This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62001CJ0464
Samenvatting van het arrest
Samenvatting van het arrest
Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Bevoegdheid inzake door consumenten gesloten overeenkomsten – Begrip „door consument gesloten overeenkomst” – Overeenkomst inzake goed dat ten dele wel en ten dele niet voor beroepsmatig gebruik is bestemd – Daarvan uitgesloten behalve bij marginaal beroepsmatig gebruik – Beoordeling door nationale rechter – Criteria
(Executieverdrag art. 13-15)
De bevoegdheidsregels van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Verdrag van 25 oktober 1982 betreffende de toetreding van de Helleense Republiek, het Verdrag van 26 mei 1989 betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, en het Verdrag van 29 november 1996 betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, moeten als volgt worden uitgelegd:
– een persoon die een overeenkomst heeft gesloten inzake een goed dat ten dele wel en ten dele niet voor beroepsmatig gebruik is bestemd, kan zich niet op de bijzondere bevoegdheidsregels van de artikelen 13 tot en met 15 Executieverdrag beroepen, tenzij het beroepsmatige gebruik dermate marginaal is dat het in de globale context van de betrokken verrichting onbetekenend is; dat het niet-beroepsmatige aspect zwaarder weegt is daarbij irrelevant;
– het staat aan de aangezochte rechter te beoordelen of de betrokken overeenkomst is gesloten om in niet-onbelangrijke mate aan beroepsmatige behoeften van de betrokken persoon te voldoen dan wel of het beroepsmatige gebruik integendeel slechts een onbeduidende rol vervulde;
– daartoe moet deze rechter met alle relevante feitelijke gegevens die objectief uit het dossier blijken, rekening houden; met omstandigheden of elementen waarvan de wederpartij bij de sluiting van de overeenkomst kennis had kunnen hebben, moet daarentegen alleen rekening worden gehouden indien de persoon die zich op de hoedanigheid van consument beroept, zich aldus heeft gedragen dat bij de wederpartij bij de overeenkomst te goeder trouw de indruk is kunnen ontstaan dat hij voor beroepsdoeleinden handelde.
(cf. punt 54 en dictum)