This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62016CJ0392
Arrest van het Hof (Negende kamer) van 6 juli 2017.
Dumitru Marcu tegen Agenţia Naţională de Administrare Fiscală (ANAF) en Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Bucureşti.
Prejudiciële verwijzing – Belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 199, lid 1, onder c) – Geen identificatie voor btw-doeleinden – Verleggingsregeling – Prejudiciële vraag van hypothetische aard – Niet-ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing.
Zaak C-392/16.
Arrest van het Hof (Negende kamer) van 6 juli 2017.
Dumitru Marcu tegen Agenţia Naţională de Administrare Fiscală (ANAF) en Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Bucureşti.
Prejudiciële verwijzing – Belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 199, lid 1, onder c) – Geen identificatie voor btw-doeleinden – Verleggingsregeling – Prejudiciële vraag van hypothetische aard – Niet-ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing.
Zaak C-392/16.
Court reports – general
Zaak C‑392/16
Dumitru Marcu
tegen
Agenţia Naţională de Administrare Fiscală (ANAF)
en
Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Bucureşti
(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Curtea de Apel Bucureşti)
„Prejudiciële verwijzing – Belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 199, lid 1, onder c) – Geen identificatie voor btw-doeleinden – Verleggingsregeling – Prejudiciële vraag van hypothetische aard – Niet-ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Negende kamer) van 6 juli 2017
Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van het Hof – Grenzen – Verzoek tot uitlegging van bepalingen van het Unierecht die kennelijk niet van toepassing zijn in het hoofdgeding – Niet-toepasselijkheid van artikel 199, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112 – Niet-ontvankelijkheid
[Art. 267 VWEU; richtlijn van de Raad 2006/112, art. 135, lid 1, j) en k), 137, lid 1, b) en c), en 199, lid 1, c)]
Het verzoek om een prejudiciële beslissing van de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) is niet-ontvankelijk.
Alleen wanneer de betrokken lidstaat ervoor heeft gekozen aan zijn belastingplichtigen de in artikel 137 van richtlijn 2006/112 bedoelde keuze te laten en een van die belastingplichtigen, voor handelingen die onder artikel 135, lid 1, onder j) en k), van die richtlijn vallen, van deze mogelijkheid hebben gebruikgemaakt, kan de verleggingsregeling krachtens artikel 199, lid 1, onder c), van die richtlijn op die handelingen worden toegepast.
Indien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde handelingen, of sommige ervan, onroerende goederen als bedoeld in artikel 135, lid 1, onder j) en k), van richtlijn 2006/112 betreffen, en Roemenië in zijn wetgeving geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 137, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2006/112 opgenomen mogelijkheid om aan zijn belastingplichtigen het recht te verlenen voor belastingheffing ter zake van die handelingen te kiezen, of Marcu geen uitdrukkelijk verzoek overeenkomstig artikel 137 van die richtlijn heeft gedaan om de btw op die handelingen toe te passen, zijn de toepassingsvoorwaarden van artikel 199, lid 1, onder c), van die richtlijn niet vervuld en kan de in die richtlijn opgenomen verleggingsregeling bijgevolg niet worden toegepast.
Gesteld, in de tweede plaats, dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde handelingen onroerende goederen als bedoeld in artikel 12, lid 1, onder a) en b), van richtlijn 2006/112 betreffen, dan kan de verleggingsregeling evenmin op die handelingen worden toegepast, aangezien dergelijke goederen niet behoren tot de handelingen die op limitatieve wijze in artikel 199, lid 1, onder a) tot en met g), van richtlijn 2006/112 zijn opgenomen.
(zie punten 47, 51, 52, 54 en dictum)