This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62002TO0181
Samenvatting van de beschikking
Samenvatting van de beschikking
Zaak T-181/02 R
Neue Erba Lautex GmbH Weberei und Veredlung
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Procedure kort geding — Staatssteun — Steun in nieuwe deelstaten — Reddings- en herstructureringssteun — Verplichting tot terugvordering — Spoedeisendheid — Belangenafweging”
Beschikking van de president van het Gerecht van 3 december 2002 II-5086
Samenvatting van de beschikking
Kort geding – Voorwaarden voor ontvankelijkheid – Beroep in hoofdzaak strekkende tot nietigverklaring van beschikking van Commissie waarbij terugbetaling van staatssteun wordt gelast – Rechtsmiddelen voor nationale rechter tegen nationale uitvoeringsmaatregelen – Irrelevant voor ontvankelijkheid van verzoek in kort geding
(Art. 242 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 1)
Kort geding – Opschorting van tenuitvoerlegging – Voorwaarden – Ernstige en onherstelbare schade – Bewijslast – Financiële schade – Risico van faillissement
(Art. 242 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
Kort geding – Opschorting van tenuitvoerlegging – Voorwaarden – Ernstige en onherstelbare schade – Onderneming die eventueel om inleiding van faillissementsprocedure zal moeten vragen – Beoordeling van geval tot geval – Inaanmerkingneming van kenmerken van groep waartoe zij behoort
(Art. 242 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
Kort geding – Opschorting van tenuitvoerlegging – Voorwaarden – Ernstige en onherstelbare schade – Beschikking van Commissie waarbij terugvordering van staatssteun wordt gelast – Nationale uitvoeringsmaatregelen – Interne rechtsmiddelen – Invloed
(Art. 230 EG, 234 EG en 242 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
Kort geding – Opschorting van tenuitvoerlegging – Voorwaarden – Afweging van alle betrokken belangen – Beschikking van Commissie waarbij terugvordering van staatssteun wordt gelast
(Art. 88, lid 2, EG en 242 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2; verordening nr. 659/1999 van de Raad, art. 7 en 11, lid 2)
Steunmaatregelen van de staten – Verbod – Afwijkingen – Steunmaatregelen die als verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen worden aangemerkt – Beoordelingsvrijheid van Commissie – Inaanmerkingneming van bij onderzoek van eerdere steun beoordeelde context en van ter zake vastgestelde beschikking
(Art. 87, lid 3, EG)
Het feit dat een onderneming die staatssteun heeft ontvangen waarvan de Commissie de terugvordering heeft gelast, voor de nationale rechter beroep kan instellen tegen de maatregelen tot uitvoering van deze beschikking, kan niet leiden tot een afwijking van de regel in artikel 104, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat voor de ontvankelijkheid van een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling van een instelling als enige voorwaarde geldt, dat de verzoeker bij het Gerecht beroep tegen die handeling heeft ingesteld, en tot een weigering om aan een dergelijke onderneming die inderdaad bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring tegen de beschikking van de Commissie heeft ingesteld, voorlopige rechtsbescherming door de gemeenschapsrechter te verlenen.
(cf. punten 38-39)
De spoedeisendheid van een verzoek in kort geding moet worden getoetst aan de vraag of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt. Het is deze partij die moet bewijzen, dat zij niet op de uitspraak in de hoofdzaak kan wachten zonder een dergelijke schade te lijden.
Het is niet nodig dat met volstrekte zekerheid wordt aangetoond dat er onmiddellijk schade dreigt te ontstaan, maar vooral wanneer het intreden van de schade van een reeks factoren afhangt, volstaat het dat zij met een zekere mate van waarschijnlijkheid voorzienbaar is. De partij die om opschorting van de tenuitvoerlegging verzoekt, blijft echter gehouden de feiten te bewijzen waarop zij haar verwachting van ernstige en onherstelbare schade baseert.
Ofschoon financiële schade, uitzonderingen daargelaten, niet als onherstelbaar of zelfs maar moeilijk herstelbaar kan worden beschouwd, aangezien er later steeds een geldelijke vergoeding kan worden geboden, is een voorlopige maatregel gerechtvaardigd, wanneer de verzoeker zonder een dergelijke maatregel vóór het eindarrest in de hoofdzaak in een situatie zou geraken die zijn voortbestaan kan bedreigen.
(cf. punten 82-84)
In het kader van de beoordeling van een verzoek in kort geding kan een situatie waarin een onderneming genoodzaakt is om haar faillissement aan te vragen, tot ernstige en onherstelbare schade leiden wegens het gevaar dat dit kan opleveren voor het bestaan zelf van de onderneming en de zwaarwegende consequenties van een dergelijke procedure, die de normale werking van de onderneming belemmeren. Dit moet echter van geval tot geval worden beoordeeld, rekening houdend met de voor elke zaak kenmerkende omstandigheden feitelijk en rechtens. Daarbij kan rekening worden gehouden met de kenmerken van de groep waartoe de betrokken onderneming behoort.
(cf. punten 88-89, 92)
Wanneer de wettigheid van een beschikking waarbij de terugvordering van staatssteun wordt gelast, krachtens artikel 230 EG wordt betwist, is de nationale rechter niet door het definitieve karakter van die beschikking gebonden en behoudt hij dus de mogelijkheid om de tenuitvoerlegging van een vordering tot terugbetaling van deze steun tot de uitspraak van het Gerecht ten gronde op te schorten of het Hof krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag voor te leggen. Het feit dat een verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging door de gemeenschapsrechter is afgewezen, betekent bovendien niet, dat de nationale rechter de opschorting niet kan toestaan.
Het is derhalve de steunontvanger die in het kader van een verzoek in kort geding voor de gemeenschapsrechter dient aan te tonen dat de interne rechtsmiddelen die het nationale recht hem biedt om zich tegen de terugvordering te verzetten, het hem niet mogelijk maken een ernstige en onherstelbare schade af te weren, en dat bijgevolg aan de voorwaarde van spoedeisendheid is voldaan.
(cf. punten 107-110)
Bij een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van een beschikking op het gebied van staatssteun dient de rechter in kort geding het belang van de verzoeker bij de gevraagde voorlopige voorziening af te wegen tegen het openbaar belang bij de tenuitvoerlegging van beschikkingen in het kader van het toezicht op de steunmaatregelen.
Aan het algemeen belang, in naam waarvan de Commissie de haar bij artikel 88, lid 2, EG en artikel 7 van verordening nr. 659/1999 opgedragen taken verricht, voornamelijk om ervoor te zorgen dat de goede werking van de gemeenschappelijke markt niet door voor de mededinging schadelijke staatssteun wordt verstoord, komt dus een bijzonder gewicht toe. Bijgevolg moet het belang van de Gemeenschap in de regel, zo niet bijna altijd, voorrang hebben boven het belang dat de ontvanger van de steun erbij heeft, dat de verplichting tot terugbetaling van de steun niet wordt uitgevoerd voordat het arrest in de hoofdzaak is gewezen.
Het relatief geringe bedrag van de steun of de relatief bescheiden omvang van de begunstigde onderneming sluit niet bij voorbaat uit, dat het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig kan worden beïnvloed, zodat de geringe marktaandelen van deze onderneming niet in aanmerking kunnen worden genomen om aan te tonen dat er uitzonderlijke omstandigheden zijn op grond waarvan een opschorting van de tenuitvoerlegging van een dergelijke beschikking gerechtvaardigd is.
Het feit dat naar het oordeel van de Commissie niet aan de voorwaarden voor een beschikking tot voorlopige terugvordering van de steun krachtens artikel 11, lid 2, van verordening nr. 659/1999 is voldaan, belet haar geenszins aan het einde van de contradictoire procedure vast te stellen dat het gemeenschappelijk belang de onmiddellijke intrekking van de steunmaatregel en het onverwijlde herstel van de vóór de steunbetaling bestaande situatie rechtvaardigt. Ook het feit dat de Commissie na een lange procedure tot de conclusie is gekomen, dat de betrokken steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, doet niets af aan het belang van de Gemeenschap bij onverwijlde terugbetaling van de steun, teneinde het herstel van de vóór de betaling ervan bestaande situatie en de opheffing van de eruit voortvloeiende beperking van de mededinging op de gemeenschappelijke markt te verzekeren.
(cf. punten 111-113, 115-117)
Op het gebied van artikel 87, lid 3, EG beschikt de Commissie over een ruime beoordelingsvrijheid en moet zij bij haar onderzoek van de mededingingsbeperkende gevolgen van een steunmaatregel alle relevante factoren in aanmerking nemen, daaronder eventueel begrepen de al in het kader van een eerdere beschikking beoordeelde context en de bij die eerdere beschikking aan een lidstaat opgelegde verplichtingen.
(cf. punt 118)