Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62009CJ0090

Samenvatting van het arrest

Trefwoorden
Samenvatting

Trefwoorden

1. Mededinging – Bepalingen van Unie – Inbreuken – Toerekening – Moedermaatschappij en dochterondernemingen – Economische eenheid – Beoordelingscriteria

(Art. 81 EG en 82 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)

2. Mededinging – Bepalingen van Unie – Inbreuken – Toerekening – Moedermaatschappij en dochterondernemingen – Economische eenheid – Beoordelingscriteria

(Art. 81 EG en 82 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)

3. Procedure – Motivering van arresten – Omvang

(Statuut van het Hof van Justitie, art. 36)

4. Hogere voorziening – Middelen – Onjuiste rechtsopvatting

(Art. 225 EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea)

Samenvatting

1. In het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij 100 % van het kapitaal in handen heeft van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie heeft gepleegd, kan deze moedermaatschappij beslissende invloed op het gedrag van deze dochteronderneming uitoefenen en bestaat er een weerlegbaar vermoeden dat die moedermaatschappij daadwerkelijk een beslissende invloed op het gedrag van haar dochteronderneming uitoefent. In die omstandigheden volstaat het dat de Commissie bewijst dat het volledige kapitaal van een dochteronderneming in handen is van de moedermaatschappij om aan te nemen dat deze laatste beslissende invloed heeft op het commerciële beleid van de dochtermaatschappij. De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij de moedermaatschappij, die dat vermoeden moet weerleggen, afdoende bewijzen overlegt dat haar dochteronderneming zich op de markt zelfstandig gedraagt.

Aangezien dit vermoeden weerlegbaar is, leidt het niet automatisch tot toerekening van aansprakelijkheid aan de moedermaatschappij die het volledige aandelenkapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft, hetgeen in strijd zou zijn met het beginsel van de persoonlijke aansprakelijkheid waarop het mededingingsrecht van de Unie is gebaseerd. Ter weerlegging van dat vermoeden dient de moedermaatschappij elk gegeven betreffende de organisatorische, economische en juridische banden tussen haarzelf en haar dochter, waaruit blijkt dat zij geen economische eenheid vormen, ter beoordeling over te leggen aan de rechter van de Unie.

(cf. punten 39‑40, 50‑52)

2. Een holdingmaatschappij kan hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie die zijn begaan door een dochteronderneming van haar groep waarvan zij het aandelenkapitaal niet rechtstreeks in handen heeft, voor zover deze holdingmaatschappij, zij het indirect via een tussenliggende vennootschap, beslissende invloed op die dochteronderneming uitoefent. Dit is met name het geval wanneer een dochteronderneming haar marktgedrag ten aanzien van deze tussenliggende onderneming niet zelfstandig bepaalt, en deze laatste evenmin zelfstandig op de markt optreedt, maar in hoofdzaak de haar door de holdingmaatschappij gegeven instructies uitvoert. In een dergelijke situatie behoren de holdingmaatschappij, de tussenliggende vennootschap en laatstgenoemde dochteronderneming van het concern immers tot eenzelfde economische eenheid en vormen zij dus één enkele onderneming in de zin van het mededingingsrecht van de Unie.

In het bijzondere geval waarin een holdingmaatschappij alle aandelen bezit van een tussenliggende vennootschap die op haar beurt het volledige kapitaal in handen heeft van een dochteronderneming van het concern die een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie heeft gepleegd, bestaat er een weerlegbaar vermoeden dat deze holdingmaatschappij beslissende invloed op het gedrag van de tussenliggende vennootschap uitoefent, en indirect, via deze laatste, ook op het gedrag van bovengenoemde dochteronderneming. In die specifieke situatie heeft de Commissie dan ook het recht om de holdingmaatschappij hoofdelijk te verplichten tot betaling van de geldboete die aan laatstgenoemde dochteronderneming van het concern is opgelegd, tenzij deze holdingmaatschappij dit vermoeden weerlegt door aan te tonen dat hetzij de tussenliggende vennootschap hetzij bedoelde dochteronderneming zich op de markt zelfstandig gedraagt.

(cf. punten 86‑89)

3. Uit de motivering van een arrest moet de redenering van het Gerecht duidelijk en ondubbelzinnig blijken, zodat de betrokkenen kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof van Justitie zijn rechterlijke controle kan uitoefenen.

Een arrest waarin het Gerecht zich beperkt tot een loutere beginselverklaring zonder duidelijk en ondubbelzinnig de redenen aan te geven waarom het daartoe heeft geconcludeerd, en de aan deze conclusie ten grondslag liggende redenen dus niet uiteenzet, is aangetast door een motiveringsgebrek.

(cf. punten 59, 61‑62)

4. Het Gerecht geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting wanneer het bij het onderzoek van het gedrag van een dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie heeft gepleegd, het ten bewijze van de commerciële zelfstandigheid van de dochteronderneming ten aanzien van de moedermaatschappij overgelegde materiaal, niet ten gronde onderzoekt en de argumenten van verzoeksters afwijst door louter naar bepaalde rechtspraak te verwijzen. Aangezien het Gerecht volgens die rechtspraak evenwel verplicht is om alle gegevens betreffende de organisatorische, economische en juridische banden tussen de moedermaatschappij en de dochteronderneming te beoordelen waaruit kan blijken dat deze laatste zich ten aanzien van haar moedermaatschappij zelfstandig gedraagt en dat beide ondernemingen dus niet één enkele economische eenheid vormen, moet het Gerecht dienaangaande rekening houden met de gegevens die verzoeksters ten bewijze van de zelfstandigheid van de dochteronderneming bij de uitvoering van haar commercieel beleid hebben aangevoerd en moet het deze gegevens concreet onderzoeken om na te gaan of de Commissie een beoordelingsfout heeft gemaakt door zich op het standpunt te stellen dat uit deze bewijzen niet bleek dat de betrokken dochteronderneming niet één enkele economische eenheid met haar moedermaatschappij vormt.

Dit onderzoek is des te meer noodzakelijk omdat de zelfstandigheid van een dochteronderneming bij de uitvoering van haar commercieel beleid deel uitmaakt van het geheel van relevante factoren aan de hand waarvan verzoeksters het vermoeden van beslissende invloed van de moedermaatschappij op het gedrag van de dochteronderneming kunnen weerleggen. Deze factoren kunnen van geval tot geval variëren en een verschillend belang hebben.

cf. punten 75‑78)

Top