Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32018R1976

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 van de Commissie van 14 december 2018 tot vaststelling van gedetailleerde regels voor vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad

C/2018/8515

PB L 326 van 20.12.2018, pp. 64–75 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force: This act has been changed. Current consolidated version: 15/11/2021

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2018/1976/oj

20.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 326/64


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/1976 VAN DE COMMISSIE

van 14 december 2018

tot vaststelling van gedetailleerde regels voor vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (1), met name artikel 31,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie moet de nodige uitvoeringsbepalingen vaststellen om omstandigheden voor veilige vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen tot stand te brengen, overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1139, voor zover die luchtvaartuigen voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, onder b), punt i) en ii), van die verordening.

(2)

Gezien het specifieke karakter van vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen moeten specifieke vluchtuitvoeringsvoorschriften worden vastgelegd in een afzonderlijke verordening. Die voorschriften moeten gebaseerd zijn op de algemene voorschriften voor vluchtuitvoeringen die zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie (2), maar ze moeten worden geherstructureerd en vereenvoudigd, zodat ze evenredig zijn en gebaseerd zijn op een risicogebaseerde benadering, en zodat tegelijk wordt gegarandeerd dat vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen veilig worden verricht.

(3)

Wat toezicht op personen en organisaties betreft, blijven de voorschriften van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 965/2012 en bijlage II bij die verordening van toepassing op vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen.

(4)

In het belang van de veiligheid en met het oog op de naleving van de essentiële eisen van bijlage V bij Verordening (EU) 2018/1139 gelden een reeks basisvoorschriften voor alle onder deze verordening vallende exploitanten van zweefvliegtuigen, behalve voor ontwerp- of productieorganisaties die bepaalde activiteiten verrichten.

(5)

Rekening houdend met de minder complexe aard en kleinere schaal van commerciële vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen ten opzichte van andere vormen van commerciële luchtvaart en volgens een risicogebaseerde aanpak, is het passend om voor commerciële vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen alleen een verklaring vooraf aan de bevoegde autoriteit te vereisen, zoals uiteengezet in artikel 30, lid 1, onder a), van Verordening (EU) 2018/1139. In die verordening zijn de uitvoeringsbepalingen voor het opstellen van dergelijke verklaringen vastgesteld.

(6)

Rekening houdend met de specifieke aard van bepaalde activiteiten en volgens een risicogebaseerde aanpak is het passend bepaalde vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen vrij te stellen van de vereiste van een verklaring vooraf.

(7)

Om een vlotte overgang te garanderen en alle betrokken partijen voldoende tijd te geven om zich voor te bereiden op de toepassing van die nieuwe regeling, wordt deze verordening pas zes maanden na de inwerkingtreding van toepassing.

(8)

Het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart heeft ontwerpuitvoeringsvoorschriften opgesteld en die als advies (3) bij de Commissie ingediend overeenkomstig artikel 75, lid 2, onder b) en c), en artikel 76, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 127 van Verordening (EU) 2018/1139 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

In deze verordening worden uitvoeringsbepalingen voor vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen vastgesteld, voor zover die luchtvaartuigen voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, onder b), punt i) en ii), van Verordening (EU) 2018/1139.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van bijlage I en de volgende definities:

(1)

„zweefvliegtuig”: een luchtvaartuig dat zwaarder is dan de lucht en dat in de lucht wordt gedragen door de dynamische reactie van de lucht tegen de vaste liftoppervlakken, waarvan de vrije vlucht niet afhankelijk is van een motor;

(2)

„motor”: een voorziening die wordt gebruikt of bestemd is om te worden gebruikt voor de voortstuwing van een gemotoriseerd zweefvliegtuig;

(3)

„gemotoriseerd zweefvliegtuig”: een met één of meer motoren uitgerust zweefvliegtuig dat, bij uitgeschakelde motor(en), de eigenschappen heeft van een zweefvliegtuig;

(4)

„commerciële vluchtuitvoering”: elke vluchtuitvoering met een zweefvliegtuig, tegen een vergoeding of andere beloning, die voor het publiek beschikbaar is of, wanneer deze niet voor het publiek beschikbaar is, die wordt verricht krachtens een overeenkomst tussen een exploitant en een klant, waarbij de klant geen controle over de exploitant uitoefent;

(5)

„wedstrijdvlucht”: een vluchtuitvoering met een zweefvliegtuig met het oog op deelname aan vliegwedstrijden, met inbegrip van oefenvluchten voor een dergelijke vluchtuitvoering en vluchten naar en van vliegwedstrijden;

(6)

„luchtvaartvertoning”: een vluchtuitvoering met een zweefvliegtuig met het oog op het geven van een demonstratie of het verschaffen van amusement tijdens een voor het publiek opengesteld, aangekondigd evenement, met inbegrip van oefenvluchten voor een dergelijke vluchtuitvoering en vluchten naar en van het aangekondigde evenement;

(7)

„kennismakingsvlucht”: een vluchtuitvoering met een zweefvliegtuig tegen een vergoeding of andere beloning die bestaat uit een rondvlucht van korte duur met het oog op het aantrekken van nieuwe stagiairs of leden, die wordt uitgevoerd door een in artikel 10 bis van Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie (4) erkende opleidingsorganisatie of een organisatie die is opgericht om de luchtvaartsport of het vrijetijdsvliegen promoten;

(8)

„kunstvlucht”: een opzettelijk manoeuvre met een plotse wijziging in het gedrag van het zweefvliegtuig, een abnormaal gedrag of abnormale versnelling die niet vereist is voor de normale vlucht of voor instructies in het kader van bewijzen van bevoegdheid of bevoegdverklaringen, behalve voor de bevoegdverklaring stuntvliegen;

(9)

„hoofdvestiging”: het hoofdkantoor of de maatschappelijke zetel van de exploitant van het zweefvliegtuig, waar de belangrijkste financiële functies en de operationele controle over de in deze verordening bedoelde activiteiten worden verricht;

(10)

„dryleaseovereenkomst”: een overeenkomst tussen ondernemingen krachtens welke een zweefvliegtuig wordt geëxploiteerd onder verantwoordelijkheid van de huurder.

Artikel 3

Vluchtuitvoeringen

1.   Exploitanten van zweefvliegtuigen verrichten vluchtuitvoeringen met de zweefvliegtuigen overeenkomstig de voorschriften van bijlage II.

De eerste alinea is echter niet van toepassing op ontwerp- of productieorganisaties die voldoen aan de artikelen 8 en 9 van Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie (5) en die, binnen hun bevoegdheidsgebied, vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen verrichten met het oog op de introductie of wijziging van types zweefvliegtuigen.

2.   Overeenkomstig artikel 30, lid 1, onder a), van Verordening (EU) 2018/1139 mogen exploitanten van zweefvliegtuigen alleen commerciële vluchtuitvoeringen verrichten nadat zij aan de bevoegde autoriteit hebben verklaard over de capaciteiten en middelen te beschikken om zich te kwijten van hun verantwoordelijkheden met betrekking tot vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen.

De eerste alinea is niet van toepassing op de volgende vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen:

a)

vluchtuitvoeringen waarbij de kosten worden gedeeld, voor zover de directe kosten van de vlucht met het zweefvliegtuig en een proportioneel gedeelte van de jaarlijkse kosten voor de opslag, de verzekering en het onderhoud van het zweefvliegtuig door de personen aan boord worden gedeeld;

b)

wedstrijdvluchten of luchtvaartvertoningen, voor zover de beloning of andere vergoeding voor dergelijke vluchten beperkt is tot de directe kosten van de vlucht met het zweefvliegtuig en een proportioneel gedeelte van de jaarlijkse kosten voor de opslag, de verzekering en het onderhoud van het zweefvliegtuig, en dat alle eventuele prijzen de door de bevoegde autoriteit gespecificeerde waarde niet overschrijden;

c)

kennismakingsvluchten, parachuteringsvluchten, slepen van zweefvliegtuigen of kunstvluchten uitgevoerd door een opleidingsorganisatie met hoofdvestiging in een lidstaat en als bedoeld in artikel 10 bis van Verordening (EU) nr. 1178/2011, of door een organisatie die is opgericht voor het promoten van de vliegsport of luchtvaartsport of het vrijetijdsvliegen, voor zover de organisatie de vluchtuitvoeringen met het zweefvliegtuig verricht op basis van eigendom of een dryleaseovereenkomst, de vlucht geen winst oplevert die buiten de organisatie wordt uitgekeerd en dergelijke vluchten slechts een marginale activiteit vormen voor de organisatie;

d)

opleidingsvluchten, uitgevoerd door een opleidingsorganisatie met hoofdvestiging in een lidstaat en als bedoeld in artikel 10 bis van Verordening (EU) nr. 1178/2011.

Artikel 4

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 9 juli 2019.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 december 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie van 5 oktober 2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 296 van 25.10.2012, blz. 1).

(3)  Advies nr. 07/2017 van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart van 23 augustus 2017 inzake een ontwerpverordening van de Commissie inzake de herziening van de uitvoeringsvoorschriften voor zweefvliegtuigen.

(4)  Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 311 van 25.11.2011, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie van 3 augustus 2012 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (PB L 224 van 21.8.2012, blz. 1).


BIJLAGE I

DEFINITIES

[DEEL-DEF]

Met het oog op de toepassing van bijlage II wordt verstaan onder:

1.

„Aanvaardbare wijzen van naleving (AMC)”: door het Agentschap vastgestelde niet-bindende normen waarin is aangegeven met welke middelen Verordening (EU) 2018/1139 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan kunnen worden nageleefd;

2.

„Alternatieve wijzen van naleving (AltMoC)”: alternatieven voor een bestaande aanvaardbare wijze van naleving of een nieuwe methode om overeenstemming te bereiken met Verordening (EU) 2018/1139 en de gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen daarvan waarvoor het Agentschap geen aanvaardbare wijzen van naleving (AMC) heeft vastgesteld;

3.

„Gezagvoerder (PIC)”: de piloot aan wie het gezag over het luchtvaartuig is toegewezen en die verantwoordelijk is voor de veilige uitvoering van de vlucht;

4.

„Vlieghandboek van het luchtvaartuig (AFM)”: het document dat de toepasselijke en goedgekeurde vluchtuitvoeringsbeperkingen en informatie over het zweefvliegtuig bevat;

5.

„Psychoactieve stoffen”: alcohol, opioïden, cannabinoïden, sedativa en hypnotica, cocaïne, andere psychostimulantia, hallucinogene middelen en vluchtige oplosmiddelen, met uitzondering van koffie en tabak;

6.

„Kritieke vluchtstadia”: startaanloop, vliegbaan tijdens de start, eindnadering, afgebroken nadering, landing, met inbegrip van de uitloop, en elk ander vluchtstadium dat door de gezagvoerder als kritiek voor de veilige vluchtuitvoering met het zweefvliegtuig wordt bestempeld;

7.

„Vluchtuitvoeringsgebied”: een ander gebied dan een luchtvaartterrein dat door de gezagvoerder of exploitant is uitgekozen om te landen of te starten;

8.

„Bemanningslid”: een persoon die in opdracht van een exploitant en, als het niet om de gezagvoerder zelf gaat, onder het gezag van de gezagvoerder taken verricht aan boord van het zweefvliegtuig;

9.

„Electronic flight bag (EFB)”: een elektronisch informatiesysteem voor de cockpitbemanning dat bestaat uit apparatuur en toepassingen en dat het mogelijk maakt EFB-functies op te slaan, bij te werken, weer te geven en te verwerken ter ondersteuning van vluchtuitvoeringen en -diensten;

10.

„Gevaarlijke goederen”: artikelen of stoffen die een gevaar kunnen inhouden voor de gezondheid, de veiligheid, eigendommen of het milieu en die voorkomen op de lijst van gevaarlijke goederen in de technische instructies, of die overeenkomstig die instructies zijn gerubriceerd;

11.

„Technische instructies”: de jongste vigerende editie van de „Technical Instructions for the Safe Transport of Dangerous Goods by Air”, inclusief het supplement en eventuele addenda, gepubliceerd door de ICAO in document 9284-AN/905;

12.

„Gespecialiseerde vluchtuitvoering met een zweefvliegtuig”: commerciële of niet-commerciële vluchtuitvoeringen met een zweefvliegtuig waarvan het voornaamste doel geen typische sport- en recreatievluchten zijn, maar parachutesprongen, vluchten voor nieuwsmedia, televisie- of filmopnames, luchtvaartvertoningen of soortgelijke gespecialiseerde activiteiten;

13.

„Nacht”: de periode tussen het einde van de burgerlijke avondschemering en het begin van de burgerlijke ochtendschemering. De burgerlijke schemering eindigt 's avonds wanneer het centrum van de zonneschijf zes graden onder de horizon staat en begint 's morgens wanneer het centrum van de zonneschijf zes graden onder de horizon staat.


BIJLAGE II

VLUCHTUITVOERINGEN MET ZWEEFVLIEGTUIGEN

[DEEL-SAO]

SUBDEEL GEN

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

SAO.GEN.100 Toepassingsgebied

Overeenkomstig artikel 3 zijn in dit subdeel de voorschriften vastgesteld waaraan moet worden voldaan door alle exploitanten van zweefvliegtuigen, met uitzondering van de ontwerp- of productieorganisaties als bedoeld in artikel 3, lid 1, tweede alinea.

SAO.GEN.105 Bevoegde autoriteit

De bevoegde autoriteit is de autoriteit die is aangewezen door de lidstaat waar de exploitant zijn hoofdvestiging heeft of, als de exploitant geen hoofdvestiging heeft, de plaats waar de exploitant is gevestigd of verblijft. Die autoriteit is onderworpen aan de voorschriften van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 965/2012, overeenkomstig artikel 1, lid 7, van die verordening.

SAO.GEN.110 Bewijzen van naleving

a)

Wanneer een exploitant daarom wordt verzocht door de bevoegde autoriteit die de blijvende naleving verifieert overeenkomstig ARO.GEN.300, onder a), punt 2), van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 965/2012, moet hij aantonen dat hij voldoet aan de essentiële eisen van bijlage V bij Verordening (EU) 2018/1139 en aan de voorschriften van de onderhavige verordening.

b)

Om aan te tonen dat hij aan deze voorschriften voldoet, kan de exploitant naar het volgende verwijzen:

1.

aanvaardbare wijzen van naleving (AMC);

2.

alternatieve wijzen van naleving (AltMoC).

SAO.GEN.115 Kennismakingsvluchten

Kennismakingsvluchten:

a)

worden overdag uitgevoerd volgens zichtvliegvoorschriften (VFR); en

b)

staan onder veiligheidstoezicht door een persoon die is aangewezen door de organisatie die verantwoordelijk is voor de kennismakingsvluchten.

SAO.GEN.120 Onmiddellijke reactie op een veiligheidsprobleem

De exploitant legt het volgende ten uitvoer:

a)

veiligheidsmaatregelen waarvoor de bevoegde autoriteit opdracht heeft gegeven overeenkomstig ARO.GEN.135, onder c), van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 965/2012; en

b)

luchtwaardigheidsrichtlijnen en andere verplichte informatie die door het Agentschap is uitgegeven overeenkomstig artikel 77, lid 1, onder h), van Verordening (EU) 2018/1139.

SAO.GEN.125 Aanwijzing van de gezagvoerder

De exploitant wijst een gezagvoerder aan die gekwalificeerd is om als gezagvoerder op te treden overeenkomstig bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1178/2011.

SAO.GEN.130 Verantwoordelijkheden van de gezagvoerder

De gezagvoerder:

a)

is verantwoordelijk voor de veiligheid van het zweefvliegtuig en van alle personen die zich tijdens vluchtuitvoeringen aan boord van het zweefvliegtuig bevinden;

b)

is verantwoordelijk voor het beginnen, voortzetten of omwille van de veiligheid beëindigen van een vlucht;

c)

zorgt ervoor dat alle toepasselijke vluchtuitvoeringsprocedures en controlelijsten worden gevolgd;

d)

begint alleen aan een vlucht als hij of zij zich ervan heeft vergewist dat aan alle volgende operationele voorschriften is voldaan:

1.

het zweefvliegtuig is luchtwaardig;

2.

het zweefvliegtuig is correct geregistreerd;

3.

de voor de uitvoering van de vlucht vereiste instrumenten en apparatuur bevinden zich aan boord van het zweefvliegtuig en functioneren;

4.

de massa van het zweefvliegtuig en de locatie van het zwaartepunt zijn zodanig dat de vlucht kan worden uitgevoerd binnen de in het vlieghandboek van het luchtvaartuig (AFM) voorgeschreven limieten;

5.

alle apparatuur en bagage zijn op passende wijze geladen en vastgezet en noodevacuatie blijft mogelijk; en

6.

de vluchtuitvoeringsbeperkingen van het zweefvliegtuig, zoals vermeld in het vlieghandboek, worden op geen enkel ogenblik tijdens de vlucht overschreden;

e)

vergewist zich ervan dat de aan de vlucht voorafgaande inspectie heeft plaatsgevonden in overeenstemming met het vlieghandboek;

f)

vervult geen taken aan boord van een zweefvliegtuig in een van de volgende situaties:

1.

als hij of zij om welke reden dan ook, zoals verwondingen, ziekte, medicatie, vermoeidheid of de effecten van een psychoactieve stof zijn of haar taken niet kan uitvoeren of zich om een andere reden niet geschikt voelt;

2.

als niet aan de toepasselijke medische eisen is voldaan;

g)

weigert het vervoer van personen of bagage of verwijdert deze uit het zweefvliegtuig indien zij de veiligheid van het zweefvliegtuig of de daarin vervoerde personen in gevaar kunnen brengen;

h)

staat niet toe dat in het zweefvliegtuig een persoon wordt vervoerd die zodanig onder invloed van psychoactieve stoffen lijkt te zijn dat de veiligheid van het zweefvliegtuig of de daarin vervoerde personen in gevaar kunnen komen;

i)

garandeert dat tijdens kritieke vluchtstadia of telkens wanneer dat nodig wordt geacht in het belang van de veiligheid, alle personen aan boord op hun stoel zitten en hun veiligheidsgordel hebben vastgemaakt;

j)

tijdens de vlucht:

1.

houdt zijn of haar veiligheidsgordel om; en

2.

blijft te allen tijde aan het stuur van het zweefvliegtuig, behalve als een andere piloot het stuur overneemt;

k)

neemt, in een noodsituatie waarbij onmiddellijk moet worden beslist en gehandeld, alle maatregelen die hij of zij onder die omstandigheden nodig acht. In dergelijke gevallen mag hij of zij afwijken van de regels, vluchtuitvoeringsprocedures en methoden, in de mate dat dit nodig is in het belang van de veiligheid;

l)

vliegt niet verder dan het dichtstbijzijnde luchtvaartterrein of vluchtuitvoeringsgebied met gunstige weersomstandigheden als zijn of haar vermogen om zijn of haar taken uit te voeren aanzienlijk is afgenomen door ziekte, vermoeidheid of zuurstofgebrek, of een andere oorzaak;

m)

registreert aan het einde van de vlucht of reeks vluchten de gebruiksgegevens en alle bekende of vermeende defecten aan het zweefvliegtuig in het technisch journaal of het journaal van het luchtvaartuig;

n)

stelt de veiligheidsonderzoeksinstantie van de lidstaat op wiens grondgebied een voorval plaatsvond en de hulpdiensten van die staat onverwijld met de snelste beschikbare middelen in kennis van elk ongeval of ernstig incident waarbij het zweefvliegtuig betrokken was;

o)

dient onverwijld bij de bevoegde autoriteit een verslag in van een wederrechtelijke daad en informeert de lokale autoriteit die is aangewezen door de staat op wiens grondgebied de wederrechtelijke daad heeft plaatsgevonden; en

p)

meldt onverwijld aan de passende eenheid voor luchtverkeersdiensten alle vastgestelde gevaarlijke weers- of vliegomstandigheden die de veiligheid van andere luchtvaartuigen in gevaar kunnen brengen.

SAO.GEN.135 Verantwoordelijkheden van bemanningsleden

a)

Elk bemanningslid is verantwoordelijk voor de goede uitvoering van zijn of haar taken met betrekking tot de vluchtuitvoering met het zweefvliegtuig.

b)

Bemanningsleden voeren geen taken uit aan boord van een zweefvliegtuig wanneer zij, om welke reden dan ook, waaronder verwondingen, ziekte, medicatie, vermoeidheid of de effecten van een psychoactieve stof, niet in staat zijn dit te doen, of zich om een andere reden ongeschikt voelen.

c)

Bemanningsleden melden het volgende aan de gezagvoerder:

1.

alle gebreken, fouten, storingen of defecten waarvan zij menen dat ze de luchtwaardigheid of veilige vluchtuitvoering met het zweefvliegtuig, inclusief de noodsystemen, nadelig zouden kunnen beïnvloeden;

2.

alle incidenten.

SAO.GEN.140 Naleving van wetten, regels en procedures

a)

De gezagvoerder en alle andere bemanningsleden leven de wetten, regels en procedures na van de staten waarin vluchtuitvoeringen worden verricht.

b)

De gezagvoerder is vertrouwd met de wetten, regels en procedures die van belang zijn voor de uitvoering van zijn of haar taken in de overvlogen gebieden, de gebruikte luchtvaartterreinen of vluchtuitvoeringsgebieden en de daarmee samenhangende luchtvaartnavigatiefaciliteiten.

SAO.GEN.145 Draagbare elektronische apparatuur

De gezagvoerder staat niet toe dat iemand aan boord van een zweefvliegtuig gebruikmaakt van een draagbaar elektronisch apparaat, met inbegrip van een electronic flight bag (EFB), dat een nadelige invloed heeft op de werking van de systemen en de apparatuur van het zweefvliegtuig of de mogelijkheid om het te besturen.

SAO.GEN.150 Gevaarlijke goederen

a)

De gezagvoerder staat niet toe dat iemand aan boord gevaarlijke goederen vervoert.

b)

Het is toegestaan aan boord van een zweefvliegtuig redelijke hoeveelheden artikelen en stoffen die anders als gevaarlijke goederen zouden worden geclassificeerd en die gebruikt worden om de veiligheid van de vlucht te faciliteren, te vervoeren voor zover dat raadzaam is om te garanderen dat ze tijdig beschikbaar zijn voor operationele doeleinden.

SAO.GEN.155 Mee te nemen documenten, handleidingen en informatie

a)

Op elke vlucht wordt het origineel of een kopie van al de volgende documenten, handleidingen en informatie meegenomen:

1.

het vlieghandboek of (een) gelijkwaardig(e) document(en);

2.

bijzonderheden van het vliegplan dat bij de luchtverkeersdiensten is ingediend, voor zover vereist overeenkomstig deel 4 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 (1) van de Commissie;

3.

actuele en geschikte luchtvaartkaarten voor het gebied van de geplande vlucht;

4.

alle andere documentatie die betrekking heeft op de vlucht of vereist is door de landen die bij de vlucht betrokken zijn;

5.

procedures en informatie aan de hand van visuele signalen voor gebruik door onderscheppende en onderschepte luchtvaartuigen.

b)

Wanneer een verklaring is vereist overeenkomstig SAO.DEC.100, wordt bovendien een kopie van die verklaring meegenomen op elke vlucht.

c)

Wanneer ze niet aan boord worden meegenomen, blijven de originelen of kopieën van alle volgende documenten, handleidingen en informatie beschikbaar op het luchtvaartterrein of vluchtuitvoeringsgebied:

1.

het bewijs van inschrijving;

2.

het luchtwaardigheidscertificaat, met inbegrip van de bijlagen;

3.

het certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid;

4.

het geluidscertificaat, als een geluidscertificaat is afgegeven voor een gemotoriseerd zweefvliegtuig;

5.

de radiovergunning van het luchtvaartuig, als het zweefvliegtuig met radiocommunicatieapparatuur is uitgerust, overeenkomstig SAO.IDE.130;

6.

het certificaat (de certificaten) van de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering;

7.

het journaal of een gelijkwaardig document.

d)

Bij wijze van uitzondering op de punten a) en b) mogen de aldaar vermelde documenten, handleidingen en informatie op het luchthaventerrein of vluchtuitvoeringsgebied worden bewaard voor vluchten die:

1.

in het zicht van het luchtvaartterrein of vluchtuitvoeringsgebied gepland zijn; of

2.

binnen een door de bevoegde autoriteit vastgestelde afstand of zone blijven.

e)

Indien de bevoegde autoriteit daarom vraagt, stelt de gezagvoerder of de exploitant de originele documenten binnen de door de bevoegde autoriteit gespecificeerde termijn, die niet minder dan 24 uur mag bedragen, ter beschikking van de bevoegde autoriteit.

SAO.GEN.160 Journaal

Voor elke vlucht of reeks vluchten worden nadere gegevens over het zweefvliegtuig, de bemanning en elke reis bewaard in de vorm van een journaal of gelijkwaardig document.

SUBDEEL OP

VLUCHTUITVOERINGSPROCEDURES

SAO.OP.100 Gebruik van luchtvaartterreinen en vluchtuitvoeringsgebieden

De gezagvoerder mag alleen luchtvaartterreinen en vluchtuitvoeringsgebieden gebruiken die geschikt zijn voor het desbetreffende type zweefvliegtuig en de desbetreffende vluchtuitvoering.

SAO.OP.105 Procedures ter beperking van geluidshinder — gemotoriseerde zweefvliegtuigen

De gezagvoerder houdt rekening met vluchtuitvoeringsprocedures om het effect van het geluid van een gemotoriseerd zweefvliegtuig tot een minimum te beperken, maar ziet er tegelijk op toe dat veiligheid voorrang heeft op de beperking van geluidshinder.

SAO.OP.110 Passagiersbriefing

De gezagvoerder ziet erop toe dat de passagiers vóór en, voor zover passend, tijdens de vlucht een briefing krijgen over normale, abnormale en noodprocedures.

SAO.OP.115 Vervoer van speciale categorieën passagiers

De gezagvoerder ziet erop toe dat personen die bijzondere omstandigheden, bijstand of apparaten nodig hebben wanneer zij meevliegen aan boord van een zweefvliegtuig, worden vervoerd onder omstandigheden waarin de veiligheid van het zweefvliegtuig en van alle daarin vervoerde personen en eigendommen is gegarandeerd.

SAO.OP.120 Vluchtvoorbereiding

Alvorens een vlucht te beginnen ziet de gezagvoerder toe op het volgende:

a)

dat de hulpmiddelen die zijn vereist voor een veilige vluchtuitvoering met het zweefvliegtuig volstaan voor het desbetreffende type vluchtuitvoering;

b)

dat de weersomstandigheden een veilig verloop van de vlucht toestaan;

c)

dat, in het geval van een gemotoriseerd zweefvliegtuig en wanneer de motor zal worden gebruikt, er voldoende brandstof of andere energie voorradig is om de vlucht veilig te voltooien.

SAO.OP.125 Tanken en opladen of vervangen van accu's met personen aan boord — gemotoriseerde zweefvliegtuigen

Wanneer zich een passagier aan boord van een gemotoriseerd zweefvliegtuig bevindt:

a)

mag het zweefvliegtuig niet worden bijgetankt; en

b)

mogen de accu's voor de aandrijving niet worden opgeladen of vervangen.

SAO.OP.130 Roken aan boord

Aan boord van een zweefvliegtuig mag tijdens geen enkel vluchtstadium worden gerookt.

SAO.OP.135 Weersomstandigheden

De gezagvoerder begint of vervolgt een vlucht alleen als uit de recentst beschikbare weersinformatie blijkt dat veilig kan worden geland.

SAO.OP.140 IJs en andere verontreinigingen — procedures op de grond

De gezagvoerder stijgt pas op als het zweefvliegtuig vrij is van elke afzetting die de prestaties en/of de bestuurbaarheid van het zweefvliegtuig negatief zou kunnen beïnvloeden, behalve zoals toegestaan overeenkomstig het vlieghandboek.

SAO.OP.145 Brandstof- of energiebeheer tijdens de vlucht — gemotoriseerde zweefvliegtuigen

In het geval van gemotoriseerde zweefvliegtuigen controleert de gezagvoerder tijdens de vlucht regelmatig of de beschikbare hoeveelheid brandstof of andere energie niet minder is dan de hoeveelheid die nodig is om een veilige landing te waarborgen.

SAO.OP.150 Gebruik van aanvullende zuurstof

De gezagvoerder ziet erop toe dat alle personen aan boord aanvullende zuurstof gebruiken wanneer hij of zij vaststelt dat het zuurstofgebrek op de geplande vlieghoogte hun functioneren in gevaar kan brengen of schadelijke effecten kan veroorzaken.

SAO.OP.155 Gespecialiseerde vluchtuitvoeringen met een zweefvliegtuig

a)

Alvorens te beginnen aan een gespecialiseerde vluchtuitvoering of een reeks gespecialiseerde vluchtuitvoeringen met een zweefvliegtuig, voert de gezagvoerder een risicobeoordeling uit, waarbij hij de complexiteit van de activiteit beoordeelt teneinde de gevaren en bijbehorende risico's van de voorgenomen vluchtuitvoering te bepalen en, indien nodig, risicobeperkende maatregelen te nemen.

b)

Een gespecialiseerde vluchtuitvoering met een zweefvliegtuig vindt plaats in overeenstemming met een controlelijst. De gezagvoerder stelt die controlelijst op en ziet erop toe dat ze passend is voor de gespecialiseerde vluchtuitvoering en het gebruikte zweefvliegtuig, dat ze gebaseerd is op de risicobeoordeling en dat ze rekening houdt met alle voorschriften van deze bijlage. De gezagvoerder en de andere bemanningsleden moeten op elke vlucht toegang hebben tot de controlelijst, voor zover dit relevant is voor de uitvoering van hun taken.

c)

De gezagvoerder herbekijkt en actualiseert de controlelijst regelmatig, voor zover dit nodig is om op passende wijze rekening te houden met de risicobeoordeling.

SUBDEEL POL

PRESTATIES EN VLUCHTUITVOERINGSBEPERKINGEN

SAO.POL.100 Weging

a)

De weging van het zweefvliegtuig wordt uitgevoerd door de fabrikant van het zweefvliegtuig of overeenkomstig bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie (2).

b)

De exploitant ziet erop toe dat de massa van het zweefvliegtuig vóór de eerste ingebruikname door een effectieve weging is bepaald. De gezamenlijke effecten van modificaties en reparaties op de massa moeten in rekening worden gebracht en goed worden gedocumenteerd. Deze informatie wordt ter beschikking van de gezagvoerder gesteld. Zweefvliegtuigen moeten opnieuw worden gewogen indien de gevolgen van modificaties of reparaties voor de massa niet bekend zijn.

SAO.POL.105 Prestaties — algemeen

De gezagvoerder verricht alleen vluchtuitvoeringen met het zweefvliegtuig als de prestaties van het zweefvliegtuig volstaan om te voldoen aan de voorschriften van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 en alle andere beperkingen die van toepassing zijn op de vlucht, het luchtruim of de gebruikte luchtvaartterreinen of vluchtuitvoeringsgebieden, en ziet erop toe dat steeds de recentst beschikbare uitgave van kaarten wordt gebruikt.

SUBDEEL IDE

INSTRUMENTEN, GEGEVENS EN APPARATUUR

SAO.IDE.100 Instrumenten en apparatuur — algemeen

a)

De uit hoofde van dit subdeel vereiste instrumenten en apparatuur worden goedgekeurd overeenkomstig bijlage I bij Verordening (EU) nr. 748/2012 of, bij registratie in een derde land, overeenkomstig de luchtwaardigheidsvoorschriften van het land van registratie, voor zover een van de volgende voorwaarden is vervuld:

1.

ze worden door de cockpitbemanning gebruikt om het vliegpad te controleren;

2.

ze worden gebruikt om te voldoen aan SAO.IDE.130 of SAO.IDE.135;

3.

ze zijn permanent geïnstalleerd in het zweefvliegtuig.

b)

Bij wijze van uitzondering op punt a) is voor de volgende instrumenten of apparatuur, indien vereist uit hoofde van dit subdeel, geen goedkeuring nodig:

1.

onafhankelijk werkende draagbare lampen;

2.

een nauwkeurig uurwerk;

3.

overlevings- en noodsignaalapparatuur.

c)

De instrumenten en apparatuur moeten gemakkelijk bedienbaar of bereikbaar zijn vanaf de post van de gezagvoerder of een cockpitbemanningslid dat die instrumenten of uitrusting moet gebruiken.

SAO.IDE.105 Vlucht- en navigatie-instrumenten

a)

Zweefvliegtuigen worden uitgerust met een middel om het volgende te meten en weer te geven:

1.

de tijd in uren en minuten;

2.

de drukhoogte;

3.

de aangegeven vliegsnelheid;

4.

in geval van gemotoriseerde zweefvliegtuigen, de magnetische koers.

b)

Als vluchten worden uitgevoerd in omstandigheden waarbij het gewenste vliegpad van het zweefvliegtuig niet kan worden behouden zonder verwijzing naar een of meer aanvullende instrumenten, of als wolkenvluchten en nachtvluchten worden uitgevoerd, worden zweefvliegtuigen uitgerust met, naast het bepaalde onder a), een middel om het volgende te meten en weer te geven:

1.

de verticale snelheid;

2.

de vlieghouding of de bocht en slip;

3.

de magnetische koers.

SAO.IDE.110 Vluchtuitvoeringslichten

Zweefvliegtuigen waarmee nachtvluchten worden uitgevoerd, worden uitgerust met elk van de volgende:

a)

een antibotsingsverlichtingssysteem;

b)

navigatie-/positielichten;

c)

een landingslicht;

d)

door het elektrische systeem van het zweefvliegtuig gevoede verlichting die zorgt voor een afdoende verlichting van alle instrumenten en apparatuur die essentieel zijn voor het veilige gebruik van het zweefvliegtuig;

e)

een onafhankelijk werkende draagbare lamp voor de gezagvoerder en alle andere bemanningsleden.

SAO.IDE.115 Aanvullende zuurstof

Zweefvliegtuigen waarmee vluchten worden uitgevoerd op een hoogte die zuurstofvoorziening vereist overeenkomstig SAO.OP.150, worden uitgerust met zuurstofapparatuur waarmee de vereiste zuurstofvoorraden kunnen worden opgeslagen en toegediend.

SAO.IDE.120 Levensreddende uitrusting en apparatuur voor noodsignalen — vluchten boven water

De gezagvoerder van een zweefvliegtuig waarmee vluchten boven water worden uitgevoerd, schat vóór het begin van de vlucht in hoe groot de levensbedreigende risico's voor de personen in het zweefvliegtuig zouden zijn in geval van een noodlanding op het water. Op basis van die risico's bepaalt hij of zij of het noodzakelijk is levensreddende uitrusting en apparatuur voor noodsignalen mee te nemen.

SAO.IDE.125 Levensreddende uitrusting en apparatuur voor noodsignalen — moeilijkheden bij opsporing en redding

Zweefvliegtuigen waarmee vluchten worden uitgevoerd boven gebieden waar opsporing en redding bijzonder moeilijk zouden zijn, worden uitgerust met levensreddende uitrusting en apparatuur voor noodsignalen die passend zijn voor het gebied waarboven de vlucht plaatsvindt.

SAO.IDE.130 Radiocommunicatieapparatuur

Zweefvliegtuigen moeten zijn uitgerust met radiocommunicatieapparatuur om de communicatie mogelijk te maken die vereist is uit hoofde van aanhangsel 4 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 en, als de vlucht in het luchtruim van een derde land plaatsvindt, uit hoofde van de wetgeving van dat derde land.

SAO.IDE.135 Transponder

Zweefvliegtuigen moeten zijn uitgerust met een transponder voor de secundaire surveillanceradar (SSR), die over alle mogelijkheden beschikt die vereist zijn uit hoofde van punt b) van SERA.6005 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 en, als de vlucht in het luchtruim van een derde land plaatsvindt, uit hoofde van de wetgeving van dat derde land.

SUBDEEL DEC

VERKLARING

SAO.DEC.100 Verklaring

a)

In de in artikel 3, lid 2, bedoelde verklaring bevestigt de exploitant dat hij alle in bijlage V bij Verordening (EU) 2018/1139 vastgestelde essentiële eisen en de voorschriften van deze verordening naleeft en zal blijven naleven.

b)

De exploitant neemt al de volgende informatie op in de verklaring:

1.

de naam van de exploitant;

2.

de plaats van de hoofdvestiging van de exploitant;

3.

de contactgegevens van de exploitant;

4.

de begindatum van de vluchtuitvoering en, voor zover relevant, de datum waarop de wijziging van een bestaande verklaring in werking treedt;

5.

voor alle zweefvliegtuigen die voor commerciële vluchtuitvoeringen worden gebruikt: het type zweefvliegtuig, de registratie, de belangrijkste basis, het type vluchtuitvoering en de organisatie voor het beheer van de permanente luchtwaardigheid.

c)

Als de exploitant zijn verklaring indient, stelt hij de bevoegde autoriteit in kennis van de lijst van alternatieve wijzen van naleving (AltMoC) om de naleving aan te tonen, voor zover die vereist is overeenkomstig SAO.GEN.110. Die lijst bevat verwijzingen naar de bijbehorende aanvaardbare wijzen van naleving (AMC).

d)

De exploitant gebruikt het formulier in het aanhangsel van deze bijlage om de verklaring op te stellen.

SAO.DEC.105 Wijzigingen van de verklaring en stopzetting van commerciële vluchtuitvoeringen

a)

De exploitant stelt de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van alle wijzigingen van omstandigheden die gevolgen hebben voor zijn naleving van de in bijlage V bij Verordening (EU) 2018/1139 vastgestelde essentiële eisen en van de voorschriften van deze verordening, zoals vermeld in de verklaring aan de bevoegde autoriteit, en van alle wijzigingen met betrekking tot de in SAO.DEC.100, onder b), bedoelde informatie en de in SAO.DEC.100, onder c), bedoelde lijst van AltMoC's, zoals opgenomen in de verklaring of als bijlage bij de verklaring gevoegd.

b)

De exploitant stelt de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis wanneer hij geen commerciële vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen meer verricht.


(1)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 van de Commissie van 26 september 2012 tot vaststelling van gemeenschappelijke luchtverkeersregels en operationele bepalingen betreffende luchtvaartnavigatiediensten en -procedures en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1035/2011 en Verordeningen (EG) nr. 1265/2007, (EG) nr. 1794/2006, (EG) nr. 730/2006, (EG) nr. 1033/2006 en (EU) nr. 255/2010 (PB L 281 van 13.10.2012, blz. 1).

(2)  Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie van 26 november 2014 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PB L 362 van 17.12.2014, blz. 1).

Aanhangsel

Image 1
Tekst van het beeld

Top