This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32001D0045
2000/45/EC: Commission Decision of 29 September 1999 declaring a concentration to be compatible with the common market and the EEA Agreement (Case IV/M.1532 — BP Amoco/Arco) (Text with EEA relevance.) (notified under document number C(1999) 3059)
2000/45/EG: Beschikking van de Commissie van 29 september 1999 waarbij een concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt en de EER-overeenkomst wordt verklaard (Zaak nr. IV/M.1532 — BP Amoco/Arco) (Voor de EER relevante tekst.) (Kennisgeving geschied onder nummer C(1999) 3059)
2000/45/EG: Beschikking van de Commissie van 29 september 1999 waarbij een concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt en de EER-overeenkomst wordt verklaard (Zaak nr. IV/M.1532 — BP Amoco/Arco) (Voor de EER relevante tekst.) (Kennisgeving geschied onder nummer C(1999) 3059)
PB L 18 van 19.1.2001, pp. 1–17
(ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
In force
2000/45/EG: Beschikking van de Commissie van 29 september 1999 waarbij een concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt en de EER-overeenkomst wordt verklaard (Zaak nr. IV/M.1532 — BP Amoco/Arco) (Voor de EER relevante tekst.) (Kennisgeving geschied onder nummer C(1999) 3059)
Publicatieblad Nr. L 018 van 19/01/2001 blz. 0001 - 0017
Beschikking van de Commissie van 29 september 1999 waarbij een concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt en de EER-overeenkomst wordt verklaard (Zaak nr. IV/M.1532 - BP Amoco/Arco) (Kennisgeving geschied onder nummer C(1999) 3059) (Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst) (2001/45/EG) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name op artikel 57, lid 2, onder a), Gelet op Verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen(1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1310/97(2), en met name op artikel 8, lid 2, en artikel 10, lid 2, Gezien de beschikking van de Commissie van 10 juni 1999 om in deze zaak de procedure in te leiden, Gezien het advies van het Adviescomité voor concentraties(3), Overwegende hetgeen volgt: (1) Op 4 mei 1999 ontving de Commissie overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 4064/89 (hierna "de concentratieverordening" genoemd) een aanmelding van een concentratievoornemen waarbij de onderneming BP Amoco plc (hierna "BPA" genoemd) de zeggenschap over Atlantic Richfield Company (hierna "Arco" genoemd) zou verwerven in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening. (2) In haar beschikking van 10 juni 1999 oordeelde de Commissie dat er ernstige twijfel bestond ten aanzien van de verenigbaarheid van de aangemelde transactie met de gemeenschappelijke markt en werd de procedure van artikel 6, lid 1, onder c), van de concentratieverordening ingeleid. I. DE PARTIJEN EN DE TRANSACTIE (3) BPA is de houdstermaatschappij van een multinationaal concern dat actief is in de exploratie naar olie, de aardoliesector en de petrochemische sector. Het concern omvat in hoofdzaak drie bedrijven, meer bepaald BP Amoco Exploration (exploratie naar olie en gas en de productie ervan), BP Amoco Oil (raffinage, verkoop, bevoorrading en vervoer) en BP Amoco Chemicals (productie en verkoop van petrochemische en aanverwante producten). Het BP Amoco-concern kwam tot stand als gevolg van de fusie tussen The British Petroleum Company plc en Amoco Corporation(4). Het concern is reeds lang actief in Europa, de Verenigde Staten, Australië en Azië en delen van Afrika en breidt thans zijn activiteiten uit in Azië en Zuid-Amerika. (4) Arco is actief in de exploratie naar, de productie, het vervoer en de verkoop van ruwe olie en aardgas alsook in de raffinage van ruwe olie en het vervoer en de verkoop van aardolieproducten. Hoewel het bedrijf actief is in een aantal landen zoals Venezuela, Algerije, Tunesië, het Verenigd Koninkrijk en Indonesië, vindt het grootste deel van zijn activiteiten, d.w.z. bijna 86 % van zijn totale omzet in 1998, in de Verenigde Staten plaats. II. DE CONCENTRATIE (5) De aangemelde concentratie betreft de verwerving van de uitsluitende zeggenschap in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening. Door de concentratie verwerft BPA de uitsluitende zeggenschap over Arco. Zij zal tot uitvoering worden gebracht via een aandelenverkoop. Arco zal fuseren met een nieuwe onderneming die zal worden opgericht overeenkomstig het recht van de staat Delaware, Verenigde Staten, hierna "Newco" genoemd, en die volledig in handen zal zijn van BPA. Na de fusie van Arco met Newco blijft Arco als rechtspersoon voortbestaan als een volledige dochteronderneming van BPA. Na die transactie zal BPA derhalve de volledige zeggenschap over het volledige geplaatste aandelenkapitaal van Arco verworven hebben. III. COMMUNAUTAIRE DIMENSIE (6) Aangezien de gecombineerde totale wereldomzet(5) van de partijen meer dan 5 miljard EUR bedraagt en zij elk in de Gemeenschap een omzet van meer dan 250 miljoen EUR behalen en niet meer dan tweederde van hun totale omzet in de Gemeenschap in één lidstaat realiseren, heeft de concentratie een communautaire dimensie in de zin van artikel 1, lid 2, van de concentratieverordening. IV. BEOORDELING OP GROND VAN ARTIKEL 2 VAN DE CONCENTRATIEVERORDENING A. EXPLORATIE NAAR EN ONTWIKKELING, PRODUCTIE EN VERKOOP VAN RUWE OLIE EN AARDGAS (7) Beide partijen zijn werkzaam in de exploratie naar en de ontwikkeling en productie van ruwe olie en aardgas. De Commissie had in het besluit tot inleiding van de procedure ernstige twijfel met betrekking tot deze markten geuit. Om de onderstaande redenen is er uit mededingingsoogpunt evenwel geen reden tot bezorgdheid met betrekking tot die markten. Exploratie-, ontwikkelings- en productieproces (8) De upstream-activiteiten omvatten drie soorten commerciële activiteiten: het opsporen van nieuwe reserves, de ontwikkeling en de commerciële exploitatie van die reserves. Het opsporen van nieuwe reserves wordt in het algemeen "exploratie" genoemd. De ontwikkeling betreft het opzetten van een passende infrastructuur voor de toekomstige productie (olieplatforms, pijpleidingen, terminals, enz.). De exploitatie van de reserves wordt "productie en verkoop" genoemd. Eerdere beschikkingen van de Commissie(6) hadden voornamelijk betrekking op de gevolgen van de destijds aangemelde transacties in het segment productie en verkoop. (9) Exploratie en ontwikkeling zijn een tijds- en kapitaalintensieve activiteit die een aantal opeenvolgende fasen omvat. In de eerste plaats houden landen die vermoeden dat op hun grondgebied koolwaterstofreserves zouden kunnen worden gevonden (een dergelijk land wordt het "gastland" genoemd) aanbestedingen om exploratievergunningen toe te kennen. De aanbestedingsprocedures variëren van openbare veilingen in de Verenigde Staten tot procedures waarbij de bieders van tevoren door het gastland worden geselecteerd. Deze preselectie kan in uiteenlopende mate gebaseerd zijn op de technische bekwaamheid, de financiële draagkracht of andere overwegingen (lobbying, culturele affiniteiten, enz.). (10) Vaak brengen ondernemingen een gezamenlijk bod uit om de risico's te spreiden of aanvullende bekwaamheden bijeen te brengen. In sommige omstandigheden kunnen de gastlanden eisen dat bepaalde bieders gezamenlijk optreden om een exploratievergunning te krijgen. De gastlanden kunnen tevens eisen dat hun nationale oliemaatschappijen een aandeel wordt toegekend in de eventuele vondsten die in het onder de vergunning vallende blok worden gedaan. Wanneer de vergunning aan een aantal ondernemingen gezamenlijk wordt toegekend, wordt steeds een beheerder voor het blok aangewezen. De beheerder wordt belast met het technische en financiële beheer van de exploratie en eventueel de ontwikkelings- en productiefasen van het project. De meeste belangrijke beslissingen moeten unaniem worden genomen door alle bij het project betrokken partners. (11) De totale tijd die verstrijkt tussen het toekennen van een vergunning en de daadwerkelijke productie bedraagt gewoonlijk vijf à 15 jaar. De kosten van de exploratie- en ontwikkelingsprojecten kunnen oplopen tot ongeveer 7 miljard EUR voor projecten in zogenaamde "onbetreden gebieden". De exploratiefase en de ontwikkelingsfase vertegenwoordigen doorgaans respectievelijk 15 % en 85 % van de uitgaven. (12) Er zij ook op gewezen dat infrastructuur moet worden aangelegd wanneer met de productie wordt gestart in een nieuw gebied. Die infrastructuur omvat onder meer olieplatforms, pijpleidingen en terminals. Kleinere velden die niet op een rendabele wijze afzonderlijk kunnen worden ontwikkeld, kunnen worden geëxploiteerd via de infrastructuur die reeds is aangelegd voor een groter veld. Dergelijke kleinere velden worden ook wel "satellietvelden" genoemd. Deze werkwijze is typisch voor de exploratie in de Noordzee. Relevante productmarkten (13) Er wordt vaak beweerd dat exploratie, ontwikkeling en productie en verkoop te nauw met elkaar verbonden zijn om meer dan één afzonderlijke productmarkt te kunnen afbakenen. Er kan evenwel worden betoogd dat exploratie een afzonderlijke productmarkt is. Een onderneming die actief is in de exploratie heeft immers twee categorieën afnemers: het gastland ten aanzien waarvan de onderneming zich in het algemeen verbonden heeft om te zorgen voor een toekomstige inkomstenstroom ingeval olie of gas wordt gevonden, en de latere producenten en verkopers van olie en gas die de exploratiebedrijven kunnen uitkopen of zich met hen kunnen associëren in de ontwikkeling en de productie. De overdracht van op blokken betrekking hebbende rechten is een alom voorkomende praktijk in de sector. (14) Aangezien de mogelijke inhoud van de ondergrond op het tijdstip van de exploratie onbekend is, is de Commissie van mening dat een onderscheid tussen exploratie naar aardolie en exploratie naar aardgas niet gerechtvaardigd is. Wat de productmarkten inzake de ontwikkeling, de productie en de verkoop betreft, achtte de Commissie het in de fase van het besluit tot inleiding van de procedure passend om een relevante productmarkt te onderscheiden voor de ontwikkeling, de productie en de verkoop van ruwe olie en een andere relevante productmarkt af te bakenen voor de ontwikkeling, de productie en de verkoop van aardgas, aangezien gas en ruwe olie verschillende toepassingen hebben en het prijsstellingsgedrag en de kosten uiteenlopen. (15) De partijen betwisten het bestaan van een exploratiemarkt op grond dat die te nauw verband zou houden met de latere fasen van het productieproces om als een potentiële productmarkt te worden aangemerkt. Zoals in onderdeel "Gevolgen van de concentratie voor de mededinging" is uiteengezet, hoeven de relevante productmarkten voor de beoordeling van de gevolgen voor de mededinging van een aangemelde transactie niet nauwkeurig te worden afgebakend op grond van de verschillende fasen van de exploratie naar en de ontwikkeling, de productie en de verkoop van respectievelijk ruwe olie en aardgas. De relevante geografische markten (16) De Commissie is van mening dat de markt voor exploratie wereldwijd is en is het met de partijen eens dat de relevante geografische markten voor de ontwikkeling, de productie en de verkoop van ruwe olie vanuit het oogpunt van de Europese vraag mondiaal zijn en voor gas vermoedelijk de EER, Algerije en Rusland omvatten. (17) De Commissie onderzocht of kleinere geografische gebieden relevante markten konden vormen. Bepaalde afnemers van gas maken om redenen van bevoorradingszekerheid in hun inkoopbeleid een onderscheid naar de oorsprong van het gas en gaan hierbij uit van vermeende politieke risico's en de invloed daarvan op de bevoorradingszekerheid wat Russisch en Algerijns gas betreft (Rusland vertegenwoordigde ongeveer 17 % van de totale West-Europese bevoorrading en Algerije 12 %). Het meest expliciete voorbeeld hiervan is de Spaanse wetgeving die bepaalt dat hoogstens 60 % van de aardgasvraag uit hetzelfde land mag komen. Het is evenwel onwaarschijnlijk dat een prijsstijging van het in de EER geproduceerde gas niet zou worden gecompenseerd door een kleine toename van de hoeveelheid gas die in Rusland en Algerije wordt ingekocht. De precieze afbakening van de relevante geografische markt kan in elk geval in het midden worden gelaten aangezien dit niets afdoet aan de conclusie van de mededingingsrechtelijke beoordeling. Marktdeelnemers (18) De ondernemingen die actief zijn in de exploratie, de ontwikkeling en de productie en verkoop worden traditioneel ingedeeld in drie categorieën met verschillende profielen, strategische doelstellingen en toekomstige exploratie- en ontwikkelingsmogelijkheden. Die categorieën zijn: (i) de openbare producenten (voornamelijk OPEC-bedrijven en sommige OESO-bedrijven zoals Statoil), (ii) de zogenaamde "majors", d.w.z. de verticaal geïntegreerde oliemaatschappijen met internationale activiteiten, en (iii) een veelheid aan wezenlijk kleinere oliemaatschappijen waarvan de meeste niet-geïntegreerde upstream-exploratiemaatschappijen en/of -producenten zijn. (19) De door de Commissie onderkende mededingingsproblemen hadden voornamelijk betrekking op het feit dat de aangemelde transactie en de door Exxon en Mobil aangemelde transactie zouden leiden tot een afzonderlijke (vierde) categorie spelers die de exploratie- en ontwikkelingsactiviteiten zouden domineren. Die categorie van "super majors" zou bestaan uit Exxon-Mobil, BP Amoco-Arco en Shell Positie van de partijen op de markt Exploratie (20) Er is geen algemeen beschikbare of aanvaarde maatstaf voor de berekening van marktaandelen, aan de hand waarvan de marktmacht op de markt voor exploratie kan worden beoordeeld. De marktaandelen zouden kunnen worden berekend op basis van het aantal blokken waarvoor vergunningen zijn verleend, het aantal blokken waar een bepaalde onderneming de exploitant is, het netto oppervlak, het totale geëxploiteerde oppervlak, de kapitaaluitgaven voor exploratie, enz. Er bestaat in brede kring overeenstemming over de onbetrouwbaarheid van het aantal blokken of het oppervlak, omdat deze betrekking kunnen hebben op zeer uiteenlopende situaties. (21) Op grond van de kapitaaluitgaven zouden Exxon-Mobil, BP Amoco-Arco en Shell samen, met ongeveer gelijkwaardige aandelen, 30 % à 40 % vertegenwoordigen van de totale kapitaaluitgaven ten behoeve van exploratie, ontwikkeling en productie welke gepland zijn voor 1999. De naastvolgende grote speler zou slechts eenderde van de gemiddelde omvang van de drie voornaamste spelers vertegenwoordigen. (22) Om onderstaande redenen betwisten de partijen de geschiktheid van deze wijze om de marktmacht te meten. In de eerste plaats verschillen de kapitaaluitgaven naar gelang van de geëxploreerde sites. Aldus wordt het marktaandeel van de nationale oliemaatschappijen in OPEC-gebieden waar de kosten laag zijn, lager gewaardeerd. In de tweede plaats geven de kapitaaluitgaven vaak geen juist beeld van het aandeel in de eigendom van de vergunning of van de output. Dit komt omdat openbare bedrijven vaak geen onevenredig lage prijs betalen in verhouding tot hun vergunningbelang of hun aandeel in de productie van ruwe olie. In de derde plaats omvatten de kapitaaluitgaven vaak investeringsuitgaven, zoals voor de vloeibaarmaking van gas en voor infrastructuur, en niet alleen bedragen die uitsluitend in exploratie zijn geïnvesteerd. (23) Een andere wijze om de marktmacht te meten bestaat in het meten van het aandeel dat die maatschappijen hebben in de verwachte productie (aangezien de huidige exploratie en de aankoop van de rechten van derden tot uitdrukking zouden komen in de toekomstige productie). Op grond van het marktonderzoek zou het gecombineerde marktaandeel van de drie "super majors" in de niet-OPEC-productie binnen tien jaar wederom ongeveer 30 % tot 40 % bedragen. Productie en verkoop (24) BPA en Arco zouden in 1998 samen ongeveer [< 15 %](7) van respectievelijk de mondiale productie van ruwe olie en de Europese productie van aardgas vertegenwoordigen. Die cijfers zouden [< 25 %] bedragen voor de combinatie Exxon-Mobil en [< 20 %] voor Shell. Deze cijfers zijn in de loop der jaren niet wezenlijk gewijzigd. De drie "super majors" vertegenwoordigen bijna 40 % van de totale aardgasproductie in de EER. Zij vertegenwoordigen evenwel minder dan 30 % van het aardgas dat in de EER wordt verbruikt. (25) In de sector wordt vaak naar de bewezen reserves verwezen als een maatstaf voor de berekening van de marktmacht. Op die basis zouden de partijen ongeveer [< 3 %] en [< 5 %] van de mondiale bewezen reserves ruwe olie en de Europese bewezen aardgasreserves vertegenwoordigen. De partijen betogen evenwel dat de bewezen reserves geen relevante indicator van de toekomstige productie zijn. Bewezen reserves, zoals aangegeven door de oliemaatschappijen, hebben louter een voorraadfunctie, en particuliere oliemaatschappijen dienen net als iedere andere particuliere onderneming hun voorraden zoveel mogelijk te beperken. Met de bewezen reserves bewijst de onderneming dat zij al dan niet in staat is de verwachte uitputting van de bestaande olievelden op te vangen en daarmee een levensvatbare speler op de markt te blijven. Nationale oliemaatschappijen hoeven de verdere investeringen in exploratie en ontwikkeling echter niet te rechtvaardigen tegenover hun aandeelhouders, omdat zij het voordeel van de nationale reserves genieten, die doorgaans hun behoeften ruim overtreffen. Een dergelijke indicator geeft derhalve een overtrokken beeld van het belang van nationale oliemaatschappijen. (26) Op dit ogenblik en in de nabije toekomst hebben de OPEC-producenten tezamen een aanzienlijke marktmacht op het gebied van de productie van ruwe olie. Zij controleren een aanzienlijk deel van de productie en de bewezen reserves (respectievelijk 40 % en 75 %, terwijl de reserves van Saoedi-Arabië meer dan eenderde van de OPEC-reserves vertegenwoordigen). De OPEC kon in het verleden in een aantal gevallen in zekere mate invloed uitoefenen op de prijs van ruwe olie(8). (27) Gazprom (17 %) en Sonatrach (11 %), de Russische en Algerijnse nationale leveranciers, vertegenwoordigen ongeveer 30 % van de aardgasafzet in de EER en hun reserves vertegenwoordigen 88 % (Gazprom 81,5 %) van de totale bewezen reserves die in de EER kunnen worden afgezet. Gevolgen van de concentratie voor de mededinging (28) De Commissie heeft de volgende ernstige bedenkingen bij de gevolgen voor de mededinging op de exploratie-, ontwikkelings-, productie- en verkoopmarkten voor ruwe olie en aardgas. De aangemelde transactie en de fusie tussen Exxon en Mobil zouden kunnen leiden tot het ontstaan van een vierde categorie concurrenten in de sector. Die categorie zou BP Amoco-Arco, Exxon-Mobil en Shell omvatten. Ongeacht de gebruikte parameter (beurswaarde, olie- en gasproductie, bewezen reserves, enz.) is er momenteel een wezenlijke kloof tussen die drie "super majors" en de andere "majors". (29) Er werd onderzocht of de "super majors" in de toekomst eventueel een geprivilegieerde positie ten opzichte van de andere marktpartijen zouden innemen wat de mogelijkheid om nieuwe belangrijke reserves te vinden en te ontwikkelen betreft. Die positie zou het gevolg kunnen zijn van hun toegenomen financiële draagkracht die hen voortaan in staat zou stellen om meer risico's te nemen. De andere concurrenten zouden daarentegen de gebieden waarop zij actief wensen te zijn, nauwkeurig moeten uitkiezen. Wegens hun minder gunstige toegang tot kapitaal en hun geringere mogelijkheden tot risicospreiding, zullen de kleinere maatschappijen, indien zij verder grote velden willen ontwikkelen, genoodzaakt zijn een partnerschap met de "super majors" te sluiten teneinde hun voordeel te doen bij hun samengebrachte middelen. Hun enige andere alternatief is nichespeler te worden in de exploratie. Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat de "super majors" de toegang van andere exploratiebedrijven tot nieuwe onbetreden gebieden reeds op het tijdstip van de toekenning van de eerste vergunningen controleren en later de toegang tot de omringende blokken controleren, aangezien zij de noodzakelijke infrastructuur zullen hebben aangelegd. (30) Omdat er in het algemeen vijf à 15 jaar verstrijkten tussen de eerste exploratiefase en het opstarten van de productie, is het in een dergelijk scenario mogelijk dat nieuwe niet-OPEC-reserves en -productie binnen ongeveer tien jaar grotendeels onder de invloed van de "super majors" vallen. (31) Dit zou de productie- en verkoopmarkten op de volgende wijze kunnen beïnvloeden. De concurrentiedruk, die de mogelijkheid van de OPEC om als een kartel op te treden beperkt, zou worden afgezwakt. Die drie maatschappijen zouden dezelfde belangen als de OPEC hebben en zouden zich waarschijnlijk naar de OPEC-besluiten richten door de output in zekere mate te beperken zonder het risico te lopen dat anderen hiervan gebruik zouden maken. Dit zou leiden tot een versterking van de machtspositie van de OPEC in de ruweoliemarkt via de totstandbrenging van een oligopolide structuur waarin de OPEC en de drie "super majors" zijn verenigd, hetgeen een stimulans om zich naar de commerciële strategieën van de OPEC te richten in het leven zou roepen. De OPEC zou dan in staat zijn om de prijzen op te drijven en te handhaven op de hoogst mogelijke drempel waarboven nieuwe exploratieactiviteiten zouden worden ontwikkeld. (32) Op grond van de bovenstaande elementen concludeerde de Commissie dat er ernstige twijfel bestond omtrent de verenigbaarheid van de transactie met de gemeenschappelijke markt en de werking van de EER-overeenkomst, welke grondig diende te worden onderzocht. (33) De partijen betwistten de bezwaren van de Commissie voornamelijk op twee gronden. In de eerste plaats zouden de "super majors" nog steeds concurrentiedruk ondervinden van kleinere oliemaatschappijen. In de tweede plaats controleren de gastlanden de olie- en gasproductie en zouden zij in elk geval niet worden aangespoord om toe te staan dat de oliemaatschappijen de productie beperken. (34) Het marktonderzoek heeft bevestigd dat de kleine exploratiemaatschappijen niet van oordeel zijn dat het ontstaan van een nieuwe categorie "super majors" hun positie zou bedreigen. Wegens de omvangverschillen zouden zij elkaar niet beconcurreren ten aanzien van dezelfde soort exploratierechten en zouden zij niet afhankelijk zijn van de grote exploratiemaatschappijen om hun olie te verkopen. Bovendien zouden "majors" als Chevron, Texaco, Elf of Total hun capaciteit behouden om wereldwijd velden te exploreren en te ontwikkelen. De partijen hebben talrijke voorbeelden verstrekt van gevallen waarin de "majors" betrokken zijn bij lopende projecten in de gehele wereld. (35) Voorts is uit het marktonderzoek gebleken dat de gangbare concessiecontracten tussen regeringen en exploratie-/productiemaatschappijen de maatschappijen verbieden om hun output te beperken (de bevoegdheid om daartoe te besluiten berust bij de regering). (36) Wat aardgas betreft, is het onwaarschijnlijk dat de partijen samen met andere "super majors" de EER-productie kunnen controleren en dat de mededinging dientengevolge wordt beïnvloed. Zelfs indien er een dergelijke markt zou bestaan (in het licht van het politieke risico in verband met de gasproductie in Rusland en Algerije) kan niet worden beweerd dat er een collectieve machtspositie van de "super majors" zou bestaan, gezien de sterke positie van het Noorse gas dat wordt verkocht door concurrenten. Bovendien staan de aardgasproducenten tegenover een zeer geconcentreerde vraag die in handen is van nationale groothandelsbedrijven in de gasdoorvoer, zoals Gaz de France of Distrigaz. (37) Derhalve concludeert de Commissie dat de concentratie niet zal leiden tot het ontstaan of de versterking van een machtspositie op de markten voor de exploratie, de ontwikkeling, de productie en de verkoop van ruwe olie en aardgas. B. TRANSPORT EN VERWERKING VAN AARDGAS (38) De concentratie geeft aanleiding tot bezwaren uit het oogpunt van de mededinging in de markten voor i) aardgastransport via pijpleidingen in de zuidelijke Noordzee (hierna "ZN" genoemd) en ii) aardgasverwerkingsdiensten in de ZN. Deze markten en de markt voor aardgastransport in de noordelijke Noordzee (hierna "NN" genoemd) zullen in het onderstaande nader worden behandeld. Relevante productmarkt (39) Wanneer aardgas het puthoofd van een productiefaciliteit uitstroomt, bevat de stroom gasvormige en vloeibare koolwaterstoffen. Dit onverwerkte gas moet vaak via een pijpleiding vervoerd worden naar een faciliteit waar het verwerkt wordt door de gasvormige en vloeibare bestanddelen van elkaar te scheiden. Daarna ondergaat de gasstroom verdere verwerking/zuivering om gasvormige koolwaterstoffen te produceren die beantwoorden aan de technische specificatie voor vervoer in het transmissiesysteem waar het gas in wordt geleid ("gas van leidingkwaliteit"). Producenten van aardgas vervoeren en verwerken het gas met hun eigen middelen of, in bepaalde gevallen, met gebruikmaking van pijpleidingen en offshore/onshore-gasverwerkingsfaciliteiten van andere ondernemingen. (40) BPA is de mening toegedaan dat gastransport en gasverwerking elk tot een afzonderlijke productmarkt behoren. In het geval van gastransport zou de relevante productmarkt de markt voor het vervoer van aardgas via onderzeese pijpleidingen zijn(9). Voor gasverwerking zou BPA de markt voor verwerking van aardgas als relevante productmarkt beschouwen. (41) Hoewel de eigenaren van een gasveld zowel transport als verwerking nodig hebben om hun gas op de markt te kunnen brengen en de hiertoe goedkoopste combinatie zullen zoeken, is de Commissie van mening dat het passend is de transport- en verwerkingsmarkten van elkaar te onderscheiden, omdat de mededingingsvoorwaarden van transport en verwerking verschillen. Uit het marktonderzoek is bijvoorbeeld gebleken dat er allerlei combinaties tussen het gebruik van eigen (nieuw aangelegde) pijpleidingen en/of verwerkingsfaciliteiten en het gebruik van de bestaande pijpleidingen en/of verwerkingsfaciliteiten van derden mogelijk zijn. Relevante geografische markt (42) Arco's belangen in de Gemeenschap op het gebied van infrastructuur voor het vervoer en de verwerking van gas zijn geconcentreerd in slechts één lidstaat (het Verenigd Koninkrijk). Deze infrastructuur omvat twee soorten faciliteiten: onderzeese gasleidingen en een belang in een gasverwerkingsinstallatie. Al deze activa bevinden zich op het gedeelte van het continentale plat van het Verenigd Koninkrijk ten oosten van het Verenigd Koninkrijk en in het oosten van dat land. (43) De relevante markt bestaat, uit het oogpunt van de vraagzijde, d.w.z. eigenaren van gasvelden die transport en/of verwerking nodig hebben, uit de (bestaande of nieuw aangelegde) infrastructuur die een haalbaar economisch alternatief vormt. In dit verband kan het oostelijke gedeelte van het continentale plat van het Verenigd Koninkrijk in twee gebieden worden onderverdeeld: de NN, d.w.z. het Noordzeegebied ten noorden van de breedtegraad 55 ° noorderbreedte, en de ZN, het gebied ten zuiden van deze breedtegraad. (44) BPA is van mening dat, hoewel gasvelden in de NN in theorie gebruik zouden kunnen maken van verwerkingsfaciliteiten in de ZN, men bij een in de NN gelegen gasveld in de meeste gevallen zal streven naar vervoer naar en verwerking van de productie bij verwerkingsfaciliteiten in de NN. Er is momenteel slechts één pijpleiding in aanbouw die een NN-gasveld met een ZN-verwerkingsfaciliteit verbindt. (45) Gasvelden in de ZN maken voor de verwerking van hun productie van oudsher gebruik - en zullen dat blijven doen - van de terminalgebieden op de kustlijn van de ZN (hoewel ZN-gasvelden in geringe mate offertes hebben gevraagd voor transport via pijpleidingen die in Nederland het vasteland bereiken). Uit het onderzoek is gebleken dat in de ZN, anders dan in de NN, de aanleg van nieuwe infrastructuur geen realistisch alternatief is voor het gebruik van bestaande faciliteiten, omdat de ZN een "volwassen gasprovincie" is, waar de nieuwe velden die eventueel nog zullen worden ontdekt te klein zullen zijn om de aanleg van nieuwe infrastructuur te rechtvaardigen. (46) Om deze redenen is BPA van mening dat, voor de markt voor de verwerking van gas en de markt voor het vervoer van gas via onderzeese pijpleidingen, de NN en de ZN afzonderlijke geografische markten zijn. Aangezien Arco geen belangen in de NN-gasverwerkingsmarkt heeft, wordt deze markt verder buiten beschouwing gelaten. (47) De geografische markt is echter niet kleiner dan de beide in het voorgaande gedefinieerde regio's. Er is ruimschoots bewijs voorhanden dat de mogelijkheden waarover een nieuw veld beschikt zich niet beperken tot de verschillende faciliteiten op een enkele locatie (bijvoorbeeld drie gasverwerkingsfaciliteiten te Bacton) en/of tot één specifieke locatie die door verschillende pijpleidingen worden bediend (zoals de drie pijpleidingen die de verwerkingsfabriek Bacton-Amoco bedienen). (48) Gelet op het voorgaande is de Commissie van mening dat de ZN en de NN voor zowel het vervoer als de verwerking van gas afzonderlijke geografische markten vormen. Positie van de partijen op de markt(10) a) Pijpleidingen in de NN (49) Tabel 1 geeft een overzicht van de acht verschillende pijpleidingen die de NN-gasvelden met de NN-verwerkingsfabrieken verbinden, met het respectieve eigendomsbelang van de partijen en de naam van de exploitant. De Miller-pijpleiding vervoert momenteel slechts geringe hoeveelheden gas en zal worden uitgebreid (zie overweging 59). Voorts is er momenteel slechts één pijpleiding (Seal) in aanbouw die NN-gasvelden met een ZN-verwerkingsfabriek verbindt. Arco heeft een belang van [...] % in deze pijpleiding. In totaal heeft BPA een eigendomsbelang in drie pijpleidingen en Arco in twee pijpleidingen. Er doet zich geen overlapping voor tussen de eigendomsbelangen van de partijen, en de partijen hebben geen belangen in vier van de negen pijpleidingen. Tabel 1: NN-pijpleidingen >RUIMTE VOOR DE TABEL> (50) Deze aandelen geven de partijen een eigendomsbelang van rond [15-25 %] van de totale nominale transportcapaciteit van de negen gaspijpleidingen (aannemende dat de Miller-pijpleiding zal worden uitgebreid). Uitgaande van de totale verwachte gasdoorvoer voor 1999 van 5058 mmscfd(11) leveren de belangen van de partijen in elke pijpleiding, vermenigvuldigd met de verwachte daadwerkelijke doorvoer per pijpleiding, hun een marktaandeel van ongeveer [10 -20 %] op. b) Pijpleidingen in de ZN (51) Tabel 2 geeft een overzicht van de verschillende pijpleidingen die de ZN-gasvelden met de ZN-gasverwerkingsfabrieken in Dimlington, Easington, Theddlethorpe en Bacton verbinden. De tabel vermeldt voorts het belang van elk van de betrokken ondernemingen en de naam van de exploitant. Uit de tabel kan worden opgemaakt dat BPA belangen in tien pijpleidingen en Arco belangen in zeven pijpleidingen heeft. De belangen van de partijen overlappen elkaar bij vier pijpleidingen. In vier van de 17 pijpleidingen hebben zij geen belangen. Tabel 2: ZN-pijpleidingen >RUIMTE VOOR DE TABEL> (52) Deze belangen geven de partijen een aandeel van ongeveer [30 -50 %] van de totale nominale transportcapaciteit van de in gebruik zijnde gaspijpleidingen. Uitgaande van de totale verwachte gasdoorvoer voor 1999 van 4225 mmscfd leveren de belangen van de partijen in elke pijpleiding, vermenigvuldigd met de verwachte daadwerkelijke doorvoer per pijpleiding, hun een marktaandeel van [30 -40 %] op. (53) British Gas heeft een marktaandeel van ongeveer 15 % en Conoco een marktaandeel van ongeveer 10 %. c) Gasverwerking in de ZN (54) Tabel 3 vermeldt de zeven ZN-gasverwerkingsfaciliteiten met de respectieve eigendomsbelangen van de partijen en de namen van de exploitanten. Uit de tabel kan worden opgemaakt dat de partijen belangen in vijf van deze faciliteiten hebben (BPA 4, Arco 1) en dat zich geen overlappingen voordoen. Deze aandelen geven de partijen een eigendomsbelang van [40-50 %] van de totale nominale ZN-gasverwerkingscapaciteit (Arco minder dan [...] %). Uitgaande van de totale verwachte gasdoorvoer voor 1999 leveren de belangen in elke verwerkingsinstallatie, vermenigvuldigd met de verwachte daadwerkelijke doorvoer in elke faciliteit, de partijen een marktaandeel van [30-40 %] op. Tabel 3: ZN-gasverwerking >RUIMTE VOOR DE TABEL> (55) Conoco en Exxon/Shell bezitten elk ongeveer 15 %. Beoordeling uit het oogpunt van de mededinging (56) Een essentieel element in de exploitatie van pijpleidingen en verwerkingsfaciliteiten in het Verenigd Koninkrijk is dat bij belangrijke beslissingen, waaronder beslissingen over de voorwaarden voor toegang van derden tot de infrastructuur, unanieme overeenstemming tussen alle eigenaren van de infrastructuur vereist is. Aangezien het belangrijkste bezwaar uit het oogpunt van de mededinging waartoe een belang in dergelijke infrastructuur aanleiding geeft, de omstandigheid is dat de eigenaren de ontwikkeling van nieuwe, concurrerende gasvelden kunnen belemmeren, wordt de positie van een afzonderlijke onderneming niet zozeer bepaald door haar belang in de capaciteit, maar veeleer door de totale capaciteit, en met name de reservecapaciteit(12), van de infrastructuur waarin zij een belang heeft. (57) Een uitbreiding van het eigendomsbelang in bepaalde infrastructuur ten gevolge van de concentratie zal BPA derhalve geen grotere invloed op deze pijpleiding opleveren dan zij voorgaand aan de concentratie bezat. a) Pijpleidingen in de NN (58) Van de zeven pijpleidingen die momenteel in gebruik zijn (Miller en de in aanbouw zijnde Seal-pijpleiding niet meegerekend), heeft BPA belangen in twee leidingen en Arco in één leiding. Deze pijpleidingen maken slechts ongeveer de helft van de totale capaciteit uit. Aangezien er momenteel en in de komende twee tot drie jaar geen reservecapaciteit in de NN-pijpleidingen beschikbaar is, hangen de mededingingsbeperkingen die de eigenaren van nieuwe gasvelden ondervinden niet af van de eigendomsbelangen van de eigenaren van NN-pijpleidingen, ofwel, in de context van deze procedure, van de eigendomsbelangen van BPA en Arco. Er is derhalve geen sprake van een machtspositie op deze markt. (59) Deze mededingingsbeperkingen zullen niet wezenlijk veranderen door het feit dat in 2002 ten minste twee andere pijpleidingen in gebruik zullen worden genomen. Het gaat hierbij om de Seal-pijpleiding, waarin Arco een belang van [...] % heeft, en de Miller-pijpleiding, waarmee de eigenaren (BPA [...] %, Conoco [...] % en Enterprise [...] %) in 2002 een capaciteitsniveau van 1200 mmcfd, minder dan [10-25 %] van de totale capaciteit, denken te behalen. De Seal-pijpleiding zal voor het transport van gas uit eigen bronnen (nieuw ontwikkelde gasvelden) worden gebruikt, terwijl de Miller-capaciteit is gericht op het vervoer van aardgas van derden. De transactie leidt derhalve niet tot enige verandering van de marktmacht van de gefuseerde entiteit ten opzichte van de eigenaren van nieuwe gasvelden, omdat de Seal-pijpleiding waarin Arco een belang heeft geen vervoer van gas van eigenaren van nieuwe gasvelden zal verzorgen. Met andere woorden, de aangemelde transactie leidt niet tot het ontstaan of versterken van een machtspositie. b) Pijpleidingen in de ZN (60) Ten gevolge van de transactie zal BPA een belang in 13 van de 17 bestaande pijpleidingen verwerven. De gecombineerde capaciteit van de pijpleidingen waarin de partijen een belang hebben, maakt ongeveer [ > 60 %] van de totale capaciteit uit. Bovendien is uit het marktonderzoek gebleken dat de vier pijpleidingen waarin de partijen geen belangen hebben, slechts beperkte reservecapaciteit hebben. BPA zou derhalve in staat zijn de toegang tot pijpleidingen voor nieuwe velden in het gebied te bepalen, omdat de pijpleidingen met vrije capaciteit in het gebied onder haar zeggenschap staan. Aangezien de ZN een "volwassen gasprovincie" is, is het niet aannemelijk dat er nog nieuwe grote velden zullen worden ontdekt. Het is daarom onwaarschijnlijk dat er nieuwe infrastructuur zal worden aangelegd. (61) De Commissie concludeert derhalve dat de concentratie zal leiden tot het ontstaan van een machtspositie in de markt voor gastransport via pijpleidingen in de ZN. BPA kan deze positie ten nadele van de eigenaren van nieuwe (kleine) gasvelden gebruiken door hoge transporttarieven te vragen of haar aanbod van transportdiensten te beperken. (62) BPA heeft aangevoerd dat het na de concentratie niet over marktmacht in de markt voor pijpleidingen in de ZN zou beschikken, omdat i) de ZN een volwassen gasprovincie is met ruimschoots voldoende capaciteit in de bestaande gaspijpleidingen, ii) nieuwe infrastructuur kan worden aangelegd, en iii) een gebruik in de industrie eraan in de weg staat dat BPA haar eigendomsrechten in meer dan één concurrerende pijpleidingsinfrastructuur uitoefent. De Commissie verwerpt deze argumenten om de volgende redenen. (63) De Commissie erkent dat er een algehele lage bezettingsgraad in de ZN-pijpleidingen is en dat telkens wanneer een nieuw veld (in het algemeen veel kleiner dan de oorspronkelijke velden) over toegang voor derden wil onderhandelen, een hevige concurrentiestrijd tussen de verschillende pijpleidingen kan worden verwacht om de extra inkomsten uit transporttarieven aan te trekken. Uit het marktonderzoek is echter gebleken dat de pijpleidingen waarin de partijen geen belangen hebben, slechts over beperkte reservecapaciteit beschikken. (64) Daarnaast erkent zelfs BPA dat er sinds 1992 geen grote nieuwe pijpleidingen in de ZN zijn aangelegd. Dit wekt geen verbazing, omdat de velden die recentelijk in de ZN zijn ontwikkeld zogenoemde satellietvelden van reeds eerder ontwikkelde grotere velden zijn. Voorts wordt niet verwacht dat er nog grote velden zullen worden ontdekt. Er zullen derhalve naar verwachting geen nieuwe pijpleidingen worden aangelegd, omdat de verwachte cashflow die de satellietvelden zullen genereren te klein zal zijn om de voor de aanleg van een nieuwe eigen pijpleiding benodigde investering terug te verdienen. Dergelijke velden kunnen in het algemeen niet worden ontwikkeld zonder gegarandeerde toegang van derden tot pijpleidingen en verwerkingsfaciliteiten. (65) De partijen verwijzen naar het "step out"-gebruik in de olie- en gasindustrie in het Verenigd Koninkrijk. Volgens dit gebruik onthoudt een onderneming die belangen heeft in twee of meer pijpleidingen die met elkaar concurreren zich van de uitoefening van haar stemrecht in meer dan één van de betrokken pijpleidingconsortia. BPA stelt hiermee dat zij niet in staat zal zijn haar vetorecht uit te oefenen om gas van bijvoorbeeld de Bacton-Amoco-leiding (waarin zij een [...] %-belang heeft) te verplaatsen naar bijvoorbeeld de Bacton-Leman-leiding (waarin haar belang [...] % bedraagt). Het terugtrekkingsgebruik is een algemene erkenning van het feit dat ondernemingen zich bij tijd en wijle in een positie van conflicterende belangen kunnen bevinden wanneer zij eigendomsbelangen bezitten in infrastructuur die concurreert bij het aanbieden van transport- en/of verwerkingsdiensten aan een potentiële gebruiker. Hoewel het zelden voorkomt dat "terugtrekkings"-verplichtingen worden opgenomen in contracten die betrekking hebben op de eigendom van de verschillende onderdelen van de infrastructuur, is het een vast gebruik in de olie- en gasindustrie in het Verenigd Koninkrijk. BPA is van mening dat inachtneming van het "terugtrekkings"-gebruik een belangrijke factor is bij de naleving van het discriminatieverbod (als vervat in de Offshore Infrastructure Code of Practice), waardoor sancties uit hoofde van het nationale recht van het Verenigd Koninkrijk (Section 17 van de Petroleum Act 1998 en Section 12 van de Gas Act 1995) kunnen worden vermeden. (66) De Offshore Infrastructure Code of Practice (opgesteld door het ministerie van Handel en Industrie van het Verenigd Koninkrijk) is door alle eigenaren van offshore-infrastructuur voor het transport van olie en gas aanvaard, en is erop gericht objectiviteit en doorzichtigheid bij de beschikbaarstelling van infrastructuur voor derden te bewerkstelligen. Section 17 van de Petroleum Act 1998 biedt de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk de rechtsgrond om te eisen dat derden op redelijke voorwaarden toegang tot olie- en gaspijpleidingen wordt verleend, wanneer de eigenaren van de infrastructuur dit weigeren. Section 12 van de Gas Act 1995 biedt de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk de rechtsgrond om te eisen dat derden op redelijke voorwaarden toegang tot gasverwerkingsfaciliteiten wordt verleend, wanneer de eigenaren van de installatie dit weigeren. (67) Het marktonderzoek heeft het bestaan van het door de partijen beschreven "terugtrekkings"-gebruik bevestigd. Het gebruik als zodanig maakt evenwel geen deel uit van de vrijwillige Code of Practice (Gedragscode). Of het gebruik in acht wordt genomen, hangt derhalve uitsluitend af van het eenzijdig handelen van alle betrokken ondernemingen. Het toekomstige gedrag van BPA zou derhalve uitsluitend worden beteugeld door haar vrijwillige gebondenheid aan een niet noodzakelijkerwijs afdwingbaar gebruik. (68) Zelfs indien zou worden aanvaard dat het "terugtrekkings"-gebruik een afspiegeling vormt van de Gedragscode, waarvan de naleving zou kunnen worden afgedwongen door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk, zou dit niet voldoende zijn. De Commissie kan bij de beoordeling van concentraties volgens de stringente criteria van artikel 2, lid 3, van de concentratieverordening niet aanvaarden dat de aanwezigheid van een regulerende instantie die tot taak heeft toezicht te houden op het gedrag van de partijen en dit gedrag te corrigeren, de conclusie rechtvaardigt dat er geen machtspositie zal ontstaan. (69) De Commissie komt derhalve tot de slotsom dat de concentratie tot een machtspositie op de markt voor gaspijpleidingen in de ZN zou leiden. c) Gasverwerking in de ZN (70) Als gevolg van de concentratie zullen de partijen belangen bezitten in vijf van de zeven gasverwerkingsfaciliteiten die de ZN-sector bedienen. Voorts bedraagt hun aandeel in de bestaande capaciteit en de feitelijke doorvoer meer dan 40 %. Bovendien beschikken de beide faciliteiten waarin de partijen geen belangen hebben slechts over een beperkte reservecapaciteit in piektijden. De pijpleidingen waarin de partijen wel een belang hebben, beschikken daarentegen zelfs in piektijden over een reservecapaciteit van meer dan 50 %. De gefuseerde entiteit zal derhalve in staat zijn de toegang voor nieuwe velden te bepalen, aangezien zij enige eigenaar is van twee faciliteiten en mede-eigenaar van drie faciliteiten, waar haar zeggenschap voortvloeit uit het unanimiteitsvereiste dat voor twee van deze faciliteiten geldt. De beschikbare reservecapaciteit in piektijden in de derde terminal (Bacton-BPA), waar elk der deelnemers vrij is om zijn reservecapaciteit aan derden aan te bieden, vertegenwoordigt minder dan [10 -20 %] van de totale capaciteit. BPA bezit echter [ > 25 %] van de totale capaciteit in de terminal. De vrije capaciteit die aldaar beschikbaar is voor de overige eigenaren, bedraagt slechts ongeveer 5 % van de totale capaciteit. Voorts valt niet uit te sluiten dat BPA, als exploitant van de terminal, de beschikbaarheid van deze vrije capaciteit nog verder zal beperken. (71) De in het voorgaande beschreven argumenten van BPA met betrekking tot de ZN-pijpleidingen zijn ook aangevoerd met betrekking tot de ZN-verwerkingsmarkt. Om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet, worden ook deze argumenten van de hand gewezen. (72) De concentratie zal derhalve ook leiden tot het ontstaan van een machtspositie op de markt voor gasverwerking in de ZN. V. DOOR DE PARTIJEN VOORGESTELDE VERBINTENISSEN A. VERBINTENISSEN (73) BPA heeft zich jegens de Commissie verbonden tot het afstoten van de eigendomsbelangen die Arco momenteel bezit in [bepaalde gedeelten van de gasvervoer- en gasverwerkingsinfrastructuur in de ZN]. Deze eigendomsbelangen zullen worden verkocht aan een of meer kopers die door de Commissie zijn goedgekeurd. Voorts heeft BPA zich ertoe verbonden deze activa niet terug te zullen kopen zonder voorafgaande goedkeuring van de Commissie. (74) De volledige tekst van de verbintenissen is in de bijlage vervat. B. BEOORDELING (75) De afstoting door BPA van de belangen van Arco in de pijpleidingen en verwerkingsfaciliteiten waarin BPA momenteel geen belang heeft, betekent dat de concurrentiepositie van BPA voor en na de concentratie gelijk is. Zoals opgemerkt, wordt toegang van derden tot de ZN-pijpleidingen en -verwerkingsfaciliteiten immers op basis van unanieme overeenstemming tussen de eigenaren verleend. De concurrentiepositie is derhalve afhankelijk van het aantal pijpleidingen waarin een onderneming een belang heeft, en van de totale reservecapaciteit van deze pijpleidingen. De afstoting van de belangen in de "extra" infrastructuur sluit derhalve overlapping van BPA en Arco op de relevante markten uit. De Commissie concludeert daarom dat er als gevolg van de verbintenissen geen machtspositie op de relevante markten zal ontstaan. VI. CONCLUSIE (76) Gelet op artikel 10, lid 2, van de concentratieverordening, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 2, van deze verordening, concludeert de Commissie dat de door BPA aangeboden verbintenissen toereikend zijn om de ernstige twijfel die zij in haar besluit tot inleiding van de procedure en het daaropvolgende onderzoek van de transactie had geuit, weg te nemen. (77) De transactie is derhalve, mits de in de bijlage vervatte voorwaarden volledig worden nageleefd, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt en de EER-overeenkomst, HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN: Artikel 1 Op voorwaarde dat de verbintenissen met betrekking tot de afstoting van [bepaalde gedeelten van de gasvervoer- en gasverwerkingsinfrastructuur in de ZN], die in de bijlage zijn vervat, volledig worden nageleefd, wordt de concentratie die BP Amoco plc op 4 mei 1999 heeft aangemeld en die de verwerving van de zeggenschap over Atlantic Richfield Company omvat, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt en de EER-overeenkomst verklaard. Artikel 2 Deze beschikking is gericht tot: BP Amoco plc Britannic House 1, Finsbury Circus London EC2M 7BA United Kingdom. Gedaan te Brussel, 29 september 1999. Voor de Commissie Mario Monti Lid van de Commissie (1) PB L 395 van 30.12.1989, blz. 1. Verordening gerectificeerd in PB L 257 van 21.9.1990, blz. 13. (2) PB L 180 van 9.7.1997, blz. 1. (3) PB C ..., van..., blz. .... (4) Zie beschikking van de Commissie van 11 december 1998 in zaak nr. IV/M.1293 - British Petroleum/Amoco Corporation. (5) Omzet berekend overeenkomstig artikel 5, lid 1, van de concentratieverordening en de mededeling van de Commissie betreffende de berekening van de omzet (PB C 66 van 2.3.1998, blz. 25). Voorzover de cijfers mede de omzet voor de periode vóór 1 januari 1999 omvatten, zijn zij berekend op basis van de gemiddelde ecu-wisselkoers en in euro omgerekend op een één-op-één-basis. (6) Zie de beschikking van de Commissie in zaak nr. IV/M.1200 - Arco Union Texas (PB C 16 van 21.1.1999, blz. 8), de beschikking van de Commissie in zaak nr. IV/M.88 - Elf Enterprise (PB C 203 van 2.8.1991) en de beschikking van de Commissie in zaak nr. IV/M.85 - Elf Occidental (PB C 160 van 20.6.1991). (7) Gedeelten van deze tekst zijn bewerkt om te voorkomen dat vertrouwelijke informatie wordt bekendgemaakt; deze gedeelten staan tussen vierkante haken. (8) De prijzen op de markten voor ruwe olie kunnen in aanmerkelijke mate worden beïnvloed door loutere aankondigingen na een OPEC-bijeenkomst. (9) Arco heeft geen belangen in onshore-productievelden. (10) De in dit onderdeel vermelde capaciteitscijfers zijn gebaseerd op de door de marktpartijen opgegeven feitelijke capaciteit. Die cijfers gelden derhalve als bedrijfsgeheim van de onderscheiden partijen en kunnen niet op niet-vertrouwelijke wijze worden weergegeven. Hoewel de nominale capaciteit van de infrastructuur algemeen beschikbaar is, blijkt deze geen betrouwbare maatstaf te zijn voor alle markten. (11) Miljoen metrische standaard kubieke voet per dag. (12) Gedefinieerd als de ongebruikte capaciteit die beschikbaar is in de infrastructuur, ongeacht de herkomst van de daadwerkelijke gasdoorvoer (eigen gas van de eigenaren van de infrastructuur + gas waarvoor met derden een overeenkomst is gesloten). BIJLAGE Verbintenissen die overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 4064/89 door BP Amoco plc zijn voorgesteld om de bezwaren uit het oogpunt van de mededinging weg te nemen: 1. Definities 1.1. In deze verbintenissen wordt verstaan onder: "ABL" Arco British Limited (een volle dochteronderneming van Arco); "Datum van goedkeuring" de datum waarop de Commissie op grond van artikel 8, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 4064/89 de beschikking geeft waarbij de concentratie tussen BPA en Arco verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard, op voorwaarde dat BPA de hierin vervatte verbintenissen gestand doet, of, bij gebreke van een dergelijke beschikking, de datum waarop deze concentratie geacht wordt verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te zijn verklaard; "Arco" Atlantic Richfield Company; "BPA" BP Amoco plc; "BP Amoco-dochter" een onderneming waarop BPA een beslissende invloed kan uitoefenen in de zin van artikel 3, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 4064/89; "Commissie" de Commissie van de Europese Gemeenschappen; [...] "overeenkomst" de concentratieovereenkomst, met inbegrip van het plan, die op 31 maart 1999 tussen BPA, Arco en Prairie Holdings, Inc. is gesloten; "gevolmachtigde" de persoon die door BPA is aangewezen ingevolge punt 2.5, 2.6 of 2.7 (naar gelang van het geval) van deze verbintenissen; "relevante activa" [...] [...] 2. Vervreemding van relevante activa en daarmee verbonden aangelegenheden 2.1. BPA verbindt zich er jegens de Commissie toe: 2.1.1. ervoor te zorgen dat ABL uiterlijk op [een specifiek tijdstip] de eigendom van de relevante activa heeft overgedragen aan een of meer door de Commissie goedgekeurde kopers, en 2.1.2. ervoor te zorgen dat noch de onderneming zelf, noch enige BP Amoco-dochter relevante activa terugkoopt zonder voorafgaande goedkeuring van de Commissie, met dien verstande dat, indien de Commissie op de veertiende dag na de datum waarop BPA een schriftelijk verzoek om goedkeuring aan de Commissie zendt, nog niet schriftelijk te kennen heeft gegeven haar goedkeuring hieraan te onthouden, de Commissie wordt geacht haar goedkeuring te hebben gegeven. 2.2. Indien de Commissie op enig moment na de datum van voltooiing van de concentratie op redelijke gronden vermoedt dat BPA de in punt 2.1.1 bedoelde verbintenis niet zorgvuldig naleeft, heeft zij de bevoegdheid een trustee te benoemen. 2.3. Indien ABL op [een specifieke datum] de eigendom van de relevante activa nog niet heeft overgedragen aan een of meer door de Commissie goedgekeurde kopers, wijst BPA een trustee aan. 2.4. De wijze waarop een trustee wordt benoemd uit hoofde van de punten 2.2 en 2.3, en het mandaat dat aan deze trustee wordt verleend, zijn beschreven in de bijgevoegde appendix. 2.5. Uiterlijk op [een specifieke datum] na de datum van goedkeuring dient BPA bij de Commissie de naam van een van BPA onafhankelijke persoon in die BPA (gelet op de kennis en ervaring van die persoon) geschikt acht om als gevolmachtigde van BPA (hierna "de gevolmachtigde" genoemd) na de datum van voltooiing van de concentratie deel te nemen aan besprekingen met de eigenaren van participaties in de relevante activa en ABL's stemrecht uit te oefenen in de bijeenkomsten van de exploitatiecomités van de relevante activa met betrekking tot het vervoer en/of de verwerking in enige van de relevante activa van gas van partijen die geen eigendomsbelangen in de betrokken relevante activa hebben. 2.6. Indien de Commissie de op grond van punt 2.5 door BPA ingediende naam afkeurt, dient BPA binnen zeven dagen na ontvangst van de schriftelijke mededeling van deze afwijzing de naam van een alternatieve persoon voor de functie van gevolmachtigde in, met dien verstande dat, indien de Commissie op de veertiende dag na de datum waarop BPA de naam van een persoon voor de functie van gevolmachtigde indient (hetzij uit hoofde van punt 2.5, hetzij uit hoofde van dit punt 2.6) nog niet schriftelijk te kennen heeft gegeven de aldus voorgedragen persoon af te keuren, de Commissie wordt geacht de betrokken persoon te hebben goedgekeurd. 2.7. In het geval dat de Commissie op redelijke gronden twee achtereenvolgende door BPA als gevolmachtigde voorgedragen personen afwijst, noemt de Commissie een alternatieve persoon die over de vereiste kennis en ervaring beschikt om als gevolmachtigde op te treden, en benoemt BPA deze persoon binnen zeven dagen na de aanwijzing door de Commissie tot gevolmachtigde. 2.8. Indien de Commissie op redelijke gronden van mening is dat de gevolmachtigde zijn of haar mandaat niet zorgvuldig uitvoert, heeft de Commissie het recht dit schriftelijk aan BPA mee te delen, in welk geval een nieuwe persoon zal worden benoemd (volgens de in de punten 2.5 tot en met 2.7 beschreven procedure, mutatis mutandis) om als gevolmachtigde op te treden. 2.9. Het mandaat van de gevolmachtigde zal erin bestaan dat hij of zij er gedurende de periode vanaf de datum van voltooiing van de concentratie tot de datum waarop de eigendom van een relevant activum overgaat op een door de Commissie goedgekeurde koper voor moet zorgen dat de rechten van ABL uit hoofde van de exploitatieovereenkomst (of soortgelijke overeenkomst) met betrekking tot het vervoer en/of de verwerking in dat relevante activum van gas van partijen die geen eigendomsbelangen in dat relevante activum hebben, worden uitgeoefend in het belang van het betrokken relevante activum. Bovendien zal de gevolmachtigde regelmatig (ten minste elke twee maanden) een schriftelijk verslag aan de Commissie uitbrengen over de voortgang die is geboekt bij de uitoefening van het mandaat van de gevolmachtigde. 3. Kennisgevingen en andere contacten 3.1. Alle kennisgevingen en andere schriftelijke contacten tussen de Commissie en BPA die voortvloeien uit of betrekking hebben op deze verbintenissen (met inbegrip van de bijgevoegde appendix) worden per fax of koeriersdienst gericht aan het volgende nummer/adres: aan de Commissie: - per fax: (32-2) 296 43 01; - per koerier: Commissie van de Europese Gemeenschappen (DG IV B) Kortenberglaan 150 B - 1049 Brussel ter attentie van de directeur belast met het toezicht op concentraties; aan BPA: - per fax: (44-207) 496 45 71; - per koerier: BP Amoco Legal BP Amoco plc Britannic House 1 Finsbury Circus London EC2M 7BA United Kingdom ter attentie van Juan A. Rodriguez, Solicitor. 3.2. Elke kennisgeving of andere mededeling die per fax wordt gedaan, wordt geacht te zijn ontvangen op de dag en het tijdstip als vermeld in het transmissierapport van het faxapparaat waarmee de kennisgeving of mededeling is verzonden, tenzij dit tijdstip later is dan 17.00 uur in het land van ontvangst of de desbetreffende dag in het land van ontvangst geen werkdag is, in welk geval de kennisgeving of andere mededeling geacht wordt te zijn ontvangen om 10.00 uur op de eerstvolgende werkdag in het land van ontvangst. Elke kennisgeving of andere mededeling die per koerier wordt verzonden, wordt geacht te zijn ontvangen op de dag en het tijdstip als vermeld in de ontvangstbevestiging die wordt gegeven aan de persoon die de levering verricht, tenzij dit tijdstip later is dan 17.00 uur in het land van ontvangst of de desbetreffende dag in het land van ontvangst geen werkdag is, in welk geval de kennisgeving of andere mededeling geacht wordt te zijn ontvangen van 10.00 uur op de eerstvolgende werkdag in het land van ontvangst. 4. Verslagen en goedkeuring van koper(s) van relevante activa 4.1. BPA: 4.1.1. stelt de Commissie onverwijld in kennis van alle wezenlijke ontwikkelingen (met inbegrip, en zonder beperking, van de identiteit van elke beoogde koper van de relevante activa) die verband houden met de naleving door BPA van de onderhavige verbintenissen, en 4.1.2. zendt de Commissie elke twee maanden gedurende de periode vanaf de datum van goedkeuring tot de overdracht van de eigendom van de relevante activa aan een of meer door de Commissie goedgekeurde kopers een schriftelijk verslag toe, waarin de stand van zaken met betrekking tot de vervreemding van de relevante activa wordt beschreven. 4.2. Wanneer BPA de Commissie in kennis stelt van de identiteit van een beoogde koper van relevante activa, verstrekt BPA in deze kennisgeving de informatie waarover zij beschikt met betrekking tot de in punt 4.3, onder i) tot en met iv), genoemde aangelegenheden. 4.3. De Commissie zal zich zoveel mogelijk inspannen om BPA binnen 14 dagen na ontvangst van een kennisgeving uit hoofde van punt 4.2 in kennis te stellen van de geschiktheid van (een) beoogde koper(s) van de relevante activa. Bij de beoordeling van de geschiktheid van een beoogde koper zal de Commissie in aanmerking nemen of deze koper i) naar de mening van de Commissie de positie en de middelen heeft om de relevante activa als levensvatbare concurrent van BPA in eigendom te hebben, ii) onafhankelijk is van BPA, iii) aantoonbaar geen wezenlijke en relevante commerciële relaties met BPA onderhoudt die twijfel doen rijzen over de onafhankelijkheid van deze koper ten opzichte van BPA, en iv) alle relevante goedkeuringen bezit, of redelijkerwijs kan verkrijgen, van de relevante mededingingsautoriteiten en andere regelgevende instanties in de Europese Gemeenschap en elders (indien nodig). Indien de Commissie BPA aan het einde van de veertiende dag na de ontvangst van een kennisgeving uit hoofde van punt 4.2 niet schriftelijk te kennen heeft gegeven een beoogde koper af te keuren (waarbij in de mate van het redelijke de gronden voor deze afwijzing worden gegeven), wordt (worden) de in de kennisgeving genoemde beoogde koper(s) geacht door de Commissie geschikt te zijn bevonden om de betrokken relevante activa te kopen. 5. Duur van de verbintenissen De onderhavige verbintenissen van BPA vervallen van rechtswege op het moment dat de concentratieovereenkomst wordt beëindigd op grond van artikel V van deze overeenkomst, of de voorgenomen concentratie tussen BPA en Arco om enige andere reden niet doorgaat of wordt gestaakt. Appendix 1. a) Indien de Commissie besluit gebruik te maken van de in punt 2.2 bedoelde bevoegdheid, verzoekt zij BPA haar binnen zeven dagen na de ontvangst van dit verzoek door BPA de namen van ten minste twee ervaren, van BPA onafhankelijke investeringsbanken of vergelijkbare instellingen voor te stellen die BPA geschikt acht om als trustee te worden aangewezen. b) Indien ABL op de relevante datum of, indien deze later valt, de datum van voltooing van de concentratie, de eigendom van de relevante activa niet aan een of meer van de door de Commissie goedgekeurde kopers heeft overgedragen, stelt BPA de Commissie uiterlijk op de zevende dag na de relevante datum of, indien deze later valt, na de datum van voltooiing van de concentratie de namen voor van ten minste twee ervaren, van BPA onafhankelijke investeringsbanken of vergelijkbare instellingen die BPA geschikt acht om als trustee te worden aangewezen. c) De Commissie kan naar eigen inzicht een of beide namen die door BPA zijn ingediend overeenkomstig punt 1, onder a) en/of b), van deze appendix goed- of afkeuren, met dien verstande dat, indien de Commissie op de veertiende dag na de datum waarop BPA deze namen heeft ingediend nog niet schriftelijk te kennen heeft gegeven dat zij de door BPA voorgedragen instellingen afkeurt, deze instellingen worden geacht door de Commissie te zijn goedgekeurd. Indien naar aanleiding van het voorgaande slechts één naam wordt goedgekeurd, wijst BPA de betrokken instelling aan als trustee. Indien meer dan één naam wordt goedgekeurd, staat het BPA vrij om uit deze goedgekeurde namen een trustee te kiezen. d) Indien alle namen die overeenkomstig punt 1, onder c), van deze appendix zijn voorgesteld, worden afgekeurd, dient BPA, binnen zeven dagen na kennisgenomen te hebben van de afwijzing, de namen van ten minste twee andere instellingen in (hierna "de nieuwe namen" genoemd). Indien slechts één nieuwe naam wordt goedgekeurd (of geacht wordt te zijn goedgekeurd omdat de Commissie niet binnen 14 dagen na ontvangst van de nieuwe namen BPA schriftelijk te kennen heeft gegeven de nieuwe naam af te keuren), wijst BPA de betrokken instelling aan als trustee. Indien meer dan één nieuwe naam wordt goedgekeurd, staat het BPA vrij om uit deze goedgekeurde namen een trustee te kiezen. e) Indien alle nieuwe namen worden afgewezen, wijst de Commissie een trustee aan die door BPA zal worden benoemd. 2. Binnen zeven dagen nadat de Commissie één of meer namen heeft goedgekeurd, of een trustee heeft aangewezen, benoemt BPA de trustee. 3. Het mandaat van de trustee omvat de volgende taken: a) erop toezien dat BPA de levensvatbaarheid en de marktwaarde van de relevante activa handhaaft en dat elk van de relevante activa wordt geëxploiteerd in het kader van een normale bedrijfsvoering en op een wijze die overeenkomt met de status daarvan; b) erop toezien dat BPA zich op een bevredigende wijze kwijt van de verplichtingen uit hoofde van de in punt 2.1.1 gegeven verbintenis (waarbij een trustee die op grond van punt 2.3 is benoemd, naast de andere taken die deel uitmaken van zijn of haar taak, uiterlijk [...] na zijn of haar benoeming de eigendom van de relevante activa aan een of meer door de Commissie goedgekeurde kopers dient over te dragen [...]). Met name moet de trustee: i) erop toezien, en de Commissie ervan in kennis stellen, dat de procedure voor de selectie van kopers voor de relevante activa geschikt is en de onderhandelingen met elke kandidaat-koper naar behoren gevoerd worden; ii) erop toezien, en de Commissie ervan in kennis stellen, dat de overeenkomsten die worden gesloten met elke koper van een of meer van de relevante activa garant staan voor een correcte vervreemding van de relevante activa, zoals bepaald in de in punt 2.1.1 gegeven verbintenis, en c) schriftelijke verslagen (hierna "verslagen van de trustee" genoemd) uitbrengen aan de Commissie over de voortgang bij de uitvoering van het mandaat van de trustee, waarbij hij of zij moet aangeven in welke opzichten het mandaat niet kon worden uitgevoerd. Deze verslagen moeten maandelijks worden ingediend, met ingang van een maand na de datum van benoeming van de trustee, tenzij de Commissie andere tijdstippen of een andere frequentie voorschrijft. 4. Gedurende de periode waarvoor de trustee is benoemd kan de Commissie te allen tijde, indien zij op redelijke gronden van mening is dat de in punt 2.1.1 bedoelde verbintenis niet naar behoren wordt nageleefd, de trustee verzoeken de volgende aanvullende taken (hierna "het verzoek" genoemd) te verrichten, in welk geval het mandaat van de trustee wordt geacht dienovereenkomstig te zijn uitgebreid (met dien verstande dat de trustee in het geval van een conflict met de oorspronkelijke taken (als omschreven in punt 3 van deze appendix) voorrang geeft aan de uitvoering van deze aanvullende taken): a) ervoor zorgen dat de relevante activa niet anders dan in het kader van een normale bedrijfsvoering en overeenkomstig hun status worden geëxploiteerd; b) zorgen voor een correcte vervreemding van de relevante activa; c) in de verslagen van de trustee, of in elk geval binnen een maand na kennisgenomen te hebben van het verzoek, bij de Commissie een voorstel indienen voor een methode en een tijdschema voor de afstoting van de relevante activa in overeenstemming met de in punt 2.1.1 gegeven verbintenis (in welk geval de Commissie zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is het voorstel goedkeurt of de door haar gewenste wijzigingen aangeeft); d) in de verslagen van de trustee, of zodra onderhandelingen worden begonnen met gegadigde kopers, voldoende informatie aan de Commissie verstrekken om haar in staat te stellen zich een oordeel te vormen over de geschiktheid van de betrokken koper(s); e) de onderhandelingen met een gegadigde koper afbreken, of BPA de opdracht geven de onderhandelingen af te breken, indien de Commissie van oordeel is dat deze onderhandelingen met een ongeschikte koper worden gevoerd, en f) de Commissie ter goedkeuring een verkoopovereenkomst voorleggen voor (elk van) de relevante activa; deze overeenkomst moet onvoorwaardelijk voor zowel de koper als de verkoper zijn, en onherroepelijk, behoudens de vereiste goedkeuring(en) van de Commissie en de eventuele goedkeuringen die nodig zijn van enige andere autoriteit of persoon. 5. BPA verbindt zich ertoe de trustee alle bijstand en informatie, met inbegrip van kopieën van alle relevante documenten, te verschaffen die hij of zij redelijkerwijs nodig heeft voor de uitvoering van zijn of haar mandaat, en een redelijke vergoeding te betalen voor zijn of haar diensten. 6. Indien BPA aankondigt dat onherroepelijk wordt afgezien van de voorgenomen concentratie tussen BPA en Arco, wordt het mandaat (of worden de mandaten) van de trustee geacht te zijn vervuld, en wordt zijn of haar benoeming onmiddellijk beëindigd.