Dit document is overgenomen van EUR-Lex
Document 62018CJ0022
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 13 juni 2019.
TopFit e.V. en Daniele Biffi tegen Deutscher Leichtathletikverband e.V.
Prejudiciële verwijzing – Burgerschap van de Unie – Artikelen 18, 21 en 165 VWEU – Reglement van een sportbond – Deelname aan het nationaal kampioenschap van een lidstaat door een amateuratleet die de nationaliteit van een andere lidstaat bezit – Verschillende behandeling op grond van nationaliteit – Beperking van het vrije verkeer.
Zaak C-22/18.
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 13 juni 2019.
TopFit e.V. en Daniele Biffi tegen Deutscher Leichtathletikverband e.V.
Prejudiciële verwijzing – Burgerschap van de Unie – Artikelen 18, 21 en 165 VWEU – Reglement van een sportbond – Deelname aan het nationaal kampioenschap van een lidstaat door een amateuratleet die de nationaliteit van een andere lidstaat bezit – Verschillende behandeling op grond van nationaliteit – Beperking van het vrije verkeer.
Zaak C-22/18.
ECLI-code: ECLI:EU:C:2019:497
Zaak C‑22/18
TopFit eV
en
Daniele Biffi
tegen
Deutscher Leichtathletikverband eV
(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Amtsgericht Darmstadt)
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 13 juni 2019
„Prejudiciële verwijzing – Burgerschap van de Unie – Artikelen 18, 21 en 165 VWEU – Reglement van een sportbond – Deelname aan het nationaal kampioenschap van een lidstaat door een amateuratleet die de nationaliteit van een andere lidstaat bezit – Verschillende behandeling op grond van nationaliteit – Beperking van het vrije verkeer”
Burgerschap van de Unie – Verdragsbepalingen – Personele werkingssfeer – Onderdaan van een lidstaat die in wedstrijdverband amateursport beoefent in de gastlidstaat – Daaronder begrepen
(Art. 18, 21 en 165 VWEU)
(zie punten 27‑35)
Onderwijs, beroepsopleiding, jeugd en sport – Verdragsbepalingen – Erkenning van het maatschappelijke belang van amateursport in de Unie – Factor van integratie in de samenleving van de gastlidstaat
(zie punt 33)
Burgerschap van de Unie – Verdragsbepalingen – Werkingssfeer – Reglement van een sportbond – Daaronder begrepen
(Art. 3‑6, 18 en 21 VWEU)
(zie punten 36‑40, 52, 53)
Burgerschap van de Unie – Gelijke behandeling – Discriminatie op grond van nationaliteit – Recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven – Reglement van een sportbond waarbij de deelname aan het nationaal kampioenschap van de lidstaat door een amateuratleet die de nationaliteit van een andere lidstaat bezit wordt beperkt – Beperking – Rechtvaardiging – Evenredigheid – Beoordeling door de nationale rechter
(Art. 18, 21 en 165 VWEU)
(zie punten 44, 46‑50, 52‑54, 59, 60, 63, 66‑67, en dictum)
Samenvatting
De gedeeltelijke uitsluiting van onderdanen van andere lidstaten van de Duitse masterskampioenschappen voor amateuratleten kan in strijd zijn met het Unierecht
In het arrest TopFit en Biffi (C‑22/18) van 13 juni 2019 heeft het Hof de artikelen 18, 21 en 165 VWEU uitgelegd in het kader van een geding tussen een amateuratleet met de Italiaanse nationaliteit en de Duitse nationale atletiekbond over de voorwaarden voor deelname van onderdanen van andere lidstaten aan nationale masterskampioenschappen voor amateursporters.
Volgens het Hof verzetten deze bepalingen zich tegen een reglement van een nationale sportbond op grond waarvan een Unieburger die onderdaan is van een andere lidstaat en sinds vele jaren woont op het grondgebied van de lidstaat waar die bond is gevestigd en waar hij als amateur aan hardlopen doet in de masterscategorie, in die disciplines niet op dezelfde voet als eigen onderdanen kan deelnemen aan nationale kampioenschappen, of alleen „buiten klassement” of „zonder klassering” kan deelnemen, zonder toegang te hebben tot de finales en zonder kans te maken op de titel van nationaal kampioen, tenzij dat reglement kan worden gerechtvaardigd op grond van objectieve overwegingen die evenredig zijn aan de nagestreefde legitieme doelstelling, hetgeen de nationale rechter dient na te gaan.
Het Hof heeft om te beginnen vastgesteld dat een Unieburger, zoals de amateuratleet in het onderhavige geval, die gebruik heeft gemaakt van zijn vrijheid van verkeer, zich in het kader van de beoefening in wedstrijdverband van een amateursport binnen de samenleving van de gastlidstaat rechtmatig kan beroepen op de artikelen 18 en 21 VWEU. In dit verband heeft het Hof met name gewezen op de rol die sport speelt bij de integratie in de samenleving van de gastlidstaat, waar artikel 165 VWEU een afspiegeling van vormt.
Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de regels van een nationale sportbond die de toegang van Unieburgers tot sportwedstrijden regelen, aan de regels van het Verdrag moeten voldoen, met name aan de artikelen 18 en 21 VWEU. In dat verband heeft het Hof in herinnering gebracht dat de in het Verdrag neergelegde fundamentele vrijheden en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit ook moeten worden geëerbiedigd in niet-publiekrechtelijke regelingen die ertoe strekken arbeid in loondienst en dienstverrichtingen collectief te regelen. Dit beginsel is ook van toepassing wanneer een groep of een organisatie een zekere macht uitoefent over particulieren en hun voorwaarden kan opleggen waardoor de uitoefening van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden wordt bemoeilijkt.
Ten slotte heeft het Hof geconcludeerd dat in het onderhavige geval sprake is van een verschil in behandeling dat een beperking van het vrije verkeer van de amateuratleet in de zin van artikel 21 VWEU kan opleveren, aangezien hij – zelfs als hij voldoet aan de voorwaarden inzake sportprestaties en via een bij de nationale sportbond aangesloten vereniging al meer dan een jaar beschikt over een wedstrijdlicentie – wegens zijn nationaliteit kan worden uitgesloten van deelname aan een nationaal masterskampioenschap voor amateursprinters, of slechts voor gedeeltelijke deelname kan worden toegelaten. Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat een reglement van een sportbond zoals aan de orde in het hoofdgeding er ook toe kan leiden dat atleten die onderdaan zijn van een andere lidstaat dan de Bondsrepubliek Duitsland, door hun sportverenigingen minder goed worden ondersteund dan nationale atleten, omdat die verenigingen er minder belang bij hebben om te investeren in atleten die niet in aanmerking komen voor deelname aan nationale kampioenschappen, waardoor atleten die onderdaan zijn van een andere lidstaat minder goed kunnen integreren in hun sportvereniging en, dientengevolge, in de samenleving van hun lidstaat van verblijf.
Volgens het Hof kan een beperking van het vrije verkeer van de burgers van de Unie alleen worden gerechtvaardigd indien zij is gebaseerd op objectieve overwegingen en evenredig is aan het door de betrokken regeling nagestreefde legitieme doel, hetgeen de nationale rechter dient na te gaan. Het lijkt ongetwijfeld legitiem om de toekenning van de titel van nationaal kampioen in een bepaalde sportdiscipline voor te behouden aan een eigen onderdaan, aangezien dat nationale element kan worden beschouwd als een wezenlijk kenmerk van de titel van nationaal kampioen. De uit de verwezenlijking van die doelstelling voortvloeiende beperkingen dienen evenwel in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel, en deze doelstelling rechtvaardigt niet om het even welke beperking op de deelname van buitenlanders aan nationale kampioenschappen. Het staat aan de nationale rechter om te onderzoeken of er eventuele rechtvaardigingsgronden bestaan, waarbij hij rekening moet houden met de doelstelling van artikel 21, lid 1, VWEU juncto artikel 165 VWEU, de openheid van sportcompetities te bevorderen, en met het belang om ingezetenen – met name langdurig ingezetenen – te integreren in de gastlidstaat. Dat een buitenlandse atleet op grond van zijn nationaliteit volledig wordt uitgesloten van een nationaal kampioenschap lijkt in ieder geval onevenredig te zijn wanneer er een regeling bestaat voor deelname van een dergelijke atleet aan die kampioenschappen, althans aan kwalificatieronden en/of buiten klassement.