This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 31994R2247
Commission Regulation (EC) No 2247/94 of 15 September 1994 establishing procedures for administering the additional quantitative quota introduced by Council Regulation (EC) No 1921/94
VERORDENING (EG) Nr. 2247/94 VAN DE COMMISSIE van 15 september 1994 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor het beheer van het aanvullende kwantitatieve contingent dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1921/94 van de Raad
VERORDENING (EG) Nr. 2247/94 VAN DE COMMISSIE van 15 september 1994 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor het beheer van het aanvullende kwantitatieve contingent dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1921/94 van de Raad
PB L 242 van 17.9.1994, pp. 2–4
(ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
No longer in force, Date of end of validity: 31/12/1994
VERORDENING (EG) Nr. 2247/94 VAN DE COMMISSIE van 15 september 1994 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor het beheer van het aanvullende kwantitatieve contingent dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1921/94 van de Raad
Publicatieblad Nr. L 242 van 17/09/1994 blz. 0002 - 0004
VERORDENING (EG) Nr. 2247/94 VAN DE COMMISSIE van 15 september 1994 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor het beheer van het aanvullende kwantitatieve contingent dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1921/94 van de Raad DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op Verordening (EG) nr. 520/94 van de Raad van 7 maart 1994 houdende de totstandbrenging van een communautaire procedure voor het beheer van de kwantitatieve contingenten (1), inzonderheid op artikel 2, leden 3 en 4, en de artikelen 7, 13, 16 en 24, Overwegende dat de Raad bij Verordening (EG) nr. 1921/94 van 25 juli 1994 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 519/94 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (2) voor 1994 het contingent voor de onder GN-code 9503 41 vallende speelgoederen van oorsprong uit de Volksrepubliek China met een bedrag van 45 534 917 ecu heeft verhoogd. Overwegende dat de Raad in deze zelfde verordening heeft vastgesteld dat dit extra bedrag moest worden toegewezen overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG) nr. 520/94; Overwegende dat de Commissie haar goedkeuring heeft gehecht aan Verordening (EG) nr. 738/94 (3) tot vaststelling van een aantal bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 520/94; dat deze bepalingen van toepassing zijn op het beheer van het voornoemde aanvullende bedrag, onder voorbehoud van het bepaalde in de onderhavige verordening; Overwegende dat het voor het beheer van dit aanvullende bedrag, dat met name is vastgesteld om de overgang van de vroegere invoerregeling naar de regeling die bij Verordening (EG) nr. 519/94 is ingesteld beter te doen verlopen, dienstig lijkt om, vanwege dezelfde redenen als die welke uiteengezet zijn in Verordening (EG) nr. 747/94 van de Commissie van 30 maart 1994 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor het beheer van de kwantitatieve contingenten die op bepaalde produkten van oorsprong uit China van toepassing zijn (4), de methode toe te passen die is vastgesteld voor het beheer van het oorspronkelijke contingent, en dezelfde percentages over te nemen voor de verdeling tussen de traditionele importeurs en de andere importeurs, onder voorbehoud van de hierna vermelde aanpassingen; Overwegende dat, voor de vaststelling van het aan de traditionele importeurs toe te wijzen gedeelte van het contingent, het dienstig blijkt de voor de verdeling van het oorspronkelijke contingent toegepaste referentieperiode, dit is 1991-1992, te behouden; dat deze periode inderdaad representatief blijft voor een normale evolutie van de traditionele handelsstromen die zich onder het vorige regime hebben gevormd, en toelaat een homogeen beheer van het contingent voor 1994 te waarborgen; Overwegende echter dat het wenselijk is de formaliteiten te vereenvoudigen die vervuld moeten worden door de traditionele importeurs die al houder zijn van een invoervergunning voor de onder GN-code 9503 41 vallende speelgoederen, die afgegeven is bij de verdeling van het oorspronkelijke contingent krachtens Verordening (EG) nr. 1012/94 van de Commissie van 29 april 1994 tot vaststelling van de aan traditionele importeurs toe te wijzen hoeveelheden van de kwantitatieve EG-contingenten die van toepassing zijn op bepaalde produkten uit de Volksrepubliek China (5); dat de bevoegde administratieve autoriteiten namelijk al over de vereiste bewijsstukken beschikken voor elk van deze traditionele importeurs; dat het derhalve voldoende is dat de genoemde importeurs bij hun nieuwe vergunningaanvraag een copie van hun vorige vergunning voegen; Overwegende dat voor de vaststelling van het aan de overige importeurs toe te wijzen gedeelte van het contingent uit de opgedane ervaringen is gebleken dat de bij artikel 10 van Verordening (EG) nr. 520/94 vastgestelde methode, namelijk de verdeling volgens de volgorde van binnenkomst van de aanvragen, onaangepast kan blijken te zijn; dat er dientengevolge, in overeenstemming met artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 520/94, aanleiding is om een alternatieve methode vast te stellen; dat het derhalve wenselijk lijkt om een proportionele verdeling te voorzien naar rato van de gevraagde hoeveelheden op basis van het gelijktijdige onderzoek van de aanvragen voor importvergunningen die werkelijk zijn ingediend, in overeenstemming met artikel 13 van Verordening (EG) nr. 520/94; Overwegende dat er, teneinde de beste voorwaarden te creëren voor de toewijzing en de tijdige benutting van het extra bedrag, reden is om eventuele speculatieve verzoeken te voorkomen en bovendien erop toe te zien dat economisch verantwoorde hoeveelheden worden toegewezen; dat het derhalve nodig is om het bedrag dat elke andere dan traditionele importeur mag vragen, te beperken tot 30 000 ecu; Overwegende dat het, gezien het bijzondere karakter van de handel in het betrokken produkt, dienstig lijkt de geldigheidsduur van de invoervergunning vast te stellen op zes maanden te rekenen vanaf de datum van afgifte door de Lid-Staten; Overwegende dat de Lid-Staten de Commissie kennis dienen te geven van de aanvragen voor invoervergunningen die zij ontvangen; dat de gegevens betreffende de vroegere invoer van de traditionele importeurs per referentiejaar moeten worden uitgesplitst en in ecu worden uitgedrukt, als eenheid die wordt gebruikt voor de vaststelling van het contingent; dat de tegenwaarde in nationale valuta waarin de vroegere invoer is uitgedrukt, wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (2); Overwegende dat deze maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het bij Verordening (EG) nr. 520/94 ingestelde comité, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Bij deze verordening worden nadere bepalingen vastgesteld voor het beheer van het bij Verordening (EG) nr. 1921/94 voor 1994 ingestelde aanvullende kwantitatieve contingent. Verordening (EG) nr. 738/94 tot vaststelling van een aantal bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 520/94 is van toepassing onder voorbehoud van de bijzondere bepalingen van de onderhavige verordening. Artikel 2 Het in artikel 1 bedoelde kwantitatieve contingent wordt toegewezen volgens de op de traditionele handelsstromen gebaseerde methode bedoeld in artikel 2, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 520/94. Het voor de andere importeurs bestemde gedeelte van het kwantitatieve contingent zal evenwel worden verdeeld door toepassing van de toewijzingsmethode naar rato van de gevraagde hoeveelheden, met dien verstande dat het door elke importeur gevraagde bedrag de 30 000 ecu niet mag overschrijden. Artikel 3 Het aan de traditionele importeurs toegewezen deel van het kwantitatieve contingent bedraagt 34 151 188 ecu (75 %). Het aan de andere importeurs toegewezen deel van het kwantitatieve contingent bedraagt 11 383 729 ecu (25 %). Artikel 4 De aanvragen voor invoervergunningen worden ingediend gedurende de periode lopende van de dag na die van de bekendmaking van onderhavige verordening in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen tot 28 september 1994 te 15.00 uur (Brusselse tijd) bij de bevoegde administratieve instanties bedoeld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 738/94. Artikel 5 1. De referentieperiode voor de toepassing van artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 520/94 bestaat uit de kalenderjaren 1991 en 1992. 2. De in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 520/94 bedoelde bewijsstukken dienen verband te houden met de in de kalenderjaren 1991 en 1992 in het vrije verkeer gebrachte produkten van oorsprong uit de Volksrepubliek China die onder GN-code 9503 41 vallen. 3. In plaats van de onder het eerste streepje van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 520/94 bedoelde bewijsstukken, - mag de aanvrager zijn vergunningaanvraag vergezeld doen gaan van een door de bevoegde nationale instanties opgesteld en gecertificeerd bewijsstuk, gebaseerd op de douanegegevens waarover deze beschikken, in verband met het betrokken produkt dat in de kalenderjaren 1991 en 1992 werd ingevoerd, hetzij door hemzelf, hetzij, in voorkomend geval, door de handelaar wiens activiteit hij heeft overgenomen; - mag de aanvrager die al houder is van een invoervergunning die afgegeven is uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1012/94 en betrekking heeft op het onder GN-code 9503 41 vallende produkt, zijn vergunningaanvraag vergezeld doen gaan van een copie van de vorige vergunning. In dat geval moet hij in de aanvraag tot invoervergunning evenwel de globale waarde aangeven van de voor het betrokken produkt verrichte invoertransacties in elk van de jaren van de referentieperiode. 4. Artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 is, in voorkomend geval, van toepassing op de in nationale valuta luidende bewijsstukken. Artikel 6 De Lid-Staten delen de Commissie uiterlijk op 10 oktober 1994 te 10.00 uur (Brusselse tijd) het aantal aanvragen voor invoervergunningen en de totale gevraagde hoeveelheid mede, alsook wat de door de traditionele importeurs ingediende aanvragen betreft de hoeveelheden die in elk jaar van de in artikel 5, lid 1, van deze verordening bedoelde referentieperiode door de traditionele importeurs werden ingevoerd. Artikel 7 De Commissie geeft de Lid-Staten zo spoedig mogelijk kennis van het besluit waarbij de kwantitatieve criteria zijn vastgesteld volgens welke de door de importeurs gevraagde hoeveelheden door de bevoegde nationale instanties moeten worden toegewezen. Artikel 8 De geldigheidsduur van de door de bevoegde instanties van de Lid-Staten af te geven invoervergunningen bedraagt zes maanden, te rekenen vanaf de datum van afgifte. Artikel 9 Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. Gedaan te Brussel, 15 september 1994. Voor de Commissie Leon BRITTAN Lid van de Commissie (1) PB nr. L 66 van 10. 3. 1994, blz. 1. (2) PB nr. L 198 van 30. 7. 1994, blz. 1. (3) PB nr. L 87 van 31. 3. 1994, blz. 47. (4) PB nr. L 87 van 31. 3. 1994, blz. 83. (5) PB nr. L 111 van 30. 4. 1994, blz. 100. (6) PB nr. L 302 van 19. 10. 1992, blz. 1.