er een scheiding tussen de ČEZ-groep en EDU II. Bovendien is marktmanipulatie verboden op grond van de Remit-verordening.

(307)

Voorts heeft een derde aangevoerd dat het doel van de kerncentrale in Dukovany is om nieuwe capaciteit te creëren en het productietekort in de elektriciteitssector op te vangen dat in de periode 2030-2040 wordt verwacht, wat zal leiden tot positieve effecten op de voorzieningszekerheid en diversificatie van de voorziening voor buurlanden. Volgens hem wegen deze positieve effecten dan ook zwaarder dan de eventuele negatieve gevolgen van de maatregel.

(308)

Ten slotte heeft een derde opgemerkt dat bij de beoordeling van eventuele vermeende gevolgen voor de mededinging rekening moet worden gehouden met het feit dat er geen echt gelijk speelveld in de energiesector bestaat, omdat nieuwe productiecapaciteit zelden uitsluitend op marktvoorwaarden wordt ontwikkeld. Deze derde wijst erop dat hernieuwbare energiebronnen bijvoorbeeld niet alleen profiteren van directe steunregelingen, maar ook van diverse maatregelen die zijn ingevoerd in het kader van de Europese Green Deal en de REPowerEU-pakketten.

5.2.6.   Opmerkingen over strijdigheid met het EU-recht

(309)

Eén derde heeft aangevoerd dat het gebruik van kernenergie voor de productie van elektriciteit in strijd is met het beginsel dat de vervuiler betaalt en het voorzorgsbeginsel van artikel 191 VWEU.

(310)

Daarnaast hebben twee andere derden opgemerkt dat het beginsel “de vervuiler betaalt” niet door het project wordt gewaarborgd omdat de maatregel geen rekening houdt met het beheer van de verbruikte splijtstof, wat de vraag oproept of er aan het einde van de geraamde nuttige levensduur van de kerncentrale voldoende middelen beschikbaar zullen zijn voor het beheer en de afvoer van het radioactieve afval. Deze respondenten waren voorts van mening dat, tenzij het momenteel toegepaste systeem van vergoedingen die aan het nationaal kernenergiefonds worden betaald aanzienlijk wordt aangepast, deze middelen niet beschikbaar zullen zijn, waardoor het beginsel dat de vervuiler betaalt niet in acht zal worden genomen.

(311)

De Commissie heeft opmerkingen ontvangen van een andere respondent die aanvoert dat publieke uitlatingen van Tsjechische functionarissen erop wijzen dat zij zullen proberen de taxonomievoorwaarden met betrekking tot de inbedrijfname van een diepgelegen opslagplaats voor hoogradioactief afval tegen 2050 te wijzigen of het gebruik daarvan uit te stellen.

(312)

Anderzijds hebben sommige respondenten aangevoerd dat de maatregel niet in strijd is met het EU-recht.

5.2.7.   Opmerkingen over de voorzieningszekerheid

(313)

Twee respondenten hebben opgemerkt dat kernenergie vanuit het oogpunt van de voorzieningszekerheid geen voordelen biedt ten opzichte van andere energiebronnen en wijzen erop dat de beschikbaarheid van uranium en thorium beperkt is en dat de EU sterk afhankelijk is van de invoer ervan.

(314)

Een andere derde voerde evenwel aan dat kernenergie maar beperkt afhankelijk is van invoer, en stelde dat de grondstoffen maximaal 10 % van de productiekosten uitmaken en dat de internationale uraniummarkt goed gereguleerd en stabiel is.

(315)

Daarnaast zijn er bij de Commissie veel opmerkingen ingediend waarin steun wordt uitgesproken voor de maatregel uit bezorgdheid over de voorzieningszekerheid, de decarbonisatie, de betaalbaarheid van energie en de marktontwikkelingen in verband met de Russische invasie van Oekraïne. Deze respondenten merken met name op dat kernreactoren de beste technologie vormen om koolstofneutraliteit te bereiken en tegelijkertijd de voorzieningszekerheid van de EU te waarborgen. Daarnaast wijzen zij erop dat kernenergie ook een stabiele en controleerbare manier van energieopwekking is, dat een betrouwbaar beheer van het elektriciteitsnet mogelijk maakt en bijdraagt tot een hoge voorzieningszekerheid.

(316)

Verscheidene opmerkingen hadden betrekking op de ontwikkeling van kernenergieprojecten in verschillende delen van de EU om de doelstellingen van de EU op het gebied van klimaatverandering te verwezenlijken en de voorzieningszekerheid te waarborgen met een stabiele, betrouwbare, duurzame, koolstofarme en concurrerende vorm van energie.

(317)

Veel opmerkingen hadden betrekking op de geopolitieke context (waaronder verstoringen van de olie- en gasvoorziening en prijsvolatiliteit) en het belang van voorzieningszekerheid om de energieafhankelijkheid van de EU van Rusland verder te kunnen verminderen. Een andere derde merkte op dat de Russische agressie tegen Oekraïne duidelijk maakt dat kernenergie noodzakelijk is om onafhankelijk te worden van de invoer van brandstof uit Rusland.

5.2.8.   Overige opmerkingen van derden

(318)

Bij de Commissie werden opmerkingen ingediend die betrekking hebben op de veiligheids- en beveiligingsaspecten. Sommige respondenten uitten hun bezorgdheid over het veilige en duurzame beheer van hoogradioactief afval in het algemeen. Daarnaast wezen zij op het potentiële gevaar van kerncentrales in gewapende conflicten en op de risico’s van grote nucleaire ongevallen. In sommige opmerkingen wordt gesteld dat de huidige situatie in Oekraïne aantoont dat kerncentrales extra veiligheids- en beveiligingsrisico’s met zich meebrengen.

(319)

Daarnaast hebben sommige respondenten erop gewezen dat kerncentrales vanwege de grote vraag naar koelwater zeer gevoelig zijn voor stijgende temperaturen. Zij voeren verder aan dat de rivier Jihlava te weinig water levert om extra, nieuwe elektriciteitscentrales in Dukovany op betrouwbare wijze van koelwater te voorzien, en merken op dat dit al werd erkend tijdens de planning van het Tsjechoslowaakse nucleaire programma, wat leidde tot een beperking van het vermogen van de op deze locatie geïnstalleerde reactoren. Vanwege de klimaatverandering verwachten sommige derden dat de exploitatie van de nieuwe kerncentrale niet zo stabiel zal zijn als gepland en dat het gebruik ervan niet de geplande niveaus zal bereiken.

(320)

In sommige opmerkingen wordt bezorgdheid geuit over de watervoorziening voor de nieuwe kerncentrale en met name over de gevolgen ervan voor de rivier Jihlava. Ook wordt gesteld dat er momenteel geen beheersplan voor het gebruik en de bescherming van water is.

(321)

Twee derden tonen zich bezorgd dat het project niet volgens schema zal worden voltooid, aangezien de drie potentiële technologieleveranciers vanuit technisch oogpunt mogelijk niet klaar zijn om in Europa te opereren, wat tot vertragingen zou kunnen leiden. De respondenten zijn van mening dat dit economische gevolgen kan hebben, alsook gevolgen voor het milieu en de klimaatbescherming. Ook wijzen zij op de kostenstijgingen die gebruikelijk zijn bij nieuwbouwprojecten op het gebied van kernenergie.

(322)

Eén respondent bekritiseerde het gebrek aan transparantie bij de voorbereiding van het project voor de nieuwe reactor en verwees daarbij naar de Tsjechische tak van Transparency International, die vraagtekens heeft geplaatst bij de transparantie van het project (146). Deze derde vermeldt met name dat het Tsjechische Ministerie van Handel en Industrie na diens verzoek om toegang tot documenten heeft geweigerd hem bepaalde documenten te verstrekken over de analyse van de investeringsmodellen voor het project en de procedures die voor de voorbereiding en uitvoering van het project zijn gevolgd.

(323)

Eén respondent stelt dat de beperkte aansprakelijkheid van de exploitant van de kerncentrale ontoereikend is om potentiële schade als gevolg van een nucleair ongeval te dekken, en wijst erop dat Tsjechië heeft geweigerd om toe te treden tot het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Wenen inzake wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade van 1997, dat een minimumniveau van aansprakelijkheid voor schade van 300 miljoen SDR (bijzondere trekkingsrechten) voorschrijft. Deze respondent voert verder aan dat er extra staatssteun voor bouw- en transmissiekosten zal moeten worden verleend, evenals voor de speciale politiebescherming van de centrale.

(324)

Volgens de opmerkingen van verschillende derden zal het project bijdragen tot verwezenlijking van de Europabrede energiedoelstellingen en de Green Deal.

(325)

Verscheidene derden hebben ook gewezen op de sociale en economische voordelen van kernenergie, met name voor de werkgelegenheid, en op de grote bijdrage die kernenergie levert aan de economieën van de EU-lidstaten. Met name op EU-niveau is de nucleaire industrie volgens een analyse van Deloitte uit 2019 goed voor meer dan 1,1 miljoen directe en indirecte banen en draagt zij meer dan een half biljoen euro bij aan het bbp (147).

6.   OPMERKINGEN VAN ČEZ

(326)

ČEZ diende zijn opmerkingen op 5 september 2022 in. In zijn opmerkingen verschaft ČEZ een aanzienlijke hoeveelheid aanvullend bewijsmateriaal en analyses ter ondersteuning van zijn stelling dat bepaalde twijfels die de Commissie in haar inleidingsbesluit heeft geuit, ongegrond zouden zijn.

(327)

De belangrijkste argumenten van ČEZ worden hieronder nader toegelicht.

6.1.   Standpunt van ČEZ over de geschiktheid van de steun

(328)

ČEZ heeft in zijn opmerkingen aangevoerd dat met de voorgestelde maatregelen passende en gerichte steun wordt geboden om de belangrijkste door de Commissie erkende tekortkomingen van de markt aan te pakken (namelijk de grote hoeveelheid benodigd kapitaal, de langdurige blootstelling aan marktprijssignalen en de langdurige blootstelling aan politieke beslissingen), en dat de drie maatregelen moeten worden beschouwd als één samenhangend steunpakket. ČEZ stelt met name dat het voorgestelde staatssteunpakket (te weten de afnameovereenkomst, de staatslening en het mechanisme voor de bescherming tegen wets- en beleidswijzigingen) als geheel geschikt is, aangezien de onderliggende risico’s niet zouden worden beperkt indien een van de maatregelen zou worden geschrapt. In een dergelijk scenario zou de levensvatbaarheid van het project worden aangetast.

(329)

ČEZ merkt verder op dat de Commissie in het verleden al vergelijkbare steunpakketten heeft goedgekeurd (zoals in het geval van Hinkley Point C).

(330)

Tot slot heeft ČEZ verklaard dat de voorgestelde maatregelen geschikt zijn om het risico van een mogelijke mislukking van het project en de daarmee gepaard gaande maatschappelijke kosten te beperken.

6.2.   Standpunt van ČEZ over bepaalde elementen van de evenredigheid van de steun

6.2.1.   Risico van overcompensatie

(331)

In reactie op de twijfels van de Commissie over het risico van overcompensatie heeft ČEZ aangevoerd dat de voorgestelde maatregelen een passend controlemechanisme voor overcompensatie omvatten waarmee een marktconform RoE kan worden gerealiseerd dat in verhouding staat tot het projectrisico. Volgens ČEZ zijn de voorgestelde mechanismen niet bedoeld om overcompensatie volledig te voorkomen, aangezien ČEZ tijdens het project met aanzienlijke risico’s kan worden geconfronteerd.

(332)

Volgens ČEZ zal de invoering van aanvullende maatregelen naast het winstdelingsmechanisme om verdere mogelijke meevallende resultaten af te romen, het evenwicht tussen meevallers en tegenvallers bij het rendement verstoren. Mogelijke aanvullende risicopremies kunnen het RoE opdrijven, waardoor de uitoefenprijs en daarmee de kosten van de staatssteun zouden stijgen.

(333)

ČEZ stelt bovendien dat overcompensatie tijdens de exploitatiefase van EDU II wordt gereguleerd via het winstdelingsmechanisme. Het voorgestelde winstdelingsmechanisme is gebaseerd op en strenger dan het eerder voor Hinkley Point C goedgekeurde mechanisme, aangezien er meer winst wordt gedeeld bij een lager rendement op eigen vermogen. Het winstdelingsmechanisme is ontworpen om bovenmatig rendement op eigen vermogen vast te stellen door de daadwerkelijke inkomsten en uitgaven van het EDU II-project en het intern rendement op eigen vermogen te volgen. Dit mechanisme meet het rendement van het project gedurende zijn gehele levensduur en zorgt ervoor dat al het bovenmatige rendement in aanmerking wordt genomen.

6.2.2.   Raming van het RoE

(334)

ČEZ heeft een vergelijkende analyse verstrekt van de risico’s en het rendement van EDU II ten opzichte van andere energie-infrastructuurprojecten (namelijk Hinkley Point C, Paks II, projecten voor conventionele onafhankelijke elektriciteitscentrales en offshore-windenergie). Uit de analyse bleek dat de passende RoE-bandbreedte voor EDU II tussen […] % en […] % zou liggen. Het merkte verder op dat de nauwkeurige vaststelling van het RoE afhankelijk is van een verdere verduidelijking van de parameters van het project, de risicoverdeling en de belangrijkste kenmerken van de overheidsmaatregelen.

(335)

Vooral als het geraamde RoE in de buurt zou komen van de bovengrens van de genoemde bandbreedte, wijst dit op een scenario waarin EDU II een onevenredig hoog risico loopt, waardoor er ook een groot risico bestaat dat het project wordt opgegeven. Omgekeerd zou een geraamd RoE dat dichter bij de ondergrens van de bandbreedte ligt, wijzen op een scenario waarin sprake is van een evenredige risicoverdeling, versterkt door een bescherming van EDU II in tegenvallende scenario’s, waardoor het risico op stopzetting van het project beperkt is.

6.3.   Standpunt van ČEZ over zijn selectie als projectsponsor

(336)

In zijn antwoord op het inleidingsbesluit heeft ČEZ uitgelegd dat het in Tsjechië over uitgebreide ervaring, capaciteiten en kennis beschikt met betrekking tot het ontwerp, de ontwikkeling, de bouw en de exploitatie van kerncentrales. De ČEZ-groep heeft met name de enige twee kerncentrales in Tsjechië, te weten de kerncentrale in Temelín en die in Dukovany, ontwikkeld en gebouwd, en ontwikkelt ook een nieuwe kerncentrale in Slowakije.

(337)

Daarnaast heeft ČEZ uitgebreide ervaring in het samenwerken met de Tsjechische autoriteit voor nucleaire veiligheid en beschikt het over een grondig inzicht in de regelgevingsvereisten voor kerncentrales. Als eigenaar en exploitant van installaties voor de opwekking van kernenergie in Tsjechië heeft ČEZ een uitstekende kennis van het geldende wetgevingskader en de vergunningsvereisten in Tsjechië.

(338)

ČEZ is actief lid van internationale organisaties, zoals de WANO, de EUR, het EPRI, de WNA en NUGENIA. Het bedrijf volgt normen en processen die door regelgevende instanties wereldwijd zijn vastgesteld en erkend om de voortdurende verbetering, de veiligheid en het gebruik van geavanceerde kennis bij de exploitatie van kerncentrales te bevorderen.

(339)

Tot slot voert ČEZ aan dat het als huidige eigenaar van de locatie en als ontwikkelaar ervoor kan zorgen dat het project tijdig en op kosteneffectieve wijze wordt uitgevoerd. Volgens de ramingen van ČEZ hebben zijn voorwerk en faciliterende activiteiten op de locatie (met inbegrip van haalbaarheidsstudies, grondaankoop enz.) ervoor gezorgd dat het tijdschema van het project met ten minste tien tot twaalf jaar is versneld en de projectkosten mogelijk met [200 tot 700] miljoen EUR zijn verminderd vergeleken met een geheel nieuw te ontwikkelen kerncentrale van een derde exploitant.

7.   REACTIE VAN TSJECHIË OP DE OPMERKINGEN VAN DERDEN

(340)

De Tsjechische autoriteiten hebben op 21 oktober 2022 gereageerd op de opmerkingen van derden.

(341)

Over het geheel genomen constateerde Tsjechië dat de meeste opmerkingen positief waren en dat de overgrote meerderheid het project steunde. Daarnaast wees Tsjechië erop dat de meeste van de aan de orde gestelde kwesties al in zijn eerdere opmerkingen waren besproken. De belangrijkste argumenten die Tsjechië heeft aangedragen in reactie op de aandachtspunten van derden, worden hieronder uiteengezet. Alleen de reacties op opmerkingen die rechtstreeks van belang zijn voor de beoordeling van de staatssteun worden besproken.

(342)

In zijn antwoord op de opmerkingen over de geschiktheid en evenredigheid van de steun verwijst Tsjechië naar zijn eerdere opmerkingen en merkt het op dat de staatssteun was ontworpen om het steunbedrag zoveel mogelijk te beperken en tegelijkertijd de haalbaarheid van het project te waarborgen.

(343)

Daarnaast geven de Tsjechische autoriteiten aan dat zij bereid zijn om bij het project te voldoen aan de technische criteria van de EU-taxonomie, met inbegrip van de aanleg van een diepe bergingsfaciliteit voor hoogradioactief afval in 2050. Tsjechië heeft specifiek toegelicht dat het in 2019 goedgekeurde nationale beleid voor het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstof zal worden bijgewerkt overeenkomstig de vereisten van de EU-taxonomie na de collegiale toetsing van het programma in het kader van de Artemis-missie van de IAEA uit hoofde van artikel 14, lid 3, van Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad van 19 juli 2011, die in het vierde kwartaal van 2023 zal plaatsvinden.

(344)

Tot slot hebben de Tsjechische autoriteiten naar aanleiding van specifieke door derden aangevoerde milieubezwaren aangevoerd dat i) kernenergiegerelateerde activiteiten koolstofarme activiteiten zijn (148) en dat de exploitatie van een kerncentrale een van de meest kosteneffectieve investeringsmogelijkheden is (149); ii) de methode die wordt gebruikt om voorzieningen voor de ontmanteling van kerncentrales te creëren in overeenstemming is met de EU-regels (150); iii) er voldoende middelen worden gereserveerd voor de toekomstige opslag van radioactief afval en verbruikte splijtstof op basis van de Tsjechische wetgeving; iv) uit de milieueffectbeoordeling van het project blijkt dat aan alle milieubezwaren, waaronder of er voldoende oppervlaktewater beschikbaar is om de kerncentrale af te koelen, is tegemoetgekomen (de Tsjechische autoriteiten hebben toegelicht dat de toereikendheid van de watervoorziening voortdurend zal worden gemonitord overeenkomstig de voorwaarden van de milieueffectbeoordeling), en v) de Tsjechische regels inzake wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade in overeenstemming zijn met het internationaal recht (151).

8.   BEOORDELING VAN DE MAATREGEL

8.1.   Het bestaan van staatssteun

(345)

Krachtens artikel 107, lid 1, VWEU zijn steunmaatregelen van staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

(346)

Een maatregel vormt staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, indien hij aan vier cumulatieve voorwaarden voldoet. Ten eerste moet de maatregel door de staat of met staatsmiddelen zijn gefinancierd. Ten tweede moet de maatregel een begunstigde een voordeel verschaffen. Ten derde moeten bepaalde ondernemingen of economische activiteiten door de maatregel worden bevoordeeld (d.w.z. er moet een zekere mate van selectiviteit zijn). Ten vierde moet de maatregel de handel tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en de mededinging op de interne markt kunnen verstoren. In punt 4.2 van het inleidingsbesluit heeft de Commissie uitgelegd dat de drie aangemelde maatregelen samen waren gepland en onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn (152). Volgens punt 81 van de mededeling van de Commissie betreffende het begrip “staatssteun” kunnen verschillende maatregelen als één enkele maatregel worden beschouwd. Dit kan onder meer het geval zijn wanneer opeenvolgende maatregelen, met name gelet op de chronologie en de doeleinden ervan alsook op de toestand waarin de onderneming zich ten tijde van die maatregelen bevond, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij onmogelijk afzonderlijk kunnen worden bezien (153). Wanneer bijvoorbeeld een reeks overheidsmaatregelen ten behoeve van dezelfde onderneming in een betrekkelijk korte tijdsspanne plaatsvinden, met elkaar verbonden zijn of alle gepland of voorzienbaar waren op het tijdstip van de eerste maatregel, kunnen zij als één maatregel worden beoordeeld.

(347)

De Commissie heeft in het inleidingsbesluit toegelicht dat alle drie de maatregelen hetzelfde voorwerp en hetzelfde doel hebben, namelijk de bouw en exploitatie van een nieuwe kerncentrale in Dukovany mogelijk maken (154). De maatregelen zijn zodanig samen gepland en door onderhandelingen tot stand gekomen dat elke maatregel rechtstreekse gevolgen heeft voor de andere, en de maatregelen gezamenlijk de financiële randvoorwaarden scheppen om de bouw en exploitatie van de centrale mogelijk te maken. Het staat buiten kijf dat de drie maatregelen worden verleend door de Tsjechische staat en dat zij chronologisch samenvallen. Meer specifiek werden alle maatregelen samen gepland (en waren dus voorzienbaar tijdens de onderhandelingen) (155). Het verlagen van de commerciële risico’s door middel van een mechanisme voor de bescherming tegen wetswijzigingen en het verlagen van de initiële kapitaalvereisten door middel van een staatslening heeft bijvoorbeeld gevolgen voor de hoeveelheid steun die nodig is voor het afnamecontract. De drie betrokken maatregelen zijn nauw met elkaar verbonden en het zou onmogelijk zijn geweest om ze van elkaar te scheiden.

(348)

Gezien het bovenstaande was de Commissie van oordeel dat de drie maatregelen samen als één enkele maatregel moesten worden onderzocht, aangezien zij van elkaar afhankelijk zijn en wederzijds versterkende effecten hebben op de uitvoering van het project. De Commissie kwam ook tot de voorlopige conclusie, die van toepassing is op de drie maatregelen tezamen, dat de interventie staatssteun vormt aangezien deze werd verleend met staatsmiddelen die toerekenbaar zijn aan de Tsjechische staat, dat door de maatregel een selectief economisch voordeel wordt verleend en dat hij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging op de interne markt kan vervalsen.

(349)

De Commissie heeft tijdens het formele onderzoek geen redenen gevonden om haar beoordeling te wijzigen.

8.1.1.   Toerekenbaarheid en bestaan van staatsmiddelen

(350)

Zoals uiteengezet in het inleidingsbesluit, heeft de Tsjechische staat besloten tot de steunmaatregelen voor dit project op basis van de WKE (zie overweging 27), de raamovereenkomst (zie overweging 190) en de eerste uitvoeringsovereenkomst (zie overwegingen 69, 183 en 380). De afnameovereenkomst bevat bovendien de verplichting voor de Tsjechische staat om een entiteit op te richten die volledig in handen is van de staat, het SPV (voor de afnameovereenkomst, zie de overwegingen 83 tot en met 93). De steunverlenende autoriteit voor alle maatregelen is de Tsjechische staat, die hiertoe wordt vertegenwoordigd door het ministerie.

(351)

De Tsjechische autoriteiten betwisten niet dat de maatregelen worden gefinancierd uit middelen die onder controle van de staat staan.

(352)

Zoals vermeld in overweging 107, bepaalt artikel 9 van de WKE dat nieuwe kerncentrales kunnen worden gefinancierd uit één of meerdere van de volgende bronnen: i) de inkomsten uit de verkoop van elektriciteit door het SPV; ii) een in de prijs begrepen heffing die door de transmissie- en distributiesysteembeheerders in rekening wordt gebracht aan gebruikers van het elektriciteitsnet, indien daartoe wordt besloten, en iii) bijdragen uit de staatsbegroting. Het is aan het ministerie om de uiteindelijke inkomstenstroom voor de financiering van de verschillende maatregelen te kiezen. De Tsjechische autoriteiten betwisten niet dat alle inkomstenstromen door de staat worden of zullen worden gecontroleerd.

(353)

Voorts is in artikel 4 van de WKE bepaald dat de staatslening uit de staatsbegroting wordt gefinancierd, en wordt toegekend door de Tsjechische Nationale Bank. Aangezien de staatslening rechtstreeks uit de staatsbegroting wordt gefinancierd en alle drie de maatregelen van elkaar afhankelijk zijn en één enkele maatregel vormen (zie overweging 348), maakt het voor het bestaan van staatsmiddelen niet uit of de eventuele (nog vast te stellen) heffing tot de verstrekking van staatsmiddelen leidt, zelfs indien maatregel 1 hiermee geheel zou worden gefinancierd. De beschikbaarstelling van meerdere miljarden euro’s uit de staatsbegroting via een staatslening tegen gunstige financiële voorwaarden vormt op zichzelf al voldoende bewijs dat voor de maatregel als geheel gebruik wordt gemaakt van staatsmiddelen. Dit wordt nog versterkt door de maatregel voor de bescherming tegen wets- en beleidswijzigingen, die voorziet in rechtsbescherming voor het project, waarbij tegen de staat uitoefenbare rechten met financiële waarde worden toegekend, die rechtstreekse gevolgen hebben voor de staatsmiddelen indien zij worden uitgeoefend.

(354)

Op basis van het bovenstaande concludeert de Commissie dat de maatregel met staatsmiddelen wordt bekostigd en aan de staat kan worden toegerekend in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.

8.1.2.   Selectief economisch voordeel

(355)

Een maatregel wordt als selectief beschouwd als hij alleen bepaalde ondernemingen of de productie van bepaalde goederen begunstigt. De Commissie herhaalt dat de betrokken maatregelen, zowel gezamenlijk als afzonderlijk, een selectief voordeel verlenen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.

(356)

Maatregel 1 (zie punt 3.6) beschermt EDU II tegen elke vorm van prijsvolatiliteit op de elektriciteitsmarkt voor de duur van de afnameovereenkomst, aangezien EDU II een stabiele vergoeding op basis van een vooraf bepaalde uitoefenprijs ontvangt, ook in situaties waarin de marktprijzen onder dat niveau dalen. Dit zorgt voor een gestage stroom van inkomsten voor EDU II gedurende de eerste veertig jaar van exploitatie van de kerncentrale, die andere producenten waaraan geen vergelijkbare steunmaatregelen zijn toegekend, niet ontvangen.

(357)

Maatregel 2 (zie punt 3.7) voorziet in een lening tegen een gunstige rentevoet die niet marktconform is. Meer specifiek zal de staatslening 100 % van de bouwkosten van de kerncentrale dekken, met inbegrip van kostenoverschrijdingen wegens legitieme gronden en kostenoverschrijdingen wegens niet-legitieme gronden die de maximale financiering van het project met eigen vermogen van ČEZ overtreffen (zie overweging 197). Voor de lening geldt tijdens de bouwfase een rentetarief van nul. Vanaf de dag van inbedrijfstelling van de kerncentrale wordt een rentetarief in rekening gebracht dat gelijkstaat aan de kosten van de staatsschuld vermeerderd met 1 %, maar in elk geval niet minder dan 2 % per jaar, over een periode van dertig jaar. De maatregel verleent de begunstigde dus een voordeel, aangezien EDU II hierdoor wordt vrijgesteld van financieringskosten die het onder normale marktvoorwaarden zelf zou moeten betalen. Andere ondernemingen, met inbegrip van ondernemingen die langetermijninvesteringen doen, krijgen geen staatsleningen onder vergelijkbare voorwaarden.

(358)

Maatregel 3 (zie punt 3.8) biedt bescherming in de vorm van kostencompensatie in geval van wets- of beleidswijzigingen of andere gebeurtenissen die als legitieme gronden kunnen worden aangemerkt, waardoor het investeringsrisico wordt verminderd en bij de staat wordt gelegd, alsook een economisch voordeel wordt verleend dat de begunstigde onder normale marktomstandigheden niet had kunnen verkrijgen en dat niet beschikbaar is voor andere marktdeelnemers.

(359)

De Commissie concludeert derhalve dat alle drie de onderzochte maatregelen individuele steun vormen en een selectief voordeel verlenen aan de ČEZ-groep, met inbegrip van haar dochteronderneming EDU II.

8.1.3.   Dreigende verstoring van de mededinging en de gevolgen voor het handelsverkeer

(360)

Zoals de Commissie in het inleidingsbesluit heeft opgemerkt, is de elektriciteitsmarkt geliberaliseerd en nemen producenten van elektriciteit actief deel aan de handel tussen lidstaten, zodat een voordeel dat wordt verleend aan de producenten van kernenergie de mededinging kan vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden. Elektriciteit uit kernenergie wordt over het algemeen verkocht op de interne markt voor elektriciteit, waar deze moet concurreren met alle bronnen van elektriciteit, ook die in andere lidstaten.

(361)

De Commissie herhaalt daarom dat het aan de begunstigde van de maatregelen 1, 2 en 3 verleende voordeel de mededinging dreigt te vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig dreigt te beïnvloeden. Aangezien alle drie de maatregelen voordelen toekennen aan de productie van elektriciteit als een concurrerende activiteit, zou die conclusie ook (weer) hetzelfde luiden als de maatregelen afzonderlijk zouden worden beoordeeld.

8.1.4.   Conclusie inzake het bestaan van steun

(362)

De Commissie concludeert derhalve dat de afnameovereenkomst, de terugvorderbare financiële steun en het mechanisme voor de bescherming tegen wets- en beleidswijzigingen, als verschillende maatregelen die onderdeel uitmaken van één enkele overheidsmaatregel, staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU behelzen.

8.2.   Rechtmatigheid van de steun

(363)

Zoals de Commissie in het inleidingsbesluit heeft opgemerkt (156), zijn de maatregelen op 15 maart 2022 bij de Commissie aangemeld en tot op heden niet ten uitvoer gelegd. De tenuitvoerlegging is bovendien afhankelijk gesteld van de goedkeuring van de maatregelen door de Commissie (zie overweging 190). De Tsjechische autoriteiten hebben daarom voldaan aan de kennisgevings- en opschortingsverplichtingen uit hoofde van artikel 108, lid 3, VWEU.

8.3.   Verenigbaarheid van de maatregelen met de interne markt

(364)

Aangezien de Commissie tot de bevinding is gekomen dat de maatregelen staatssteun inhouden, heeft zij verder onderzocht of deze als verenigbaar met de interne markt kunnen worden beschouwd.

8.3.1.   Rechtsgrondslag voor de beoordeling

(365)

De Commissie heeft de aangemelde maatregel beoordeeld op basis van artikel 107, lid 3, punt c), VWEU, dat bepaalt dat de Commissie steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken verenigbaar kan verklaren, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.

8.3.2.   Positieve voorwaarde: ontwikkeling van een bepaalde vorm van economische bedrijvigheid

8.3.2.1.   Bijdrage aan de ontwikkeling van een vorm van economische bedrijvigheid

(366)

Artikel 107, lid 3, punt c), VWEU bepaalt dat de Commissie steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken verenigbaar kan verklaren, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Bijgevolg moet steun die op grond van die bepaling van het Verdrag verenigbaar is, bijdragen tot de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid (157).

(367)

Overheidsmaatregelen kunnen noodzakelijk zijn om de ontwikkeling van bepaalde economische activiteiten te vergemakkelijken of te stimuleren die zonder die steun niet of niet in hetzelfde tempo of onder dezelfde voorwaarden zouden worden ontwikkeld.

(368)

Zoals uiteengezet in punt 2 en in punt 4.4.1 van het inleidingsbesluit, hebben de maatregelen waarop dit besluit betrekking heeft tot doel investeringen in een nieuwe kerncentrale mogelijk te maken en de exploitatie ervan gedurende een langere periode te waarborgen. Meer specifiek is de door de staat verleende steun rechtstreeks gericht op de bouw, de inbedrijfstelling en de exploitatie van de nieuwe centrale. Volgens de Tsjechische autoriteiten heeft de afnameovereenkomst tot doel te waarborgen dat de centrale elektriciteit produceert, waarmee de terugbetaling van de staatslening mogelijk wordt gemaakt (zie punt 3.6). De staatslening is noodzakelijk om de projectontwikkelaar in staat te stellen een groot deel van de investeringskosten voor het project te dekken (zie punt 3.7). De bescherming tegen wetswijzigingen is vereist om het steunbedrag dat nodig is om de uitvoering van het project mogelijk te maken, te verlagen door bepaalde risico’s te beperken die worden geacht buiten de macht van de investeerder te liggen (zie punt 3.8).

(369)

Alle drie de maatregelen beperken de belangrijkste risicofactoren waarvan sprake is bij investeringen in grote installaties voor de opwekking van kernenergie. Samen verminderen zij het totale risico van het project voor de investeerder aanzienlijk. Zoals de Tsjechische autoriteiten hebben uiteengezet, is een aantal investeringsprojecten op het gebied van kernenergie ten gevolge van die risico’s niet uitgevoerd (zie overweging 220). De maatregelen dragen dus bij tot de ontwikkeling van de elektriciteitsproductie uit kernenergie in Tsjechië.

(370)

De Commissie herinnert eraan dat het Hof van Justitie de ontwikkeling van nieuwe nucleaire capaciteit heeft erkend als een vorm van economische bedrijvigheid in de zin van artikel 107, lid 3, punt c), VWEU (158) en heeft vastgesteld dat artikel 107 VWEU kan worden toegepast op investeringen in kerncentrales (159).

(371)

De Commissie is derhalve van oordeel dat de maatregelen de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid vergemakkelijken, zoals vereist bij artikel 107, lid 3, punt c), VWEU.

8.3.2.2.   Stimulerend effect

(372)

Staatssteun kan alleen worden beschouwd als een maatregel die een economische activiteit vergemakkelijkt indien hij een stimulerend effect heeft. Er is sprake van een stimulerend effect indien de steun de begunstigde ertoe aanzet zijn gedrag te veranderen in de richting van de ontwikkeling van een met de steun nagestreefde economische bedrijvigheid en indien de gedragsverandering zonder de steun niet zou plaatsvinden.

(373)

Tsjechië heeft uitgelegd dat de investeerder zonder steun niet de nodige stimulansen zou hebben om te investeren in de ontwikkeling van nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie (160). De markt wordt gekenmerkt door een grote volatiliteit en een instabiel regelgevingsklimaat; ook de economische aspecten van kernenergie, zoals de hoge inputkosten voor investeringen, vormen een belemmering voor toetreding tot de sector. Het is onwaarschijnlijk dat investeringen in kernenergie zonder staatssteun rendabel zijn vanwege de onzekerheid over de ontwikkelingen op de elektriciteitsmarkt.

(374)

De Commissie merkt op dat het project zonder staatssteun niet zou doorgaan gelet op de huidige onzekere en snel veranderende marktomstandigheden, alsook gezien de tekortkomingen van de markt waarvan sprake is bij de ontwikkeling van kernenergie (d.w.z. de grote hoeveelheid benodigd kapitaal, de langdurige blootstelling aan marktprijssignalen en de langdurige blootstelling aan politieke beslissingen) (161).

(375)

De Commissie merkt voorts op dat zonder de steun de financieringskloof van het project niet kan worden gedicht. Dit is te wijten aan de hogere financieringskosten waar het project zonder de staatslening waarschijnlijk mee te maken zou krijgen en het ontbreken van de door de afnameovereenkomst geboden inkomstenstabiliteit. Bovendien zal de investeerder zonder overheidsmaatregelen aanzienlijke extra risico’s moeten dragen die anders door de steunmaatregelen worden beperkt, zoals het marktprijsrisico en het beleidsrisico (zie overweging 498), wat betekent dat de investeerder een verhoudingsgewijs hoger rendement zal verwachten om het project zonder steun uit te voeren.

(376)

Gezien het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat de steun een stimulerend effect heeft, aangezien hij de begunstigde ertoe aanzet een economische activiteit uit te oefenen die hij zonder de steun niet zou verrichten.

8.3.2.3.   Naleving van de relevante bepalingen van het EU-recht

(377)

Zoals uiteengezet in het inleidingsbesluit, heeft het Hof van Justitie in de zaak Hinkley Point C (162) geoordeeld dat “staatssteun die bepalingen of algemene beginselen van het Unierecht schendt, niet verenigbaar met de interne markt kan worden verklaard”. Specifiek met betrekking tot kernenergie verduidelijkte het Hof van Justitie dat in het geval van een sector die onder het Euratom-Verdrag valt “staatssteun ten behoeve van een economische bedrijvigheid in deze sector, waarvan na onderzoek blijkt dat zij in strijd is met de Unierechtelijke voorschriften op milieugebied, niet verenigbaar met de interne markt kan worden verklaard krachtens deze bepaling” (163).

(378)

Bovendien heeft het Hof van Justitie benadrukt dat secundaire wetgeving, zoals Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (164), op grond waarvan bepaalde projecten aan een milieueffectbeoordeling worden onderworpen, van toepassing is op kerncentrales en andere kernreactoren.

(379)

Het Hof heeft ook verduidelijkt dat artikel 194 VWEU inzake het energiebeleid van de Unie zich niet verzet tegen investeringen in kernenergie (165). Aangezien de keuze voor kernenergie volgens het VWEU een zaak van de lidstaten is, lijken de doelstellingen en beginselen van het Unierecht op milieugebied en de doelstellingen van het Euratom-Verdrag volgens de rechtspraak (166) niet met elkaar in tegenspraak te zijn, zodat het beginsel van bescherming van het milieu, het voorzorgsbeginsel, het beginsel dat de vervuiler betaalt en het duurzaamheidsbeginsel niet kunnen worden geacht zich in alle omstandigheden ertegen te verzetten dat staatssteun ten behoeve van de bouw of de exploitatie van een kerncentrale wordt toegekend.

(380)

Het feit dat het project en de maatregelen betrekking hebben op kernenergie maakt de maatregelen dus niet onverenigbaar met de interne markt. Tsjechië heeft gekozen voor kernenergie om zijn uitdagingen op het gebied van decarbonisatie en de toekomstige tekorten aan hulpbronnen en zorgen over de voorzieningszekerheid aan te pakken (zie punt 2.2).

(381)

De Commissie heeft geen aanwijzingen dat het project in strijd is met de bepalingen van het milieurecht. De Tsjechische autoriteiten hebben uitgelegd dat de ontwikkeling van het project werd voorafgegaan door een uitgebreid en open milieueffectbeoordelingsproces (zie overweging 78), dat werd uitgevoerd overeenkomstig de vereisten van de secundaire EU-wetgeving (167).

(382)

In de rechtspraak is bepaald dat “wanneer de Commissie de staatssteunprocedure toepast, zij op grond van de algemene structuur van het Verdrag verplicht is om de samenhang tussen de bepalingen inzake staatssteun en de specifieke bepalingen op andere gebieden dan staatssteun te eerbiedigen en dus om de verenigbaarheid van de betrokken steun met die specifieke bepalingen te beoordelen. Een dergelijke verplichting rust echter alleen op de Commissie wanneer de uitvoeringsvoorschriften voor een steunmaatregel zodanig nauw verbonden zijn met de doelstelling van de steun, dat zij niet afzonderlijk kunnen worden beoordeeld. […] Indien de uitvoeringsvoorschriften echter van de doelstelling van de steun kunnen worden losgekoppeld, is de Commissie niet gehouden om de verenigbaarheid ervan met andere bepalingen dan die inzake staatssteun te beoordelen in het kader van de procedure van artikel 108 VWEU (168).

(383)

Het Gerecht heeft in zijn arrest inzake staatssteun voor de kerncentrale Paks II bevestigd dat de Commissie niet verplicht is voor alle aspecten van een steunmaatregel of alle op de steun betrekking hebbende omstandigheden — wanneer er geen onlosmakelijk verband is met die steun — na te gaan of deze in overeenstemming zijn met het Unierecht (169). In de desbetreffende zaak merkte het Gerecht voorts op dat “[d]e omstandigheid dat een aanbestedingsprocedure wordt georganiseerd en er voor de bouw van de reactoren eventueel een andere onderneming wordt ingeschakeld, geen invloed [zou] hebben gehad op het doel van de steun […] of op de begunstigde van de steun” (170).

(384)

In het onderhavige geval is de Commissie van mening dat er geen “onlosmakelijk verband” bestaat tussen de staatssteun- en aanbestedingsaspecten, omdat deze afzonderlijk kunnen worden beoordeeld. De staatssteunmaatregelen (afnameovereenkomst, staatslening, mechanisme voor de bescherming tegen wets- en beleidswijzigingen) ondersteunen de activiteit (oprichting en exploitatie van een kerncentrale), ongeacht de wijze waarop de EAB-contractant wordt gekozen. De uitvoering van de steunmaatregelen hangt evenmin af van de exacte toepassing van de regels inzake overheidsopdrachten. Voor de hier onderzochte maatregelen wordt de uitkomst van het aanbestedingsproces (d.w.z. de investeringskosten) als input beschouwd voor het financiële model op basis waarvan de uitoefenprijs in de afnameovereenkomst wordt bepaald (171). Zelfs in het hypothetische scenario waarin die inputs zouden worden opgedreven door een onjuiste toepassing van de vereisten inzake overheidsopdrachten, zouden de onderzochte steunmaatregelen niet leiden tot extra verstoringen. Een mogelijke niet-naleving van de regels inzake overheidsopdrachten kan namelijk alleen leiden tot verstorende effecten op de markt voor de bouw van kerninstallaties en niet op de elektriciteitsmarkt. De exploitatie van de energiecentrale en de voorwaarden voor de verhandeling van elektriciteit kunnen dus los worden gezien van de aspecten die betrekking hebben op de aanbesteding van de bouw van de energiecentrale. De Commissie kan de maatregel derhalve beoordelen zonder de aanbestedingsaspecten van het EAB-contract te onderzoeken, aangezien die aspecten niet onlosmakelijk verbonden zijn met de door de steun bevorderde economische activiteit of met de vorm van die steun.

(385)

Op het gebied van energie moet elke heffing die bedoeld is om een staatssteunmaatregel te financieren en die een integrerend onderdeel uitmaakt van die maatregel, met name voldoen aan de artikelen 30 en 110 VWEU (172).

(386)

Om een heffing als een integrerend onderdeel van een steunmaatregel te kunnen aanmerken, moet er volgens vaste rechtspraak krachtens de relevante nationale regeling een dwingend bestemmingsverband bestaan tussen de heffing en de steun, in die zin dat de opbrengst van de heffing noodzakelijkerwijs voor de financiering van de steun wordt bestemd en rechtstreekse invloed heeft op de omvang van de steun en bijgevolg op de beoordeling van de verenigbaarheid van deze steun met de interne markt (173). In het bijzonder moet de betrokken heffing specifiek en uitsluitend worden toegepast met het oog op de financiering van de betrokken steun (174).

(387)

Bovendien blijkt uit de rechtspraak ook dat er geen sprake kan zijn van een dergelijk dwingend bestemmingsverband wanneer het bedrag van de toegekende steun uitsluitend aan de hand van objectieve criteria wordt bepaald, zonder enig verband met de bestemde fiscale inkomsten, en aan een absoluut wettelijk plafond is onderworpen (175). Het Hof heeft met name geoordeeld dat er geen sprake is van een dwingend bestemmingsverband wanneer de nationale regeling het steunbedrag vaststelt tussen een minimum- en een maximumwaarde, ongeacht de opbrengst van de heffing (176). Bovendien heeft het Hof onlangs geoordeeld dat er geen dwingend bestemmingsverband bestond tussen de heffing en de verleende steun in een zaak waarin het steunbedrag werd bepaald aan de hand van criteria die geen verband hielden met de bestemde fiscale inkomsten en waarin de nationale wetgeving bepaalde dat eventuele overschotten in verband met deze steun in voorkomend geval in een reservefonds moesten worden gestort of moesten terugvloeien naar de schatkist, waarbij ook een absoluut plafond voor die inkomsten gold, zodat elk overschot eveneens terugvloeide naar de algemene staatsbegroting (177). Om het bestaan van een dwingend bestemmingsverband uit te sluiten, heeft het Hof ook gekeken of, wanneer de inkomsten uit de heffing ontoereikend zijn om het totale steunbedrag te dekken, de betrokken lidstaat het verschil moet bijpassen met bijdragen uit zijn algemene begroting.

(388)

In het onderhavige geval zal de financiering van maatregel 1, zoals hierboven vermeld (overweging 107), door het ministerie worden gedekt met middelen die afkomstig zijn uit: i) de inkomsten uit de verkoop van elektriciteit door het SPV; ii) een heffing die door de netbeheerders aan eindverbruikers van elektriciteit in rekening wordt gebracht, vergelijkbaar met de bestaande financiering van hernieuwbare energiebronnen, en iii) bijdragen uit de staatsbegroting maar, zoals hierboven besproken (overweging 41) zal de staat, indien de uitoefenprijs boven de marktprijs van elektriciteit ligt, het prijsverschil met staatsmiddelen moeten financieren, namelijk uit de staatsbegroting en met verbruiksheffingen.

(389)

Tsjechië heeft daarnaast bevestigd dat een heffing weliswaar kan bijdragen aan de financiering van de maatregelen, maar dat de financiering niet afhankelijk zal zijn van een dergelijke heffing en dat de staatsbegroting waar nodig de kosten zal dekken. Zo zullen eventuele overschotten van de heffing naar de algemene staatsbegroting terugvloeien en zullen eventuele tekorten uiteindelijk worden gedekt met middelen uit de algemene staatsbegroting (zie overweging 42).

(390)

Hieruit volgt dat de eventuele invoering van een heffing in het kader van de financiering van de afnameovereenkomst geen rechtstreekse invloed heeft op het steunbedrag en dat de heffing derhalve geen integrerend onderdeel uitmaakt van de maatregel, aangezien er geen dwingend bestemmingsverband bestaat tussen de heffing en de steun op grond van de relevante nationale regels. Bijgevolg wordt in het onderhavige besluit niet beoordeeld of de heffing in overeenstemming is met de artikelen 30 en 110 VWEU.

(391)

Tot slot merkt de Commissie op dat de Tsjechische autoriteiten hebben toegezegd te zullen voldoen aan hun verplichting om het project overeenkomstig artikel 41 van het Euratom-Verdrag bij de Commissie aan te melden.

(392)

De Commissie concludeert daarom dat de voorgestelde maatregelen of de ondersteunde activiteit als zodanig geen relevante bepalingen van het EU-recht schenden.

8.3.2.4.   Conclusie

(393)

Gezien het bovenstaande concludeert de Commissie dat het project voldoet aan de eerste (positieve) voorwaarde voor verenigbaarheid (namelijk dat de steun de ontwikkeling van een bepaalde vorm van economische bedrijvigheid vergemakkelijkt).

8.3.3.   Negatieve voorwaarde: de steun mag de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, niet zodanig veranderen dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad

8.3.3.1.   Afbakening van de markt waarop de steun betrekking heeft

(394)

Zoals vermeld in het inleidingsbesluit, is het project bedoeld om het Tsjechische energiesysteem koolstofvrij te maken en zorgen over de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening met betrekking tot de Tsjechische markt weg te nemen (zie overweging 8 en volgende). Daarbij is vastgesteld dat de Tsjechische markt goede verbindingen heeft met de landen in de CORE-regio (178) (zie overweging 16).

(395)

Gezien het bovenstaande zijn de relevante markten voor de beoordeling van de betrokken maatregelen de elektriciteitsmarkt in Tsjechië en de elektriciteitsmarkten in de CORE-regio.

8.3.3.2.   Vaststelling van de positieve effecten van de steunmaatregel

(396)

Zoals uiteengezet in punt 4.4.2.2 van het inleidingsbesluit, houdt de transitie naar klimaatneutraliteit in dat fossiele brandstoffen geleidelijk worden uitgefaseerd, te beginnen bij de meest vervuilende brandstoffen. De meeste lidstaten hebben al plannen bekendgemaakt om steenkool de komende jaren uit te faseren (179). Het meest recente nationale energie- en klimaatplan van Tsjechië bevat de strategische doelstelling om het gebruik van steenkool voor het opwekken van elektriciteit voor 2033 volledig uit te faseren. Volgens de studies van ČEPS (zie overweging 12) leiden deze ontwikkelingen op middellange termijn tot capaciteitsproblemen. Deze trend zal naar verwachting ook kunnen worden waargenomen in andere lidstaten die steenkool uitfaseren.

(397)

Extra investeringen in kernenergie zorgen voor een betrouwbare, koolstofarme elektriciteitsproductie met een zekere mate van flexibiliteit. Door te zorgen voor voorzieningszekerheid bij de uitfasering van de meest vervuilende brandstoffen en door de afhankelijkheid van aardgas te verminderen, draagt de productie van kernenergie, waarbij weinig koolstof wordt uitgestoten per MWh geproduceerde elektriciteit (gecombineerd met de ontwikkeling van hernieuwbare energie) bij tot de verwezenlijking van de nationale en Europese decarbonisatiedoelstellingen.

(398)

Zoals Tsjechië heeft uitgelegd, zal het project ook rechtstreeks bijdragen tot de doelstellingen van REPowerEU, aangezien het de afhankelijkheid van ingevoerde fossiele brandstoffen, die blootstaan aan prijsschommelingen en geopolitieke risico’s, zal verminderen en bijgevolg de energiezekerheid zal versterken.

(399)

Bovendien draagt de installatie van nieuwe nucleaire productiecapaciteit bij tot het behoud van de noodzakelijke opwekkingscapaciteit aan de aanbodzijde. Dit is nodig om het hoofd te kunnen bieden aan de verwachte stijging van de vraag naar elektriciteit in Tsjechië, in combinatie met de maatregelen ter vermindering van de vraag die zijn vastgesteld op grond van de energie-efficiëntierichtlijn (zie overweging 15).

(400)

De Commissie merkt op dat de Tsjechische autoriteiten ervoor zullen zorgen dat het project voldoet aan de technische screeningcriteria voor economische activiteiten in de kernenergiesector, zoals vastgelegd in de taxonomieverordening van de EU (180). Hoewel deze verordening geen juridisch bindende verplichtingen voor de bouw of exploitatie van kerncentrales of aanvullende vereisten voor de toekenning van staatssteun creëert, bevat zij de criteria om te bepalen of een economische activiteit als ecologisch duurzaam kan worden aangemerkt. Op grond van de toezegging van Tsjechië dat het aan die vereisten zal voldoen, kan worden geconcludeerd dat het project duurzaam is, geen ernstige afbreuk zal doen aan een van de andere milieudoelstellingen en bijdraagt aan het streven om in 2050 koolstofneutraal te zijn.

(401)

Met name voor de bouw en de veilige exploitatie van nieuwe kerncentrales, voor de opwekking van elektriciteit of warmte, waaronder de productie van waterstof, met gebruikmaking van de beste beschikbare technologieën, bevat bijlage I, afdeling 4.27, van de gedelegeerde verordening van de Commissie (181) een aantal screeningcriteria voor investeringen in nieuwe installaties voor de opwekking van kernenergie. Op grond hiervan is onder meer vereist dat de lidstaat aantoont dat hij aan het einde van de geschatte levensduur van de kerncentrale beschikt over middelen die overeenkomen met de geraamde kosten van het beheer van radioactief afval en de ontmanteling, over operationele eindbergingsfaciliteiten voor al het zeer laag-, laag- en middelradioactief afval, over een gedocumenteerd plan met gedetailleerde stappen om uiterlijk in 2050 een bergingsfaciliteit voor hoogradioactief afval in bedrijf te hebben, en dat het project de beste beschikbare technologie toepast en vanaf 2025 gebruikmaakt van ongevaltolerante splijtstof. De Tsjechische autoriteiten hebben toegezegd aan al deze vereisten te zullen voldoen (zie de overwegingen 81 en 82).

(402)

Hoewel derden hebben aangevoerd dat publieke uitlatingen van Tsjechische functionarissen erop wijzen dat zij het wetgevingsproces zullen proberen te beïnvloeden om de taxonomievoorwaarden met betrekking tot de inbedrijfname van een diepgelegen opslagplaats voor hoogradioactief afval tegen 2050 te wijzigen of de toepassing daarvan uit te stellen, beschikt de Commissie niet over informatie die reden geeft om de toezegging van de Tsjechische autoriteiten in twijfel te trekken. Op 11 januari 2023 heeft Tsjechië regeringsbesluit nr. 24 aangenomen betreffende de technische screeningcriteria waaraan moet worden voldaan met betrekking tot het beheer van radioactief afval. Volgens dit besluit zal Tsjechië alles in het werk stellen om te voldoen aan de technische criteria voorzien in de desbetreffende EU-wetgeving, waaronder de inbedrijfname van een diepgelegen geologische opslagplaats voor kernafval tegen 2050 (zie de overwegingen 81 en 82).

(403)

In het licht van de bovenstaande overwegingen concludeert de Commissie dat het project positieve effecten heeft op de markt, aangezien het op ecologisch duurzame wijze zal bijdragen tot het koolstofvrij maken van de energiemix en de voorzieningszekerheid zal vergroten. Aangezien de landen in de CORE-regio goed met elkaar verbonden zijn, zouden deze positieve effecten waarschijnlijk ook ten goede komen aan de omliggende lidstaten die elektriciteit uit Tsjechië invoeren.

8.3.3.3.   Noodzaak van de overheidsmaatregelen

(404)

Om te bepalen of een steunmaatregel noodzakelijk is, moet de Commissie beoordelen of de maatregel wordt ingezet in een situatie waarin de maatregel kan leiden tot een wezenlijke verbetering die de markt niet alleen tot stand kan brengen. Steun die de financiële situatie van de begunstigde onderneming verbetert, maar niet noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken, kan niet als verenigbaar met de interne markt worden beschouwd.

(405)

In het onderhavige geval bevordert Tsjechië nieuwe investeringen in kernenergie, zoals voorzien in het Euratom-Verdrag, om de uitdagingen op het gebied van decarbonisatie en de tekorten in de totale nationale geïnstalleerde capaciteit aan te pakken waarmee het binnenkort te maken krijgt als gevolg van de geplande buitenbedrijfstelling van bestaande fossiele energiecentrales en kerncentrales (zie de overwegingen 8 en 19). De Commissie moet beoordelen of de staatssteun nodig is voor het verwezenlijken van de doelstelling om nieuwe investeringen in kernenergie te bevorderen.

(406)

In het inleidingsbesluit heeft de Commissie uitgelegd dat het bestaan van marktfalen een relevante factor is bij de beoordeling van de noodzaak van de steun en erkende zij dat de markt bepaalde tekortkomingen vertoont die overheidsinterventie met betrekking tot de ontwikkeling van kernenergie nodig maken (182). In het specifieke geval van nieuwe investeringen in kernenergie is het marktfalen voornamelijk te wijten aan drie aspecten: i) de grote hoeveelheid benodigd kapitaal; ii) de langdurige blootstelling aan marktprijssignalen, die op hun beurt worden verstoord door interventies, en iii) de langdurige blootstelling aan politieke beslissingen.

(407)

Ten eerste is de hoeveelheid kapitaal vereist voor investeringen in kernenergie bijzonder hoog. Hoewel de genormaliseerde kosten van energie (“levelized cost of energy”) voor de productie van kernenergie niet noodzakelijkerwijs hoger zijn dan voor andere technologieën (183), kunnen de lange levensduur en de grote productiecapaciteit van kerncentrales alleen worden vergeleken met die van de grootste waterkrachtcentrales. Het benodigde kapitaal, dat enkele miljarden euro’s bedraagt, loopt vaak nog verder op door frequente en aanzienlijke stijgingen van de investeringskosten voor nieuwe kerncentrales. Met name investeringen in prototypes van generatie III-reactoren in OESO-landen kampen met vertragingen bij de bouw en kostenstijgingen (184).

(408)

Ten tweede maakt de geplande exploitatieduur van zestig jaar het moeilijk om de gebruikelijke duur van particuliere investeringen of commerciële leningen aan te passen aan de looptijd van het project. Dit is des te belangrijker op de huidige elektriciteitsmarkten, die sterk zijn veranderd door de energietransitie en de snelle uitrol van hernieuwbare energie, alsook door de hervormingen van de regelgeving die met deze transitie gepaard gaan. Bijgevolg hebben zelfs de meest ervaren marktdeelnemers moeite om betrouwbare voorspellingen te doen over de elektriciteitsprijzen in de verre toekomst en hebben de meeste elektriciteitscontracten een looptijd van hooguit vijf jaar.

(409)

Tot slot is kernenergie nog altijd onderwerp van maatschappelijke en politieke controverse, en moet bij investeringen in kerncentrales rekening worden gehouden met het risico van beleidswijzigingen.

(410)

De Commissie heeft ook erkend dat de combinatie van deze elementen uniek is voor nucleaire technologie (185) en een algemeen kenmerk vormt van alle EU-markten, met inbegrip van de Tsjechische elektriciteitsmarkt.

(411)

De voorlopige beoordeling van de Commissie in het inleidingsbesluit werd door de opmerkingen van de belanghebbenden bevestigd. De Commissie merkt op dat Tsjechië in zijn opmerkingen over het inleidingsbesluit wijst op meer recente ongunstige marktomstandigheden die de risico’s voor ontwikkelaars van nieuwe projecten op het gebied van kernenergie aanzienlijk vergroten, waaronder het macro-economische landschap en de inflatiedruk, stijgende rentetarieven en unieke gebeurtenissen, zoals de Russische invasie van Oekraïne, die tot aanzienlijke verstoringen van de markt en de toeleveringsketens heeft geleid. De Tsjechische autoriteiten stellen daarom dat het onwaarschijnlijk is dat kerncentrales zonder staatssteun zullen worden gebouwd.

(412)

De Tsjechische autoriteiten hebben ook gewezen op de toegenomen volatiliteit van de energiemarkten, deels als gevolg van het toenemende aandeel van energiebronnen zonder marginale kosten zoals wind- en zonne-energie, maar ook van schommelingen in de gasprijzen, die leiden tot onvoorspelbare rendementen voor marktdeelnemers en derhalve de prikkels voor het ontwikkelen van grootschalige nucleaire projecten beperken, tenzij investeerders de risico’s van fluctuerende marktprijzen kunnen afdekken. Afdekking door middel van langlopende contracten vereist echter dat tegenpartijen bereid zijn prijzen te aanvaarden die hoog genoeg zijn om investeerders een passend rendement te garanderen over een zeer lang tijdsbestek. Soortgelijke standpunten werden verwoord in de opmerkingen van verschillende derden, waarin werd geconcludeerd dat het op de huidige Europese elektriciteitsmarkt niet haalbaar is om zonder staatssteun nieuwe kerncentrales te bouwen.

(413)

Zoals uiteengezet in een gezamenlijk verslag van het Internationaal Energieagentschap (IEA) en het Agentschap voor kernenergie (NEA) (186), blijkt uit de recente trends dat er bij de bouw van nieuwe kerncentrales in westerse markten sprake is van aanzienlijke kostenescalaties en vertragingen. Dit laat zich deels verklaren door het feit dat er nieuwe projecten zijn gestart na een lange periode zonder nieuwbouw, waardoor de nucleaire toeleveringsketen en de capaciteiten van de sector aanzienlijk zijn aangetast, en deels door het feit dat het ontwerp en de planning voor de uitvoering bij de start van de bouw onvoldoende uitgekristalliseerd waren, maar ook door de steeds onzekerder politieke context. In het verslag wordt vastgesteld dat deze situatie het vertrouwen van belanghebbenden in het vermogen van de nucleaire industrie om nieuwe bouwprojecten uit te voeren heeft aangetast en het vermeende investeringsrisico heeft verhoogd, waardoor investeerders worden afgeschrikt en de mogelijkheden voor het aantrekken van financiering voor toekomstige projecten verder wordt verkleind.

(414)

In het verslag wordt er echter op gewezen dat in andere landen, zoals China en Korea, nieuwe investeringen in kernenergie op tijd en binnen de begroting worden uitgevoerd; het verslag concludeert dan ook dat de kloof met westerse landen niet alleen kan worden verklaard door plaatsgebonden omstandigheden. De uitdagingen in westerse landen zijn derhalve niet inherent aan de technologie, maar hangen af van de voorwaarden waaronder projecten worden ontwikkeld en uitgevoerd en van de interactie tussen de verschillende belanghebbenden.

(415)

De Commissie herinnert aan de opmerkingen van derden die stelden dat de energievoorziening ook kan worden gegarandeerd met goedkopere technologieën en van mening waren dat subsidies voor kernenergie de uitbreiding van andere goedkopere en klimaatvriendelijkere technologieën kunnen vertragen. De Tsjechische autoriteiten hebben aangevoerd dat het potentieel voor hernieuwbare energie in Tsjechië beperkt is, maar dat verhoging van de productiecapaciteit voor zowel kernenergie als hernieuwbare energie een belangrijk onderdeel van de nationale energie- en klimaatstrategie vormt (zie overweging 21). Zij voeren ook aan dat, hoewel investeringen in windenergie met het project later zouden worden uitgevoerd dan zonder het project, de totale capaciteitsuitbreiding van windenergie in beide scenario’s even groot zou zijn (zie overweging 270). Deze verklaring is aannemelijk. Investeringen in capaciteit voor de opwekking van wind- en zonne-energie kunnen namelijk veel sneller en tegen lagere kapitaalkosten worden gerealiseerd dan het project. Zij worden echter beperkt door andere factoren, zoals de beschikbare locaties en de aansluitingscapaciteit van het elektriciteitsnet. Bovendien wijst het beperkte effect van het project op de marktprijzen op de groothandelsmarkt (2 EUR/MWh) erop dat het minimale gevolgen zou hebben voor investeringen in hernieuwbare energie. De stimulansen die de vergoedingsformule in de afnameovereenkomst biedt om de productie te maximaliseren wanneer de prijzen hoog zijn en deze te beperken wanneer ze laag staan, verminderen echter ook het concurrentie-effect van de maatregel op marktconforme investeringen in hernieuwbare energie, aangezien installaties voor de opwekking van hernieuwbare energie naar verwachting juist vaak in perioden met lage prijzen zullen worden ingeschakeld (omdat in die perioden de beschikbaarheid van hernieuwbare energiebronnen hoog is, waardoor de marktprijzen dalen).

(416)

Een andere respondent voerde aan dat in de komende decennia hoge elektriciteitsprijzen worden verwacht. Bij de prognose van de elektriciteitsprijzen op lange termijn is sprake van aanzienlijke onzekerheid. Indien de elektriciteitsprijzen aanzienlijk hoger zijn dan verwacht, zullen de afnameovereenkomst en het winstdelingsmechanisme inkomsten opleveren voor de Tsjechische staat, waardoor de overcompensatie ten voordele van ČEZ wordt beperkt. Indien de marktprijzen daarentegen lager zijn dan verwacht, met name vanwege een lager dan verwachte vraag of de snelle uitrol van hernieuwbare energie, kunnen zonder de maatregel de kapitaalkosten van het project niet worden gedekt.

(417)

De Commissie concludeert dat de markt duidelijke tekortkomingen vertoont wanneer het gaat om investeringen in nieuwe kernenergie in Tsjechië. Vanwege de zeer lange investeringsperiode is er onvoldoende zekerheid dat de huidige hoge energieprijzen lang genoeg hoog zullen blijven om van invloed te zijn op deze beoordeling. Gezien de ontoereikende capaciteit voor de opwekking van elektriciteit in Tsjechië, de tekortkomingen van de markt en de strategische doelstelling van het Tsjechische energiebeleid, dat gericht is op het bewerkstelligen van relatieve zelfvoorzienendheid op het gebied van elektriciteitsproductie gecombineerd met de decarbonisatie van de elektriciteitsproductie op lange termijn, lijkt staatssteun voor de bouw van de centrale in Tsjechië noodzakelijk.

(418)

Het is immers onwaarschijnlijk dat de tijdige levering van de door het project geboden nucleaire capaciteit alleen met marktwerking kan worden gewaarborgd, iets wat noodzakelijk is om de ontwikkeling van de elektriciteitsproductie uit kernenergie in Tsjechië te vergemakkelijken.

(419)

Gezien het bovenstaande concludeert de Commissie dat de staatssteun noodzakelijk is om de ontwikkeling van nieuwe nucleaire capaciteit in Tsjechië te waarborgen. Daarnaast concludeert de Commissie dat de maatregelen een stimulerend effect voor de begunstigde hebben en bijgevolg een waarborg bieden voor de succesvolle uitvoering van het project.

8.3.3.4.   Geschikt instrument

(420)

De Commissie moet bij haar beoordeling bepalen of de voorgestelde maatregel als beleidsinstrument geschikt is om de doelstelling ervan te verwezenlijken, in dit geval het bevorderen van de ontwikkeling van kernenergie om een toekomstige capaciteitskloof te compenseren.

(421)

In het inleidingsbesluit heeft de Commissie opgemerkt dat Tsjechië verschillende alternatieve steunmechanismen had overwogen om investeringen in de productie van kernenergie te stimuleren, zoals belastingkredieten, capaciteitsmechanismen, directe investeringssteun, de vaststelling van een model voor gereguleerde prijzen voor investeringen (RAB) enz., die allemaal minder geschikt werden geacht dan de steunmaatregelen die uiteindelijk werden geselecteerd.

(422)

De Commissie is het ermee eens dat die andere beleidsinstrumenten op zichzelf waarschijnlijk onvoldoende zouden zijn om dezelfde resultaten te bereiken, gezien de specifieke kenmerken van het project en de omvang van de vereiste financiële middelen. Met name het schrappen van een van de drie maatregelen zonder verdere aanpassingen zou betekenen dat belangrijke risico’s voor de investeerder niet worden weggenomen, aangezien elk van deze maatregelen een andere tekortkoming van markt corrigeert (187). Wanneer alternatieve steunmechanismen in de eerste plaats andere vormen van financiering bieden (belastingkredieten), worden de gevolgen voor de mededinging daardoor niet noodzakelijkerwijs verminderd. Capaciteitsmechanismen en RAB-modellen zijn algemene concepten die vele vormen kunnen aannemen. Uit het formele onderzoek is niet gebleken dat dergelijke concepten in het geval van de concrete maatregel in kwestie geschiktere oplossingen zouden bieden voor de geconstateerde tekortkomingen van de markt.

(423)

In het inleidingsbesluit vroeg de Commissie zich evenwel af of de combinatie van de drie maatregelen (namelijk de staatslening, de afnameovereenkomst en de bescherming tegen wetswijzigingen) wel geschikt was voor het verlenen van staatssteun, en vroeg zij aan Tsjechië of een hogere mate van blootstelling aan marktrisico’s niet passender zou zijn geweest. Meer specifiek was de Commissie van mening dat de combinatie van de drie maatregelen en de aanvankelijke opzet van het project belangrijke marktrisico’s zouden kunnen wegnemen, en daarmee ook bepaalde prikkels voor concurrerend gedrag.

(424)

De Commissie betwijfelde ook of de combinatie van deze drie maatregelen geschikt was om de ontwikkeling van het project te waarborgen, daar in het verleden een beperkter aantal maatregelen, die mogelijk niet zo verstrekkend waren, voldoende lijken te zijn geweest om de investering mogelijk te maken.

(425)

Bovendien vroeg de Commissie zich af of het door Tsjechië beoogde evenwicht bij het gebruik van meerdere instrumenten de juiste oplossing is en of met alternatieve instrumenten, of slechts een aantal van de voorgestelde instrumenten, niet dezelfde doelstellingen zouden kunnen wordt bereikt met minder steun of verstoring van de mededinging.

(426)

De argumenten van de Tsjechische autoriteiten ter ondersteuning van de combinatie van de voorgestelde maatregelen houden verband met de belangrijkste tekortkomingen van de markt die door de maatregelen moeten worden gecorrigeerd, zoals beschreven in punt 4.1, met name de grote hoeveelheid benodigd kapitaal, de langdurige blootstelling aan marktprijssignalen en de langdurige blootstelling aan politieke beslissingen. De Commissie heeft al eerder erkend dat het project wegens deze risico’s niet onder normale marktvoorwaarden door een particuliere investeerder zou zijn ondernomen (188).

(427)

Zoals hierboven uiteengezet (zie de overwegingen 83 tot en met 106), heeft Tsjechië tijdens het formele onderzoek om de twijfels van de Commissie over de mate van blootstelling van het project aan marktrisico’s weg te nemen, de blootstelling aan marktprijzen toegevoegd aan de formule voor de verrekening achteraf met EDU II en de looptijd van het afnamecontract verkort tot veertig jaar, waardoor het project meer aan marktrisico’s wordt blootgesteld. Dit betekent ook dat EDU II economische prikkels heeft om de elektriciteitsproductie op zodanige wijze te optimaliseren dat de dispatching in perioden met hoge prijzen wordt gemaximaliseerd, terwijl de dispatching in perioden met lage prijzen wordt beperkt (bijvoorbeeld door het onderhoud in die perioden te plannen). Hierdoor wordt het verstorende effect van de maatregel beperkt.

(428)

Voorts herinnert de Commissie eraan dat een soortgelijke combinatie van maatregelen door de Commissie passend werd geacht in de zaak Hinkley Point C (189).

(429)

De Commissie is van mening dat de combinatie van de drie maatregelen, zoals aangemeld door Tsjechië tijdens het formele onderzoek, en de bijbehorende opzet van het project een geschikt instrument vormen om de investering in de kerncentrale mogelijk te maken. De Commissie is van mening dat de drie maatregelen gecombineerd moeten worden genomen om de tekortkomingen van de markt die zich bij de ontwikkeling van nieuwe kerncentrales voordoen, te compenseren.

(430)

Om te beginnen, zolang sprake is van dit soort structurele tekortkomingen op de kapitaalmarkt, zal het verstrekken van een staatslening op zichzelf niet volstaan om investeringen in nieuwe kernenergie mogelijk te maken. Deze maatregel komt namelijk alleen tegemoet aan de noodzaak om kapitaal voor het project te verkrijgen, maar pakt de specifieke problemen met betrekking tot kernenergie niet aan, zoals de specifieke risico's die voortvloeien uit de bouw van dit soort installaties en de lange en complexe levenscyclus ervan. De staatslening biedt bijna al het kapitaal dat nodig is voor de bouw van de nieuwe kerncentrale, terwijl het afnamecontract de investeerder in staat stelt eigen vermogen in het project te steken. De staatslening waarborgt op zichzelf echter niet dat de lening ook kan worden terugbetaald, en perioden met lage prijzen zouden de levensvatbaarheid van het project in gevaar kunnen brengen. Het afnamecontract is dus een voorwaarde voor de staatslening en is daarmee onlosmakelijk verbonden, aangezien bij de rating van het project rekening wordt gehouden met het bestaan van de afnameovereenkomst. Alleen de gegarandeerde inkomsten uit hoofde van de afnameovereenkomst kunnen het langetermijnrisicoprofiel van het project compenseren.

(431)

De Commissie is bovendien van mening dat de staatslening geschikt is om de investering mogelijk te maken en de structurele tekortkomingen van de kapitaalmarkt te compenseren, ook vergeleken met een staatsgarantie op een marktconforme leningfaciliteit, omdat hiermee het risico wordt weggenomen dat onvoldoende financiering kan worden opgehaald bij particuliere kredietverleners om het project door te laten gaan. Ook zijn de kosten van schuldfinanciering en de vergoedingen voor het regelen en toewijzen van de financiering gedurende de gehele bouwperiode lager, en is er met een staatslening minder tijd nodig om het financieringspakket te regelen, ook in geval van kostenstijgingen. Aangezien een verhoging van de kapitaalkosten rechtstreeks van invloed zou zijn op de berekening van de uitoefenprijs, maakt de staatslening het mogelijk een lagere uitoefenprijs op te nemen in de afnameovereenkomst (zie overweging 171), waardoor de totale kosten van de maatregel dalen.

(432)

In de tweede plaats voorziet een afnameovereenkomst met een looptijd van veertig jaar duidelijk in de behoefte aan prijsstabiliteit en een voorspelbaar rendement op eigen vermogen van het project, die van bijzonder belang zijn voor investeringen van deze omvang en duur, en derhalve een essentiële voorwaarde voor de investering vormen. In die zin compenseert de afnameovereenkomst de langdurige blootstelling aan marktprijssignalen, het marktfalen dat hierboven werd vastgesteld.

(433)

In de derde plaats beperkt de compensatie die wordt toegekend in geval van discriminerende benadeling van nucleaire technologie door politieke beslissingen of wetgeving (d.w.z. de bescherming tegen wetswijzigingen) de bijkomende risico’s die als specifiek voor kernenergie kunnen worden beschouwd (voornamelijk de mogelijkheid dat investeringen worden opgeschort als gevolg van wijzigingen in het wetgevingskader, bijvoorbeeld om politieke redenen). Door aanpassing van de inputgegevens van de vergoedingsformule in de afnameovereenkomst in geval van kostenstijgingen wegens legitieme gronden wordt ook het risico van kostenstijgingen, dat inherent is aan investeringen in kernenergie, aangepakt.

(434)

Gezien het bovenstaande concludeert de Commissie dat de combinatie van de afnameovereenkomst met een looptijd van veertig jaar, de staatslening en het mechanisme voor bescherming tegen wetswijzigingen, zoals vormgegeven in de aangemelde maatregelen, een geschikt instrument is om staatssteun te verlenen aan het project.

8.3.3.5.   Evenredigheid

(435)

Om de evenredigheid van een maatregel te beoordelen, moet de Commissie nagaan of de maatregel beperkt blijft tot het minimum dat nodig is voor de succesvolle voltooiing van het project en verwezenlijking van het nagestreefde doel.

(436)

In het inleidingsbesluit heeft de Commissie uitgelegd dat bij de evenredigheidsbeoordeling rekening moet worden gehouden met de combinatie van steunmaatregelen die door de Tsjechische autoriteiten is voorgesteld. Wat evenredigheid betreft, zijn er drie belangrijke punten van zorg in de aangemelde maatregel die voor de beoordeling van de Commissie relevant zijn.

(437)

Ten eerste werd de aangemelde duur van de afnameovereenkomst van zestig jaar als te lang beschouwd, aangezien deze aanzienlijk langer was dan de geplande termijn voor de terugbetaling van de staatslening en de duur van directe prijsondersteuningsmaatregelen bij eerdere investeringen in kernenergie (190). In het inleidingsbesluit vroeg de Commissie zich af of de compensatie voor de investeringskosten van het project niet nauwer moest worden afgestemd op de modaliteiten en de terugbetalingstermijn van de staatslening.

(438)

Ten tweede werd het beoogde rendement te hoog geacht, zodat overcompensatie niet kon worden uitgesloten gelet op de combinatie van de aangemelde steunmaatregelen en het daaruit voortvloeiende risicoprofiel van het project. In het bijzonder werden zowel de prijs- als de marktrisico’s door de aanvankelijk aangemelde afnameovereenkomst met vaste prijzen bij het SPV en dus bij de staat gelegd, terwijl het financieringsrisico door de terugvorderbare financiële steun aanzienlijk werd verminderd en financiering werd geboden tegen zeer aantrekkelijke voorwaarden, aangezien er gedurende de bouwperiode geen rente in rekening werd gebracht. Ten slotte bood het mechanisme voor bescherming tegen wets- en beleidswijzigingen bescherming tegen beleidswijzigingen en andere gebeurtenissen waarop EDU II geen invloed heeft. Dit omvat wijzigingen in het Tsjechische nationale beleid inzake kernenergie, besluiten om de andere steunmaatregelen niet toe te kennen of om de uitvoering stop te zetten door de biedingen voor de bouw van de centrale af te wijzen, maar ook kostenstijgingen als gevolg van een uitputtende lijst van legitieme gronden. Gelet op de verdeling van de risico’s tussen de begunstigde en de staat was de Commissie van oordeel dat de opname van de premie voor de bouw en exploitatie van een kerncentrale in de CAPM-raming niet gerechtvaardigd was.

(439)

Daarnaast betwijfelde de Commissie of het door Tsjechië voorgestelde overcompensatiemechanisme overcompensatie voldoende zou voorkomen, met name omdat het in een lastenverdeling van 50:50 tussen de staat en EDU II voorziet (191).

(440)

Ten derde vroeg de Commissie zich af of de selectie van ČEZ, de huidige exploitant, als projectontwikkelaar zonder gebruik te maken van een open selectieprocedure zou kunnen betekenen dat de voor het project vereiste steun hoger was dan anders het geval zou zijn geweest.

(441)

In de onderstaande punten zullen deze aspecten worden geanalyseerd in het licht van de door de Tsjechische autoriteiten voorgestelde wijzigingen in de steunmaatregelen, alvorens definitieve conclusies te trekken over het totale steunpakket.

8.3.3.5.1.   De afnameovereenkomst

8.3.3.5.1.1.   Duur van de afnameovereenkomst

(442)

Zoals vermeld in overweging 437, werd de aangemelde duur van de afnameovereenkomst van zestig jaar als te lang beschouwd. De Commissie was van mening dat de compensatie voor de investeringskosten van het project moet worden afgestemd op de modaliteiten en de terugbetalingstermijn voor de staatslening, die ongeveer dertig jaar bedraagt in het door de Tsjechische autoriteiten gepresenteerde basisscenario.

(443)

Tsjechië voerde aan dat er een buffer (of uitloopperiode) tussen de looptijd van de afnameovereenkomst en de terugbetaling van de staatslening nodig is om de financiële levensvatbaarheid van het project te waarborgen, met name om ervoor te zorgen dat de staatslening volledig kan worden afgelost bij eventuele negatieve ontwikkelingen. Meer specifiek hebben de Tsjechische autoriteiten gegevens van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA) overgelegd waaruit blijkt dat het bij recente grootschalige kernenergieprojecten lang duurde voordat de dispatching stabiliseerde en dus de beoogde belastingsfactor kon worden bereikt die nodig was om de financierbaarheid van het project te waarborgen.

Tabel 9

Stabiliseringstijd belastingsfactor

Image 13

(444)

De Tsjechische autoriteiten hebben een herziene duur voor de afnameovereenkomst ingediend, die werd teruggebracht van zestig tot veertig jaar. Deze sluit beter aan bij de looptijd van de staatslening, ook al is hij nog steeds aanzienlijk langer. Hoewel het gerechtvaardigd is een bepaalde periode in acht te nemen om de exploitatie van de centrale na ingebruikname te stabiliseren gelet op de technische moeilijkheden die zich na de start van andere projecten hebben voorgedaan, is de duur aan de hoge kant vergeleken met de perioden waarvan bij andere projecten sprake was.

(445)

Evenwel moet worden opgemerkt dat het begin van de looptijd van de afnameovereenkomst niet per se samenvalt met de start van de exploitatie van de centrale. De looptijd van het afnamecontract start immers hetzij op i) de startdatum, d.w.z. de dag waarop de kerncentrale voor het eerst elektriciteit aan het net levert en EDU II de staat/het SPV ervan in kennis heeft gesteld dat het wil dat de startdatum wordt bepaald op basis van de in de afnameovereenkomst vast te stellen termijnen, hetzij op ii) de uiterste datum, d.w.z. de dag na de laatste dag van de streeftermijn voor oplevering van vijf jaar, gerekend vanaf de streefdatum voor oplevering, afhankelijk van welke van deze twee data eerder valt (zie voetnoot 39). De streefdatum voor oplevering zal worden verlengd om rekening te houden met eventuele vertragingen als gevolg van gebeurtenissen die legitieme gronden voor verlenging vormen. In het geval van vertragingen die niet gebaseerd zijn op legitieme gronden wordt de door de afnameovereenkomst bestreken periode dienovereenkomstig verkort. Hoewel hiermee een buffer van vijf jaar wordt geboden in geval van vertragingen, vormen vertragingen van meer dan vijf jaar een aanzienlijk risico gezien de recente vertragingen bij kernenergieprojecten voor generatie III+-reactoren. Al met al kunnen het risico van een kortere afnameperiode en de tijd die nodig is om de productie van de centrale na ingebruikname te stabiliseren ertoe leiden dat de afnameperiode vrijwel samenvalt met de aflossingstermijn voor de staatslening.

(446)

Ten slotte kan in geval van kostenoverschrijdingen niet worden uitgesloten dat de terugbetaling van de staatslening voor een deel herfinanciering met particuliere marktconforme leningen vereist. In dit geval is de terugbetaling van de investeringskosten niet langer rechtstreeks gekoppeld aan de aflossingstermijn van de staatslening (zie overweging 180). Met name indien de marktinkomsten tijdens de afnameperiode niet toereikend zijn om de kosten voor de terugbetaling van de staatslening te dekken, zouden marktconforme leningen kunnen worden gebruikt om delen van de kosten voor de terugbetaling van de staatslening te financieren. Deze marktconforme leningen zouden dan worden terugbetaald na aflossing van de staatslening, op basis van de marktinkomsten in de periode na de afnameovereenkomst.

(447)

Bij elkaar genomen acht de Commissie de hierboven beschreven elementen voldoende om de looptijd van de afnameovereenkomst van veertig jaar als evenredig te beschouwen.

(448)

De Commissie merkt op dat dit niet betekent dat het project levensvatbaar zou zijn met een operationele levensduur van slechts veertig jaar. Het financiële model gaat namelijk uit van een operationele levensduur van zestig jaar en rekent op marktinkomsten na afloop van de afnameovereenkomst om het beoogde intern rendement op eigen vermogen van [9 tot 11] % te bereiken. Hoewel uit een gevoeligheidsanalyse waarbij werd uitgegaan van lage marktprijzen na afloop van de afnameperiode blijkt dat de centrale op dat moment zou kunnen worden stilgelegd wegens een gebrek aan financiële prikkels (zie overweging 148), betekent dit niet dat de investering zou worden ondernomen op basis van een operationele levensduur van slechts veertig jaar. Om de investering levensvatbaar te maken, moet de investeerder immers kunnen rekenen op marktomstandigheden die voortzetting van de exploitatie na afloop van de afnameperiode mogelijk maakt. Het beoogde IRR is gebaseerd op een looptijd voor het project van zestig jaar. Indien de marktprijzen na afloop van de afnameovereenkomst aanzienlijk lager zouden zijn dan verwacht, zou dit een negatief effect hebben op het gerealiseerde rendement van de investering, waardoor het IRR onder de doelstelling van [9 tot 11] % zou dalen.

8.3.3.5.1.2.   Vergoedingsformule

(449)

Zoals vermeld in de overwegingen 88 tot en met 91, bestaat de vergoedingsformule in de afnameovereenkomst uit twee termen: de verrekening achteraf en de marktblootstelling. Deze constructie lijkt op die van tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen (contract for difference — CfD) (192) en heeft derhalve vergelijkbare effecten in termen van inkomstenstabiliteit en de beperking van overcompensatie, en biedt stimulansen voor een efficiënte exploitatie van de energiecentrale. In dit punt beoordeelt de Commissie de aspecten die verband houden met de evenredigheid (compensatie), terwijl zij in punt 8.3.3.6.2 de aspecten beoordeelt die verband houden met de stimulansen voor een efficiënte exploitatie.

(450)

De jaarlijkse verrekening achteraf waarborgt de inkomstenstabiliteit van de energiecentrale, maar beperkt ook de compensatie. De verrekening achteraf beschermt de energiecentrale tegen het risico van onverwachte bewegingen van de gemiddelde marktprijzen en biedt, aangezien deze wordt berekend voor een vaste referentiehoeveelheid (afhankelijk van de aanpassingen van de formule zoals beschreven in de overwegingen 88 en 90), bovendien bescherming tegen volumerisico’s. Enerzijds garandeert de verrekening achteraf dat de kerncentrale na afloop van elk jaar waar nodig een aanvulling op de gemiddelde marktprijzen ontvangt om de streefvergoeding te halen. Als het jaarlijkse gemiddelde van de spotprijzen per uur op de day-aheadmarkt (d.w.z. de referentieprijs) achteraf gezien lager was dan de uitoefenprijs, biedt de verrekening de vergoeding die de markt niet heeft opgeleverd. Anderzijds zorgt de verrekening ervoor dat, indien de jaarlijkse gemiddelde marktprijs meer dan voldoende was om de streefvergoeding te bereiken, het overschot (d.w.z. het verschil tussen referentieprijs en uitoefenprijs) door de centrale wordt terugbetaald om overcompensatie te voorkomen.

(451)

Wat betreft de aanpassingen in de term voor verrekening in de vergoedingsformule van de afnameovereenkomst zoals beschreven in de overwegingen 88 en 90, biedt de eerste aanpassing (wanneer de referentieprijs (p’) hoger is dan de variabele operationele kosten (c)) extra inkomstenzekerheid voor de energiecentrale in geval van ongeplande onderbrekingen gedurende jaren met hoge gemiddelde marktprijzen. De compensatie wordt daarbij beperkt tot het verschil tussen de referentieprijs en de uitoefenprijs vermenigvuldigd met de werkelijke hoeveelheid in plaats van de referentiehoeveelheid. Door middel van de tweede aanpassing (wanneer de marktreferentieprijs (p’) gelijk is aan of lager dan de variabele operationele kosten (c)) wordt een plafond voor de verrekening vastgesteld; dit zorgt dus voor een beperking van overcompensatie. Bijvoorbeeld, in geval van zeer lage marktprijzen waarin de centrale wordt gestimuleerd om de productie efficiënt te verminderen, wordt de compensatie op grond van de verrekening beperkt tot het verschil tussen de uitoefenprijs en de operationele kosten voor de referentiehoeveelheid. De Commissie is daarom van mening dat dankzij de verrekening achteraf, met inbegrip van de aanpassingen, de energiecentrale niet meer compensatie ontvangt dan nodig is om de streefvergoeding te halen, terwijl tegelijkertijd wordt gezorgd voor inkomstenstabiliteit en efficiënte exploitatiestimulansen.

(452)

Daarnaast biedt de CfD-vergoedingsformule in de afnameovereenkomst, zoals besproken in punt 8.3.3.6.2, efficiënte stimulansen voor de energiecentrale om de winsten te maximaliseren in plaats van de productie. Dit winstgevendheidseffect blijkt ook uit het feit dat de Tsjechische autoriteiten schatten dat de energiecentrale op basis van de CfD-vergoedingsformule gemiddeld op hogere inkomsten en lagere kosten kan rekenen dan bij maximalisering van de productie (zie overweging 150). Bijgevolg leidt de vervanging van de aanpak op basis van vaste PPA-prijzen door de vergoedingsformule in de afnameovereenkomst tot een kleinere financieringskloof (hogere verwachte inkomsten en lagere verwachte kosten), waardoor de uitoefenprijs en het vereiste steunbedrag lager uitvallen.

8.3.3.5.1.3.   Mechanisme tegen overcompensatie

(453)

In het inleidingsbesluit betwijfelde de Commissie of het door Tsjechië voorgestelde mechanisme voor winstdeling overcompensatie voldoende zou voorkomen en was zij van mening dat de verdeelsleutel van 50:50 niet overeenstemde met de verdeling van de risico’s tussen de begunstigde en de staat, uitgaande van de oorspronkelijk aangemelde maatregel.

(454)

Ten eerste herinnert de Commissie eraan dat, zoals uiteengezet in het vorige punt, de herziene vergoedingsmethode in het kader van de afnameovereenkomst het risico op overcompensatie in geval van hoge marktprijzen beperkt, aangezien de exploitant verplicht is om bovenmatige inkomsten die worden behaald omdat de marktprijzen hoger zijn dan de uitoefenprijs uit de afnameovereenkomst aan het SPV terug te betalen. Erkend wordt dat een vaste prijs per eenheid geproduceerde elektriciteit, zoals oorspronkelijk door Tsjechië aangemeld, een vergelijkbaar effect zou hebben gehad, terwijl deze over een langere periode zou zijn toegepast (d.w.z. gedurende de hele levensduur van de centrale in plaats van gedurende veertig jaar, de maximale looptijd van de afnameovereenkomst). De Commissie merkt echter op dat uit de modelleringsresultaten blijkt dat de stimulansen voor een efficiënte exploitatie die in de herziene vergoedingsformule zijn ingebouwd, zich waarschijnlijk zullen vertalen in een lagere uitoefenprijs dan bij een afnameovereenkomst met een vaste prijs, vanwege lagere exploitatiekosten en hogere marktinkomsten, en dus in lagere steunniveaus gedurende de looptijd van de afnameovereenkomst.

(455)

Ten tweede merkt de Commissie met betrekking tot de winstdeling op dat Tsjechië de verdeelsleutel van 50:50 tijdens de afnameovereenkomst handhaaft en deze in de twintig jaar na het verstrijken van de afnameovereenkomst licht verhoogt tot 60:40 ten voordele van de begunstigde. Volgens Tsjechië is deze stijging gerechtvaardigd, omdat de begunstigde sterker zal worden blootgesteld aan marktprijsrisico’s. De Commissie is het ermee eens dat de verkorting van de duur van de afnameovereenkomst tot veertig jaar het algemene risicoprofiel van het project verhoogt, omdat hierdoor marktprijsrisico’s worden geïntroduceerd gedurende een aanzienlijke periode die een derde van de verwachte levensduur van de centrale bestrijkt. Daarom is de Commissie van oordeel dat het herziene winstdelingsmechanisme beter is afgestemd op het globaal genomen hogere risicoprofiel van het project dat voortvloeit uit de aanpassingen van maatregel 1, met name de verkorting van de periode waarin rechtstreeks prijsondersteuning wordt geboden. Het winstdelingsmechanisme zal ervoor zorgen dat alle extra voordelen voor EDU II met de staat worden gedeeld, terwijl EDU II tegelijkertijd voldoende wordt gestimuleerd om naar de verwezenlijking van dergelijke extra voordelen te streven, bijvoorbeeld door middel van kostenverlagingen.

(456)

Tsjechië wijst erop dat de voorgestelde verdeelsleutel, zelfs met de lichte aanpassing daarvan na afloop van de afnameovereenkomst, zorgt voor meer winstdeling tussen de exploitant en de staat (namelijk 50:50 tijdens de afnameovereenkomst en 60:40 voor de rest van de levensduur van de kerncentrale) dan bij de eerdere investering in de kerncentrale Hinkley Point C (HPC), waarbij de Commissie een initiële verdeelsleutel van 70:30, die werd toegepast op een hoger IRR dan in het onderhavige geval, als evenredig beoordeelde. De Commissie merkt op dat het winstdelingsmechanisme bij HPC in feite gebaseerd was op twee drempels, op grond waarvan de verdeelsleutel tussen de begunstigde en de staat veranderde van 70:30 in 40:60 wanneer het gerealiseerde intern rendement op eigen vermogen boven de tweede (hogere) drempel uitkwam. Het winstdelingsmechanisme bij HPC voorziet derhalve niet in alle mogelijke omstandigheden in een minder gunstige verdeelsleutel voor de staat dan bij het project. Tegelijkertijd is de Commissie van mening dat het winstdelingsmechanisme bij HPC niet noodzakelijkerwijs een goede benchmark is voor de beoordeling van het voorgestelde mechanisme tegen overcompensatie van het project, omdat er aanzienlijke verschillen tussen de projecten bestaan wat hun risicoprofielen, marktomstandigheden en steunpakketten aangaat.

(457)

Ten derde hebben de Tsjechische autoriteiten ook gewezen op de concurrerende EAB-aanbesteding, waarbij volgens hen een marktconform mechanisme wordt toegepast, waardoor er bij de onderliggende aannamen over de investeringskosten in het financieel model geen sprake kan zijn van mogelijke onvoorziene omstandigheden. De Commissie is het ermee eens dat het uitvoeren van een concurrerende procedure voor de selectie van de EAB-contractant, waarbij potentiële leveranciers tegen elkaar opbieden om de opdracht binnen te halen, waarschijnlijk een betere prijs-kwaliteitverhouding oplevert dan bijvoorbeeld een onderhandse gunning (d.w.z. zonder mededinging) van het EAB-contract. Aangezien de investeringskosten die in het financieel model worden gebruikt om de uitoefenprijs van de afnameovereenkomst te berekenen, worden bepaald in een openbare aanbestedingsprocedure, kunnen de risico’s op overcompensatie inderdaad worden beperkt.

(458)

Tot slot merkt de Commissie op dat de winst van het SPV als gevolg van de aanpassingen van het mechanisme tegen overcompensatie ofwel de vorm zal aannemen van een forfaitaire betaling die de begunstigde aan het SPV betaalt, ofwel zal leiden tot een verlaging van de uitoefenprijs in de afnameovereenkomst, waardoor de hoeveelheid door de staat te verlenen steun gedurende de gehele exploitatieperiode van de centrale zal afnemen.

(459)

In het licht van de bovenstaande argumenten is de Commissie van oordeel dat de controlemechanismen voor overcompensatie die zijn vervat in de vergoedingsformule in de afnameovereenkomst en het herziene mechanisme voor winstdeling geschikt zijn en passen bij de verdeling van de risico’s tussen de begunstigde en de staat.

8.3.3.5.2.   De initiële aannamen en de analyse van scenario’s in het financiële model

(460)

De Tsjechische autoriteiten hebben diverse aannamen gedaan over parameters die nog onbekend zijn, maar die een aanzienlijke invloed hebben op de uitoefenprijs. Deze betreffen met name de verwachte marktprijzen, de beschikbaarheid van de centrale, de bouwkosten, de exploitatiekosten, de ontmantelingskosten en de kapitaalkosten.

(461)

Deze aannamen worden gebruikt als input voor het financiële model om de thans verwachte uitoefenprijs te berekenen (zie punt 3.6.2), met als doel gedurende de operationele levensduur van het project een intern rendement op eigen vermogen van [9 tot 11] % te bereiken. De uitoefenprijs is dus een output van het financiële model en zal dienovereenkomstig worden berekend.

(462)

Bepaalde aannamen hebben ook een rechtstreeks effect op het verwachte intern rendement op eigen vermogen. Hoewel het model globaal gericht is op de verwezenlijking van een beoogd intern rendement op eigen vermogen van [9 tot 11] %, kunnen wijzigingen in nog onbekende inputparameters leiden tot afwijkingen van dit beoogde IRR. Bijvoorbeeld:

a)

Indien de technische beschikbaarheid daalt tot onder het streefcijfer van [70-100] %, waardoor de centrale niet kan produceren in perioden waarin de kosten c onder de marktprijs p liggen, leidt dit tot lagere rendementen; wanneer dit gebeurt op niet-legitieme gronden, leidt dit tot een vermindering van het intern rendement op eigen vermogen.

b)

Als de marktprijzen p voor een groot deel van de levensduur van het project onder de exploitatiekosten c liggen, zal de centrale niet in bedrijf zijn. In dit geval beperkt het tweede deel van de vergoedingsformule de compensatie, waarbij het intern rendement op eigen vermogen wordt verlaagd tot een verwacht niveau van […] %.

c)

Indien daarentegen de marktprijzen na afloop van de afnameovereenkomst aanzienlijk hoger zouden zijn dan in het basisscenario werd verwacht, zou dit resulteren in hogere rendementen dan het beoogde IRR van [9 tot 11] %. In dit geval wordt het winstdelingsmechanisme toegepast, waardoor 60 % van die extra opbrengsten naar EDU II vloeit en 40 % naar de staat.

(463)

Om de hierboven uiteengezette redenen zijn geloofwaardige aannamen, onder meer over de toekomstige marktprijzen, bouwkosten, exploitatiekosten, beschikbaarheid van de centrale, ontmantelingskosten en andere relevante parameters zoals kapitaaluitgaven en financiering van het project, van groot belang om een evenredig rendement voor het project te waarborgen. Veel van deze aannamen zijn in het geval van projecten voor nieuwe kerncentrales met grote onzekerheid omgeven. De aannamen over de bouwkosten van generatie III+- kerncentrales zijn in het recente verleden bij verschillende Europese projecten herhaaldelijk onbetrouwbaar gebleken. Het is moeilijk om de kosten te ramen over een levensduur van zestig jaar. Hetzelfde geldt voor voorspellingen over de ontwikkeling van de marktprijzen tot het einde van de eeuw. Tegen deze achtergrond moeten de Tsjechische autoriteiten er niet alleen voor zorgen dat de aannamen die ten grondslag liggen aan de initiële steunverlening geloofwaardig zijn, maar ook dat wanneer aanpassing van die parameters vereist is, dit op voorspelbare, transparante, objectieve en verifieerbare wijze gebeurt.

(464)

De Tsjechische autoriteiten hebben aannamen gedaan over de verschillende inkomsten- en kostenparameters die als input dienen voor het financiële model, zoals uiteengezet in punt 3.6.6.

(465)

Wat de ramingen van de marktprijzen betreft, moet worden opgemerkt dat er geen termijnmarktprijzen beschikbaar zijn voor perioden die zo ver in de toekomst liggen als de periode na de afnameovereenkomst. Hoewel tijdens de looptijd van de afnameovereenkomst afwijkingen van de marktprijsprognoses grotendeels worden gecompenseerd door de mechanismen in die overeenkomst, die EDU II beschermen tegen afwijkingen van de gemiddelde prijzen, geldt dit niet voor de periode na de afnameovereenkomst. Tsjechië heeft zich gebaseerd op de commerciële aannamen van ČEZ om de ontwikkeling van de gemiddelde jaarlijkse elektriciteitsprijzen in Tsjechië tussen 2035 en 2050 te ramen. Om de volledige verwachte levensduur van de centrale te dekken, gaan de Tsjechische autoriteiten ervan uit dat de marktprijzen in de periode 2051-2096, die ook de periode na afloop van de afnameovereenkomst omvat, geleidelijk zullen dalen met een constant percentage van […] % per jaar, rekening houdend met de verwachting dat de marktprijzen op langere termijn zullen dalen door een toename van hernieuwbare energiebronnen in het systeem. Zonder inflatiecorrectie wordt verondersteld dat de centrale marktprijs in 2036 eerst […] EUR/MWh zal bedragen, tegen 2050 zal dalen tot […] EUR/MWh en daarna geleidelijk zal dalen tot […] EUR/MWh in 2076 en […] EUR/MWh in 2096.

(466)

De Commissie kan niet met zekerheid voorspellen of deze prijzen daadwerkelijk op de markt tot stand zullen komen. In de effectbeoordeling van 2016 bij de herschikte elektriciteitsverordening (Verordening (EU) 2019/943) werd gesteld dat “het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in 2050 naar verwachting ongeveer 60 % zal bedragen. In dit geval neemt de spread tussen de basislasttarieven en de pieklasttarieven aanzienlijk toe, voornamelijk als gevolg van de lagere basislasttarieven vergeleken met de voorgaande perioden. De gemiddelde prijzen op de day-aheadmarkt blijven echter gedurende de gehele prognoseperiode hoog, aangezien thermische opwekking naar verwachting gedurende de meeste uren van het jaar nog steeds marginaal zal zijn (wat bepalend is voor de day-aheadmarktprijs).” (193) Op basis van deze aannamen zouden de gemiddelde prijzen op de day-aheadmarkt in de EU volgens het model in de effectbeoordeling stijgen van 74 EUR/MWh in 2020 tot 118 EUR/MWh in 2035, om daarna relatief stabiel te blijven (122 EUR/MWh in 2050). Volgens de beoordeling van 2016 zou de prognose van langzaam dalende prijzen vanaf 2036 dus niet overeenkomen met de studies van de Commissie.

(467)

De ambities met betrekking tot het aandeel hernieuwbare energie zijn sindsdien echter aanzienlijk toegenomen. De richtlijn hernieuwbare energie, die in 2018 werd vastgesteld en dus parallel aan de bovengenoemde effectbeoordeling werd opgesteld, bevatte een streefcijfer voor hernieuwbare energie van 30 % in het eindenergieverbruik tegen 2030. In de herziene richtlijn hernieuwbare energie, die in 2023 is vastgesteld, wordt het bindende streefcijfer van de EU voor hernieuwbare energie voor 2030 verhoogd tot minimaal 42,5 %, hoewel het uiteindelijke doel 45 % is. In de Europese klimaatwet (194) is bepaald dat de in het Unierecht geregelde emissies en verwijderingen van broeikasgassen in de hele Unie uiterlijk in 2050 binnen de Unie in evenwicht moeten zijn, zodat de netto-uitstoot tegen die datum tot nul kan worden teruggebracht, en dat de Unie daarna naar negatieve emissies streeft. Deze verhoogde ambitie voor de productie van hernieuwbare energie, die meestal gepaard gaat met lage marginale kosten, en de verhoogde decarbonisatiedoelstellingen betekenen dat de aanname in de beoordeling van 2016 dat “thermische opwekking naar verwachting gedurende de meeste uren van het jaar nog steeds marginaal zal zijn (wat bepalend is voor de day-aheadmarktprijs)” voor 2050 nog niet als een gegeven kan worden beschouwd. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat energieproductie met hoge marginale kosten een belangrijke rol blijft spelen (bv. door het gebruik van technologie voor koolstofafvang en -opslag of koolstofarme brandstoffen zoals waterstof), kan op grond van andere scenario’s redelijkerwijs worden aangenomen dat er sprake zal zijn van een hoog aandeel uren met zeer lage marginale kosten. Dit is immers iets wat af en toe in bepaalde delen van de elektriciteitsmarkt van de Unie al te zien valt (195). Als zich dit nu al in uitzonderlijke gevallen voordoet, in perioden met een hoge productie van hernieuwbare energie en een lage vraag, kan dit worden beschouwd als een van verschillende plausibele scenario’s voor de periode na afloop van de afnameovereenkomst, die in 2078 begint. De Tsjechische autoriteiten stellen echter niet dat de elektriciteitsprijzen na afloop van de afnameovereenkomst gemiddeld bijna nul zullen zijn. Zij gaan er daarentegen van uit dat de gemiddelde prijzen langzaam zullen dalen (196) en in 2096 nog gemiddeld […] EUR/MWh zullen bedragen.

(468)

Om de invloed van verschillende aannamen over de prijzen op het model te laten zien, hebben de Tsjechische autoriteiten in het financieel model prijsgevoeligheidsanalyses opgenomen, gebaseerd op aanvullende scenario’s, waarin wordt uitgegaan van constante jaarlijkse gemiddelde marktprijzen die variëren van –10 EUR/MWh tot 150 EUR/MWh. In de scenario’s met marktprijzen van –10 EUR/MWh, 10 EUR/MWh en 20 EUR/MWh verwachten zij dat de centrale na afloop van de afnameovereenkomst zal worden gesloten, aangezien de inkomsten lager zouden zijn dan de exploitatiekosten. In dit geval bestaat er geen risico op overcompensatie. Indien daarentegen de elektriciteitsprijzen aanzienlijk hoger zouden zijn dan aangenomen, zou dit leiden tot een stijging van het IRR. Indien het IRR echter hoger uitvalt dan het streefpercentage van [9 tot 11] %, wordt een winstdelingsmechanisme toegepast, waarbij de staat 40 % van de extra inkomsten van EDU II terugkrijgt. Bijgevolg zou, indien de elektriciteitsprijzen gedurende de levensduur van de installatie 150 EUR/MWh bedragen, het intern rendement op eigen vermogen gedurende de looptijd van het project […] % vóór winstdeling bedragen, en […] % na winstdeling. Dit maakt dat zelfs wanneer de elektriciteitsprijzen aanzienlijk hoger zijn dan verwacht, het risico op overcompensatie beperkt is.

(469)

Op basis van de bovenstaande overwegingen zijn de aannamen inzake de elektriciteitsprijzen dus plausibel en waarborgt de toepassing van een winstdelingsmechanisme op eventuele extra inkomsten door hogere elektriciteitsprijzen, met name na afloop van de afnameovereenkomst, dat er in dit opzicht sprake is van evenredigheid.

(470)

Andere belangrijke aannamen (met name met betrekking tot de bouwkosten en de beschikbaarheid) zijn gebaseerd op ervaringen met andere projecten en door technologieleveranciers verstrekte specificaties van de technische capaciteiten. Indien de in het basisscenario gehanteerde aannamen te optimistisch blijken, zou dit ofwel kunnen leiden tot een stabiel IRR (indien de kostenstijgingen op legitieme gronden zijn gebaseerd en dus geen gevolgen hebben voor het IRR), ofwel tot een verlaging van het IRR. Op basis van de informatie die is verstrekt over ervaringen met andere recente kernenergieprojecten, hebben de Tsjechische autoriteiten voldoende aannemelijk gemaakt dat een aanzienlijke kostenverlaging onwaarschijnlijk is. Zelfs in het geval dat een dergelijke kostenverlaging tot een hoger IRR zou leiden, zou het worden beperkt door het winstdelingsmechanisme. Hoewel er een aanzienlijk risico bestaat op kostenstijgingen die verder gaan dan wordt aangenomen in het basisscenario, zou dit niet leiden tot overcompensatie.

(471)

Wat de financieringskosten betreft, is de voorspelling veel betrouwbaarder dan voor de technische elementen. Deze is gebaseerd op de duidelijk omschreven financieringskosten in het kader van de staatslening. De aannamen over particuliere herfinanciering kunnen een beperkt effect hebben op het IRR, maar zijn afgeleid van de rente op de staatslening. Bijgevolg zijn de veronderstellingen over de financieringskosten voldoende aannemelijk.

(472)

Het financiële model, zoals beschreven in punt 3.6.2, wordt gebruikt om de uitoefenprijs te berekenen die nodig is om gedurende de operationele levensduur van het project een intern rendement op eigen vermogen van [9 tot 11] % te bereiken. Voor het initiële (of basis)scenario gebruikt het financieel model als input verschillende aannamen, waarvan een groot aantal na de sluiting van het EAB-contract zullen worden bijgewerkt. Zoals hierboven beschreven, is de Commissie van mening dat deze initiële aannamen plausibel zijn. Het actualiseringsproces is gebaseerd op de lijst van parameters in de bijlage. Deze uitputtende lijst geeft aan welke parameters kunnen worden geactualiseerd en kunnen leiden tot een bijstelling (zowel naar boven als naar beneden) van de uitoefenprijs om het beoogde intern rendement op eigen vermogen te halen. Het actualiseringsproces is derhalve voldoende transparant en voorspelbaar.

(473)

De Commissie heeft de functionaliteit van het financieel model beoordeeld en is van mening dat het geschikt is om de minimale uitoefenprijs te berekenen die nodig is om het streefrendement te bereiken, gebruikmakend van verschillende inputvariabelen. De Commissie heeft vastgesteld dat het financiële model op grond van de initiële aannamen, mede met betrekking tot de load following, zoals beschreven in overweging 149, uitkomt op een geraamde initiële uitoefenprijs van [65 tot 80] EUR, waarmee het beoogde rendement van [9 tot 11] % wordt bereikt.

(474)

De Commissie heeft ook vastgesteld dat in het financieel model rekening kan worden gehouden met een reeks aannamen (scenario’s) voor de inputvariabelen en dat het door het financieel model geraamde IRR dienovereenkomstig varieert. Voorts heeft de Commissie vastgesteld dat het financiële model kan worden gebruikt om de uitoefenprijs te berekenen die nodig is om het streefrendement in deze verschillende scenario’s te bereiken.

(475)

De Commissie concludeert derhalve dat het financiële model van het project, met inbegrip van de werking ervan en de onderliggende aannamen, plausibel en geschikt is om het voorgestelde streefrendement voor het project te waarborgen.

8.3.3.5.3.   Benchmarking van het rendement

8.3.3.5.3.1.   Inleiding

(476)

In dit punt bespreekt de Commissie haar beoordeling van het rendement (RoE) van de investering in EDU II. Om de evenredigheid van de staatssteunmaatregel te waarborgen en overcompensatie te voorkomen, moet de staatssteunmaatregel ervoor zorgen dat de begunstigde het minimumrendement behaalt dat nodig is om de investering in EDU II uit te voeren. Met andere woorden, het minimumrendement dat nodig is om de financieringskloof van het project te dichten. De financieringskloof wordt gedefinieerd als het verschil tussen de netto contante waarde in het feitelijke scenario en het nulscenario en is tegelijkertijd het minimumbedrag aan staatssteun dat nodig is om een stimulerend effect op de begunstigde te bewerkstelligen en het maximale bedrag aan staatssteun dat vereist is om de investering op gang te brengen.

(477)

De financieringskloof is een fundamenteel begrip in de normale besluitvorming van bedrijven. Wanneer ondernemingen die naar winstmaximalisatie streven moeten beslissen of zij een project willen uitvoeren, beoordelen zij de waarde van het betreffende project in vergelijking met de alternatieven en kiezen zij het project met het hoogste verwachte rendement. Willen ondernemingen bereid zijn een project uit te voeren dat niet het hoogste verwachte rendement biedt, dan moeten zij hiertoe dus worden gestimuleerd door middel van staatssteun die groot genoeg is om de financieringskloof te dichten.

(478)

In dit geval bestaat het feitelijke scenario uit een investering in het EDU II-project, terwijl in het nulscenario deze investering achterwege blijft. In het financiële model van Tsjechië wordt de verwachte waarde van het EDU II-project op de waarderingsdatum, 31 december 2023, berekend door de positieve en negatieve kasstromen die het project naar verwachting gedurende zijn levensduur zal genereren, te disconteren. Uit het financiële model van Tsjechië voor het feitelijke scenario (d.w.z. de investering in EDU II) blijkt dat de voorgestelde staatssteunmaatregelen resulteren in een netto contante waarde die gelijk is aan nul en dat de staatssteunmaatregelen daarop worden afgestemd (d.w.z. dat de uitoefenprijs in de afnameovereenkomst zodanig wordt berekend dat de netto contante waarde van het project, met inbegrip van de steun, op nul uitkomt). In dit geval blijft de investering in het nulscenario achterwege (d.w.z. de netto contante waarde in het nulscenario is nul). Het feit dat de netto contante waarde in het feitelijke scenario, met inbegrip van de voorgenomen staatssteun, en de netto contante waarde in het nulscenario gelijk zijn, betekent dat met de voorgestelde staatssteunmaatregelen de financieringskloof wordt gedicht en de investering in EDU II zonder overcompensatie wordt gestimuleerd (197).

(479)

Een netto contante waarde in het feitelijke scenario (waarbij de investering in EDU II wordt verkregen door toekenning van de staatssteunmaatregelen) houdt in dat de WACC van het project, of de kapitaalkosten, en het interne rendement (IRR) of het rendement van het project gelijk zijn. De WACC is het gewogen gemiddelde van de kosten van eigen vermogen en de kosten van schuldfinanciering, zoals besproken in punt 3.6.5. Het rendement van het project houdt dus rekening met de gehele kapitaalstructuur die wordt gebruikt om het project te financieren, d.w.z. het door de aandeelhouders verstrekte eigen vermogen en de door de kredietverleners verstrekte schuld.

(480)

In het geval van EDU II heeft de Commissie bij de beoordeling gekeken naar het beoogde rendement op eigen vermogen. In dit geval wordt het eigen vermogen namelijk verstrekt door ČEZ, terwijl de schuld wordt verstrekt door de staat (staatslening) tegen een gesubsidieerde rentevoet (zie punt 3.7). De schuld (of lening) tegen een gesubsidieerd tarief en het contract ter verrekening van verschillen (CfD), via de uitoefenprijs, zijn de maatregelen waarmee de financieringskloof van het EDU II-project wordt gedicht. Door de evenredigheid van de kosten van eigen vermogen vast te stellen wordt dus de evenredigheid van de totale staatssteun gewaarborgd.

(481)

De raming van de kosten van eigen vermogen is vervolgens bedoeld om te beoordelen of het rendement van de aandeelhouders evenredig is. Aangezien de kosten van schuldfinanciering van de staatslening gegeven zijn, wordt de uitoefenprijs van het contract ter verrekening van verschillen, zodra het beoogde rendement op eigen vermogen evenredig wordt bevonden, zodanig gekalibreerd dat de financieringskloof door de totale staatssteun wordt gedicht, d.w.z. een netto contante waarde van nul oplevert voor het feitelijke scenario (198). Met andere woorden, de evenredigheid van de staatssteun wordt gewaarborgd door de kalibratie van de uitoefenprijs, uitgaande van de gesubsidieerde kosten van schuldfinanciering en het evenredige rendement op eigen vermogen. Om deze redenen richt de Commissie zich in de rest van dit punt op de beoordeling van de evenredigheid van het beoogde rendement op eigen vermogen.

8.3.3.5.3.2.   Beoordeling

8.3.3.5.3.2.1.   Standalone Major Risk Premium

(482)

In het inleidingsbesluit heeft de Commissie twijfels geuit over de evenredigheid van het door Tsjechië beoogde rendement op eigen vermogen en met name over de noodzaak om naast het basisrendement een “stand alone major risk premium” (SMRP) van 3 tot 3,5 % op te nemen (199).

(483)

Met betrekking tot het SMRP heeft Tsjechië aangevoerd dat kerncentrales vergeleken met andere projecten voor elektriciteitsopwekking bepaalde unieke kenmerken en risico’s vertonen, die in aanmerking moeten worden genomen door een specifieke risicopremie op te nemen in het op basis van het CAPM bepaalde rendement op eigen vermogen. Met het door Tsjechië geraamde percentage van 3 tot 3,5 % zou rekening worden gehouden met deze risico’s, die niet in aanmerking worden genomen bij de raming van de bèta’s van gediversifieerde energiebedrijven die betrokken zijn bij meer traditionele vormen van opwekking en gereguleerde netwerkbedrijven (200).

(484)

In het inleidingsbesluit heeft de Commissie vraagtekens geplaatst bij de noodzaak van een SMRP, gezien de drie steunmaatregelen die zijn voorgesteld om de risico’s in verband met kerncentrales aan te pakken. De Commissie voerde hierbij aan dat de risico’s die de investeerder nog draagt gelet op de afnameovereenkomst, staatslening en het mechanisme voor de bescherming tegen wetswijzigingen al zijn verdisconteerd in het op basis van het CAPM bepaalde rendement op eigen vermogen, en twijfelde daarom aan de noodzaak van een aanvullende risicopremie (201).

(485)

Na het inleidingsbesluit heeft Tsjechië op 25 september 2023 een document ingediend om de opname van een SRMP te onderbouwen (202). De Commissie merkt op dat de verwijzingen naar de vakliteratuur die Tsjechië in dat document heeft opgenomen (203) geen argumenten bieden voor de opname van een dergelijke premie wanneer er overheidsmaatregelen voorzien zijn. De reden hiervoor is dat de staatssteun de noodzaak van een hogere vergoeding wegneemt door ten minste een deel van de risico’s weg te nemen die anders specifiek voor nucleaire investeringsprojecten zouden gelden. Bovendien werd er ook geen SMRP toegepast bij Hinkley Point C, noch bij Paks II (204). De Commissie concludeert derhalve dat opname van de SMRP in de geraamde bandbreedte voor het rendement op eigen vermogen in dit geval niet evenredig zou zijn.

(486)

In de loop van het onderzoek hebben de Tsjechische autoriteiten ermee ingestemd dat bij de berekening van de kosten van eigen vermogen geen rekening zal worden gehouden met de SMRP. De in het inleidingsbesluit geuite twijfels over het opnemen van een SMRP zijn hiermee weggenomen.

8.3.3.5.3.2.2.   Streefrendement op eigen vermogen

(487)

In dit punt beoordeelt de Commissie of het streefrendement op eigen vermogen van [9 tot 11] % evenredig is. Daartoe vergelijkt de Commissie het door Tsjechië nagestreefde rendement op eigen vermogen met een marktconforme bandbreedte voor de kosten ven eigen vermogen. Wanneer het streefrendement hoger ligt dan de bandbreedte, is er sprake van een onevenredig hoog rendement, wanneer het lager ligt dan de bandbreedte, is er sprake van een onevenredig laag rendement (d.w.z. een rendement dat een marktinvesteerder niet zou aanvaarden).

(488)

Om deze marktconforme bandbreedte voor het rendement op eigen vermogen te ramen, volgt de Commissie de standaard CAPM-benadering (205) waarmee een theoretisch rendement op eigen vermogen of een bandbreedte daarvoor wordt vastgesteld, door elk van de componenten ervan te ramen op basis van marktgegevens. Daarnaast toetst de Commissie haar analyse door de op basis van het CAPM bepaalde bandbreedte te vergelijken met die van bedrijfstakken die vergelijkbaar zijn met de nucleaire industrie en dus met EDU II.

(489)

Zodra de bandbreedte voor het rendement op eigen vermogen is geraamd, formuleert de Commissie haar conclusie over de evenredigheid van het streefrendement. Tot slot beoordeelt de Commissie hoe het streefrendement op eigen vermogen zou veranderen indien de kosten en het tijdschema zouden veranderen.

8.3.3.5.3.3.   Raming van de kosten van eigen vermogen

(490)

In dit punt raamt de Commissie de kosten van eigen vermogen in haar eigen basisscenario, alsook een bandbreedte voor de kosten van eigen vermogen. De bandbreedte wordt vastgesteld door uit te gaan van een “laag” scenario en een “hoog” scenario. Voor elk van de parameters voor de kosten van eigen vermogen licht de Commissie toe waarom de aannamen van Tsjechië worden aanvaard of verworpen, en verstrekt zij benchmarks op basis van algemeen aanvaarde bronnen.

(491)

De door de Commissie gebruikte methode voor de raming van de kosten van eigen vermogen is gebaseerd op de standaard CAPM-formule, die ook door Tsjechië wordt gehanteerd en in punt 3.6.5.1 wordt beschreven. Hieronder wordt uitgelegd hoe de Commissie de parameters voor de kosten van eigen vermogen heeft geraamd.

(492)

Wat het risicovrije rendement (RfR) betreft, merkt de Commissie op dat Tsjechië de bandbreedte heeft geraamd op basis van de tweejaars- en twintigjaarsgemiddelden van euro-staatsobligaties met een looptijd van dertig jaar, Duitse staatsobligaties met een looptijd van dertig jaar en Europese AAA-bedrijfsobligaties met een looptijd van meer dan tien jaar, en vervolgens een premie heeft toegevoegd om deze gemiddelden om te zetten in een RfR-bandbreedte voor Tsjechië (206). De Commissie acht het passender om bedrijfsobligaties niet als indicatie van het risicovrije rendement te beschouwen, omdat deze niet als risicovrij kunnen worden aangemerkt. Voorts acht de Commissie het passender om te kijken naar actuele gegevens over perioden van zes en twaalf maanden, in plaats van naar gegevens over perioden van twee of twintig jaar (207). Zo raamt de Commissie zelf het risicovrije rendement door een gemiddelde te nemen van het rendement van AAA-staatsobligaties in Duitsland en de eurozone met een looptijd van dertig jaar over een periode van zes maanden vanaf juli 2023 en een periode van twaalf maanden vanaf januari 2023. Deze gemiddelden zijn respectievelijk 2,72 % en 2,55 % (208). Wanneer de risicopremie van 0,6 % hierbij wordt opgeteld (209), komt de Commissie uit op een aangepaste RfR-bandbreedte van 3,09 % tot 3,26 %. Om voorzichtig te zijn, gaat de Commissie in haar lage scenario uit van de aanname van Tsjechië van 2,3 %, in haar basisscenario van 2,72 % en in haar hoge scenario van 3,26 %. De RfR-bandbreedte van de Commissie loopt dus van 2,30 % tot 3,26 %, tegen [2 tot 5] % in Tsjechië.

(493)

Voor de marktrisicopremie gaat Tsjechië uit van een marge van [5 tot 7] %, op basis van de gegevens van Damodaran en Fernandez, zoals besproken in punt 3.6.5.1. Deze databanken worden algemeen erkend en gebruikt in de financiële wereld en het bedrijfsleven. De Commissie acht deze bronnen betrouwbaar en gaat in haar lage scenario uit van het gemiddelde van de gegevens van Damodaran (5,6 % (210)) en in haar hoge scenario van het voorzichtige cijfer van Tsjechië van 6,3 % (211). In haar basisscenario gaat de Commissie voorzichtig uit van 6,1 %, het eenvoudige gemiddelde van de gegevens van Damodaran en Fernandez (212).

(494)

Voor de asset-bèta heeft de Commissie de door Tsjechië voorgestelde methode beoordeeld, die is gebaseerd op een gewogen gemiddelde van de bèta’s van een referentiegroep en die een bèta oplevert van […] (213). De Commissie stelde vast dat deze methode in overeenstemming is met algemeen erkende methoden (214). De Commissie vindt dit cijfer conservatief in vergelijking met de door Damodaran verstrekte informatie over de sector, die de asset-bèta gemiddeld op 0,54 raamt voor een steekproef van energiebedrijven (215). De Commissie gaat in haar hoge scenario uit van de bèta van Tsjechië van 0,54. Om voorzichtig te zijn, gaat de Commissie in haar basisscenario en in haar lage scenario echter uit van een bèta van 0,51, in tegenstelling tot de bèta van Tsjechië van […] (216). Deze bèta is het resultaat van een conservatieve beoordeling op basis van de door Tsjechië verstrekte gegevens (217) (218). Opgemerkt moet worden dat de Commissie om voorzichtig te zijn de standaard Hamada-benadering (219) hanteert voor de raming van de equity-bèta, in tegenstelling tot de door Tsjechië gehanteerde benadering van Harris-Pringle (220).

(495)

Tsjechië veronderstelde dat de gearing […] % was (221). De Commissie merkt op dat […] % de beoogde gearing van het project is (222), evenals de gemiddelde gearing van het project gedurende de levensduur ervan (223). Daarnaast merkt de Commissie op dat een gearing van […] % binnen de gearing van de referentiegroep van het project in het laatste beschikbare volledige boekjaar valt (224) en aanzienlijk conservatiever is dan de gearing van 98 % op basis van de kapitaalstructuur van het project (225). De Commissie wijst er ook op dat de gearing van […] % grotendeels in overeenstemming is met de door Damodaran verstrekte informatie over de sector, die voor een steekproef van elektriciteitsbedrijven de gemiddelde gearing raamt op 61,2 % (226). De Commissie gaat derhalve in haar drie scenario’s uit van een gearing van […] %.

8.3.3.5.3.3.1.   Conclusie

(496)

De conclusies van de Commissie over de kosten van eigen vermogen worden hieronder weergegeven in tabel 10. De tabel toont drie scenario’s voor de kosten van eigen vermogen, die het resultaat zijn van drie reeksen aannamen: een “laag” scenario, een “basisscenario” en een “hoog” scenario.

Tabel 10

Conclusies over de kosten van eigen vermogen

Scenario’s

Laag scenario

Basisscenario (227)

Hoog scenario (228)

Risicovrij rendement

2,3  %

2,7  %

3,3  %

Risicopremie op eigen vermogen

5,6  %

6,1  %

6,3  %

Asset-bèta

0,51

0,51

0,54

Gearing (D/(D + E))

[…] %

[…] %

[…] %

Kosten van eigen vermogen

[…] %

[…] %

[…] %

Mediaan bandbreedte kosten van eigen vermogen

[…] %

Bron:

Analyse Commissie.

(497)

De in tabel 10 weergegeven parameters resulteren in een bandbreedte voor de kosten van eigen vermogen die loopt van […] % tot […] % en een gemiddelde waarde van […] %, waarbij in het basisscenario wordt uitgegaan van een waarde van […] %. Het streefrendement op eigen vermogen van [9 tot 11] % ligt binnen deze bandbreedte en ligt lager dan het gemiddelde van de drie scenario’s. Om de in punt 8.3.3.5.3.2.1 uiteengezette redenen is in deze cijfers geen SMRP opgenomen. Deze cijfers zijn vergelijkbaar met de Tsjechische bandbreedte voor de kosten van eigen vermogen van […] tot […] en het gemiddelde van […], exclusief SMRP, zoals besproken in punt 3.6.5.1.

(498)

Deze cijfers zijn conservatief omdat de enige sectorspecifieke parameter in deze berekening de bèta is, die afkomstig is van een groep ondernemingen die actief is op het gebied van kernenergie, maar met een gevarieerde portefeuille. Hoewel de steunmaatregelen de risico’s flink beperken, lopen nucleaire projecten altijd nog aanzienlijke risico’s, wat ook voor EDU II geldt. Deze omvatten met name een lager dan verwachte beschikbaarheid, stijgingen van de bouw- of exploitatiekosten die niet gebaseerd zijn op legitieme gronden, vertragingen bij de bouw waardoor de uiterste datum van oplevering niet wordt gehaald, ongeplande onderbrekingen, met name in perioden met hoge prijzen, en de elektriciteitsprijzen na afloop van de afnameperiode, die aanzienlijk lager kunnen uitvallen dan momenteel wordt verwacht. Bedrijven met meerdere centrales en andere activiteiten op de energiemarkt kunnen veel van deze risico’s gedeeltelijk beperken, en als die bedrijven last hebben van de risico’s, hebben deze slechts gevolgen voor een deel van hun activiteiten. EDU II is een op zichzelf staand nucleair project en loopt dus meer risico’s dan vergelijkbare bedrijven met een gevarieerde portefeuille.

(499)

Voorts heeft de Commissie de databank van Damodaran over de kosten van eigen vermogen op sectorniveau gebruikt als benchmark om het vereiste rendement op eigen vermogen te bepalen (229). Daartoe heeft de Commissie gekeken naar de gemiddelde kosten van eigen vermogen voor bedrijfstakken die het best te vergelijken zijn met de nucleaire industrie. Dit resulteerde in gemiddelde kosten van eigen vermogen van 10,21 tot 10,26 % (230). De voor deze sectoren berekende cijfers kunnen worden beschouwd als conservatieve ramingen voor kerncentrales, aangezien de enige sectorspecifieke parameter de bèta is, zoals uiteengezet in overweging 498.

(500)

De Commissie heeft het door Tsjechië verstrekte financiële model (231) gebruikt om te beoordelen hoe het intern rendement op eigen vermogen (of beoogd IRR) zou veranderen als gevolg van veranderingen in de bouwkosten en de bouwtijd (232).

De Commissie stelde vast dat in een scenario waarbij de kosten wegens niet-legitieme gronden met 10 % werden overschreden, het intern rendement op eigen vermogen tot […] % zou dalen. Dit is een waarschijnlijk scenario, gezien de recente geschiedenis van de sector voor kernenergie (233). Indien in plaats daarvan de werkelijke kosten 10 % lager zouden uitvallen dan verwacht, zou het intern rendement op eigen vermogen stijgen tot […] %. Dit is echter een onwaarschijnlijk scenario in deze sector.

Verder heeft de Commissie vastgesteld dat een vertraging in de bouw van vijf jaar zou resulteren in een intern rendement op eigen vermogen van […] %; indien de bouw daarentegen vijf jaar voor de uiterste datum zou worden voltooid, zou het intern rendement op eigen vermogen […] % bedragen. De vertraging bij de bouw is een realistisch scenario, gezien de eerdere ervaringen in de sector, terwijl een kortere bouwperiode onrealistisch is.

(501)

Op basis van deze gevoeligheidsanalyse kwam de Commissie uit op een bandbreedte voor het intern rendement op eigen vermogen van […] % tot […] %, met een gemiddelde van […] %. Deze bandbreedte ligt nooit boven de bandbreedte voor de kosten van eigen vermogen van […] % tot […] % en ligt gemiddeld onder het vereiste rendement van [9 tot 11] %, waardoor de evenredigheid van de staatssteunmaatregelen wordt gewaarborgd.

8.3.3.5.4.   De selectie van ČEZ als projectontwikkelaar

(502)

In het inleidingsbesluit betwijfelde de Commissie of ČEZ de meest efficiënte exploitant zou zijn en vroeg zij specifiek of een open selectie van de projectontwikkelaar had kunnen leiden tot een vermindering van de steun die nodig was voor de uitvoering van het project.

(503)

Zowel Tsjechië als ČEZ voerde in hun opmerkingen over het inleidingsbesluit in de eerste plaats aan dat er aanzienlijke kosten en tijd worden bespaard door de selectie van ČEZ als projectontwikkelaar. Tsjechië merkte met name op dat er dankzij de selectie van ČEZ ongeveer [200 tot 700] miljoen EUR aan extra kosten worden vermeden (zie overweging 254). Ook ČEZ merkte op dat de kosten van het project door zijn selectie als projectontwikkelaar mogelijk [200 tot 700] miljoen EUR lager uitvallen vergeleken met een geheel nieuw te ontwikkelen kerncentrale van een andere exploitant (zie overweging 339). De Commissie is van mening dat de gestelde kostenbesparingen, bestaande uit de waarde van de aangekochte locatie, de kosten van de reeds door ČEZ verrichte vergunningsaanvragen en ontwikkelingsactiviteiten, aannemelijk lijken en niet onder de geraamde kapitaaluitgaven voor het project vallen, waardoor het steunbedrag voor het project lager zal uitvallen dan bij een open selectie. In dit verband zorgen de vergoedingsformule en het mechanisme tegen overcompensatie (zie de punten 8.3.3.5.1, 8.3.3.5.2 en 8.3.3.5.3) ervoor dat de steun tot het strikt noodzakelijke minimum beperkt blijft.

(504)

In de tweede plaats moeten de algemene opzet van het project en de verdeling van de risico’s tussen de begunstigde en de staat, alsook de prikkels die door de steunmaatregelen worden geboden, ervoor zorgen dat de bouw- en exploitatiekosten tot een minimum worden beperkt. Hoewel veel risico’s door de steunmaatregelen worden beperkt, blijft EDU II blootgesteld aan het risico van stijgingen van de bouw- of exploitatiekosten die niet gebaseerd zijn op legitieme gronden of vertragingen bij de bouw waardoor de uiterste datum van oplevering niet wordt gehaald, wat een stimulans vormt om de kosten en vertragingen zoveel mogelijk te beperken. Tijdens de bouw- en ontwikkelingsfase van het project zal het totale maximaal toegezegde voorwaardelijke eigen vermogen van ČEZ voor de financiering van eventuele kostenoverschrijdingen 1,95 miljard EUR bedragen (overweging 197). Bovendien moet, zoals Tsjechië heeft uitgelegd, de actualisering van de inputwaarden voor het financiële model om de resultaten van de EAB-aanbesteding te verwerken, ervoor zorgen dat de werkelijke bouwkosten op basis waarvan de uitoefenprijs van de afnameovereenkomst wordt berekend, concurrerend zijn, waardoor er bij de onderliggende aannamen over de kosten in het financieel model geen sprake kan zijn van mogelijke onvoorziene omstandigheden (overweging 457). Ten slotte moedigt het winstdelingsmechanisme EDU II aan extra kostenbesparingen na te streven en meer inkomsten te realiseren, die deels met de staat zullen worden gedeeld.

(505)

Gezien het bovenstaande concludeert de Commissie dat het steunpakket voor het project de nodige waarborgen en stimulansen bevat om de kosten tot een minimum te beperken, en derhalve ook het steunbedrag dat voor het project nodig is, en is zij van mening dat het onwaarschijnlijk is dat een open selectie van de projectontwikkelaar tot lagere steunbedragen zou hebben geleid.

8.3.3.6.   Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

(506)

Wil de maatregel verenigbaar zijn met de interne markt, dan moeten de negatieve effecten van de maatregel in termen van verstoringen van de mededinging en beïnvloeding van het handelsverkeer tussen lidstaten beperkt zijn en mogen zij niet opwegen tegen de positieve effecten van de steun.

(507)

In het inleidingsbesluit was de Commissie van oordeel dat het project de mededinging op verschillende manieren kan verstoren.

(508)

Ten eerste plaatste de Commissie vraagtekens bij de technische en economische redenen op basis waarvan ČEZ (als enige eigenaar van EDU II) was geselecteerd als begunstigde van de maatregel, gezien het ontbreken van een aanbestedings- of selectieprocedure. Met name was het in dat stadium niet duidelijk of er misschien andere, potentieel efficiëntere marktdeelnemers waren die bereid waren het project met minder steun uit te voeren.

(509)

Ten tweede toonde de Commissie zich bezorgd over het feit dat de voorwaarden van de afnameovereenkomst tussen EDU II en het SPV zouden kunnen leiden tot inefficiënt gedrag van EDU II en tot verstoring van de rangorde op de elektriciteitsmarkt doordat goedkopere technologieën zoals hernieuwbare energiebronnen zouden worden verdrongen.

(510)

Ten derde wees de Commissie op de sterke positie van ČEZ op de Tsjechische elektriciteitsmarkt en uitte zij haar bezorgdheid over mogelijke verstoringen van de marktstructuur ten gevolge van de onderzochte steunmaatregel, bijvoorbeeld door verdringing van alternatieve investeringen.

(511)

Ten vierde kon de Commissie ten tijde van het inleidingsbesluit niet volledig uitsluiten dat ČEZ de werking van de downstreammarkt zou verstoren door de marktprijs te beïnvloeden of door andere vormen van strategisch gedrag die door grote productievolumes mogelijk worden gemaakt, zoals het achterhouden van capaciteit.

(512)

Ten slotte beschikte de Commissie niet over voldoende betrouwbare informatie om de effecten van het SPV op de markt te kunnen beoordelen.

8.3.3.6.1.   Keuze van ČEZ als projectontwikkelaar (234)

(513)

In het inleidingsbesluit merkte de Commissie op dat ČEZ als projectontwikkelaar werd gekozen zonder een aanbesteding, selectieprocedure of een openbare oproep tot het indienen van blijken van belangstelling, en vroeg zij om welke technische en economische redenen ČEZ was geselecteerd. In het verlengde daarvan vroeg de Commissie zich af of de keuze van ČEZ als projectontwikkelaar zou kunnen leiden tot een mogelijke verstoring van de marktstructuur.

(514)

Naar aanleiding van het inleidingsbesluit hebben de Tsjechische autoriteiten uitgelegd dat er alternatieve oplossingen voor de rol van de projectontwikkelaar waren overwogen, maar dat ČEZ als voorkeursoptie was geselecteerd (zie de overwegingen 50 tot en met 59).

(515)

De Tsjechische autoriteiten hebben verder aangegeven dat ČEZ als projectontwikkelaar de meest geschikte keuze is, aangezien het in staat is en goede economische redenen heeft om het project uit te voeren, maar ook uit andere overwegingen, zoals voorzieningszekerheid, nationale veiligheidsbelangen en technologische neutraliteit (zie overweging 247).

(516)

De Tsjechische autoriteiten hebben er bovendien op gewezen dat de selectie van ČEZ aanzienlijke efficiëntiewinsten oplevert, extra kosten voorkomt en niet de ontwikkeling van een afzonderlijke locatie vereist. Deze keuze levert dus aanzienlijke voordelen op voor een tijdige uitvoering van het project, die met de alternatieve opties niet kunnen worden verkregen (zie overweging 248).

(517)

De voordelen voor een tijdige oplevering werden door de Tsjechische autoriteiten toegelicht aan de hand van de voorbereidende werkzaamheden die ČEZ tot dusver heeft uitgevoerd. De ČEZ-groep is eigenaar van de voorgestelde locatie voor de kerncentrale. Het proces voor de aankoop van de voor de bouw benodigde grond is in april 2008 van start gegaan en in 2021 afgerond (overweging 249). Daarnaast heeft ČEZ haalbaarheidsstudies uitgevoerd, vergunningsaanvragen gedaan en ontwikkelingsactiviteiten ondernomen om Tsjechië tijd en kosten te besparen bij de ontwikkeling van het project. Bovendien heeft ČEZ begin 2021 alle belangrijke goedkeuringen en vergunningen verkregen die nodig zijn om het project overeenkomstig het projectplan uit te voeren (zoals de vestigingsvergunning voor de kerninstallatie en de MEB (overweging 250). Het verkrijgen van een vergunning voor een kerncentrale duurt doorgaans zes tot zeven jaar en van een MEB drie tot vijf jaar.

(518)

Verder hebben de Tsjechische autoriteiten uitgelegd dat ČEZ als eigenaar en exploitant van een kerncentrale grondige kennis en inzicht heeft in de regelgevingsvereisten voor een nieuwe kerncentrale, waaronder de vergunningsvereisten, en de wetgeving in Tsjechië (overweging 251). Bovendien zijn ČEZ en EDU II lid van verschillende internationale organisaties en hebben zij als zodanig toegang tot normen en processen die door regelgevende instanties wereldwijd worden erkend en bevorderd om bij te dragen tot voortdurende verbetering (zie overweging 251).

(519)

De Tsjechische autoriteiten onderstrepen voorts de sleutelrol van het project voor de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening in Tsjechië in de toekomst, met name gezien de ontmanteling van kolengestookte centrales. De Tsjechische autoriteiten wijzen er met name op dat de verwachte capaciteitskloof met een kortere ontwikkelingstermijn voor het project beter kan worden aangepakt. De ontwikkeling van een ander project op een andere locatie met een aanzienlijk langere tijdshorizon zou niet tegemoetkomen aan de dringende behoefte van het systeem aan voorzieningszekerheid (zie overweging 252).

(520)

Bovendien heeft Tsjechië verklaard dat indien een alternatieve projectontwikkelaar in Tsjechië een potentieel geschikte locatie voor een kerncentrale zou kopen, dit vergeleken met ČEZ zou leiden tot aanzienlijke vertragingen bij de uitvoering van het project. In dit alternatieve scenario (nulscenario) gaan de Tsjechische autoriteiten er concreet van uit dat de vertragingen tot 14 jaar kunnen oplopen in vergelijking met de tijdsplanning van het project. In het alternatieve scenario kon niet worden uitgesloten dat de kenmerken van de locatie of de stappen bij de planning die in het geval van EDU II goed werkten problemen of vertragingen zouden opleveren, waardoor de risico’s en kosten voor de ontwikkeling van het project zouden toenemen. Hoe dan ook stellen de Tsjechische autoriteiten dat er in Europa geen technologieneutrale, ervaren exploitanten te vinden zijn die kerncentrales buiten hun eigen land hebben ontwikkeld (zie overweging 253) (235).

(521)

Tsjechië wijst ook op de extra kosten die zich zouden voordoen indien een andere projectontwikkelaar dan ČEZ het project zou ontwikkelen. Tsjechië schat dat deze kosten ten minste [200 tot 700] miljoen EUR zouden bedragen (zie overweging 254). Ook ČEZ raamt de kostenbesparingen ten opzichte van andere exploitanten op ongeveer [200 tot 700] miljoen EUR.

(522)

De Tsjechische autoriteiten hebben verder opgemerkt dat de selectie van ČEZ als projectontwikkelaar in overeenstemming was met eerdere door de Commissie beoordeelde projecten voor kernenergie waarin geen open procedures werden gehouden voor de selectie van projectontwikkelaars vanwege de specifieke kenmerken van die projecten (zie overweging 255).

(523)

Tsjechië heeft ook bewijzen overgelegd van de ervaring die ČEZ heeft met de succesvolle oplevering en exploitatie van kerncentrales (zie overweging 256).

(524)

Daarnaast wijst Tsjechië, behalve op het belang van voorzieningszekerheid en nationale veiligheid, op het belang van financiële zekerheid, aangezien ČEZ over een sterke kredietwaardigheid beschikt (zie overweging 257).

(525)

Tot slot heeft Tsjechië aangegeven dat een aanbesteding voor de selectie van een projectontwikkelaar, waarbij mogelijk een ander bedrijf dan ČEZ wordt gekozen, aanzienlijke nadelen met zich mee zou brengen. Tsjechië stelt in wezen dat concurrentie in deze fase van het project niets zou opleveren als het erom gaat de meest efficiënte exploitant te kiezen. Wijzend op de hierboven vermelde redenen meent Tsjechië dat de concurrentie niet zal worden bevorderd door andere partijen te verzoeken blijken van belangstelling in te dienen of door een aanbesteding te organiseren, en dat de nadelen van dit proces, met name de vertragingen en extra kosten, alsook de veiligheidsproblemen die andere potentiële kandidaten mee kunnen brengen, dan ook niet konden worden gecompenseerd. Tsjechië verklaart ook dat derden in geen enkel stadium van de planning van het project klachten hebben ingediend of bezwaar hebben gemaakt tegen de aanwijzing van ČEZ als projectontwikkelaar.

(526)

Bovendien, en meer specifiek, heeft geen enkele concurrent of andere derde bezwaar gemaakt tegen de keuze van ČEZ als projectontwikkelaar. Daarentegen hebben sommige derden uitdrukkelijk opgemerkt dat zij de zorgen van de Commissie over de keuze van ČEZ zonder aanbesteding of raadpleging niet delen; zij achtten het volledig gerechtvaardigd om een door de overheid gecontroleerd energiebedrijf te belasten met de bouw en exploitatie van een nieuwe kerncentrale (zie de overwegingen 300 en 301).

(527)

Gezien het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat de argumenten die Tsjechië en derden tijdens het formele onderzoek hebben aangevoerd, voldoende tegemoetkomen aan de twijfels die zij in het inleidingsbesluit heeft geuit over de selectie van ČEZ als projectontwikkelaar en de mogelijke verstoring van de marktstructuur. De Commissie merkt op dat dit niets afdoet aan de vraag of voor toekomstige projecten op het gebied van kernenergie niet een werkelijk open selectieprocedure moet worden gebruikt om ervoor te zorgen dat de steun tot het strikt noodzakelijke minimum beperkt blijft.

(528)

Tot slot is de Commissie van mening dat de selectie van ČEZ als projectontwikkelaar waarschijnlijk niet zal leiden tot buitensporige verstoringen van de mededinging, zoals nader toegelicht in punt 8.3.3.6.3. Bovendien heeft tijdens het formele onderzoek geen enkele concurrent of andere derde gewezen op buitensporige verstoringen van de mededinging als gevolg van de keuze van ČEZ als projectontwikkelaar.

8.3.3.6.2.   De overeenkomst inzake de afname van elektriciteit

(529)

In het inleidingsbesluit heeft de Commissie haar bezorgdheid geuit over het feit dat de voorwaarden van de afnameovereenkomst tussen EDU II en het SPV in wezen de door schommelingen in de elektriciteitsprijzen geboden stimulansen om elektriciteit te produceren wanneer deze het hardst nodig is, zouden verminderen. De Commissie merkte op dat de vaste prijs voorzien in de afnameovereenkomst voor EDU II een stimulans zou kunnen vormen om de productie ook onder marktvoorwaarden op het technisch maximum te handhaven wanneer een vermindering van de productie vanuit het perspectief van het systeem als geheel efficiënter zou zijn. Dit is met name van belang gezien de lange operationele levensduur van zestig jaar van de nieuwe kerncentrale. De toekomstige productiemix die wordt gekenmerkt door een groter aandeel hernieuwbare energie met doorgaans zeer lage marginale kosten, kan immers, mede onder invloed van andere ontwikkelingen zoals koolstofopslag of waterstofproductie, leiden tot een grotere volatiliteit, met inbegrip van perioden met lage of zelfs negatieve prijzen (236). De Commissie betwijfelde of dit effect op efficiënte dispatchingsignalen tot een minimum zou kunnen worden beperkt, terwijl toch de doelstellingen van de maatregel nog worden verwezenlijkt (237).

(530)

Als een producent een vaste vergoeding ontvangt voor elk geproduceerd MWh, zal het volgen van het marktprijssignaal en het verhogen van de productie in tijden van hoge prijzen (schaarste) of het verminderen van de productie in tijden van lage of negatieve prijzen (overvloed) of het plannen van onderhoud in perioden van lage vraag (bijvoorbeeld tijdens de zomermaanden) hem immers geen voordelen opleveren. Integendeel, bij een vaste vergoeding per MWh wordt een producent gestimuleerd om maximaal te blijven produceren tijdens perioden met negatieve prijzen, wat vanuit het oogpunt van het systeem negatieve effecten heeft en mogelijk zelfs leidt tot de verdringing van hernieuwbare energie met lage marginale kosten. Bovendien stimuleert een vaste prijs voor alle productie-uren investeringen in installaties die zijn geoptimaliseerd voor de exploitatie van de basislast en die niet flexibel genoeg zijn om de productie snel op te voeren en af te bouwen of de productie aan te passen aan de vraag (load following). Met name gezien de noodzaak om de uitrol van hernieuwbare energiebronnen te versnellen om de elektriciteitsproductie in de EU koolstofvrij te maken, en gezien de variabele energie-output van veel installaties voor de opwekking van hernieuwbare energie, zijn koolstofarme energiecentrales die technisch in staat zijn het systeem flexibiliteit te bieden en economisch worden gestimuleerd om deze flexibiliteit te benutten, bijzonder waardevol vanwege de voordelen die zij het elektriciteitssysteem opleveren.

(531)

De Commissie is van mening dat de CfD-vergoedingsformule in de afnameovereenkomst, zoals beschreven in de overwegingen 88 tot en met 91, niet alleen zorgt voor stabiliteit van de inkomsten en overcompensatie beperkt (zoals besproken in punt 8.3.3.5.1.1), maar ook stimulansen biedt voor de efficiënte exploitatie van de energiecentrale en derhalve leidt tot minder negatieve gevolgen voor de mededinging en het handelsverkeer. Dit is voornamelijk te danken aan de term voor marktblootstelling in de formule en bepaalde parameters die zijn gekozen voor de verrekening achteraf.

(532)

De term voor marktblootstelling biedt stimulansen voor een efficiënte exploitatie van de energiecentrale omdat de centrale een vergoeding ontvangt voor elke geproduceerde eenheid op basis van de werkelijke day-aheadmarktprijs per uur (238). Op basis van de marktprijssignalen en de eigen operationele kosten wordt de centrale gestimuleerd om efficiënt te dispatchen door gebruik te maken van de mogelijkheden voor technische flexibiliteit. De energiecentrale wordt gestimuleerd om de productie te verminderen wanneer de marktprijs lager is dan de operationele kosten, en om de productie op te voeren wanneer de marktprijs hoger is. Hoewel de centrale onderworpen is aan technische beperkingen (zoals eisen inzake de snelheid voor het opvoeren of afbouwen van de productie en eisen inzake de minimumlast om te voorkomen dat de centrale volledig moet worden stilgelegd), wordt de exploitant van de energiecentrale hierdoor gestimuleerd om de technisch beschikbare flexibiliteit optimaal te gebruiken. Daarnaast wordt de centrale gestimuleerd om het onderhoud en de vervanging van splijtstof efficiënt te plannen in perioden met lagere verwachte prijzen.

(533)

De voor de verrekening achteraf gekozen parameters ondersteunen de prikkels voor een efficiënte exploitatie die worden geboden door de blootstelling aan marktprijzen.

1)

Ten eerste wordt de referentieprijs gedefinieerd als het gemiddelde van de marktprijzen per uur over het afgelopen jaar. Gedurende het jaar wordt de verrekeningsterm uit de formule niet vastgesteld. Derhalve wordt de centrale in het algemeen gestimuleerd om dispatchingbeslissingen te nemen zonder daarmee rekening te hoeven houden, enkel op basis van het marktprijssignaal. Ook worden prikkels voor misbruik dat tot hogere marktprijzen leidt (zoals het achterhouden van capaciteit, zie punt 8.3.3.6.3) beperkt omdat hogere marktprijzen een hogere referentieprijs en dus een lagere verrekening achteraf tot gevolg zouden hebben.

2)

Ten tweede is de referentieperiode van één jaar lang genoeg om ervoor te zorgen dat de energiecentrale binnen de referentieperiode aan de marktprijs wordt blootgesteld, waardoor er meer stimulansen zijn voor dispatching en een efficiënte planning van het onderhoud en de vervanging van splijtstof dan het geval zou zijn bij een kortere referentieperiode. De energiecentrale wordt gestimuleerd om gebruik te maken van de flexibiliteit waarover zij beschikt om meer productie te draaien in tijden waarin de marktprijzen bijzonder hoog zijn en minder wanneer de marktprijzen bijzonder laag zijn.

3)

Ten derde wordt de verrekening vastgesteld op basis van een vast, vooraf bepaald jaarlijks productievolume (de referentiehoeveelheid), met inachtneming van de hieronder besproken aanpassingen. Daarom hebben besluiten inzake de dispatching en het daaruit voortvloeiende productievolume van de energiecentrale over het algemeen geen gevolgen voor de verrekening, waardoor niet-verstoorde stimulansen voor een efficiënte exploitatie van de centrale kunnen worden geboden die alleen gebaseerd zijn op het marktsignaal. De referentiehoeveelheid wordt vastgesteld op basis van het beoogde productieniveau van de centrale gedurende de referentieperiode.

(534)

De aanpassingen in de verrekening achteraf, zoals beschreven in de overwegingen 88 en 90, beperken enerzijds het bedrag dat de centrale mogelijk moet terugbetalen, wat een waarborg biedt tegen buitensporige risico’s van ongeplande onderbrekingen wanneer de prijzen hoog zijn, en anderzijds het te verrekenen bedrag wanneer de prijzen zeer laag zijn, wat een waarborg biedt tegen buitensporige vergoedingen in tijden van negatieve prijzen. Deze aanpassingen zijn zodanig vormgegeven dat de omvang van de stimulansen voor een efficiënte exploitatie die worden geboden door de hierboven beschreven elementen van de CfD-formule grotendeels stabiel blijft. Over het geheel genomen zorgen de stimulansen voor een efficiënte exploitatie zoals bepaald in de CfD-vergoedingsformule van de afnameovereenkomst ervoor dat de energiecentrale door de steun niet wordt aangemoedigd om inefficiënt te functioneren wanneer de marktprijzen onder de exploitatiekosten liggen. Een dergelijke inefficiënte werking zou de rangorde van de elektriciteitsmarkt verstoren en het risico met zich meebrengen dat goedkopere technologieën, zoals hernieuwbare energiebronnen, worden verdrongen. Bovendien zou dit een negatief effect kunnen hebben op de marktintegratie en de ontwikkeling van hernieuwbare energie. Dit efficiëntie-effect blijkt ook uit het feit dat de Tsjechische autoriteiten schatten dat de energiecentrale bij toepassing van de CfD-vergoedingsformule gemiddeld minder productiecapaciteit zal gebruiken dan wanneer naar outputmaximalisatie wordt gestreefd (zie overweging 150), waardoor er meer “ruimte” overblijft voor goedkopere technologieën zoals hernieuwbare energiebronnen.

(535)

De Commissie merkt ook op dat de afnameovereenkomst niet voorziet in de mogelijkheid om de inkomsten uit die overeenkomst rechtstreeks met elektriciteitsverbruikers te delen. Bovendien wordt niet verwacht dat de kerncentrale vaak de prijsbepalende centrale op de Tsjechische markt zal zijn. Hoewel de staatslening en de maatregelen voor de bescherming tegen wets- en beleidswijzigingen de totale kosten van het project verlagen en daardoor de potentiële inkomsten uit hoofde van de afnameovereenkomst verhogen vergeleken met de inkomsten bij een maatregel die uitsluitend via een CfD wordt gefinancierd, leidt dit niet tot een grotere verdeling van de CfD-inkomsten onder de verbruikers dan bij een maatregel die uitsluitend via een CfD wordt gefinancierd. De combinatie van de drie maatregelen kan dus op het niveau van de verbruikers niet leiden tot concurrentievervalsing via mechanismen voor de verdeling van de inkomsten.

(536)

Op basis van het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat de wijzigingen die Tsjechië tijdens het formele onderzoek heeft doorgevoerd, voldoende tegemoetkomen aan de twijfels die zij in het inleidingsbesluit heeft geuit met betrekking tot de stimulansen die voortvloeien uit de vergoedingsformule.

8.3.3.6.3.   Effecten op de marktstructuur, mogelijke prijsmanipulatie en het achterhouden van capaciteit door ČEZ

(537)

In het inleidingsbesluit heeft de Commissie haar bezorgdheid geuit over de gevolgen van de oprichting van EDU II voor de marktstructuur en de mogelijkheden voor EDU II om de markt te manipuleren ten gunste van ČEZ. De Commissie wees daarbij specifiek op de sterke positie van ČEZ op de Tsjechische elektriciteitsmarkt en gaf aan dat mogelijke verstoringen van de marktstructuur ten gevolge van de onderzochte steunmaatregel niet volledig konden worden uitgesloten, bijvoorbeeld doordat zijn marktmacht nog verder zou worden vergroot, alternatieve investeringen zouden worden verdrongen of grensoverschrijdende stromen zouden worden verstoord. Bovendien kon de Commissie niet volledig uitsluiten dat EDU II de werking van de markt zou verstoren door de marktprijzen te beïnvloeden of te kiezen voor bepaalde soorten strategische gedragingen die worden vergemakkelijkt door grote productievolumes, zoals het achterhouden van capaciteit. De Commissie vroeg zich bijvoorbeeld af of EDU II in tijden van hoge marktprijzen economische prikkels zou hebben om de productie te verminderen en zo de marktprijs op te drijven, zodat andere centrales van ČEZ meer energie zouden kunnen verkopen tegen hogere marktprijzen.

Effecten op de marktstructuur

(538)

De Commissie merkt op dat de Tsjechische markt voor elektriciteitsproductie wordt gekenmerkt door een hoge marktconcentratie, aangezien de ČEZ-groep in 2020 goed was voor een aanzienlijk deel van de inzetbare (239) productiecapaciteit (60,29 %), de netto-invoer daarbij inbegrepen. Uitgaande van de totale productiecapaciteit in 2020 bedroeg het marktaandeel 64,29 %. Een dergelijke marktconcentratie kan nadelig zijn voor een efficiënte marktconcurrentie omdat deze een toetredingsdrempel kan vormen voor nieuwe marktspelers en een liquiditeitsrisico kan inhouden doordat het beschikbare aanbod wordt beperkt.

(539)

Tsjechië legt uit dat het marktaandeel van ČEZ naar verwachting aanzienlijk zal afnemen en dat de productiecapaciteit die door het onderzochte steunpakket (het project) wordt gestimuleerd, de machtspositie van ČEZ op de Tsjechische elektriciteitsmarkt niet significant zal beïnvloeden. Met name wat betreft inzetbare productiecapaciteit (EDU II niet meegerekend) zal het marktaandeel van ČEZ naar verwachting dalen tot 45,06 % in 2040 en tot 28,40 % in 2050, terwijl de toename als gevolg van het project in 2040 4,19 procentpunten zal bedragen en in 2050 5,23 procentpunten. Ook het marktaandeel van ČEZ in de totale productiecapaciteit zal naar verwachting dalen tot 45,15 % in 2040 en 18,98 % in 2050, terwijl het project het aandeel in 2040 met 12,83 procentpunten en in 2050 met 10,27 procentpunten zal doen toenemen.

(540)

De Commissie heeft de gegevens die aan deze ramingen ten grondslag liggen, beoordeeld en acht deze aannemelijk, zij het conservatief, gezien het feit dat de decarbonisatieplannen van de Tsjechische autoriteiten inmiddels ambitieuzer zijn geworden. Meer in het bijzonder zijn de bovenstaande ramingen van het marktaandeel, afkomstig uit het verslag van Oxera, gebaseerd op de veronderstelling dat de meeste kolencentrales tegen 2038 buiten bedrijf zouden worden gesteld (Tsjechië wees met name op de plannen van ČEZ om de kolengestookte capaciteit tegen 2025 met bijna de helft te verminderen tot 3 GW en tegen 2030 tot 2 GW) en dat de vier reactoren van Dukovany I tussen 2045 en 2047 buiten bedrijf zouden worden gesteld. De Commissie begrijpt dat die aannamen vrij conservatief zijn, aangezien Tsjechië heeft bevestigd dat het van plan is om steenkool uiterlijk in 2033 uit te faseren. Het marktaandeel van ČEZ zal dus de komende jaren waarschijnlijk sneller afnemen als gevolg van de sluitingen van bruinkoolcentrales en zal zich bij de verwachte start van EDU II op een lager niveau bevinden dan in het verslag van Oxera werd voorzien. Bovendien is voor verlenging van de exploitatie van de bestaande nucleaire installaties van Dukovany I tot 2045-2047 goedkeuring vereist van het Bureau voor nucleaire veiligheid, die op het moment dat dit besluit werd vastgesteld nog niet was verkregen.

(541)

De Commissie is van mening dat de opzet van het project, op grond waarvan alle tijdens de afnameovereenkomst door EDU II geproduceerde elektriciteit aan het SPV moet worden verkocht, het feit dat het SPV en EDU II/ČEZ de verhandeling van de elektriciteit niet kunnen coördineren, en de verbintenissen inzake de verkoop van elektriciteit die voor EDU II/ČEZ gelden na het verstrijken van de afnameovereenkomst, ervoor zorgen dat de mogelijke versterking van de invloed van ČEZ op de Tsjechische elektriciteitsmarkt als gevolg van het project voldoende wordt beperkt.

(542)

De Commissie stelt vast dat de verplichting voor het SPV om de elektriciteit overeenkomstig de verbintenissen inzake de verkoop van elektriciteit in de handel te brengen (zie punt 3.6.4) zal bijdragen tot de liquiditeit van de kortetermijnmarkten in Tsjechië. Het waarborgen van een stabiel aanbod van elektriciteit op de kortetermijnmarkt tegen niet-discriminerende voorwaarden zou de toetreding tot de markt of de uitbreiding van leveranciers die met ČEZ concurreren op de retailmarkt kunnen vergemakkelijken. Dit geldt met name voor door het SPV op de markt gebrachte elektriciteit die andere bestaande productie van ČEZ vervangt, welke ČEZ ook rechtstreeks voor zijn detailhandelsactiviteiten kan gebruiken, waardoor de groothandelsmarkt wordt omzeild.

(543)

Wat betreft de potentiële gevolgen van de maatregel voor de toetreding tot de markt voor energieproductie, wijst de Commissie op haar beoordeling in overweging 415, waaruit blijkt dat het onwaarschijnlijk is dat het project alternatieve investeringen zal verdringen, en hoogstens zal leiden tot een lichte vertraging in de uitrol van windenergie. Bovendien vermindert de vergoedingsformule in de afnameovereenkomst het concurrerende effect van de maatregel op marktconforme investeringen in hernieuwbare energie, aangezien deze financiële stimulansen biedt om efficiënt te werken en zo potentiële verstoringen van de rangorde op de elektriciteitsmarkt of de verdringing van goedkopere technologieën beperkt (zie overweging 534).

(544)

Voorts merkt de Commissie op dat Tsjechië schat dat de verwachte sluiting van steenkool- en bruinkoolcentrales zal leiden tot een aanzienlijke capaciteitsvermindering van ongeveer 6,5 GW en dat de verwachte uitfasering van de bestaande kerncentrale Dukovany I tussen 2045-2047 een extra capaciteitskloof van ongeveer 2 GW zal creëren, terwijl het project slechts 1,2 GW zal opleveren. Ook wordt verwacht dat de vraag naar elektriciteit in het komende decennium aanzienlijk zal toenemen (zie overweging 14).

(545)

De Commissie neemt ook nota van de opmerking van Tsjechië dat de geografische markt groter is dan Tsjechië. Het elektriciteitsnet van Tsjechië is immers nauw verbonden met naburige lidstaten (zie voetnoot 134), en de elektriciteitsproductie in andere lidstaten is vaak bepalend voor de prijs op de Tsjechische markt (zie de overwegingen 262, 551 en 552). Indien wordt uitgegaan van een markt die ruimer is dan Tsjechië, zou het marktaandeel van ČEZ aanzienlijk kleiner zijn, waardoor de mogelijkheden voor ČEZ om de mededinging te vervalsen door het gedrag van EDU II te beïnvloeden, verder zouden afnemen. Ook wanneer de markt enger zou worden gedefinieerd en alleen wordt gekeken naar de afzonderlijke Tsjechische elektriciteitsmarkt, vormt de interconnectiviteit van het Tsjechische systeem met zijn buurlanden een aanzienlijke belemmering voor dergelijke gedrag.

(546)

De Commissie is derhalve van oordeel dat de steun niet leidt tot een grotere marktconcentratie en een beperkt effect heeft op de investeringen.

Mogelijke prijsmanipulatie en achterhouden van capaciteit door ČEZ

(547)

Volgens ACER (240) is bijvoorbeeld sprake van opzettelijke achterhouding van capaciteit “wanneer een marktdeelnemer met een zeker vermogen om de prijs of de verhouding tussen vraag en aanbod van een voor de groothandel bestemd energieproduct te beïnvloeden, zonder enige rechtvaardiging besluit de beschikbare productie-, opslag- of transportcapaciteit niet op de markt aan te bieden of achter te houden. Onder het achterhouden van stroomproductiecapaciteit wordt met name verstaan het niet onder concurrerende voorwaarden aanbieden van beschikbare productiecapaciteit op de groothandelsmarkt voor elektriciteit, ook al zou het aanbieden daarvan onder dergelijke voorwaarden bij de geldende marktprijzen resulteren in winstgevende transacties.” Derhalve moet worden beoordeeld of de betrokken marktdeelnemer de prijs of de verhouding tussen vraag en aanbod op de groothandelsmarkt voor elektriciteit door dergelijk gedrag kan beïnvloeden.

(548)

Tsjechië stelt dat de ČEZ-groep noch economische stimulansen, noch het vermogen zal hebben om de groothandelsprijzen op te drijven door de productie van EDU II te beperken. Ten eerste voert Tsjechië aan dat het inkomstenverlies voor de ČEZ-groep in het hypothetische geval waarin EDU II een heel jaar geen elektriciteit zou opwekken, lang niet zou kunnen worden terugverdiend met extra inkomsten uit de verkoop van het niet-afgedekte deel van de productie in het volgende jaar. Tsjechië wijst erop dat een verminderde productie van EDU II zal leiden tot gederfde kasstromen en dat een aanzienlijke vermindering van de belastingsfactor de beschikbare geldmiddelen voor het aflossen van schulden zou wegnemen en mogelijk tot gevolg zou kunnen hebben dat EDU II de staatslening niet kan terugbetalen of zelfs dat de kasstromen ontoereikend zijn om de exploitatiekosten te dekken.

(549)

Zoals uiteengezet in overweging 39, is het project voor de ČEZ-groep van cruciaal belang, met name omdat de bestaande steenkoolcentrales en mogelijk ook de bestaande kerncentrale zullen worden gesloten, wat in het geval van steenkool naar verwachting tegen 2033 zal gebeuren en voor de kerncentrale tussen 2045 en 2047. Het project zal naar verwachting bijdragen tot een stijging van [10-20] % van de ebitda van de ČEZ-groep, zodat elk gedrag dat de financiële resultaten van het project kan verminderen, aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de financiële resultaten van de ČEZ-groep.

(550)

Ten tweede merkt de Commissie op dat in de vergoedingsformule van de afnameovereenkomst elementen zijn opgenomen die de voordelen die de begunstigde kan behalen door opzettelijk capaciteit achter te houden, aanzienlijk beperken. Zoals uiteengezet in overweging 533, wordt misbruik dat leidt tot hogere marktprijzen (zoals het achterhouden van capaciteit) beperkt, aangezien dit een hogere referentieprijs en dus tot een lagere verrekening achteraf met zich mee zou brengen. Ondanks het feit dat deze waarborgen tegen achterhouding na afloop van de afnameovereenkomst verdwijnen, is het belangrijk op te merken dat er dan nog steeds beperkte stimulansen zullen zijn voor het opzettelijk achterhouden van capaciteit. Ook zonder verrekening achteraf zal het achterhouden van capaciteit voor de ČEZ-groep niet rendabel zijn vanwege de aanzienlijke kosten die de exploitatie en het onderhoud van een dergelijke energiecentrale met zich meebrengen. Verder wordt toekomstig misbruik afgeremd door de uitgebreide verbindingen met naburige markten, aangezien bij de elektriciteitproductie naar verwachting gebruik zal worden gemaakt van een meer gevarieerde en sterker ontwikkelde energiemix, waardoor het vermogen om de prijzen te beïnvloeden door het achterhouden van capaciteit afneemt.

(551)

Ten derde heeft Tsjechië uitgelegd dat, gezien de hoge mate van interconnectie van de Tsjechische elektriciteitsmarkt met Oostenrijk, Duitsland, Polen en Slowakije, het project tussen 2030 en 2050 naar verwachting geen of zeer beperkte gevolgen zal hebben voor de prijsvorming in Tsjechië, aangezien de marktprijs voor deze onderling verbonden regio naar verwachting zal zijn gebaseerd op de prijs van elektriciteit die voor het overgrote deel van de uren buiten Tsjechië wordt opgewekt. Zoals meer in detail uiteengezet in voetnoot 139, heeft Tsjechië namelijk uitstekende verbindingen met de elektriciteitssystemen van omliggende landen, die derhalve een aanzienlijke invloed kunnen uitoefenen bij de prijsvorming op de Tsjechische markt. Dit strookt met de bevindingen van het verslag van Oxera, waarin de prijsbepalende technologieën op de Tsjechische elektriciteitsmarkt in de periode 2030-2050 werden beoordeeld en waarin werd geconcludeerd dat het project prijsnemer zal zijn, aangezien de prijs in het overgrote deel van de uren zal worden bepaald door externe producenten, en in de resterende uren voornamelijk door Tsjechische gas- en bruinkoolcentrales. Naarmate er meer hernieuwbare energie op de markt komt, zal het aantal uren waarin de prijs nul is naar verwachting ook aanzienlijk toenemen, tot ongeveer 16 % in 2050.

(552)

De Commissie merkt op dat deze conclusies in overeenstemming zijn met de bevindingen van een analyse (241) van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC) van de Commissie, waaruit kan worden opgemaakt dat de prijzen op de Tsjechische elektriciteitsmarkt in 2022 vanwege de geografische ligging en de hoge mate van interconnectiecapaciteit voor het overgrote deel werden bepaald door de marktdynamiek in de buurlanden, zoals blijkt uit het feit dat het aandeel van de door externe producenten vastgestelde prijsuren in Tsjechië meer dan 90 % bedroeg, een van de hoogste percentages in de EU. Een belangrijke factor die van invloed is op de Tsjechische elektriciteitsprijzen is de naburige Duitse markt, die vanwege de grote omvang en de toenemende productie van hernieuwbare elektriciteit steeds meer invloed uitoefent op de prijspatronen van handelspartners. Aangezien Duitsland steeds grotere hoeveelheden elektriciteit verhandelt met zijn buurlanden, worden hun elektriciteitsprijzen in toenemende mate beïnvloed door schommelingen in Duitsland (242). De Tsjechische uurprijzen voor elektriciteit op de day-aheadmarkt waren tussen 2021 en 2023 voor 48 % van de uren vrijwel gelijk (d.w.z. er was sprake van minder dan 1 % divergentie) (243). Volgens de analyse van het JRC zal dezelfde trend naar verwachting aanhouden in de periode tot 2030: externe producenten zullen dan naar verwachting voor ongeveer 80 % van de prijsuren in Tsjechië prijsbepalend zijn. In 2030 zal aardgas naar verwachting de prijsbepalende technologie op de Tsjechische elektriciteitsmarkt zijn (ongeveer 50 % van de tijd), gevolgd door bruinkool, olie, hernieuwbare energiebronnen en kernenergie.

(553)

Ten vierde voert Tsjechië aan dat de resultaten van de elektriciteitsmarkt per uur aanzienlijk kunnen variëren en dat de totale marktaandelen op het gebied van energieproductie geen volledig beeld geven van de marktmacht. Tsjechië is van mening dat indicatoren zoals de Residual Supply Index (244) nuttig zijn voor het beoordelen van het vermogen van een producent om onafhankelijk van zijn concurrenten te handelen, aangezien deze meet in hoeverre een producent nodig is om aan de restvraag te voldoen. Zoals blijkt uit de analyse in het Oxera-verslag, zal de onmisbaarheid (“pivotality”) van ČEZ volgens de Residual Supply Index naar verwachting van 2030 tot 2050 sterk afnemen. Hoewel ČEZ naar verwachting in 2030 nog in bijna alle uren onmisbaar zal zijn, daalt het aandeel uren waarin ČEZ onmisbaar is tegen 2050 tot minder dan 10 %. Belangrijk is dat deze trend slechts licht wordt beïnvloed door de uitvoering van het project, aangezien de onmisbaarheid van ČEZ als gevolg van het project met slechts 14 % zal toenemen en dit effect naar verwachting tegen 2050 zal verdwijnen. De Commissie merkt op dat de kans op prijsmanipulatie normaal gesproken zal toenemen wanneer ČEZ een machtspositie heeft. Nu zijn marktaandelen op specifieke relevante markten veelal groter zijn dan 50 %, wordt verondersteld dat een zeer groot marktaandeel op zichzelf, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, al bewijs is van het bestaan van een machtspositie (245). Marktaandelen vormen evenwel voor de beoordeling van een machtspositie slechts het uitgangspunt; daarnaast moeten andere aspecten in aanmerking worden genomen (246). De Commissie merkt in dit verband op dat het marktaandeel van ČEZ op het gebied van elektriciteitsproductie in de loop van de tijd zal afnemen, en met name in 2040 een aanzienlijke daling zal laten zien. In elk geval zal het in 2050 minder dan 45 % bedragen. Bovendien heeft de Commissie geen aanwijzingen dat de verwachte onmisbaarheid van ČEZ in de toekomst niet nauwkeurig en aannemelijk zou zijn. Meer specifiek toonden derden zich in hun opmerkingen slechts in zeer beperkte mate bezorgd over een mogelijke verstoring van de markt door het project.

(554)

Ten vijfde verwees Tsjechië naar het verslag van Oxera, waarin werd geconstateerd dat de inbedrijfstelling van EDU II een klein effect zal hebben op de elektriciteitsprijs op de Tsjechische markt, aangezien deze tussen 2040 en 2050 zal leiden tot een daling met ongeveer 2 EUR/MWh.

(555)

Concluderend meent de Commissie dat, gelet op de bovengenoemde argumenten, de verstoring van de mededinging door de mogelijke achterhouding van capaciteit tot een minimum beperkt zal blijven. Bovendien is de Commissie van mening dat, gezien de huidige opzet van de maatregel, de risico’s voor de marktliquiditeit gering zijn en de gevolgen voor prijzen, investeringen en grensoverschrijdende stromen tot een minimum worden beperkt.

8.3.3.6.4.   Rol van het SPV op de markt

(556)

In het inleidingsbesluit beschouwde de Commissie de SPV-constructie zoals aanvankelijk bekendgemaakt overwegend als een geschikte structuur om tegemoet te komen aan mogelijke mededingingsgerelateerde bezwaren. Het effect van de opzet van het project op de markt, en met name de rol van het SPV, was echter nog steeds moeilijk te beoordelen vanwege de voortdurende wijzigingen die Tsjechië in de structuur van het project aanbracht, waardoor er een gebrek was aan voldoende betrouwbare informatie. Om die reden uitte de Commissie twijfels over de gevolgen van het SPV voor de markt.

(557)

Naar aanleiding van het inleidingsbesluit heeft Tsjechië in verschillende opmerkingen de rol van het SPV op de markt in Tsjechië nader toegelicht (zie de overwegingen 273 tot en met 278).

(558)

Gezien deze opmerkingen concludeert de Commissie dat Tsjechië de feiten die ten grondslag lagen aan de twijfels van de Commissie in het inleidingsbesluit met zijn toelichtingen voldoende heeft verduidelijkt. En dit om de volgende redenen:

(559)

In de eerste plaats had de Commissie twijfels over de autonomie van het SPV, met name of het wel voldoende zou handelen als een particuliere entiteit die streeft naar winstmaximalisatie. Daartoe is het van belang dat het SPV en EDU II de exploitatie van de kerncentrale enerzijds en de handel in de geproduceerde elektriciteit anderzijds niet kunnen coördineren. Hoewel ČEZ de enige aandeelhouder van EDU II is (zie punt 3.2.1), zijn de aandelen van het SPV volledig in handen van Tsjechië, zodat eventuele coördinatie door ČEZ onmogelijk is. Aangezien Tsjechië echter zowel een controlerend belang in ČEZ (zie overweging 32) als in het SPV heeft, is het denkbaar dat Tsjechië zelf de exploitatie van de kerncentrale en de commerciële activiteiten van het SPV zou coördineren om de winst van ČEZ te maximaliseren.

(560)

De Commissie merkt op dat de bestuursstructuur van het SPV ervoor zorgt dat de besluitvorming over de handelsstrategie los van EDU II plaatsvindt, waardoor de autonomie wordt gewaarborgd en het risico op ongepaste beïnvloeding tot een minimum wordt beperkt. Dit is met name belangrijk omdat dit het onwaarschijnlijk maakt dat Tsjechië zijn controlerende belang in ČEZ en dus in EDU II enerzijds en zijn zeggenschap over het SPV anderzijds zal gebruiken om de winst van ČEZ te maximaliseren — waarvan het mogelijk en indirect profiteert in de vorm van dividenduitkeringen — door verhoging van de productiecapaciteit van ČEZ en de gelijktijdige verticale integratie van de groothandels- en retailmarkt via het SPV. De Commissie is van mening dat op deze wijze wordt gewaarborgd dat de bedrijfs- en handelsstrategie van het SPV niet zal worden beïnvloed door de gevestigde belangen van één marktdeelnemer (ČEZ) en ten dienste zal blijven staan van bredere doelstellingen van algemeen belang zoals voorzieningszekerheid en betaalbare energieprijzen.

(561)

In de tweede plaats vormde de mogelijkheid dat de structuur van het SPV de marktsignalen zou verstoren, met name wat de dispatching van de centrale betreft, een punt van zorg. Volgens de herziene afnameovereenkomst heeft het SPV echter geen invloed op besluiten over de dispatching van de centrale; dit gebeurt geheel onder verantwoordelijkheid van EDU II. Zoals geconcludeerd in punt 8.3.3.5.1.2 biedt de vergoedingsformule voldoende stimulansen voor EDU II om efficiënt op de elektriciteitsmarkt te opereren, waardoor verstoringen van de marktprijssignalen of de rangorde beperkt worden.

(562)

Voorts merkt de Commissie op dat uit de analyse van Oxera (247), zoals aangehaald door Tsjechië, blijkt dat de ingebruikname van de kerncentrale geen aanzienlijke gevolgen zal hebben voor de groothandelsprijzen voor elektriciteit of de positie van ČEZ op de markt. De kerncentrale zou geen significante invloed hebben op de groothandelsprijzen voor elektriciteit, hetgeen bevestigt dat de activiteiten van het SPV en de ingebruikname van de centrale de marktdynamiek niet zullen verstoren en specifieke marktdeelnemers niet onrechtmatig zullen bevoordelen.

(563)

Ten derde was de onzekerheid over de wijze waarop het SPV zijn elektriciteit zou verkopen, met name aan industriële verbruikers, een belangrijk punt van zorg. In reactie hierop heeft Tsjechië toegezegd dat het SPV ten minste 70 % van de door EDU II geproduceerde elektriciteit op beurzen zal verkopen (zie overweging 112) en de rest via veilingen die onderworpen zijn aan voorwaarden waarmee verstoring van de mededinging op de elektriciteitsmarkt(en) wordt voorkomen (zie overweging 113).

(564)

Tsjechië heeft uitgelegd dat de beoogde parameters van de toekomstige kernenergieveilingen onder meer betrekking zullen hebben op de geraamde omvang van de partijen (1-10 MW) en de duur van de veilingcontracten (één jaar, een kwart jaar of een kortere termijn). De veilingen zullen op basis van “pay-as-bid” worden georganiseerd, met een vooraf bepaalde minimumprijs die niet eerder dan één tot twee dagen vóór de sluiting van de biedingen wordt bekendgemaakt. Verder wordt de frequentie van de veilingen op kwartaal- tot jaarbasis vastgesteld, met transparante regels betreffende de aankondigingsperiode van dertig dagen vóór het begin van de veiling. Ten slotte zullen de veilingen niet langer dan zeven kalenderdagen duren; de resultaten worden in de daaropvolgende volgende week bekendgemaakt. Dit geldt zowel voor veilingen tijdens de afnameovereenkomst als voor veilingen die na afloop daarvan worden gehouden. Deze beoogde parameters maken voldoende aannemelijk dat de veilingen inderdaad op niet-discriminerende wijze zullen worden gehouden, zodat een voldoende grote groep marktdeelnemers daadwerkelijk op transparante wijze biedingen zullen kunnen uitbrengen.

(565)

In uitzonderlijke omstandigheden heeft EDU II het recht om elektriciteit rechtstreeks op de groothandelsmarkt te verkopen. Dit is echter alleen het geval wanneer het SPV zijn afnameverplichtingen uit hoofde van de afnameovereenkomst niet nakomt. In deze gevallen blijft de centrale energie produceren en moet de elektriciteit op de markt worden gebracht. De terugvaloptie voor EDU II om de elektriciteit rechtstreeks te verkopen, lijkt derhalve redelijk. Voorkomen moet echter worden dat EDU II hierdoor alle beperkingen kan omzeilen die zijn ingesteld om een niet-discriminerende verkoop van elektriciteit te waarborgen. De Commissie merkt op dat Tsjechië heeft toegezegd dat EDU II in dit geval alle geproduceerde elektriciteit als prijsnemer op de spotmarkt zal verkopen. EDU II kan in dat geval geen specifieke koper selecteren (aangezien de verkoop plaatsvindt op een anonieme beurs), noch de prijs of de verkoopvoorwaarden bepalen (aangezien standaardproducten op de beurs tegen de marginale prijs worden verkocht). Dit is ook passend, gezien het onderliggende probleem dat moet worden opgelost: als het SPV geproduceerde elektriciteit niet afneemt, is een snelle oplossing nodig om de output van de centrale te kunnen verkopen. Het gebruik van de spotmarkt als prijsnemer biedt deze snelle en betrouwbare oplossing. Gelet op deze toezeggingen is de Commissie van oordeel dat de oplossing om de stroom in dit uitzonderlijke geval rechtstreeks door EDU II te laten verkopen niet tot extra mededingingsbezwaren leidt.

(566)

Zelfs in uitzonderlijke gevallen waarin de liquiditeit van de betrokken beurzen aanzienlijk afneemt, zouden deze verkoopvoorwaarden niet veranderen en mag het SPV de verdeling van de geproduceerde elektriciteit over de verschillende handelsplatforms slechts tijdelijk aanpassen. Meer specifiek zou in dergelijke gevallen 50 % van de geproduceerde elektriciteit op beurzen kunnen worden verhandeld en 50 % via veilingen (zie de overwegingen 117 en 118). Deze transparante aanpak waarborgt een eerlijke toegang tot de geproduceerde elektriciteit en versterkt de integriteit van de markt.

(567)

Ten vierde heeft Tsjechië verzekerd dat het SPV en ČEZ onafhankelijk van elkaar zullen functioneren, met afzonderlijke bestuurs- en beheersstructuren. Indien het SPV zijn handelsactiviteiten zou uitbesteden, gebeurt dit door middel van een niet-discriminerende openbare aanbesteding, waarbij wordt gewaarborgd dat geen enkele entiteit hierbij onrechtmatig wordt bevoordeeld. Wat ČEZ betreft: het SPV mag de verkoop van elektriciteit niet uitbesteden aan de ČEZ-groep of aan entiteiten die deel uitmaken van de ČEZ-groep (zie overweging 46). Deze toezegging van Tsjechië garandeert dat ČEZ niet de facto, door middel van delegatie, weer zeggenschap verkrijgt over de verkoop van de door EDU II geproduceerde elektriciteit, waardoor de waarborgen van de SPV-structuur zouden worden omzeild.

(568)

De Commissie merkt op dat ČEZ als projectsponsor en als enig aandeelhouder van EDU II toezicht zal houden op de activiteiten van EDU II. De directe betrokkenheid van ČEZ zal beperkt blijven tot de verstrekking van eigen vermogen aan EDU II en eventueel het verlenen van gedeelde diensten aan EDU II, zij het onder marktvoorwaarden.

(569)

De Commissie merkt ook op dat de governancestructuur een scheiding aanbrengt tussen ČEZ en de ontvanger van de staatssteun, EDU II (als ontwikkelaar, eigenaar en exploitant van de kerncentrale). EDU II zal een afzonderlijke rechtspersoon zijn met een eigen raad van bestuur en management met fiduciaire verplichtingen jegens EDU II als onderneming. EDU II zal onafhankelijk worden beheerd, zowel financieel als operationeel, en zal aan wettelijk toezicht onderworpen zijn. EDU II zal beschikken over een duidelijk omschreven rapportagestructuur voor de communicatie met ČEZ als moedermaatschappij. De governancestructuur zal de onafhankelijkheid van EDU II van ČEZ waarborgen door de mogelijkheden van ČEZ om zich om oneigenlijke redenen te mengen in de dagelijkse bedrijfsvoering van EDU II doeltreffend te beperken. EDU II zal zich bij zijn activiteiten laten leiden door de stimulansen die worden geboden door de vergoedingsformule, uitgaande van zijn eigen bedrijfsstrategie. De Commissie concludeert dat Tsjechië de feiten die ten grondslag liggen aan de twijfels die de Commissie in het inleidingsbesluit heeft geuit, voldoende heeft verduidelijkt door nadere uitleg te geven over de verhouding tussen SPV, EDU II en ČEZ.

(570)

De Commissie heeft erkend dat ongepaste beïnvloeding mogelijk is indien de handelsactiviteiten van het SPV zouden worden uitbesteed. De toezegging van Tsjechië om die activiteiten uit te besteden door middel van een open, niet-discriminerende aanbesteding, waarbij ČEZ zou worden uitgesloten, gecombineerd met contractuele bepalingen om te waarborgen dat de eindverantwoordelijkheid voor de handelsstrategie bij het SPV blijft liggen, vermindert deze risico’s echter aanzienlijk.

(571)

Gezien het bovenstaande concludeert de Commissie dat Tsjechië de aanvankelijk geformuleerde punten van zorg adequaat heeft aangepakt. De beschreven maatregelen en de vastgestelde waarborgen garanderen een goede werking van de markt en adequate concurrentieverhoudingen. De Commissie heeft derhalve geen verdere twijfels meer over de gevolgen van de voorgestelde rol van het SPV voor de markt.

8.3.3.6.5.   Conclusie over ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

(572)

De Commissie concludeert dat al met al de mogelijkheden voor verstoring van de mededinging beperkt zijn, gelet op de in de punten 8.3.3.6.1, 8.3.3.6.2, 8.3.3.6.3 en 8.3.3.6.4 uiteengezette overwegingen en rekening houdend met de door Tsjechië gedane toezeggingen.

8.3.4.   Afweging tussen de positieve effecten van de steun en de negatieve effecten ervan op de mededinging en het handelsverkeer

(573)

Na een zorgvuldige beoordeling in punt 8.3.2 van dit besluit erkent de Commissie dat het pakket maatregelen gericht is op het bevorderen van een investering in kernenergie en derhalve bijdraagt tot de ontwikkeling van een economische activiteit, namelijk de opwekking van elektriciteit uit kernenergie, en tegelijkertijd bijdraagt tot de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening.

(574)

De Commissie neemt er ook nota van dat deze activiteit, vanwege de toezegging om de technische screeningcriteria voor economische activiteiten in de kernenergiesector toe te passen zoals vastgesteld in de taxonomieverordening van de EU, op grond van die verordening als een ecologisch duurzame belegging kan worden beschouwd.

(575)

De Commissie erkent dat zonder de steun, met inbegrip van alle drie de maatregelen die het steunpakket vormen, niet kon worden verwacht dat de investering zou worden uitgevoerd. De steun is derhalve noodzakelijk voor de ontwikkeling van deze vorm van economische bedrijvigheid.

(576)

De Commissie heeft vastgesteld dat de combinatie van de afnameovereenkomst met een kortere looptijd van veertig jaar, de staatslening en het mechanisme voor bescherming tegen wetswijzigingen, zoals vormgegeven in de aangemelde maatregelen, een geschikt instrument is. Uit het formele onderzoek is niet gebleken dat andere maatregelen met minder verstorende effecten even doeltreffend zouden zijn geweest.

(577)

De steun zal op evenredige wijze worden verleend, aangezien de begunstigde onderneming er geen winst aan zal overhouden die verder gaat dan wat strikt noodzakelijk is om een rendabele exploitatie en de levensvatbaarheid van de kerncentrale te waarborgen. De verkorte duur van de afnameovereenkomst zorgt ervoor dat de centrale na terugbetaling van de kapitaalkosten volledig aan prijsrisico’s zal worden blootgesteld.

(578)

Meer specifiek stelt de Commissie vast dat de vergoedingsformule EDU II ook tijdens de looptijd van de afnameovereenkomst sterke prikkels biedt om de centrale efficiënt te exploiteren, en daarbij gebruik te maken van de bestaande flexibiliteit van de productiecapaciteit om op marktprijzen te reageren.

(579)

De regelmatige evaluatie van een duidelijk omschreven reeks inputwaarden voor het financiële model, die mogelijkheden biedt voor bijstelling naar boven en naar beneden, zorgt ervoor dat de aanzienlijke onzekerheden die momenteel bestaan met betrekking tot de kapitaal- en exploitatiekosten niet zullen leiden tot overcompensatie voor de begunstigde. De toepassing van een winstdelingsmechanisme zorgt er bovendien voor dat EDU II voortdurend gestimuleerd wordt om zo efficiënt mogelijk te werken, terwijl ook een hoger rendement op eigen vermogen wordt gedeeld met de staat, waardoor overcompensatie wordt beperkt wanneer de kosten of inkomsten zich beter ontwikkelen dan verwacht.

(580)

Het beoogde rendement op eigen vermogen van [9 tot 11] % is evenredig, gezien het risico van het project, rekening houdend met de risicobeperkende effecten van de steunmaatregelen.

(581)

De Commissie stelt ook vast dat ČEZ geen controle zal hebben over de handelsactiviteiten van het SPV en onderworpen zal zijn aan beperkingen van de prikkels en mogelijkheden om misbruik te maken van zijn marktpositie als deze door de maatregel wordt versterkt. De sterke interconnectiviteit van het Tsjechische systeem zal misbruik van marktmacht verder bemoeilijken. Voorts stelt de Commissie vast dat de verbintenissen inzake de verkoop van stroom zorgen voor stabiele verkopen van elektriciteit door het SPV en vervolgens door ČEZ onder niet-discriminerende voorwaarden aan alle marktdeelnemers, hetgeen de liquiditeit op de kortetermijngroothandelsmarkt voor elektriciteit kan verbeteren en de concurrentie op de retailmarkten ten goede kan komen.

(582)

Op basis van de overwegingen in punt 8.3.3 concludeert de Commissie dat de potentiële verstoringen van de mededinging over het geheel genomen beperkt zijn, mede gelet op de toezeggingen van de Tsjechische autoriteiten en de begunstigde van de steun.

(583)

Na een grondige afweging en rekening houdend met de toezeggingen is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de verstoringen van de mededinging als gevolg van de maatregel tot het noodzakelijke minimum beperkt blijven en gecompenseerd worden door de positieve effecten van de maatregelen.

8.3.5.   Conclusie over de verenigbaarheid van de steun

(584)

Gebaseerd op de hier uitgevoerde beoordeling en in het licht van de specifieke omstandigheden van deze zaak, komt de Commissie tot de bevinding dat het pakket maatregelen dat door de Tsjechische autoriteiten is aangemeld en vervolgens werd gewijzigd, mede gezien de gedane toezeggingen, verenigbaar is met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, punt c), VWEU.

9.   CONCLUSIE

(585)

De maatregel, zoals gewijzigd, is verenigbaar met de interne markt op grond van artikel 107, lid 3, punt c), VWEU.

(586)

De Commissie merkt op dat haar, ter beoordeling daarvan, de ontwerpen van de afnameovereenkomst, de investeringsovereenkomst en de terugvorderbare financiële steun zijn verstrekt, zoals tot dusver overeengekomen tussen de Tsjechische staat, ČEZ en EDU II. De Tsjechische autoriteiten verklaren dat de overige voorwaarden en de definitieve financiële documenten standaardclausules zullen bevatten die elke investeerder bij een soortgelijk project zou willen opnemen (zie overweging 194). Aangezien de Commissie niet de gelegenheid heeft gehad de definitieve documenten te beoordelen, zullen de Tsjechische autoriteiten, indien de maatregel als beschreven in dit besluit hierdoor zou worden gewijzigd, deze wijzigingen bij de Commissie moeten aanmelden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De steun die Tsjechië voornemens is ten uitvoer te leggen ten behoeve van de bouw en exploitatie van een nieuwe kerncentrale op de locatie Dukovany, is verenigbaar met de interne markt.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot Tsjechië.

Gedaan te Brussel, 30 april 2024.

Voor de Commissie

Margrethe VESTAGER

Uitvoerend vicevoorzitter


(1)   PB C 299 van 5.8.2022, blz. 5.

(2)  Beschikbaar op: https://commission.europa.eu/publications/czech-draft-updated-necp-2021-2030_en.

(3)  Hodnocení zdrojové přiměřenosti ES ČR do roku 2040 (MAF CZ), 2019. Voor meer informatie, zie: https://www.mpo.cz/assets/cz/energetika/elektroenergetika/2021/2/Hodnoceni-zdrojove-primerenosti-ES-CR-_2019__1.pdf.

(4)  Hodnocení zdrojové přiměřenosti ES ČR do roku 2040 (MAF CZ), 2022. Voor meer informatie, zie: https://www.mpo.cz/assets/cz/energetika/elektroenergetika/2023/5/Hodnoceni-zdrojove-primerenosti-elektrizacni-soustavy-CR-2022.pdf.

(5)  LOLE staat voor “Loss of Load Expectation” (verwacht capaciteitstekort), d.w.z. het aantal uren per jaar waarvoor statistisch gezien op de lange termijn te verwachten is dat de vraag groter is dan het aanbod.

(6)  De Tsjechische autoriteiten hebben toegelicht dat de interconnectie tussen het Tsjechische elektriciteitssysteem en dat van omliggende landen van oudsher zeer sterk is en dat zij verwachten dat de uitwisseling van elektriciteit verder zal toenemen als gevolg van de transformatie van de energiesector. Tsjechië beschikt momenteel over de volgende marktinterconnectiecapaciteit: CZ00-AT00: 900 MW, AT00-CZ00: 900 MW, CZ00-DE00: 2 800 MW, DE00-CZ00: 2 600 MW, CZ00-PLI0: 800 MW, PLE0-CZ00: 800 MW, CZ00-SK00: 2 000 MW, SK00-CZ00: 1 200 MW. Om de energiezekerheid bij de levering tussen buurlanden te versterken, zijn er verschillende investeringen gepland om de bestaande capaciteit te vergroten. Met name staat voor 2027-2028 de modernisering van de interconnector tussen Duitsland en Tsjechië gepland; deze zal leiden tot een toename van de invoercapaciteit op de markt met 500 MW, in beide richtingen (d.w.z. CZ00-DE00: 3 300 MW en DE00-CZ00: 3 100 MW). Na 2035 staat een nieuwe interconnector tussen Tsjechië en Slowakije (Otrokovice-Ladce) gepland; de daarmee beoogde nettotoename van de marktcapaciteit is ongeveer 500 MW in beide richtingen. Zie voor meer informatie het Tsjechische nationale ontwikkelingsplan 2023-2032, beschikbaar op: https://www.ceps.cz/en/transmission-system-development. De Tsjechische autoriteiten voeren aan dat Tsjechië het enige land in de Midden-Europese regio is dat voldoet aan de minimummarge van 70 % aan capaciteit die beschikbaar moet zijn voor zoneoverschrijdende handel (zoals uiteengezet in artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) 2019/943 betreffende de interne markt voor elektriciteit).

(7)  Door middel van de multiregionale koppeling worden de elektriciteitsmarkten van 19 landen met elkaar verbonden, die goed zijn voor ongeveer 85 % van het Europese energieverbruik.

(8)  Het project “Core Flow-Based Market Coupling” (stroomgebaseerde marktkoppeling voor de CORE-regio) heeft tot doel een dagelijkse koppeling van de stroomgebaseerde day-aheadmarkt in de CORE-regio tot stand te brengen.

(9)  Een capaciteitsberekeningsregio is een geografisch gebied waar de taken met betrekking tot capaciteitsberekening door de transmissiesysteembeheerders worden gecoördineerd. De CORE-regio voor capaciteitsberekening wordt gevormd door de biedzonegrenzen van België, Duitsland, Frankrijk, Hongarije, Kroatië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Polen, Roemenië, Slovenië, Slowakije en Tsjechië. De CORE-regio is een regio die door ACER is vastgesteld bij besluit van 2019: https://www.acer.europa.eu/sites/default/files/documents/Individual%20Decisions/ACER%20Decision%2002-2019%20on%20CORE%20CCM_0.pdf.

(10)   PB L 197 van 25.7.2015, blz. 24.

(11)  Volgens de modelleringsresultaten zal het elektriciteitstekort gevolgen hebben voor Polen, Slowakije, Oostenrijk, Hongarije en België, maar bijvoorbeeld ook voor Italië, Servië en Litouwen, die deel uitmaken van de CORE-regio.

(12)  Nationaal actieplan voor de ontwikkeling van de kernenergiesector in Tsjechië van 22 mei 2015, https://www.mpo.cz/assets/en/energy/electricity/nuclear-energy/2017/10/National-Action-Plan-for-the-Development-of-the-Nuclear-_2015_.pdf.

(13)  De twee bestaande eenheden op het terrein van Temelín met drukwaterreactoren VVER-1000/320 werden in 2002 en 2003 in bedrijf genomen, met een levensverwachting van zestig jaar. Samen hebben zij een geïnstalleerde capaciteit van 2,18 GW.

(14)  De vier bestaande eenheden op de locatie Dukovany met drukwaterreactoren VVER-440/213 werden tussen 1985 en 1987 in bedrijf genomen met een aanvankelijke levensverwachting van dertig jaar, die vervolgens met twintig jaar werd verlengd. Samen hebben zij een geïnstalleerde capaciteit van 2,04 GW.

(15)  Zie overweging 8 en voetnoot 2.

(16)  Mededeling van de Commissie “Onze toekomst veiligstellen: de klimaatdoelstelling van Europa voor 2040 en de weg naar klimaatneutraliteit tegen 2050 met het oog op de totstandbrenging van een duurzame, rechtvaardige en welvarende samenleving, 6 februari 2024, COM(2024) 63 final.

(17)  Mededeling van de Commissie “REPowerEU-plan”, 18 mei 2022, COM(2022) 230 final.

(18)  De Tsjechische autoriteiten wijzen op het belang van hernieuwbare bronnen voor de inspanningen van Tsjechië op het gebied van decarbonisatie, maar erkennen ook de beperkingen ervan bij de ontwikkeling van grootschalige productiecapaciteit in Tsjechië (zie overweging 9). Tsjechië heeft daarnaast andere alternatieven overwogen (zoals de invoer van elektriciteit om het productietekort aan te pakken of aardgasgestookte centrales), die in het inleidingsbesluit zijn uiteengezet (zie de overwegingen 19, 20 en 21). Op basis van het bovenstaande heeft Tsjechië besloten dat een combinatie van nucleaire en hernieuwbare hulpbronnen lagere systeemkosten heeft en dus een kosteneffectieve route naar decarbonisatie vormt.

(19)  De Tsjechische autoriteiten hebben toegelicht dat de WKE in 2020 en 2021 werd voorafgegaan door een uitgebreid raadplegingsproces, waaruit bleek dat de wet op brede steun van de bevolking (63-65 % op lange termijn) en brede politieke steun kon rekenen.

(20)  Dit besluit heeft geen betrekking op mogelijke staatssteun voor andere projecten in het kader van de WKE: het heeft uitsluitend betrekking op de ondersteuning van het project.

(21)  ČEZ-groep, financieel jaarverslag 2022, blz. 2, beschikbaar op: https://www.cez.cz/en/investors/financial-reports/annual-reports.

(22)  Zie overweging 40 voor een nadere toelichting.

(23)  Zie de overwegingen 170 tot en met 180 voor verdere details.

(24)  De belangrijkste verantwoordelijkheden van de strategische projectstuurgroep zijn: het goedkeuren van het projectplan en de regelmatige actualiseringen ervan, alsook de criteria voor de voortzetting en voltooiing van het project; het benoemen van de leden van de projectstuurgroep en het opstellen van richtsnoeren ter uitvoering door de projectstuurgroep; het nemen van besluiten over kwesties die door de projectstuurgroep aan haar worden voorgelegd; het goedkeuren van de overgang van het project naar de volgende fase en het vaststellen van de acceptatiecriteria voor de uitvoering van het project; het beoordelen van de veiligheidsvoorwaarden van het project; het beoordelen van significante veiligheidsrisico’s en eventuele significante beveiligingsincidenten in verband met het project en in het verlengde daarvan, het opleggen van maatregelen om deze risico’s te beperken en/of weg te nemen; het goedkeuren van de eindevaluatie van het project nadat het definitieve opleveringscertificaat is afgegeven aan het einde van de garantieperiode.

(25)  De bestuursstructuur van ČEZ en EDU II kan respectievelijk worden geraadpleegd op de volgende websites: https://www.cez.cz/en/cez-group/cez/governing-bodies-of-cez en https://www.cez.cz/cs/o-cez/skupina-cez/vyznamne-spolecnosti-skupiny-cez/elektrarna-dukovany-ii/informace-o-spolecnosti. De Tsjechische autoriteiten hebben toegelicht dat EDU II een afzonderlijke rechtspersoon is die onafhankelijk wordt beheerd door een raad van bestuur en onder supervisie staat van een raad van toezicht. Meer bepaald is de raad van bestuur van EDU II verplicht te handelen met passende zorgvuldigheid en in het belang van de onderneming. Andere mechanismen om de onafhankelijkheid van EDU II te waarborgen, zijn onder meer de duidelijk omschreven rechten en plichten die zijn vastgelegd in contractuele voorwaarden tussen ČEZ en EDU II, en een verbod op de overdracht van aandelen en andere vermogensbestanddelen van EDU II aan de ČEZ-groep.

(26)  De aandeelhoudersstructuur van ČEZ kan worden geraadpleegd op de volgende website: https://www.cez.cz/en/investors/shares/structure-of-shareholders.

(27)  De Tsjechische autoriteiten hebben uitgelegd dat de toepassing van marktvoorwaarden op de exploitatiekosten van het SPV zal worden gewaarborgd door deze te vergelijken met de kosten van andere handelaren die op dezelfde markt actief zijn. Deze kosten worden regelmatig gecontroleerd en aan audits onderworpen. De exploitatiekosten van het SPV zouden worden gedekt uit de marktopbrengsten, indien de marktprijs hoger is dan de uitoefenprijs. Anders worden zij door de staat gedekt.

(28)  Artikel 6, lid 1, van de WKE luidt als volgt: “Het ministerie machtigt een entiteit die voor 100 % in handen is van de staat en houder van een vergunning voor de handel in elektriciteit uit hoofde van de energiewet (hierna “de gemachtigde entiteit” genoemd) om de verplichtingen uit te voeren die voortvloeien uit de afnameovereenkomst en de daarmee verband houdende verplichtingen uit hoofde van deze wet.”

(29)   “Analýza vhodného investorského modelu pro výstavbu nového jaderného zdroje a návrh možných modelů financování pro zajištění návratnosti investic” (Permanent Comité voor Kernenergie, Analyse van een geschikt investeringsmodel voor de bouw van een nieuwe kerncentrale en voorstel voor mogelijke financieringsmodellen om het rendement op de investering te waarborgen, juni 2017).

(30)  Dat model is in 2018 nader beoordeeld in een aanvullend verslag: “Analýza vybraných investorských modelů výstavby nových jaderných zdrojů a způsobu jejich financování”. In dat verslag is rekening gehouden met de verwachte productiekosten per eenheid elektriciteit bij verschillende eigendomsvarianten, een gedetailleerde SWOT-analyse van elke variant, de wijze waarop elke variant het beste kan voldoen aan de doelstellingen van het nationale energiebeleid en het nationale actieplan voor kernenergie, en de budgettaire gevolgen van elk model. Het verslag bevatte ook een risicobeoordeling.

(31)   https://www.zakonyprolidi.cz/cs/2016-134#.

(32)  Zie Bureau voor de bescherming van de mededinging, artikel 29, lid 1, punt a), van wet nr. 134/2016 Coll. inzake overheidsopdrachten, 15 juni 2020, beschikbaar op: https://uohs.gov.cz/cs/legislativa/verejne-zakazky.html. Op 23 januari 2024 heeft het Bureau voor de bescherming van de mededinging bevestigd dat dit ook geldt voor de wijzigingen in de aanbestedingsprocedure die zijn vastgesteld om bindende biedingen voor vier reactoren te verkrijgen.

(33)  Wereldhandelsorganisatie, Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, zoals gewijzigd op 30 maart 2012 (“GPA 2012”), https://www.wto.org/english/tratop_e/gproc_e/gp_gpa_e.htm.

(34)  Zie regeringsbesluit nr. 74 van 31 januari 2024.

(35)   https://portal.cenia.cz/eiasea/detail/EIA_MZP469?lang=en.

(36)  Zie Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1214 van de Commissie van 9 maart 2022 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 wat betreft economische activiteiten in bepaalde energiesectoren en Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 wat betreft specifieke openbaarmakingen voor die economische activiteiten (PB L 188 van 15.7.2022, blz. 1).

(37)  Zie regeringsbesluit nr. 24/2023 van 11 januari 2023, beschikbaar op https://www.odok.cz/portal/zvlady/jednani-detail/2023-01-11/.

(38)  Onder een “tweerichtingscontract ter verrekening van verschillen” wordt verstaan een contract dat wordt ondertekend tussen een exploitant van een installatie voor elektriciteitsopwekking en een tegenpartij, gewoonlijk een overheidsinstantie, dat niet alleen voorziet in een minimumvergoeding maar ook in een beperking van te hoge vergoedingen. Het contract wordt zodanig vormgegeven dat de centrale gestimuleerd wordt om op efficiënte wijze te opereren en deel te nemen aan de elektriciteitsmarkten.

(39)  Volgens de Tsjechische autoriteiten begint de afnameperiode (d.w.z. de periode waarin de stroomafnameverplichting van het SPV van toepassing is) hetzij op i) de startdatum, d.w.z. de dag waarop de kerncentrale voor het eerst elektriciteit aan het net levert en EDU II de staat/het SPV ervan in kennis heeft gesteld dat zij wil dat de startdatum wordt bepaald op basis van de in de afnameovereenkomst vast te stellen termijnen, hetzij op ii) de uiterste datum, d.w.z. de dag na de laatste dag van de streeftermijn voor oplevering van vijf jaar, gerekend vanaf de streefdatum voor oplevering, afhankelijk van welke van deze twee data eerder valt. De streefdatum voor oplevering zal worden verlengd om rekening te houden met eventuele vertragingen als gevolg van gebeurtenissen die legitieme gronden voor verlenging vormen.

De Tsjechische autoriteiten hebben toegelicht dat elke vertraging bij de start van de commerciële exploitatie na afloop van de streeftermijn voor oplevering, die wordt gedefinieerd als een periode van vijf jaar na de streefdatum voor oplevering, feitelijk de duur van de afnameovereenkomst verkort.

(40)  De Power Exchange Central Europe is een energiebeurs die gespecialiseerd is in de energiemarkten van Midden- en Zuidoost-Europa. Voor nadere informatie zie: PXE — Power Exchange Central Europe, a.s.

(41)  Overcompensatie wordt ook voorkomen via het winstdelingsmechanisme (zie punt 3.6.7).

(42)  Zie overweging 124.

(43)  Deze waarde wordt in reële termen uitgedrukt, in prijzen van 2020. De Tsjechische autoriteiten schatten dat het equivalent in reële termen in prijzen van 2025 [50 tot 100] EUR/MWh zal bedragen.

(44)   “Load following” verwijst in dit verband naar aanpassing van de stroomoutput van de kerncentrale om de productie optimaal af te stemmen op de elektriciteitsprijzen, die de hele dag fluctueren. Voor meer informatie, zie overweging 187.

(45)  De Tsjechische CPI geeft de stijging van de gemiddelde jaarlijkse consumentenprijsindex in Tsjechië weer, zoals gepubliceerd door het Tsjechische Bureau voor de Statistiek, https://www.czso.cz/csu/czso/inflation_rate.

(46)  De Tsjechische PPI is het geaggregeerde indexcijfer van de industriële producentenprijzen in Tsjechië, zoals gepubliceerd door het Tsjechische Bureau voor de Statistiek (totaal industrie), zie https://www.czso.cz/csu/czso/ipc_ts.

(47)  De PPI voor de EU is het indexcijfer van de industriële producentenprijzen in de Europese Unie (producentenprijzen industrie, totaal), zoals gepubliceerd door Eurostat, zie https://ec.europa.eu/eurostat/databrowser/view/teiis010/default/table?lang=en&category=t_sts.t_sts_ind.t_sts_ind_pric.

(48)  De loonindex voor de Tsjechische industrie toont de jaarlijkse procentuele verandering van het gemiddelde brutoloon in de industrie, zoals gepubliceerd door het Tsjechische Bureau voor de Statistiek (gemiddelde loon industrie, totaal), zie https://www.czso.cz/csu/czso/pmz_ts.

(49)  Op basis van de conditielijst (“Term Sheet”) voor de afnameovereenkomst worden de volgende gebeurtenissen als legitieme gronden beschouwd: wijzigingen in de financieringskosten van de staatslening of eenzijdige intrekking of wijziging van de staatslening, vertraging bij het definitieve investeringsbesluit, wijzigingen in de wet, schending van verplichtingen door de staat of overheidsinstanties, veiligheidseisen, eisen van autoriteiten, natuurrampen of soortgelijke gebeurtenissen, gebeurtenissen waarop EDU II geen invloed heeft, infrastructuur- en netwerkproblemen.

(50)  De mogelijke heffing en eventuele vrijstellingen daarvan vallen buiten het toepassingsgebied van deze procedure.

(51)  Gedurende de looptijd van de afnameovereenkomst is het SPV, of een entiteit buiten de ČEZ-groep waaraan het SPV deze activiteit heeft gedelegeerd, verantwoordelijk voor de verkoop van de productie. Indien het SPV er bij wijze van uitzondering niet in slaagt het productievolume of een deel daarvan af te nemen, zal EDU II de elektriciteit als prijsnemer op de spotmarkt verkopen (zie overweging 83). Na afloop van de afnameovereenkomst zal EDU II of een entiteit waaraan het de handelsactiviteit heeft gedelegeerd, rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de verkoop van de productie. De verbintenissen inzake de handel in elektriciteit gelden voor elk van de twee entiteiten die gedurende de verwachte levensduur ervan de door de kerncentrale geproduceerde elektriciteit verkopen, alsook voor alle entiteiten waaraan zij hun handelsactiviteiten delegeren.

(52)  Dechurn factor is een maatstaf voor de marktliquiditeit en wordt gedefinieerd als het totale volume dat via de markt wordt verhandeld, uitgedrukt als een veelvoud van het fysieke verbruik.

(53)  Inleidingsbesluit, overweging 67.

(54)  Inleidingsbesluit, overweging 71.

(55)  Inleidingsbesluit, overwegingen 207 en 208.

(56)  Zie punt 4.4.2.5 van het inleidingsbesluit.

(57)  Zie de opmerkingen van Tsjechië van 1 maart 2024. De Tsjechische autoriteiten hebben uitgelegd dat zij de Harris-Pringle-formule hebben gebruikt om de equity-bèta te ramen. In het kader van deze benadering wordt de renteaftrek (d.w.z. de belastingvermindering die voortvloeit uit de toegestane aftrek hiervan van de belastbare inkomsten) niet gebruikt bij het aanpassen van de hefboom voor bèta. De Harris-Pringle formule luidt als volgt:

Formula
, waarbij β L de equity-bèta is, β U de asset-bèta, β D de schuldbèta, D de schuld en E het eigen vermogen. Tsjechië verklaart verder dat deze aanpak overeenstemt met het financiële model, waarin alle kasstromen die tegen kapitaalkosten worden gedisconteerd, na belastingen zijn opgenomen, met toepassing van eventuele renteaftrek.

(58)  Deze premie is de in het inleidingsbesluit beschreven “premie voor de bouw en exploitatie van kerncentrales”, die door Tsjechië is omgedoopt tot “standalone major risk premium” of “SMRP”.

(59)  Zie de opmerkingen van Tsjechië van 1 maart 2024 en 26 februari 2024.

(60)  Voor euro-obligaties met een AAA-rating is tien jaar de langste looptijd.

(61)  Tsjechië heeft toegelicht dat kortetermijngemiddelden weliswaar een nauwkeurigere afspiegeling vormen van de heersende marktomstandigheden en het beleggerssentiment, gezien de volatiliteit die in de gegevens over overheidsobligaties valt waar te nemen, maar dat het eenvoudigweg baseren van het risicovrije rendement op volatiele spotgegevens mogelijk niet verstandig is bij zeer langdurige infrastructuurprojecten, zoals een kerncentrale. Een langeretermijngemiddelde tempert de bijbehorende volatiliteit van de gegevens en kan een evenwichtiger beeld geven, zelfs in geval van eventuele marktcorrecties (bijvoorbeeld door “mean reversion”, de terugkeer naar het gemiddelde op lange termijn). Tsjechië verstrekte deze informatie op 9 januari 2024.

(62)  De Tsjechische toezichthouder baseert zich bij zijn aanpak voor het vaststellen van het RfR op een korf met door Tsjechië uitgegeven overheidsobligaties met een gemiddelde resterende looptijd van tien jaar. Deze obligaties luiden in Tsjechische kroon. Aangezien de financiële middelen van het EDU II-project echter allemaal in euro’s luiden, werd het RfR gebaseerd op Europese overheidsobligaties en bedrijfsobligaties met een hoge rating.

(63)  Zie het financieel model van Tsjechië en de opmerkingen van Tsjechië van 9 januari 2024, waaruit een premie van 0,6 % naar voren komt. Damodaran (juli 2023), https://pages.stern.nyu.edu/~adamodar/pc/datasets/ctrypremJuly23.xlsx.

(64)  Zie de opmerkingen van Tsjechië van 1 maart 2024 en 26 februari 2024.

(65)  Deze cijfers zijn afkomstig uit de in juli 2023 door prof. A. Damodaran (“Damodaran”) van New York University ontwikkelde wereldwijde databank van de risicopremies op eigen vermogen (https://pages.stern.nyu.edu/~adamodar/pc/datasets/ctrypremJuly23.xlsx). Hiervoor gebruikt Damodaran de impliciete risicopremie op eigen vermogen van de S&P 500. Zodra de premie voor een volwassen markt is vastgesteld (5 % volgens deze dataset), raamt Damodaran de credit spread, ofwel de landenrisicopremie, van het land in kwestie. De marktrisicopremie voor Tsjechië wordt berekend door de risicopremie op eigen vermogen op lange termijn (5 %) en de Tsjechische landenrisicopremie (van 0,3 % en 0,9 %) bij elkaar op te tellen. De Tsjechische landenrisicopremie wordt geraamd aan de hand van twee methoden. De eerste methode, die een premie van 0,3 % oplevert, is gebaseerd op de CDS-spread (of Credit Default Swap) tussen Duitsland (0,22 %, in het tabblad “CDS Spreads over tien jaar” van het bovengenoemde Excel-bestand) en Tsjechië (0,45 %, in het tabblad “CDS Spreads over tien jaar” van het bovengenoemde Excel-bestand), die vervolgens wordt vermenigvuldigd met een factor 1,4, zoals blijkt uit de dataset van Damodaran. De tweede methode, die een premie van 0,9 % oplevert, is gebaseerd op de rating van Tsjechië van Aa3, die resulteert in een spread van 0,64 %, die vervolgens wordt vermenigvuldigd met de factor 1,4, zoals hierboven aangegeven.

(66)  Databank ontwikkeld door prof. P. Fernandez (“Fernandez”) van de IESE Business School van de Universiteit van Navarra. Deze databank is het resultaat van een door Fernandez et al. uitgevoerd onderzoek naar het risicovrije rendement en de marktrisicopremie die in 2023 voor tachtig landen werden gebruikt (zie Fernandez et al. (2023), “ Survey: Market Risk Premium and Risk-Free Rate used for 80 countries in 2023” door Pablo Fernandez, Diego García de la Garza, Javier Fernandez Acin; SSRN: https://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=4407839).

(67)  Zie de opmerkingen van Tsjechië van 1 maart 2024.

(68)  Gekeken werd naar de volgende ondernemingen: RWE, ČEZ, Fortum, EDF, Engie, Iberdrola, Uniper, Centrica, Nuclearelectrica. Zie de opmerkingen van Tsjechië van 27 februari 2024.

(69)  Tsjechië heeft uitgelegd dat bij de analyse de benadering van Modigliani en Miller is gevolgd, waarbij de voorgeschreven benchmarkselectie is gebruikt om tot een raming van de asset-bèta van EDU II te komen. Hierop wordt vervolgens weer de hefboom toegepast om te komen tot een overeenkomstige raming voor de equity-bèta (uitgaande van een veronderstelde schuldbèta van nul). Om de asset-bèta te ramen heeft Tsjechië bij zijn analyses gebruikgemaakt van wekelijkse ramingen over een periode van twee en vijf jaar. De bèta is specifiek berekend aan de hand van de Damodaran-benadering, die erin bestaat de bèta voor vergelijkbare ondernemingen te selecteren op basis van de wekelijkse prijzen over een periode van twee jaar (met een gewicht van 66,7 %) en vijf jaar (met een gewicht van 33,3 %). Zie https://pages.stern.nyu.edu/~adamodar/New_Home_Page/datafile/variable.htm. Zie de opmerkingen van Tsjechië van 27 februari 2024.

(70)  Opmerkingen van Tsjechië over het RoE van 10 januari 2024.

(71)  De asset-bèta kan worden opgesplitst in de equity-bèta, d.w.z. de blootstelling van aandeelhouders aan systematisch risico, en de schuldbèta, d.w.z. de blootstelling van obligatiehouders aan systematisch risico. Bij de berekening van de asset-bèta worden de bèta’s voor vreemd en eigen vermogen gewogen naar het aandeel van het vreemd en eigen vermogen binnen de kapitaalstructuur.

(72)  Zie de opmerkingen van Tsjechië van 9 januari 2024.

(73)  Tsjechië heeft hiervoor gekeken naar de in het Verenigd Koninkrijk gereguleerde waterbedrijven, waar een schuldbèta van 0,15 tot 0,05 wordt gehanteerd (zie de definitieve prijsbeoordelingsmethode van de toezichthouder voor de watersector, Ofwat, december 2022, https://www.ofwat.gov.uk/wp-content/uploads/2022/12/PR24_final_methodology_Appendix_11_Allowed_return.pdf).

(74)  In dit verband wordt de gearing gedefinieerd als de schuld als percentage van het kapitaal, waarbij het kapitaal bestaat uit de som van vreemd en eigen vermogen.

(75)  Zie de opmerkingen van Tsjechië van 21 maart 2024.

(76)  In zijn opmerkingen van 9 januari 2024 heeft Tsjechië toegelicht dat de gearing van het project in het kader van de financieringsstructuur van EDU II in de loop van de tijd varieert. Tijdens de bouw ligt de gearing boven de 90 %, maar gedurende de looptijd van het project neemt deze af naarmate de staatslening wordt terugbetaald. Tsjechië heeft verder uitgelegd dat de variatie van de gearing voor EDU II in de tijd ertoe leidt dat, volgens het standaard CAPM-kader, het rendement op eigen vermogen positief gecorreleerd moet zijn met de gearing, aangezien beleggers in aandelen doorgaans een hoger rendement verlangen wanneer de gearing toeneemt. Volgens het CAPM-kader valt dan ook te verwachten dat het RoE in de tijd zal variëren om deze dynamische verhouding tussen het rendement op eigen vermogen en de effectieve gearing weer te geven. Tsjechië heeft er in dit verband op gewezen dat, aangezien het huidige mechanisme van het financiële model uitgaat van een constant jaarlijks RoE gedurende de looptijd van het project, dit niet consistent is met de wijze waarop het RoE moet worden berekend, gezien het feit dat de jaarlijkse gearing van EDU II varieert in de tijd. Om dit te corrigeren, zou er een constante “effectieve” jaarlijkse gearing moeten worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat 1) de ontwikkeling van de blootstelling aan aandelenrisico gedurende de looptijd van het project van ED II nauwkeurig wordt berekend, en 2) in het CAPM-kader een constant jaarlijks RoE wordt gebruikt dat in overeenstemming is met het huidige mechanisme van het financiële model. Een eenvoudig gemiddelde van de gearing in de tijd weerspiegelt dus niet echt het risiconiveau waaraan het project is blootgesteld, en daarmee evenmin het niveau van het rendement op eigen vermogen dat investeerders zouden verlangen. Bijvoorbeeld, ervan uitgaande dat het eenvoudige jaarlijkse gemiddelde van de gearing gelijk blijft, zou de blootstelling aan risico op eigen vermogen voor het project tijdens de bouwfase, wanneer de gearing hoger is, groter zijn dan tijdens de exploitatiefase, wanneer de gearing lager is. De reden hiervoor is dat de bouwfase voor beleggers in aandelen een wezenlijk hoger risico met zich meebrengt dan de exploitatie. In het licht hiervan heeft Tsjechië drie alternatieve benaderingen geboden om de effectieve gearing te berekenen die bij de raming van het RoE wordt gebruikt. Deze alternatieve benaderingen zijn beschreven in de opmerkingen die Tsjechië op 9 januari 2024 en 8 november 2023 heeft ingediend.

(77)  Zie de opmerkingen van Tsjechië van 9 januari 2024.

(78)  Zie de opmerkingen van Tsjechië van 9 januari 2024.

(79)  Tsjechië merkt voorts op dat de resultaten in grote lijnen overeenstemmen met de risicoanalyse, aangezien projecten op het gebied van kernenergie zich aan de bovenkant van het risicospectrum bevinden en dienovereenkomstig een hoog rendement vertonen; de rendementen van de referentiebedrijven die actief zijn op het gebied van kernenergie vallen binnen de geraamde bandbreedte van het RoE; de door de Tsjechische regelgeving voorgeschreven prijscontroles wijzen op een relatief stabiel rendement over de controleperioden 2021-2025. Dit is een van de referentiegroepen met het laagste rendement, wat overeenstemt met de indeling in de categorie “laag” in de risicoanalyse. Bovendien hebben twee van de Duitse referentieprojecten voor elektriciteitsopwekking (steenkool en STEG) een rendement op eigen vermogen dat vergelijkbaar is of iets lager ligt dan de projecten voor kernenergie, voornamelijk als gevolg van een aanzienlijk lager bouw- en exploitatierisico. Zie de opmerkingen van Tsjechië van 9 januari 2024.

(80)  Zie het besluit van de Commissie van 8 oktober 2014 betreffende steunmaatregel SA.34947 (2013/C) (ex 2013/N) die het Verenigd Koninkrijk voornemens is ten uitvoer te leggen ten behoeve van de kerncentrale Hinkley Point C.

(81)  Zie het besluit van de Commissie van 6 maart 2017 betreffende de maatregel/steunregeling/staatssteun SA.38454 — 2015/C (ex 2015/N) die Hongarije van plan is ten uitvoer te leggen ter ondersteuning van de ontwikkeling van twee nieuwe kernreactoren in de kerncentrale Paks II.

(82)  Fraunhofer ISE (2021), “Levelized cost of electricity renewable energy technologies”, https://www.ise.fraunhofer.de/en/publications/studies/cost-of-electricity.html.

(83)  World Forum Offshore Wind (2022), “Financing Offshore Wind”, WFO_FinancingOffshoreWind_2022.pdf (wfo-global.org).

(84)  ERÚ (2020), blz. 154, https://www.eru.cz/en/price-control-principles-2021-2025-regulatory-period-electricity-and-gas-industries-and-market. ERÚ (2020), blz. 154, https://www.eru.cz/en/price-control-principles-2021-2025-regulatory-period-electricity-and-gas-industries-and-market.

(85)  Tsjechië meldt dat YieldCos een beleggingscategorie is van beursgenoteerde ondernemingen die zich richten op operationele activa voor hernieuwbare energie. Zes ondernemingen werden van juni 2022 tot juni 2023 geanalyseerd, waarvan er twee in 2023 verslagen hadden gepubliceerd en de overeenkomstige waarden voor de hefboom en het RoE met hefboom hadden aangegeven. Het laagste hefboomeffect is ontleend aan de prestaties van de portefeuille, terwijl de bovengrens overeenkomt met het maximum dat bij hun beleggingsbeleid is toegestaan: hefboom TRIG: https://www.trig-ltd.com/wp-content/uploads/2023/08/TRIG-H1-2023-Interim-Results-Presentation.pdf; RoE met hefboom TRIG: https://www.trig-ltd.com/wp-content/uploads/2023/02/TRIG-2022-Annual-Report.pdf; hefboom en RoE met hefboom UKW: https://www.greencoat-ukwind.com/~/media/Files/G/GreenCoat-UKWind/documents/Results/2911%20Greencoat%20Interim%20Report_CL.pdf.

(86)  Opmerkingen van Tsjechië van 9 januari 2024.

(87)  Opmerkingen van Tsjechië van 9 januari 2024.

(88)  Tsjechië heeft toegelicht dat de kosten van schuldfinanciering van 3,5 % werden geraamd aan de hand van recente gegevens over de rendementscurve voor Tsjechische overheidsobligaties. Wanneer gebruik wordt gemaakt van een lineaire benadering op basis van de beschikbare rentetarieven voor obligaties met een looptijd van twintig en vijftig jaar, bedraagt het desbetreffende percentage voor obligaties met een looptijd van dertig jaar 4,04 % in Tsjechische kroon. Aangezien de Tsjechische regering geen langlopende obligaties in EUR heeft, werd voor de berekening van de vaste rente een toepasselijke eurorente geraamd aan de hand van CZK/EUR-termijnkoersen. Op basis van deze analyse bedraagt de toepasselijke vaste rente in EUR 2,5 %. Wanneer hierbij de bovengenoemde marge van 1 % wordt opgeteld, komen de geraamde kosten van schuldfinanciering uit op 3,5 %. Zie de opmerkingen van Tsjechië van 1 maart 2024 en 7 maart 2024.

(89)  Zie de opmerkingen van Tsjechië van 7 maart 2024. Tsjechië heeft uitgelegd dat het project na afloop van de afnameovereenkomst van 2081 tot en met 2095 commerciële leningen zou kunnen aangaan voor 304 miljoen EUR, ofwel 3 % van de staatslening, aangezien te verwachten valt dat de investeerder zal proberen het project te herfinancieren om zijn activaportefeuille efficiënter te beheren. Verwacht wordt dat de commerciële schuld na afloop van de afnameovereenkomst zal worden aangegaan tegen een kostprijs van 5,5 %. Dit cijfer werd geraamd aan de hand van de kosten van schuldfinanciering voor de staatslening (d.w.z. 3,5 %) als benchmark. Aangezien het project tegen het einde van de looptijd volledig zal worden blootgesteld aan marktprijzen, is bij de 3,5 % een marge van 2 % opgeteld om de kosten van commerciële schuldfinanciering in dat stadium te ramen. Zie ook het financiële model van Tsjechië.

(90)  Zie de opmerkingen van Tsjechië van 13 oktober 2023 en 1 maart 2024.

(91)  Tsjechië heeft uitgelegd dat deze aanpak verschilt van de benadering bij bedrijfsfinanciering, waarbij de waardering plaatsvindt op basis van de vrije kasstroom naar de onderneming en het effect van fiscale afscherming op de WACC (waarbij de CoD wordt vermenigvuldigd met een factor (1-t), waarbij t het belastingtarief is) moet worden gecorrigeerd om rekening te houden met de gevolgen van de financiële structuur voor belastingen, die niet rechtstreeks in het model tot uiting komen. Deze correctie is derhalve niet van toepassing op het hier gebruikte projectfinancieringsmodel. Zie de opmerkingen van Tsjechië van 21 februari 2024.

(92)  Opmerkingen van Tsjechië van 1 maart 2024 en het financiële model van Tsjechië.

(93)  Beschikbaar voor leden op https://europeanutilityrequirements.eu/.

(94)  Dit rentetarief is van toepassing totdat de vergunning voor de exploitatie van de kerncentrale wordt verleend. Zie artikel 9, punt f), en artikel 4, lid 2, van de kernenergiewet (exploitatie van kerncentrales).

(95)  Dit rentetarief wordt toegepast nadat de vergunning voor de exploitatie van de kerncentrale aan de begunstigde is verleend. Zie artikel 9, punt f), en artikel 4, lid 2, van de kernenergiewet (exploitatie van kerncentrales).

(96)  Het begrip “financiële wanbetaling” wordt gedefinieerd in artikel 6 van de lijst van voorwaarden voor de investeringsovereenkomst.

(97)  Volgens de lijst van voorwaarden voor de investeringsovereenkomst betreffen de financieringsverbintenissen van ČEZ de verplichting om de afgesproken financiering van voorwaardelijk vermogen voor het project te verstrekken tot een maximum van in totaal 1,95 miljard EUR.

(98)  Zie overweging 104 voor een definitie van legitieme gronden.

(99)  De “putoptie” betreft het recht van ČEZ om alle aandelen in EDU II aan de staat te verkopen wanneer zich bepaalde gebeurtenissen voordoen.

(100)  De “calloptie” betreft het recht van de Tsjechische staat om alle aandelen in EDU II van ČEZ te kopen wanneer zich bepaalde gebeurtenissen voordoen.

(101)   “Legitieme gronden” zijn gebeurtenissen en omstandigheden die in de afnameovereenkomst zullen worden gespecificeerd (en die al zijn vastgelegd in de eerste uitvoeringsovereenkomst), welke verband houden met wijzigingen in de voorwaarden van de staatslening, vertraging in het definitieve investeringsbesluit van de Tsjechische regering, de vaststelling, wijziging of annulering van toepasselijke projectgerelateerde wet- of regelgeving, de niet-nakoming van bepaalde verplichtingen door de staat of overheidsinstanties die het project faciliteren en problemen met de infrastructuur en het netwerk, eisen van de staat in verband met nationale veiligheidsbelangen en de daaruit voortvloeiende gevolgen enz.

(102)  De beschikbaarheidsdoelstelling van [75 tot 100] % wordt gebruikt als basis voor de vergoeding. Verschillen in de beschikbaarheid naar gelang van de gekozen technologie kunnen echter gevolgen hebben voor het financiële model.

(103)  De levenscycluskosten omvatten de kosten van de vervanging en ingrijpende vernieuwing van onderdelen van de kerncentrale. De geselecteerde EAB-inschrijving zal een gedetailleerde beschrijving bevatten van de verwachte planning voor de vervanging en ingrijpende vernieuwing van onderdelen. Deze kosten omvatten niet de kosten voor de verlenging van de levensduur.

(104)  De wet is laatstelijk gewijzigd in 2023 en is beschikbaar op: https://www.zakonyprolidi.cz/cs/2012-165.

(105)  Het “realistische scenario” is de benaming van ČEZ voor een alternatief scenario dat uitgaat van een stijging van de “overnight costs” van het project met 10 %, waarbij de kosten als niet-legitiem worden aangemerkt.

(106)  Beschikbaar op: https://mpo.cz/cz/energetika/novy-jaderny-zdroj/rozvoj-novych-jadernych-zdroju/.

(107)  Zie de overwegingen 191, 192 en 193 van het inleidingsbesluit.

(108)  Ibid., overwegingen 197 en 198. Meer bepaald werd de afnameovereenkomst voor Hinkley Point C gesloten voor 35 jaar, terwijl de termijn voor de terugbetaling van de staatslening voor Paks II slechts 21 jaar bedroeg en de maatregel niet gepaard ging met enige andere vorm van exploitatiesteun.

(109)  Ibid., overwegingen 207 en 208.

(110)  Ibid., overweging 205.

(111)  Ibid., overweging 209.

(112)  Ibid., overweging 215.

(113)  Ibid., overwegingen 217 en 218.

(114)  Ibid., overwegingen 221, 222 en 223.

(115)  Ibid., overweging 224.

(116)  Ibid., overwegingen 182, 183 en 184.

(117)  In het inleidingsbesluit werd de term “stroomafnameovereenkomst” (Power Purchase Agreement, PPA”) gebruikt om het afnamecontract te beschrijven. Tijdens het formele onderzoek paste Tsjechië deze term in de overeenkomsten aan en koos voor de term “afnameovereenkomst”. Met het oog op de consistentie wordt in dit besluit de aangepaste term gebruikt, die de huidige maatregel correct weergeeft.

(118)  Ten eerste hebben de Tsjechische autoriteiten verschillende voorbeelden gegeven van projecten die zijn opgegeven omdat de markt niet wist te voorzien in de aanzienlijke hoeveelheid kapitaal die benodigd was. Zij wezen met name op Horizon in het VK, Belene in Bulgarije en het project Virgil C. Summer in de VS. Ten tweede voerden de Tsjechische autoriteiten aan dat het Temelín II-project (eenheden 3 en 4) in Tsjechië gedeeltelijk werd opgegeven vanwege het ontbreken van een staatssteunmechanisme om de risico’s van marktprijsvolatiliteit te beperken. Ten derde heeft Tsjechië uitgelegd dat nieuwe kernenergieprojecten tijdens hun gehele levensduur worden blootgesteld aan politieke veranderingen en dat deze veranderingen negatieve gevolgen kunnen hebben voor de levensvatbaarheid en de financierbaarheid van projecten. De Tsjechische autoriteiten wezen op de projecten Olkiluoto 4 en Hanhikivi 1 in Finland, die werden opgegeven als gevolg van beleidsbeslissingen.

(119)  Zie de overwegingen 60 tot en met 65 van het inleidingsbesluit.

(120)  Zie artikel 51, lid 2, van de kernenergiewet, beschikbaar op: https://sujb.gov.cz/fileadmin/sujb/docs/legislativa/zakony/Act_263_2016_web.pdf.

(121)  Volgens Tsjechië zou dit gebeuren op basis van aannamen die zullen worden herzien naar aanleiding van de EAB-aanbestedingsprocedure, waarbij de meest recente marktvisies worden verwerkt in de gebruikte langetermijnaannames.

(122)  Tsjechië voert aan dat het rendement bij Hinkley Point C weliswaar 26,7 % hoger moet uitvallen dan het oorspronkelijke IRR (9,02 %) voordat er winstdeling plaatsvindt, maar dat het winstdelingsmechanisme van het project geldt voor alle overcompensatie die het initiële IRR overtreft.

(123)  Meer in het bijzonder hebben de Tsjechische autoriteiten aangevoerd dat de projectontwikkelaar in het geval van Hinkley Point C ook de technologieleverancier was die een groot deel van de uitrusting en engineering leverde, op basis van meer dan 180 rechtstreekse contracten. Aangezien de projectontwikkelaar ook een prominente rol vervult in de toeleveringsketen van de technologie, heeft hij volgens Tsjechië meer controle en een groter vermogen om overcompensatie te bewerkstelligen.

(124)   https://www.wano.info/.

(125)   https://www.europeanutilityrequirements.eu/fr.

(126)   https://www.epri.com/.

(127)   https://www.world-nuclear.org/.

(128)   https://snetp.eu/nugenia/.

(129)  Uit simulaties van de Tsjechische transmissiesysteembeheerder van de vooruitzichten voor toereikendheid op middellange termijn in drie scenario’s (namelijk i) het progressieve scenario waarin de ontmanteling van kolengestookte elektriciteitscentrales uiterlijk voor 2033 gepland staat; ii) het conservatieve scenario waarin de ontmanteling van kolengestookte elektriciteitscentrales uiterlijk voor 2038 gepland staat, en iii) het referentiescenario waarin de ontmanteling van kolengestookte elektriciteitscentrales uiterlijk voor 2040 gepland staat) blijkt het belang van de tijdige inbedrijfstelling van een nieuwe kerncentrale om de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening en het zelfvoorzienend vermogen van Tsjechië te waarborgen.

(130)  Zo hebben de Tsjechische autoriteiten aangegeven dat de aanwijzing van EDF voor Hinkley Point C plaatsvond na een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling, waarbij EDF de enige respondent was, terwijl MVM Paks II voor Paks II werd aangewezen zonder een open, concurrerende procedure, aangezien er destijds geen andere betrouwbare alternatieven op de markt waren.

(131)  Zie de antwoorden van Tsjechië van 16 maart 2023 (antwoord op vraag 20).

(132)  Oxera Consulting LLP, 2021, “The impact of Dukovany on the Central European electricity market” (het “verslag van Oxera”).

(133)  Berekend op basis van een jaarlijkse productie van 9 TWh vermenigvuldigd met 50 EUR/MWh.

(134)  Berekend op basis van 21 % van de jaarlijkse productie van 40 TWh vermenigvuldigd met 2 EUR/MWh na inflatiecorrectie op basis van de reële prijzen van 2020.

(135)  De specifieke mate van modulatie van de kerncentrale wordt bepaald door de te selecteren EAB-technologie.

(136)  De Tsjechische autoriteiten verklaarden dat het daarentegen economisch niet rationeel zou zijn als EDU II minder dan de ondergrens (d.w.z. 84 %) zou produceren, aangezien dit de hoeveelheid is waarbij de kasstroom ontoereikend is om de schulden af te betalen.

(137)  Zie het verslag van Oxera.

(138)  Zie overweging 13 en voetnoot 6.

(139)  De ČEZ-groep heeft sinds december 2023.2022 61 % van de productiemiddelen in Tsjechië, 35 % van de leveranciers en 53 % van de bruinkoolwinning in handen. Zie ČEZ Group, “Clean Energy of Tomorrow, Investment Story”, december 2023 https://www.cez.cz/webpublic/file/edee/ospol/fileexport/investors/investment-stories/2023-12-investment-story-published-en.pdf.

(140)  De relevante geografische markt voor het project bestaat uit Tsjechië en zijn buurlanden met onderling verbonden elektriciteitsmarkten (namelijk Oostenrijk, Duitsland, Polen en Slowakije).

(141)  De Tsjechische autoriteiten hebben toegelicht dat Tsjechië weliswaar streeft naar de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen, maar dat het land als gevolg van zijn geografische, geologische en klimatologische kenmerken, in combinatie met de hoge kosten van de beschikbare technologieën, beperkte mogelijkheden heeft om op grotere schaal hernieuwbare energie te produceren.

(142)  Verwacht wordt dat alle bruinkool- en steenkoolcentrales, met uitzondering van een beperkt aantal warmtekrachtcentrales, uiterlijk in 2038 zullen worden gesloten in het kader van een recent plan om de meest vervuilende energiecentrales uit te faseren. Zie de Tsjechische kolencommissie, 2020, “Notulen van de 7e vergadering van de kolencommissie”, 4 december 2020, blz. 6-7, beschikbaar op: https://www.mpo.cz/assets/cz/rozcestnik/ministerstvo/kalendar-akci-vse/2021/2/Zapis-z-jednani-UK-_4-12-2020_.pdf.

(143)  Dit cijfer is gebaseerd op door ČEPS verstrekte gegevens.

(144)  Volgens gegevens van ČEPS zullen de vier bestaande kernreactoren in Dukovany (elk met een capaciteit van ongeveer 510 MW) als volgt worden ontmanteld: één reactor eind 2045, één reactor eind 2046 en twee reactoren eind 2047.

(145)  Bij de analyse van de onmisbaarheid wordt nagegaan of elektriciteitscentrales die eigendom zijn van een bepaalde onderneming in een bepaalde periode nodig zijn om aan de vraag te voldoen, om precies te zijn ten minste één megawatt van de productie ervan. Als dat het geval is, zou de onderneming misbruik kunnen maken van deze marktmacht. Bij de beoordeling van de onmisbaarheid wordt alleen gekeken naar mogelijke marktmacht op de markt als geheel, en niet of er marktmacht kan ontstaan in specifieke situaties zoals in geval van transmissiebeperkingen.

(146)   https://www.transparency.cz/kauzy/netransparentni-projekt-dostavby-jaderne-elektrarny-dukovany/.

(147)   https://www.nucleareurope.eu/press-release/investing-in-low-carbon-nuclear-generates-jobs-and-economic-growth-in-europe/.

(148)  Zie het eindverslag van de technische deskundigengroep inzake duurzame financiering van maart 2020, beschikbaar op: https://ec.europa.eu/info/sites/default/files/business_economy_euro/banking_and_finance/documents/200309-sustainable-finance-teg-final-report-taxonomy_en.pdf. In dit verslag werd gesteld dat “de uitstoot van broeikasgassen bij de productie van kernenergie in de opwekkingsfase nagenoeg nul is” en dat “uitgebreid en duidelijk is aangetoond dat kernenergie potentieel een substantiële bijdrage levert aan de doelstellingen inzake de beperking van klimaatverandering”.

(149)  Zie Internationaal Energieagentschap (IEA), “Projected Costs of Generating Electricity 2020”.

(150)  Deze methode staat beschreven in besluit nr. 250/2020 Coll. betreffende de aanleg van een reserve voor de ontmanteling van een kerncentrale en bedrijfslocaties van categorieën III en IV, dat volgens de Tsjechische autoriteiten volledig in overeenstemming is met Richtlijn 2011/70/Euratom.

(151)  Wet nr. 18/1997 Coll. inzake het vreedzame gebruik van kernenergie en ioniserende straling (de “kernenergiewet”), zoals gewijzigd, zet specifiek het Verdrag van Wenen inzake wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade om in nationaal recht.

(152)  Inleidingsbesluit, overweging 143.

(153)  Arrest van 19 maart 2013, Bouygues SA en Bouygues Télécom SA/Commissie e.a., gevoegde zaken C-399/10 P en C-401/10 P, ECLI:EU:C:2013:175, punt 104; arrest van 13 september 2010, Griekenland e.a./Commissie, gevoegde zaken T-415/05, T-416/05 en T-423/05, ECLI:EU:T:2010:386, punt 177; arrest van 15 september 1998, BP Chemicals/Commissie, T-11/95, ECLI:EU:C:1998:199, punten 170 en 171.

(154)  Inleidingsbesluit, overweging 144.

(155)  Arrest van 15 december 2021, Oltchim SA/Commissie, T-565/19, punten 93 tot en met 197.

(156)  Ibid., overweging 157.

(157)  Arrest van 22 september 2020, Oostenrijk/Commissie, C-594/18 P, ECLI:EU:C:2020:742, punten 20 en 24.

(158)  Ibid., punt 63.

(159)  Ibid., punt 32.

(160)  Inleidingsbesluit, overweging 163.

(161)  Inleidingsbesluit, overweging 182.

(162)  Arrest van 22 september 2020, Oostenrijk/Commissie, C-594/18 P, ECLI:EU:C:2020:742, punten 44 en 45.

(163)  De Commissie onderstreept dat deze maatregel nu en in de toekomst moet worden uitgevoerd in het licht van de relevante secundaire wetgeving, met inbegrip van wetgeving die ten tijde van dit besluit nog niet is aangenomen. In dit verband wijst de Commissie op het voorstel voor een verordening tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2019/942 en (EU) 2019/943 om de opzet van de elektriciteitsmarkt van de Unie te verbeteren (COM/2023/148), en met name op de bepalingen inzake directe prijssteunregelingen in de vorm van tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen voor investeringen in kerncentrales, waarbij de definitieve tekst van de verordening in acht zal moeten genomen zodra deze van kracht wordt.

(164)   PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1.

(165)  Arrest van 22 september 2020, Oostenrijk/Commissie, C-594/18 P, ECLI:EU:C:2020:742, punten 48 en 49.

(166)  Ibid., punt 49.

(167)  Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1). Zie het inleidingsbesluit, overweging 168.

(168)  Zie het arrest van 3 december 2014, Castelnou Energía, zaak T-57/11, ECLI:EU:T:2014:1021, punten 181 tot en met 184, met verdere verwijzingen. Zie ook het arrest van 30 november 2022, Oostenrijk/Commissie, T-101/18, ECLI:EU:T:2022:728, punt 31.

(169)  Arrest van 30 november 2022, Oostenrijk/Commissie, T-101/18, ECLI:EU:T:2022:728, punt 32.

(170)  Arrest van 30 november 2022, Oostenrijk/Commissie, T-101/18, ECLI:EU:T:2022:728, punt 37. De redenering met betrekking tot de noodzaak van een “onlosmakelijk verband” voor de beoordeling door de Commissie van de verenigbaarheid met het EU-recht van bepaalde vormen van steun is door het Hof van Justitie bevestigd in het Braesch-arrest. Zie het arrest van 31 januari 2023 in zaak C-284/21 P, Commissie/Braesch e.a., punten 96 tot en met 99.

(171)  Meer in het bijzonder zal bij de projectmaatregelen alleen rekening worden gehouden met het resultaat van de EAB-aanbestedingsprocedure voor zover dit van invloed is op de berekening van de kapitaaluitgaven van het project, die een input vormen voor de berekening van de steunbedragen (bv. de berekening van het exacte bedrag van de staatslening of de berekening van de uitoefenprijs), alsook op de technische capaciteiten van de energiecentrale, die afhangen van de met het EAB-contract gekozen technologie.

(172)  Arrest van 17 juli 2008, Essent Netwerk Noord e.a., C-206/06, ECLI:EU:C:2008:413, punten 40 tot en met 59.

(173)  Arrest van 22 december 2008, Régie Networks/Rhone Alpes Bourgogne, C-333/07, ECLI:EU:C:2008:764, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

(174)  Arrest van 22 december 2008, Régie Networks/Rhone Alpes Bourgogne, C-333/07, ECLI:EU:C:2008:764, punten 100 en 104.

(175)  Arrest van 20 september 2018, Carrefour Hypermarchés e.a., C-510/16, ECLI:EU:C:2018:751, punt 21.

(176)  Arrest van 27 oktober 2005, Distribution Casino France e.a., C-266/04 t/m C-270/04, C-276/04 en C-321/04 t/m C-325/04, ECLI:EU:C:2005:657, punt 52.

(177)  Arresten van 20 september 2018, Carrefour Hypermarchés e.a., C-510/16, ECLI:EU:C:2018:751, punt 22, en 10 november 2016, DTS Distribuidora de Televisión Digital/Commissie, C-449/14 P, ECLI:EU:C:2016:848, punten 70, 71 en 72.

(178)  De CORE-regio wordt gevormd door de biedzonegrenzen van Oostenrijk, België, Kroatië, Tsjechië, Frankrijk, Duitsland, Hongarije, Luxemburg, Nederland, Polen, Roemenië, Slowakije en Slovenië. Voor meer informatie, zie voetnoot 8.

(179)   https://energy.ec.europa.eu/topics/oil-gas-and-coal/eu-coal-regions/coal-regions-transition_en.

(180)  Zie Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1214 van de Commissie van 9 maart 2022 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 wat betreft economische activiteiten in bepaalde energiesectoren en Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 wat betreft specifieke openbaarmakingen voor die economische activiteiten (PB L 188 van 15.7.2022, blz. 1).

(181)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 van de Commissie van 4 juni 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering of de adaptatie aan klimaatverandering, en om uit te maken of die economische activiteit niet ernstig afbreuk doet aan een van de andere milieudoelstellingen.

(182)  Besluit (EU) 2015/658 van de Commissie van 8 oktober 2014 betreffende steunmaatregel SA.34947 (2013/C) (ex 2013/N) die het Verenigd Koninkrijk voornemens is ten uitvoer te leggen ten behoeve van de kerncentrale Hinkley Point C (overwegingen 382 tot en met 385).

(183)  Zie “Projected Costs of Generating Electricity 2020”, IEA, https://iea.blob.core.windows.net/assets/ae17da3d-e8a5-4163-a3ec-2e6fb0b5677d/Projected-Costs-of-Generating-Electricity-2020.pdf, blz. 46.

(184)   “Projected Costs of Generating Electricity 2020”, IEA, blz. 145.

(185)  Besluit (EU) 2015/658 van de Commissie van 8 oktober 2014 betreffende steunmaatregel SA.34947 (2013/C) (ex 2013/N) die het Verenigd Koninkrijk voornemens is ten uitvoer te leggen ten behoeve van de kerncentrale Hinkley Point C (overweging 385).

(186)   “Projected Costs of Generating Electricity”, editie 2020, beschikbaar op: https://www.oecd-nea.org/jcms/pl_51110/projected-costs-of-generating-electricity-2020-edition.

(187)  Inleidingsbesluit, overweging 187.

(188)  Inleidingsbesluit, overweging 152.

(189)  Zie het besluit van de Commissie van 8 oktober 2014 betreffende steunmaatregel SA.34947 ten behoeve van de kerncentrale Hinkley Point C, overwegingen 392 tot en met 405. In het geval van Hinkley Point C werd de combinatie van een contract ter verrekening van verschillen met een kredietgarantie en een overeenkomst met de minister (betreffende bescherming tegen wets- en/of beleidswijzigingen) beschouwd als een geschikt instrument voor het verlenen van steun. Voor het project kreeg het gebruik van een staatslening de voorkeur boven een staatsgarantie omdat i) het risico van een gebrek aan commerciële financiering voor het project door een staatslening wordt weggenomen; ii) een staatslening een snellere oplossing biedt om het totale financieringspakket rond te krijgen dan commerciële leningen, en iii) een staatslening lagere kosten van schuldfinanciering met zich meebrengt, aangezien deze rechtstreeks door de staat wordt verstrekt, alsook lagere vergoedingen voor het regelen en toewijzen van de financiering gedurende de gehele bouwperiode. Voor meer informatie, zie overweging 166.

(190)  Ibid., overwegingen 197 en 198. Meer bepaald werd de afnameovereenkomst voor Hinkley Point C gesloten voor 35 jaar, terwijl de termijn voor de terugbetaling van de staatslening voor Paks II slechts 21 jaar bedroeg en de maatregel niet gepaard ging met enige andere vorm van exploitatiesteun.

(191)  Ibid., overweging 205.

(192)  In het geval van Hinkley Point C werd bijvoorbeeld een vergelijkbare CfD-formule gebruikt.

(193)  Punt 6.2.6.4, “Level and volatility of wholesale prices”, werkdocument van de diensten van de Commissie, effectbeoordeling bij het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (herschikking), SWD/2016/0410 final — 2016/0379 (COD), 30 november 2016.

(194)  Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).

(195)  Zo bedroegen de groothandelsprijzen voor elektriciteit op de day-aheadmarkt op het Iberisch schiereiland in de drie weken tussen 26 februari en 17 maart 2024 gedurende 63 % van de uren minder dan 10 EUR/MWh. Bron: ENTSO-E Transparency Platform.

(196)  De langzame daling met [1 tot 2] % per jaar in prijzen van 2020 wordt in nominale waarden ruim gecompenseerd door de veronderstelde inflatie van 2 %, zodat uitgaande van nominale waarden wordt aangenomen dat de prijzen in deze periode langzaam zullen stijgen.

(197)  Dat de netto contante waarde in het nulscenario nul is, betekent dat de onderneming in dat scenario bereid is door te gaan met een project dat een rendement op het kapitaal oplevert dat gelijk is aan de kosten van dat kapitaal (d.w.z. de WACC = het IRR van het project). Aangezien de financieringskloof in dit geval gelijk is aan de netto contante waarde in het feitelijke scenario, betekent het feit dat de netto contante waarde van het feitelijke scenario ten gevolge van de staatssteun nul is, dat de WACC in het feitelijke scenario, net als in het nulscenario, verondersteld wordt gelijk te zijn aan het IRR van het project.

(198)  Met een disconteringsvoet, of WACC, die de relevante kosten van schuldfinanciering en kosten van eigen vermogen weergeeft.

(199)  Inleidingsbesluit, overweging 67.

(200)  Inleidingsbesluit, overweging 69.

(201)  Inleidingsbesluit, overweging 207.

(202)  Zie de opmerkingen van Tsjechië van 25 september 2023.

(203)  Zie de opmerkingen van Tsjechië van 25 september 2023, tabel 15 “Studies inzake risicopremies”.

(204)  Besluit betreffende Paks II, overweging 258. In het besluit betreffende Hinkley Point C wordt niets gezegd over een SMRP of een soortgelijke premie.

(205)  Deze benadering is gebaseerd op de Harris-Pringle-formule en staat beschreven in punt 3.6.5.

(206)  Zie punt 3.6.5.1 voor nadere informatie.

(207)  Dit is ook in overeenstemming met de aanpak die de Commissie in het besluit betreffende Paks II heeft gevolgd.

(208)  De gegevens over de rendementen van staatsobligaties in de eurozone met een looptijd van dertig jaar zijn afkomstig van het dataportaal van de ECB, “Yield curve spot rate, 30-year maturity — Government bond, nominal, all issuers whose rating is triple A — Euro area” (https://data.ecb.europa.eu/data/datasets/YC/YC.B.U2.EUR.4F.G_N_A.SV_C_YM.SR_30Y). Voor het rendement van obligaties van de Duitse overheid met een looptijd van dertig jaar zijn de gegevens afkomstig van de website van de Deutsche Bundesbank, “Daily yield of the current 30 year federal bond, time series”, BBSSY.D.REN.EUR.A640.000000WT3030.A (Daily yields of current Federal securities — Deutsche Bundesbank).

(209)  Zie punt 3.6.5.1 voor nadere informatie.

(210)  Zie voetnoot 65 voor details over hoe de raming van dit cijfer tot stand is gekomen.

(211)  Dit cijfer is conservatief in vergelijking met de meest recente enquête van Fernandez over de marktrisicopremie (MRP), gepubliceerd in juni 2022, waaruit een mediaan MRP van 6,7 % naar voren komt. Zie voetnoot 66 voor verdere details.

(212)  Gemiddelde van Damodaran (5,6 %) en Fernandez (6,7 %). Deze aanpak komt overeen met de aanpak van de Commissie in het besluit over Paks II.

(213)  Zie punt 3.6.5.1 voor nadere informatie.

(214)  Voor deze door Tsjechië gebruikte methode wordt een combinatie van de tweejarige regressiebèta en de vijfjarige regressiebèta gebruikt, waarbij de eerste voor twee derde wordt meegewogen en de laatste voor een derde. Bèta = (2/3) tweejarige regressiebèta + (1/3) vijfjarige regressiebèta. Dit is dezelfde methode die wordt gebruikt door prof. Damodaran, die hier wordt toegelicht: Variables used in Data Set (nyu.edu).

(215)  Zie de website van prof. Damodaran, gegevens 2023, bestand “betaEurope”, sector “energie”, waar een asset-bèta van 0,54 wordt getoond, gecorrigeerd voor kasstromen.

(216)  Dit is het eenvoudige gemiddelde van de wekelijkse regressiebèta’s van de bedrijven in de referentiegroep van EDU II over een periode van vijf jaar. De vijfjarige regressiebèta is de meest conservatieve van de twee bètareeksen (de andere is de wekelijkse bèta over twee jaar) die Tsjechië en Damodaran bij de beoordeling van de bèta gebruiken. Het gewone gemiddelde van de wekelijkse bèta over twee jaar bedraagt 0,55. De Commissie merkt voorts op dat de bèta van 0,51 overeenkomt met het conservatieve, niet voor kasstromen gecorrigeerde gemiddelde van de bèta’s van de drie sectoren die kunnen worden gebruikt als benchmark voor het EDU II-project: Groen en hernieuwbaar, energie en nutsbedrijven (bron: website van prof. Damodaran, bestand “betaEurope”).

(217)  De Commissie heeft, gebruikmakend van dezelfde steekproef als Tsjechië, de hefboom van de bèta’s van de referentiegroep verlaagd door de belastingen mee te nemen (uitgaande van het wereldwijde belastingtarief van Damodaran van 24,8 %, zie het bestand “betaEurope” van Damodaran van januari 2023, betaEurope22.xls (live.com)). Dit is in overeenstemming met de in voetnoot 213 beschreven Hamada-benadering, waarbij belastingen in aanmerking worden genomen bij de berekening van de bèta. Dit leidt tot een raming van de asset-bèta van 0,595, volgens de benadering van Damodaran zoals uiteengezet in de voetnoten 69 en 208, waarbij het gewogen gemiddelde van de wekelijkse bèta’s over twee en vijf jaar van de referentiegroep wordt genomen. Om voorzichtig te zijn, heeft de Commissie Nuclearelectrica uit de steekproef verwijderd. Daarmee komt de totale asset-bèta uit op 0,516.

(218)  Deze aanname stemt ook overeen met de aannamen in het besluit over Paks II.

(219)  Deze benadering is gebaseerd op de Hamada-formule. In het kader van deze benadering wordt de renteaftrek (d.w.z. de belastingvermindering die voortvloeit uit de toegestane aftrek hiervan van de belastbare inkomsten) gebruikt bij het aanpassen van de hefboom voor de bèta, waardoor de equity-bèta lager uitvalt, en daarmee ook het rendement op eigen vermogen. De Hamada-formule luidt als volgt:

Formula
, waarbij β L de equity-bèta is, β U de asset-bèta, D de schuld, E het eigen vermogen, T het belastingtarief en
Formula
de renteaftrek. Het belastingtarief wordt verondersteld 21 % te zijn, in overeenstemming met het financiële model van Tsjechië. In deze formule wordt aangenomen dat de schuldbèta nul is.

(220)  Zie punt 3.6.5.1 en voetnoot 57 voor nadere informatie.

(221)  Dit is de gemiddelde gearing van het project gedurende de looptijd van de overeenkomst. Zie punt 3.6.5.1 voor nadere informatie.

(222)  Zie de opmerkingen van Tsjechië van 21 maart 2024.

(223)  Financieel model van Tsjechië.

(224)  De gearing van de bedrijven in de referentiegroep van EDU II in het laatste volledige jaar waarvoor cijfers beschikbaar waren op Bloomberg (d.w.z. 2022), varieert van 41,8 % tot 75,6 %. Het gemiddelde is 56,3 % en de drempel voor het 75e percentiel 68,4 %. De beoogde gearing van […] % ligt dus onder het 75e percentiel.

(225)  Het cijfer van […] % is ook conservatief in vergelijking met de bandbreedte van 67-78 % die is gebaseerd op de door Tsjechië gebruikte en in punt 3.6.5.1 van de voetnoot 76 beschreven methode voor de berekening van de “effectieve gearing”.

(226)  Zie de website van prof. Damodaran, gegevens 2023, bestand “dbtfundEurope23”, sector “energie”.

(227)  De Commissie merkt op dat indien in het “basisscenario” het RfR over zes maanden van 2,7 % wordt vervangen door het RfR over twaalf maanden van 2,5 %, het beoogde rendement van [9 tot 11] % op het eigen vermogen nog steeds wordt gehaald.

(228)  De Commissie merkt op dat indien in het “hoge” scenario de beoogde gearing voor EDU II van […] % wordt vervangen door de gemiddelde gearing van de referentiegroep van EDU II van 56 % in het laatste volledige jaar waarvoor cijfers beschikbaar waren op Bloomberg (d.w.z. 2022), de kosten van eigen vermogen […] % zouden bedragen. Het beoogde rendement op eigen vermogen van [9 tot 11] % zou dus nog steeds worden gehaald.

(229)  Voor landspecifieke WACC-cijfers die relevant zijn voor 2023, zie “Data”, “Archived data”, “Cost of capital by industry”, “Europe”, “1/23”, op http://pages.stern.nyu.edu/~adamodar/. Deze databank maakt deel uit van een wereldwijde databank en omvat ook Europese landen (aangeduid als West-Europa). Deze landen worden echter nog in verdere categorieën ingedeeld. Tsjechië maakt deel uit van een subgroep genaamd “Developed Europe”. Zie de tabbladen “Global alphabetical” en “Europe by industry”, bestand http://www.stern.nyu.edu/~adamodar/pc/datasets/indname.xls.

(230)  Het gaat om de sectoren “Groen & hernieuwbaar”, “Energie” en “Nutsbedrijven (algemeen)”. De kosten van eigen vermogen voor de sector “Groen & hernieuwbaar” bedragen 10,65 %, voor de sector “Energie” 9,98 % en voor “Nutsbedrijven (algemeen)” 10,01 %. Het gewone gemiddelde van deze cijfers is 10,21 %, terwijl het gewogen gemiddelde (waarbij het gewicht wordt bepaald door het aantal in de steekproef opgenomen ondernemingen) 10,26 % bedraagt. Zie Damodaran, januari 2023, bestand “waccEurope”.

(231)  Financieel model van Tsjechië.

(232)  Bij het bepalen van deze gevoeligheden heeft de Commissie de andere aannamen, waaronder de uitoefenprijs, ongewijzigd gelaten.

(233)  Zie punt 8.3.3.3.

(234)  Voor alle duidelijkheid: in punt 8.3.3.5.4 is de selectie van ČEZ als projectontwikkelaar beoordeeld in verband met het effect ervan op de evenredigheid van de steun. In dit punt wordt de keuze van ČEZ als projectontwikkelaar beoordeeld om de mogelijke ongewenste negatieve effecten ervan op de mededinging en het handelsverkeer vast te stellen.

(235)  De Commissie merkt op dat veel kerncentrales weliswaar worden geëxploiteerd door ondernemingen die gevestigd zijn in de lidstaat waar de investering plaatsvindt, maar dat dit niet altijd het geval is (bv. EDF, dat in het Verenigd Koninkrijk als exploitant werd geselecteerd).

(236)  Zie bijvoorbeeld punt 6.2.6.4 (“Level and volatility of wholesale prices”) van de effectbeoordeling bij het pakket “Schone energie voor alle Europeanen”, SWD(2016) 410 final, van 30 november 2016, waarin staat dat “de verbeterde structuur van de markt zal leiden tot sterker fluctuerende gemiddelde uurprijzen, deels als gevolg van de invoering van locatiespecifieke signalen waaruit de verschillende waarde van elektriciteit bij de verschillende knooppunten blijkt. Deze volatiliteit zal echter vrij beperkt zijn en niet het gevolg van extreme prijsschommelingen tussen nul en de waarde van de niet-geleverde energie (VoLL (value of lost load)). De waargenomen prijsmarges zullen vrij beperkt zijn zolang het aandeel van elektriciteit uit variabele hernieuwbare bronnen binnen bepaalde grenzen blijft. Wanneer het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, en met name van technologieën voor stroomwinning uit variabele hernieuwbare bronnen, deze ruwe grenzen echter overschrijdt, kan de prijsvolatiliteit aanzienlijk toenemen als andere technologieën zoals opslag een groot deel daarvan nog niet kunnen absorberen. Zoals uit onderstaande tabel blijkt, zal het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in 2050 naar verwachting uitkomen op 60 %. In dit geval neemt de spread tussen de basislast en de pieklast aanzienlijk toe, voornamelijk als gevolg van de lagere basislastprijzen ten opzichte van de voorgaande perioden. De gemiddelde prijzen op de day-aheadmarkt blijven echter gedurende de gehele prognoseperiode hoog, aangezien thermische opwekking naar verwachting gedurende de meeste uren van het jaar nog steeds marginaal zal zijn (wat bepalend is voor de day-aheadmarktprijs).”

(237)  Inleidingsbesluit, overweging 224.

(238)  Op basis van de afnameovereenkomst en de algehele structuur van de steun wordt de vergoeding uit hoofde van de marktblootstelling in de formule via het SPV aan de elektriciteitscentrale betaald. Aangezien de centrale echter alle dispatchingrechten behoudt en de vergoeding rechtstreeks gekoppeld is aan de werkelijke day-aheadmarktprijzen per uur, moeten de operationele prikkels voor de centrale werken alsof de centrale zelf rechtstreeks op de markt actief was.

(239)  De inzetbare capaciteit omvat alle warmtekrachtcentrales, kerncentrales en waterkrachtcentrales met pompaccumulatie.

(240)   https://acer.europa.eu/sites/default/files/documents/en/remit/Documents/ACER_Guidance_on_REMIT_application_6th_Edition_Final.pdf.

(241)  Voor de ontwikkeling van de rangorde en de prijsvorming op de Europese elektriciteitsmarkten, zie: https://publications.jrc.ec.europa.eu/repository/handle/JRC134300.

(242)  BloombergNEF, “EU Power Weekly: Identifying Europe’s Macrogrids”, 10 februari 2020.

(243)  ENTSO-E Transparency Platform.

(244)  De Residual Supply Index wordt berekend door de totale beschikbare capaciteit na aftrek van de capaciteit van de onderneming te delen door de restvraag.

(245)  Arrest van 3 juli 1991, AKZO Chemie BV/Commissie van de Europese Gemeenschappen, C-62/86, ECLI:EU:C:1991:286, punt 60.

(246)  Arrest van 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche & Co./Commissie, 85/76, ECLI:EU:C:1979:36, punten 39, 40 en 41.

(247)  Zie het verslag van Oxera.


BIJLAGE

Inputgegevens voor het financieel model die kunnen worden gewijzigd

Na de aanbesteding van het EAB-contract

Input

Omschrijving van de input

Werkblad

Rij

Motivering actualisering

Duur ontwikkelingsfase 2

Duur van fase 2 van de ontwikkeling van het project

Inp_C

43

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. Het exacte tijdschema zal worden vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Duur bouwperiode

Duur van de bouwperiode voor het project

Inp_C

47

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. Het exacte tijdschema zal worden vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Volledige exploitatieperiode

Duur van de volledige exploitatieperiode van het project (uitgezonderd proefdraaien)

Inp_C

51

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. Het exacte tijdschema zal worden vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Basiskapitaaluitgaven — ontwikkelingsfase 2

Kosten van fase 2 van de ontwikkeling van het project

Inp_C

59

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De kosten zullen worden vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Basiskapitaaluitgaven — bouwfase

Kosten voor de bouwfase van het project

Inp_C

60

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De kosten zullen worden vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Brutocapaciteit centrale

De brutocapaciteit van de centrale (exclusief capaciteit voor eigen verbruik)

Inp_C

112

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De parameter hangt af van de technische specificaties van de centrale en wordt definitief vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Eigen verbruik

Hoeveelheid elektriciteit die nodig is voor de exploitatie van de centrale

Inp_C

113

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De parameter hangt af van de technische specificaties van de centrale en wordt definitief vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Beschikbaarheid proefperiode

Beschikbaarheid van de centrale tijdens de proefperiode

Inp_C

132

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De parameter hangt af van de technische specificaties van de centrale en wordt definitief vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Beschikbaarheid na proefperiode

Beschikbaarheid van de centrale bij vol bedrijf

Inp_C

135 , 138

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De parameter hangt af van de technische specificaties van de centrale en wordt definitief vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Fasering kapitaaluitgaven ontwikkelingsfase 2

Profiel van de uitgaven tijdens fase 2 van de ontwikkeling van het project

Inp_V

43 -48 (uitgaande van Inp_C 65)

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De kosten en het exacte tijdschema zullen worden vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Fasering kapitaaluitgaven bouw

Profiel van de uitgaven tijdens de bouw

Inp_V

53 -61 (uitgaande van Inp_C 66)

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De kosten en het exacte tijdschema zullen worden vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Aannamen inzake beschikbaarheid

Jaarlijks profiel van de beschikbaarheid van de centrale

Inp_V

70 -82 (uitgaande van Inp_C 138)

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De parameters die van invloed zijn op de aannamen inzake de beschikbaarheid hangen af van de technische specificaties van de centrale en worden definitief vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen. Bij de actualisering kunnen de aannamen inzake de beschikbaarheid zoals vermeld in het financieel model van 15 maart 2024 echter niet worden verlaagd, aangezien de centrale moet voldoen aan de Europese minimumvereisten inzake nutsvoorzieningen voor kerncentrales met lichtwaterreactoren.

Variabele kosten

Kosten die grotendeels afhangen van de productie van de centrale (bv. brandstof, verwijdering niet-radioactief afval, voorziening voor ontmanteling)

Inp_V

143 -220 (uitgaande van Inp_C 226)

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De kosten zullen definitief worden vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Vaste kosten

Kosten die worden gemaakt ongeacht de productie van de centrale (bv. lonen, kantoorbenodigdheden, beveiliging)

Inp_V

237 -279 (uitgaande van Inp_C 225)

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De kosten zullen definitief worden vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Levenscycluskosten

Kosten voor de vervanging en ingrijpende vernieuwing van onderdelen van de kerncentrale

Inp_V

286 -295 (uitgaande van Inp_C 227)

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De kosten zullen definitief worden vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Operationele kosten

Profiel van de waarden van parameter c in de vergoedingsformule

Inp_V

502 -506

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De kosten zullen definitief worden vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Extra kosten als gevolg van load following

Kosten die niet zijn opgenomen in andere kostenposten die worden veroorzaakt door load following van de centrale

Inp_V

300 – 304 (uitgaande van Inp_C 228)

Afhankelijk van de resultaten van de EAB-aanbesteding (de kosten worden bepaald op basis van de technische specificaties van de bieder).

Oorspronkelijke schuld — vaste/variabele rente

Bepaalt of de rente voor de staatslening vast of variabel is

Inp_C

337

Geactualiseerd om rekening te houden met de voorwaarden van de staatslening.

Oorspronkelijke schuld — rente — marge tijdens exploitatie

De kosten van schuldfinanciering van de staatslening tijdens de exploitatiefase

Inp_C

346 -356

Geactualiseerd om rekening te houden met de voorwaarden van de staatslening.

Oorspronkelijke schuld — vergoedingen

Vergoedingen in verband met het afsluiten van de staatslening

Inp_C

359 -361

Geactualiseerd om rekening te houden met de voorwaarden van de staatslening.

Wijze van aflossing kredietlijn

De wijze van aflossing van de hoofdsom van een kredietlijn

Inp_C

376

Geactualiseerd om rekening te houden met de voorwaarden van de staatslening.

Kredietlijn — vaste/variabele rente

Bepaalt of de rente voor de kredietlijn vast of variabel is

Inp_C

380

Geactualiseerd om rekening te houden met de voorwaarden van de staatslening.

Kredietlijn — rente — marge tijdens exploitatie

De kosten van schuldfinanciering van de kredietlijn tijdens de exploitatiefase

Inp_C

389 -399

Geactualiseerd om rekening te houden met de voorwaarden van de staatslening.

Kredietlijn — vergoedingen

Vergoedingen in verband met het afsluiten van de kredietlijn

Inp_C

402 -404

Geactualiseerd om rekening te houden met de voorwaarden van de staatslening.

Afschrijving brandstofkosten

Duur van de afschrijving van de brandstofkosten

Inp_C

230

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De parameter hangt af van de technische specificaties van de centrale en wordt definitief vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Afschrijving levenscycluskosten

Duur van de afschrijving van de levenscycluskosten

Inp_C

233

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De parameter hangt af van de technische specificaties van de centrale en wordt definitief vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Overbruggingsdagen werkkapitaal

Dagen tussen elektriciteitsproductie en betaling

Inp_C

251 -253

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie (betalingsvoorwaarden overeengekomen met de EAB-leverancier en het SPV). De huidige aanname in het model wordt mogelijk aangepast aan de opname- en aflossingsvoorwaarden van de staatslening en eventuele contractuele bepalingen in het EAB-contract.

Begin periode actieve schuldfinanciering

Begin van de opname van de staatslening

Inp_C

276

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. Het exacte tijdstip hangt af van het begin van ontwikkelingsfase 2 en wordt definitief vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Dividendbeperking door winstinhouding

Beslissing of het dividend wordt beperkt door winst in te houden

Inp_C

455

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De EAB-aanbesteding zal de bouwkosten en dus de hoogte van de schuld en de definitieve financieringsstructuur bepalen. Ook het type eigen vermogen kan van invloed zijn op deze input.

Profiel referentiehoeveelheid (k)

Profiel van de waarden voor parameter k in de vergoedingsformule

Inp_V

473 -485 (uitgaande van Inp_C 185)

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De parameter hangt af van de technische specificaties van de centrale en wordt definitief vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Profiel parameter Alfa

Profiel van de waarden voor parameter Alfa in de vergoedingsformule

Inp_V

489 -493 (uitgaande van Inp_C 187)

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De parameter hangt af van de technische specificaties en de exploitatiekosten van de centrale en wordt definitief vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Aannamen inzake load following — overgenomen uit het inkomstenmodel — % van inkomsten

Effect op de inkomsten dat het voordeel van load following weergeeft (gemodelleerd in het inkomstenmodel)

Inp_V

523 -540 (uitgaande van Inp_C 198)

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De parameters die van invloed zijn op de aannamen inzake de mogelijkheid van load following hangen af van de technische specificaties van de centrale en worden definitief vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen. Bij de actualisering kunnen de aannamen inzake de beschikbaarheid zoals vermeld in het financieel model van 15 maart 2024 echter niet worden verlaagd, aangezien de centrale moet voldoen aan de Europese minimumvereisten inzake nutsvoorzieningen voor kerncentrales met lichtwaterreactoren.

Aannamen inzake load following — overgenomen uit het inkomstenmodel — % van exploitatiekosten

Effect op de kosten dat het voordeel van load following weergeeft (gemodelleerd in het inkomstenmodel)

Inp_V

536 -542 (uitgaande van Inp_C 199)

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie. De parameters die van invloed zijn op de aannamen inzake de mogelijkheid van load following hangen af van de technische specificaties van de centrale en worden definitief vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen. Bij de actualisering kunnen de aannamen inzake de beschikbaarheid zoals vermeld in het financieel model van 15 maart 2024 echter niet worden verlaagd, aangezien de centrale moet voldoen aan de Europese minimumvereisten inzake nutsvoorzieningen voor kerncentrales met lichtwaterreactoren.

Beoogde DSCR

De beoogde schuldendienstdekkingsgraad (debt service cover ratio) voor de totale schuldaflossing

Inp_C

297 , 328 -330

Geactualiseerd bij afsluiting van de staatslening en afronding van de EAB-aanbesteding (de bouwkosten worden definitief vastgesteld na de EAB-aanbesteding).

Beoogde LLCR

De beoogde dekkingsgraad voor de looptijd van de lening (loan life cover ratio) voor de totale schuldaflossing

Inp_C

301

Geactualiseerd bij afsluiting van de staatslening en afronding van de EAB-aanbesteding (de bouwkosten worden definitief vastgesteld na de EAB-aanbesteding).

Beoogde PLCR

De beoogde dekkingsgraad voor de looptijd van het project (project life cover ratio) voor de totale schuldaflossing

Inp_C

304

Geactualiseerd bij afsluiting van de staatslening en afronding van de EAB-aanbesteding (de bouwkosten worden definitief vastgesteld na de EAB-aanbesteding).

Oorspronkelijke schuld — looptijd schuld en duur moratorium

De totale looptijd van de staatslening

Inp_C

311 -312

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie en de staatslening, aangezien de investeringskosten en de hoogte van de staatslening definitief zullen worden vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Wijze van aflossing oorspronkelijke schuld

Het aflossingsprofiel voor de hoofdsom van de staatslening

Inp_C

329

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie en de staatslening, aangezien de investeringskosten en de hoogte van de staatslening definitief zullen worden vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Gegevens reserverekening onderhoud

Rekening die gebruikt wordt om een deel van het verwachte onderhoud over een bepaalde prognoseperiode te dekken.

Inp_C

466 -472

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie en de staatslening, aangezien de investeringskosten en de hoogte van de staatslening definitief zullen worden vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Reserverekening schuldaflossing

Rekening die gebruikt wordt om een deel van de verwachte schuldaflossing over een bepaalde prognoseperiode te dekken.

Inp_C

482 -502

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie en de staatslening, aangezien de investeringskosten en de hoogte van de staatslening definitief zullen worden vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Gegevens reserverekening ontmanteling

Rekening die wordt aangehouden om de verwachte ontmantelingskosten te dekken

Inp_C

474 -480

Geactualiseerd in geval van kostenstijgingen op legitieme gronden.

Ontmantelingsreserve

Profiel van de financieringsbehoefte voor de ontmantelingsreserve

Inp_V

310 -315 (uitgaande van Inp_C 477)

Geactualiseerd in geval van kostenstijgingen op legitieme gronden.

“Debt sculpting”-factor oorspronkelijke schuld

“Sculpting”-factor voor de aflossing van de hoofdsom van de staatslening

Inp_V

354 -364 (uitgaande van Inp_C 330)

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie en de staatslening, aangezien de investeringskosten en de hoogte van de staatslening definitief zullen worden vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Vaste schuldaflossingsbedragen

Profiel van de vaste aflossingsbedragen van de hoofdsom per jaar

Inp_V

378 -388 (uitgaande van Inp_C 335)

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie en de staatslening, aangezien de investeringskosten en de hoogte van de staatslening definitief zullen worden vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Variabele rente voor oorspronkelijke schuld

Profiel van de variabele rente voor de kosten van de staatslening

Inp_V

390 -397 (uitgaande van Inp_C 340)

Geactualiseerd om rekening te houden met het resultaat van de EAB-selectie en de staatslening, aangezien de investeringskosten en de hoogte van de staatslening definitief zullen worden vastgesteld op basis van de inschrijving die de EAB-aanbesteding heeft gewonnen.

Aannamen inzake inflatie

Macro-economische aannamen met betrekking tot de gekozen indexeringsmechanismen

Inp_V

15 -24 (uitgaande van Inp_C 239-245)

Geactualiseerd om de nominale CAPEX-waarde te berekenen op basis van de inputgegevens over “overnight” kapitaaluitgaven die in het kader van de EAB-aanbesteding zijn ontvangen.

Btw-tarief

Tarief van de belasting over de toegevoegde waarde dat op het project van toepassing is

Inp_C

548

Geactualiseerd in geval van wetswijzigingen met effecten in beide richtingen (toename of afname ten opzichte van de oorspronkelijke aannamen).

Toepasselijkheid btw

Inkomsten en kosten waarop btw van toepassing is

Inp_C

544 -556

Geactualiseerd in geval van wetswijzigingen met effecten in beide richtingen (toename of afname ten opzichte van de oorspronkelijke aannamen).

Bedrijfsbelasting — maximaal toelaatbare rente in % van de ebitda

Maximaal toelaatbare rentelasten, uitgedrukt als % van de ebitda die wordt gebruikt voor de berekening van de belastbare inkomsten

Inp_C

562

Geactualiseerd in geval van wetswijzigingen met effecten in beide richtingen (toename of afname ten opzichte van de oorspronkelijke aannamen).

Tarief bedrijfsbelasting

Tarief van de bedrijfsbelasting dat op het project van toepassing is

Inp_C

576

Geactualiseerd in geval van wetswijzigingen met effecten in beide richtingen (toename of afname ten opzichte van de oorspronkelijke aannamen).

Percentage afschrijvingsaftrek — algemene en speciale categorie

Percentages voor afschrijvingsaftrek

Inp_C

581 -583

Geactualiseerd in geval van wetswijzigingen met effecten in beide richtingen (toename of afname ten opzichte van de oorspronkelijke aannamen).

Afschrijvingsaftrek projectkosten

Bepaalt de afschrijvingsaftrek voor specifieke kostenposten

Inp_C

587 -589

Geactualiseerd in geval van wetswijzigingen met effecten in beide richtingen (toename of afname ten opzichte van de oorspronkelijke aannamen).

Boekhoudkundige afschrijving

Informatie over boekhoudkundige afschrijving voor verschillende categorieën activa

Inp_V

324 -336

Geactualiseerd in geval van wetswijzigingen met effecten in beide richtingen (toename of afname ten opzichte van de oorspronkelijke aannamen).

Fiscale afschrijving

Informatie over fiscale afschrijving voor verschillende categorieën activa

Inp_V

338 -350

Geactualiseerd in geval van wetswijzigingen met effecten in beide richtingen (toename of afname ten opzichte van de oorspronkelijke aannamen).

Tijdens de afnameovereenkomst

Input

Omschrijving van de input

Werkblad

Rij

Motivering actualisering

Variabele kosten

Kosten die afhangen van de productie van de centrale (bv. brandstof, verwijdering niet-radioactief afval, voorziening voor ontmanteling)

Inp_V

143 -220 (uitgaande van Inp_C 226)

De variabele kosten zullen worden geactualiseerd om rekening te houden met kostenoverschrijdingen in geval van gebeurtenissen die als legitieme gronden worden aangemerkt.

De variabele kosten die “c” vormen, worden periodiek geactualiseerd in het kader van de evaluatie van de vergoedingsformule.

Vaste kosten

Kosten die worden gemaakt ongeacht de productie van de centrale (bv. lonen, kantoorbenodigdheden, beveiliging)

Inp_V

237 -279 (uitgaande van Inp_C 225)

Geactualiseerd om rekening te houden met kostenoverschrijdingen op legitieme gronden.

Extra kosten als gevolg van load following

Kosten die niet zijn opgenomen in andere kostenposten die worden veroorzaakt door load following van de centrale

Inp_V

297 – 306 (uitgaande van Inp_C 228)

Indien op legitieme gronden een overschrijding van de extra kosten wegens load following plaatsvindt, zal de input “extra kosten als gevolg van load following” in het financiële model dienovereenkomstig worden bijgewerkt.

In het kader van de periodieke evaluatie van de vergoedingsformule in de afnameovereenkomst zullen ook de extra kosten als gevolg van load following worden herzien en geactualiseerd.

Overschrijding kapitaaluitgaven – ontwikkelingsfase 1

Hoogte van eventuele overschrijdingen van de uitgaven tijdens de eerste ontwikkelingsfase

Inp_C

70

Geactualiseerd om rekening te houden met kostenoverschrijdingen op legitieme gronden.

Overschrijding kapitaaluitgaven — ontwikkelingsfase 2

Hoogte van eventuele overschrijdingen van de uitgaven tijdens de tweede ontwikkelingsfase

Inp_C

71

Geactualiseerd om rekening te houden met kostenoverschrijdingen op legitieme gronden.

Overschrijding kapitaaluitgaven — bouwfase

Hoogte van eventuele overschrijdingen van de uitgaven tijdens de bouw

Inp_C

72

Geactualiseerd om rekening te houden met kostenoverschrijdingen op legitieme gronden.

Percentage van overschrijdingen op legitieme gronden

Percentage overschrijdingen als gevolg van problemen die als legitieme gronden worden aangemerkt

Inp_C

77

Geactualiseerd om rekening te houden met kostenoverschrijdingen op legitieme gronden.

Overschrijding kapitaaluitgaven — ontwikkelingsfase 1

Profiel van eventuele overschrijdingen van de uitgaven tijdens de eerste ontwikkelingsfase

Inp_V

415 -420 (uitgaande van Inp_C 83)

Geactualiseerd om rekening te houden met kostenoverschrijdingen op legitieme gronden.

Overschrijding kapitaaluitgaven — ontwikkelingsfase 2

Profiel van eventuele overschrijdingen van de uitgaven tijdens de tweede ontwikkelingsfase

Inp_V

425 -430 uitgaande van Inp_C 84)

Geactualiseerd om rekening te houden met kostenoverschrijdingen op legitieme gronden.

Overschrijding kapitaaluitgaven — bouwfase

Profiel van eventuele overschrijdingen van de uitgaven tijdens de bouw

Inp_V

435 -440 (uitgaande van Inp_C 85)

Geactualiseerd om rekening te houden met kostenoverschrijdingen op legitieme gronden.

Aannamen inzake inflatie

Macro-economische aannamen met betrekking tot de gekozen indexeringsmechanismen

Inp_V

15 -24 (uitgaande van Inp_C 239-245)

Geactualiseerd om rekening te houden met veranderingen in de waarde van de respectieve indexcijfers in de loop van de tijd. MIT houdt toezicht op de actualisering van de waarden.

Btw-tarief

Tarief van de belasting over de toegevoegde waarde dat op het project van toepassing is

Inp_C

548

Geactualiseerd in geval van wetswijzigingen met effecten in beide richtingen (toename of afname ten opzichte van de oorspronkelijke aannamen).

Toepasselijkheid btw

Inkomsten en kosten waarop btw van toepassing is

Inp_C

544 -556

Geactualiseerd in geval van wetswijzigingen met effecten in beide richtingen (toename of afname ten opzichte van de oorspronkelijke aannamen).

Bedrijfsbelasting — maximaal toelaatbare rente in % van de ebitda

Maximaal toelaatbare rentelasten, uitgedrukt als % van de ebitda die wordt gebruikt voor de berekening van de belastbare inkomsten

Inp_C

562

Geactualiseerd in geval van wijzigingen in de belastingwetgeving met effecten in beide richtingen (toename of afname ten opzichte van de oorspronkelijke aannamen).

Tarief bedrijfsbelasting

Tarief van de bedrijfsbelasting dat op het project van toepassing is

Inp_C

576

Geactualiseerd in geval van wetswijzigingen met effecten in beide richtingen (toename of afname ten opzichte van de oorspronkelijke aannamen).

Afschrijvingsaftrek projectkosten

Bepaalt de afschrijvingsaftrek voor specifieke kostenposten

Inp_C

587 -589

Geactualiseerd in geval van wetswijzigingen met effecten in beide richtingen (toename of afname ten opzichte van de oorspronkelijke aannamen).

Profiel referentiehoeveelheid (k)

Profiel van de waarden voor parameter k in de vergoedingsformule

Inp_V

473 -485 (uitgaande van Inp_C 185)

De referentiehoeveelheid zal om de vijf jaar vooraf worden vastgesteld. De waarde van k zal in de loop van de afnameovereenkomst worden aangepast (tijdens deze periodieke evaluaties) en geeft de productie van de centrale weer die voor elk jaar wordt verwacht, uitgaande van de onderhoudsactiviteiten, zonder rekening te houden met eventuele effecten van load following.

Deze parameter zal ook worden bijgewerkt in geval van veranderingen op legitieme gronden.

Profiel parameter Alfa

Profiel van de waarden voor parameter Alfa in de vergoedingsformule

Inp_V

489 -493 (uitgaande van Inp_C 187)

De parameter Alfa zal om de vijf jaar vooraf worden bepaald (zoals vermeld in overweging 97). De parameter Alfa staat jaarlijks gelijk aan f/c; de waarde ervan moet worden bijgewerkt op basis van eventuele actualiseringen van c in de loop van de afnameovereenkomst.


ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2025/429/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)


Top