This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32016D0285
Commission Decision (EU) 2016/285 of 6 November 2015 on the state aid SA.38545 2014/C (ex 2014/NN) implemented by the French Republic in favour of Mory — Ducros SAS and MoryGlobal (notified under document C(2015) 7523) (Text with EEA relevance)
Besluit (EU) 2016/285 van de Commissie van 6 november 2015 betreffende steunmaatregel SA.38545 2014/C (ex 2014/NN) door de Franse Republiek ten uitvoer gelegd ten gunste van Mory-Ducros SAS en MoryGlobal (Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 7523) (Voor de EER relevante tekst)
Besluit (EU) 2016/285 van de Commissie van 6 november 2015 betreffende steunmaatregel SA.38545 2014/C (ex 2014/NN) door de Franse Republiek ten uitvoer gelegd ten gunste van Mory-Ducros SAS en MoryGlobal (Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 7523) (Voor de EER relevante tekst)
PB L 53 van 1.3.2016, pp. 6–23
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
In force
|
1.3.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 53/6 |
BESLUIT (EU) 2016/285 VAN DE COMMISSIE
van 6 november 2015
betreffende steunmaatregel SA.38545 2014/C (ex 2014/NN) door de Franse Republiek ten uitvoer gelegd ten gunste van Mory-Ducros SAS en MoryGlobal
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 7523)
(Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,
Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),
Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben verzocht hun opmerkingen kenbaar te maken (1),
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
|
(1) |
Na informele onderhouden tussen de Commissie en Frankrijk heeft Frankrijk op 7 februari 2014 aan de Commissie een informatieve nota gezonden betreffende de toekenning van een participatielening van het Fonds de développement économique et social (hierna „FDES” genoemd) aan de onderneming MoryGlobal (2). |
|
(2) |
Op mondeling verzoek van de Commissie heeft Frankrijk op 2 april 2014 een nieuwe informatieve nota gezonden. |
|
(3) |
Twee nieuwe verzoeken om informatie zijn respectievelijk op 11 april en 8 mei 2014 gezonden, waarop Frankrijk bij brieven van 30 april en 9 mei 2014 heeft geantwoord. Die verzoeken zijn aangevuld met een verzoek van 27 juni 2014, waarop Frankrijk op 10 juli 2014 heeft geantwoord. |
|
(4) |
Op voorstel van de Commissie is op 9 juli 2014 een vergadering met Frankrijk georganiseerd. |
|
(5) |
Nadat de eerste tranche van de lening van het FDES op 18 februari 2014 is betaald heeft de Commissie deze maatregel in het register van niet-aangemelde steunmaatregelen opgenomen. |
|
(6) |
Bij brief van 16 september 2014 heeft de Commissie Frankrijk in kennis gesteld van haar besluit om ten aanzien van deze steunmaatregel de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna „VWEU” genoemd) in te leiden (hierna de „formele onderzoeksprocedure” genoemd). |
|
(7) |
Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure (hierna het „besluit tot inleiding van de procedure” genoemd) is in het Publicatieblad van de Europese Unie (3) bekendgemaakt. De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de onderhavige steun te maken. De Commissie heeft in dit verband geen opmerkingen van belanghebbenden ontvangen. |
|
(8) |
Frankrijk heeft op 24 oktober 2014 zijn opmerkingen ingediend. Op verzoek van de Commissie heeft Frankrijk op 12 januari en 6 mei 2015 extra informatie ingediend. |
2. ACHTERGROND
2.1. BESCHRIJVING VAN DE BEGUNSTIGDE EN VAN DE CONTEXT
|
(9) |
De groep Mory-Ducros omvatte onder meer de onderneming Mory-Ducros SAS (hierna „MD” genoemd) en de onroerendgoedondernemingen SPAD en ARCATIME CAUDAN, 100 %-dochterondernemingen van MD. |
|
(10) |
MD had als aandeelhouder Arcole Industries (hierna „Arcole” genoemd), een holding gespecialiseerd in de overname en de sanering van ondernemingen in moeilijkheden. Arcole had in juni 2010 van DHL de onderneming Ducros Express verworven, en vervolgens in juni 2011 bepaalde activa van de onderneming Mory SA verworven in het kader van de tegen die onderneming ingeleide procedure van surseance van betaling (redressement judiciaire). Arcole heeft daarna die beide activiteiten binnen MD gefuseerd. |
|
(11) |
MD was na Geodis de tweede exploitant in Frankrijk in de sector koeriersvervoer en bevrachting. MD oefende vier hoofdactiviteiten uit, namelijk binnenlands koeriersvervoer en vervoer, binnenlandse bevrachting, internationaal koeriersvervoer en internationale bevrachting en logistiek. Deze sector kende sinds het begin van het decennium groeiende problemen in Frankrijk, die zich vertaalden in fusies en/of faillissementen van belangrijke exploitanten. Naast het geven van een overzicht van de activa of ondernemingen die na procedures van surseance van betaling in MD werden geïntegreerd, dient te worden gewezen op de overname door Geodis van de activa van SERNAM, gevestigd exploitant en dochter van de SNCF, na gerechtelijke vereffening (liquidation judiciaire) (4). |
|
(12) |
Op 31 december 2012 behaalde MD een geconsolideerde omzet van 765 miljoen EUR. MD telde ongeveer 5 300 werknemers en beschikte over 85 agentschappen. De negatieve impact van de financiële crisis en de verhoogde concurrentiedruk van de andere exploitanten tegen de achtergrond van de problemen van de sector van het koeriersvervoer en bevrachting hebben echter geleid tot een achteruitgang van de resultaten, die verergerd werd door hogere productiekosten dan die van de markt, ongunstige tarieven bij veel klanten en een slechte staat van het gebouwenbestand en het rollend materieel als gevolg van onderinvesteringen in de voorgaande jaren. |
|
(13) |
Bij vonnis (jugement) van 26 november 2013 heeft de rechtbank van koophandel (tribunal de commerce) van Pontoise een procedure van surseance van betaling ten aanzien van MD ingeleid. |
|
(14) |
Op 3 januari 2014 heeft Arcole, toen meerderheidsaandeelhouder van MD, een overnamebod gedaan. |
|
(15) |
Arcole heeft op 28 januari 2014 bij de rechtbank van koophandel van Pontoise een verbeterd bod ingediend in de vorm van een plan van overdracht, met het oog op de overname van een samenstel bestaande uit de meeste activa van MD, naar een daartoe nieuw opgerichte onderneming, MoryGlobal. |
|
(16) |
Op 29 januari 2014 heeft de minister van Economie en Financiën een besluit genomen waarbij aan MoryGlobal een lening van het FDES van 17,5 miljoen EUR ter beschikking werd gesteld, betaalbaar in een of meer tranches. |
|
(17) |
Op 30 januari 2014, in afwachting van de formalisering van de leningsovereenkomst tussen MoryGlobal en de staat, hebben de staat, vertegenwoordigd door het Comité interministériel de restructuration industrielle (hierna „CIRI” genoemd) en Arcole een memorandum van overeenstemming ondertekend: Arcole verbond zich er met name toe een totaalbedrag aan middelen van 17,5 miljoen EUR in te brengen, waarvan 10 miljoen EUR als kapitaalsverhoging en 7,5 miljoen EUR in de vorm van converteerbare obligaties (5). |
|
(18) |
Op 6 februari 2014 heeft de rechtbank van koophandel van Pontoise het plan van overdracht van MD ten gunste van Arcole vastgesteld. |
|
(19) |
Op 31 maart 2015 is MoryGlobal, ondanks de kapitaalinjectie en de lening van het FDES, in gerechtelijke vereffening verklaard door de rechtbank van koophandel van Bobigny. |
2.2. BESCHRIJVING VAN DE MAATREGELEN
2.2.1. De lening van het FDES van 17,5 miljoen EUR
|
(20) |
Bij overeenkomst van 11 februari 2014 heeft de staat aan MoryGlobal een lening van het FDES van 17,5 miljoen EUR toegestaan. Volgens de voorwaarden zelf van de lening was deze bestemd voor de financiering van de verwerving van een deel van de activiteiten van MD en de activiteit van MoryGlobal. |
|
(21) |
Het was de bedoeling dat de lening van het FDES zou worden vergoed tegen een vaste jaarlijkse rente gelijk aan 1 % per jaar. De tot de einddatum voor terugbetaling opgelopen rente moest jaarlijks worden berekend en vervolgens worden gekapitaliseerd en in fine betaald op de vervaldatum van de lening van het FDES. In afwijking van het voorgaande zou, indien de dividenden aan Arcole zouden zijn uitgekeerd, MoryGlobal op de datum van uitkering van die dividenden en binnen de grenzen van het bedrag van de uitgekeerde dividenden de op die datum opgelopen gekapitaliseerde vaste rente hebben moeten betalen. |
|
(22) |
Bij deze rente tegen vaste rentevoet kwam een rente tegen een variabele rentevoet gelijk aan het totale bedrag van de gedurende het boekjaar goedgekeurde en uitgekeerde dividenden, verminderd met het bedrag van de betaalde vaste vergoeding. |
|
(23) |
De totale rentevoet (vast + variabel) van de lening van het FDES mocht niet lager zijn dan de gemiddelde rentevoet van de interesten ter vergoeding van de lopende rekeningen van vennoten die door Arcole waren toegestaan. |
|
(24) |
De terugbetaling van de lening moest gebeuren in één enkele keer twintig jaar na de verjaardag van de laatste tranche van de lening, die op 24 april 2014 werd betaald. |
|
(25) |
De lening van het FDES was gegarandeerd door een verpanding van de hoogste rangorde en zonder gelijkgerechtigdheid van een rekening met financiële titels die 100 % van de titels van MoryGlobal bevatte. De verpande rekening moest gedurende de hele looptijd van de lening van het FDES ten minste 90 % van de verpande aandelen van MoryGlobal bevatten. |
|
(26) |
In geval van overdracht door Arcole van 100 % van haar aandelen in MoryGlobal zou MoryGlobal het totale uitstaande bedrag van de lening en alle op grond van de lening verschuldigde bedragen hebben moeten terugbetalen en aan de staat bij wijze van verbrekingskosten een bedrag hebben moeten betalen gelijk aan het bedrag van de prijs van de overdracht verminderd met de som van het door Arcole in alle vormen in MoryGlobal geïnvesteerde bedrag, de totale vergoeding van de tot op de datum van de overdracht betaalde participatielening en alle kosten in verband met de overdracht. In geval van gedeeltelijke overdracht van de titels had een deel van het aantal door Arcole overgedragen titels in verhouding tot het totale aantal titels van Arcole vóór overdracht van toepassing moeten zijn. |
|
(27) |
De totaliteit van de lening is in drie overschrijvingen op de volgende data en voor de volgende bedragen betaald: 3 miljoen EUR op 18 februari 2014; 7 miljoen EUR op 11 maart 2014 en 7,5 miljoen EUR op 24 april 2014. |
2.2.2. De sociale maatregelen
|
(28) |
Op 6 februari 2014, via een persbericht, (6) hebben de ministers van Productieherstel (redressement productif), Arbeid, Werkgelegenheid, Beroepsopleiding en Sociale Dialoog (du travail, de l'emploi, de la formation professionnelle et du dialogue social), alsmede de staatssecretaris voor Vervoer, Maritieme Zaken en Visserij (ministre délégué aux transports, à la mer et à la pêche) aangekondigd dat een begeleidingsplan voor de werknemers van MD zou worden opgezet. Het zou uiteenvallen als volgt:
|
|
(29) |
De totale kosten van deze sociale maatregelen en de precieze toekenningsvoorwaarden waren niet nader gepreciseerd. |
3. IN HET BESLUIT TOT INLEIDING VAN DE PROCEDURE OPGEWORPEN TWIJFELS
3.1. KWALIFICATIE VAN DE REGELING ALS STAATSSTEUN
|
(30) |
In haar besluit tot inleiding van de procedure had de Commissie vragen bij de aanwezigheid van een economisch voordeel, zowel wat de lening van het FDES als wat de sociale maatregelen ten gunste van de werknemers betreft. Al bij al was de Commissie, gezien de chronologie van de communicatie tussen Arcole en Frankrijk, van oordeel dat het mogelijk was dat de lening van het FDES was verleend en de sociale maatregelen waren genomen met name om sociale redenen van bescherming van de werkgelegenheid en productielocaties, die niet de redenen van een voorzichtig investeerder zijn. |
3.1.1. De lening van het FDES
|
(31) |
De Commissie merkte in de eerste plaats op dat de betrokkenheid en de herhaalde verklaringen van de overheid via verschillende persberichten het mogelijk hadden gemaakt het overnamebod van Arcole en dus MoryGlobal te bevoordelen. Zo steunde het oorspronkelijke bod van Arcole van 3 januari 2014 op 25 miljoen EUR aan externe financieringen door publiekrechtelijke rechtspersonen terwijl in het verbeterde bod van 28 januari 2014 de lening van het FDES van 17,5 miljoen EUR de deelname van deze andere potentiële investeerders leek te vervangen. Bijgevolg had de Commissie enerzijds vragen bij de redenen waarom zij zich hadden teruggetrokken en anderzijds bij de hypothese dat de lening van het FDES was toegekend als tegenprestatie voor de verbetering van de voorwaarden van het sociaal plan. |
|
(32) |
Bovendien merkte de Commissie op dat het erop leek dat Frankrijk het besluit om de lening toe te kennen had genomen alvorens kennis te nemen van het eindverslag van Eight Advisory waarin de resultaten werden gepresenteerd van simulaties van het rendement op investeringen (hierna „IRV” genoemd) met betrekking tot de inbreng van middelen van Arcole en de lening van het FDES, welk verslag pas op 26 januari 2014 werd afgerond. |
|
(33) |
Ten slotte had de Commissie ook vragen bij de voorwaarden van de lening van het FDES. Deze vertoont namelijk de kenmerken van zowel een lening indien de onderneming geen dividend uitkeert als een inbreng van eigen vermogen in het tegenovergestelde geval. |
|
(34) |
Indien de maatregel als een lening werd opgevat, achtte de Commissie de rentevoet van 1 % niet marktconform omdat ongeacht de gekozen methode (toepassing van de mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (7) (hierna „de Mededeling van 2008” genoemd) of de methode gebaseerd op de gegevens Bloomberg en Capital IQ) de Commissie tot de conclusie kwam dat de lening niet voldoende werd vergoed. Anderzijds leek het uitstellen van de betaling van de rente tot de vervaldatum van de lening de Commissie geen gebruikelijke marktpraktijk. De Commissie had ook vragen bij de schatting van de waarde van de zekerheden. |
|
(35) |
Indien de maatregel werd opgevat als een inbreng van eigen middelen leek volgens de Commissie de staat als investeerder op het stuk van risico zich niet in dezelfde situatie te bevinden als Arcole, ook al bedroeg de inbreng van Arcole evenveel als die van de staat. Voor de staat speelden immers niet dezelfde financiële prikkels als voor Arcole, die zijn investeringen vóór de gerechtelijke procedure door het voortzetten van de activiteit van de onderneming rendabel moest maken en zo een duur sociaal plan moest voorkomen. Bovendien was de Commissie van oordeel dat het samenvallen van deze investering met de investering van Arcole mogelijk was gemaakt door een tussenkomst van de „procureur” om een afwijking te vragen […] (*1). De Commissie merkte eveneens op dat de minimale opportuniteitskosten van een soortgelijke investering over twintig jaar rond de 7,4 % bedroegen. Ook leek de kans op een substantieel hogere vergoeding dan 1 % haar klein gezien de onzekerheid van de uitkering van dividenden. Overigens merkte de Commissie op dat het streven van de staat te beletten dat Arcole uit het kapitaal van MoryGlobal zou terugtreden niet het streven van een private investeerder lijkt te zijn. |
|
(36) |
Ten slotte, ongeacht de kwalificatie van de maatregel, vroeg de Commissie zich af of het ten aanzien van het beginsel van de private investeerder logisch was in de leningovereenkomst industriële milieubeloftes op te nemen. |
3.1.2. De sociale maatregelen
|
(37) |
Overigens merkte de Commissie op dat de wijzigingen van het sociaal plan op het stuk van een betere begeleiding van de ontslagen werknemers van MD die werden doorgevoerd vóór de indiening van het verbeterde bod voornamelijk door de staat via het opzetten van de in 2.2.2. beschreven sociale maatregelen voor zijn rekening leken te zijn genomen. Volgens de pers immers had de overnemer vastgehouden aan zijn voorstel van 7 000 EUR per werknemer als bovenwettelijke ontslagvergoeding en geweigerd deze te verhogen. Bijgevolg leek met deze maatregelen een voordeel aan MoryGlobal te zijn toegekend aangezien een deel van het sociaal plan door de staat en niet door MoryGlobal was gefinancierd. De Commissie was van oordeel dat weliswaar de economische continuïteit tussen MD en MoryGlobal bleek, maar dat doordat MD van haar verplichtingen jegens de werknemers werd bevrijd, de economische situatie van MoryGlobal was begunstigd. |
3.2. ONDERZOEK VAN DE VERENIGBAARHEID
|
(38) |
De Commissie had weliswaar geen twijfel over de kwalificatie van MD als onderneming in moeilijkheden, maar had vragen bij die van MoryGlobal, die op 23 januari 2014 werd opgericht. |
|
(39) |
Bovendien had Frankrijk, dat van oordeel was dat de maatregelen geen staatssteun vormden, geen verenigbaarheidsanalyse ingediend. De Commissie verzocht Frankrijk dus er een in te dienen. |
3.3. WAT BETREFT HET BEGINSEL VAN ECONOMISCHE CONTINUÏTEIT
|
(40) |
De Commissie memoreerde dat, volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de verplichting tot terugvordering van onverenigbare steun kan worden uitgebreid tot elke nieuwe onderneming waaraan de betrokken onderneming een gedeelte van haar activa heeft overgedragen, wanneer op basis van deze overdracht economische continuïteit tussen de beide ondernemingen kan worden geconstateerd (8). Volgens de Commissie bestonden er sterke aanwijzingen van economische continuïteit tussen MD en MoryGlobal overeenkomstig de reeks aanwijzingen in de rechtspraak van het Hof. Zo zou het kunnen dat MoryGlobal elke onverenigbare steun die MD heeft ontvangen moet terugbetalen |
4. OPMERKINGEN VAN FRANKRIJK OVER HET BESLUIT TOT INLEIDING VAN DE PROCEDURE
|
(41) |
Frankrijk heeft op 23 oktober 2014 zijn opmerkingen over het besluit tot inleiding van de procedure ingediend. |
|
(42) |
Allereerst betwist Frankrijk dat de belofte om de lening aan MoryGlobal toe te kennen en de desbetreffende persberichten het mogelijk hebben gemaakt MoryGlobal te bevoordelen door de voorkeur te geven aan het bod van Arcole die dankzij deze lening een verbeterd bod zou hebben kunnen indienen. |
4.1. KWALIFICATIE VAN DE REGELING ALS STAATSSTEUN
|
(43) |
Frankrijk is van oordeel dat het als een voorzichtig investeerder heeft gehandeld toen het het besluit nam de lening van het FDES aan MoryGlobal toe te kennen. Frankrijk onderstreept allereerst dat het onjuist is te stellen dat de investeringsbeslissing van de staat in geen enkel opzicht op substantiële economische en financiële analyse gebaseerd was omdat daarvoor niet op het eindverslag van Eight Advisory van 26 januari 2014 is gewacht. In dit verslag wordt immers grotendeels de inhoud overgenomen van de analyses die in een eerder stadium door Arcole en CIRI met betrekking tot de vooruitzichten voor mede-investeringen waren verricht. |
|
(44) |
Bovendien zouden door de Commissie niet de specifieke kenmerken van de lening van het FDES in aanmerking worden genomen. Frankrijk heeft immers via het financieel instrument van het FDES een participatielening aan MoryGlobal toegekend: alle elementen in verband met de lage vergoeding ingevolge de in aanmerking genomen vaste rentevoet moeten samen met de andere vergoedings- en vermogenswinstelementen worden geanalyseerd. Frankrijk is van oordeel dat de Commissie geen grond heeft om MoryGlobal op grond van de Mededeling van 2008 als een onderneming met CCC-rating te beschouwen. Immers, MoryGlobal is een onderneming zonder de schulden van MD, die is opgericht om een strategisch plan te implementeren dat na de collectieve procedure werd aangepast. Ook is Frankrijk van oordeel dat, in tegenstelling tot wat de Commissie stelt, de terugbetaling in fine de geschiktste modaliteit vormt voor een participatielening. Overigens verbaast Frankrijk zich erover dat de Commissie de kans op een rendement hoger dan 1 % laag inschat. Hierdoor lijkt aannemelijk te worden gemaakt dan geen voorzichtige investering zou kunnen worden gedaan door de meest levensvatbare en rendabele activa van MD over te nemen. Bovendien benadrukt Frankrijk dat het er niet naar streeft te beletten of te bestraffen dat Arcole uit het kapitaal van de onderneming uittreedt, maar ernaar streeft niet alleen achter te blijven als aandeelhouder als Arcole uittreedt, hetgeen in overeenstemming is met het beginsel van de voorzichtige investeerder. |
|
(45) |
Uiteindelijk is Frankrijk van oordeel dat de maatregel moet worden opgevat als een kapitaalinbreng pari passu met Arcole. |
|
(46) |
Wat ten slotte de vragen betreft die de Commissie heeft bij de logica ervan ten aanzien van het beginsel van de private investeerder om in de leningovereenkomst industriële milieubeloftes op te nemen, werpt Frankrijk de ontwerpmededeling van de Commissie betreffende het begrip staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU tegen (9): „Voor de toepassing van het criterium van de marktdeelnemer in een markteconomie dient alleen rekening te worden gehouden met de voordelen en verplichtingen die de staat heeft in zijn hoedanigheid van marktdeelnemer — en niet met die welke voortvloeien uit zijn hoedanigheid van overheid.”. |
|
(47) |
Bovendien is Frankrijk van oordeel dat de financiering door de staat van sociale maatregelen ten gunste van ontslagen werknemers geen staatssteun vormt. Deze maatregelen leveren immers geen steun aan de onderneming op voor zover zij geenszins in de plaats treden van enige verplichting van de onderneming ten opzichte van haar werknemers. |
4.2. ONDERZOEK VAN DE VERENIGBAARHEID
|
(48) |
Frankrijk is enerzijds van oordeel dat MoryGlobal in aanmerking kwam voor herstructureringssteun als economische opvolger van MD en anderzijds dat deze steun verenigbaar is met de communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (10) (hierna „de richtsnoeren van 2004” genoemd). Frankrijk voert aan dat de ten uitvoer gelegde maatregelen voor het herstel van de levensvatbaarheid van MD/MoryGlobal soortgelijke maatregelen zijn als zouden zijn genomen in het kader van een door de Commissie op basis van de richtsnoeren van 2004 aanvaard herstructureringsplan. Voorts zijn door de vermindering van de omvang van de activiteit van MD buitensporige concurrentievervalsingen beperkt kunnen worden gehouden. Ten slotte is de steun tot het minimum beperkt. |
5. OPMERKINGEN VAN DERDEN OVER HET BESLUIT TOT INLEIDING VAN DE PROCEDURE
|
(49) |
Geen enkele derde heeft opmerkingen gemaakt over het besluit tot inleiding van de procedure. |
6. BEOORDELING VAN DE STEUN
6.1. BEOORDELING VAN DE AANWEZIGHEID VAN STEUN IN DE ZIN VAN ARTIKEL 107, LID 1, VWEU
|
(50) |
Op grond van artikel 107, lid 1, VWEU „zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.”. |
|
(51) |
Op basis van deze bepaling veronderstelt de kwalificatie van een maatregel als staatssteun dat de volgende cumulatieve voorwaarden zijn vervuld, namelijk: i) dat de maatregel van de staat afkomstig is, ii) dat de maatregel selectief is, iii) dat de maatregel een economisch voordeel voor de begunstigde ervan oplevert en iv) dat de maatregel de concurrentie vervalst of dreigt te vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden. |
|
(52) |
De Commissie wenst te onderstrepen dat de twee soorten maatregelen, namelijk de lening van het FDES enerzijds en de sociale maatregelen anderzijds, in dit besluit alleen ter wille van de duidelijkheid van de analyse afzonderlijk worden behandeld. In de praktijk zijn de twee maatregelen tegelijkertijd vastgesteld en zijn zij onlosmakelijk verbonden in hun gemeenschappelijke doel te zorgen voor de voortzetting van de economische activiteit van MD onder behoud van zo veel mogelijk banen zoals verder in het besluit zal worden aangetoond. |
6.1.1. Aanwezigheid van staatsmiddelen en toerekenbaarheid
|
(53) |
De lening van het FDES is verleend bij besluit van de minister van Economie en Financiën waarvan de tenuitvoerlegging is toevertrouwd aan de directeur-generaal van de Schatkist. De desbetreffende middelen zijn afkomstig van een speciale rekening van de Schatkist en de terugbetalingen in hoofdsom en rente worden eveneens overgemaakt ten voordele van de begroting van de Franse staat. De lening wordt ondertekend, betaald en beheerd door de bankinstelling Natixis namens Frankrijk op basis van een overeenkomst tussen Natixis en Frankrijk. |
|
(54) |
De sociale maatregelen zullen volgens het perscommuniqué van 6 februari 2014 duidelijk door de overheid worden gefinancierd. |
|
(55) |
De Commissie concludeert bijgevolg dat de onderhavige maatregelen staatsmiddelen inhouden en aan de staat kunnen worden toegerekend. |
6.1.2. Selectiviteit
|
(56) |
Met betrekking tot de lening van het FDES constateert de Commissie dat deze is verleend ten gunste van de onderneming die begunstigde was van de overname van de activa van MD, MoryGlobal. Hoewel het FDES immers tot taak heeft leningen voor economische en sociale ontwikkeling toe te kennen onder de voorwaarden van de circulaire van 26 november 2004 betreffende het optreden van de staat bij de preventie en de behandeling van de moeilijkheden van de ondernemingen (11) die de werkwijze ervan regelt, wordt de toekenning van leningen door het FEDES steeds per geval onderzocht. De voorwaarde met betrekking tot de selectiviteit is dus vervuld. |
|
(57) |
Betreffende de sociale maatregelen ten gunste van de werknemers merkt de Commissie op dat deze in twee onderdelen uiteenvallen: een automatisch en een optioneel, naar eigen goeddunken van Frankrijk. |
|
(58) |
Automatische regeling. Frankrijk is van oordeel dat het CSP een gemeenrechtelijke regeling is, vastgesteld in het arbeidswetboek (code du Travail), die met name moet waarborgen dat de ontslagen werknemers hun inkomen nagenoeg behouden. Het CSP, ingesteld bij de wet van 28 juli 2011 (12), is bestemd voor werknemers van ondernemingen in surseance van betaling of gerechtelijke vereffening. De Commissie merkt op dat de werknemers van MD in aanmerking kwamen voor de prestaties uit hoofde van dit contract. Bijgevolg is zij van oordeel dat de in het kader van het CSP aan de ontslagen werknemers betaalde uitkeringen alsmede de gemobiliseerde bedragen van de fonds paritaires de sécurisation des parcours professionnels niet voldoen aan het criterium van selectiviteit en geen staatssteun vormen. |
|
(59) |
Discretionaire regeling. De analyse van de Commissie is anders wat betreft de prestaties van het tweede onderdeel, die verder gaan dan de wettelijke verplichtingen van het bedrijf en volledig door de staat worden gefinancierd. De prestaties van de regeling voor versterkte begeleiding en het overnemen door de staat gedurende twee jaar van het verschil in loon in geval van hertewerkstelling van een werknemer in een minder betalende baan zijn immers het resultaat van een besluit van de staat die zijn discretionaire bevoegdheid uitoefent en dat in casu op de begunstigde onderneming betrekking heeft; dit, zelfs al zijn de voorwaarden van de regeling voor degressieve tijdelijke uitkeringen vastgesteld in artikel R.322-6 van het arbeidswetboek en in het besluit van 22 januari 2014 dat is genomen ingevolge artikel R.5123 van het arbeidswetboek (13). |
|
(60) |
Concluderend is de Commissie van oordeel dat de maatregelen die enerzijds de lening van het FDES en anderzijds de sociale maatregelen op grond van de discretionaire regeling behelzen selectief zijn. De sociale maatregelen op grond van de automatische regeling zijn niet selectief. Zij vormen dus geen staatssteun en zullen bijgevolg in dit besluit niet nader worden bekeken. |
6.1.3. Aanwezigheid van een economisch voordeel
6.1.3.1. Analysekader
|
(61) |
Wanneer de financiële situatie van een onderneming als gevolg van de tegemoetkoming van de staat verbetert, bestaat er een economisch voordeel. Volgens vaste rechtspraak dient echter, om te beoordelen of een staatsmaatregel steun vormt in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, te worden vastgesteld of de begunstigde onderneming een economisch voordeel ontvangt dat zij onder normale marktvoorwaarden niet zou hebben verkregen (14). |
|
(62) |
De tegemoetkoming van een overheid levert immers niet noodzakelijk een voordeel voor de begunstigde ervan op en vormt daardoor geen steun als deze plaatsvindt in normale marktomstandigheden, dat wil zeggen als de overheid heeft gehandeld zoals een voorzichtige marktdeelnemer in een markteconomie in een vergelijkbare situatie gedaan zou hebben. In dit verband kan de aanwezigheid van gelijkaardige significante investeringen die tegelijk met de staatstegemoetkoming door andere private marktdeelnemers die vergelijkbare risico's nemen („pari passu”) worden gedaan een aanwijzing vormen dat de staat als een voorzichtige marktdeelnemer heeft gehandeld. Ten slotte moet worden onderzocht of de tegemoetkoming van de staat is gebaseerd op economische ramingen die vergelijkbaar zijn met die welke, in de onderhavige omstandigheden, een voorzichtige private marktdeelnemer in een markteconomie die zich in een situatie bevindt die zo veel als mogelijk verwant is aan die van de staat had laten maken alvorens de genoemde investering te doen, om de toekomstige winstgevendheid van een dergelijke investering te bepalen. |
6.1.3.2. Politieke context van de toekenning van publieke maatregelen
|
(63) |
Opgemerkt zij dat de betrokkenheid en de herhaalde verklaringen van de overheid tussen de datum van de inleiding van de procedure van surseance van betaling, 22 november 2013, en 6 februari 2014, datum van aanvaarding van de overname bij het vonnis van de rechtbank van koophandel van Pontoise, het mogelijk hebben gemaakt het overnamebod van Arcole en dus MoryGlobal uiteindelijk te bevoordelen, enerzijds en. Op 22 november 2013 hebben de minister van Productieherstel en de minister van Vervoer publiekelijk aangekondigd: „De komende periode moet worden aangegrepen om alle hypothesen te onderzoeken en de oplossingen te bekijken voor een voortzetting van de activiteit op levensvatbare wijze en onder behoud van een zo groot mogelijk aantal banen.” (15). Op 10 januari 2014 heeft de minister van Productieherstel verklaard dat Frankrijk een lening van 17,5 miljoen EUR zou toekennen om het bod van Arcole te beveiligen in ruil voor met name een verbetering van het sociaal plan (16). De minister heeft immers verklaringen afgelegd betreffende de sociale maatregelen bestemd voor de werknemers van MD en het volgende beloofd: „behoud van loon gedurende één jaar met het contrat de sécurisation professionnelle, de financiering van alle opleidingen met betrekking tot alle beroepsprojecten die zullen zijn gevalideerd en het gedeeltelijk ten laste nemen gedurende twee jaar van het loonverschil opdat er geen koopkrachtverlies geleden wordt.” (17). Ten slotte is op 29 januari 2014 de algemeen directeur van Arcole door de eerste minister ontboden om hem te verzekeren dat Arcole zich werkelijk zou vastleggen op het overnamebod op MD (18). |
6.1.3.3. Lening van het FDES
|
(64) |
Wat betreft het juridische karakter van de maatregel. Frankrijk is van oordeel dat de betrokken maatregel tweeledig is en zowel een lening (betaling van rente) als een kapitaalinbreng (mogelijke betaling van rente afhankelijk van dividenden) vormt. Frankrijk verduidelijkt dat als een keuze zou moeten worden gemaakt, de maatregel als een kapitaalinbreng zou moeten worden omschreven, hetgeen een vergelijking met de kapitaalinbreng van Arcole, eveneens voor een bedrag van 17,5 miljoen EUR, mogelijk zou maken. Frankrijk concludeert aldus dat de twee financieringen pari passu en zonder staatssteun hebben plaatsgevonden. |
|
(65) |
De tegemoetkomingen van het FDES vallen onder de regeling van de circulaire van de minister van Economie en Financiën van 26 november 2004 (19). Volgens die tekst kan het FDES alleen door middel van terugbetaalbare leningen aan de ondersteuning van ondernemingen in moeilijkheden bijdragen en kan het niet worden gebruikt om zeggenschap over de ondersteunde bedrijven te verkrijgen. Bovendien impliceert het feit dat een deel van de vergoeding van de lening is gekoppeld aan de betaling van dividenden aan de aandeelhouder Arcole geenszins dat het FDES zelf ook dividenden ontvangt: de lening van het FDES wordt voor een deel vergoed door variabele rente waarvan de betaling enkel in werking treedt door de uitkering van dividenden aan Arcole. Ten slotte bestaat er een duidelijke asymmetrie tussen de rechten van het FDES en Arcole. Ter illustratie, het FDES mag geen kennis hebben van en nog minder deelnemen aan de besluitvorming met betrekking tot de koers en de strategische richtsnoeren van MoryGlobal en zou evenmin profiteren van een eventuele stijging van de waarde van het kapitaal van MoryGlobal. |
|
(66) |
De Commissie is bijgevolg van oordeel dat de ondersteuningsmaatregel van het FDES als een lening en niet als een kapitaalinjectie moet worden beschouwd en, bij gebrek aan vergelijkbare vergoedingsvooruitzichten, niet kan worden geacht op voet van gelijkheid te staan met de kapitaalinbreng door Arcole. Bovendien en in ieder geval verschillen de inbreng van het FDES en die van Arcole nog duidelijker van elkaar wanneer men rekening houdt met de regeling voor versterkte begeleiding en de regeling voor degressieve tijdelijke uitkeringen die Frankrijk voor zijn rekening neemt. Vanuit financieel oogpunt staat het feit dat Frankrijk deze voor zijn rekening neemt namelijk gelijk met een niet-vergoede en niet-terugbetaalbare subsidie gecumuleerd met de lening van het FDES, zonder dat Arcole met een vanuit het oogpunt van de verwachte opbrengsten vergelijkbare financiële inspanning instemt. Frankrijk kon in het beste geval alleen hopen op vergoeding en terugbetaling van de lening, terwijl Arcole aandeelhouder van MoryGlobal zou blijven en rendement op zijn aandeel in het kapitaal kon verwachten. |
|
(67) |
Wat betreft de handelwijze van Frankrijk als voorzichtige marktdeelnemer. Uit tal van elementen blijkt dat Frankrijk niet als een voorzichtig marktdeelnemer heeft gehandeld. |
|
(68) |
Allereerst hebben, zoals reeds beschreven in punt 6.1.3.2, vertegenwoordigers van Frankrijk herhaaldelijk publiekelijk benadrukt dat Frankrijk zou bijdragen in de ondersteuning van de overname van MD en dit om „een zo groot mogelijk aantal banen te behouden”. Dergelijke intentieverklaringen lijken niet de uitdrukking te zijn van een handelwijze van een voorzichtig marktdeelnemer die een onderneming in moeilijkheden te hulp komt: in dat geval is een van de eerste maatregelen die gewoonlijk wordt genomen om de kosten te verminderen en de onderneming er weer bovenop te helpen de loonsom te verminderen. De overwegingen en doelstellingen van de overheid die zich vertalen in een vergroting van de loonsom kunnen tegen het belang van een voorzichtige private kredietgever indruisen voor zover zij de capaciteit van de kredietnemer om de geleende bedragen terug te betalen kunnen verminderen. |
|
(69) |
Ten slotte blijkt niet dat Frankrijk „economische ramingen heeft laten maken die vergelijkbaar zijn met die welke, in de onderhavige omstandigheden, een rationele private investeerder die zich in een situatie bevindt die zo veel als mogelijk verwant is aan die van de genoemde lidstaat had laten maken alvorens de genoemde investering te doen, om de toekomstige winstgevendheid van een dergelijke investering te bepalen.” (20). Ingevolge het besluit tot inleiding van de procedure heeft Frankrijk aangevoerd dat het eindverslag van Eight Advisory van 26 januari 2014 slechts een samenvatting was van de in december opgestelde tussentijdse verslagen. Ondanks de herhaalde verzoeken van de Commissie (21) heeft Frankrijk echter deze tussenverslagen niet verstrekt om de Commissie in staat te stellen de juistheid van die stelling na te gaan. Gelet op de haar ter beschikking staande elementen en met name de publieke verklaringen van de verschillende bevoegde ministers (22) is de Commissie derhalve van oordeel dat het toekenningsbesluit in beginsel en de voorwaarden van de lening van het FDES zijn vastgesteld vóór voltooiing van het verslag met de resultaten van de simulatie van het ROI met betrekking tot de middeleninbreng van Arcole en de lening van het FDES, en dat Frankrijk het besluit heeft genomen de lening toe te kennen alvorens kennis te nemen van de resultaten van dit verslag. „Economische ramingen die na toekenning van dit voordeel zijn gemaakt, de vaststelling achteraf dat de door de betrokken lidstaat gedane investering daadwerkelijk winstgevend is geweest, of naderhand aangevoerde rechtvaardigingen voor de keuze van de gevolgde handelwijze kunnen daarentegen niet volstaan als bewijs dat deze lidstaat vóór of tegelijk met de toekenning van het voordeel een dergelijke beslissing in zijn hoedanigheid van [voorzichtige private marktdeelnemer in een markteconomie] heeft genomen.” (23). |
|
(70) |
Bovendien toont het feit dat de lening van het FDES in de overwegingen van het vonnis van de rechtbank van koophandel van Pontoise uitdrukkelijk een garantie wordt genoemd dankzij welke de activiteit van de onderneming kan worden voortgezet en kan blijven voortbestaan aan dat deze lening voor MD in het kader van zijn surseance van betaling en bijgevolg voor MoryGlobal als opvolger van de activiteit van MD ingevolge de liquidatie van MD een voordeel heeft opgeleverd. |
|
(71) |
Ten slotte blijkt ook uit de milieuverplichtingen inzake vervanging van het wagenpark van MoryGlobal die in de lening van het FDES worden opgelegd dat Frankrijk niet als een voorzichtige marktdeelnemer, maar als overheid heeft gehandeld. Geen enkele voorzichtige marktdeelnemer zou immers de toekenning van een lening aan een onderneming in moeilijkheden louter uit milieu-overwegingen van een dure vernieuwing van het wagenpark van de betrokken onderneming afhankelijk hebben gesteld. Zonder precieze rechtvaardiging zou deze voorwaarde volkomen vreemd zijn aan het feit dat de kredietverlener rendement moet nastreven. Het opleggen van milieuvereisten inzake het wagenpark vertaalt zich immers in extra kosten die op de terugbetaalcapaciteit van de kredietnemer kunnen wegen. |
|
(72) |
Wat betreft het feit dat Frankrijk niet als voorzichtige marktdeelnemer handelt ten aanzien van de leningsvoorwaarden. Allereerst gaat de lening vergezeld van een zekerheid bestaande uit een verpanding van het kapitaal van MoryGlobal. Gezien de uiterst precaire situatie van MoryGlobal lijkt een dergelijke oplossing op zijn minst weinig betrouwbaar. Indien immers MoryGlobal in vereffening zou worden gesteld en aangezien de terugbetaling van de hoofdsom en de rente uiterlijk na 20 jaar moet plaatsvinden, zou het FDES het aanvankelijk geleende bedrag niet terugkrijgen. Anderzijds blijkt dat de waarde van de aandelen die in de onderneming worden gehouden des te lager is daar de aandelen illiquide zijn — zoals het geval is bij MoryGlobal. In geval van stagnatie of zelfs achteruitgang van de resultaten van MoryGlobal, zou dit ook een grote invloed hebben op de waarde van deze aandelen. Bijgevolg lijken de verleende zekerheden en de verwachte vergoeding laag en niet voldoende om het door Frankrijk genomen risico te compenseren. |
|
(73) |
Een lening met terugbetaling uiterlijk na 20 jaar houdt immers een aanzienlijk risico voor de kredietgever in. Overigens lijkt het uitstellen van de betaling van de rente tot de vervaldatum van de lening geen gebruikelijke praktijk, zeker niet voor een onderneming die uit een surseance van betaling komt en dus geen positief kredietverleden of een positieve rating heeft en zeker niet in een economische sector die moeilijkheden kent zoals beschreven in de punten 10 tot en met 12. Voor de kredietgever immers vermindert de waarde van de rente als de betaling ervan naar het einde van de looptijd van de lening wordt uitgesteld en kan deze lager worden dan de nominale rentevoet. In casu zou de lening, met een nominaal rendement van 1 %, bij een inflatie hoger dan dit percentage aan het einde van de looptijd een reëel negatief rendement hebben. Het beleid van de Europese Centrale Bank ter zake is echter gericht op een inflatie van dicht bij maar minder dan 2 % op lange termijn (24), terwijl het rendement op Franse staatsobligaties (met schatkistpapier gelijkgestelde obligaties) begin februari 2014 op 10 jaar en op 30 jaar respectievelijk 2,29 % en 3,27 % bedroeg. Bijgevolg lijkt het nominale vergoedingspercentage van de lening van 1 % in reële termen als negatief te kunnen worden beschouwd aangezien het aan het einde van de looptijd van 20 jaar waarschijnlijk lager zal zijn dan de inflatie. Deze vergoeding van de lening van het FDES was, voor een duidelijk risicovoller actief, lager dan de financieringskosten van de Franse staat op basis van staatsobligaties in dezelfde periode |
|
(74) |
Bovendien wordt de negatieve winstgevendheid van de lening groter wanneer men in de berekening de kosten meeneemt van de regeling voor versterkte begeleiding en de regeling voor degressieve tijdelijke uitkeringen die Frankrijk voor zijn rekening neemt. Blijkens de in punt 90 aangegeven bedragen konden die regelingen kosten van meer dan 10 miljoen EUR in nominale waarde voor de Franse staat opleveren (een bedrag van 4 000 EUR per toetredende werknemer en mogelijke toetreding van maximaal 2 732 werknemers). Ter illustratie, de netto contante waarde van het voorzienbare tijdschema van uitbetalingen en terugbetalingen van de lening van het FDES gedisconteerd tegen de rente van de constante looptijd van 20 jaar (TEC 20) van 2,90 % was weliswaar reeds negatief voor een bedrag van – 5,45 miljoen EUR, maar werd, wanneer de kosten van de regelingen werden meegerekend (25), negatief ten belope van – 14,62 miljoen euro (26). Een voorzichtige marktdeelnemer had dus niet met deze financieringen ingestemd. |
|
(75) |
Bovendien wordt bij de simulaties van de interne opbrengstvoet die Frankrijk heeft voorgelegd uitgegaan van de veronderstelling dat Arcole uit het kapitaal van MD zou terugtreden en verbrekingskosten aan de staat zou betalen, want anders zou de winstgevendheid veel lager zijn. Arcole kan echter besluiten in het kapitaal te blijven. In dat geval zou de rentabiliteit van de lening voor Frankrijk zich tot de uitbetaling van de rente beperken. Overigens zou in een dergelijke situatie Arcole het voordeel van de waardevermeerdering van haar deelneming of latente meerwaarden daarop verkrijgen waarop de staat van zijn kant niet kan rekenen. Opgemerkt zij in dit verband dat het streven van Frankrijk om de uittreding van Arcole uit het kapitaal van de onderneming te voorkomen of te bestraffen geenszins het streven is van een voorzichtige marktdeelnemer, die alleen gedreven wordt door overwegingen van rendabiliteit op langere of minder lange termijn. Wel valt het te verklaren uit het streven de continuïteit van een onderneming te waarborgen waarvoor Frankrijk Arcole te hulp is gekomen […]. |
|
(76) |
Bovendien lijkt de betaling van variabele rente uiterst hypothetisch aangezien MoryGlobal uit de liquidatie van MD is voortgekomen, welke onderneming zelf gedeeltelijk uit de liquidatie van Mory is ontstaan. Bovendien voorzagen de door Frankrijk gedane aannamen pas vanaf 2018, 2019 en 2020 in de betaling van dividenden, en dus van variabele rente, zonder dat daardoor de interne opbrengstvoet positief werd. In dit verband moet erop worden gewezen dat de leningsvoorwaarde op grond waarvan de totale rentevoet (vast + variabel) van de lening van het FDES niet lager mocht zijn dan de gemiddelde rentevoet van de interesten ter vergoeding van de lopende rekeningen van vennoten die door Arcole was toegestaan niet van die aard is dat hierdoor meer wordt gerechtvaardigd dat het voorzichtig was de lening toe te kennen, rekening houdend met het in hoge mate hypothetische karakter van de betaling van variabele rente. |
|
(77) |
Ten slotte wordt de door Frankrijk voorgelegde interne opbrengstvoet alleen op de lening van het FDES berekend en wordt geenszins rekening gehouden met het effect van de invoering van een regeling voor versterkte begeleiding en een regeling voor degressieve tijdelijke uitkeringen die Frankrijk voor zijn rekening neemt, waarover nochtans op hetzelfde moment als voor de lening van het FDES een besluit is genomen. Blijkens de in punt 90 gepresenteerde voorzienbare bedragen kon met name de eerste regeling de Franse staat nominaal meer kosten dan 10 miljoen EUR. Een voorzichtige marktdeelnemer in een markteconomie zou echter alle middelen die hij bij een investering mobiliseert in aanmerking nemen om het reële rendement ervan te schatten. In geval van Frankrijk zou de voorzichtige marktdeelnemer, om te schatten of de totale publieke financiering van de voortzetting van de activiteit van MD voldoende vooruitzichten op rendabiliteit bood, niet alleen de lening, maar ook de kosten van de regeling voor versterkte begeleiding en de regeling voor degressieve tijdelijke uitkeringen die Frankrijk voor zijn rekening neemt, in aanmerking hebben genomen. |
6.1.3.4. Sociale maatregelen — discretionaire regeling
|
(78) |
Wat betreft het discretionaire onderdeel van de sociale maatregelen die zowel de regeling voor versterkte begeleiding als de regeling voor degressieve tijdelijke uitkeringen omvatten, ontwikkelt Frankrijk twee argumenten om de aanwezigheid van een economische voordeel ten gunste van de begunstigde onderneming uit te sluiten. Allereerst onderstreept Frankrijk dat deze prestaties de bijdrage van MD aan het behoud van werkgelegenheid niet verminderen. Anderzijds voert Frankrijk aan dat deze prestaties uitsluitend ten voordele zijn van de ontslagen werknemers en daardoor niet tot een voordeel voor de onderneming leiden. |
|
(79) |
De Commissie onderschrijft deze analyse niet. |
|
(80) |
Enerzijds lijkt de garantie van de vaststelling van die maatregelen door de staat — ook al zijn zij bestemd om de werknemers te helpen — uiteindelijk aan MD en haar aandeelhouder Arcole in het kader van haar overnamebod ten goede te zijn gekomen door de sociale context van overname van de activiteit aanzienlijk te vereenvoudigen. De Commissie merkt in dit verband op dat het besluit van Frankrijk om de regeling voor versterkte begeleiding op te starten van 22 januari 2014 dateert en dat de indiening door Arcole van het verbeterde bod bij de rechtbank van koophandel van Pontoise korte tijd later plaatsvindt, namelijk op 28 januari 2014. De verbetering van het sociaal plan die werd verkregen vóór de indiening van het verbeterde bod heeft Frankrijk grotendeels voor zijn rekening genomen door de invoering van de hierboven beschreven sociale maatregelen. Volgens de pers immers heeft de overnemer vastgehouden aan zijn voorstel van 7 000 EUR per werknemer als bovenwettelijke ontslagvergoeding en geweigerd deze te verhogen. |
|
(81) |
De Commissie merkt anderzijds op dat het feit dat de tegemoetkoming facultatieve uitgaven van de begunstigde dekt, op zich niet uitsluit dat het om een steunmaatregel gaat. Immers, volgens haar vaste praktijk en zoals wordt gememoreerd in het arrest van het Hof van 26 september 1996 Kimberly Clark Sopalin (27): „worden tegemoetkomingen ten gunste van bepaalde ondernemingen of producties als steunmaatregelen aangemerkt, ook al dienen zij ertoe om door de betrokken onderneming vrijwillig voor haar rekening genomen kosten te financieren.”. In casu is de Commissie van oordeel dat het feit dat de sociale maatregelen van het „discretionaire onderdeel” de bijdrage van MD aan het plan voor het behoud van de werkgelegenheid niet verminderen niet volstaat om de afwezigheid van steun aan te tonen. Bovendien heeft het Gerecht in zijn arrest Corsica Ferries Frankrijk/Commissie (28) in punt 83 het volgende gepreciseerd: „Op grond van het beginsel van gelijke behandeling (zie punt 75 hierboven) staat de mogelijkheid om in geval van vereffening van een overheidsonderneming aanvullende ontslagvergoedingen te betalen ook open voor de lidstaten, ook al mogen de verplichtingen van de lidstaten a priori niet verder gaan dan wat volgens de wet en de overeenkomsten het strikte minimum is…” In punt 84 preciseert het Gerecht evenwel: „Het ten laste nemen van deze extra kosten op grond van rechtmatige overwegingen mag echter niet een uitsluitend sociaal of zelfs politiek doel dienen, omdat het daardoor buiten het in de punten 76 tot en met 82 hierboven geschetste kader van de toets van de particuliere investeerder zou vallen. Zonder enige economische rationaliteit, zij het op lange termijn, moet het ten laste nemen van kosten die verder gaan dan wat volgens de wet en de overeenkomsten strikt is verplicht, dus als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG worden beschouwd.”. In casu was MD geen publieke onderneming. Het feit dat Frankrijk de sociale maatregelen voor zijn rekening nam had dus geen andere rechtvaardiging dan als overheid te handelen. |
|
(82) |
Bijgevolg hebben de regeling voor versterkte begeleiding en de regeling voor degressieve tijdelijke uitkeringen een voordeel opgeleverd voor MD, omdat een deel van het sociaal plan, zelfs vrijblijvend voor de werkgever, door Frankrijk en niet door MD is gefinancierd, zonder dat MD de bedragen die Frankrijk voor zijn rekening heeft genomen dient terug te betalen. |
6.1.3.5. Conclusie betreffende de aanwezigheid van een economisch voordeel
|
(83) |
Bijgevolg toont het onderzoek van de lening van het FDES en van de regeling voor versterkte begeleiding en de regeling voor degressieve tijdelijke uitkeringen, afzonderlijk genomen of a fortiori samen genomen, aan dat Frankrijk niet als een voorzichtig marktdeelnemer heeft gehandeld en dat door de toekenning ervan aan MoryGlobal en aan MD een economisch voordeel is verleend dat zij onder marktvoorwaarden niet hadden kunnen verkrijgen. Daardoor zijn MoryGlobal en MD begunstigd in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. |
6.1.3.6. Kwantificering van het steunelement
|
(84) |
In de lening van het FDES. De Commissie is van oordeel dat de rentevoet van de lening van 1 % op zich niet marktconform is. Immers, omdat er geen elementen zijn die twijfel doen rijzen over de rentevoeten in de mededeling van 2008, is de Commissie van oordeel dat de rentevoet onder marktvoorwaarden aan de hand van deze mededeling kan worden geschat. |
|
(85) |
Er zij op gewezen dat Frankrijk op dit punt tegenstrijdige argumenten aanvoert. In zijn antwoord op het besluit tot inleiding van de procedure verklaart Frankrijk in antwoord op de twijfels van de Commissie over de vergoeding van de lening van het FDES dat „aan NewcoMD/MoryGlobal nooit een rating en nog minder een CCC-rating is toegekend, voor zover het gaat om een onderneming zonder schulden, die over eigen vermogen beschikt en is opgericht voor de tenuitvoerlegging van een na een collectieve procedure aangepast strategisch plan (sic).” (29). In zijn verenigbaarheidsanalyse stelt Frankrijk echter dat MoryGlobal de economische opvolger van MD is en in dat opzicht in staat was herstructureringssteun te ontvangen, en dit onder meer op de volgende grond: „NewcoMD is geen „nieuw opgerichte onderneming” in de zin van de richtsnoeren.” (30). |
|
(86) |
In casu constateert de Commissie dat MoryGlobal bij de toekenning van de lening van het FDES formeel een onderneming zonder de schulden van MD was die over eigen vermogen beschikte. Zo zou MoryGlobal in theorie geen moeilijkheden hebben moeten ondervinden om zich bij private marktdeelnemers te financieren. In de praktijk heeft MoryGlobal, omdat geen private marktdeelnemers bereid waren financiering te verlenen, zich tot Frankrijk en het FDES moeten wenden. In de ogen van de private marktdeelnemers was MoryGlobal weliswaar mogelijk een onderneming zonder de schulden van MD, maar niettemin de opvolger van MD, een onbetrouwbare onderneming die enkele jaren na de herstructureringen waaruit zij was ontstaan in vereffening gesteld was. Op basis van de informatie waarover de Commissie beschikt lijkt de economische situatie van MD het beste beschikbare vergelijkingspunt omdat MoryGlobal geen rating heeft. Aldus moet, in tegenstelling tot wat Frankrijk aanvoert, MoryGlobal geacht worden een CCC-rating hebben. |
|
(87) |
Overigens moeten de zekerheden, waarvan de waarde uitsluitend van het welslagen van het project voor de overname van de activiteit van MD, en niet van objectieve intrinsieke kenmerken van materiële goederen, voorraden, productie- of onroerende activa afhing, geacht worden van geringe waarde te zijn. |
|
(88) |
Aldus had bij toepassing van de Mededeling van 2008 een rente van 10,53 % (d.w.z. 0,53 % — basisrente van Frankrijk tussen januari en maart 2014 — vermeerderd met 1 000 basispunten, gezien de geringe waarde van de verleende zekerheden) in aanmerking moeten worden genomen. |
|
(89) |
De Commissie is van oordeel dat het bedrag van de steun gelijk is aan de som van de verschillen tussen i) 10,53 % (referentierente van Frankrijk + 1 000 basispunten) toegepast op de hoofdsom en ii) 1 % (rente van de lening van het FDES) toegepast op de hoofdsom, berekend voor de duur tijdens welke het bedrag ter beschikking is gesteld van MoryGlobal. Deze benaderingswijze om het economisch voordeel dat het renteverschil vertegenwoordigt te schatten moet op de rentebedragen worden toegepast. Het feit dat de leningovereenkomst in de betaling van variabele rente voorziet, doet geen twijfel rijzen over dit bedrag. Bij de simulaties waarop Frankrijk zich naar eigen zeggen heeft gebaseerd om het besluit tot toekenning van de lening te nemen, werd ervan uitgegaan dat vanaf 2018 dividend zou worden uitgekeerd en werd niet verder gekeken dan 2020. Bovendien getuigt het feit dat MoryGlobal uit de liquidatie van MD is voortgekomen, welke onderneming zelf gedeeltelijk uit de liquidatie van Mory is ontstaan, van het uiterst hypothetische karakter van de betaling van variabele rente aan Frankrijk. |
|
(90) |
Wat betreft de regeling voor versterkte begeleiding en de regeling voor degressieve tijdelijke uitkeringen. In het kader van de regeling voor versterkte begeleiding, ingesteld krachtens het besluit van 22 januari 2014, genomen voor de toepassing van artikel R.5123 van het arbeidswetboek, en de overeenkomst inzake de regeling voor versterkte collectieve begeleiding, gesloten tussen Frankrijk en de bewindvoerder (administrateur judiciaire) van MD, zal Frankrijk deelnemen voor een bedrag van 4 000 EUR per toetredend werknemer, met dien verstande dat het maximaal aantal werknemers die kunnen toetreden 2 732 bedraagt. Het steunelement komt dus overeen met de daadwerkelijke betalingen door Frankrijk in het kader van deze regeling. |
|
(91) |
In het kader van de regeling voor degressieve tijdelijke uitkeringen, ingesteld krachtens de artikelen R.5123-9 tot en met R.5123-11 van het arbeidswetboek en het besluit van 26 mei 2004 betreffende de overeenkomsten inzake degressieve tijdelijke uitkeringen (31) alsook het perscommuniqué van 6 februari 2014 (32) zal Frankrijk gedurende 2 jaar tot 300 EUR per maand aan werknemers van MD betalen die in een minder betalende baan zijn hertewerkgesteld. Het steunelement komt dus overeen met de daadwerkelijke betalingen door Frankrijk in het kader van deze regeling. |
6.1.4. Ongunstige beïnvloeding van de concurrentie en het handelsverkeer tussen de lidstaten
|
(92) |
De sociale maatregelen hebben MD begunstigd door deze onderneming van een deel van de bij het sociaal plan ingestelde verplichtingen te ontheffen. Indien MD niet was geliquideerd, zou dat haar concurrentiepositie ten opzichte van de andere marktdeelnemers op de markt voor koeriersvervoer versterkt hebben. |
|
(93) |
De lening van het FDES begunstigt MoryGlobal doordat zij de beschikking krijgt over extra middelen. Haar concurrentiepositie wordt daardoor immers sterker dan wanneer zij geen steun zou hebben ontvangen. De lening dreigt dus de concurrentie te vervalsen tussen de marktdeelnemers die actief zijn op het gebied van koeriersvervoer en bevrachting. |
|
(94) |
Overigens is de markt voor koeriersvervoer en bevrachting volledig opengesteld voor concurrentie en wordt hij gekenmerkt door belangrijk handelsverkeer tussen de lidstaten. De Commissie concludeert bijgevolg dat het voordeel dat de onderhavige maatregelen opleveren voor een onderneming die actief is op een markt die open staat voor concurrentie de concurrentie vervalst of dreigt te vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden. |
6.1.5. Conclusie ten aanzien van de aanwezigheid van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU
|
(95) |
De lening van het FDES alsook de regeling voor versterkte begeleiding en de regeling voor degressieve tijdelijke uitkeringen vormen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. |
6.2. BEOORDELING VAN DE VERENIGBAARHEID VAN DE STEUN MET DE INTERNE MARKT
|
(96) |
Het verbod op staatssteun zoals bedoeld in artikel 107, lid 1, VWEU, is absoluut noch onvoorwaardelijk. Met name vormen de leden 2 en 3 van artikel 107 VWEU rechtsgrondslagen die het mogelijk maken bepaalde steunmaatregelen als verenigbaar met de interne markt te beschouwen. |
|
(97) |
In casu is de Commissie van oordeel dat de steun is toegekend om de levensvatbaarheid op lange termijn van ondernemingen in moeilijkheden te herstellen. Bijgevolg dient te worden nagegaan of de onderhavige maatregelen als verenigbaar zouden kunnen worden beschouwd op basis van artikel 107, lid 3, VWEU. |
6.2.1. Toepasselijke rechtsgrondslag
|
(98) |
Punt 137 van de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (33) bepaalt: „De Commissie zal reddings- of herstructureringssteun die zonder haar toestemming — en dus in strijd met artikel 108, lid 3, van het Verdrag — is toegekend, op grond van deze richtsnoeren onderzoeken op zijn verenigbaarheid met de interne markt wanneer die steun geheel of gedeeltelijk na de bekendmaking van deze richtsnoeren in het Publicatieblad van de Europese Unie [op 31 juli 2014] is toegekend.”. Punt 138 bepaalt vervolgens: „In alle overige gevallen zal zij het onderzoek uitvoeren op basis van de op het tijdstip van de toekenning van de steun geldende richtsnoeren.”. |
|
(99) |
De onderhavige maatregelen zijn toegekend in februari 2014, hun verenigbaarheid moet worden nagegaan in het licht van de richtsnoeren van 2004. |
|
(100) |
In Italië tegen Commissie heeft het Hof geoordeeld: „[…] zij eraan herinnerd, dat de lidstaat die om een machtiging verzoekt om steun te verstrekken in afwijking van de verdragsregels, verplicht is met de Commissie samen te werken. Op grond van deze verplichting dient hij met name alle gegevens te verstrekken aan de hand waarvan deze instelling kan nagaan, of aan de voorwaarden voor de gevraagde afwijking is voldaan.” (34). De verenigbaarheid van de maatregelen moet dus ten aanzien van de door Frankrijk ingediende gegevens worden beoordeeld. |
6.2.2. Sociale maatregelen -discretionaire regeling
|
(101) |
Om voor reddings- en herstructureringssteun in aanmerking te komen moet de onderneming kunnen worden beschouwd als een onderneming in moeilijkheden volgens de definitie van punt 2.1 van de richtsnoeren van 2004. MD voldoet aan de voorwaarden om aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen. Immers, zoals reeds aangegeven in punt 2.1, is MD op 26 november 2013 door de rechtbank van koophandel van Pontoise in surseance van betaling gesteld. Zij kan dus worden aangemerkt als een onderneming in moeilijkheden in de zin van punt 10 van de richtsnoeren van 2004. |
|
(102) |
Volgens de punten 34 en 35 van de richtsnoeren van 2004 moet de toekenning van steun afhankelijk worden gesteld van de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan, dat voor alle individuele steunmaatregelen door de Commissie moet worden gevalideerd en dat het, op basis van realistische veronderstellingen, mogelijk moet maken de levensvatbaarheid op lange termijn van de onderneming te herstellen. |
|
(103) |
In casu constateert de Commissie dat bij haar geen herstructureringsplan is ingediend door Frankrijk. Het argument van Frankrijk dat een dergelijk herstructureringsplan, ten uitvoer gelegd op basis van een analyse van de Commissie, tot dezelfde oplossing zou hebben geleid gaat in geen geval op, omdat de Commissie niet in staat is gesteld deze analyse uit te voeren. Bijgevolg kan het criterium van herstel van de levensvatbaarheid op lange termijn niet vervuld zijn. |
|
(104) |
Voorts bepalen de punten 38 tot en met 42 van de richtsnoeren van 2004 dat door de begunstigde onderneming compenserende maatregelen moeten worden genomen. Deze maatregelen moeten worden vastgesteld op basis van een marktstudie die deel uitmaakt van het herstructureringsplan. Wanneer geen compenserende maatregelen worden genomen zal de steun als strijdig met het algemeen belang en bijgevolg als onverenigbaar met de interne markt worden beschouwd. |
|
(105) |
Frankrijk heeft in dit verband geen compenserende maatregelen van welke aard dan ook voorgesteld. Op dezelfde wijze als voor het herstructureringsplan gaat het argument van Frankrijk dat het vaststellen van maatregelen op basis van de analyse van de Commissie tot dezelfde oplossing zou hebben geleid in geen geval op, omdat de Commissie niet in staat is gesteld deze analyse uit te voeren. |
|
(106) |
De Commissie concludeert bijgevolg dat de staatssteun ten gunste van MD als gevolg van het feit dat Frankrijk de regeling voor versterkte begeleiding en de regeling voor degressieve tijdelijke uitkeringen voor zijn rekening heeft genomen in het licht van de richtsnoeren van 2004 niet als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), VWEU kan worden beschouwd. |
6.2.3. De lening van het FDES
|
(107) |
Allereerst zij eraan herinnerd dat Frankrijk noch een herstructureringsplan, noch compenserende maatregelen heeft ingediend die het mogelijk maken de verenigbaarheid van de aan MoryGlobal betaalde herstructureringssteun te verzekeren. De onderhavige steun kan derhalve niet op basis van de richtsnoeren van 2004 als verenigbaarheid met de interne markt worden beschouwd. |
|
(108) |
Bovendien en ten overvloede zij opgemerkt dat punt 12 van de richtsnoeren 2004 bepaalt: „Voor de toepassing van de onderhavige richtsnoeren komt een pas opgerichte onderneming niet voor reddings- of herstructureringssteun in aanmerking, zelfs niet wanneer haar aanvankelijke financiële positie onzeker is. Dit geldt bijvoorbeeld voor ondernemingen die uit de liquidatie van een bestaande onderneming ontstaan of die de activa van een dergelijke onderneming overnemen.”. In casu is MoryGlobal op 23 januari 2014 ingevolge de liquidatie van MD opgericht. In ieder geval had MoryGlobal dus geen staatssteun kunnen ontvangen in het kader van herstructureringssteun. Ook al zou voorts MoryGlobal als „economische opvolger” van MD niet als een nieuw opgerichte onderneming in de zin van de richtsnoeren van 2004 moeten worden beschouwd, dan nog zou de steun niet verenigbaar kunnen worden verklaard om de in punt 107 uiteengezette redenen. De Commissie constateert dat evenmin is aangetoond dat MoryGlobal voldeed aan de voorwaarden om te worden beschouwd als een onderneming in moeilijkheden, hetgeen nochtans essentieel is voor een toepassing van de richtsnoeren van 2004. Tot slot moet worden opgemerkt dat door Frankrijk tijdens de procedure geen enkele andere rechtsgrondslag voor verenigbaarheid is aangevoerd. |
|
(109) |
De Commissie concludeert bijgevolg dat de staatssteun ten gunste van MoryGlobal uit hoofde van de lening van het FDES in het licht van de richtsnoeren van 2004 niet als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), VWEU kan worden beschouwd. |
7. TERUGVORDERING EN ECONOMISCHE CONTINUÏTEIT
7.1. ANALYSEKADER
|
(110) |
Overeenkomstig de bepalingen van het VWEU en de vaste rechtspraak van het Hof is de Commissie bevoegd om te besluiten dat de betrokken lidstaat de steun moet intrekken of wijzigen wanneer de Commissie vaststelt dat deze onverenigbaar is met de interne markt. Eveneens volgens vaste rechtspraak van het Hof is de verplichting van een lidstaat om door de Commissie als onverenigbaar met de interne markt aangemerkte steun in te trekken, bedoeld om de vroegere toestand te herstellen (35). |
|
(111) |
In dit verband heeft het Hof bepaald dat dit doel wordt bereikt als de begunstigde de wegens onrechtmatige steun ontvangen bedragen heeft terugbetaald en daardoor het marktvoordeel verliest dat hij ten opzichte van zijn concurrenten genoot, en de toestand van vóór de steunverlening wordt hersteld (36). |
|
(112) |
Conform de rechtspraak bepaalt artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad (37) dat „indien negatieve beschikkingen worden gegeven in gevallen van onrechtmatige steun de Commissie beschikt dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen dient te nemen om de steun van de begunstigde terug te vorderen […]”. |
|
(113) |
Aangezien bijgevolg de onderhavige steun in strijd met artikel 108 VWEU ten uitvoer is gelegd en als onrechtmatige en onverenigbare steun moet worden beschouwd, moet deze worden teruggevorderd om de toestand te herstellen die op de markt bestond voordat de steun werd verleend. De terugvordering moet derhalve de periode bestrijken waarin de begunstigde een voordeel ontving, d.w.z. de periode tussen het tijdstip waarop de steun aan de begunstigde ter beschikking is gesteld en de daadwerkelijke terugvordering ervan. De terug te vorderen bedragen omvatten de tot aan de daadwerkelijke terugbetaling verschuldigde rente. Volgens de rechtspraak moet de terugvorderingsrente beginnen te lopen vanaf de datum van daadwerkelijke beschikbaarstelling van de steun (38). |
|
(114) |
Frankrijk zou dus van MoryGlobal de onverenigbare steun die wordt gevormd door de lening van het FDES en bij MD de onverenigbare steun die wordt gevormd door de regeling voor versterkte begeleiding en de regeling voor degressieve tijdelijke uitkeringen moeten terugvorderen. |
7.2. TERUGVORDERING VAN DE ONVERENIGBARE STEUN VAN MORYGLOBAL
|
(115) |
Tegen MoryGlobal loopt momenteel een procedure van gerechtelijke vereffening. Volgens vaste rechtspraak zijn de insolventie van de begunstigde en zijn onvermogen om de steun terug te betalen geen geldige reden om hem van de verplichting tot terugbetaling te ontheffen (39). In dat geval kunnen het herstel van de toestand van vóór de steunverlening en de opheffing van de concurrentievervalsing in beginsel worden verkregen door inschrijving van de schuldvordering die ontstaan is uit de terugbetaling van de steun in het register van schuldvorderingen in het kader van de procedure van gerechtelijke vereffening. Als de lidstaat de steun niet in zijn totaliteit terugbetaald kan krijgen, voldoet de inschrijving van de schuldvordering aan de terugvorderingsverplichting voor zover de procedure tot de daadwerkelijke liquidatie van de begunstigde, dat wil zeggen tot de stopzetting van zijn activiteiten leidt (40). |
|
(116) |
In dit verband heeft Frankrijk op 31 maart 2015 aan de door de rechtbank aangewezen gerechtelijke vereffenaars een verklaring van schuldvordering op MoryGlobal gezonden voor een bedrag van 17 500 000 EUR in hoofdsom en 155 916,66 EUR aan verschuldigde rente betreffende de lening van FDES. Deze rente wordt echter berekend over de werkelijke looptijd van de lening, tegen de in het contract vermelde rentevoet. De inschrijving van deze schuldvorderingen stemt overeen met de normale verplichtingen van een schuldeiser in het kader van een gerechtelijke vereffening en houdt geen verband met zijn verplichtingen in het kader van de terugvordering van de steun. Met het oog op de terugvordering van de steunbedragen zoals omschreven in dit besluit moet Frankrijk aan de in het kader van de procedure van gerechtelijke vereffening in te schrijven schuldvorderingen de terugvordering van de met de lening van het FDES verband houdende steun toevoegen. Deze steun wordt berekend als het verschil tussen de toegepaste rente en een rente van 10,53 % voor de reeds verstreken termijnen, en dit tot het tijdstip waarop in het kader van een procedure van gerechtelijke vereffening krachtens het Franse recht geen rente meer loopt. Deze bedragen moeten worden vermeerderd met de terugvorderingsrente voor de periode vanaf de terbeschikkingstelling van de steun tot aan het moment van de daadwerkelijke terugbetaling of, in het onderhavige geval, totdat krachtens de wettelijke bepalingen die gelden voor de procedure van gerechtelijke vereffening geen rente meer loopt. |
7.3. TERUGVORDERING VAN DE ONVERENIGBARE STEUN VAN MD — ECONOMISCHE CONTINUÏTEIT
|
(117) |
De regeling voor versterkte begeleiding en de regeling voor degressieve tijdelijke uitkeringen zijn MD ten goede gekomen. MD werd echter geliquideerd en haar activa werden bij vonnis van de rechtbank van koophandel van Pontoise van 6 februari 2014 aan Arcole overgedragen, die ze binnen MoryGlobal heeft geconsolideerd. |
|
(118) |
Volgens de rechtspraak kan de verplichting tot terugvordering worden uitgebreid tot een nieuwe onderneming waaraan de begunstigde van de steun een gedeelte van haar activa heeft overgedragen, wanneer op basis van deze overdracht economische continuïteit tussen de beide ondernemingen kan worden geconstateerd (41). Het mag namelijk niet worden uitgesloten dat de verplichting tot terugvordering wordt uitgebreid tot een andere entiteit, voor zover vaststaat dat deze entiteit het daadwerkelijke genot heeft van de betrokken steun als gevolg van economische continuïteit tussen de twee entiteiten. Als dit het geval zou zijn, zouden de overnemers van de activiteiten van de begunstigden vervolgens ook de steun moeten terugbetalen die onverenigbaar geacht wordt met de interne markt. |
|
(119) |
In casu moet dus worden onderzocht of de overnemer van de activiteiten van MD, namelijk MoryGlobal, kan worden beschouwd als de economische opvolger van MD, en derhalve geacht kan worden de terugbetaling verschuldigd te zijn van de met de interne markt onverenigbare steun die MD heeft ontvangen. |
|
(120) |
Krachtens het arrest van het Hof in de zaak Italië en SIM2 Multimedia/Commissie, (42) waarop de Commissie haar besluiten Olympic Airlines, Alitalia en Sernam heeft gebaseerd, (43) steunt de analyse van de economische continuïteit tussen marktdeelnemers op een reeks aanwijzingen. De rechtspraak somt de volgende factoren op die in aanmerking genomen kunnen worden: i) de omvang van de overgedragen activa, ii) de prijs waartegen deze activa worden overgedragen, iii) de identiteit van de overnemers, iv) het tijdstip waarop de overname plaatsvindt en v) de economische rechtvaardiging van de overname. Deze reeks aanwijzingen is door het Hof van Justitie bevestigd in zijn arrest Ryanair/Commissie (44) van 28 maart 2012, dat het besluit van de Commissie in de zaak Alitalia heeft bekrachtigd. |
|
(121) |
In het onderhavige geval heeft Arcole de totaliteit van de materiële en immateriële activa van MD overgenomen en deze binnen haar dochteronderneming MoryGlobal geconsolideerd. Bovendien is bijna de helft van de arbeidsplaatsen van MD aan MoryGlobal overgedragen. In dat opzicht moet worden onderstreept dat in het vonnis van de rechtbank van koophandel van Pontoise het feit vermeld wordt dat in het bod van Arcole de overdracht gevraagd werd ten gunste van haar van de activa van MD noodzakelijk voor de instandhouding van een belangrijk deel van haar activiteit op het gebied van koeriersvervoer, logistiek en bevrachting. |
|
(122) |
Bovendien is de prijs waartegen die activa zijn verworven vastgesteld door de rechtbank van koophandel van Pontoise in het kader van de procedure van surseance van betaling met betrekking tot MD. In zijn vonnis licht de rechtbank van koophandel toe: „in casu staat vast dat alleen het bod van Arcole Industries met vervangingsbeding op goede gronden in aanmerking is kunnen worden genomen en onderzocht.”. De prijs waartegen de overdracht heeft plaatsgevonden is dus niet uit de confrontatie van verschillende concurrerende biedingen voortgekomen. De prijs waartegen Arcole de activa van MD heeft verworven kan dus niet geacht worden uit een markttransactie voort te komen. |
|
(123) |
Bovendien hebben MD en MoryGlobal dezelfde meerderheidsaandeelhouder, Arcole. Arcole heeft overigens de activa van MD ingevolge de liquidatie ervan slechts kunnen overnemen dankzij een uitzonderlijke afwijking gevorderd door de procureur van de Republiek […]. |
|
(124) |
Ten slotte heeft MoryGlobal de activiteiten van MD op het gebied van koeriersvervoer, bevrachting en logistiek voortgezet zoals duidelijk is aangegeven door Arcole bij de overname van MD. In dat opzicht zij opgemerkt dat een van de overwegingen van de rechtbank luidde: „Overwegende dat door de overname de activiteit van de onderneming hoogstwaarschijnlijk zal kunnen worden voortgezet en blijven voortbestaan gezien de voorgelegde garanties.”. Bovendien heeft MoryGlobal alle handelsnamen, het recht zichzelf onbeperkt opvolger te noemen van MD in Frankrijk en in het buitenland, alsmede alle merken overgenomen. |
|
(125) |
Gezien de omvang van de overgedragen activa, de prijs waartegen deze activa zijn overgedragen, de identiteit van de overnemers, en de economische rechtvaardiging van de overname, concludeert de Commissie bijgevolg dat er sprake is van economische continuïteit tussen MD en MoryGlobal. |
|
(126) |
Bijgevolg moet de terugvordering van het steunbedrag in het kader van de regeling voor versterkte begeleiding en de regeling voor degressieve tijdelijke uitkeringen tot MoryGlobal worden uitgebreid. De terugvordering moet aldus worden opgenomen in het register van schuldvorderingen in het kader van de procedure van gerechtelijke vereffening met betrekking tot MoryGlobal. |
8. CONCLUSIES
|
(127) |
De Commissie stelt vast dat Frankrijk, door een lening van het FDES aan MoryGlobal toe te kennen en door in de plaats van MD de regeling voor versterkte begeleiding en de regeling voor degressieve tijdelijke uitkeringen voor zijn rekening te nemen, onrechtmatig staatssteun ten uitvoer heeft gelegd in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU. Frankrijk moet dus het bedrag van die steun, vermeerderd met rente, terugvorderen van MoryGlobal of, als de totale terugbetaling niet daadwerkelijk is vanwege de tegen die onderneming lopende procedure van gerechtelijke vereffening, de daadwerkelijke liquidatie van MoryGlobal zeker te stellen. |
|
(128) |
De Commissie stelt vast dat de door Frankrijk op grond van het contrat de sécurisation professionnelle aan de ontslagen werknemers van MD toegekende steun geen staatssteun vormt op grond van artikel 107, lid 1, VWEU, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. De staatssteun uit hoofde van de lening van het Fonds de développement économique et social (FDES), verleend aan MoryGlobal op 11 februari 2014, voor zover de toegepaste rentevoer lager is dan de rentevoet die in dit besluit is berekend op basis van de mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld, te weten 10,53 %, door de Franse Republiek onrechtmatig toegekend ten gunste van MoryGlobal, in strijd met artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, is onverenigbaar met de interne markt.
2. De staatssteun uit hoofde van de regeling voor versterkte begeleiding, ingesteld krachtens het besluit van 22 januari 2014, genomen voor de toepassing van artikel R.5123 van het arbeidswetboek en de overeenkomst inzake de regeling voor versterkte collectieve begeleiding, gesloten tussen de Franse Republiek en de bewindvoerder van Mory-Ducros SAS, door de Franse Republiek onrechtmatig toegekend ten gunste van Mory-Ducros SAS, in strijd met artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, is onverenigbaar met de interne markt.
3. De staatssteun uit hoofde van de regeling voor degressieve tijdelijke uitkeringen, ingesteld krachtens de artikelen R.123-9 tot en met R.5123-11 van het arbeidswetboek en het besluit van 26 mei 2004 betreffende de overeenkomsten inzake degressieve tijdelijke uitkeringen, door de Franse Republiek onrechtmatig toegekend ten gunste van Mory-Ducros SAS, in strijd met artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, is onverenigbaar met de interne markt.
Artikel 2
De door de Franse Republiek in het kader van het contrat de sécurisation professionnelle ten gunste van de ontslagen werknemers van Mory-Ducros SAS genomen sociale maatregelen vormen geen steun in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Artikel 3
1. De Franse Republiek dient de in artikel 1 bedoelde steun terug te vorderen van MoryGlobal, in eigen naam en als economische opvolger van Mory-Ducros SAS.
2. De terug te vorderen bedragen omvatten rente vanaf de datum waarop zij aan de begunstigde ter beschikking zijn gesteld, tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan.
3. De rente wordt op samengestelde grondslag berekend overeenkomstig hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie (45).
Artikel 4
1. De terugvordering van de in artikel 1 bedoelde steun geschiedt onverwijld en daadwerkelijk.
2. De Franse Republiek ziet erop toe dat dit besluit binnen vier maanden volgend op de datum van kennisgeving ervan ten uitvoer wordt gelegd.
Artikel 5
1. De Franse Republiek verstrekt de Commissie binnen twee maanden volgend op de kennisgeving van dit besluit de volgende informatie:
|
a) |
het totale van de begunstigde terug te vorderen bedrag (hoofdsom en rente); |
|
b) |
een gedetailleerde beschrijving van de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen; |
|
c) |
documenten waaruit blijkt dat de begunstigde is aangemaand om de steun terug te betalen. |
2. De Franse Republiek houdt, totdat de in artikel 1 bedoelde steun volledig is teruggevorderd, de Commissie op de hoogte van de voortgang van de ter uitvoering van dit besluit genomen nationale maatregelen. De Franse Republiek verstrekt, op eenvoudig verzoek van de Commissie, onverwijld alle informatie over de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen. De Franse Republiek verstrekt eveneens gedetailleerde informatie over de reeds van de begunstigde teruggevorderde steunbedragen en de terugvorderingsrente.
Artikel 6
Dit besluit is gericht tot de Franse Republiek.
Gedaan te Brussel, 6 november 2015.
Voor de Commissie
Margrethe VESTAGER
Lid van de Commissie
(1) PB C 24 van 23.1.2015, blz. 32.
(2) De naam van de onderneming, aanvankelijk Newco MD, veranderde op 14 februari 2014 in MoryGlobal. Duidelijkheidshalve zal in dit besluit alleen de naam MoryGlobal worden gebruikt.
(3) Zie voetnoot 1.
(4) Arrest van het Hof van Justitie van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C-33/14 P, ECLI:EU:C:2015:609, met name de punten 2 tot en met 15.
(5) Dat memorandum voorzag ook in een financiering van de overname van MD door middel van factoring ten belope van 15 miljoen EUR.
(6) http://www.developpement-durable.gouv.fr/IMG/pdf/CP_-_MORY_DUCROS_AM_MS_et_FC_-_06-02-2014.pdf
(7) PB C 14 van 19.1.2008, blz. 6.
(*1) Vertrouwelijke informatie
(8) Arrest van het Gerecht van 28 maart 2012, Ryanair/Commissie, T-123/09, ECLI:EU:T:2012:164, punt 155.
(9) Ontwerpmededeling betreffende het begrip staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, punt 80, beschikbaar op: http://ec.europa.eu/competition/consultations/2014_state_aid_notion/index_en.html
(10) PB C 244 van 1.10.2004, blz. 2.
(11) Journal Officiel de la République française nr. 279 van 1.12.2004, blz. 20468.
(12) Loi nr. 2011-893 van 28 juli 2011 pour le développement de l'alternance et la sécurisation des parcours professionnels, Journal officiel de la République française nr. 174 van 29.7.2011, blz.12914.
(13) Journal officiel de la République française nr. 0024 van 29.1.2014, blz.1681.
(14) Arrest van het Hof van Justitie van 29 juni 1999, DMT, C-256/97, ECLI:EU:C:1999:332, punt 22.
(15) Direct matin.fr van 22 november 2013: „ MD: Montebourg et Cuvillier se saisissent du dossier ”, http://www.directmatin.fr/france/2013-11-22/mory-ducros-montebourg-et-cuvillier-se-saisissent-du-dossier-616172
(16) Les Echos van 10 januari 2014: „ Mory Ducros: l'État va soutenir l'offre d'Arcole, annonce Montebourg ”, http://www.lesechos.fr/10/01/2014/lesechos.fr/0203235311692_MD---l-État-va-soutenir-l-offre-d-arcole--annonce-montebourg.htm
(17) Libération van 12 januari 2014: „ Montebourg au secours de Mory Ducros ”, http://www.liberation.fr/economie/2014/01/12/montebourg-au-secours-de-MD_972338
(18) Nord Eclair 29 januari 2014: „ Mory Ducros: le patron d'Arcole Industries convoqué à Matignon (Montebourg) ”, http://www.nordeclair.fr/france-monde/MD-le-patron-d-arcole-industries-convoque-a-ia0b0n353355
(19) Zie voetnoot 11.
(20) Arrest van het Hof van Justitie (Grote kamer) van 5 juni 2012, Commissie/EDF, C-124/10 P, ECLI:EU:C:2012:318, punt 84.
(21) Verzoeken om informatie van de Commissie aan Frankrijk van 2 december 2014 en 16 juli 2015
(22) Zie de voetnoten 15 tot en met 18.
(23) Arrest Commissie/EDF, reeds aangehaald in voetnoot 20, punt 85.
(24) https://www.ecb.europa.eu/press/pressconf/2013/html/is130502.en.html
(25) Kosten van 10 miljoen EUR waarvan men eenvoudigheidshalve schat dat deze integraal zijn betaald in 2016 (N + 3). Deze vereenvoudiging, net als het gebruik van de rente van de constante looptijd van 20 jaar als disconteringspercentage, maken deel uit van een prudente en conservatieve aanpak.
(26) Deze bedragen worden berekend door discontering van de kapitaliseerbare rente (1 %/jaar) die op de vervaldag betaalbaar is (N + 20) en de hoofdsom; het totaal wordt van de som van de hoofdsom van 17,5 miljoen en de gedisconteerde kosten van de regelingen afgetrokken. De gebruikte disconteringsvoet is de TEC 20 van 3 februari 2014. Deze disconteringsvoet wordt verkregen door lineaire interpolatie van de actuariële rendementen van de twee schatkistwaarden waarvan de looptijd de looptijd van „n jaar” (in casu 20 jaar) het dichtst benadert. https://www.banque-france.fr/economie-et-statistiques/changes-et-taux/les-indices-obligataires.html
(27) Arrest van het Hof van Justitie van 26 september 1996, Frankrijk/Commissie, C-241/94, ECLI:EU:C:1996:353, punt 30.
(28) Arrest van het Gerecht van 11 september 2012, Corsica Ferries France/Commissie, T-565/08, ECLI:EU:T:2012:415.
(29) Antwoord van Frankrijk van 23 oktober 2014, blz. 13.
(30) Antwoord van Frankrijk van 23 oktober 2014, blz. 19.
(31) Journal Officiel de la République française nr. 135 van 12.6.2004, blz 10466.
(32) Zie voetnoot 6.
(33) PB C 249 van 31.7.2014, blz. 1.
(34) Arrest van het Hof van Justitie van 28 april 1993, Italië/Commissie, C-364/90, ECLI:EU:C:1993:157, punt 20.
(35) Arrest van het Hof van Justitie van 14 september 1994, Spanje/Commissie, C-278/92, C-279/92 en C-280/92, ECLI:EU:C:1994:325, punt 75.
(36) Arrest van het Hof van Justitie van 17 juni 1999, België/Commissie, C-75/97, ECLI:EU:C:1999:311, punten 64 en 65.
(37) Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1).
(38) Arrest van het Gerecht van 30 januari 2002, Keller et Keller Meccanica/Commissie, T-35/99, ECLI:EU:T:2002:19, punten 106 tot en met 109.
(39) Arrest van het Hof van Justitie van 29 april 2004, Duitsland/Commissie, C-277/00, ECLI:EU:C:2004:238, punt 85; Arrest van het Hof van Justitie van 15 januari 1986, Commissie/België, C-52/84, ECLI:EU:C:1986:3, punt 14; Arrest van het Hof van Justitie van 21 maart 1990, België/Commissie, C-142/87, ECLI:EU:C:1990:125, punten 60-62.
(40) Arrest van het Hof van Justitie van 11 december 2012, Commissie/Spanje, C-610/10, ECLI:EU:C:2012:781, punt 104.
(41) Arrest van het Gerecht van 28 maart 2012, Ryanair/Commissie, T-123/09, ECLI:EU:T:2012:164, punt 155.
(42) Arrest van het Hof van Justitie van 8 mei 2003, Italië en SIM 2 Multimedia/Commissie, C-328/99 en C-399/00, ECLI:EU:C:2003:252.
(43) Besluit van de Commissie van 17 september 2008, steunmaatregelen N 321/08, N 322/08 en N 323/08 — Griekenland — Olumpiakés Aerogrammés/Olumpiaké Aeroporia Uperesies; Besluit van de Commissie van 12 november 2008, steunmaatregel N 510/08 — Italië — Vendita dei beni della compagnia aerea Alitalia; Besluit van de Commissie van 4 april 2012, SA. 34547 — Frankrijk — Reprise des actifs du groupe Sernam dans le cadre de son redressement judiciaire.
(44) Arrest Ryanair Ltd/Commissie, reeds aangehaald in voetnoot 41.
(45) Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1).