This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 22013P1119(04)
Resolution on combating poverty and social exclusion in the Eastern Partner countries
Resolutie over de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting in de oostelijke partnerlanden
Resolutie over de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting in de oostelijke partnerlanden
PB C 338 van 19.11.2013, pp. 24–30
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
|
19.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 338/24 |
RESOLUTIE (1)
over de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting in de oostelijke partnerlanden
2013/C 338/04
DE PARLEMENTAIRE VERGADERING EURONEST,
|
— |
gezien de gezamenlijke verklaring van de topontmoeting van het oostelijk partnerschap op 7 mei 2009 in Praag, |
|
— |
gezien de gezamenlijke verklaring van de topontmoeting van het oostelijk partnerschap van 29-30 september 2011 in Warschau, |
|
— |
gezien de oprichtingsakte van 3 mei 2011 van de Parlementaire Vergadering Euronest, |
|
— |
gezien de artikelen 8 en 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), |
|
— |
gelet op het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat op 13 december 2007 in Lissabon is ondertekend, |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2008, getiteld „Oostelijk partnerschap” (COM(2008)0823), |
|
— |
gezien de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie van 25 mei 2011, getiteld „Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden”, |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 5 december 2007, getiteld „Een sterk Europees nabuurschapsbeleid”, de mededeling van 4 december 2006, getiteld „De versterking van het Europees nabuurschapsbeleid”, de mededeling van 12 mei 2004, getiteld „Europees nabuurschapsbeleid – Strategiedocument”, en de mededeling van 1 maart 2003, getiteld „De grotere Europese nabuurschap: een nieuw kader voor de betrekkingen met de oostelijke en zuidelijke buurlanden”, |
|
— |
gezien de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie van 15 mei 2012, getiteld „Oostelijk nabuurschap: een routekaart voor de top in het najaar van 2013”, |
|
— |
gezien de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie van 15 mei 2012, getiteld „Resultaten boeken voor een nieuw Europees nabuurschapsbeleid” (JOIN(2012)14), en gezien het bijbehorende gezamenlijke werkdocument, getiteld „Tenuitvoerlegging van het Europees nabuurschapsbeleid in 2011, regionaal verslag: oostelijk partnerschap”, en de voortgangsverslagen 2011 voor Armenië, Azerbeidzjan, Georgië, Oekraïne en de Republiek Moldavië, |
|
— |
gezien de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie van 20 maart 2013, getiteld „Oostelijk nabuurschapsbeleid: werken aan een sterker partnerschap”, |
|
— |
gezien de conclusie van de onderhandelingen over associatieovereenkomsten tussen de EU en Armenië, Azerbeidzjan, Georgië en de Republiek Moldavië, alsmede de in 1995 ondertekende, maar niet geratificeerde Overeenkomst inzake Partnerschap en Samenwerking tussen de EU en Belarus, |
|
— |
gezien de eerdere resoluties van het Europees Parlement over de oostelijke dimensie van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB), en over Armenië, Azerbeidzjan, Belarus, Georgië, de Republiek Moldavië en Oekraïne, |
|
— |
gezien de resolutie van het Europees Parlement van 7 april 2011 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid – de oostelijke dimensie (2), |
|
— |
gezien de resolutie van het Europees Parlement van 14 december 2011 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid (3), |
|
— |
gezien de resolutie van het Europees Parlement van 3 juli 2012 over handelsaspecten van het oostelijk partnerschap (4), |
|
— |
gezien de resolutie van 3 april 2012 van de Parlementaire Vergadering Euronest over versterking van het maatschappelijk middenveld in de landen van het oostelijk partnerschap, waaronder de kwestie van samenwerking tussen regering en maatschappelijk middenveld, en de kwestie van vergroting van de inspraak van het maatschappelijk middenveld, |
|
— |
gezien de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van september 2000, en gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 19 oktober 2010, getiteld „De belofte nakomen: het verwezenlijken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling”, |
|
— |
gezien het door de Europese Unie in 2010 uitgeroepen „Europees jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting”, |
|
— |
gezien zijn Reglement, |
|
A. |
overwegende dat het begrip „armoede” verwijst naar een toestand waarin geen inkomen is en onvoldoende materiële middelen beschikbaar zijn om een menswaardig leven te leiden, waarbij basisvoorzieningen als gezondheidszorg, huisvesting en onderwijs onvoldoende toegankelijk zijn en er sprake is van uitsluiting van de arbeidsmarkt; overwegende dat het begrip „sociale uitsluiting” een ruimere betekenis heeft en vaak direct in verband wordt gebracht met armoede; |
|
B. |
overwegende dat het oostelijk partnerschap, als specifieke dimensie van het Europees nabuurschapsbeleid, is aangegaan ter ondersteuning van Oost-Europese partners bij het doorvoeren van duurzame hervormingen, teneinde hun politieke associatie met en economische integratie in de EU te versnellen; |
|
C. |
overwegende dat de staatshoofden en regeringsleiders van Armenië, Azerbeidzjan, Georgië, de Republiek Moldavië en Oekraïne en de vertegenwoordigers van de Europese Unie tijdens de tweede topontmoeting van het oostelijk partnerschap in Warschau op 29-30 september 2011 opnieuw hebben verklaard zich ten volle te willen inzetten voor de doelstellingen en de tenuitvoerlegging van het oostelijk partnerschap; |
|
D. |
overwegende dat ondertekening van de associatieovereenkomsten met de Europese Unie, en met name van de diepgaande en uitgebreide vrijhandelsovereenkomsten, nieuwe mogelijkheden zou bieden voor ondernemers, de internationale handel en marktontwikkeling; |
|
E. |
overwegende dat de aanpassing van de overheidsfinanciën aan de beginselen van de markteconomie in de voormalige Sovjetlanden, ook in de oostelijke partnerlanden, ertoe heeft geleid dat de uitgaven aan gezondheidszorg, onderwijs en andere sociale maatregelen drastisch zijn teruggelopen, waardoor de armoede hand over hand toeneemt; |
|
F. |
overwegende dat uit de landenverslagen van de Commissie van 2011 over Armenië, Azerbeidzjan, Georgië, de Republiek Moldavië en Oekraïne blijkt dat in een aantal van deze landen meer dan 30 % van de bevolking onder de nationale armoedegrens leeft; |
|
G. |
overwegende dat armoede en sociale uitsluiting in de oostelijke partnerlanden vaker voorkomt, onder meer als gevolg van de wereldwijde financiële en economische crisis, en dat de kwetsbaarste groepen, zoals ouderen en gehandicapten, het zwaarst getroffen worden; |
|
H. |
overwegende dat ondervoeding grotendeels niet onderkend wordt, onopgemerkt blijft en niet wordt aangepakt, en direct verband houdt met de mate van armoede en sociale uitsluiting in oostelijke partnerlanden; |
|
I. |
overwegende dat ondervoeding langdurige negatieve gevolgen heeft en schadelijk is voor de gezonde ontwikkeling en levenslange productiviteit van mensen, in het bijzonder kinderen, bij wie ondervoeding leidt tot leerproblemen, geheugenstoornissen, een lager IQ en geringere schoolprestaties, en gedragsproblemen tijdens jeugd en adolescentie; |
|
J. |
overwegende dat ernstige armoede kan leiden tot serieuze uitholling van de menselijke waardigheid, marginalisatie, discriminatie en schending van de mensenrechten in ondemocratische landen; |
|
K. |
overwegende dat armoede onder kinderen zowel marginalisatie als uitsluiting kan veroorzaken, en negatieve gevolgen heeft voor latere integratie in de arbeidsmarkt en het maatschappelijk leven; |
|
L. |
overwegende dat de bevolking van de oostelijke partnerlanden vergrijst en dat de pensionering van de babyboomgeneratie grote eisen stelt aan de efficiëntie van hervormingen, alsmede aan de economische stabiliteit en groei; |
|
M. |
overwegende dat elke oostelijke partner weliswaar de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting verschillend aanpakt, maar dat onafgebroken hervormingen moeten worden doorgevoerd om de partners concurrerend te houden, werkgelegenheid te creëren en armoede te bestrijden; |
|
N. |
overwegende dat het oostelijk partnerschap gebaseerd moet zijn op verdere economische integratie tussen de EU en haar partners, en op ondersteuning van liberalisering van handel en investeringen in de oostelijke partnerlanden, teneinde een netwerk van diepgaande en uitgebreide vrijhandelsgebieden tot stand te brengen; |
|
O. |
overwegende dat samenwerking binnen het oostelijk partnerschap erop gericht is positieve effecten teweeg te brengen door te fungeren als platform voor de uitwisseling van ideeën, gemeenschappelijke standpunten te bepalen over de wereldwijde uitdagingen van onze tijd, met inbegrip van economie, handel en bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, en de banden tussen de landen van het gebied en de EU, alsook tussen de landen van het oostelijk partnerschap zelf, te versterken; |
|
P. |
overwegende dat de bevordering van handel, toegang tot de arbeidsmarkt, medische zorg en basale sociale voorzieningen onmisbaar is om armoede te kunnen terugdringen; |
|
Q. |
overwegende dat sociale voorzieningen, en met name de toegang tot voorzieningen voor kinderopvang en zorg voor ouderen en andere afhankelijke personen, van essentieel belang zijn om een evenwichtige deelname van mannen en vrouwen aan de arbeidsmarkt, onderwijs en opleiding te bewerkstelligen; |
|
R. |
overwegende dat regio's die vreedzamer, veiliger, stabieler en vrij van conflicten zijn duurzame economische en sociale ontwikkeling van de betreffende landen bevorderen, obstakels voor regionale samenwerking uit te weg ruimen en mogelijkheden scheppen voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting in oostelijke partnerlanden; |
|
S. |
overwegende dat het nieuwe Europees nabuurschapsbeleid is gericht op ondersteuning van integratiegerichte economische ontwikkeling, zodat buurlanden van de EU duurzaam handel kunnen drijven, investeren en hun economie doen groeien, en daarbij sociale en regionale ongelijkheid en armoede kunnen terugdringen, banen kunnen scheppen voor hun bevolking en een hogere levensstandaard kunnen realiseren; |
Een politieke belofte om armoede terug te dringen
|
1. |
vraagt iedere oostelijk partnerland te overwegen om expliciete en ambitieuze doelen op het gebied van armoedebestrijding te stellen; |
|
2. |
verzoekt ieder oostelijk partnerland erop toe te zien dat de noodzakelijke begrotings- of alternatieve middelen worden bestemd voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, waarbij de betrokken belanghebbenden gemakkelijker toegang tot deze middelen krijgen; verzoekt de EU-lidstaten ervoor te zorgen dat de noodzakelijke middelen in het volgende meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 beschikbaar worden gesteld ter financiering van het extern optreden van de EU, en met name de programma's voor het oostelijk partnerschap; |
|
3. |
verzoekt alle landen van het oostelijk partnerschap de financiële instrumenten ter ondersteuning van sociale en territoriale samenhang ten volle te benutten, en zich daarbij vooral te richten op de bestrijding van armoede in de stad en op het platteland; |
|
4. |
onderstreept dat de gelijkheid tussen man en vrouw en de economische onafhankelijkheid van vrouwen bevorderd moeten worden, waarbij vooral benadrukt moet worden dat oudere vrouwen een groter risico lopen in armoede te vervallen en waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de salariskloof tussen mannen en vrouwen, en de daaruit voortvloeiende pensioenkloof, nog altijd een van de belangrijkste redenen zijn waarom vrouwen in een later stadium van hun leven onder de armoedegrens terechtkomen, hetgeen ook geldt voor alleenstaande ouders, gehandicapte vrouwen en vrouwen afkomstig uit etnische minderheden; |
|
5. |
benadrukt dat het toekomstige economische concurrentievermogen en de welvaart van de oostelijke partnerlanden sterk afhankelijk is van de mate waarin zij hun arbeidspotentieel ten volle weten te benutten, waar ook meer participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt onder verstaan wordt; |
|
6. |
benadrukt hoe belangrijk armoedebestrijding onder gehandicapten is door hun gelijke toegang tot de arbeidsmarkt te bieden door belemmeringen voor de volledige uitoefening van hun rechten uit de weg te ruimen, door diensten te ontwikkelen die beantwoorden aan hun behoeften, en door ervoor te zorgen dat gemoderniseerde medische zorg ook voor hen goed toegankelijk is; |
|
7. |
verzoekt de oostelijke partnerlanden zich volledig in te zetten voor de uitbanning van ondervoeding, die verstrekkende gevolgen heeft voor de gezondheid en die extra belasting van en kosten voor de zorg voor individuen en de hele samenleving veroorzaakt; |
|
8. |
vraagt de Europese Unie de oostelijke partnerlanden aan te moedigen om ondervoeding bij kinderen aan te pakken en groeiachterstanden en acute ondervoeding bij kinderen onder de vijf terug te dringen door publiek-private partnerschappen te creëren in combinatie met maatschappelijk verantwoord ondernemen; benadrukt dat dergelijke benaderingen, die worden gesteund in de mededeling van de Commissie van 12 maart 2013, getiteld 'Betere voeding voor moeders en kinderen in het kader van de buitenlandse hulp: een Europees beleidskader', niet alleen directe voordelen voor de maatschappij en de economie opleveren, maar ook op lange termijn de kosten voor gezondheidszorg beïnvloeden; |
Armoedebestrijding door middel van economische ontwikkeling, handel en regionale integratie
|
9. |
onderstreept dat handel een van de efficiëntste manieren is om economische groei te bevorderen, en tevens van cruciaal belang is voor duurzame ontwikkeling en voor de verbetering van economische en sociale omstandigheden in de oostelijke partnerlanden; |
|
10. |
onderstreept hoe belangrijk economische ontwikkeling, bevordering van handel en van integratie van de oostelijke partnerlanden in de wereldeconomie is voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting; wijst erop dat de in vrijhandel geïntegreerde landen een hoge economische groei kennen en betere armoede-indicatoren zijn gaan vertonen; |
|
11. |
moedigt onderlinge regionale integratie van oostelijke partnerlanden aan door middel van ontwikkeling van hun regionale markt via het sluiten en uitvoeren van regionale overeenkomsten en van bilaterale overeenkomsten met de Europese Unie; |
|
12. |
onderstreept dat onderhandelingen over de associatieovereenkomsten, waaronder diepgaande en uitgebreide vrijhandelsovereenkomsten, belangrijk zijn omdat zij een essentiële manier zijn om liberalisering van de handel te stimuleren en handelsbarrières in de oostelijke partnerlanden weg te nemen, en daarmee armoede op een effectieve en duurzame wijze bestrijden; |
|
13. |
verzoekt ieder oostelijk partnerland handel op te nemen in zijn ontwikkelingsstrategieën, aangezien handel een sterke economische factor is die bijdraagt aan de terugdringing van armoede door ondersteuning van regionale integratie en samenwerking en effectief economisch bestuur, door ontwikkeling van menselijk kapitaal, door bevordering van de naleving van cruciale arbeidsnormen en door de markt toegankelijker te maken (vooral voor mensen in plattelandsgebieden); |
|
14. |
wijst erop dat het slechten van handelsbarrières, in combinatie met binnenlandse hervormingen, aanzienlijk zou bijdragen aan duurzame economische ontwikkeling en aan de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting; onderstreept dat regionale integratie meer invloed heeft wanneer samenwerking grensoverschrijdend is en gepaard gaat met betere integratie in de wereldeconomie; |
|
15. |
is ingenomen met het feit dat de meeste oostelijke partnerlanden zich hebben verbonden aan de overeenkomsten van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en deze beschouwen als richtpunt voor geloofwaardig binnenlands handelsbeleid en als stimulans voor het scheppen van een beter regelgevend en institutioneel kader voor het drijven van handel; |
|
16. |
verzoekt de Europese Unie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) de oostelijke partnerlanden te ondersteunen bij hun hervormingsinspanningen en hun handelscapaciteit te vergroten met extra technische en financiële ondersteuning, en roept de Commissie op na te gaan hoe deze doelen kunnen worden gerealiseerd; |
|
17. |
benadrukt dat de aard van de hervormingen van het handelsbeleid de specifieke omstandigheden in elk oostelijk partnerland moeten weerspiegelen en het resultaat moeten zijn van een nationale dialoog waarbij de regering, de private sector, werknemersvertegenwoordigers en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld betrokken zijn, en gepaard moeten gaan met macro-economische en institutionele hervormingen die groei stimuleren en menselijke ontwikkeling bevorderen; |
|
18. |
steunt de ontwikkeling van sectoroverschrijdende benaderingen die maatregelen op meerdere gerelateerde beleidsterreinen mogelijk maakt, zoals werkgelegenheid, onderwijs, gezondheidszorg, jongeren, huisvesting en sociale bescherming; |
Armoedebestrijding door werkgelegenheid, maatschappelijke dienstverlening, onderwijs en opleiding
|
19. |
wijst erop dat de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting moet berusten op groei en werkgelegenheid, alsook op een modern en effectief sociaal beschermingsbeleid; wijst erop dat de door Eurofound uitgevoerde enquêtes over levenskwaliteit (5) hebben aangetoond dat het bieden en ontwikkelen van sociale voorzieningen een van de belangrijkste manieren is om de levenskwaliteit van de bevolking te vergroten, waarbij volledige integratie in de samenleving wordt gewaarborgd en sociale en territoriale cohesie tot stand wordt gebracht; |
|
20. |
is van mening dat sociale voorzieningen zowel wettelijk verplichte als aanvullende socialezekerheidsstelsels omvatten, alsmede vrij toegankelijke en rechtstreeks aan de persoon geleverde diensten, die zijn gericht op het verhogen van de levenskwaliteit van iedereen; meent dat sociale voorzieningen preventief werken, sociale cohesie en sociale integratie bevorderen, en de grondrechten concretiseren; |
|
21. |
verlangt dat de oostelijke partnerlanden de beschikbaarheid van toegankelijke en betaalbare sociale voorzieningen van hoge kwaliteit bevorderen en garanderen dat iedereen zonder onderscheid des persoons toegang heeft tot deze voorzieningen, ongeacht geslacht, inkomen, ras of etnische herkomst, godsdienst of geloof, handicap, leeftijd, seksuele geaardheid of arbeidsomstandigheden; |
|
22. |
beschouwt werkloosheid als een van de belangrijkste oorzaken van armoede onder de beroepsbevolking van de oostelijke partnerlanden en benadrukt daarom dat elk beleid dienaangaande in eerste instantie gericht moet zijn op het scheppen van duurzame banen; onderstreept dat mensen alleen concurrerend werk kunnen vinden wanneer zij voldoende onderwijs en opleiding krijgen en hun vaardigheden voldoende kunnen ontwikkelen; |
|
23. |
benadrukt dat bevordering van het werken van ouders een beslissende factor is bij het aanpakken van armoede onder kinderen, aangezien armoede vaak „geërfd” wordt; roept op tot het nemen van maatregelen om opleidingen en bijzondere kwalificaties toegankelijker voor ouders te maken, om ouders te ondersteunen wanneer zij de arbeidsmarkt betreden of opnieuw betreden na een onderbreking van hun carrière, en hun flexibele werktijden en verlofvoorzieningen te bieden; |
|
24. |
doet een oproep aan regeringen om het inkomen van huishoudens met kinderen te ondersteunen door middel van belastingtoelages, kindertoelages, uitkeringen, onderwijs, kinderopvang en huursubsidies voor gezinnen met speciale behoeften (grote gezinnen, gehandicapte kinderen, alleenstaande ouders, pleeggezinnen); verzoekt de EU om in het kader van haar betrekkingen met partners de naleving van arbeidsvoorwaarden en sociale normen te bevorderen; |
|
25. |
verlangt dat armoede onder jongeren en sociale uitsluiting wordt bestreden door verbetering van het onderwijsaanbod, in het bijzonder in achtergestelde gebieden, door modernisering van de infrastructuur voor voorschools onderwijs en gewoon onderwijs, en door informeel leren en participatiemethoden; |
|
26. |
verlangt dat de EU studenten- en docentenuitwisselingen en programma's voor beroepsopleiding opzet en verder ontwikkelt door meer synergie tussen universiteiten, onderwijsinstellingen, jongerenorganisaties en ondernemingen tot stand te brengen; benadrukt hoe belangrijk het is vaardigheden aan te passen aan de arbeidsmarkt, waarbij de transitie naar een slimme, duurzame en inclusieve economie mogelijk wordt; onderstreept dat jongeren meer mogelijkheden moeten krijgen een baan te vinden binnen hun interessegebied en bewuster gemaakt moeten worden van mensenrechten, genderbeleid en de bescherming van kinderen en gehandicapten; |
|
27. |
merkt op dat het uit de weg ruimen van de specifieke barrières waar jonge vrouwen op stuiten wanneer zij een baan zoeken centraal moet staan bij de geleidelijke aanpak van jeugdwerkloosheid; verzoekt de oostelijke partnerlanden zich te richten op strategieën waarbij onderwijs- en scholingsbeleid hand in hand gaat met specifiek op jonge vrouwen gericht werkgelegenheidsbeleid; |
|
28. |
benadrukt dat verdere vereenvoudiging van visumverstrekking en mobiliteitsprogramma's jongeren in oostelijke partnerlanden een betere kans geven om onderwijs in het buitenland te volgen en uitwisselingservaringen op te doen; verzoekt de Commissie de oostelijke partnerlanden technisch en financieel bij te staan bij de aanpassing van hogeronderwijsdiploma's en normen aan de Europese ruimte voor hoger onderwijs; |
|
29. |
roept de Europese Unie op de oostelijke partnerlanden aan te moedigen om te voorzien in mogelijkheden voor opleidingen, stages en leertrajecten die jongeren gedurende hun onderwijscarrière kunnen volgen en die hun kansen op de arbeidsmarkt vergroten omdat zij meer werkervaring opdoen; verzoekt de regeringen van de oostelijke partnerlanden om via wetgeving de economische mechanismen te versterken die erop gericht zijn werkgevers aan te moedigen pas afgestudeerden een eerste baan aan te bieden en opleidings- en stagemogelijkheden te scheppen voor leerlingen en studenten van scholen voor beroepsonderwijs en hogeronderwijsinstellingen; |
Armoedebestrijding door bevordering van de ontwikkeling van kmo's
|
30. |
onderstreept dat de belangrijkste maatregel bij het terugdringen van de jeugdwerkloosheid de bevordering van werkgelegenheid voor jongeren is, alsmede het scheppen van nieuwe banen door verbetering van de kwaliteit van het bedrijfsklimaat voor kmo's; beschouwt de ontwikkeling van kennis over en vaardigheden met betrekking tot ondernemerschap als de hoeksteen van goed ontwikkelde en goed uitgevoerde nationale strategieën; |
|
31. |
wijst erop dat vrouwelijk ondernemerschap een waardevolle bron van economische groei en het creëren van werkgelegenheid is; roept daarom de oostelijke partnerlanden op het ondernemerschap onder vrouwen te bevorderen, financiering voor hen toegankelijk te maken, en ervoor te zorgen dat systemen voor mentorschap en scholings- en onderwijsprogramma's beter beschikbaar zijn; |
|
32. |
vraagt de oostelijke partnerlanden de obstakels voor de ontwikkeling van kmo's weg te nemen, waaronder verstoorde en oneerlijke concurrentie en monopolies, de corruptie binnen met de registratie van kmo's belaste instanties, belastingdiensten, instellingen voor afvalverwerking, kadasters, douanediensten en andere controlerende organen, en het gemakkelijker te maken een krediet bij een bank af te sluiten, wat dikwijls bemoeilijkt wordt door bijzonder hoge rentetarieven en gecompliceerde procedures; |
|
33. |
onderstreept het feit dat regionale integratie – een van de cruciale elementen bij het stimuleren van handel – tevens impulsen biedt voor degelijk beleid op het gebied van normering, bescherming van intellectuele eigendom en maatschappelijke bescherming; benadrukt dat de handelscapaciteit verbeterd moet worden door middel van andere handelsgerelateerde ontwikkelingshulp, waaronder sectoraal beleid en belastingbeleid die het investeringsklimaat verbeteren, alsook door middel van voldoende ondersteuning bij de ontwikkeling van de private sector, in het bijzonder voor klein en middelgroot ondernemerschap; steunt de ontwikkeling van regionale markten en instellingen onder de oostelijke partnerlanden, in het bijzonder door het onderhandelen over, sluiten en ten uitvoer leggen van bilaterale en regionale overeenkomsten met de EU; |
Pensioenstelsels
|
34. |
meent dat de modernisering van pensioenstelsels hoog op de agenda van armoedebestrijding in de oostelijke partnerlanden moet staan; benadrukt dat gegarandeerd moet worden dat pensioenen gepensioneerden veilige en toereikende inkomens bieden; benadrukt dat de modernisering van pensioenstelsels moet beantwoorden aan de veranderende behoeften van de maatschappij en de arbeidsmarkt; |
|
35. |
wijst erop dat nationale beleidsmakers in de oostelijke partnerlanden verantwoordelijk blijven voor de pensioenstelsels; meent dat de pensioenstelsels armoede en sociale uitsluiting onder gepensioneerden effectief moeten tegengaan door een fatsoenlijke levensstandaard tijdens de pensioenperiode mogelijk te maken; |
|
36. |
meent dat pensioenstelsels herzien moeten worden met het oog op financiële duurzaamheid en consistentie met pensioenregelingen en belastingvoordelen; |
Gezondheidszorg
|
37. |
onderkent dat de ontwikkeling van zorgstelsels een cruciale rol speelt bij de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting; |
|
38. |
blijft erbij dat het risico op gezondheidsgerelateerde armoede verlaagd moet worden door middel van een kwalitatief hoogwaardig zorgstelsel dat zowel toegankelijk als financieel duurzaam is, en waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften en moeilijkheden van de kwetsbaarste groepen en individuen; |
|
39. |
toont zich bezorgd over het feit dat het grote publiek niet onderkent dat ondervoeding een grote bedreiging voor de volksgezondheid is; onderstreept dat ondervoeding op elk niveau bestreden moet worden, door regeringen, door zorgaanbieders en maatschappelijk werkers, door professionals en door mensen zelf; |
|
40. |
verzoekt de oostelijke partnerlanden de noodzakelijke mechanismen, beleid en programma's te ontwikkelen en uit te voeren om er zeker van te zijn dat het voorkomen van en het omgaan met ondervoeding grondig ingebed wordt in alle klinische omgevingen en binnen de zorgverlening; |
|
41. |
verzoekt de oostelijke partnerlanden meer inspanningen te leveren ter voorkoming van seksueel overdraagbare aandoeningen en preventieprogramma's te bevorderen; herinnert eraan dat inenting tegen hepatitis B zeer succesvol is geweest en het aantal chronische infecties onder ingeënte kinderen overal ter wereld heeft teruggebracht tot minder dan 1 %; wijst erop dat een HIV-besmetting dikwijls leidt tot sociale uitsluiting; roept daarom de regeringen van de betreffende landen op om actief beleid te ontwikkelen ter voorkoming en behandeling van HIV, alsook informatiecampagnes over besmetting en preventief gedrag; |
|
42. |
verzoekt zijn covoorzitters deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie, de EDEO, de regeringen en parlementen van de lidstaten en die van de oostelijke partnerlanden. |
(1) Zoals aangenomen in Brussel op 28 mei 2013.
(2) Aangenomen teksten P7_TA(2011)0153.
(3) Aangenomen teksten P7_TA(2011)0576.
(4) Aangenomen teksten P7_TA(2012)0276.
(5) Eurofound - Quality of Life Surveys http://www.eurofound.europa.eu/publications/htmlfiles/ef09108.htm