Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32006D0945

2006/945/EG: Beschikking van de Commissie van 21 september 2005 inzake de toepassing van steunregeling nr. 192/1997 door Italië — Autonome provincie Bolzano (Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 2723) Voor de EER relevante tekst.

PB L 383 van 28.12.2006, pp. 1–15 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2006/945/oj

28.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 383/1


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 21 september 2005

inzake de toepassing van steunregeling N 192/1997 door Italië — Autonome provincie Bolzano

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 2723)

(Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2006/945/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name op artikel 62, lid 1, onder a),

Gelet op besluit C(2003)517 def (1), waarin de Commissie besloot de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag ten aanzien van steunmaatregel C18/2003 (ex NN01/2003) in te leiden,

Na de belanghebbenden overeenkomstig voornoemd artikel in de gelegenheid te hebben gesteld hun opmerkingen kenbaar te maken,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   PROCEDURE

(1)

Bij schrijven dat op 11 februari 2002 (CAB(02) A/410) werd geregistreerd, werd een klacht ontvangen tegen twee provinciale wetten van de autonome provincie Bolzano, te weten wet nr. 4 van 13 februari 1997, titel II en III, en wet nr. 9 van 15 april 1991.

(2)

Bij brieven D/50813 van 25 februari 2002 en D/53149 van 18 juni 2002 werd om inlichtingen verzocht. De Italiaanse autoriteiten hebben hierop geantwoord bij brieven A/32982 van 22 april 2002 en A/36773 van 18 september 2002. De tekst van de nieuwe toepassingscriteria voor wet nr. 4/97, die bij besluiten nr. 4732 van 11 december 2000 en nr. 4607 van 17 december 2001 van de regionale regering werden goedgekeurd, werd als bijlage bij de tweede brief meegezonden.

(3)

Bij schrijven SG(2003)D/228597 van 21 februari 2003 stelde de Commissie de Italiaanse autoriteiten in kennis van haar besluit om de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden ten aanzien van de steunmaatregel.

(4)

Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (2) bekendgemaakt. De Commissie heeft belanghebbenden verzocht hun opmerkingen over de betrokken steunmaatregelen mee te delen.

(5)

De Commissie heeft geen opmerkingen van andere belanghebbenden ontvangen.

(6)

Op 9 april en 5 augustus 2003 zijn twee bijeenkomsten tussen de Italiaanse autoriteiten en de diensten van de Commissie te Brussel gehouden.

(7)

Verscheidene ontwerpantwoorden tezamen met teksten van nieuwe criteria inzake de toepassing van de regeling zijn op informele wijze aan de Commissie voorgelegd. Hierover heeft een uitwisseling van e-mails plaatsgevonden. Op 22 oktober 2003 en 27 februari 2004 is Italië verzocht haar opmerkingen formeel toe te zenden.

(8)

Bij brief nr. 8000 van 22 juni 2004, die op 25 juni 2004 onder nummer A/34747 werd geregistreerd, heeft Italië haar opmerkingen aan de Commissie gezonden.

(9)

Ten vervolge op een bijeenkomst op 3 maart 2005 verzocht de Commissie de Italiaanse autoriteiten bij brief D/52114 van 18 maart 2005 om nadere inlichtingen en toezeggingen; deze werden bij brief A/34426 van 2 juni 2005 verstrekt.

II.   GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN DE UIT BESLUIT NR. 4607/2001 VOORTVLOEIENDE STEUN

(10)

Volgens de klager zou middels voormelde wetten investeringssteun in de vorm van subsidies of goedkope leningen, met een maximumintensiteit van 40 %, zijn toegekend aan ondernemingen in de Provincie Bolzano, ook al kwam deze regio niet in aanmerking voor de afwijking als bedoeld in artikel 87, lid 3, onder a) en c), van het Verdrag.

(11)

De volgende wetten van de Provincie Bolzano waarop de klacht betrekking heeft, zijn door de Commissie goedgekeurd:

(a)

provinciale wet nr. 4 van 13 februari 1997 werd geregistreerd als steunmaatregel nr. N192/97 en goedgekeurd bij schrijven SG(97) D/10781 van 19 december 1997 (3). In deze wet zijn verscheidene maatregelen vastgelegd, met name steun voor bedrijfsinvesteringen (hoofdstuk II); steun voor investeringen ten behoeve van de milieubescherming (hoofdstuk III); steun voor adviesdiensten en opleiding (hoofdstuk V); steun voor werkgelegenheidsschepping (titel VI); steun voor de internationalisatie van ondernemingen (hoofdstuk VIII).

Op basis van hogervermeld besluit waarbij steunmaatregel nr. N192/97 wordt goedgekeurd, moet alle steun aan grote ondernemingen, die de „de minimis” -drempel overschrijdt, afzonderlijk worden aangemeld. De Italiaanse autoriteiten hadden zich ertoe verbonden de drempel van 15 % respectievelijk 7,5 % voor investeringssteun aan kleine en middelgrote ondernemingen niet te overschrijden aangezien de provincie Bolzano niet in aanmerking komt voor de afwijking van artikel 87, lid 3, onder a) en c), van het EG-Verdrag. Niettemin heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan een steunintensiteit van 40 % voor micro-ondernemingen met activiteiten welke niet het voorwerp van handel tussen lidstaten zijn;

(b)

wet nr. 9 van 15 april 1991 werd bij schrijven SG(96) D/4842 van 22 mei 1996 (4) goedgekeurd als steunmaatregel NN69/95. Deze wet betreft de oprichting van een fonds ter stimulering van economische activiteiten. In de betrokken maatregel wordt alleen de vorm van de steun (goedkope leningen) bepaald, en wordt verwezen naar andere steunmaatregelen die zullen worden ingevoerd door verdere wetgeving, waaraan met wet nr. 4/97 gestalte is gegeven. De Italiaanse autoriteiten hebben toegezegd de toepassing van deze regeling tot KMO's te beperken en alle bepalingen in acht te nemen die in de communautaire regels inzake staatssteun zijn vervat.

(12)

Niettemin werden nieuwe criteria voor de toekenning van de steun uit hoofde van wet nr. 4/97 ten behoeve van de ambachtelijke sector, handel, toerisme en dienstensector goedgekeurd bij besluit nr. 4607 van 17 december 2001. Dit besluit is echter niet vooraf bij de Commissie aangemeld.

(13)

De basisintensiteit van 13 % en 6 % die door de provincie voor investeringssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen in de ambachtelijke sector, toerisme en handel (klein- en groothandel) is vastgelegd, wordt ten gevolge van een reeks verhogingen stelselmatig overschreden.

(14)

Dankzij deze verhogingen:

(a)

wordt aan micro-ondernemingen een intensiteit van 40 % toegekend (voor een maximuminvestering van 2 miljoen EUR over een periode van 3 jaar);

(b)

is een intensiteit van 25 % vastgelegd voor kleine ondernemingen (maximuminvestering van 3,5 miljoen EUR over een periode van 3 jaar voor de ambachtssector en van 2 miljoen EUR, eveneens over een periode van 3 jaar, voor toerisme en handel),

(c)

is een intensiteit van 22,5 % (20 % in de handelssector) vastgelegd voor middelgrote ondernemingen (de maximum subsidiabele investering bedraagt in de ambachtssector 4 miljoen EUR over een periode van 3 jaar en 3 miljoen EUR voor de overige sectoren).

Al deze verhogingen ten opzichte van de basisintensiteiten worden volgens de Italiaanse autoriteiten in het kader van de „de minimis”-regeling toegekend.

(15)

Daarnaast kan aan ambachtelijke micro-ondernemingen van iedere omvang en ongeacht de activiteit die zij uitoefenen, een steunintensiteit van 40 % worden toegestaan. In het bijzonder aan micro-ondernemingen met ten hoogste twee werknemers, waarvan het voortbestaan bedreigd is en waarvan de activiteiten in het besluit in kwestie worden genoemd, kan een dergelijke intensiteit worden toegestaan, zelfs wanneer deze ondernemingen niet voldoen aan de voor andere micro-ondernemingen vastgelegde voorwaarden.

(16)

Grote ondernemingen in de toeristische sector komen eveneens in aanmerking voor investeringssteun in de zin van genoemd besluit, met een basisintensiteit van 6 %, kennelijk zonder dat hiervoor voorafgaande afzonderlijke aanmelding vereist is.

Voorts zijn ten behoeve van grote ondernemingen op basis van het „de minimis”-criterium tevens verhogingen van de steunintensiteit tot 22,5 % mogelijk. De maximum subsidiabele investeringssteun beloopt 3 miljoen EUR over een periode van drie jaar.

(17)

Daarnaast voorziet het besluit in kwestie in milieusteun, die in drie vormen wordt verleend:

steun met een intensiteit van 25 % voor KMO's in alle sectoren en voor grote ondernemingen in de toeristische sector, om in staat te stellen aan nieuwe verplichte normen te voldoen.

steun met een intensiteit van 40 % om boven de bindende normen uit te stijgen.

steun voor milieuauditprojecten, eveneens met een intensiteit van 40 %.

Op basis van de „de minimis”-regel zullen voor de drie onderdelen van de maatregel verhogingen worden toegepast tot maximumintensiteiten van 30 %, 40 % respectievelijk 75 %. Het maximumbedrag voor de subsidiabele investeringen, met name bij steun ter bevordering van de naleving van de nieuwe bindende communautaire regels, beloopt 1 tot 4 miljoen EUR naar gelang van de omvang van de onderneming.

(18)

In besluit nr. 4607/2001 zijn als subsidiabel voor werkgelegenheidssteun beschouwd: de uitgaven met betrekking tot juridisch advies en belastingadvies, uitgaven in verband met de oprichting of de verhuizing van ondernemingen, maar ook kosten in verband met de begeleiding van nieuwe ondernemingen tijdens de eerste twee jaar na de oprichting ervan.

Komen eveneens voor steun in aanmerking de uitgaven in verband met zowel het onderzoek inzake merken en bestaande octrooien als het aanvragen van octrooien en het registreren van merken. De geplande steunintensiteit bedraagt 50 %. De grote ondernemingen in de toeristische sector zijn in beginsel eveneens begunstigden van de steun.

(19)

De steun voor internationalisering omvat onder meer steun voor de kosten die door KMO's worden gemaakt voor deelneming aan vakbeurzen en tentoonstellingen (met een intensiteit van 25 % binnen en 40 % buiten de EU); steun voor studies, onderzoek en consultancy (tot 50 % intensiteit) en ten behoeve van andere initiatieven binnen en buiten de EU (kennelijk in de vorm van reclame van de ondernemingen via websites): 50 %.

De kosten van exportkredietverzekering en de dekking van wisselkoersrisico’s komen eveneens voor steun in aanmerking, met een maximumintensiteit van 50 % ten behoeve van KMO's. Voorts is voor grote ondernemingen steun gepland voor exportkredieten voor handel met eender welk land buiten de EU, tot 50 % en in het kader van de „de minimis”-regeling.

(20)

Er is steun voor opleiding en adviesdiensten ten belope van 50 % van de subsidiabele kosten. Er is een verhoging met 30 procentpunten uit hoofde van de „de minimis”-regeling voor de vier eerste dagen van adviesdiensten welke rechtstreeks of onrechtstreeks door de Kamer van Koophandel of de „Business Innovation Centers” (BIC) wordt verstrekt. De regeling heeft ook betrekking op de grote ondernemingen in de toeristische sector; in het onderhavige geval is daarenboven steun met een intensiteit van 35 % gepland voor het opstellen van websites. Alleen steunintensiteiten van meer dan 35 % voor opleiding en 50 % voor adviesdiensten worden, indien noodzakelijk, als „de minimis”-steun toegekend.

(21)

Voorts is een steunintensiteit van ten hoogste 80 % voorzien voor gemeenschappelijke projecten in het kader van de communautaire programma's, zoals LEADER en INTERREG, (afzonderlijke bijdragen aan bepaalde ondernemingen zijn echter uitgesloten).

III.   REDENEN VOOR HET INLEIDEN VAN DE PROCEDURE

(22)

De Commissie had haar goedkeuring gehecht aan steunregelingen N192/97 en NN69/95, de rechtsgrondslag waarvan wordt gevormd door de provinciale wetten nrs. 4/97 en 9/91 (zie punt 11, onder a) en b)).

(23)

Uit het onderzoek van besluit 4607/2001 is gebleken dat de nieuwe criteria die zijn vastgesteld voor het verlenen van de steun die is vastgelegd in wet 4/97 (ook in de vorm van gesubsidieerde leningen uit hoofde van wet 9/91) in de ambachtelijke sector, handel, toerisme en dienstensector kennelijk niet in overeenstemming zijn met de besluiten van de Commissie waarbij deze werden goedgekeurd en evenmin in overeenstemming lijken te zijn met de desbetreffende nieuwe kaderregelingen/verordeningen, en wel om de volgende redenen:

Investeringssteun voor grote ondernemingen

(24)

De Italiaanse autoriteiten hebben aan het begin van deze procedure bij brief A/32982 meegedeeld dat zowel middelgrote als grote ondernemingen in de handelssector en de toeristische sector op basis van besluit nr. 4607/2001 steun in de vorm van een goedkope lening konden ontvangen voor subsidiabele investeringen van 1 tot 3 miljoen EUR.

(25)

De tabellen in besluit nr. 4607/2001 laten zien dat aan grote ondernemingen in de toeristische sector een basisintensiteit van 6 % kan worden verleend, die eventueel kan worden verhoogd tot 22,5 % (een verhoging die in het kader van de „de minimis”-regeling wordt toegekend) en dat grote ondernemingen in de handelssector steunintensiteiten van 6 tot 20 % kunnen genieten.

In genoemd besluit wordt alleen ten aanzien van de handelssector aangegeven dat „tenzij bij de Commissie aanmelding wordt gedaan „in gevallen waarin toestemming is gegeven” de steun alleen als „de minimis” aan grote ondernemingen kan worden verleend”. Daarentegen is wat de grote ondernemingen in de toeristische sector betreft kennelijk geen enkele beperking vastgelegd.

(26)

Investeringssteun moet niet worden verleend aan grote ondernemingen buiten gebieden die onder artikel 87, lid 3, onder a) en c), van het EG-Verdrag vallen. De provincie Bolzano kwam niet voor regionale steun in aanmerking toen steunregelingen N192/97 en NN69/95 werden goedgekeurd en komt daar thans evenmin voor in aanmerking.

In dit verband moet worden opgemerkt dat in het besluit van de Commissie betreffende steunmaatregel N192/97 grote ondernemingen al uitdrukkelijk van andere dan „de minimis”-steun werden uitgesloten,.

(27)

Wat steun in de vorm van goedkope leningen overeenkomstig wet nr. 9/91 betreft, deze valt eveneens onder steunregeling NN69/95 betreffende de vorm van de steun. De Commissie had laatstgenoemde regeling goedgekeurd op voorwaarde dat deze alleen op KMO's zou worden toegepast en nadat de Italiaanse autoriteiten zich ertoe hadden verbonden dat zij alle bepalingen van de destijds geldende kaderregeling MKB in acht zouden nemen en deze mee te delen aan de diensten van de provinciale administratie in de vorm van een circulaire die de voorwaarden voor de toepassing van de regeling bevat, om de juiste toepassing ervan te waarborgen.

(28)

Desondanks wordt in besluit nr. 4607/2001 — waarin de voorwaarden voor de toepassing van steunregeling N192/97 (en van regeling NN69/95, voor zover de steun in de vorm van gesubsidieerde leningen wordt verleend, overeenkomstig wet nr. 9/91) zijn opgenomen — ook investeringssteun aan grote ondernemingen verleend.

(29)

De Commissie was daarom van oordeel dat besluit nr. 4607/2001 misbruik vormt van steunmaatregelen N192/97 en NN69/95 in de zin van artikel 16 van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad (5), en zij betwijfelde of investeringssteun aan grote ondernemingen in de zin van genoemd besluit, zonder enige de-minimisbeperking, voor enigerlei afwijking op het verbod van artikel 87, lid 1, van het Verdrag in aanmerking kon komen.

Investeringssteun voor KMO's

(30)

De Italiaanse autoriteiten hadden met name tijdens de beoordeling door de Commissie van dossier NN65/95, toegezegd alle bepalingen in acht te zullen nemen die in de communautaire regels inzake staatssteun aan KMO's zijn vervat. Op het tijdstip waarop steunmaatregel N192/97 werd aangemeld hadden zij bovendien toegezegd deze bedrijven geen exploitatiesteun te zullen verlenen.

(31)

Er zij voorts op gewezen dat de subsidiabele investeringen die in besluit nr. 4607/2001 worden bedoeld, niet in overeenstemming zijn met de definitie van initiële investering die in verordening nr. 70/2001 (6) is vervat aangezien vervangingsinvesteringen kennelijk niet zijn uitgesloten.

(32)

Bovendien lijkt het feit dat de begunstigden van de steun alleen die KMO's zijn die hun hoofdkantoor in de provincie Bolzano hebben een inbreuk op het beginsel van de vrijheid van vestiging van ondernemingen binnen de Europese Unie.

(33)

Tenslotte is het beginsel van de noodzaak van de steun niet in acht genomen omdat de steunaanvragen normaal gesproken binnen zes maanden vanaf hetzij het begin van de werkzaamheden hetzij de datum van de eerste factuur met betrekking tot deze werkzaamheden moeten worden ingediend.

(34)

De Commissie twijfelde daarom of de steun in kwestie verenigbaar is.

Steun aan micro-ondernemingen die niet onder het verbod van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag vallen

(35)

De Italiaanse autoriteiten hebben betoogd dat de steunintensiteit van 40 % was beperkt tot micro-ondernemingen in de ambachtssector met ten hoogste twee werknemers, waarvan het voortbestaan bedreigd is en die overeenkomen met een lijst van strikt afgebakende activiteiten (7) die staat afgedrukt in de tekst van brief A/36773 van 18 september 2002, en voor enkele micro-ondernemingen in de handelssector.

(36)

Uit een analyse van besluit nr. 4607/2001 is gebleken dat bovengenoemde micro-ondernemingen in de ambachtssector van deze intensiteit kunnen profiteren, ook wanneer zij niet aan de voorwaarden voor een dergelijke verhoging van de steunintensiteit voor andere micro-ondernemingen voldoen, maar ook dat deze intensiteit wordt uitgebreid naar alle ambachtelijke micro-ondernemingen, ongeacht hun omvang en economische situatie. Aangezien het bedrag van de subsidiabele investering 2 miljoen EUR over een periode van drie jaar bedraagt (1 miljoen EUR voor micro-ondernemingen met ten hoogste twee werknemers), lijkt het dat het niveau van het steunbedrag 800 000 EUR (400 000 EUR voor micro-ondernemingen met ten hoogste twee werknemers) zou kunnen bereiken.

(37)

Bovendien lijkt de definitie van micro-onderneming, die naar wordt verondersteld het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloedt en dientengevolge voor een steunintensiteit van 40 % in aanmerking komt, welke definitie wordt gegeven in besluit nr. 4607/2001 (8), de nadruk eerder te leggen op het feit dat de activiteit van de individuele steunontvangers er niet toe kan leiden dat economische betrekkingen tot stand komen met ondernemingen van andere lidstaten dan op het gebrek aan intracommunautaire handel op het gebied waarop de betrokken ondernemingen actief zijn, zoals correct zou zijn.

(38)

Gelet op het bovenstaande en gelet op het feit dat de categorie micro-ondernemingen, als KMO's, in de zin van aanbeveling 96/280/EG (9) niet buiten de werkingssfeer van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag valt, heeft de Commissie er twijfels over geuit of alle steun die uit hoofde van de maatregel in kwestie aan deze ondernemingen wordt verleend, mogelijk niet onder de definitie van staatssteun valt.

Milieusteun

(39)

De Commissie had haar goedkeuring gehecht aan de in provinciale wet nr. 4/97 vastgelegde milieusteun, op basis van de oude kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (10), die later werd vervangen door de nieuwe kaderregeling welke op 3 februari 2001 is gepubliceerd (PB C 37, blz. 3).

Toen de nieuwe kaderregeling van kracht werd is aan de lidstaten voorgesteld dienstige maatregelen vast te stellen. Na dat te hebben aanvaard was Italië verplicht de maatregelen uit te voeren. De beoordeling van de maatregel in kwestie door de Commissie is dan ook gebaseerd op de nieuwe kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu.

(40)

Overeenkomstig punt 28 van de kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (11) (hierna: „de kaderregeling”) mag tijdelijke investeringssteun aan KMO's om deze in staat stellen zich aan de nieuwe communautaire normen aan te passen maximaal 15 % bruto van de in aanmerking komende kosten bedragen gedurende een periode van drie jaar, te rekenen vanaf de goedkeuring van nieuwe communautaire normen.

(41)

De Commissie was daarom van mening dat de intensiteit van 25 % ten behoeve van KMO's voor de aanpassing aan de nieuwe communautaire normen, die is vastgelegd in wet nr. 4/97 en bevestigd door besluit nr. 4607/2001, niet in overeenstemming met de kaderregeling is en dat de steun aan grote ondernemingen die is bedoeld om deze ondernemingen te helpen aan de nieuwe verplichte milieunormen te voldoen niet voor vrijstelling in aanmerking komt.

(42)

Overeenkomstig punt 29 van de kaderregeling kan een basisintensiteit van 30 % worden toegestaan om de communautaire normen te overtreffen en voor de ondersteuning van investeringen die bij ontstentenis van communautaire normen zijn gedaan.

(43)

Daarom heeft de Commissie geoordeeld dat de intensiteit van 40 % voor investeringen bedoeld om ondernemingen in staat te stellen de communautaire normen te overtreffen, die vooral voor grote ondernemingen van de toeristische sector is bedoeld, niet conform punt 29 van de kaderregeling is.

(44)

Voorts kan, overeenkomstig punt 41 van de kaderregeling, steun aan KMO's worden verleend voor adviesdiensten op het gebied van de milieubescherming overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG) nr. 70/2001 (12).

(45)

Derhalve kan voor in het besluit in kwestie vastgelegde milieuauditprojecten, overeenkomstig de bepalingen van hogervermelde KMO-verordening steun worden verleend, mits de steun alleen aan KMO's ten goede komt en aan de voorwaarden van artikel 5, onder a) van de verordening is voldaan.

(46)

De Commissie heeft daarnaast twijfels geuit over de inachtneming van de punten 36 en 37 van de kaderregeling, die betrekking hebben respectievelijk op relevante investeringen en op de wijze van berekening van de voor steun in aanmerking komende kosten bij investeringssteun voor milieudoeleinden, wat de hogervermelde eerste twee elementen van de milieusteunmaatregel betreft.

Werkgelegenheidssteun

(47)

De Commissie had, in het kader van steunmaatregel N192/97, voor KMO's werkgelegenheidssteun met een maximumintensiteit van 25 % van de loonkosten goedgekeurd.

(48)

Aangezien de daartoe in besluit nr. 4607/2001 vastgelegde steun noch werkgelegenheid schept noch op het behoud van werkgelegenheid is gericht, heeft de Commissie erop gewezen dat deze niet als werkgelegenheidssteun kan worden beschouwd; sommige vormen van steun (voor adviesdiensten) zouden voor een afwijking in aanmerking kunnen komen, indien zij aan de in artikel 5 van verordening nr. 70/2001 genoemde voorwaarden voldoen en de begunstigden uitsluitend KMO's zijn.

(49)

De Commissie was bovendien van oordeel dat op steun voor onderzoek inzake bestaande merken en octrooien en steun voor de aanvraag van octrooien en het registreren van merken, die onder meer is vastgelegd in de specifieke maatregel inzake werkgelegenheidssteun, geen enkele uitzondering kan worden toegepast ten aanzien van grote ondernemingen omdat deze met geen enkele activiteit op het gebied van onderzoek en ontwikkeling verbonden lijkt te zijn.

Steun voor internationalisering

(50)

Bij de inleiding van de procedure is erop gewezen dat steun voor deelneming aan vakbeurzen en tentoonstellingen uit hoofde van artikel 5, onder b) van Verordening nr. 70/2001 als verenigbaar kan worden beschouwd, indien de uitgaven waarop de maximumintensiteit van 50 % wordt toegepast, bestaan uit de kosten van de huur, het opzetten en het beheer van de stand. Deze vrijstelling geldt slechts voor de eerste keer dat een onderneming aan een bepaalde vakbeurs of tentoonstelling deelneemt.

De adviesdiensten die door externe consultants worden verleend mogen niet permanent of periodiek zijn, noch verband houden met de normale werkingskosten van de onderneming, zoals reclame.

Tenslotte valt steun aan activiteiten die met export verband houden (13) niet onder Verordening 70/2001 of onder Verordening 69/2001 (14), en evenmin onder de mededeling van de Commissie inzake de minimis-steun van 1996 (15).

(51)

Daarom kon volgens de Commissie de in besluit nr. 4607/2001 vastgelegde steun voor internationalisering, behalve deelneming aan vakbeurzen en tentoonstellingen, waarbij aan de voorwaarden van artikel 5 van verordening nr. 70/2001 wordt voldaan, niet als verenigbaar worden beschouwd, ook indien alleen KMO's hiervan de begunstigden waren.

(52)

Daarenboven was de Commissie van mening dat voor exportkredieten, met name die welke aan grote ondernemingen worden toegekend en die bij de aanmelding van wet nr. 4/97 uitdrukkelijk waren uitgesloten, geen enkele afwijking kon gelden, ook niet uit hoofde van Verordening nr. 69/2001.

Steun in het kader van communautaire programma's

(53)

Deze steun, die niet in regeling N192/97 was voorzien, is in besluit nr. 4607 niet als staatssteun beschouwd.

(54)

Niettemin heeft de Commissie twijfels geuit over de vraag of de ondernemingen geen enkel commercieel voordeel zouden hebben van de deelneming aan gemeenschappelijke projecten op het gebied van de communautaire programma's Leader en Interreg, waarvoor een intensiteit van 80 % is voorzien.

Adviesdiensten

(55)

Het begrip „adviesdiensten” moet nader worden toegelicht. Op basis van de huidige definitie vindt de Commissie namelijk dat steun aan grote ondernemingen voor adviesdiensten in geen enkel geval voor vrijstelling in aanmerking komt, behalve wanneer dit advies in aanmerking komende kosten betreft van voorgenomen opleidingssteun in de zin van artikel 4, lid 7, onder e) van Verordening nr. 68/2001 (PB L 10 van 13.1.2001), betreffende opleidingssteun.

Toepassing van de „de minimis”-regel

(56)

Volgens de Italiaanse autoriteiten was iedere verhoging van de steunintensiteit ten opzichte van de basispercentages 13 % respectievelijk 6 % voor kleine en middelgrote ondernemingen waar het investeringssteun betrof, uit hoofde van de „de minimis”-regel toegekend.

(57)

Noch in wet nr. 4/1997 noch in de tekst van besluit nr. 4607/2001 dat op 17 december 2001 is goedgekeurd, dat wil zeggen na de inwerkingtreding van verordening nr. 69/2001, is enige verwijzing vervat naar de wijze van controle op de drempel en de overige voorwaarden die zijn vastgelegd in de „de minimis”-verordening (16) of in de oude mededeling van 1996 over hetzelfde onderwerp (17).

(58)

Gezien het bedrag van de subsidiabele investeringen (3,5 respectievelijk 4 miljoen EUR in drie jaar voor kleine en middelgrote ondernemingen) en de in genoemd besluit vastgelegde maximumintensiteit (25 % en 22,5 %, waarvan 12 respectievelijk 16,5 procentpunt uit hoofde van de „de minimis”-regel, voor kleine en middelgrote ondernemingen), heeft de Commissie twijfels geuit over de daadwerkelijke inachtneming van de drempel van 100 000 EUR gedurende een periode van drie jaar die in de „de minimis”-verordening is vastgelegd.

(59)

Meer algemeen heeft de Commissie twijfels geuit over het in besluit nr. 4607/2001 vastgelegde zeer ruime gebruik van de de-minimisregel, met het doel zowel systematisch de toegestane maximumintensiteit te kunnen overschrijden voor KMO's als steun met een hogere intensiteit toe te kennen aan grote ondernemingen die zijn gevestigd buiten steungebieden, gelet op het hoge bedrag van de subsidiabele investeringen.

IV.   OPMERKINGEN VAN ANDERE BELANGHEBBENDEN

(60)

Er zijn geen opmerkingen ontvangen van belanghebbenden en evenmin van de klager die bij brief D/51908 van 24 maart 2003 in kennis was gesteld van de inleiding van de procedure en van de mogelijkheid om, in het licht daarvan, andere opmerkingen te maken dan die welke in de oorspronkelijke klacht zijn gemaakt.

V.   OPMERKINGEN VAN ITALIË

(61)

Nadat twee bijeenkomsten hadden plaatsgevonden tussen de vertegenwoordigers van de provincie Bolzano en de diensten van DG COMP zijn de opmerkingen van Italië tot slot bij brief A/34747 van 25 juni 2004 aan de Commissie toegezonden.

In de brief stellen de Italiaanse autoriteiten het volgende:

V.1   Ten aanzien van de investeringssteun voor grote ondernemingen

(62)

De uitsluiting van grote ondernemingen in de toeristische sector was ten gevolge van een inhoudelijke vergissing niet expliciet in besluit nr. 4607/2001 vastgelegd, zoals het geval was voor grote ondernemingen in de handelssector.

(63)

Desondanks heeft geen enkele grote onderneming in de toeristische sector uit hoofde van steunregeling N192/97 (provinciale wet nr. 4/97) of steunregeling NN69/95 (provinciale wet nr. 9/91) steun ontvangen. In de handelssector waren grote ondernemingen al uitgesloten van andere dan „de minimis”-steun overeenkomstig besluit nr. 4607/2001.

(64)

De Italiaanse autoriteiten hebben zich ertoe verbonden grote ondernemingen meer expliciet uit te sluiten van steun uit hoofde van steunregeling NN69/95 in de vorm van goedkope leningen, ook al heeft geen daarvan van de regeling geprofiteerd, behalve in het kader van de „de minimis”-regeling.

(65)

Vervolgens is bij brief van 2 juni 2005 in antwoord op een gerichte vraag van de Commissie aangegeven dat generlei steun was verleend aan grote ondernemingen van welke sector ook en dat bovendien ondernemingen die hun belangrijkste economische activiteit in de vervoerssector verrichten van de steun zijn uitgesloten.

(66)

Bovendien sluit het voorstel voor nieuwe toepassingscriteria uitdrukkelijk alle grote ondernemingen uit, behalve in geval van „de minimis”-steun, die in overeenstemming is met Verordening nr. 69/2001.

V.2   Steun aan KMO's

V.2.1.   Niet-uitsluiting van vervangingsinvesteringen van de basis van subsidiabele uitgaven.

(67)

Alhoewel steun niet expliciet door de toepassingscriteria is uitgesloten, is volgens de Italiaanse autoriteiten geen steun voor vervangingsinvesteringen verleend.

(68)

Met name is als subsidiabel beschouwd steun voor investeringen in materiële activa die in overeenstemming zijn met definitie in artikel 2, onder c), van Verordening nr. 70/2001 en met name de oprichting van nieuwe vestigingen en investering in modernisering of diversificatie, die een fundamentele wijziging in het product of het productieproces van een bestaande vestiging meebrengen. Hiertoe zijn minimum investeringsbedragen vastgesteld die vrij hoog zijn in verhouding tot de gemiddelde omvang van de betrokken ondernemingen.

(69)

In de nieuwe criteria zijn zowel vervangingsinvesteringen als de onderhoudskosten expliciet uitgesloten en de beschrijving van de subsidiabele investeringen is volledig in overeenstemming met die in Verordening nr. 70/2001.

V.2.2   Vrijheid van vestiging

(70)

De in de oude criteria vervatte voorwaarde dat het hoofdkantoor zich op het grondgebied van de provincie Bolzano moet bevinden, die deel uitmaakte om steun te kunnen ontvangen, is — ook in het verleden — niet stringent toegepast. Ter ondersteuning van deze stelling is een lijst van 16 ontvangers van investeringssteun overeenkomstig de regeling in kwestie, waarvan het hoofdkantoor zich buiten de provincie Bolzano bevindt (en in één geval zelfs buiten Italië) aan de Commissie toegezonden. Deze steun dateert in enkele gevallen — te weten 6 van de 16 — uit 1998, dat wil zeggen lang voordat de Commissie een dossier over dit geval opende. Daarenboven kunnen zelfs ondernemingen die alleen een operationele eenheid in de provincie Bolzano hebben nu steun uit hoofde van de regeling in kwestie ontvangen.

V.2.3   Inachtneming van het beginsel inzake de noodzaak van de steun

(71)

Dit beginsel is al toegepast overeenkomstig artikel 7, tweede alinea, van Verordening nr. 70/2001, in zoverre dat de voorwaarden voor verlening van de steun zo objectief waren dat het uitgesloten was dat de provincie discretionaire bevoegdheden kon gebruiken.

(72)

Niettemin hebben de Italiaanse autoriteiten toegezegd dat zij indiening van de aanvraag voor de aanvang van de werkzaamheden ter uitvoering van het project waarvoor de steun is verleend verplicht zullen stellen.

V.2.4   Steun aan micro-ondernemingen

(73)

Iedere verhoging van de intensiteit van investeringssteun ten behoeve van micro-ondernemingen in het algemeen, die het percentage van 15 % te boven gaat, kan voortaan alleen uit hoofde van de „de minimis”-regel worden toegestaan.

(74)

Steun met een intensiteit van 40 % die niet onder artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag valt en evenmin als „de minimis” wordt aangemerkt, wordt voortaan uitsluitend verleend voor bepaalde kleinschalige activiteiten, met name voor kleine typische beroepen van de ambachtelijke sector die dreigen te verdwijnen en kleinschalige commerciële activiteiten, waarvan zich in de nieuwe criteria een volledige lijst bevindt.

(75)

In ieder geval is uit een onderzoek door de Italiaanse autoriteiten gebleken dat tot op heden geen steunverlening heeft plaatsgevonden waarbij zowel de intensiteit van 15 % als de „de minimis”-drempel werden overschreden.

V.2.5   Milieusteun

(76)

Alleen steunintensiteiten van 15 en 30 % zijn toegestaan, respectievelijk voor tijdelijke investeringssteun die aan KMO's wordt verleend om deze in staat stellen zich aan nieuwe communautaire normen aan te passen, en om de communautaire normen te overtreffen of ondersteuning van investeringen die bij ontstentenis van verplichte communautaire normen zijn gedaan.

(77)

Wat de milieuaudit betreft: steun hiervoor is thans beperkt tot KMO's in de zin van artikel 5, onder a), van Verordening nr. 70/2001, terwijl grote ondernemingen alleen voor „de minimis”-steun in aanmerking komen. De in artikel 12, lid 4, van wet nr. 4/97 vervatte bepaling dat grote ondernemingen eveneens voor de maatregel in kwestie in aanmerking kwamen, zal zo spoedig mogelijk worden afgeschaft; daarnaast hebben de Italiaanse autoriteiten zich ertoe verbonden de maatregel in de tussentijd niet meer toe te passen.

(78)

Ten slotte hebben de Italiaanse autoriteiten toegezegd de in de punten 36 en 37 van de kaderregeling genoemde voorwaarden te zullen naleven ten aanzien van de in aanmerking te nemen investeringen en de methode voor de berekening van de subsidiabele kosten.

(79)

Slechts één aanvraag, in de ambachtssector, is, uit hoofde van onderhavige maatregel op basis van de eerder geldende criteria aanvaard; de steun beliep 14 719,02 EUR, waarbij de subsidiabele intensiteit met 7 359,51 EUR werd overschreden. Laatstgenoemd bedrag is derhalve als „de minimis”-steun aangemerkt.

V.2.6   Zogeheten „werkgelegenheidssteun”

(80)

Hoewel deze steun verbonden is aan het opstarten van nieuwe ondernemingen (eerste 24 maanden na de oprichting), en alhoewel deze bestaat uit vormen van steun voor adviesdiensten en voor onderzoek naar en/of de aanvraag van octrooien en het registreren van merken, is deze volgens de Italiaanse autoriteiten bestemd voor het scheppen van werkgelegenheid en derhalve verenigbaar. In ieder geval is deze steun aan geen enkele grote onderneming verleend.

(81)

Niettemin is deze nu uit hoofde van hoofdstuk V van wet nr. 4/97, alleen in de vorm van goedkope leningen voorzien zoals vastgesteld in hoofdstuk VI van dezelfde wet, om op basis van en binnen de beperkingen van het „de minimis”-criterium de kasbeschikbaarheid te vergroten.

V.2.7   Steun voor internationalisering

(82)

Slechts enkele verwaarloosbare steunbedragen zijn tot nog toe op deze grond uitgekeerd. Wat de deelneming aan vakbeurzen en tentoonstellingen betreft, is steun met een intensiteit van 25 % in plaats van de intensiteit 50 % die toelaatbaar zou zijn, aan KMO's verleend zonder dat is nagegaan of het al dan niet de eerste deelneming aan een bepaald evenement betrof, terwijl slechts tweemaal steun in de vorm van een bijdrage (50 %) aan de kosten van exportkredietverzekering voor een bedrag van 3 500 EUR en 7 miljoen ITL is verleend voor export naar niet–EU–landen.

(83)

In de nieuwe toepassingscriteria is steun met een intensiteit van 50 % alleen voor KMO's voorzien voor de kosten van adviesdiensten die door externe consultants worden verleend en voor de kosten van de eerste deelneming aan een vakbeurs of tentoonstelling, zowel binnen de Gemeenschap als daarbuiten.

(84)

Steun in de vorm van exportkredietverzekering komt thans alleen in aanmerking voor de premie met betrekking tot risico's die op de markt niet verzekerbaar zijn bij operaties met derde landen — een aantal OESO-landen waar de risico's op de markt verzekerbaar zijn, niet inbegrepen (dat wil zeggen de zogenoemde „marketable countries”; op dit ogenblik zijn dat: Australië, Canada, IJsland, Japan, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Zwitserland en de Verenigde Staten).

V.2.8   Steun in het kader van de communautaire programma's

(85)

Steun met een intensiteit van 80 %, die voorheen was toegestaan voor sommige gemeenschappelijke projecten in het kader, van de communautaire programma's Leader en Interreg, waaraan ondernemingen ook deelnamen, wordt niet meer verleend.

V.2.9   Toepassing van de „de minimis”-regel

(86)

Volgens de Italiaanse autoriteiten worden de regels inzake „de minimis”-steun nageleefd. Hiertoe zijn de desbetreffende diensten van de provincie Bolzano allereerst via een intranetsysteem onderling verbonden. Daarnaast moet, voordat enige steun volgens die bepaling wordt verleend, een verklaring betreffende andere steun die gedurende de relevante periode van drie jaar op grond van dezelfde bepaling is ontvangen, door de aanvrager worden ingediend.

(87)

Voorts wordt op dit ogenblik een automatisch systeem opgezet voor de controle van alle andere steun dan die welke door de provincie wordt verleend, dat op zijn beurt zal worden verbonden met het nationale netwerk dat nu wordt opgezet.

VI.   BEOORDELING VAN DE MAATREGEL

VI.1.   Beoordeling van het steunkarakter van de betrokken maatregelen

(88)

Een maatregel kan slechts als steun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag worden beschouwd wanneer aan alle vier onderstaande voorwaarden is voldaan: de steun wordt verleend met staatsmiddelen en er is sprake van selectiviteit, gevaar van vervalsing van de concurrentie, gevolgen voor het handelsverkeer.

(89)

In dit geval is aan de eerste voorwaarde voldaan aangezien de maatregel uit de begroting van de autonome provincie Bolzano — en dus met staatsmiddelen — wordt gefinancierd; aan de tweede omdat de steun alleen aan ondernemingen met activiteiten op het grondgebied van de provincie Bolzano wordt verleend; aan de derde omdat de financiële situatie van de begunstigden wordt versterkt; aan de vierde omdat de ondernemingen in kwestie daadwerkelijk internationale commerciële activiteiten kunnen hebben, aangezien zij zich in een grensregio bevinden die ook zeer actief is in de toeristische sector. Derhalve kunnen de maatregelen in kwestie de handel tussen lidstaten ongunstig beïnvloeden, zonder dat dit gevolgen heeft voor de beoordeling van de maatregelen die voortvloeien uit de toepassing van de nieuwe criteria ten gunste van sommige micro-ondernemingen die in punt 116 van deze beschikking worden genoemd.

(90)

Daarenboven waren de maatregelen die het voorwerp van deze procedure uitmaken al als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag aangemerkt tijdens het onderzoek door de Commissie in het kader van steunzaken N192/97 en NN69/95.

VI.2.   Wettigheid van de maatregel

(91)

Aangezien deze maatregelen niet van tevoren overeenkomstig artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag bij de Commissie zijn aangemeld, zijn zij onwettig wegens niet-aanmelding. Aangezien zij in dit geval de toepassingscriteria vormen voor steunregeling N192/97 (en indirect ook voor NN69/95) leidden zij tot onwettige toepassing van deze regelingen.

VI.3.   Verenigbaarheid van de steunmaatregelen die voortvloeien uit de toepassing van besluit nr. 4607/2001

VI.3.1.   Investeringssteun voor grote ondernemingen

(92)

Aangezien de provincie Bolzano gedurende de gehele periode waarin de maatregelen in kwestie golden niet voor regionale steun in aanmerking kwam, kan geen enkele vrijstelling worden verleend voor de investeringssteun aan de grote ondernemingen op haar grondgebied.

(93)

Overigens werden in het besluit van de Commissie betreffende steunmaatregel N192/97 grote ondernemingen al uitdrukkelijk van de regeling uitgesloten, behalve in het kader van de „de minimis”-regel.

(94)

Steun in de vorm van goedkope leningen overeenkomstig wet nr. 9/91 valt eveneens onder steunregeling NN69/95. De Commissie had de regeling goedgekeurd op voorwaarde dat deze alleen aan KMO's ten goede zou komen, nadat de Italiaanse autoriteiten hadden toegezegd dat zij alle bepalingen van de kaderregeling MKB in acht zouden nemen en deze aan de diensten van de provinciale administratie zouden meedelen om de correcte toepassing van de regeling te waarborgen.

(95)

De bepalingen van besluit 4607/2001 inzake de criteria voor de toepassing van steunregeling N192/97 (en van regeling NN69/95, voor zover de steun in de vorm van goedkope leningen, overeenkomstig wet nr. 9/91 wordt verleend) zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt omdat hierin ook investeringssteun ten behoeve van grote ondernemingen is voorzien.

(96)

Ten slotte merkt de Commissie op dat, volgens de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte gegevens, geen enkele grote onderneming in feite dit soort steun heeft ontvangen.

VI.3.2.   Investeringssteun voor KMO's

(97)

In de eerste plaats bevestigt de Commissie dat elke steun die met betrekking tot vervangingsinvesteringen wordt verleend als onverenigbaar moet worden beschouwd; hierbij moet echter worden opgemerkt dat de Italiaanse autoriteiten hebben meegedeeld dat zij in het kader van de regeling in kwestie geen enkele steun ten aanzien van dit soort investering hebben verleend.

(98)

Investeringssteun boven de drempel van 15 % voor kleine ondernemingen en boven de drempel van 7,5 % voor middelgrote ondernemingen is eveneens onverenigbaar.

VI.3.3.   Micro-ondernemingen

(99)

De Commissie bevestigt dat op basis van zowel aanbeveling 96/280/EG (18) als van de nieuwe sinds 1 januari 2005 geldende definitie (19) micro-ondernemingen als een categorie KMO niet als zodanig van de toepassing van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag zijn uitgesloten. Hieruit volgt dat aan dit soort ondernemingen verleende investeringssteun die een steunintensiteit van 15 % overschrijdt en niet als „de minimis”-steun kan worden aangemerkt, als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt moet worden beschouwd.

(100)

De Commissie neemt kennis van de verduidelijking die terzake is verschaft door de Italiaanse autoriteiten dat aan micro-ondernemingen geen steun is verleend die terzelfder tijd de intensiteit van 15 % en de „de minimis”-drempel overschrijd,.

VI.3.4.   Milieusteun

(101)

De Commissie is van oordeel dat de steunintensiteiten van 25 % en 40 % voor de eerste twee soorten steun van de specifieke maatregel (namelijk aanpassing aan de nieuwe verbindende regels en overtreffen van de communautaire normen) en de subsidiabiliteit van grote ondernemingen voor milieuauditprojecten onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt.

(102)

In dit verband merkt de Commissie op dat, op basis van de door Italië verschafte gegevens, tot dusverre slechts één steunbedrag is uitgekeerd dat de subsidiabele drempels overschreed, en wel voor een bedrag dat ver onder het „de minimis”-bedrag ligt en dat de toepassing van de rechtsgrond van de derde soort steun (steun voor milieuaudits) is opgeschort en zo spoedig mogelijk zal worden afgeschaft.

VI.3.5.   Zogeheten „werkgelegenheidssteun”

(103)

De Commissie bevestigt dat de steun die onder deze benaming in besluit nr. 4607 is vastgelegd geenszins overeenkomt met de steun waaraan de Commissie in de beschikking inzake steunmaatregel N192/97 haar goedkeuring had gehecht. Bovendien kan de steun, aangezien deze op het scheppen van werkgelegenheid noch op het behoud daarvan betrekking heeft, maar voor adviesdiensten en activiteiten op het gebied van merken en octrooien wordt verleend, evenmin als werkgelegenheidssteun worden aangemerkt.

(104)

Aangezien er echter van wordt uitgegaan dat de meeste subsidiabele uitgaven uit hoofde van de specifieke maatregel in kwestie verband houden met adviesdiensten ten behoeve van pas opgerichte KMO's dan wel uit de aanvraag van octrooien of het registreren van merken, die mogelijk subsidiabel zijn overeenkomstig de artikelen 5 en 5 quater van Verordening nr. 70/2001, is deze steun slechts onverenigbaar wanneer niet is voldaan aan de bepalingen in de verordeningen 70/2001 et 364/2004 (20).

(105)

De steun is daarentegen onverenigbaar indien grote ondernemingen deze eveneens ontvangen.

VI.3.6.   Steun voor internationalisering

(106)

De Commissie neemt er kennis van dat slechts enkele steunbedragen van verwaarloosbare omvang tot nog toe op deze grond zijn uitgekeerd, overeenkomstig de toepassingscriteria die de reden vormden voor het inleiden van de procedure. Daarnaast beloopt de intensiteit die voor de deelneming aan vakbeurzen en tentoonstellingen wordt toegestaan 25 %, in plaats van 50 %, zoals toelaatbaar was, ook al is niet geverifieerd of het de eerste deelneming aan een bepaald evenement betrof. In totaal zijn vijf gevallen gevonden voor een steunbedrag van 1 250 tot 8 875 EUR. Er zijn slechts twee gevallen van steun voor exportkredietverzekering gevonden, met een steunintensiteit van 50 %, beperkt tot de kosten van de verzekeringspremie voor export naar niet–EU–landen voor bedragen van 3 500 EUR en 7 miljoen ITL (wat nog eens gelijkstaat aan circa 3 500 EUR). Deze steunbedragen zijn slechts verenigbaar indien zij voldoen aan de voorwaarden van de mededeling van de Commissie inzake kortlopende exportkredietverzekering (21).

(107)

Niettemin is iedere steun voor adviesdiensten aan grote ondernemingen en voor activiteiten op exportgebied (deze laatste ook indien het KMO's betreft), onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt. Eveneens is onverenigbaar steun aan ondernemingen van eender welke omvang, voor adviesdiensten die een vaste of periodieke activiteit vormen en steun die verband houdt met de normale werkingskosten van de onderneming, zoals reclame.

VI.3.7.   Steun in het kader van communautaire programma's

(108)

De Commissie wijst erop dat dit soort steun, met een intensiteit van 80 %, die in besluit nr. 4607/2001 is vastgelegd, niet was goedgekeurd in het besluit van de Commissie over steunmaatregel nr. N 192/97. Gelet op de zeer hoge intensiteit en het feit dat met geen enkele in aanmerking komende doelstellingen rekening is gehouden, is deze steun onverenigbaar in zoverre artikel 87, lid 1 van toepassing is, met name indien personen die economische activiteiten hebben eveneens daarvan kunnen profiteren door deelneming aan gemeenschappelijke projecten die uit hoofde van de maatregel in kwestie steun ontvangen.

(109)

Niettemin merkt de Commissie op dat de bedragen die op basis hiervan aan de afzonderlijke projecten zijn verstrekt volgens de door de Italiaanse autoriteiten verschafte gegevens zeer gering zijn, en met name ver onder de „de minimis”-drempel liggen. De intracommunautaire handel wordt hier derhalve niet door beïnvloed. Er kan dus van worden uitgegaan dat deze maatregelen geen staatssteun in de zin van artikel 87 van het EG-Verdrag zijn, mits de Italiaanse autoriteiten aan de Commissie bewijzen dat alle criteria voor de toepassing van Verordening nr. 69/2001 in acht zijn genomen. Ten slotte neemt de Commissie ter kennis dat in de nieuwe criteria voor de toepassing van de regeling in kwestie niet langer steun is voorzien voor gemeenschappelijke projecten in het kader van de programma's Leader et Interreg, waaraan ook ondernemingen zouden deelnemen.

VI.3.8.   Steun voor adviesdiensten

(110)

De Commissie bevestigt haar mening dat geen steun kan worden verleend voor adviesdiensten aan grote ondernemingen, behalve in het kader van een opleidingsproject overeenkomstig artikel 7, lid 7, onder a), van Verordening nr. 68/2001 (22). Steun buiten dit kader is derhalve onverenigbaar.

VI.3.9.   Toepassing van de „de minimis”-regel

(111)

De Commissie neemt kennis van de garanties die terzake door de Italiaanse autoriteiten zijn gegeven, namelijk dat alle voorwaarden die in de geldende „de minimis”-regels zijn vastgelegd, te weten op dit ogenblik de bepalingen van Verordening nr. 69/2001 (23), strikt in acht worden genomen, hoofdzakelijk dankzij het controlesysteem, „Servizio controlling dell’ASTAT”.

VI.4.   Verenigbaarheid van de maatregelen in het licht van de nieuwe criteria die zijn toegezonden bij brief A/34747 van 25 juni 2004, gewijzigd en aangevuld bij brief A/34426 van 2 juni 2005.

(112)

De Commissie merkt ten aanzien van investeringssteun op dat de nieuwe toepassingscriteria uitdrukkelijk grote ondernemingen uitsluiten, behalve uit hoofde van de „de minimis”-regeling.

(113)

Wat investeringssteun ten behoeve van KMO's betreft zij eraan herinnerd dat de definitie van subsidiabele investeringen die in de nieuwe criteria is vastgelegd aan de in Verordening nr. 70/2001 (24) vastgelegde voorwaarden voldoet en dat zowel vervangingsinvesteringen als onderhoudskosten uitdrukkelijk zijn uitgesloten.

(114)

De Commissie wijst er voorts op dat er voor het beginsel van de vrijheid van vestiging thans ook een formele bepaling is, terwijl dit tevoren slechts de facto het geval was, zoals blijkt uit de lijst die tijdens de procedure is toegezonden (zie punt 70 van deze beschikking), aangezien een operationele eenheid op het grondgebied van de provincie Bolzano volstaat om toegang tot de steun in kwestie te verkrijgen.

(115)

Ten slotte wordt het beginsel van de noodzaak van de steun in acht genomen, aangezien de aanvraag nu voor het begin van de werkzaamheden tot uitvoering van het gesteunde project moet worden ingediend.

(116)

Wat micro-ondernemingen betreft, is artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag niet van toepassing waar het alleen ondernemingen met kleinschalige activiteiten betreft, aangezien deze gelet op hun kenmerken, omvang en ligging het intracommunautaire handelsverkeer niet kunnen beïnvloeden en ook omdat ondernemingen in andere lidstaten geen belangstelling in toegang tot hun markt hebben. Bij deze ondernemingen met ten hoogste twee werknemers gaat het in het geval in kwestie om welbepaalde ambachtelijke activiteiten (met name typische traditionele met uitsterving bedreigde beroepen zoals messenslijper, tonnenmaker, wolkaarder en wolspinner, kaarsenmaker, mandenmaker, hoefsmid, enz.) en handelsactiviteiten (met name de detailverkoop van producten voor dagelijkse gebruik — hoofdzakelijk levensmiddelen — in gemeenten met maximaal duizend inwoners die buiten handelscentra en in ieder geval buiten toeristische gebieden liggen), die zowel wat het ambacht als wat de handel betreft in de nieuwe criteria voor de toepassing van de regeling uitdrukkelijk zijn vermeld.

(117)

Wat milieusteun betreft is de Commissie van oordeel dat de uitsluitend voor KMO's geldende steun voor de aanpassing aan de nieuwe verplichte normen met een steunintensiteit van 15 % voor een periode van drie jaar vanaf de goedkeuring ervan met punt 28 van de communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (25) (hierna: „de kaderregeling”) verenigbaar is.

(118)

Ook voldoet de steun die is bedoeld om ondernemingen van iedere omvang ertoe te stimuleren de verplichte communautaire normen te overtreffen of om, eveneens met het oog op milieubescherming, bij ontstentenis van verplichte communautaire normen investeringen te doen met een steunintensiteit van 30 %, thans aan de voorwaarden van punt 29 van de kaderregeling.

(119)

Daarnaast is de steun die uitsluitend aan KMO's wordt verleend voor advisering op milieugebied in overeenstemming met artikel 5, onder a), van Verordening (EG) nr. 70/2001 (26) en is deze derhalve verenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

(120)

Deze beschikking laat niettemin de verenigbaarheid van besluit nr. 4007/2001 van 4 november 2002 betreffende de aanpassing van het geheel van milieusteunmaatregelen van de provincie Bolzano aan de nieuwe richtsnoeren van de Commissie onverlet, omdat dit besluit niet het voorwerp van de onderhavige procedure uitmaakt.

(121)

Wat de vermeende werkgelegenheidssteun betreft, neemt de Commissie ter kennis dat deze steun met inachtneming van Verordening 69/2001 (27) betreffende de minimis-steun is beperkt tot het verstrekken van liquiditeitsleningen.

(122)

Wat de steun voor internationalisering betreft merkt de Commissie op dat in de toegezonden nieuwe toepassingscriteria alleen steun met een intensiteit van 50 % is gehandhaafd die betrekking heeft op de kosten van adviesdiensten die door externe consultants worden verleend en de kosten van de eerste deelneming aan een bepaalde vakbeurs of tentoonstelling en alleen waar het steun aan KMO's betreft. Dit is in overeenstemming met artikel 5 van Verordening 70/2001 (28).

(123)

Voorts merkt de Commissie op dat premies voor kredietverzekeringen alleen nog subsidiabel zijn voor risico's die bij operaties met derde landen op de markt niet verzekerbaar zijn, de OESO-landen waar het risico op de markt verzekerbaar is, niet inbegrepen (de zogenoemde „marketable countries”; op dit ogenblik zijn dat: Australië, Canada, IJsland, Japan, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Zwitserland en de Verenigde Staten). Dit is in overeenstemming met de mededeling inzake kortlopende exportkredietverzekering (29).

VII.   SLOTOPMERKINGEN

(124)

De Commissie betreurt dat Italië — Autonome provincie Bolzano — de criteria voor de toepassing van provinciale wet nr. 4/97, die bij besluit nr. 4607 van 17 december 2001 zijn goedgekeurd, in strijd met artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag en zonder tevoren bij de Commissie te zijn aangemeld, in werking heeft doen treden; deze criteria zijn bijgevolg onwettig. Dit heeft geleid tot misbruik van steunregeling N192/97 (en onrechtstreeks ook van regeling NN 69/95) in de zin van artikel 16 van Verordening nr. 659/99 (30).

(125)

Daarom heeft de Commissie besloten deze formele onderzoekprocedure ten aanzien van de steun in kwestie in te leiden.

(126)

Niettemin hebben de Italiaanse autoriteiten tijdens de procedure verduidelijkt dat de bepalingen van besluit nr. 4607/2001 die op grond van het door de Commissie verrichte onderzoek als onverenigbaar of onwettig kunnen worden beschouwd, in de meeste gevallen nooit of slechts in een zeer beperkt aantal gevallen voor zeer geringe bedragen ver onder de „de minimis”-drempel zijn toegepast, en dit geldt ook voor KMO's.

(127)

Hiertoe zijn talrijke gegevens verstrekt, met name betreffende het aantal en de hoogte van de uitgekeerde steunbedragen met betrekking tot de meest dubieuze aspecten van de verschillende specifieke maatregelen van de steunregeling. Daaruit blijkt dat, wat investeringssteun betreft, geen enkele grote onderneming steun op grond van de regeling in kwestie zou hebben ontvangen. Deze steun was derhalve de facto alleen voor KMO's bestemd, zoals in het besluit van de Commissie tot goedkeuring van steunregelingen N192/97 en NN69/95 was bepaald.

(128)

Daarnaast hebben de Italiaanse autoriteiten actief hun medewerking verleend door de toepassing op te schorten van bepaalde normen die zo spoedig mogelijk zullen worden afgeschaft (met name steun voor adviesdiensten voor grote ondernemingen) en door voor te stellen de criteria te wijzigen voor de toepassing van de steun die het voorwerp van deze procedure vormt.

(129)

De Commissie neemt ten slotte kennis van de garanties en toezeggingen van Italië met betrekking tot de inachtneming door Italië van de voorwaarden en de „de minimis”-drempel, over het zeer intensieve gebruik waarvan de Commissie bij het inleiden van de procedure haar twijfels had geuit.

(130)

Aangezien de steun noch aan de uitgesloten sectoren noch aan de met export verband houdende activiteiten ten goede is gekomen en er geen steun was voorzien die afhankelijk was gemaakt van het gebruik van bij voorkeur nationale producten in plaats van ingevoerde producten, kan uit hoofde van Verordening nr. 69/2001 op de steun in kwestie de „de minimis”-regeling worden toegepast voor zover voor iedere onderneming de drempel van 100 000 EUR gedurende een periode van drie jaar niet wordt overschreden. Deze steun valt derhalve niet onder artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag.

(131)

De Commissie wijst er voorts op dat een beschikking over een steunregeling de mogelijkheid dat afzonderlijke maatregelen geen staatssteun zijn (wanneer de afzonderlijke steun — zoals in bovenstaand punt wordt aangegeven — bijvoorbeeld aan de „de minimis”-regel voldoet) of op grond van hun kenmerken (met name uit hoofde van een vrijstellingsverordening) geheel of gedeeltelijk met de gemeenschappelijke markt verenigbaar zijn, onverlet laat.

(132)

Ook indien in het licht van bovenstaande punten 124-131 en de overwegingen in deel VI.3 over de verenigbaarheid van de maatregelen op grond van de toepassing van besluit nr. 4607/2001 in dit geval de mogelijkheid bestaat dat niet tot terugvorderingen — of alleen tot een zeer beperkte terugvordering — behoeft te worden overgegaan, is het vaste praktijk van de Commissie te bevelen dat de steun, die op grond van artikel 88 van het EG-Verdrag onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard, van de begunstigden wordt teruggevorderd. Deze praktijk is in artikel 14 van Verordening nr. 659/99 (31) bevestigd.

(133)

De Commissie beveelt dat Italië alle nodige maatregelen neemt om de steun van de begunstigden van de steunregeling terug te vorderen, met uitzondering van de afzonderlijke gevallen die aan de nodige voorwaarden voldoen om op basis van de desbetreffende voorschriften verenigbaar verklaard te kunnen worden. De Commissie verzoekt de Italiaanse autoriteiten dan ook de begunstigden van de steunregeling binnen twee maanden te rekenen vanaf de datum van deze beschikking te gelasten de steun, met rente, terug te betalen.

(134)

Overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Verordening nr. 659/99, omvat de terug te vorderen steun rente welke wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in Hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie (32). De rente is betaalbaar vanaf de datum waarop de onrechtmatige steun voor de begunstigde beschikbaar was tot de datum van daadwerkelijke terugbetaling van de steun.

(135)

De Commissie verzoekt Italië haar het bijgevoegde formulier inzake de stand van zaken met betrekking tot de terugvorderingsprocedure ingevuld terug te sturen, een lijst op te stellen van de begunstigden van wie steun moet worden teruggevorderd en duidelijk aan te geven welke concrete maatregelen zijn genomen om een onmiddellijke en daadwerkelijke terugvordering van de steun te bereiken. Daarnaast moet binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking een volledige lijst van alle daarin genoemde steunmaatregelen aan de Commissie worden toegezonden, waarin voor elke maatregel het uitgekeerde bedrag, het uit hoofde van een van de bovengenoemde vrijstellingen verenigbare bedrag alsook het terug te vorderen bedrag moeten worden opgenomen.

(136)

De Commissie verzoekt Italië voorts binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking haar de documenten te doen toekomen waaruit blijkt dat de terugvorderingsprocedure is ingeleid bij de ontvangers van onwettige en onverenigbare steun (zoals bijvoorbeeld circulaires, aanmaningen tot terugvordering, enz.)

(137)

Ten slotte voldoen de nieuwe toepassingscriteria, die bij brief A/34747 van 25 juni 2004 werden toegezonden en die bij brief A/34426 van 2 juni 2005 werden gewijzigd en aangevuld, aan de nodige voorwaarden om met de gemeenschappelijke markt verenigbaar te kunnen worden verklaard, zoals in deel VI.4 (punten 112-123) voor elk afzonderlijk geval is uiteengezet.

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De criteria voor de toepassing van provinciale wet nr. 4/97, die bij besluit nr. 4607 van 17 december 2001 zijn goedgekeurd, zijn onwettig omdat zij niet tevoren bij de Commissie zijn aangemeld overeenkomstig artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag. Deze hebben geleid tot misbruik van steunregeling nr. N192/1997 en indirect ook van steunregeling nr. NN69/1995.

Artikel 2

De volgende in besluit nr. 4607/2001 vastgelegde steunmaatregelen zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt:

a)

alle investeringssteun aan grote ondernemingen;

b)

steun aan KMO's die met betrekking tot vervangingsinvesteringen is verleend en alle investeringssteun boven de drempel van 15 % bruto-steunintensiteit voor kleine ondernemingen en 7,5 % voor middelgrote ondernemingen;

c)

investeringssteun voor andere dan de in artikel 3 bedoelde micro-ondernemingen, indien de bruto-steunintensiteit van 15 % is overschreden;

d)

na de inwerkingtreding van de nieuwe communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (33) en de aanvaarding door de lidstaat (34) van het voorstel van dienstige maatregelen voor de aanpassing van de eerder overeenkomstig punt 77 van de kaderregeling goedgekeurde regelingen, dat wil zeggen vanaf 1 januari 2002:

i.

investeringssteun ten behoeve van het milieu, voor de aanpassing aan de verplichte communautaire normen die onlangs van kracht zijn geworden, voor het gedeelte van de bruto-steunintensiteit dat de drempel van 15 % overschrijdt — wanneer deze aan KMO's ten goede komt — en in ieder geval wanneer de begunstigden grote ondernemingen zijn.

ii.

investeringssteun ten behoeve van het milieu, om de verplichte communautaire normen te overtreffen of, bij ontstentenis daarvan, voor het gedeelte van de bruto-steunintensiteit dat 30 % overschrijdt bij grote ondernemingen (40 % bij KMO's),

iii.

alle steun voor adviesdiensten op het gebied van de milieubescherming die voor grote ondernemingen is bestemd;

e)

steun voor internationalisering van ondernemingen, behalve steun voor de eerste deelneming van een onderneming aan een vakbeurs of tentoonstelling, tot KMO's beperkt, en steun welke voldoet aan de criteria die zijn vastgelegd in de mededeling van de Commissie betreffende kortlopende exportkredietverzekering (35);

f)

als „werkgelegenheidssteun” aangemerkte bijdragen (die in feite bestaan uit steun voor adviesdiensten en voor uitgaven in verband met de aanvraag van octrooien en het registreren van merken), waar de begunstigden grote ondernemingen zijn;

g)

alle steun voor adviesdiensten waar de begunstigden grote ondernemingen zijn;

h)

steun met een intensiteit van 80 % die wordt verleend voor gemeenschappelijke projecten in het kader van communautaire programma's, waarbij onder de begunstigden ook ondernemingen zijn.

Artikel 3

De maatregelen overeenkomstig de bij brief A/34747 van 25 juni 2004 meegedeelde nieuwe criteria voor de toepassing van steunregeling N192/97, gewijzigd en aangevuld bij brief A/34426 van 2 juni 2005, ten behoeve van micro-ondernemingen met ten hoogste twee werknemers — met name bepaalde ambachtelijke activiteiten, in het bijzonder typische traditionele met uitsterven bedreigde beroepen en bepaalde kleinschalige activiteiten, die in de tekst van deze toepassingscriteria uitdrukkelijk worden opgesomd, vormen geen steun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag.

Artikel 4

De andere maatregelen dan de in artikel 3 vastgelegde maatregelen, overeenkomstig de bij brief A/34747 van 25 juni 2004 meegedeelde nieuwe criteria voor de toepassing van steunregeling N192/97, zoals gewijzigd en aangevuld bij brief A/34426 van 2 juni 2005, zijn verenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

Artikel 5

1.   Italië neemt alle nodige maatregelen om de in artikel 2 bedoelde onwettige en onverenigbare steun, die eventueel aan de begunstigden is uitgekeerd, terug te vorderen.

2.   Italië schort alle betalingen van onverenigbare steun vanaf de kennisgeving van deze beschikking op.

3.   De terugvordering geschiedt onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures voor zover deze procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de onderhavige beschikking toelaten.

4.   Het bedrag van de terug te vorderen steun wordt vermeerderd met rente vanaf de datum waarop de steun aan de begunstigden ter beschikking werd gesteld tot en met de daadwerkelijke terugbetaling ervan.

5.   De rente wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in Hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 794/2004 van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag.

6.   Italië gelast binnen twee maanden na de kennisgeving van deze beschikking alle begunstigden van de in artikel 2 bedoelde steun tot terugbetaling van de onwettige steun, inclusief de rente die op de hierboven beschreven wijze moet worden berekend.

Artikel 6

Italië deelt de Commissie binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking door middel van de vragenlijst in de bijlage mee welke maatregelen het heeft vastgesteld en genomen om hieraan te voldoen.

Binnen dezelfde termijn doet Italië aan de Commissie met name een volledige lijst toekomen van alle steunmaatregelen waarop deze beschikking betrekking heeft; hierin wordt voor elk van de maatregelen apart het uitgekeerde bedrag, het uit hoofde van een van de bovengenoemde vrijstellingen verenigbare bedrag alsook het terug te vorderen bedrag opgenomen. Italië doet haar voorts alle documenten toekomen waaruit blijkt dat bij de ontvangers van onwettige en onverenigbare steun de terugvorderingsprocedures zijn ingeleid.

Artikel 7

De onderhavige beschikking is gericht tot de Italiaanse Republiek.

Gedaan te Brussel, 21 september 2005.

Voor de Commissie

Neelie KROES

Lid van de Commissie


(1)  Gepubliceerd in PB C 120 van 22.5.2003, blz. 3.

(2)  Zie voetnoot 1.

(3)  Bekendgemaakt in PB C 47, blz. 4 (in de vorm van een informatieblokje).

(4)  Bekendgemaakt in PB C 188/1996, blz. 1-2 (in de vorm van een informatieblokje).

(5)  Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 (nu 88) van het EG-Verdrag, PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

(6)  Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen, gepubliceerd in PB L 10 van 13.1.2001, blz. 33.

(7)  Deze lijst staat in de voetnoot op bladzijde 3 van tabel A van bijlage 1 „ambachtssector” bij besluit nr. 4607

(8)  Zie punt 3.1 van bijlage 1 „settore artigianato” (ambachtssector) bij besluit nr. 4607/2001.

(9)  Aanbeveling van de Commissie van 3 april 1996 betreffende de definitie van de kleine en middelgrote ondernemingen, gepubliceerd in PB L 107 van 30.4.1996, blz. 4.

(10)  Gepubliceerd in PB C 72 van 10.3.1994, blz. 3

(11)  Gepubliceerd in PB C 37 van 3.2.2001, blz. 3.

(12)  Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen, gepubliceerd in PB L 10 van 13.1.2001, blz. 33.

(13)  Dat wil zeggen steun die rechtstreeks verband houdt met de uitgevoerde hoeveelheden, het opzetten en de werking van een distributienetwerk of andere lopende uitgaven die verband houden met de export.

(14)  Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de minimis-steun, gepubliceerd in PB L 10 van 13.1.2001, blz. 30.

(15)  Gepubliceerd in PB C 68 van 6.3.1996, blz. 9

(16)  Zie voetnoot 14.

(17)  Mededeling van de Commissie inzake „de minimis”-steun, gepubliceerd in PB C 68 van 6.3.1996, blz. 9

(18)  Aanbeveling 96/280/EG van de Commissie van 3 april 1996 betreffende de definitie van de kleine en middelgrote ondernemingen, gepubliceerd in PB L 107 van 30.4.1996, blz. 4.

(19)  Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, gepubliceerd in PB L 124 van 20.5.2003, blz. 136.

(20)  Verordening (EG) nr. 364/2004 van de Commissie van 25 februari 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001 wat betreft uitbreiding van het toepassingsgebied tot steun voor onderzoek en ontwikkeling, gepubliceerd in PB L 63 van 28.2.2004, blz. 22

(21)  Gepubliceerd in PB C 281 van 17.9.1997, blz. 4, gewijzigd door mededeling 2001/C 217/02, gepubliceerd in PB C 217 van 2.8.2001, blz. 2.

(22)  Gepubliceerd in PB L 10 van 13.1.2001, blz. 20.

(23)  Zie voetnoot 14.

(24)  Zie voetnoot 14.

(25)  Gepubliceerd in PB C 37 van 3.2.2001, blz. 3.

(26)  Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen, gepubliceerd in PB L 10 van 13.1.2001, blz. 33.

(27)  Zie voetnoot 14.

(28)  Zie voetnoot 26.

(29)  Mededeling van de Commissie aan de lidstaten tot wijziging van de mededeling ingevolge artikel 93, lid 1, van het EG-Verdrag inzake de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag op kortlopende exportkredietverzekering, gepubliceerd in PB C 217 van 2.8.2001, blz. 2.

(30)  Zie voetnoot 5.

(31)  Zie voetnoot 5.

(32)  Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag, gepubliceerd in PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1.

(33)  Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu, gepubliceerd in PB C 37 van 3.2.2001, blz. 3.

(34)  Bij brief nr. 4592 van 5 april 2001, op 6 april 2001 geregistreerd (A/32899).

(35)  Gepubliceerd in het PB van 17.9.1997, blz. 4, gewijzigd door mededeling 2001/C 217/02, die is gepubliceerd in PB C 217 van 2.8.2001, blz. 2


BIJLAGE

Informatie betreffende de tenuitvoerlegging van beschikking C(2005)2723 van de Commissie

1.   Totaal aantal begunstigden en totaalbedrag van de terug te vorderen steun

1.1.

Geef een gedetailleerde beschrijving van de wijze waarop het van de individuele begunstigden terug te vorderen steunbedrag zal worden berekend

Kapitaal

Rente

1.2.

Wat is het totaalbedrag van de krachtens de regeling verleende onrechtmatige steun die moet worden teruggevorderd (bruto steunequivalent in prijzen van …)?

1.3.

Bij hoeveel begunstigden in totaal moet de krachtens deze regeling onrechtmatig verleende steun worden teruggevorderd?

2.   Voorgenomen of reeds genomen maatregelen voor het terugvorderen van de steun

2.1.

Beschrijf nader welke maatregelen al zijn genomen en welke maatregelen zijn gepland om de steun onverwijld en daadwerkelijk terug te vorderen. Vermeld de rechtsgrondslag van die maatregelen.

2.2.

Op welke datum zal de terugvordering zijn voltooid?

3.   Informatie over de individuele begunstigden

3.1

Vermeld in bijgaande tabel de gegevens van elke begunstigde van wie de krachtens de regeling onrechtmatig verleende steun moet worden teruggevorderd:

Naam van de begunstigde

Bedrag van de onrechtmatig verleende steun (*1)

Valuta:…

Terugvordering verricht (*2)

Valuta:…

 

 

 

 

 

 

 

 

 


(*1)  bedrag dat de begunstigde ter beschikking is gesteld (in bruto-subsidie-equivalent).

(*2)  terugbetaalde brutobedragen (rente inbegrepen)


Top