Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62019TO0246

Beschikking van het Gerecht (Vijfde kamer – uitgebreid) van 10 september 2020.
Koninkrijk Cambodja en Cambodia Rice Federation (CRF) tegen Europese Commissie.
Beroep tot nietigverklaring – Invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja en Myanmar – Vrijwaringsmaatregelen – Uitvoeringsverordening (EU) 2019/67 – Procesbevoegdheid – Procesbelang – Verwerping van de exceptie van niet-ontvankelijkheid.
Zaak T-246/19.

Court reports – general – 'Information on unpublished decisions' section

ECLI identifier: ECLI:EU:T:2020:415

Zaak T‑246/19

Koninkrijk Cambodja
en
Cambodia Rice Federation (FIE)

tegen

Europese Commissie

Beschikking van het Gerecht (Vijfde kamer – uitgebreid) van 10 september 2020

„Beroep tot nietigverklaring – Invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja en Myanmar – Vrijwaringsmaatregelen – Uitvoeringsverordening (EU) 2019/67 – Procesbevoegdheid – Procesbelang – Verwerping van de exceptie van niet-ontvankelijkheid”

  1. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke personen of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Verordening tot instelling van vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van een product van oorsprong uit een land dat onder het schema van algemene tariefpreferenties valt – Handeling die het begunstigde land en een nationale belangenvereniging van de betrokken industrie rechtstreeks en individueel kan raken

    (Art. 263, vierde alinea, VWEU; verordening 2019/67 van de Commissie)

    (zie punten 36‑43)

  2. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke personen of rechtspersonen – Begrip – Derde landen – Daaronder begrepen

    (Art. 263, vierde alinea, VWEU)

    (zie punten 44‑51)

  3. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke personen of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Rechtstreeks geraakt – Criteria – Verordening tot instelling van vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van een product van oorsprong uit een land dat onder het schema van algemene tariefpreferenties valt – Rechtstreekse geraaktheid van het begunstigde land en een nationale belangenvereniging van de betrokken industrie

    (Art. 263, vierde alinea, VWEU; verordening 2019/67 van de Commissie)

    (zie punten 52‑69, 95‑109, 122)

  4. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke personen of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Individueel geraakt – Criteria – Verordening tot instelling van vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van een product van oorsprong uit een land dat onder het schema van algemene tariefpreferenties valt – Individuele geraaktheid van het begunstigde land en een nationale belangenvereniging van de betrokken industrie

    (Art. 263, vierde alinea, VWEU; verordening 2019/67 van de Commissie)

    (zie punten 70‑93, 95‑102, 110‑122)

  5. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke personen of rechtspersonen – Procesbelang – Verordening tot instelling van vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van een product van oorsprong uit een land dat onder het schema van algemene tariefpreferenties valt – Beroep ingesteld door het begunstigde land en door een nationale belangenvereniging van de betrokken industrie – Ontvankelijkheid

    (Art. 263, vierde alinea, VWEU; verordening 2019/67 van de Commissie)

    (zie punten 123‑128)

Samenvatting

In het kader van de verordening houdende toepassing van een schema van tariefpreferenties ( 1 ) verleent de Europese Unie de ontwikkelingslanden preferentiële toegang tot haar markt in de vorm van een verlaging van de gewone rechten van het gemeenschappelijk douanetarief, dat uit een algemeen stelsel en twee bijzondere stelsels bestaat. De zogenoemde regeling „Everything but Arms” (hierna: „EBA-regeling”) is een bijzonder stelsel ten gunste van de minst ontwikkelde landen.

Krachtens de EBA-regeling gold voor de invoer in de Unie van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja en Myanmar (hierna: „betrokken product”) een volledige schorsing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief. Naar aanleiding van een verzoek van bepaalde lidstaten om ten aanzien van het betrokken product vrijwaringsmaatregelen te nemen, heeft de Commissie een vrijwaringsonderzoek geopend en geconcludeerd dat dit product werd ingevoerd in hoeveelheden en tegen prijzen die ernstige moeilijkheden veroorzaakten voor de bedrijfstak van de Unie. Bij de vaststelling van uitvoeringsverordening 2019/67 ( 2 ) (hierna: „bestreden verordening”) heeft zij besloten de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op de invoer van het betrokken product tijdelijk opnieuw in te stellen, en heeft zij een geleidelijke vermindering van de toepasselijke rechten over een periode van drie jaar ingevoerd.

Het Koninkrijk Cambodja en de Cambodia Rice Federation (hierna: „CRF”), een vereniging die de belangen van de rijstindustrie van Cambodja behartigt, hebben een beroep tot nietigverklaring van de bestreden verordening ingesteld. De Commissie heeft hiertegen een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Ter ondersteuning van deze exceptie heeft de Commissie primair aangevoerd dat het Koninkrijk Cambodja en de CRF niet voldoen aan de voorwaarden voor procesbevoegdheid in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Subsidiair heeft de Commissie betoogd dat het Koninkrijk Cambodja en de CRF geen persoonlijk belang hebben om tegen de bestreden verordening op te komen.

Het Gerecht heeft deze exceptie van niet-ontvankelijkheid verworpen.

Wat de procesbevoegdheid betreft, heeft het Gerecht eraan herinnerd dat krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU iedere natuurlijke of rechtspersoon een beroep tot nietigverklaring kan instellen tegen een handeling die niet aan hem is gericht, wanneer die handeling hem rechtstreeks en individueel raakt of, in het specifieke geval van een regelgevingshandeling die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt, indien deze hem rechtstreeks raakt. In casu heeft het Gerecht, zonder zich uit te spreken over de vraag of de bestreden verordening een regelgevingshandeling is die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt, onderzocht of het Koninkrijk Cambodja en de CRF kunnen worden aangemerkt als natuurlijke personen of rechtspersonen die rechtstreeks en individueel worden geraakt door de bestreden verordening, die niet aan hen is gericht.

In dit verband heeft het Gerecht in de eerste plaats bevestigd dat de uitdrukking „iedere natuurlijke of rechtspersoon” in artikel 263, vierde alinea, VWEU aldus moet worden opgevat dat zij ook lidstaten omvat die geen lid zijn van de Unie, zoals het Koninkrijk Cambodja. Een dergelijke teleologische uitlegging is in overeenstemming met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming en met het doel van die bepaling, dat erin bestaat een adequate rechterlijke bescherming te bieden aan alle natuurlijke personen of rechtspersonen die rechtstreeks en individueel worden geraakt door de handelingen van de instellingen van de Unie. Bovendien kunnen derde staten weliswaar geen aanspraak maken op de door het stelsel van de Unie aan de lidstaten toegekende status van procespartij, maar beschikken zij niettemin over ten minste dezelfde mogelijkheden om in rechte op te treden als die welke dat stelsel aan rechtspersonen toekent. Voorts sluit noch artikel 263, vierde alinea, VWEU noch enige andere bepaling van primair recht derde staten uit van het recht om een beroep tot nietigverklaring in te stellen.

In de tweede plaats heeft het Gerecht geoordeeld dat het Koninkrijk Cambodja en de CRF, voor zover zij handelt namens een van haar door de Commissie in de bestreden verordening genoemde exporterende leden en namens haar exporterende leden die genoemd zijn in en betrokken zijn bij de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van die verordening, rechtstreeks en individueel door die verordening worden geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.

Volgens vaste rechtspraak wordt een natuurlijke of rechtspersoon rechtstreeks geraakt indien de bestreden maatregel rechtstreeks gevolgen heeft voor zijn rechtspositie en bovendien geen enkele beoordelingsbevoegdheid laat aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast. Door tijdelijk een einde te maken aan de preferentiële toegang tot de markt van de Unie voor het Koninkrijk Cambodja als land dat in aanmerking komt voor volledige schorsing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief, alsook voor de exporterende leden van de CRF die via een bijzonder stelsel van tariefpreferenties in aanmerking kwamen voor een dergelijke preferentiële toegang, wijzigt de bestreden verordening zowel de wettelijke als de economische voorwaarden waaronder Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja wordt verhandeld op de markt van de Unie. De bestreden verordening raakt dus rechtstreeks en wezenlijk de rechtspositie van het Koninkrijk Cambodja en die van de genoemde of betrokken leden van de CRF. Bovendien bevat de bestreden verordening weliswaar maatregelen die in de eerste plaats van toepassing zijn op in de Unie gevestigde importeurs, maar deze maatregelen hebben tot gevolg dat de toegang van de Cambodjaanse Staat en de exporterende leden van de CRF tot de markt van de Unie wordt beperkt, zonder dat de lidstaten dienaangaande over enige autonome beoordelingsbevoegdheid beschikken.

Volgens de rechtspraak wordt een natuurlijke of rechtspersoon individueel geraakt door een betrokken handeling wanneer hij in zijn rechtspositie wordt geraakt uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat van een dergelijk besluit. Dienaangaande heeft het Gerecht beklemtoond dat het normatieve karakter van een bestreden handeling niet uitsluit dat zij bepaalde betrokken rechtspersonen of natuurlijke personen rechtstreeks en individueel kan raken. Het feit dat de bestreden verordening beoogt de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief opnieuw in te stellen ten aanzien van alle invoer van het betrokken product naar de Unie, leidt er dus de facto niet toe dat het Koninkrijk Cambodja en de genoemde of betrokken leden van de CRF niet individueel door deze verordening kunnen worden geraakt.

In casu wordt het Koninkrijk Cambodja individueel geraakt doordat het als in de bestreden verordening aangewezen begunstigde van de EBA-regeling, die actief heeft deelgenomen aan de procedure die tot de vaststelling van die verordening heeft geleid, en ten aanzien waarvan de gevolgen van de vrijwaringsmaatregelen in aanmerking zijn genomen om de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief vast te stellen, deel uitmaakt van een gesloten groep marktdeelnemers en zich bevindt in een situatie die zich onderscheidt van die van ieder ander. Hetzelfde geldt voor de leden van de CFR, exporteurs van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja naar de Unie, die in de bestreden verordening met naam zijn genoemd en die hebben deelgenomen aan de procedure die tot de vaststelling van die verordening heeft geleid, wier gegevens over hun handelsactiviteit zijn gebruikt om de vrijwaringsmaatregelen aan hen toe te rekenen en ten aanzien van wie de gevolgen van die maatregelen in aanmerking zijn genomen om de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief vast te stellen, ongeacht het feit dat de vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van het Koninkrijk Cambodja zijn ingevoerd en niet ten aanzien van deze exporteurs.

Wat hun procesbelang betreft, heeft het Gerecht geconcludeerd dat het Koninkrijk Cambodja en de CFR een belang hebben om nietigverklaring van de bestreden verordening te vorderen. De nietigverklaring van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief die bij die verordening in het leven zijn geroepen en die betrekking hebben op de invoer in de Unie van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja, kan immers een persoonlijk voordeel opleveren voor zowel het Koninkrijk Cambodja als de leden van de CRF die zijn genoemd in of betrokken waren bij de procedure die tot de vaststelling van die verordening heeft geleid.


( 1 ) Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad (PB 2012, L 303, blz. 1).

( 2 ) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/67 van 16 januari 2019 tot instelling van vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja en Myanmar (PB 2019, L 15, blz. 5).

Top