This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62010CJ0581
Samenvatting van het arrest
Samenvatting van het arrest
Court reports – general
Gevoegde zaken C-581/10 en C-629/10
Emeka Nelson e.a.
tegen
Deutsche Lufthansa AG
en
TUI Travel plc e.a.
tegen
Civil Aviation Authority
[verzoeken van het Amtsgericht Köln en van de High Court of Justice (England and Wales), Queen’s Bench Division (Administrative Court), om een prejudiciële beslissing]
„Luchtvervoer — Verordening (EG) nr. 261/2004 — Artikelen 5 tot en met 7 — Verdrag van Montreal — Artikelen 19 en 29 — Recht op compensatie bij vertraging van vlucht — Verenigbaarheid”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Grote kamer) van 23 oktober 2012
Vervoer – Luchtvervoer – Verordening nr. 261/2004 – Gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan passagiers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten – Recht op compensatie bij annulering van vlucht – Toepasselijkheid bij langdurige vertraging – Beginsel van gelijke behandeling
(Verordening nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad, punt 3 van de considerans en art. 5, 6 en 7)
Vervoer – Luchtvervoer – Verordening nr. 261/2004 – Gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten – Recht op compensatie bij vertraging – Voorwaarden
(Verordening nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad, art. 5-7)
Vervoer – Luchtvervoer – Verordening nr. 261/2004 – Gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan passagiers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten – Recht op compensatie bij vertraging – Onverenigbaarheid met Verdrag tot brengen van eenheid in enige bepalingen inzake internationaal luchtvervoer – Geen
(Verordening nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad, art. 5-7; Verdrag van Montreal van 1999, art. 19, 22 en 29)
Vervoer – Luchtvervoer – Verordening nr. 261/2004 – Gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan passagiers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten – Recht op compensatie bij vertraging – Schending van rechtszekerheidsbeginsel – Geen – Schending van evenredigheidsbeginsel – Geen
(Verordening nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad, art. 5-7)
Prejudiciële vragen – Uitlegging – Werking in tijd van uitleggingsarresten – Terugwerkende kracht – Beperking door het Hof – Rechtszekerheid – Beoordelingsvrijheid van het Hof
(Art. 267 VWEU)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punten 30-38)
De artikelen 5, 6 en 7 van verordening nr. 261/2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten moeten aldus worden uitgelegd dat passagiers van een vertraagde vlucht krachtens deze verordening recht op compensatie hebben wanneer zij wegens deze vlucht drie uur of meer tijdverlies lijden, dat wil zeggen wanneer zij drie uur na de door de luchtvervoerder oorspronkelijk geplande aankomsttijd of later hun eindbestemming bereiken. Passagiers hebben wegens een dergelijke vertraging evenwel geen recht op compensatie wanneer de luchtvervoerder kan aantonen dat de langdurige vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen, dat wil zeggen van omstandigheden waarop de luchtvervoerder geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen.
(cf. punt 40, dictum 1)
Noch uit de artikelen 19, 22 en 29 van het Verdrag van Montreal tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, noch uit enige andere bepaling van dat verdrag blijkt dat de verdragsauteurs de luchtvervoerders wilden vrijwaren van elke andere vorm van interventie dan de interventie waarin deze bepalingen voorzien, met name van interventies door de overheid die wil voorzien in onmiddellijke en gestandaardiseerde compensatie van het ongemak dat wordt veroorzaakt door vertraging in het luchtvervoer van passagiers, zonder dat deze passagiers de moeite hoeven te nemen, een schadevergoedingsvordering in te stellen bij de rechter.
De compensatiemaatregel van artikel 7 van verordening nr. 261/2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten valt niet binnen de werkingssfeer van het Verdrag van Montreal. Met een vertraging van de vlucht gepaard gaand tijdverlies, dat een ongemak in de zin van verordening nr. 261/2004 vormt, kan immers niet als „schade voortvloeiend uit vertraging” in de zin van artikel 19 van het Verdrag van Montreal worden aangemerkt, en valt dus buiten de werkingssfeer van artikel 29 van dat verdrag. Bovendien ondergaan alle passagiers van een vertraagde vlucht op dezelfde wijze het tijdverlies en bijgevolg is het mogelijk dit te verhelpen door een gestandaardiseerde maatregel zonder dat de individuele situatie van elke betrokken passagier behoeft te worden beoordeeld. Een dergelijke maatregel kan dus onmiddellijk worden getroffen. Voorts bestaat er niet noodzakelijkerwijs een causaal verband tussen de daadwerkelijk opgelopen vertraging, enerzijds, en het tijdverlies op basis waarvan kan worden bepaald of recht op compensatie krachtens verordening nr. 261/2004 bestaat en het compensatiebedrag kan worden berekend, anderzijds. Derhalve is de uit verordening nr. 261/2004 voortvloeiende plicht tot compensatie van passagiers van een vlucht met langdurige vertraging verenigbaar met artikel 29 van het Verdrag van Montreal en complementair aan dat artikel, aangezien deze plicht bovenop de regeling van dat artikel komt.
(cf. punten 46-49, 52, 53, 55-57)
Met betrekking tot de duidelijkheid van de verplichtingen die de luchtvervoerder worden opgelegd door verordening nr. 261/2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten, verlangt het rechtszekerheidsbeginsel dat de justitiabelen ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen. Gelet op de uit het gelijkheidsbeginsel voortvloeiende vereisten kunnen de luchtvervoerders zich echter niet aanvoeren dat de hun bij verordening nr. 261/2004 opgelegde verplichting tot compensatie van de passagiers in geval van vertraging in strijd is met dat beginsel. De passagiers wier vlucht is vertraagd en de luchtvervoerders kunnen ondubbelzinnig weten vanaf welk ogenblik eerstgenoemden aanspraak kunnen maken op betaling van een compensatie respectievelijk vanaf wanneer laatstgenoemden die compensatie verschuldigd zijn, aangezien door de bepaling van een duidelijke tijdslimiet ook kan worden vermeden dat de nationale gerechten het begrip langdurige vertraging verschillend beoordelen, en daardoor in voorkomend geval rechtsonzekerheid ontstaat.
Bovendien schendt de plicht tot compensatie van de door passagiers van een vertraagde vlucht geleden schade het evenredigheidsbeginsel niet. Het belang van de doelstelling van bescherming van de consumenten, waaronder dus de passagiers, kan de voor sommige marktdeelnemers – zelfs aanzienlijke – negatieve economische gevolgen rechtvaardigen. Aangezien het geleden tijdverlies onomkeerbaar, objectief en gemakkelijk kwantificeerbaar is, blijkt de maatregel die erin bestaat alle door dit ongemak getroffen passagiers onmiddellijk een forfaitaire financiële vergoeding uit te keren, voorts bijzonder geschikt te zijn. Daarenboven geldt de compensatieplicht enkel in geval van langdurige vertraging en kan het compensatiebedrag met de helft worden verlaagd wanneer de vertraging minder dan vier uur bedraagt. Ten slotte is geen compensatie verschuldigd wanneer de luchtvervoerder kan aantonen dat de annulering of de langdurige vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen, dat wil zeggen van omstandigheden waarop deze luchtvervoerder geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen. Bovendien kan hij van eenieder die de vertraging heeft veroorzaakt, ook van derden, terugbetaling te vorderen.
(cf. punten 66-68, 75, 77-81)
Slechts bij uitzondering kan het Hof van Justitie, krachtens het aan de rechtsorde van de Unie inherente algemene rechtszekerheidsbeginsel, beperkingen stellen aan de mogelijkheid voor iedere belanghebbende om met een beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen aan de orde te stellen. Alsdan staat het evenwel aan het Hof om één enkel tijdstip vast te stellen vanaf hetwelk de uitlegging die het aan een voorschrift van het Unierecht heeft gegeven, in werking treedt. In deze context kan een beperking in de tijd van de werking van deze uitlegging slechts worden aangebracht in het arrest waarin de gevraagde uitlegging wordt gegeven. Dit principe waarborgt de gelijke behandeling van de lidstaten en de andere justitiabelen ten aanzien van dat recht en voldoet daarmee aan de uit het rechtszekerheidsbeginsel voortvloeiende vereisten. Wanneer de door het Hof gegeven uitlegging overeenstemt met die welke is gegeven in een vroeger arrest waarvan de werking niet in de tijd is beperkt, behoeft niet te worden beslist op een verzoek tot beperking van de werking in de tijd van een later arrest.
(cf. punten 89-91, 93, 94)
Gevoegde zaken C-581/10 en C-629/10
Emeka Nelson e.a.
tegen
Deutsche Lufthansa AG
en
TUI Travel plc e.a.
tegen
Civil Aviation Authority
[verzoeken van het Amtsgericht Köln en van de High Court of Justice (England and Wales), Queen’s Bench Division (Administrative Court), om een prejudiciële beslissing]
„Luchtvervoer — Verordening (EG) nr. 261/2004 — Artikelen 5 tot en met 7 — Verdrag van Montreal — Artikelen 19 en 29 — Recht op compensatie bij vertraging van vlucht — Verenigbaarheid”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Grote kamer) van 23 oktober 2012
Vervoer — Luchtvervoer — Verordening nr. 261/2004 — Gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan passagiers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten — Recht op compensatie bij annulering van vlucht — Toepasselijkheid bij langdurige vertraging — Beginsel van gelijke behandeling
(Verordening nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad, punt 3 van de considerans en art. 5, 6 en 7)
Vervoer — Luchtvervoer — Verordening nr. 261/2004 — Gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten — Recht op compensatie bij vertraging — Voorwaarden
(Verordening nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad, art. 5-7)
Vervoer — Luchtvervoer — Verordening nr. 261/2004 — Gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan passagiers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten — Recht op compensatie bij vertraging — Onverenigbaarheid met Verdrag tot brengen van eenheid in enige bepalingen inzake internationaal luchtvervoer — Geen
(Verordening nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad, art. 5-7; Verdrag van Montreal van 1999, art. 19, 22 en 29)
Vervoer — Luchtvervoer — Verordening nr. 261/2004 — Gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan passagiers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten — Recht op compensatie bij vertraging — Schending van rechtszekerheidsbeginsel — Geen — Schending van evenredigheidsbeginsel — Geen
(Verordening nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad, art. 5-7)
Prejudiciële vragen — Uitlegging — Werking in tijd van uitleggingsarresten — Terugwerkende kracht — Beperking door het Hof — Rechtszekerheid — Beoordelingsvrijheid van het Hof
(Art. 267 VWEU)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punten 30-38)
De artikelen 5, 6 en 7 van verordening nr. 261/2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten moeten aldus worden uitgelegd dat passagiers van een vertraagde vlucht krachtens deze verordening recht op compensatie hebben wanneer zij wegens deze vlucht drie uur of meer tijdverlies lijden, dat wil zeggen wanneer zij drie uur na de door de luchtvervoerder oorspronkelijk geplande aankomsttijd of later hun eindbestemming bereiken. Passagiers hebben wegens een dergelijke vertraging evenwel geen recht op compensatie wanneer de luchtvervoerder kan aantonen dat de langdurige vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen, dat wil zeggen van omstandigheden waarop de luchtvervoerder geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen.
(cf. punt 40, dictum 1)
Noch uit de artikelen 19, 22 en 29 van het Verdrag van Montreal tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, noch uit enige andere bepaling van dat verdrag blijkt dat de verdragsauteurs de luchtvervoerders wilden vrijwaren van elke andere vorm van interventie dan de interventie waarin deze bepalingen voorzien, met name van interventies door de overheid die wil voorzien in onmiddellijke en gestandaardiseerde compensatie van het ongemak dat wordt veroorzaakt door vertraging in het luchtvervoer van passagiers, zonder dat deze passagiers de moeite hoeven te nemen, een schadevergoedingsvordering in te stellen bij de rechter.
De compensatiemaatregel van artikel 7 van verordening nr. 261/2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten valt niet binnen de werkingssfeer van het Verdrag van Montreal. Met een vertraging van de vlucht gepaard gaand tijdverlies, dat een ongemak in de zin van verordening nr. 261/2004 vormt, kan immers niet als „schade voortvloeiend uit vertraging” in de zin van artikel 19 van het Verdrag van Montreal worden aangemerkt, en valt dus buiten de werkingssfeer van artikel 29 van dat verdrag. Bovendien ondergaan alle passagiers van een vertraagde vlucht op dezelfde wijze het tijdverlies en bijgevolg is het mogelijk dit te verhelpen door een gestandaardiseerde maatregel zonder dat de individuele situatie van elke betrokken passagier behoeft te worden beoordeeld. Een dergelijke maatregel kan dus onmiddellijk worden getroffen. Voorts bestaat er niet noodzakelijkerwijs een causaal verband tussen de daadwerkelijk opgelopen vertraging, enerzijds, en het tijdverlies op basis waarvan kan worden bepaald of recht op compensatie krachtens verordening nr. 261/2004 bestaat en het compensatiebedrag kan worden berekend, anderzijds. Derhalve is de uit verordening nr. 261/2004 voortvloeiende plicht tot compensatie van passagiers van een vlucht met langdurige vertraging verenigbaar met artikel 29 van het Verdrag van Montreal en complementair aan dat artikel, aangezien deze plicht bovenop de regeling van dat artikel komt.
(cf. punten 46-49, 52, 53, 55-57)
Met betrekking tot de duidelijkheid van de verplichtingen die de luchtvervoerder worden opgelegd door verordening nr. 261/2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten, verlangt het rechtszekerheidsbeginsel dat de justitiabelen ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen. Gelet op de uit het gelijkheidsbeginsel voortvloeiende vereisten kunnen de luchtvervoerders zich echter niet aanvoeren dat de hun bij verordening nr. 261/2004 opgelegde verplichting tot compensatie van de passagiers in geval van vertraging in strijd is met dat beginsel. De passagiers wier vlucht is vertraagd en de luchtvervoerders kunnen ondubbelzinnig weten vanaf welk ogenblik eerstgenoemden aanspraak kunnen maken op betaling van een compensatie respectievelijk vanaf wanneer laatstgenoemden die compensatie verschuldigd zijn, aangezien door de bepaling van een duidelijke tijdslimiet ook kan worden vermeden dat de nationale gerechten het begrip langdurige vertraging verschillend beoordelen, en daardoor in voorkomend geval rechtsonzekerheid ontstaat.
Bovendien schendt de plicht tot compensatie van de door passagiers van een vertraagde vlucht geleden schade het evenredigheidsbeginsel niet. Het belang van de doelstelling van bescherming van de consumenten, waaronder dus de passagiers, kan de voor sommige marktdeelnemers – zelfs aanzienlijke – negatieve economische gevolgen rechtvaardigen. Aangezien het geleden tijdverlies onomkeerbaar, objectief en gemakkelijk kwantificeerbaar is, blijkt de maatregel die erin bestaat alle door dit ongemak getroffen passagiers onmiddellijk een forfaitaire financiële vergoeding uit te keren, voorts bijzonder geschikt te zijn. Daarenboven geldt de compensatieplicht enkel in geval van langdurige vertraging en kan het compensatiebedrag met de helft worden verlaagd wanneer de vertraging minder dan vier uur bedraagt. Ten slotte is geen compensatie verschuldigd wanneer de luchtvervoerder kan aantonen dat de annulering of de langdurige vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen, dat wil zeggen van omstandigheden waarop deze luchtvervoerder geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen. Bovendien kan hij van eenieder die de vertraging heeft veroorzaakt, ook van derden, terugbetaling te vorderen.
(cf. punten 66-68, 75, 77-81)
Slechts bij uitzondering kan het Hof van Justitie, krachtens het aan de rechtsorde van de Unie inherente algemene rechtszekerheidsbeginsel, beperkingen stellen aan de mogelijkheid voor iedere belanghebbende om met een beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen aan de orde te stellen. Alsdan staat het evenwel aan het Hof om één enkel tijdstip vast te stellen vanaf hetwelk de uitlegging die het aan een voorschrift van het Unierecht heeft gegeven, in werking treedt. In deze context kan een beperking in de tijd van de werking van deze uitlegging slechts worden aangebracht in het arrest waarin de gevraagde uitlegging wordt gegeven. Dit principe waarborgt de gelijke behandeling van de lidstaten en de andere justitiabelen ten aanzien van dat recht en voldoet daarmee aan de uit het rechtszekerheidsbeginsel voortvloeiende vereisten. Wanneer de door het Hof gegeven uitlegging overeenstemt met die welke is gegeven in een vroeger arrest waarvan de werking niet in de tijd is beperkt, behoeft niet te worden beslist op een verzoek tot beperking van de werking in de tijd van een later arrest.
(cf. punten 89-91, 93, 94)