This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 31979L0489
Commission Directive 79/489/EEC of 18 April 1979 adapting to technical progress Council Directive 71/320/EEC on the approximation of the laws of the Member States relating to the braking devices of certain categories of motor vehicles and their trailers
Richtlijn 79/489/EEG van de Commissie van 18 april 1979 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 71/320/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan
Richtlijn 79/489/EEG van de Commissie van 18 april 1979 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 71/320/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan
PB L 128 van 26.5.1979, pp. 12–21
(DA, DE, EN, FR, IT, NL) Dit document is verschenen in een speciale editie.
(EL, ES, PT, FI, SV, CS, ET, LV, LT, HU, MT, PL, SK, SL)
No longer in force, Date of end of validity: 31/10/2014; stilzwijgende opheffing door 32009R0661
Richtlijn 79/489/EEG van de Commissie van 18 april 1979 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 71/320/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan
Publicatieblad Nr. L 128 van 26/05/1979 blz. 0012 - 0021
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 13 Deel 9 blz. 0241
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 13 Deel 8 blz. 0123
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 13 Deel 9 blz. 0241
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 13 Deel 10 blz. 0084
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 13 Deel 10 blz. 0084
++++ RICHTLIJN VAN DE COMMISSIE van 18 april 1979 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 71/320/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ( 79/489/EEG ) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN , Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , Gelet op Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ( 1 ) , laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 78/547/EEG van de Raad ( 2 ) , inzonderheid op de artikelen 11 , 12 en 13 , Gelet op Richtlijn 71/320/EEG van de Raad van 26 juli 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ( 3 ) , laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 75/524/EEG van de Commissie ( 4 ) , Overwegende dat het , in het licht van de opgedane ervaringen en gezien de huidige stand van de techniek , thans mogelijk is strengere voorschriften op te stellen die beter zijn aangepast aan de werkelijke omstandigheden van de proef ; Overwegende dat de bepalingen van deze richtlijn in overeenstemming zijn met het advies van het Comité voor de aanpassing aan de technische vooruitgang van de richtlijnen tot opheffing van technische handelsbelemmeringen in de sector motorvoertuigen , HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD : Artikel 1 1 . De bijlagen I , II , III , IV , V , VI en IX van Richtlijn 71/320/EEG , worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage van onderhavige richtlijn . 2 . Tot de inwerkingtreding van een bijzondere richtlijn , waarin het antiblokkeersysteem wordt omschreven , blijven de voertuigen van de categorieën M1 , M2 , M3 , N1 , N2 , N3 , O3 en O4 die zijn uitgerust met een dergelijk systeem onderworpen aan de voorschriften van Richtlijn 71/320/EEG , als laatstelijk gewijzigd bij deze richtlijn . Artikel 2 1 . Met ingang van 1 januari 1980 mogen de Lid-Staten om redenen die verband houden met de reminrichtingen : - noch voor een bepaald type voertuig de EEG-goedkeuring , de afgifte van het in artikel 10 , lid 1 , laatste streepje , van Richtlijn 70/156/EEG genoemde document , of de nationale goedkeuring weigeren , - noch het voor het eerst in het verkeer brengen van voertuigen verbieden , indien de reminrichtingen van dit type voertuig of van deze voertuigen in overeenstemming zijn met de bepalingen van Richtlijn 71/320/EEG , als laatstelijk gewijzigd bij deze richtlijn . 2 . Met ingang van 1 oktober 1980 mogen de Lid-Staten : - niet meer het in artikel 10 , lid 1 , laatste streepje , van Richtlijn 70/156/EEG genoemde document afgeven voor een voertuigtype waarvan de reminrichtingen niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van Richtlijn 71/320/EEG , als laatstelijk gewijzigd bij deze richtlijn , - de nationale goedkeuring weigeren voor een voertuigtype waarvan de reminrichtingen niet voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 71/320/EEG , als laatstelijk gewijzigd bij deze richtlijn . 3 . Met ingang van 1 oktober 1981 mogen de Lid-Staten het voor het eerst in het verkeer brengen verbieden van voertuigen waarvan de reminrichtingen niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van Richtlijn 71/320/EEG , als laatstelijk gewijzigd bij deze richtlijn . 4 . In afwijking van lid 1 tot en met 3 , mogen de Lid-Staten de bepalingen van punt 1.2.1 van bijlage IV van Richtlijn 71/320/EEG , zoals gewijzigd bij onderhavige richtlijn , eerst toepassen met ingang van 1 oktober 1983 . 5 . Voor 1 januari 1980 doen de Lid-Staten de vereiste bepalingen van kracht worden ten einde zich te richten naar de onderhavige richtlijn en stellen zij de Commissie hiervan onverwijld in kennis . Artikel 3 Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten . Gedaan te Brussel , 18 april 1979 . Voor de Commissie Etienne DAVIGNON Lid van de Commissie ( 1 ) PB nr . L 42 van 23 . 2 . 1970 , blz . 1 . ( 2 ) PB nr . L 168 van 26 . 6 . 1978 , blz . 39 . ( 3 ) PB nr . L 202 van 6 . 9 . 1971 , blz . 37 . ( 4 ) PB nr . L 236 van 8 . 9 . 1975 , blz . 3 . BIJLAGE Wijzigingen van de bijlagen bij Richtlijn 71/320/EEG , gewijzigd bij de Richtlijnen 74/132/EEG en 75/524/EEG I . ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE MEETEENHEDEN De voorschriften van Richtlijn 71/320/EEG en van de richtlijnen tot wijziging hiervan moeten worden afgestemd op de voorschriften van Richtlijn 71/354/EEG , laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 76/770/EEG , betreffende de meeteenheden . Hiertoe worden in de tekst van de bijlagen bij de Richtlijnen 71/320/EEG , 74/132/EEG en 75/524/EEG - de term " gewicht " vervangen door de term " massa " en de termen " totaal gewicht " en " maximaal gewicht " door de term " maximale massa " ; - de waarden voor kracht , koppel en moment , en druk uitgedrukt in de hieronder aangegeven eenheden : kracht : newton ( N ) koppel en moment : newtonmeter ( Nm ) druk : bar ( bar ) . Voor omzetting van de eenheden die tot aan de inwerkingtreding van deze richtlijn gebruikt zullen worden , gebruike men de nu volgende afgeronde waarden : kracht : 1 kgf of 1 kg = 10 N koppel en moment : 1 mkgf of 1 mkg = 10 Nm druk : 1 kgf/cm2 of 1 kg/cm2 = 1 bar . Eventueel kunnen de krachten die corresponderen met de massa van het voertuig of met delen van deze massa ( b.v . aslast ) worden gebruikt bij de door de bepalingen van de bijlagen voorgeschreven berekeningen . II . BIJZONDERE BEPALINGEN BIJLAGE I : DEFINITIES EN CONSTRUCTIE - EN MONTAGEVOORSCHRIFTEN Punt 2.2.1.2.4 . aan het einde wordt het volgende toegevoegd : " Dit voorschrift geldt niet , wanneer het met een hulpbedieningsorgaan mogelijk is de bedrijfsreminrichting in elk geval gedeeltelijk in werking te stellen , als bepaald in punt 2.1.3.6 van bijlage II ; " . Punt 2.2.1.2.7 , eerste zin wordt : " bepaalde delen , zoals het pedaal en de ondersteuning hiervan , de hoofdremcilinder en de zuiger of zuigers hiervan ( hydraulisch systeem ) , de voetregelklep ( pneumatisch systeem ) , de verbinding tussen pedaal en hoofdremcilinder of voetregelklep , de wielremcilinders en de zuigers hiervan ( hydraulische en/of pneumatische systemen ) en de combinaties van hefboom en nok van de remmen worden niet beschouwd als zijnde eventueel onderhevig aan breuk , op voorwaarde dat deze onderdelen ruim bemeten zijn , dat zij voor onderhoud gemakkelijk toegankelijk zijn en dat zij qua veiligheidskenmerken ten minste beantwoorden aan hetgeen te dien aanzien vereist is voor de andere essentiële inrichtingen van de voertuigen ( b.v . het stangenstelsel van de stuurinrichting ) . " . Punt 2.2.1.13 wordt : " 2.2.1.13 . Elk voertuig voorzien van een bedrijfsreminrichting die in werking wordt gesteld via een energiereservoir moet - ingeval het gebruik van de bedrijfsrem met het voor de hulpreminrichting voorgeschreven remeffect onmogelijk is zonder hulp van de opgeslagen energie - behalve met een eventueel aanwezige manometer , zijn uitgerust met een optische of akoestische alarminrichting die aangeeft dat de opgeslagen energie in enig deel van de installatie gedaald is tot een waarde die , zonder dat het energiereservoir wordt gevoed , waarborgt dat bij iedere beladingstoestand van het voertuig na vier maal volledig indrukken en loslaten van het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting nog een vijfde afremming mogelijk is met het voor de hulpreminrichting voorgeschreven remeffect ( zonder storing in het overbrengingssysteem van de bedrijfsreminrichting en met zo nauwkeurig mogelijk afgestelde remmen ) . Deze alarminrichting moet rechtstreeks en permanent op de leiding zijn aangesloten . De alarminrichting mag , wanneer de motor loopt en bij een goede werking van de reminrichting onder normale bedrijfsomstandigheden van het voertuig , geen signaal geven , behalve gedurende de tijd die nodig is voor het vullen van het ( de ) energiereservoir(s ) na het starten van de motor . " .