This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62004CJ0507
Samenvatting van het arrest
Samenvatting van het arrest
1. Milieu – Behoud van vogelstand – Richtlijn 79/409 – Uitvoering zonder optreden van wetgever – Grenzen
(Richtlijn 79/409 van de Raad)
2. Milieu – Behoud van vogelstand – Richtlijn 79/409 – Werkingssfeer
(Richtlijn 79/409 van de Raad, art. 1 en 11)
3. Milieu – Behoud van vogelstand – Richtlijn 79/409 – Uitvoering door lidstaten
(Richtlijn 79/409 van de Raad, art. 9, leden 1, sub a, en 2)
4. Milieu – Behoud van vogelstand – Richtlijn 79/409 – Verplichting om jacht te verbieden gedurende bepaalde perioden waarin vogels bijzonder kwetsbaar zijn
(Richtlijn 79/409 van de Raad, art. 7, lid 4)
5. Milieu – Behoud van vogelstand – Richtlijn 79/409 – Data van openen en sluiten van jacht
(Richtlijn 79/409 van de Raad, art. 9, lid 1, sub c)
6. Milieu – Behoud van vogelstand – Richtlijn 79/409 – Uitvoering door lidstaten
(Richtlijn 79/409 van de Raad, art. 8 en bijlage IV)
1. Voor de omzetting van gemeenschapsrechtelijke bepalingen in nationaal recht is niet noodzakelijk vereist dat die bepalingen formeel en letterlijk in een uitdrukkelijke, specifieke bepaling worden overgenomen; een algemene juridische context kan daartoe voldoende zijn, wanneer deze daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn op voldoende bepaalde en duidelijke wijze verzekert.
De nauwkeurigheid van de omzetting in nationaal recht is echter van bijzonder belang met betrekking tot richtlijn 79/409 inzake het behoud van de vogelstand, waar het beheer van het gemeenschappelijk patrimonium wordt toevertrouwd aan de lidstaten voor hun respectieve grondgebied.
(cf. punten 89, 92)
2. Artikel 11 van richtlijn 79/409 inzake het behoud van de vogelstand, dat alleen een specifieke verplichting stelt op grond waarvan de lidstaten erop moeten toezien dat de introductie van vogelsoorten die niet natuurlijk in het wild leven op het Europese grondgebied van de lidstaten, geen schade toebrengt aan de plaatselijke flora en fauna, kan niet worden beschouwd als een rechtsgrondslag op basis waarvan kan worden afgeweken van de beschermingsverplichtingen die krachtens artikel 1 van de richtlijn op de lidstaten rusten en die betrekking hebben op alle vogelsoorten die natuurlijk in het wild leven op het Europese grondgebied van de lidstaten, namelijk voor elk van die staten zowel de inheemse soorten als de soorten die alleen in andere lidstaten voorkomen. Gezien het belang van een volledige en doeltreffende bescherming van in het wild levende vogels binnen de gehele Gemeenschap, ongeacht hun verblijfplaats of trekroute, is immers iedere nationale wettelijke regeling die de bescherming van in het wild levende vogels doet afhangen van de nationale fauna, onverenigbaar met de richtlijn.
(cf. punten 101‑103)
3. Het voorkomen van schade aan de wijnbouw kan weliswaar in beginsel een rechtvaardiging zijn voor het vaststellen van afwijkende maatregelen op basis van artikel 9, lid 1, sub a, derde streepje, van richtlijn 79/409 inzake het behoud van de vogelstand, maar laatstgenoemde bepaling biedt geen rechtsgrondslag om een soort, zelfs beperkt in de tijd, volkomen aan de beschermingsregeling van de richtlijn te onttrekken. Wanneer een vogelsoort volkomen wordt onttrokken aan die beschermingsregeling, zelfs gedurende een beperkte periode, kan dit immers een bedreiging vormen voor het bestaan van die soort. De lidstaten mogen dus slechts met inachtneming van de eisen van artikel 9, lid 2, van de richtlijn afwijkingen van de regeling voor de bescherming van in het wild levende vogels toestaan.
(cf. punten 113‑115)
4. De in artikel 7, lid 4, van richtlijn 79/409 inzake het behoud van de vogelstand neergelegde beschermingsregeling is ruim gedefinieerd, met verwijzing naar de biologische eigenschappen van de betrokken soorten, aangezien zij niet alleen betrekking heeft op de nestperiode, maar ook op de verschillende fasen van de broedperiode. Alleen een dergelijke opvatting strookt met de doelstelling van voormeld artikel 7, lid 4, namelijk een volledige bescherming garanderen gedurende de perioden waarin de in het wild levende vogels in het bijzonder in hun voortbestaan worden bedreigd. Elke ingreep gedurende de perioden die van belang zijn voor de voortplanting van de vogels, kan immers een negatieve invloed hebben op die voortplanting, zelfs indien slechts een deel van de populatie wordt getroffen. Dat geldt ook voor de baltstijd, gedurende welke de betrokken soorten bijzonder blootgesteld en kwetsbaar zijn. Die baltstijd maakt dan ook deel uit van de periode waarin de jacht in beginsel verboden is.
(cf. punten 192‑195)
5. Het is een lidstaat ingevolge artikel 9, lid 1, sub c, van richtlijn 79/409 inzake het behoud van de vogelstand toegestaan, af te wijken van de data voor het openen en sluiten van de jacht die met inachtneming van de in artikel 7, lid 4, van deze richtlijn vermelde doelstellingen zijn vastgesteld. In dit verband kan bij de jacht op wilde vogels als liefhebberij gedurende de in voormeld artikel 7, lid 4, bepaalde perioden, mits de in artikel 9, lid 2, van de richtlijn opgelegde voorwaarden zijn vervuld, sprake zijn van een „verstandig gebruik” in de zin van artikel 9, lid 1, sub c. De bewijslast ter zake van de naleving van die voorwaarden voor elke afwijking rust evenwel bij de nationale autoriteit die daarover beslist.
Bij de vaststelling van maatregelen ter uitvoering van deze laatste bepaling moeten de lidstaten overigens waarborgen dat in alle gevallen waarin de aldaar bedoelde afwijking wordt toegepast, voor alle beschermde vogelsoorten de toegestane jacht beneden een maximum blijft conform de beperking daarvan tot kleine hoeveelheden, welk maximum moet worden bepaald aan de hand van uiterst nauwkeurige wetenschappelijke gegevens. In het bijzonder impliceert een met het gemeenschapsrecht overeenstemmende uitvoering van de richtlijn dat de autoriteiten die bevoegd zijn voor het toestaan van de jacht op vogels van een bepaalde soort, in staat moeten zijn zich voor de in acht te nemen maximumhoeveelheden te baseren op voldoende nauwkeurige richtsnoeren. Daaruit volgt dat het aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat staat om met voldoende juridische nauwkeurigheid en op basis van erkende wetenschappelijke gegevens te waarborgen dat de maximumhoeveelheid in geen geval wordt overschreden, en derhalve dat een volledige bescherming van de bedoelde soorten wordt verzekerd.
(cf. punten 196‑199, 201, 225)
6. De omstandigheid dat in een lidstaat geen gebruik wordt gemaakt van bepaalde door richtlijn 79/409 inzake het behoud van de vogelstand verboden jachtmethodes of vernietigingspraktijken, ontslaat die lidstaat niet van zijn verplichting, wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen om een passende uitvoering van de bepalingen van de richtlijn te verzekeren. Het rechtszekerheidsbeginsel verlangt immers, dat de daarin gestelde verboden in dwingende wettelijke bepalingen worden opgenomen.
(cf. punten 280‑281)