Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62017CJ0331

Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 25 oktober 2018.
Martina Sciotto tegen Fondazione Teatro dell'Opera di Roma.
Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Richtlijn 1999/70/EG – Raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gesloten door het EVV, de Unice en het CEEP – Clausule 5 – Maatregelen ter voorkoming van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of ‑verhoudingen voor bepaalde tijd – Nationale wettelijke regeling die de toepassing van deze maatregelen uitsluit voor werkzaamheden van stichtingen voor dans, opera en orkesten.
Zaak C-331/17.

Court reports – general – 'Information on unpublished decisions' section

Zaak C‑331/17

Martina Sciotto

tegen

Fondazione Teatro dell’Opera di Roma

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Corte d’appello di Roma)

„Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Richtlijn 1999/70/EG – Raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gesloten door het EVV, de Unice en het CEEP – Clausule 5 – Maatregelen ter voorkoming van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of ‑verhoudingen voor bepaalde tijd – Nationale wettelijke regeling die de toepassing van deze maatregelen uitsluit voor werkzaamheden van stichtingen voor dans, opera en orkesten”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 25 oktober 2018

Sociale politiek – Raamovereenkomst EVV, UNICE en CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Richtlijn 1999/70 – Maatregelen ter voorkoming van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Nationale regeling die de toepassing van deze maatregelen uitsluit voor werkzaamheden van stichtingen voor dans, opera en orkesten – Ontoelaatbaarheid – Geen doeltreffende maatregelen om dergelijk misbruik te bestraffen

(Richtlijn 1999/70 van de Raad, bijlage, clausule 5)

Clausule 5 van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, volgens welke de op arbeidsverhoudingen betrekking hebbende algemene regels die bedoeld zijn om misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te bestraffen door de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd automatisch om te zetten in een overeenkomst voor onbepaalde tijd indien de arbeidsverhouding na een bepaalde datum voortduurt, niet van toepassing zijn op de werkzaamheden van stichtingen voor dans, opera en orkesten, wanneer er naar nationaal recht geen sprake is van andere effectieve maatregelen ter bestraffing van in die branche geconstateerd misbruik.

Clausule 5, lid 2, van de raamovereenkomst laat het immers in beginsel aan de lidstaten over om te bepalen onder welke voorwaarden arbeidsovereenkomsten en arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd worden geacht voor onbepaalde tijd te zijn aangegaan. Daaruit volgt dat de raamovereenkomst niet voorschrijft onder welke voorwaarden gebruik kan worden gemaakt van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (arrest van 26 november 2014, Mascolo e.a., C‑22/13, C‑61/13–C‑63/13 en C‑418/13, EU:C:2014:2401, punt 80, en beschikking van 11 december 2014, León Medialdea, C‑86/14, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2447, punt 47).

Wil een nationale regeling als die in het hoofdgeding, volgens welke de omzetting van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd in een overeenkomst voor onbepaalde tijd bij stichtingen voor dans, opera en orkesten verboden is, echter in overeenstemming zijn met de raamovereenkomst, dan moet in het nationale recht van de betrokken lidstaat voor die branche sprake zijn van een andere effectieve maatregel ter voorkoming, en in voorkomend geval ter bestraffing, van misbruik van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd (zie naar analogie arresten van 14 september 2016, Martínez Andrés en Castrejana López, C‑184/15 en C‑197/15, EU:C:2016:680, punt 41, en 7 maart 2018, Santoro, C‑494/16, EU:C:2018:166, punt 34).

Wanneer het Unierecht niet voorziet in specifieke sancties voor het geval dat toch misbruik wordt vastgesteld, staat het aan de nationale overheidsinstanties om passende maatregelen vast te stellen, die niet alleen evenredig moeten zijn, maar ook voldoende effectief en afschrikkend om ervoor te zorgen dat de krachtens de raamovereenkomst vastgestelde normen hun volle uitwerking krijgen (arresten van 26 november 2014, Mascolo e.a., C‑22/13, C‑61/13–C‑63/13 en C‑418/13, EU:C:2014:2401, punt 77en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 7 maart 2018, Santoro, C‑494/16, EU:C:2018:166, punt 29).

Hieruit vloeit voort dat wanneer misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd heeft plaatsgevonden, er een maatregel moet kunnen worden toegepast die voorziet in effectieve en op het gebied van de werknemersbescherming gelijkwaardige garanties om dit misbruik naar behoren te bestraffen en de gevolgen van de schending van het Unierecht ongedaan te maken (zie in die zin arresten van 26 november 2014, Mascolo e.a., C‑22/13, C‑61/13–C‑63/13 en C‑418/13, EU:C:2014:2401, punt 79en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 7 maart 2018, Santoro, C‑494/16, EU:C:2018:166, punt 31).

(zie punten 59, 60, 64, 65, 72 en dictum)

Top