Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31994R0231

Verordening (EG) Nr. 231/94 van de Raad van 24 januari 1994 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1765/92 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen

PB L 30 van 3.2.1994, pp. 2–6 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)

Dit document is verschenen in een speciale editie. (FI, SV)

Legal status of the document No longer in force, Date of end of validity: 30/06/2000

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1994/231/oj

31994R0231

Verordening (EG) Nr. 231/94 van de Raad van 24 januari 1994 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1765/92 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen

Publicatieblad Nr. L 030 van 03/02/1994 blz. 0002 - 0006
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 56 blz. 0009
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 56 blz. 0009


VERORDENING (EG) Nr. 231/94 VAN DE RAAD van 24 januari 1994 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1765/92 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 42 en 43,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat de Lid-Staten op objectieve criteria gebaseerde regioplannen dienen op te stellen voor de tenuitvoerlegging van de steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen die is ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 1765/92 (4); dat de voor deze plannen geldende criteria dienen te worden gewijzigd om de Lid-Staten meer speelruimte te laten waarbij de gemiddelde opbrengsten uit het verleden evenwel volledig in acht moeten worden genomen;

Overwegende dat, wegens de risico's die aan deze grotere speelruimte zijn verbonden, voor Lid-Staten die beslissen om produktieregio's af te bakenen die verschillen van de regio's voor de basisarealen, een specifieke maatregel dient te worden genomen om te garanderen dat de opbrengsten uit het verleden in de praktijk in acht worden genomen;

Overwegende dat voorts een differentiatie van de opbrengsten voor met en zonder bevloeiing beteelde oppervlakten kan worden toegestaan, waarbij evenwel een uitbreiding van het totaal van de bevloeide oppervlakten moet worden voorkomen; dat dit doel kan worden bereikt door invoering van een per produktieregio vastgestelde maximale oppervlakte die voor het compensatiebedrag in aanmerking kan komen op basis van de opbrengst die verkregen wordt op bevloeide oppervlakten; dat de Lid-Staten deze mogelijkheid ook kunnen beperken tot één teelt van oliehoudende zaden; dat de Lid-Staten, in plaats van de maximale oppervlakte, in het kader van een stelsel van afzonderlijke basisarealen compensatiebedragen voor bevloeide gewassen kunnen toekennen;

Overwegende dat de braaklegging, omwille van de doelmatigheid, gebaseerd moet worden op wisselbouw; dat voor de toepassing van deze verordening een specifieke definitie van wisselbouw dient te worden aangenomen; dat om de braakleggingsregeling beter aan te passen aan de landbouwkundige eisen echter voorzien moet worden in andere vormen van braaklegging, zoals vaste braak, de combinatie van wisselbraak met vaste braak (gemengde braak), alsmede wisselbraak met een andere periodiciteit dan voorzien voor de wisselbraak tegen 15 %; dat, om in geval van toepassing van een andere braaklegging dan wisselbraak tegen 15 % eenzelfde doelmatigheid te garanderen, voor die andere vormen van braaklegging een hoger percentage dan 15 dient te worden vastgesteld;

Overwegende dat de voor de braaklegging toe te kennen compensatie dient te worden verhoogd;

Overwegende dat de producenten in sommige gevallen belangstelling zouden kunnen hebben voor braaklegging van een groter deel van hun bedrijf dan dat waarvoor de braakleggingsverplichting geldt; dat de mogelijkheid daartoe kan worden geboden; dat te dien aanzien bijzondere bepalingen moeten worden aangenomen om de braakgelegde grond in aanmerking te kunnen nemen in het kader van Verordening (EEG) nr. 2328/91 van de Raad van 15 juli 1991 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (5); dat de Lid-Staten dient te worden toegestaan om niet van deze mogelijkheid gebruik te maken indien zulks vanwege specifieke eisen van hun landbouw noodzakelijk is;

Overwegende dat er zich situaties kunnen voordoen waarin overdracht van de braakleggingsverplichtingen het mogelijk zou maken een rationeler grondgebruikbeleid toe te passen en de verwezenlijking van de milieudoelstellingen te verbeteren; dat, wegens het reële risico dat de braaklegging minder doeltreffend wordt, ten aanzien van dergelijke overdrachten een grote omzichtigheid in acht dient te worden genomen die garandeert dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid van de braakleggingsregelingen;

Overwegende dat het met het oog op de flexibiliteit dienstig is overdrachten te vergemakkelijken waarbij deze mogelijkheid evenwel uitsluitend moet worden geboden voor het nabij gelegen gebied of, met name uit milieuoverwegingen, binnen bepaalde regio's; dat echter, om eventuele produktiviteitsverschillen tussen de betrokken bedrijfshoofden te compenseren, dient te worden voorzien in de toepassing van een hoger braakleggingspercentage; dat het voorts dienstig is de Lid-Staten de mogelijkheid te geven op hun grondgebied geen overdrachten toe te staan;

Overwegende dat in artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 1765/92 is bepaald welke gronden voor de compensatiebedragen in aanmerking komen; dat, aangezien de gevolgen van sommige specifieke situaties te zwaar kunnen zijn, bepaalde door de Lid-Staten in het licht van hun specifieke situatie te beheren afwijkingen van dit artikel moeten worden toegestaan; dat de toepassing van de afwijkingen echter afbreuk kan doen aan de doelmatigheid van de regeling van Verordening (EEG) nr. 1765/92; dat het, om dit gevaar te verkleinen, dienstig is passende maatregelen te treffen om, naar gelang van het geval, hetzij het totaal van de in aanmerking komende gronden ongewijzigd te laten, hetzij een aanzienlijke toename daarvan te voorkomen;

Overwegende dat de kwaliteit van de akkerbouwprodukten en met name van durumtarwe en zonnebloemen verbeterd zou kunnen worden door het gebruik van gecertificeerd zaad; dat dit doel kan worden bereikt door de uitkering van het compensatiebedrag afhankelijk te stellen van het gebruik van dergelijk zaad;

Overwegende dat, om de industriële afzet van bepaalde landbouwprodukten te vergemakkelijken, de mogelijkheid dient te worden geopend om bepaalde gewassen in voorkomend geval zonder compensatie op braakgelegde grond te verbouwen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EEG) nr. 1765/92 wordt als volgt gewijzigd:

1. aan artikel 2, lid 6, wordt de volgende tweede alinea toegevoegd:

"De overeenkomstig het tweede streepje van de voorgaande alinea bijkomend uit produktie genomen gedeelten worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van dit lid.";

2. artikel 3, lid 1, wordt vervangen door:

"1. Met het oog op de vaststelling van de gemiddelde opbrengsten die worden gebruikt voor de berekening van het compensatiebedrag, stelt elke Lid-Staat een regioplan op met daarin de adequate en objectieve criteria voor het bepalen van afzonderlijke produktieregio's om zoveel mogelijk te komen tot een verdeling in homogene zones.

In deze context houden de Lid-Staten bij de opstelling van hun regioplannen rekening met specifieke situaties. Met name kunnen zij de gemiddelde opbrengsten differentiëren om rekening te houden met eventuele structurele verschillen tussen produktieregio's.

Voorts kunnen de Lid-Staten in hun regioplannen voor maïs een afwijkend opbrengstcijfer hanteren in vergelijking met andere graansoorten.

- Wanneer de opbrengst voor maïs hoger is dan voor andere graansoorten moet voor maïs een apart regionaal of individueel basisareaal als bedoeld in artikel 2, leden 2 en 3, worden vastgesteld, dat, indien het een regionaal basisareaal betreft, een of meer produktieregio's van maïs omvat naar keuze van de Lid-Staat.

De Lid-Staten mogen tevens in de betrokken regio's aparte regionale of individuele basisarealen vaststellen voor andere akkerbouwgewassen dan maïs. In dat geval wordt, indien het basisareaal voor maïs gedurende een verkoopseizoen niet wordt bereikt, het resterende aantal hectaren voor datzelfde verkoopseizoen toegewezen aan de overeenkomstige basisarealen voor andere akkerbouwgewassen dan maïs.

- Indien de opbrengst voor maïs lager ligt dan of gelijk is aan die van andere graansoorten mag overeenkomstig het vorige streepje ook een apart basisareaal voor maïs worden vastgesteld. In dat geval, en indien de Lid-Staat verkiest een basisareaal voor andere akkerbouwgewassen dan maïs vast te stellen:

- kan, indien het basisareaal voor maïs gedurende een verkoopseizoen niet wordt bereikt, het resterende aantal hectaren voor datzelfde verkoopseizoen worden toegewezen aan de overeenkomstige basisarealen voor andere gewassen;

- kan, indien het basisareaal voor andere akkerbouwgewassen dan maïs gedurende een verkoopseizoen niet wordt bereikt, het resterende aantal hectaren voor datzelfde verkoopseizoen worden toegewezen aan het betrokken basisareaal voor maïs.

Bij overschrijding van deze basisarealen is artikel 2, lid 6, van toepassing.

Voorts kunnen de Lid-Staten in hun regioplannen de opbrengsten voor bevloeide oppervlakten en niet-bevloeide oppervlakten differentiëren. De compensatiebedragen op basis van de bevloeide opbrengst worden toegekend tot een maximum per produktieregio als omschreven in het regioplan. Dit maximum is gelijk aan het gemiddelde van de bevloeide oppervlakten voor akkerbouwgewassen in de jaren 1989 tot en met 1991. Dit maximum kan worden verhoogd met de recentelijk toegevoegde bevloeide oppervlakten voor dezelfde gewassen waarvoor is aangetoond dat de verwezenlijking van de investeringen vóór 1 augustus 1992 is begonnen.

Indien de steunaanvragen voor het percentage bevloeide oppervlakten dit maximum overschrijden, worden de compensatiebedragen gekort met 1,5 maal het tijdens het betrokken verkoopseizoen geconstateerde overschrijdingspercentage. Indien de overschrijding echter 10 % of meer bedraagt, dient als opbrengst voor de bevloeide gewassen de opbrengst voor de niet-bevloeide gewassen in dezelfde regio te worden gebruikt.

In plaats van het in het onderhavige artikel bedoelde maximumstelsel kunnen de Lid-Staten in het kader van een stelsel van afzonderlijke basisarealen, vastgesteld voor bebouwde en bevloeide oppervlakten, compensatiebedragen op basis van bevloeide opbrengst toekennen.

In dat geval wordt het bevloeide oppervlak vastgesteld volgens de regels voor de vaststelling van het bovengenoemde maximum, zonder dat dit evenwel mag leiden tot een vergroting van het totale basisareaal van de betrokken Lid-Staat.

Indien deze oppervlakten worden overschreden is artikel 2, lid 6, van toepassing.

Het regioplan moet in alle gevallen garanderen dat de gemiddelde opbrengst van de betrokken Lid-Staat die is vastgesteld voor de periode en de aan de hand van de criteria als bedoeld in lid 2, in acht wordt genomen.";

3. artikel 3, lid 2, derde alinea, wordt vervangen door:

"Indien een Lid-Staat besluit:

- maïs apart van de andere graansoorten te behandelen, dient de gemiddelde graanopbrengst, die niet mag worden gewijzigd, te worden opgesplitst in maïs alleen en andere graansoorten zonder maïs;

- de met bevloeiing beteelde oppervlakten apart van de zonder bevloeiing beteelde oppervlakten te behandelen, dient de desbetreffende gemiddelde opbrengst, die niet mag worden gewijzigd, te worden opgesplitst naar de twee categorieën oppervlakten.

De Lid-Staten mogen in een regio de compensatiebedragen voor bevloeide oppervlakten voorbehouden aan één oliehoudend gewas. In dat geval moet voor deze regio een specifiek maximum voor dit gewas worden vastgesteld en zijn de voorschriften voor de maxima van toepassing.";

4. aan artikel 3 wordt het volgende lid toegevoegd:

"6. Indien een Lid-Staat ter uitvoering van lid 1 verkiest produktieregio's te bepalen waarvan de afbakening niet overeenstemt met die van regionale basisarealen doet hij de Commissie een overzicht toekomen van alle steunaanvragen en van de desbetreffende opbrengsten. Indien uit deze gegevens blijkt dat, voor een bepaalde Lid-Staat, de uit het in 1993 overeenkomstig artikel 3, lid 2, toegepaste regioplan resulterende gemiddelde opbrengst wordt overschreden, worden alle in die Lid-Staat uit te keren compensatiebedragen voor het volgende verkoopseizoen in evenredigheid met de geconstateerde overschrijding verminderd. Deze bepaling is echter niet van toepassing wanneer de hoeveelheid waarvoor de steunaanvragen zijn ingediend, uitgedrukt in tonnen granen, niet de hoeveelheid overschrijdt die resulteert uit het totale produkt van de basisarealen van de Lid-Staat en bovengenoemde gemiddelde opbrengst.

De Lid-Staten kunnen kiezen voor de vaststelling van een eventuele overschrijding van de gemiddelde opbrengst per basisareaal. In dat geval moeten de bepalingen van dit lid worden toegepast op de in elk betrokken basisareaal uit te keren compensatiebedragen.";

5. artikel 7, lid 1, tweede alinea, wordt vervangen door:

"De braakleggingsverplichting op basis van wisselbouw bedraagt vanaf het verkoopseizoen 1993/1994 15 %. Het begrip wisselbouw in de zin van deze verordening wordt gedefinieerd volgens de procedure van artikel 23 van Verordening (EEG) nr. 1766/92.

Voor alle andere vormen van braaklegging dan de hierboven bedoelde, geldt het op wisselbouw gebaseerde percentage, vermeerderd met 5 procentpunten. In de in Verordening (EEG) nr. 1541/93 bedoelde gevallen is evenwel een verhoging met slechts 3 procentpunten toegestaan.";

6. artikel 7, lid 5, wordt vervangen door:

"5. De compensatie voor de braakleggingsverplichting wordt vastgesteld op een bedrag dat gelijk is aan 57 ecu, vermenigvuldigd met de in het regioplan berekende gemiddelde graanopbrengst. Deze compensatie wordt betaald voor het aantal hectaren dat nodig is om aan de in lid 1 neergelegde verplichting te voldoen. In het geval van Portugal wordt bij de compensatie rekening gehouden met de bij Verordening (EEG) nr. 3653/90 ingestelde steunregeling.";

7. artikel 7, lid 6, wordt vervangen door:

"6. Om beter tot de produktiebeheersing bij te dragen, kan de in lid 5 bedoelde compensatie aan de producenten worden toegekend voor een braaklegging die hun verplichting overschrijdt. In dit geval mag het braakgelegde areaal niet meer bedragen dan het areaal voor akkerbouwgewassen waarvoor een compensatiebedrag wordt aangevraagd. In dit verband wordt het in artikel 2, lid 6, bedoelde bijkomend uit produktie genomen gedeelte aangemerkt als areaal voor een akkerbouwgewas waarvoor een compensatiebedrag wordt aangevraagd. De Lid-Staten kunnen deze mogelijkheid beperken om rekening te houden met de specifieke eisen van hun landbouw ten aanzien van aangelegenheden als de milieubescherming of het gevaar van een te sterke inkrimping van de landbouwactiviteit in sommige regio's.

In afwijking van de eerste alinea mogen de producenten die uit hoofde van Verordening (EEG) nr. 2328/91 een grotere oppervlakte hebben braakgelegd dan welke zij voornemens zijn met in aanmerking komende akkergewassen te bebouwen en die geen aanvang hebben gemaakt met het opnieuw bebouwen daarvan, na afloop van de in artikel 2, lid 3, van genoemde verordening bedoelde periode van verbintenis oppervlakten die zij reeds uit hoofde van deze maatregel uit produktie hadden genomen voor een nieuwe periode van zestig maanden blijven braakleggen. De compensatie voor de braaklegging wordt vastgesteld op 40 ecu/ton voor het gedeelte dat het areaal voor akkerbouwgewassen waarvoor een compensatiebedrag wordt aangevraagd, overschrijdt. In dit verband wordt het in artikel 2, lid 6, bedoelde bijkomend uit produktie genomen gedeelte aangemerkt als areaal voor een akkerbouwgewas waarvoor een compensatiebedrag wordt aangevraagd. Deze optie bestaat ook voor producenten waarvan de braakleggingsverplichting in september 1993 verstreken is en die deze oppervlakten vanwege de onzekerheid ten aanzien van de toekomstige voorschriften opnieuw bebouwd hebben met het oog op een oogst in 1994. De Lid-Staten kunnen om dezelfde redenen als bedoeld in de eerste alinea evenwel besluiten deze mogelijkheid niet toe te passen.

7. In dezelfde Lid-Staat kan een producent een braakleggingsverplichting aan een andere producent overdragen:

- indien nationale milieuregelingen met zich brengen dat een producent die een deel van zijn akkerbouwgrond uit produktie neemt, verplicht is zijn dierlijke produktie te verminderen. De Lid-Staat kan verlangen dat dergelijke overdrachten binnen de in artikel 2, lid 2, bedoelde regio blijven;

- in het kader van een vooraf door de Lid-Staat bij de Commissie ingediend plan dat garanties biedt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid van de braakleggingsregeling. De in dit plan beoogde overdracht moet worden uitgevoerd hetzij binnen een straal van 20 km, hetzij binnen een specifieke regio waar met name milieudoelstellingen worden nagestreefd. Het in lid 1, tweede alinea, bedoelde percentage braaklegging wordt met 5 procentpunten verhoogd. In de in Verordening (EEG) nr. 1541/93 bedoelde gevallen wordt deze verhoging beperkt tot 3 procentpunten.

Een Lid-Staat kan besluiten de in dit streepje bedoelde regeling niet toe te passen.

Indien de overdracht plaatsvindt naar een regio met een andere opbrengst moet het uit produktie te nemen areaal dienovereenkomstig worden aangepast.

Het recht op compensatie van de producent die zijn braakleggingsverplichting overdraagt, hangt af van de volledige naleving van deze verplichting door de producent aan wie de overdracht heeft plaatsgevonden.

De overgedragen verplichtingen vallen onder de regels die gelden voor het bedrijf waarop de braaklegging feitelijk plaatsvindt.";

8. artikel 9 wordt vervangen door:

"Artikel 9

Aanvragen voor het compensatiebedrag en braakleggingsaangiften kunnen niet worden ingediend voor gronden die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik waren.

De Lid-Staten kunnen, onder nader te bepalen voorwaarden, van de eerste alinea afwijken om rekening te houden met bepaalde specifieke situaties, met name voor de oppervlakten die bij een herstructureringsprogramma zijn betrokken, of voor de oppervlakten die zijn bezet met meerjarige akkerbouwgewassen die gewoonlijk in vruchtwisseling met de in bijlage I bedoelde gewassen worden verbouwd. In dit geval nemen de Lid-Staten passende maatregelen om te voorkomen dat de toepassing van dergelijke afwijkingen leidt tot een belangrijke toeneming van het totale landbouwareaal dat in aanmerking komt. Deze maatregelen kunnen met name voorzien in de mogelijkheid om oppervlakten die tevoren in aanmerking kwamen in plaats van andere inmiddels in aanmerking komende oppervlakten, als niet in aanmerking komend te beschouwen.

De Lid-Staten kunnen eveneens van de eerste alinea afwijken om rekening te houden met bepaalde specifieke situaties die verband houden met enigerlei vorm van overheidsinterventie indien die interventie een landbouwer ertoe brengt om, ten einde zijn normale landbouwactiviteit voort te zetten, gronden te bebouwen die voordien als niet in aanmerking komend werden beschouwd, en indien de betrokken interventie voorschrijft dat aanvankelijk wel in aanmerking komende gronden niet meer in aanmerking komen, zodat de totale hoeveelheid in aanmerking komende gronden niet beduidend toeneemt.

Bovendien kunnen de Lid-Staten voor bepaalde gevallen die niet onder de vorige twee alinea's vallen, van de eerste alinea afwijken, mits zij in een aan de Commissie voorgelegd plan aantonen dat de totale hoeveelheid in aanmerking komende gronden ongewijzigd blijft.";

9. artikel 12, eerste streepje, wordt vervangen door:

"- de bepalingen inzake de vaststelling en het beheer van basisarealen en van de maxima voor bevloeide gewassen alsmede betreffende de toepassing van artikel 2, lid 4;";

10. artikel 12, derde streepje, wordt vervangen door:

"- de bepalingen betreffende de vaststelling van het compensatiebedrag en betreffende de betaling ervan; onverminderd artikel 11, lid 1, voorzien deze bepalingen in de mogelijkheid voor de Lid-Staten om specifieke steun voor akkerbouwgewassen te laten afhangen van het gebruik van gecertificeerd zaad;";

11. artikel 12, vijfde streepje, wordt vervangen door:

"- de bepalingen inzake de vaststelling van de eisen om voor de durumtarwetoeslag in aanmerking te komen; deze bepalingen voorzien in de mogelijkheid voor de Lid-Staten om de toekenning van de toeslag als bedoeld in artikel 4, lid 3, te laten afhangen van het gebruik van gecertificeerd zaad;";

12. artikel 12, achtste streepje, wordt vervangen door:

"- de bepalingen inzake het uit produktie nemen van grond; in deze bepalingen worden met name de andere vormen van braaklegging dan wisselbraak omschreven en wordt bepaald hoe lang de grond elk jaar minimaal uit produktie moet worden genomen, welke maatregelen moeten worden getroffen met het oog op milieubehoud, en in welke gebieden deze maatregelen vanwege bepaalde klimatologische omstandigheden vervangen kunnen worden door andere, meer geschikte maatregelen; voorts worden in deze bepalingen de voorwaarden vastgesteld van

- de overdracht van de braakleggingsverplichting,

- de uitvoering van de braaklegging van een bedrijf dat in meerdere produktieregio's is gelegen, alsmede eventuele uitzonderingen die nodig kunnen blijken om producenten in zogenaamde "secano"-regio's en "regadio"-regio's de gelegenheid te bieden de verplichting tot braaklegging ten aanzien van een zogenoemde "regadio"-regio geheel of gedeeltelijk in een zogenoemde "secano"-regio te vervullen,

rekening houdend met de verschillen in opbrengst;";

13. artikel 12, negende streepje, wordt vervangen door:

"- de bepalingen betreffende de voorwaarden voor de toepassing van:

- artikel 7, lid 4; deze voorwaarden kunnen voorzien in het telen van produkten zonder compensatie;

- artikel 9; de omstandigheden waaronder afwijkingen van dit artikel kunnen worden toegestaan en de verplichting voor de Lid-Staten om de overwogen maatregelen ter goedkeuring aan de Commissie voor te leggen, worden in deze voorwaarden omschreven. Deze afwijkingen kunnen voor de nieuwe Duitse deelstaten bepaalde herstructureringen behelzen voor een oppervlakte van 2 500 hectare akkerbouwgewassen met het oog op de oogst van 1993/1994.".

Artikel 2

Indien specifieke maatregelen nodig zijn om de overgang van de vigerende regeling naar de bij de onderhavige verordening vastgestelde regeling te vergemakkelijken, worden die aangenomen volgens de procedure van artikel 23 van Verordening (EEG) nr. 1766/92.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van het verkoopseizoen 1994/1995. Wat de bepalingen inzake braaklegging betreft, is zij reeds van toepassing op de met het oog op dat verkoopseizoen uitgevoerde braaklegging.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 24 januari 1994.

Voor de Raad

De Voorzitter

G. MORAITIS

(1) PB nr. C 265 van 30. 9. 1993, blz. 4.

(2) PB nr. C 315 van 22. 11. 1993.

(3) PB nr. C 352 van 30. 12. 1993, blz. 41.

(4) PB nr. L 181 van 1. 7. 1992, blz. 12. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1552/93 (PB nr. L 154 van 25. 6. 1993, blz. 19).

(5) PB nr. L 218 van 6. 8. 1991, blz. 1.

Top