This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62003CJ0025
Samenvatting van het arrest
Samenvatting van het arrest
1. Fiscale bepalingen – Harmonisatie van wetgevingen – Omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde – Belastingplichtigen – Begrip – Persoon die onroerend goed heeft gekocht om daar met familie te wonen, maar gedeelte daarvan gebruikt voor verrichten van economische activiteit en dat gedeelte aan bedrijfsvermogen toedeelt – Daaronder begrepen
(Richtlijn 77/388 van de Raad, art. 2, 4 en 17)
2. Fiscale bepalingen – Harmonisatie van wetgevingen – Omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde – Aftrek van voorbelasting – Aanschaf van investeringsgoed door huwelijksgemeenschap – Kwalificatie van echtgenoten-mede-eigenaren als ontvangers van goed of dienst, hetgeen recht op aftrek voor ieder van hen afzonderlijk impliceert
(Richtlijn 77/388 van de Raad, art. 17)
3. Fiscale bepalingen – Harmonisatie van wetgevingen – Omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde – Aftrek van voorbelasting – Aanschaf van investeringsgoed door huwelijksgemeenschap – Gebruik van gedeelte van goed door één van mede-eigenaren voor zijn onderneming – Recht van deze mede-eigenaar op aftrek van volledige belasting die op dat gedeelte heeft gedrukt – Voorwaarde – Aftrek beperkt tot aandeel van belastingplichtige in mede-eigendom van goed
(Richtlijn 77/388 van de Raad, art. 17)
4. Fiscale bepalingen – Harmonisatie van wetgevingen – Omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde – Aftrek van voorbelasting – Verplichtingen van belastingplichtige – Bezit van factuur met bepaalde vermeldingen – Aankoop van onroerend goed door huwelijksgemeenschap – Gebruik van gedeelte van onroerend goed door een van mede-eigenaren voor beroepsdoeleinden – Vereiste dat laatstgenoemde beschikt over op zijn naam gestelde factuur waarop prijs en belasting overeenkomstig zijn aandeel in mede-eigendom zijn uitgesplitst – Geen
(Richtlijn 77/388 van de Raad, art. 18, lid 1, sub a, en 22, lid 3)
1. Wie een huis koopt of laat bouwen om daar met zijn familie in te wonen, handelt als belastingplichtige en heeft dus recht op aftrek ingevolge artikel 17 van de Zesde richtlijn (77/388), zowel in de oorspronkelijke versie ervan als in de versie die voortvloeit uit richtlijn 91/680, indien hij een vertrek in dat huis gebruikt als werkkamer voor het verrichten van een economische activiteit in de zin van de artikelen 2 en 4 van deze richtlijn, ongeacht of dit als nevenactiviteit gebeurt, en hij dit gedeelte van het huis aan het bedrijfsvermogen toedeelt.
(cf. punt 52 en dictum)
2. Wanneer een door het huwelijk ontstane gemeenschap die geen rechtspersoonlijkheid heeft en niet zelf een economische activiteit verricht in de zin van de Zesde richtlijn (77/388), zowel in de oorspronkelijke versie ervan als in de versie die voortvloeit uit richtlijn 91/680, opdracht geeft voor een investeringsgoed, moeten de mede-eigenaren in deze gemeenschap voor de toepassing van deze richtlijn als ontvangers van het goed of de dienst worden aangemerkt.
Aangezien een dergelijke gemeenschap geen belastingplichtige is en derhalve de als voorbelasting voldane belasting over de toegevoegde waarde niet in aftrek kan brengen, moet immers overeenkomstig het neutraliteitsbeginsel aan de echtgenoten, individueel gezien, voorzover zij de hoedanigheid van belastingplichtige hebben, een recht op aftrek worden verleend.
(cf. punten 57‑58 en dictum)
3. Wanneer twee echtgenoten in een door het huwelijk ontstane gemeenschap een investeringsgoed aanschaffen, heeft de echtgenoot en mede-eigenaar die een gedeelte daarvan uitsluitend voor zijn beroepsdoeleinden gebruikt, recht op aftrek van de volledige belasting over de toegevoegde waarde die heeft gedrukt op het gedeelte van het goed dat hij voor zijn bedrijf gebruikt, voorzover het in aftrek gebrachte bedrag niet hoger is dan het aandeel van de belastingplichtige in de mede-eigendom van dat goed.
Zou immers de betrokken marktdeelnemer slechts een gedeelte van de belasting die hij voor dit volledig voor zijn belastbare handelingen gebruikte gedeelte heeft gedragen – welk gedeelte wordt bepaald op basis van zijn aandeel in de mede-eigendom van het gebouw in zijn geheel – kunnen aftrekken, dan zou hij in strijd met de vereisten van het neutraliteitsbeginsel niet worden ontlast van de volledige belasting met betrekking tot het goed dat hij voor zijn economische activiteiten gebruikt.
(cf. punten 71, 74 en dictum)
4. De artikelen 18, lid 1, sub a, en 22, lid 3, van de Zesde richtlijn (77/388), zowel in de oorspronkelijke versie ervan als in de versie die voortvloeit uit richtlijn 91/680, vereisen niet dat een belastingplichtige die in gemeenschap met zijn echtgenoot een onroerend goed heeft gekocht waarvan hij een gedeelte voor beroepsdoeleinden gebruikt, om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen beschikt over een op zijn naam gestelde factuur waarop de prijs en de belasting over de toegevoegde waarde overeenkomstig zijn aandeel in de mede-eigendom zijn uitgesplitst. Voor dit recht volstaat een factuur die aan de echtgenoten die de gemeenschap uitmaken, zonder onderscheid is gericht en niet een dergelijke uitsplitsing bevat.
(cf. punt 83 en dictum)