This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62014FJ0057
Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 21 oktober 2015.
AQ tegen Europese Commissie.
Openbare dienst – Ambtenaren – Verordening nr. 45/2001 – Verwerking van persoonsgegevens die voor privédoeleinden zijn verkregen – Administratief onderzoek – Tuchtprocedure – Rechten van de verdediging – Motiveringsplicht – Tuchtmaatregel – Evenredigheid.
Zaak F-57/14.
Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 21 oktober 2015.
AQ tegen Europese Commissie.
Openbare dienst – Ambtenaren – Verordening nr. 45/2001 – Verwerking van persoonsgegevens die voor privédoeleinden zijn verkregen – Administratief onderzoek – Tuchtprocedure – Rechten van de verdediging – Motiveringsplicht – Tuchtmaatregel – Evenredigheid.
Zaak F-57/14.
Court reports – Reports of Staff Cases
ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE
(Tweede kamer)
21 oktober 2015
AQ
tegen
Europese Commissie
„Openbare dienst — Ambtenaren — Verordening nr. 45/2001 — Verwerking van persoonsgegevens die voor privédoeleinden zijn verkregen — Administratief onderzoek — Tuchtprocedure — Rechten van de verdediging — Motiveringsplicht — Tuchtmaatregel — Evenredigheid”
Betreft:
Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee AQ vraagt om, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van de Europese Commissie van 19 maart 2014 tot afwijzing van zijn klacht alsmede, voor zover nodig, van het besluit van 6 september 2013 waarbij hem de tuchtmaatregel van een berisping is opgelegd en, ten tweede, veroordeling van de Commissie tot betaling aan hem van het ex aequo et bono geraamde bedrag van 5000 EUR aan schadevergoeding.
Beslissing:
Het beroep wordt verworpen. AQ draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie.
Samenvatting
Ambtenaren — Op de administratie rustende zorgplicht — Verplichting om zich tot een ambtenaar te richten in een taal die hij grondig beheerst — Omvang
(Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 41, lid 4)
Ambtenaren — Tuchtregeling — Tuchtprocedure — Eerbiediging van de rechten van de verdediging — Administratief onderzoek — Verplichting van de administratie om tijdens het verloop van het onderzoek inzage te geven in de stukken van het dossier — Geen verplichting
(Ambtenarenstatuut, bijlage IX, art. 1 en 2)
Ambtenaren — Tuchtregeling — Tuchtprocedure — Inleiding van een tuchtprocedure — Verplichting van de administratie om vóór de inleiding van een tuchtprocedure inzage te geven in de stukken van het dossier — Voorwaarde — Eerbiediging van de legitieme belangen van geheimhouding
[Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 41, lid 2, b); Ambtenarenstatuut, bijlage IX, art. 3]
Ambtenaren — Rechten en verplichtingen — Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens — Niet-nakoming — Toepassing van tuchtmaatregelen
[Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 8; verordening nr. 45/2001, art. 4, lid 1, b), en 49]
Ambtenaren — Bezwarend besluit — Tuchtmaatregel — Motiveringsplicht — Omvang
(Ambtenarenstatuut, art. 25, tweede alinea)
Ambtenaren — Tuchtregeling — Tuchtmaatregel — Eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel — Ernst van het verzuim — Beoordelingscriteria
(Ambtenarenstatuut, bijlage IX, art. 10)
Ofschoon de instellingen van de Unie zich op grond van de zorgplicht tot een ambtenaar moeten wenden in een taal die hij grondig beheerst, kan uit artikel 41, lid 4, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet worden afgeleid dat elk besluit dat een instelling van de Unie aan één van haar ambtenaren richt, moet worden opgesteld in de door hem gekozen taal. Deze bepaling geldt voor de betrekkingen tussen de instellingen en hun personeelsleden immers alleen wanneer die personeelsleden zich tot de instellingen wenden in hun hoedanigheid van burgers van de Unie, en niet in hun hoedanigheid van ambtenaar of personeelslid.
Een ambtenaar kan zich derhalve niet met succes op die bepaling beroepen wanneer hij zich tijdens een administratief onderzoek en een tuchtprocedure heeft kunnen uitdrukken in de taal van zijn voorkeur en wanneer hij over voldoende tijd heeft beschikt om te vragen om tijdens de tuchtprocedure te worden gehoord in een andere taal.
Er is evenmin sprake van schending van artikel 6, lid 3, onder a), van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat met name bepaalt dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld het recht heeft om onverwijld in een taal die hij verstaat op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging, daar deze bepaling alleen geldt in een strafprocedure.
(cf. punten 58, 61 en 62)
Referentie:Hof: arrest van 8 mei 2008, Weiss und Partner,C‑14/07, EU:C:2008:264, punt 57
Gerecht voor ambtenarenzaken: beschikkingen van 7 oktober 2009, Marcuccio/Commissie,F‑122/07, EU:F:2009:134, punten 63 en 65, en Marcuccio/Commissie, F‑3/08, EU:F:2009:135, punten 31 en 33
Blijkens artikel 2 van bijlage IX bij het Statuut, dat verwijst naar artikel 1 van diezelfde bijlage, moet de betrokkene tijdens een administratief onderzoek op de hoogte worden gehouden van de gevolgen ervan, voor zover het onderzoek daardoor niet wordt gehinderd.
Er is geen sprake van schending door het tot aanstelling bevoegd gezag van artikel 2 van bijlage IX bij het Statuut noch van de rechten van verdediging van een ambtenaar in het kader van een administratief onderzoek, wanneer hij op de hoogte wordt gesteld van de instelling van dat onderzoek en hem het rapport van het onderzoek wordt toegezonden, hetgeen verder gaat dan de verplichting die dat gezag wordt opgelegd bij artikel 2 van bijlage IX bij het Statuut, dat slechts voorziet in de toezending van de conclusies van het rapport over het administratieve onderzoek aan de betrokkene. Bovendien kan de betrokkene alleen na afloop van het administratieve onderzoek vragen om de documenten die rechtstreeks verband houden met de jegens hem geuite aantijgingen.
(cf. punten 67‑71)
Artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut verplicht het tot aanstelling bevoegd gezag weliswaar om de betrokkene voorafgaande aan zijn verhoor inzage te geven in al het bewijsmateriaal uit het dossier alvorens te beslissen om een tuchtprocedure in te leiden, doch dit neemt niet weg dat de administratie, wanneer zij een persoon inzage geeft in zijn dossier, op grond van artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie eveneens gehouden is om de legitieme belangen van geheimhouding te eerbiedigen.
Wanneer de onderzoekers de betrokken ambtenaar vanaf het begin van de administratieve procedure de op hem betrekking hebbende informatie hebben gegeven die was opgenomen in een e-mail die een andere ambtenaar aan het bureau voor onderzoek en discipline van de Commissie heeft gezonden, kan het feit dat hij pas na zijn verhoor inzage in die e-mail heeft gekregen niet schadelijk zijn voor zijn rechten van verdediging.
(cf. punten 73, 79 en 80)
Artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en verordening nr. 45/2001, betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, die juridisch beschermde rechten verlenen, zijn van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door, met name, de instellingen van de Unie in de uitoefening van activiteiten die geheel of gedeeltelijk binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen. In dit kader voorziet artikel 49 van verordening nr. 45/2001 in de toepassing van tuchtmaatregelen op ambtenaren en functionarissen wanneer zij de krachtens die verordening op hen rustende verplichtingen niet nakomen, of dit nu opzettelijk of uit nalatigheid is.
Een ambtenaar die zich voordoet als „ontvanger” van persoonsgegevens in de zin van verordening nr. 45/2001 teneinde dergelijke gegevens van een persoon te verkrijgen, is zowel onderworpen aan artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als aan de bepalingen van verordening nr. 45/2001, met name aan de in artikel 4, lid 1, onder b), van die verordening opgenomen verplichting, op grond waarvan persoonsgegevens moeten worden verkregen voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden en vervolgens niet mogen worden verwerkt op een met die doeleinden onverenigbare wijze.
(cf. punten 88 en 90)
De motivering van een bezwarend besluit moet de rechter in staat stellen de wettigheid van dat besluit te toetsen en moet de betrokkene de nodige gegevens verschaffen om uit te maken of het besluit al dan niet gegrond is.
De vraag of de motivering van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag om een sanctie op te leggen voldoet aan deze vereisten, moet niet alleen worden beoordeeld aan de hand van de bewoordingen ervan, maar eveneens aan de hand van de context en alle rechtsregels die de betrokken materie regelen. In dit verband moet het tot aanstelling bevoegd gezag weliswaar nauwkeurig aangeven welke feiten de ambtenaar ten laste worden gelegd en welke overwegingen hem tot de gekozen sanctie hebben gebracht, doch het behoeft niet in te gaan op alle punten, feitelijk en rechtens, die de betrokkene tijdens de procedure heeft aangevoerd.
(cf. punten 112 en 113)
Referentie:Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten van 8 november 2007, Andreasen/Commissie,F‑40/05, EU:F:2007:189, punt 260, en van 17 juli 2012, BG/Ombudsman,F‑54/11, EU:F:2012:114, punt 96, in hogere voorziening bevestigd bij arrest van 22 mei 2014, BG/Ombudsman,T‑406/12 P, EU:T:2014:273
Met betrekking tot de vraag of de opgelegde tuchtmaatregel in evenredigheid is met de ernst van de vastgestelde feiten, voorziet het Statuut weliswaar niet in een vaste verhouding tussen de in artikel 9 van bijlage IX bij het Statuut opgenomen sancties en de mogelijke categorieën van verzuim waaraan de ambtenaren zich schuldig hebben gemaakt, doch dit neemt niet weg dat artikel 10 van bijlage IX bij het Statuut een niet-uitputtende lijst van criteria bevat, daaronder begrepen verzwarende of verzachtende omstandigheden voor het gedrag van de ambtenaar, waarmee het tot aanstelling bevoegd gezag rekening moet houden bij de bepaling van de ernst van het verzuim en bij zijn beslissing over de tuchtmaatregel.
(cf. punt 118)