This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62016CJ0154
Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 18 mei 2017.
„Latvijas Dzelzceļš” VAS tegen Valsts ieņēmumu dienests.
Prejudiciële verwijzing – Communautair douanewetboek – Verordening (EEG) nr. 2913/92 – Artikel 94, lid 1, en artikel 96 – Regeling extern communautair douanevervoer – Aansprakelijkheid van de aangever – Artikelen 203, 204 en artikel 206, lid 1 – Ontstaan van de douaneschuld – Onttrekking aan het douanetoezicht – Niet-nakoming van een van de verplichtingen die voortvloeien uit het gebruik van een douaneregeling – Algehele vernietiging of onherstelbaar verlies van de goederen door een oorzaak die met de aard van de goederen verband houdt, dan wel door toeval of overmacht – Artikel 213 – Hoofdelijke betaling van de douaneschuld – Richtlijn 2006/112/EG – Belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Artikel 2, lid 1, en artikelen 70 en 71 – Belastbaar feit en verschuldigdheid van de belasting – Artikelen 201, 202 en 205 – Personen die de belasting moeten voldoen – Vaststelling van het ontbreken van vracht door het douanekantoor van bestemming – Incorrect afgesloten of beschadigde onderste losinstallatie van de tankwagon.
Zaak C-154/16.
Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 18 mei 2017.
„Latvijas Dzelzceļš” VAS tegen Valsts ieņēmumu dienests.
Prejudiciële verwijzing – Communautair douanewetboek – Verordening (EEG) nr. 2913/92 – Artikel 94, lid 1, en artikel 96 – Regeling extern communautair douanevervoer – Aansprakelijkheid van de aangever – Artikelen 203, 204 en artikel 206, lid 1 – Ontstaan van de douaneschuld – Onttrekking aan het douanetoezicht – Niet-nakoming van een van de verplichtingen die voortvloeien uit het gebruik van een douaneregeling – Algehele vernietiging of onherstelbaar verlies van de goederen door een oorzaak die met de aard van de goederen verband houdt, dan wel door toeval of overmacht – Artikel 213 – Hoofdelijke betaling van de douaneschuld – Richtlijn 2006/112/EG – Belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Artikel 2, lid 1, en artikelen 70 en 71 – Belastbaar feit en verschuldigdheid van de belasting – Artikelen 201, 202 en 205 – Personen die de belasting moeten voldoen – Vaststelling van het ontbreken van vracht door het douanekantoor van bestemming – Incorrect afgesloten of beschadigde onderste losinstallatie van de tankwagon.
Zaak C-154/16.
Court reports – general
Zaak C‑154/16
„Latvijas Dzelzceļš” VAS
tegen
Valsts ieņēmumu dienests
(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Augstākās tiesas Administratīvo lietu departaments)
„Prejudiciële verwijzing – Communautair douanewetboek – Verordening (EEG) nr. 2913/92 – Artikel 94, lid 1, en artikel 96 – Regeling extern communautair douanevervoer – Aansprakelijkheid van de aangever – Artikelen 203, 204 en artikel 206, lid 1 – Ontstaan van de douaneschuld – Onttrekking aan het douanetoezicht – Niet-nakoming van een van de verplichtingen die voortvloeien uit het gebruik van een douaneregeling – Algehele vernietiging of onherstelbaar verlies van de goederen door een oorzaak die met de aard van de goederen verband houdt, dan wel door toeval of overmacht – Artikel 213 – Hoofdelijke betaling van de douaneschuld – Richtlijn 2006/112/EG – Belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Artikel 2, lid 1, en artikelen 70 en 71 – Belastbaar feit en verschuldigdheid van de belasting – Artikelen 201, 202 en 205 – Personen die de belasting moeten voldoen – Vaststelling van het ontbreken van vracht door het douanekantoor van bestemming – Incorrect afgesloten of beschadigde onderste losinstallatie van de tankwagon”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 18 mei 2017
Douane-unie–Ontstaan van een douaneschuld bij invoer na de onttrekking van aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht–Draagwijdte–Goederen die onder de regeling communautair douanevervoer zijn geplaatst–Verzuim om het totale volume van die goederen bij het douanekantoor aan te brengen omdat een deel van die goederen geheel is vernietigd of onherstelbaar verloren is gegaan–Uitgesloten
(Verordening nr. 2913/92 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 648/2005, art. 203, lid 1)
Douane-unie–Ontstaan van een douaneschuld als gevolg van de niet-nakoming van een uit de regeling extern douanevervoer voortvloeiende verplichting–Draagwijdte–Goederen die onder de regeling communautair douanevervoer zijn geplaatst–Verzuim om het totale volume van die goederen bij het douanekantoor aan te brengen omdat een deel van die goederen geheel is vernietigd of onherstelbaar verloren is gegaan–Daaronder begrepen–Voorwaarden–Geen overmacht of toeval–Toetsing door de nationale rechterlijke instantie
[Verordening nr. 2913/92 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 648/2005, art. 204, lid 1, a), en 206, lid 1]
Harmonisatie van de belastingwetgeving–Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde–Belastbaar feit en verschuldigdheid van de belasting–Invoer van goederen–Algehele vernietiging of onherstelbaar verlies van een deel van onder de regeling communautair douanevervoer geplaatste goederen–Gelijkstelling met het onttrekken van de goederen aan die regeling–Geen
[Richtlijn 2006/112 van de Raad, art. 2, lid 1, d), 70 en 71]
Douane-unie–Regeling extern douanevervoer–Verplichting om de goederen ongeschonden aan te brengen bij het douanekantoor van bestemming–Niet-nakoming van die verplichting door de vervoerder–Aangever gehouden tot betaling van de douaneschuld
[Verordening nr. 2913/92 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 648/2005, art. 96, lid 1, a), 96, lid 2, en 204, leden 1, a) en 3]
Douane-unie–Regeling extern douanevervoer–Verplichting om de goederen ongeschonden aan te brengen bij het douanekantoor van bestemming–Niet-nakoming van die verplichting door de aangever en de vervoerder van de goederen–Aangever naast vervoerder gehouden tot betaling van de douaneschuld–Verplichting voor de douaneautoriteit van een lidstaat om de vervoerder hoofdelijk aan te spreken–Geen
[Verordening nr. 2913/92 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 648/2005, art. 96, leden 1, a), en 2, en 213]
Artikel 203, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, moet aldus worden uitgelegd dat het niet van toepassing is indien niet het totale volume van de onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen wordt aangebracht bij het door die regeling bepaalde douanekantoor van bestemming omdat een deel van die goederen geheel is vernietigd of onherstelbaar verloren is gegaan, zoals afdoende is aangetoond.
De toepassing van artikel 203, lid 1, van het douanewetboek is evenwel gerechtvaardigd wanneer de verdwijning van de goederen het risico inhoudt dat zij in het economische circuit van de Unie terechtkomen zonder te zijn ingeklaard (zie in die zin arresten van 20 januari 2005, Honeywell Aerospace, C‑300/03, EU:C:2005:43, punt 20, en 15 mei 2014, X, C‑480/12, EU:C:2014:329, punten 35 en 36).
Dit is niet het geval bij het verdwijnen van goederen door hun algehele vernietiging of onherstelbaar verlies – waarbij dit verlies in artikel 206, lid 1, tweede alinea, van het douanewetboek wordt omschreven als de onmogelijkheid voor eenieder om de goederen te gebruiken – bij het lekken van een vloeistof, zoals het solvent in het hoofdgeding, uit een tank tijdens het vervoer. Goederen die niet meer bestaan of voor eenieder onbruikbaar zijn, kunnen om die enkele reden niet in het economische circuit van de Unie terechtkomen.
(zie punten 48‑50, dictum 1)
Artikel 204, lid 1, onder a), van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 648/2005, moet in die zin worden uitgelegd dat wanneer niet het totale volume van de onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen is aangebracht bij het door die regeling bepaalde douanekantoor van bestemming omdat een deel van die goederen geheel is vernietigd of onherstelbaar verloren is gegaan, zoals afdoende is aangetoond, die situatie in beginsel een douaneschuld bij invoer doet ontstaan voor het deel van de goederen dat niet bij dat kantoor is aangebracht, aangezien er sprake is van niet-nakoming van een van de verplichtingen van die regeling, namelijk het aanbrengen van ongeschonden goederen bij het douanekantoor van bestemming. Het staat aan de nationale rechterlijke instantie om na te gaan of een omstandigheid zoals de beschadiging van een losinstallatie in casu beantwoordt aan de criteria die gelden voor de begrippen „overmacht” en „toeval” in de zin van artikel 206, lid 1, van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 648/2005, namelijk of zij abnormaal is voor een marktdeelnemer die actief is op het vlak van het vervoer van vloeibare stoffen en een omstandigheid buiten diens toedoen is, en of die gevolgen ondanks alle aan de dag gelegde zorgvuldigheid niet hadden kunnen worden vermeden. In het kader van dat onderzoek moet deze rechterlijke instantie met name rekening houden met de naleving door marktdeelnemers zoals de aangever en de vervoerder van de regels en voorschriften die gelden op het vlak van de technische staat van de tanks en de veiligheid van het vervoer van vloeibare stoffen zoals solvent.
(zie punt 65, dictum 2)
Artikel 2, lid 1, onder d), en de artikelen 70 en 71 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten in die zin worden uitgelegd dat geen belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd is voor het geheel vernietigde of onherstelbaar verloren gegane deel van goederen die onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn geplaatst.
Uit die bepalingen volgt dat de algehele vernietiging of het onherstelbare verlies van onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen enkel tot het belastbare feit en het verschuldigd worden van de btw kan leiden indien deze omstandigheden kunnen worden gelijkgesteld met het onttrekken van dergelijke goederen aan die regeling.
In dat verband staat vast dat de btw uit haar aard ervan een verbruiksbelasting is, zodat zij van toepassing is op goederen en diensten die in het economische circuit van de Unie terechtkomen en kunnen worden verbruikt (zie in die zin arresten van 7 november 2013, Tulică en Plavoşin, C‑249/12 en C‑250/12, EU:C:2013:722, punt 35, en 2 juni 2016, Eurogate Distribution en DHL Hub Leipzig, C‑226/14 en C‑228/14, EU:C:2016:405, punt 65).
Het onttrekken van goederen aan de regeling extern communautair douanevervoer, waardoor het belastbare feit plaatsvindt en de btw verschuldigd wordt, moet dus worden geacht ertoe te strekken dat die goederen terechtkomen in het economische circuit van de Unie, wat uitgesloten is in het geval van onbestaande of door niemand bruikbare goederen (zie in die zin arrest van 29 april 2010, Dansk Transport og Logistik, C‑230/08, EU:C:2010:231, punten 93 en 96).
Goederen die geheel zijn vernietigd of onherstelbaar verloren zijn gegaan terwijl zij onder de regeling extern communautair douanevervoer waren geplaatst, kunnen niet terechtkomen in het economische circuit van de Unie en bijgevolg niet aan die regeling worden onttrokken, zodat zij dus niet kunnen worden beschouwd als „ingevoerd” in de zin van artikel 2, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn en evenmin op basis daarvan aan de btw kunnen worden onderworpen.
(zie punten 68‑72, dictum 3)
Artikel 96, lid 1, onder a), juncto artikel 204, lid 1, onder a), en lid 3, van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 648/2005, moeten in die zin worden uitgelegd dat de aangever gehouden is tot betaling van de douaneschuld die is ontstaan voor onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen, ook al is de vervoerder de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 96, lid 2, van deze verordening, in het bijzonder de verplichting om deze goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden aan te brengen bij het douanekantoor van bestemming.
(zie punt 82, dictum 4)
Artikel 96, lid 1, onder a), en lid 2, artikel 204, lid 1, onder a), en lid 3, en artikel 213 van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 648/2005, moeten in die zin worden uitgelegd dat de douaneautoriteit van een lidstaat niet verplicht is om de vervoerder die naast de aangever als schuldenaar van de douaneschuld moet worden beschouwd, hoofdelijk aan te spreken.
In dit verband heeft het Hof verduidelijkt dat het in artikel 213 van dit wetboek neergelegde mechanisme van hoofdelijkheid een aanvullend juridisch instrument vormt dat de nationale autoriteiten ter beschikking is gesteld om de doeltreffendheid van hun maatregelen op het gebied van de invordering van de douaneschuld en de bescherming van de eigen middelen van de Unie te versterken (arrest van 17 februari 2011, Berel e.a., C‑78/10, EU:C:2011:93, punt 48).
(zie punten 88, 91, dictum 5)