This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62013CJ0286
Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie
Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie
Zaak C‑286/13 P
Dole Food Company Inc.
en
Dole Fresh Fruit Europe, voorheen Dole Germany OHG
tegen
Europese Commissie
„Hogere voorziening — Mededinging — Mededingingsregelingen — Europese bananenmarkt — Coördinatie bij de vaststelling van de referentieprijzen — Motiveringsplicht — Motivering achteraf — Te late indiening van bewijsstukken — Rechten van de verdediging — Beginsel van equality of arms — Beginselen die van toepassing zijn op de vaststelling van de feiten — Onjuiste opvatting van de feiten — Beoordeling van de bewijzen — Marktstructuur — Verplichting van de Commissie om aan te geven welke aspecten van de informatie-uitwisseling een de mededinging beperkende strekking hebben — Bewijslast — Berekening van de geldboete — Inaanmerkingneming van de verkopen van dochterondernemingen die niet betrokken zijn bij de inbreuk — Dubbeltelling van tweemaal verkochte bananen”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 19 maart 2015
Gerechtelijke procedure – Overlegging van de bewijsstukken – Termijn – Tardieve bewijsaanbiedingen – Voorwaarden
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 48, lid 1)
Gerechtelijke procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen – Algemene verwijzing naar andere geschriften die bij het verzoekschrift zijn gevoegd – Niet-ontvankelijkheid
[Statuut van het Hof van Justitie, art. 21 en 53, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, c)]
Hogere voorziening – Middelen – Toetsing door het Hof van de beoordeling door het Gerecht van de noodzaak om de gegevens aan te vullen – Uitgesloten, behoudens geval van onjuiste opvatting
(Art. 256, lid 1, VWEU; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 64)
Hogere voorziening – Middelen – Ontoereikende motivering – Impliciete motivering door het Gerecht – Toelaatbaarheid – Voorwaarden
(Statuut van het Hof van Justitie, art. 36 en 53, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 81)
Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beoordeling van de motiveringsplicht op basis van de omstandigheden van het geval
(Art. 253 EG)
Mededingingsregelingen – Aantasting van de mededinging – Beoordelingscriteria – Inhoud en doel van een mededingingsregeling en economische en juridische context waarin zij tot stand is gekomen – Onderscheid tussen inbreuken naar strekking en inbreuken naar gevolg – Voornemen van de partijen bij een overeenkomst om de mededinging te beperken – Criterium niet noodzakelijk – Inbreuk naar strekking – Voldoende mate van schadelijkheid – Beoordelingscriteria
(Art. 81, lid 1, EG)
Mededingingsregelingen – Onderling afgestemde feitelijke gedragingen – Begrip – Coördinatie en samenwerking in strijd met de verplichting voor elke onderneming om haar marktgedrag zelfstandig te bepalen – Uitwisseling van informatie tussen concurrenten – Mededinging beperkend doel of gevolg – Vermoeden – Voorwaarden
(Art. 81, lid 1, EG)
Mededingingsregelingen – Onderling afgestemde feitelijke gedragingen – Begrip – Mededinging beperkend doel – Beoordelingscriteria – Geen de mededinging beperkende gevolgen op de markt – Geen rechtstreeks verband tussen de onderling afgestemde feitelijke gedragingen en de consumentenprijzen – Irrelevant
(Art. 81, lid 1, EG)
Mededingingsregelingen – Onderling afgestemde feitelijke gedragingen – Begrip – Noodzaak van een causaal verband tussen de afstemming en het marktgedrag van de ondernemingen – Vermoeden van het bestaan van dit causaal verband – Vermoeden te weerleggen door de betrokken onderneming – Bewijs
(Art. 81, lid 1, EG)
Mededinging – Regels van de Unie – Inbreuken – Toerekening – Moedermaatschappij en dochterondernemingen – Economische eenheid
(Art. 81, lid 1, EG)
Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Afschrikkende werking – Inaanmerkingneming van de omvang en de totale middelen van de bestrafte onderneming
(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, leden 2 en 3)
Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Berekeningsmethode vastgesteld in de richtsnoeren van de Commissie – Berekening van het basisbedrag van de geldboete – Bepaling van de waarde van de verkopen – Criteria – Verkopen die rechtstreeks of indirect verband houden met de inbreuk
(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 2006/C 210/02 van de Commissie, punt 13)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punt 44)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punt 50)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punt 58)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punt 83)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punten 93, 94)
Wat de onder artikel 81 EG vallende de mededinging verstorende gedragingen betreft, beïnvloeden bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen de mededinging in die mate nadelig dat de gevolgen ervan niet meer hoeven te worden onderzocht. Zo kunnen bepaalde kartelafspraken, zoals die welke tot horizontale prijsbepaling door kartels leiden, worden beschouwd als afspraken die een zodanig groot risico inhouden dat inzonderheid de prijs, de hoeveelheid en de kwaliteit van de producten en diensten negatief zullen worden beïnvloed, dat het voor de toepassing van artikel 81, lid 1, EG overbodig is om aan te tonen dat zij concrete effecten op de markt hebben. Wanneer uit de analyse van een bepaalde vorm van coördinatie tussen ondernemingen evenwel niet blijkt dat de mededinging daardoor in voldoende mate wordt verstoord, moeten de gevolgen ervan worden onderzocht. Om de coördinatie te kunnen verbieden, moeten alle factoren waaruit blijkt dat de mededinging daadwerkelijk merkbaar is belemmerd, beperkt of vervalst, aanwezig zijn.
Bij de beoordeling of een bepaalde vorm van coördinatie tussen ondernemingen de mededinging in die mate nadelig beïnvloedt dat zij kan worden geacht een de mededinging beperkende „strekking” in de zin van artikel 81, lid 1, EG te hebben, moet met name worden gelet op de doelstellingen ervan, alsook op de economische en juridische context. Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de wijze waarop de betrokken markt of markten daadwerkelijk functioneren en gestructureerd zijn.
Voorts hoeven de bedoelingen van de partijen weliswaar niet in aanmerking te worden genomen bij het onderzoek of een bepaalde vorm van coördinatie tussen ondernemingen een beperkende werking heeft, maar niets belet de mededingingsautoriteiten of de nationale rechter en de Unierechter om daarmee rekening te houden.
(cf. punten 113, 115‑118)
Wat de uitwisseling van informatie tussen concurrenten betreft, dienen de criteria coördinatie en samenwerking, die voorwaarden zijn om te kunnen spreken van onderling afgestemde feitelijke gedragingen, te worden verstaan tegen de achtergrond van de grondgedachte van de mededingingsvoorschriften van het Verdrag dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren.
Deze eis van zelfstandigheid ontneemt de ondernemer weliswaar niet het recht om zijn beleid op een intelligente manier aan het vastgestelde of verwachte gedrag van zijn concurrenten aan te passen, maar staat onverbiddelijk in de weg aan elk al dan niet rechtstreeks contact tussen ondernemers waardoor het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent wordt beïnvloed of waardoor deze wordt geïnformeerd over beslissingen of afwegingen met betrekking tot het marktgedrag van eerstgenoemde ondernemer, wanneer dit contact tot doel of ten gevolge heeft dat mededingingsvoorwaarden ontstaan die – gelet op de aard van de producten of verleende diensten, de grootte van de ondernemingen, hun aantal en de omvang van de betrokken markt – niet met de normale voorwaarden op die markt overeenkomen.
De uitwisseling van informatie tussen concurrenten kan immers in strijd zijn met de mededingingsregels wanneer zij de onzekerheid over de werking van de betrokken markt vermindert of wegneemt en daardoor de mededinging tussen ondernemingen beperkt. Meer bepaald moet een uitwisseling van informatie die de onzekerheid van de betrokkenen kan wegnemen over het tijdstip waarop, de mate waarin en de wijze waarop de betrokken ondernemingen hun marktgedrag zullen aanpassen, worden geacht ertoe te strekken de mededinging te beperken.
(cf. punten 119‑122)
Wat de mededingingsregels van de Unie betreft, kunnen onderling afgestemde feitelijke gedragingen een de mededinging beperkende strekking hebben, ook al houden zij geen rechtstreeks verband met de verbruikersprijzen. Uit de bewoordingen van artikel 81, lid 1, EG kan immers niet worden afgeleid dat alleen onderling afgestemde feitelijke gedragingen die rechtstreekse gevolgen hebben voor de door de eindgebruiker betaalde prijs, verboden zijn. Integendeel, uit artikel 81, lid 1, onder a), EG volgt dat onderling afgestemde feitelijke gedragingen een de mededinging beperkende strekking kunnen hebben indien zij „rechtstreeks of zijdelings [...] de aan- of verkoopprijzen of [...] andere contractuele voorwaarden [bepalen]”.
Hoe dan ook is artikel 81 EG, zoals ook de overige mededingingsregels van het Verdrag, niet uitsluitend bedoeld om de rechtstreekse belangen van de concurrenten of van de consumenten te beschermen, maar om de structuur van de markt en daarmee de mededinging als zodanig veilig te stellen. Bijgevolg hoeft niet vast te staan dat onderling afgestemde feitelijke gedragingen rechtstreeks verband houden met de verbruikersprijzen om te kunnen vaststellen dat zij een de mededinging beperkende strekking hebben.
(cf. punten 123‑125)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punten 126, 127)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punt 140)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punten 142‑145)
Wat de berekening betreft van het bedrag van de geldboete die wegens een inbreuk op de mededingingsregels dient te worden opgelegd, geeft artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 de Commissie weliswaar een beoordelingsmarge, maar beperkt het de uitoefening van die beoordelingsbevoegdheid door de invoering van objectieve criteria waaraan de Commissie zich moet houden. Zo geldt een absolute en becijferbare bovengrens voor de geldboete die aan een onderneming kan worden opgelegd, zodat de maximumboete die aan een bepaalde onderneming kan worden opgelegd, vooraf kan worden bepaald. Voorts wordt de uitoefening van deze beoordelingsbevoegdheid ook beperkt door de gedragsregels die de Commissie zichzelf heeft opgelegd.
In dit verband beoogt punt 13 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd, volgens hetwelk de Commissie rekening moet houden met de waarde van de door de betrokken onderneming verrichte verkopen die verband houden met de inbreuk, als uitgangspunt voor de berekening van de aan een onderneming op te leggen geldboete een bedrag te nemen dat het economische belang van de inbreuk en het relatieve aandeel van deze onderneming daarin weerspiegelt. Hoewel het begrip „waarde van de verkopen” als bedoeld in dat punt 13 zeker niet zo ruim kan worden opgevat dat het ook de verkopen van de onderneming in kwestie omvat die niet, rechtstreeks of indirect, binnen het bestek van de ten laste gelegde mededingingsregeling vallen, zou het dus niettemin strijdig zijn met het doel van deze bepaling dit begrip aldus zou uit te leggen dat het alleen ziet op de omzet uit verkopen waarvan is vastgesteld dat zij daadwerkelijk door dit kartel zijn beïnvloed. Hoe dan ook is het deel van de totale omzet dat afkomstig is uit de verkoop van de producten waarop de inbreuk betrekking heeft, het meest geschikt om de economische impact van de inbreuk tot uiting te brengen.
(cf. punten 146‑149)
Zaak C‑286/13 P
Dole Food Company Inc.
en
Dole Fresh Fruit Europe, voorheen Dole Germany OHG
tegen
Europese Commissie
„Hogere voorziening — Mededinging — Mededingingsregelingen — Europese bananenmarkt — Coördinatie bij de vaststelling van de referentieprijzen — Motiveringsplicht — Motivering achteraf — Te late indiening van bewijsstukken — Rechten van de verdediging — Beginsel van equality of arms — Beginselen die van toepassing zijn op de vaststelling van de feiten — Onjuiste opvatting van de feiten — Beoordeling van de bewijzen — Marktstructuur — Verplichting van de Commissie om aan te geven welke aspecten van de informatie-uitwisseling een de mededinging beperkende strekking hebben — Bewijslast — Berekening van de geldboete — Inaanmerkingneming van de verkopen van dochterondernemingen die niet betrokken zijn bij de inbreuk — Dubbeltelling van tweemaal verkochte bananen”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 19 maart 2015
Gerechtelijke procedure — Overlegging van de bewijsstukken — Termijn — Tardieve bewijsaanbiedingen — Voorwaarden
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 48, lid 1)
Gerechtelijke procedure — Inleidend verzoekschrift — Vormvereisten — Summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen — Algemene verwijzing naar andere geschriften die bij het verzoekschrift zijn gevoegd — Niet-ontvankelijkheid
[Statuut van het Hof van Justitie, art. 21 en 53, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, c)]
Hogere voorziening — Middelen — Toetsing door het Hof van de beoordeling door het Gerecht van de noodzaak om de gegevens aan te vullen — Uitgesloten, behoudens geval van onjuiste opvatting
(Art. 256, lid 1, VWEU; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 64)
Hogere voorziening — Middelen — Ontoereikende motivering — Impliciete motivering door het Gerecht — Toelaatbaarheid — Voorwaarden
(Statuut van het Hof van Justitie, art. 36 en 53, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 81)
Handelingen van de instellingen — Motivering — Verplichting — Omvang — Beoordeling van de motiveringsplicht op basis van de omstandigheden van het geval
(Art. 253 EG)
Mededingingsregelingen — Aantasting van de mededinging — Beoordelingscriteria — Inhoud en doel van een mededingingsregeling en economische en juridische context waarin zij tot stand is gekomen — Onderscheid tussen inbreuken naar strekking en inbreuken naar gevolg — Voornemen van de partijen bij een overeenkomst om de mededinging te beperken — Criterium niet noodzakelijk — Inbreuk naar strekking — Voldoende mate van schadelijkheid — Beoordelingscriteria
(Art. 81, lid 1, EG)
Mededingingsregelingen — Onderling afgestemde feitelijke gedragingen — Begrip — Coördinatie en samenwerking in strijd met de verplichting voor elke onderneming om haar marktgedrag zelfstandig te bepalen — Uitwisseling van informatie tussen concurrenten — Mededinging beperkend doel of gevolg — Vermoeden — Voorwaarden
(Art. 81, lid 1, EG)
Mededingingsregelingen — Onderling afgestemde feitelijke gedragingen — Begrip — Mededinging beperkend doel — Beoordelingscriteria — Geen de mededinging beperkende gevolgen op de markt — Geen rechtstreeks verband tussen de onderling afgestemde feitelijke gedragingen en de consumentenprijzen — Irrelevant
(Art. 81, lid 1, EG)
Mededingingsregelingen — Onderling afgestemde feitelijke gedragingen — Begrip — Noodzaak van een causaal verband tussen de afstemming en het marktgedrag van de ondernemingen — Vermoeden van het bestaan van dit causaal verband — Vermoeden te weerleggen door de betrokken onderneming — Bewijs
(Art. 81, lid 1, EG)
Mededinging — Regels van de Unie — Inbreuken — Toerekening — Moedermaatschappij en dochterondernemingen — Economische eenheid
(Art. 81, lid 1, EG)
Mededinging — Geldboeten — Bedrag — Vaststelling — Afschrikkende werking — Inaanmerkingneming van de omvang en de totale middelen van de bestrafte onderneming
(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, leden 2 en 3)
Mededinging — Geldboeten — Bedrag — Vaststelling — Berekeningsmethode vastgesteld in de richtsnoeren van de Commissie — Berekening van het basisbedrag van de geldboete — Bepaling van de waarde van de verkopen — Criteria — Verkopen die rechtstreeks of indirect verband houden met de inbreuk
(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 2006/C 210/02 van de Commissie, punt 13)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punt 44)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punt 50)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punt 58)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punt 83)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punten 93, 94)
Wat de onder artikel 81 EG vallende de mededinging verstorende gedragingen betreft, beïnvloeden bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen de mededinging in die mate nadelig dat de gevolgen ervan niet meer hoeven te worden onderzocht. Zo kunnen bepaalde kartelafspraken, zoals die welke tot horizontale prijsbepaling door kartels leiden, worden beschouwd als afspraken die een zodanig groot risico inhouden dat inzonderheid de prijs, de hoeveelheid en de kwaliteit van de producten en diensten negatief zullen worden beïnvloed, dat het voor de toepassing van artikel 81, lid 1, EG overbodig is om aan te tonen dat zij concrete effecten op de markt hebben. Wanneer uit de analyse van een bepaalde vorm van coördinatie tussen ondernemingen evenwel niet blijkt dat de mededinging daardoor in voldoende mate wordt verstoord, moeten de gevolgen ervan worden onderzocht. Om de coördinatie te kunnen verbieden, moeten alle factoren waaruit blijkt dat de mededinging daadwerkelijk merkbaar is belemmerd, beperkt of vervalst, aanwezig zijn.
Bij de beoordeling of een bepaalde vorm van coördinatie tussen ondernemingen de mededinging in die mate nadelig beïnvloedt dat zij kan worden geacht een de mededinging beperkende „strekking” in de zin van artikel 81, lid 1, EG te hebben, moet met name worden gelet op de doelstellingen ervan, alsook op de economische en juridische context. Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de wijze waarop de betrokken markt of markten daadwerkelijk functioneren en gestructureerd zijn.
Voorts hoeven de bedoelingen van de partijen weliswaar niet in aanmerking te worden genomen bij het onderzoek of een bepaalde vorm van coördinatie tussen ondernemingen een beperkende werking heeft, maar niets belet de mededingingsautoriteiten of de nationale rechter en de Unierechter om daarmee rekening te houden.
(cf. punten 113, 115‑118)
Wat de uitwisseling van informatie tussen concurrenten betreft, dienen de criteria coördinatie en samenwerking, die voorwaarden zijn om te kunnen spreken van onderling afgestemde feitelijke gedragingen, te worden verstaan tegen de achtergrond van de grondgedachte van de mededingingsvoorschriften van het Verdrag dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren.
Deze eis van zelfstandigheid ontneemt de ondernemer weliswaar niet het recht om zijn beleid op een intelligente manier aan het vastgestelde of verwachte gedrag van zijn concurrenten aan te passen, maar staat onverbiddelijk in de weg aan elk al dan niet rechtstreeks contact tussen ondernemers waardoor het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent wordt beïnvloed of waardoor deze wordt geïnformeerd over beslissingen of afwegingen met betrekking tot het marktgedrag van eerstgenoemde ondernemer, wanneer dit contact tot doel of ten gevolge heeft dat mededingingsvoorwaarden ontstaan die – gelet op de aard van de producten of verleende diensten, de grootte van de ondernemingen, hun aantal en de omvang van de betrokken markt – niet met de normale voorwaarden op die markt overeenkomen.
De uitwisseling van informatie tussen concurrenten kan immers in strijd zijn met de mededingingsregels wanneer zij de onzekerheid over de werking van de betrokken markt vermindert of wegneemt en daardoor de mededinging tussen ondernemingen beperkt. Meer bepaald moet een uitwisseling van informatie die de onzekerheid van de betrokkenen kan wegnemen over het tijdstip waarop, de mate waarin en de wijze waarop de betrokken ondernemingen hun marktgedrag zullen aanpassen, worden geacht ertoe te strekken de mededinging te beperken.
(cf. punten 119‑122)
Wat de mededingingsregels van de Unie betreft, kunnen onderling afgestemde feitelijke gedragingen een de mededinging beperkende strekking hebben, ook al houden zij geen rechtstreeks verband met de verbruikersprijzen. Uit de bewoordingen van artikel 81, lid 1, EG kan immers niet worden afgeleid dat alleen onderling afgestemde feitelijke gedragingen die rechtstreekse gevolgen hebben voor de door de eindgebruiker betaalde prijs, verboden zijn. Integendeel, uit artikel 81, lid 1, onder a), EG volgt dat onderling afgestemde feitelijke gedragingen een de mededinging beperkende strekking kunnen hebben indien zij „rechtstreeks of zijdelings [...] de aan- of verkoopprijzen of [...] andere contractuele voorwaarden [bepalen]”.
Hoe dan ook is artikel 81 EG, zoals ook de overige mededingingsregels van het Verdrag, niet uitsluitend bedoeld om de rechtstreekse belangen van de concurrenten of van de consumenten te beschermen, maar om de structuur van de markt en daarmee de mededinging als zodanig veilig te stellen. Bijgevolg hoeft niet vast te staan dat onderling afgestemde feitelijke gedragingen rechtstreeks verband houden met de verbruikersprijzen om te kunnen vaststellen dat zij een de mededinging beperkende strekking hebben.
(cf. punten 123‑125)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punten 126, 127)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punt 140)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punten 142‑145)
Wat de berekening betreft van het bedrag van de geldboete die wegens een inbreuk op de mededingingsregels dient te worden opgelegd, geeft artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 de Commissie weliswaar een beoordelingsmarge, maar beperkt het de uitoefening van die beoordelingsbevoegdheid door de invoering van objectieve criteria waaraan de Commissie zich moet houden. Zo geldt een absolute en becijferbare bovengrens voor de geldboete die aan een onderneming kan worden opgelegd, zodat de maximumboete die aan een bepaalde onderneming kan worden opgelegd, vooraf kan worden bepaald. Voorts wordt de uitoefening van deze beoordelingsbevoegdheid ook beperkt door de gedragsregels die de Commissie zichzelf heeft opgelegd.
In dit verband beoogt punt 13 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd, volgens hetwelk de Commissie rekening moet houden met de waarde van de door de betrokken onderneming verrichte verkopen die verband houden met de inbreuk, als uitgangspunt voor de berekening van de aan een onderneming op te leggen geldboete een bedrag te nemen dat het economische belang van de inbreuk en het relatieve aandeel van deze onderneming daarin weerspiegelt. Hoewel het begrip „waarde van de verkopen” als bedoeld in dat punt 13 zeker niet zo ruim kan worden opgevat dat het ook de verkopen van de onderneming in kwestie omvat die niet, rechtstreeks of indirect, binnen het bestek van de ten laste gelegde mededingingsregeling vallen, zou het dus niettemin strijdig zijn met het doel van deze bepaling dit begrip aldus zou uit te leggen dat het alleen ziet op de omzet uit verkopen waarvan is vastgesteld dat zij daadwerkelijk door dit kartel zijn beïnvloed. Hoe dan ook is het deel van de totale omzet dat afkomstig is uit de verkoop van de producten waarop de inbreuk betrekking heeft, het meest geschikt om de economische impact van de inbreuk tot uiting te brengen.
(cf. punten 146‑149)