Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32019Y0201(01)

Aanbeveling van het Europees Comité voor systeemrisico’s van 5 december 2018 tot wijziging van Aanbeveling ESRB/2015/2 betreffende de beoordeling van grensoverschrijdende effecten van macroprudentiële beleidsmaatregelen en van vrijwillige toepassing van wederkerigheid ten aanzien van macroprudentiële beleidsmaatregelen (ESRB/2018/8)

PB C 39 van 1.2.2019, pp. 1–9 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

1.2.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 39/1


AANBEVELING VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S

van 5 december 2018

tot wijziging van Aanbeveling ESRB/2015/2 betreffende de beoordeling van grensoverschrijdende effecten van macroprudentiële beleidsmaatregelen en van vrijwillige toepassing van wederkerigheid ten aanzien van macroprudentiële beleidsmaatregelen

(ESRB/2018/8)

(2019/C 39/01)

DE ALGEMENE RAAD VAN HET EUROPEES COMITÉ VOOR SYSTEEMRISICO’S

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico’s (1), en met name artikel 3 en de artikelen 16 tot en met 18,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (2), en met name artikel 458, lid 8,

Gezien Besluit ESRB/2011/1 van het Europees Comité voor systeemrisico’s van 20 januari 2011 houdende goedkeuring van het reglement van orde van het Europees Comité voor systeemrisico’s (3), en met name de artikelen 18 tot en met 20,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om effectieve en consistente nationale macroprudentiële maatregelen te waarborgen, is het van belang de uit hoofde van het Unierecht verplichte wederkerigheid aan te vullen met vrijwillige wederkerigheid.

(2)

Het in Aanbeveling ESRB/2015/2 van het Europees Comité voor systeemrisico’s vastgelegde kader inzake vrijwillige wederkerigheid voor macroprudentiële beleidsmaatregelen (4) moet verzekeren dat dezelfde reeks macroprudentiële vereisten gelden voor hetzelfde soort risicoposities in een bepaalde lidstaat, ongeacht hun rechtsvorm en de locatie van de financiëledienstverlener.

(3)

Aanbeveling ESRB/2017/4 van het Europees Comité voor systeemrisico’s (5) beveelt aan dat de betrokken activerende autoriteit een maximummaterialiteitsdrempel voorstelt wanneer deze autoriteit bij het Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB) een verzoek om wederkerigheid indient, onder welke drempel de blootstelling van de individuele financiëledienstverlener aan aanzien van het vastgestelde macroprudentiële risico in de jurisdictie waarin de activerende autoriteit de macroprudentiële beleidsmaatregel wordt toegepast, als niet-materieel kan worden beschouwd. De ESRB kan een andere drempelwaarde aanbevelen als zij dat noodzakelijk acht.

(4)

Als algemeen beginsel wordt van de activerende autoriteit in lijn met artikel 458, lid 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013 verwacht samen te werken met de relevante autoriteiten die wederkerigheid toepassen ter verzekering van doelmatige en effectieve tenuitvoerlegging van de wederkerigheidsmaatregel.

(5)

Sinds 1 juli 2018 zijn Franse mondiaal systeemrelevante instellingen (global systemically important institutions — „G-SII’s”) en andere systeemrelevante instellingen (other systemically important institutions — „O-SII’s”) op het hoogste consolidatieniveau van hun bancaire prudentiële perimeter krachtens artikel 458, lid 2, onder d), ii) van Verordening (EU) nr. 575/2013 onderworpen aan een limiet voor grote blootstellingen van 5 procent van hun in aanmerking komend kapitaal in verband met niet-financiële vennootschappen met een hoge schuldenlast die hun maatschappelijk zetel in Frankrijk hebben.

(6)

Volgende op het verzoek van de Haut Conseil de stabilité financière (Hoge Raad voor Financiële stabiliteit) aan de ESRB krachtens artikel 458, lid 8 van Verordening (EU) nr. 575/2013, en met het oog erop: (i) te voorkomen dat negatieve grensoverschrijdende effecten zich voordoen in de vorm van lekken en regelgevingsarbitrage, welke effecten zouden kunnen voortvloeien uit de implementatie van de macroprudentiële maatregel van toepassing in Frankrijk krachtens artikel 458, lid 8 van Verordening (EU) nr. 575/2013; (ii) aan andere marktdeelnemers de systeemrisico’s in verband met de verhoogde hefboomwerking van grote niet-financiële vennootschappen met maatschappelijke zetel in Frankrijk te signaleren, en (iii) de schokbestendigheid van systeemrelevante instellingen in andere lidstaten te verhogen, heeft de Algemene Raad van de ESRB besloten tot opname van deze maatregel in de lijst van macroprudentiële beleidsmaatregelenwaarvan de toepassing van wederkerigheid uit hoofde van Aanbeveling ESRB/2015/2 wordt aanbevolen.

(7)

Gelet erop dat de door de Haut Conseil de stabilité geactiveerde maatregel uitsluitend op het hoogste consolidatieniveau wordt toegepast, in lijn met het in subaanbeveling C(2) van Aanbeveling ESRB/2015/2 gespecificeerde beginsel, volgens welke de betrokken autoriteiten dezelfde macroprudentiële beleidsmaatregel moeten implementeren als de door de activerende autoriteit geïmplementeerde maatregel, zou het eveneens mogelijk moeten zijn om de wederkerigheid van de maatregel toe te passen op hetzelfde consolidatieniveau. Bovendien zou de toepassing van de materialiteitsdrempel op individueel niveau erin kunnen resulteren dat instellingen worden uitgesloten die op geconsolideerd niveau geconcentreerde sterke blootstellingen hebben aan niet-financiële vennootschappen met hoge schuldenlast die hun maatschappelijke zetel in Frankrijk hebben, wat een stimulans kan vormen voor regelgevingsarbitrage. Bijgevolg zou de materialiteitsdrempel in dit uitzonderlijke geval op een geconsolideerde basis moeten worden toegepast.

(8)

Aanbeveling ESRB/2015/2 moet derhalve dienovereenkomstig gewijzigd worden,

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

WIJZIGINGEN

Aanbeveling ESRB/2015/2 wordt als volgt gewijzigd:

1.

in afdeling 1 wordt subaanbeveling C(1) als volgt vervangen:

„1.

De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen wederkerigheid toe te passen op de door andere betrokken autoriteiten vastgestelde en door het ESRB voor toepassing van wederkerigheid aanbevolen macroprudentiële beleidsmaatregelen. Aanbevolen wordt wederkerigheid op de volgende in de bijlage nader uiteengezette maatregelen toe te passen:

Estland:

een eenprocentsysteemrisicobufferpercentage dat wordt toegepast uit hoofde van artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU op de nationale blootstellingen van alle kredietinstellingen waaraan in Estland een vergunning is verleend;

Finland:

een 15-procentondergrens voor het gemiddelde risicogewicht inzake hypothecaire leningen voor niet-zakelijk onroerend goed die zijn gedekt door een hypotheek op in Finland gelegen wooneenheden, overeenkomstig artikel 458, lid 2, onder d), sub vi) van Verordening (EU) nr. 575/2013 toegepast op kredietinstellingen waaraan in Finland een vergunning is verleend en die de internal ratings-based-methode (IRB) toepassen voor de berekening van wettelijke kapitaalvereisten;

België

een risicogewichtopslagbedrag voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die zijn gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed, toegepast overeenkomstig artikel 458, lid 2, onder d), sub vi) van Verordening (EU) nr. 575/2013 op kredietinstellingen waaraan in België een vergunning is verleend en die de internal ratings-based-methode (IRB) toepassen voor de berekening van wettelijke kapitaalvereisten en die bestaat uit:

a)

een forfaitair risicogewichtopslagbedrag van 5 procentpunten, en

b)

een evenredig risicogewichtopslagbedrag dat bestaat uit een fractie (33 %) van het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de risicogewichten toegepast op de aangehouden blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die zijn gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed;

Frankrijk:

een aanscherping van de limiet voor grote risicoblootstellingen van artikel 395, lid 1 van Verordening (EU) nr. 575/2013, toepasselijk op blootstellingen aan grote niet-financiële vennootschappen met een hoge schuldenlast met maatschappelijke zetel in Frankrijk naar 5 procent van in aanmerking komend kapitaal, overeenkomstig artikel 458, lid 2, onder d), ii) van Verordening (EU) nr. 575/2013 toegepast op mondiaal systeemrelevante instellingen (G-SII’s) en andere systeemrelevante instellingen (O-SII’s) op het hoogste consolidatieniveau van hun bancaire prudentiële perimeter.”;

2.

de bijlage wordt vervangen door de bijlage bij deze aanbeveling.

Gedaan te Frankfurt am Main, 5 december 2018.

Francesco MAZZAFERRO

Hoofd van het ESRB-secretariaat,

namens de Algemene Raad van het ESRB


(1)  PB L 331 van 15.12.2010, blz. 1.

(2)  PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

(3)  PB C 58 van 24.2.2011, blz. 4.

(4)  Aanbeveling ESRB/2015/2 van het Europees Comité voor systeemrisico’s van 15 december 2015 betreffende de beoordeling van grensoverschrijdende effecten van macroprudentiële beleidsmaatregelen en van vrijwillige toepassing van wederkerigheid ten aanzien van macroprudentiële beleidsmaatregelen (PB C 97 van 12.3.2016, blz. 9).

(5)  Aanbeveling ESRB/2017/4 van het Europees Comité voor systeemrisico’s van 20 oktober 2017 tot wijziging van Aanbeveling ESRB/2015/2 betreffende de beoordeling van grensoverschrijdende effecten van macroprudentiële beleidsmaatregelen en van vrijwillige toepassing van wederkerigheid ten aanzien van macroprudentiële beleidsmaatregelen (PB C 431 van 15.12.2017, blz. 1).


BIJLAGE

De bijlage bij Richtsnoer ECB/2015/2 wordt als volgt vervangen:

„Bijlage

Estland

een eenprocentsysteemrisicobufferpercentage dat wordt toegepast overeenkomstig artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU op de nationale blootstellingen van alle kredietinstellingen waaraan in Estland een vergunning is verleend

I.   Beschrijving van de maatregel

1.

De Estse maatregel is eenprocentsysteemrisicobufferpercentage dat overeenkomstig artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU wordt toegepast op de nationale blootstellingen van alle kredietinstellingen waaraan in Estland een vergunning is verleend.

II.   Wederkerigheid

2.

Indien lidstaten artikel 134 van Richtlijn 2013/36/EU in nationaal recht hebben omgezet, wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen overeenkomstig artikel 134, lid 1 van Richtlijn 2013/36/EU wederkerigheid toe te passen op de Estse maatregel voor blootstellingen in Estland van instellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend. Voor dit lid is de in subaanbeveling C(3) vastgelegde eindtermijn van toepassing.

3.

Indien lidstaten artikel 134 van Richtlijn 2013/36/EU niet in nationaal recht hebben omgezet, wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen overeenkomstig subaanbeveling C(2) wederkerigheid toe te passen op de Estse maatregel voor blootstellingen in Estland van instellingen waaraan in hun eigen land een vergunning is verleend. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen om binnen zes maanden de equivalente maatregel vast te stellen.

Finland

Een kredietinstellingsspecifiek minimumniveau van 15 procent voor het gemiddelde risicogewicht inzake leningen die zijn gedekt door een hypotheek op in Finland gelegen wooneenheden, geldend voor kredietinstellingen die de internal-ratings-based-methode (IRB) hanteren (hierna „IRB-kredietinstellingen” te noemen), toegepast krachtens artikel 458, lid 2, onder d), sub vi) van Verordening (EU) nr. 575/2013.

I.   Beschrijving van de maatregel

1.

De overeenkomstig artikel 458, lid 2, onder d), sub vi) van Verordening (EU) nr. 575/2013 toegepaste Finse maatregel bestaat uit een kredietinstellingspecifieke 15 %-ondergrens voor gemiddelde risicogewichten voor IRB-kredietinstellingen op portfolioniveau inzake hypothecaire leningen voor niet-zakelijk onroerend goed die zijn gedekt door in Finland gelegen wooneenheden.

II.   Wederkerigheid

2.

Overeenkomstig artikel 458, lid 5 van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt de betrokken autoriteiten van de betrokken lidstaten aanbevolen wederkerigheid toe te passen ten aanzien van de Finse maatregel en die toe te passen op de portfolio’s van IRB-kredietinstellingen van particuliere hypothecaire kredieten die zijn gedekt door in Finland gelegen wooneenheden en uitgegeven door in Finland gelegen bijkantoren waaraan in eigen land een vergunning is verleend. Voor dit lid is de in subaanbeveling C(3) vastgelegde eindtermijn van toepassing.

3.

Betrokken autoriteiten wordt tevens aanbevolen wederkerigheid toe te passen ten aanzien van de Finse maatregel en die toe te passen op de portfolio’s van IRB-kredietinstellingen van particuliere hypothecaire kredieten die zijn gedekt door in Finland gelegen wooneenheden en direct grensoverschrijdend zijn uitgegeven door in hun respectieve jurisdicties gelegen kredietinstellingen. Voor dit lid is de in subaanbeveling C(3) vastgelegde eindtermijn van toepassing.

4.

Overeenkomstig subaanbeveling C(2) wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen om na raadpleging van het ESRB de in hun jurisdictie beschikbare macroprudentiële beleidsmaatregel toe te passen die vrijwel hetzelfde effect heeft als de voornoemde maatregel waarvoor toepassing van wederkerigheid is aanbevolen, waaronder de vaststelling van toezichtmaatregelen en -bevoegdheden zoals bedoeld in titel VII, hoofdstuk 2, afdeling IV van Richtlijn 2013/36/EU. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen om binnen vier maanden de equivalente maatregel vast te stellen.

III.   Materialiteitsdrempel

5.

De maatregel wordt aangevuld door een materialiteitsdrempel ten belope van een 1-miljard-EUR-blootstelling ten aanzien van de woninghypothekenmarkt in Finland tot sturing van de potentiële toepassing van het de-minimis-beginsel door de wederkerigheid toepassende lidstaten.

6.

Overeenkomstig afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 kunnen de betreffende autoriteiten van de betrokken lidstaat een vrijstelling verlenen aan afzonderlijke IRB-kredietinstellingen met niet-materiële portfolio’s onder de materialiteitsdrempel van 1 miljard EUR aan particuliere hypothecaire kredieten die worden gedekt door in Finland gelegen wooneenheden. In dat geval moeten de betreffende autoriteiten de materialiteit van de blootstellingen monitoren en wordt hun aanbevolen wederkerigheid toe te passen wanneer een IRB-kredietinstelling de drempel van 1 miljard EUR overschrijdt.

7.

Indien er geen IRB-kredietinstellingen zijn waaraan in andere betrokken lidstaten een vergunning is verleend, welke IRB-kredietinstellingen in Finland gevestigde bijkantoren hebben, of IRB-kredietinstellingen die direct in Finland financiële diensten verlenen, welke IRB-kredietinstellingen blootstellingen hebben van 1 miljard EUR, of meer, ten aanzien van de Finse hypotheekmarkt, kunnen de betrokken autoriteiten van de betreffende lidstaten besluiten de in afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 vastgelegde wederkerigheid niet toe te passen. In dat geval moeten de betreffende autoriteiten de materialiteit van de blootstellingen monitoren en wordt hun aanbevolen wederkerigheid toe te passen wanneer een IRB-kredietinstelling de drempel van 1 miljard EUR overschrijdt.

België

Een risicogewichtopslagbedrag voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die zijn gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed, opgelegd aan kredietinstellingen waaraan in België een vergunning is verleend en de IRB-methode gebruiken en welk opslagbedrag wordt toegepast overeenkomstig artikel 458, lid 2, onder d), sub vi) van Verordening (EU) nr. 575/2013. Het opslagbedrag is opgebouwd uit twee componenten:

a)

een forfaitair risicogewichtopslagbedrag van 5 procentpunten, en

b)

een evenredig risicogewichtopslagbedrag dat bestaat uit een fractie (33 %) van het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de risicogewichten toegepast op de aangehouden blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die zijn gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed.

I.   Beschrijving van de maatregel

1.

De overeenkomstig artikel 458, lid 2, onder d), sub vi) van Verordening (EU) nr. 575/2013 toegepaste Belgische maatregel, die werd opgelegd aan kredietinstellingen waaraan in België een vergunning werd verleend, en de IRB-methode gebruiken, bestaat uit een risicogewichtopslagbedrag voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die zijn gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed, welk opslagbedrag bestaat uit twee componenten:

a)

De eerste component bestaat uit een verhoging van 5 procentpunten van het risicogewicht voor niet-zakelijk onroerend goed voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die zijn gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed, zulks na berekening van het tweede deel van het risicogewichtopslagbedrag overeenkomstig b).

b)

De tweede component bestaat uit een verhoging van het risicogewicht van 33 % van het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de risicogewichten toegepast op de aangehouden blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die zijn gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed. Het naar blootstelling gewogen gemiddelde is het gemiddelde van de risicogewichten van de afzonderlijke leningen dat werd berekend overeenkomstig artikel 154 van Verordening (EU) nr. 575/2013, gewogen naar de betrokken blootstellingswaarde.

II.   Wederkerigheid

2.

Overeenkomstig artikel 458, lid 5 van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt de betrokken autoriteiten van de betreffende lidstaten aanbevolen om wederkerigheid toe te passen ten aanzien van de Belgische maatregel door binnen de in subaanbeveling C(3) bedoelde deadline de maatregel toe te passen op bijkantoren in België van kredietinstellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend, welke instellingen de IRB-methode toepassen.

3.

Betrokken autoriteiten wordt aanbevolen wederkerigheid toe te passen ten aanzien van de Belgische maatregel door toepassing op de kredietinstellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend en de IRB-methode gebruiken, welke kredietinstellingen directe blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen hebben die worden gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed. Overeenkomstig subaanbeveling C(2) wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen binnen de in subaanbeveling C(3) bedoelde deadline dezelfde maatregel toe te passen die de activerende autoriteit in België heeft toegepast

4.

Indien dezelfde macroprudentiële beleidsmaatregel in hun jurisdictie niet beschikbaar is, wordt de betrokken autoriteiten aanbevolen om na raadpleging van de ESRB een in hun jurisdictie beschikbare macroprudentiële beleidsmaatregel toe te passen die vrijwel hetzelfde effect heeft als de voornoemde voor toepassing van wederkerigheid aanbevolen maatregel, waaronder de vaststelling van toezichtmaatregelen en -bevoegdheden zoals bedoeld in titel VII, hoofdstuk 2, afdeling IV van Richtlijn 2013/36/EU. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen de equivalente maatregel uiterlijk vier maanden na de bekendmaking van deze aanbeveling in het Publicatieblad van de Europese Unie vast te stellen.

III.   Materialiteitsdrempel

5.

De maatregel wordt aangevuld door een instellingsspecifieke materialiteitsdrempel van 2 miljard EUR om de potentiële toepassing te sturen van het de minimis beginsel door de betrokken autoriteiten die wederkerigheid toepassen op de maatregel.

6.

Overeenkomstig afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 kunnen de betreffende autoriteiten van de betrokken lidstaat een vrijstelling verlenen aan afzonderlijke IRB-kredietinstellingen die de IRB-methode gebruiken en waaraan in eigen land een vergunning werd verleend, welke kredietinstellingen niet-materiële portfolio’s onder de materialiteitsdrempel van 2 miljard EUR aan particuliere hypothecaire kredieten hebben die worden gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed. Bij de toepassing van de materialiteitsdrempel moeten de betrokken autoriteiten de materialiteit van blootstellingen monitoren en hun wordt aanbevolen om de Belgische maatregel toe te passen op de eertijds vrijgestelde afzonderlijke kredietinstellingen, waaraan in eigen land een vergunning werd verleend wanneer de materialiteitsdrempel van 2 miljard EUR wordt doorbroken.

7.

Indien er geen IRB-kredietinstellingen zijn waaraan in betrokken lidstaten een vergunning is verleend, welke kredietinstellingen in België gevestigde bijkantoren hebben of die directe blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen hebben die worden gedekt door in België gelegen niet-zakelijk onroerend goed, welke bijkantoren de IRB-methode volgen en blootstellingen hebben van 2 miljard EUR of meer ten aanzien van de Belgische markt voor niet-zakelijk onroerend goed, kunnen de betrokken autoriteiten van de betreffende lidstaten krachtens afdeling 2.2.1. van Aanbeveling ESRB/2015/2 besluiten geen wederkerigheid toe te passen ten aanzien van de Belgische maatregel. In dat geval moeten de betreffende autoriteiten de materialiteit van de blootstellingen monitoren en wordt hun aanbevolen wederkerigheid toe te passen ten aanzien van de Belgische maatregel wanneer een IRB-kredietinstelling die de IRB-methode gebruikt de drempel van 2 miljard EUR overschrijdt.

8.

Overeenkomstig afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 is de materialiteitsdrempel van 2 miljard EUR een aanbevolen maximumdrempelniveau. Wederkerigheid toepassende betrokken autoriteiten kunnen derhalve in voorkomende gevallen een voor hun jurisdictie een lagere drempel toepassen, en niet de aanbevolen drempel, of wederkerigheid toepassen ten aanzien van de maatregel zonder een materialiteitsdrempel.

Frankrijk

Een verscherping van de limieten voor grote blootstellingen van artikel 395, lid 1 van Verordening (EU) nr. 575/2013, toepasselijk op blootstellingen aan grote niet-financiële vennootschappen met een hoge schuldenlast met maatschappelijke zetel in Frankrijk naar 5 procent van in aanmerking komend kapitaal, in overeenstemming met artikel 458, lid 2, onder d), ii) van Verordening (EU) nr. 575/2013, toegepast op mondiaal systeemrelevante instellingen (G-SII’s) en andere systeemrelevante instellingen (O-SII’s) op het hoogste consolidatieniveau van hun bancaire prudentiële perimeter.

I.   Beschrijving van de maatregel

1.

De Franse maatregel die wordt toegepast in overeenstemming met artikel 458, lid 2, onder d), ii) van Verordening (EU) nr. 575/2013 en wordt opgelegd aan G-SII’s en O-SII’s op het hoogste consolidatieniveau van hun bancaire prudentiële perimeter (niet op gesubconsolideerd niveau), bestaat uit de verscherping van de limieten voor grote blootstellingen naar 5 procent van hun in aanmerking komend kapitaal, toepasselijk op blootstellingen aan grote niet-financiële vennootschappen met een hoge schuldenlast met maatschappelijke zetel in Frankrijk.

2.

Een niet-financiële vennootschap wordt omschreven als een natuurlijke of rechtspersoon krachtens privaatrecht met maatschappelijke zetel in Frankrijk, en die op haar niveau en op het hoogste consolidatieniveau behoort tot de sector niet-financiële vennootschappen zoals omschreven in punt 2.45 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1).

3.

De maatregel geldt voor blootstellingen aan niet-financiële vennootschappen met maatschappelijke zetel in Frankrijk en voor blootstellingen aan groepen van verbonden niet-financiële vennootschappen, als volgt:

a)

Voor niet-financiële vennootschappen die deel uitmaken van een groep verbonden niet-financiële vennootschappen met maatschappelijke zetel op het hoogste consolidatieniveau in Frankrijk, geldt de maatregel voor de som van de netto blootstellingen tegenover de groep en alle verbonden entiteiten in de zin van punt 39 van artikel 4, lid 1 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b)

Voor niet-financiële vennootschappen die deel uitmaken van een groep verbonden niet-financiële vennootschappen met maatschappelijke zetel op het hoogste consolidatieniveau buiten Frankrijk, geldt de maatregel voor de som van:

i)

de blootstellingen aan deze niet-financiële vennootschappen met maatschappelijke zetel in Frankrijk;

ii)

de blootstellingen aan de entiteiten in Frankrijk of in het buitenland waarover de niet-financiële vennootschappen waarnaar wordt verwezen in (i) rechtstreekse of onrechtstreekse controle hebben in de zin van punt 39 van artikel 4, lid 1 van Verordening (EU) nr. 575/2013, en

iii)

de blootstellingen aan de entiteiten gelegen in Frankrijk of in het buitenland die economisch afhankelijk zijn van de niet-financiële vennootschappen waarnaar wordt verwezen in (i) in de zin van punt 39 van artikel 4, lid 1 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Niet-financiële vennootschappen die hun maatschappelijke zetel niet in Frankrijk hebben en geen dochteronderneming of economisch afhankelijke entiteit zijn van, en die niet rechtstreeks of onrechtstreeks gecontroleerd worden door een niet-financiële vennootschap met maatschappelijke zetel in Frankrijk, vallen daarom buiten de werkingssfeer van de maatregel.

Overeenkomstig artikel 395, lid 1 van Verordening (EU) nr. 575/2013 is de maatregel van toepassing nadat rekening werd gehouden met de effecten van kredietrisicolimiteringstechnieken en uitzonderingen in overeenstemming met de artikelen 399 tot en met 403 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

4.

Een G-SII of een O-SII moet een niet-financiële vennootschap met maatschappelijke zetel in Frankrijk als groot beschouwen als de oorspronkelijke blootstelling aan de niet-financiële vennootschap, of aan de groep van verbonden niet-financiële vennootschappen in de zin van lid 3 gelijk is aan of hoger dan 300 miljoen EUR. De oorspronkelijke blootstellingswaarde wordt berekend overeenkomstig de artikelen 389 en 390 van Verordening (EU) nr. 575/2013, alvorens rekening te houden met de effecten van kredietrisicolimiteringstechnieken en uitzonderingen uiteenzet in de artikelen 399 tot en met 403 van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals gerapporteerd conform artikel 9 van Uitvoeringsverordening van de Commissie (EU) nr. 680/2014 (2).

5.

Een niet-financiële vennootschap wordt geacht een hoge schuldenlast te hebben bij een hefboomratio van meer dan 100 procent en een financiële kosten dekkingsratio onder drie, berekend op het hoogste groepsconsolidatieniveau als volgt:

a)

de hefboomratio is de verhouding tussen de totale schuld minus liquide middelen en eigen vermogen, en

b)

de financiële kosten dekkingsratio is de verhouding tussen enerzijds de toegevoegde waarde plus exploitatiesubsidies minus: (i) loonlijst; (ii) operationele belastingen en heffingen; (iii) andere netto gewone bedrijfskosten exclusief nettorente en soortgelijke lasten, en (iv) afschrijvingen en waardeverminderingen, en anderzijds rente en soortgelijke lasten.

De ratio’s worden berekend op basis van de overeenkomstig de toepasselijke standaarden omschreven boekhoudkundige aggregaten, zoals gepresenteerd in de jaarrekening van de niet-financiële vennootschap, desgevallend gecertificeerd door een beëdigde accountant.

II.   Wederkerigheid

6.

Aan de betrokken autoriteiten wordt aanbevolen om wederkerigheid toe te passen op de Franse maatregel door ze toe te passen op G-SII’s en O-SII’s waaraan in eigen land een vergunning is verleend op het hoogste consolidatieniveau binnen het rechtsgebied van hun bancaire prudentiële perimeter.

7.

Indien geen identieke macroprudentiële beleidsmaatregel in hun jurisdictie niet beschikbaar is, wordt in lijn met subaanbeveling C(2) de betrokken autoriteiten aanbevolen om na raadpleging van het ESRB een in hun jurisdictie beschikbare macroprudentiële beleidsmaatregel toe te passen die vrijwel hetzelfde effect heeft als de voornoemde voor toepassing van wederkerigheid aanbevolen maatregel. De betrokken autoriteiten wordt aanbevolen de equivalente maatregel uiterlijk zes maanden na de bekendmaking van deze aanbeveling in het Publicatieblad van de Europese Unie vast te stellen.

III.   Materialiteitsdrempel

8.

De maatregel wordt aangevuld door een gecombineerde materialiteitsdrempel om de potentiële toepassing door de betrokken autoriteiten die wederkerigheid toepassen op de maatregel van het de minimis beginsel te sturen, welke bestaat uit:

a)

Een drempel van 2 miljard EUR voor de totale oorspronkelijke blootstellingen van G-SII’s en O-SII’s waaraan in eigen land een vergunning is verleend op het hoogste consolidatieniveau van de bancaire prudentiële perimeter aan de Franse sector niet-financiële vennootschappen.

b)

Een drempel van 300 miljoen EUR toepasselijk op G-SII’s en O-SII’s waaraan in eigen land een vergunning is verleend met drempelwaarde gelijk aan of hoger dan de onder a) bedoelde drempelwaarde voor:

i)

een enkele oorspronkelijke blootstelling aan een niet-financiële vennootschap met maatschappelijke zetel in Frankrijk;

ii)

de som van de oorspronkelijke blootstellingen aan een groep van verbonden niet-financiële vennootschappen, welke de maatschappelijke zetel op het hoogste consolidatieniveau in Frankrijk heeft, berekend in overeenstemming met lid 3, onder a);

iii)

de som van oorspronkelijke blootstellingen aan niet-financiële vennootschappen met maatschappelijke zetel in Frankrijk die deel uitmaken van een groep van verbonden niet-financiële vennootschappen met maatschappelijke zetel op het hoogste consolidatieniveau buiten Frankrijk, zoals gerapporteerd in de modellen C 28.00 en C 29.00 van bijlage VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014;

c)

Een drempel van 5 procent van het in aanmerking komend kapitaal van G-SII’s of O-SII’s op het hoogste consolidatieniveau, voor blootstellingen die in b) geïdentificeerd worden nadat rekening werd gehouden met de effecten van kredietrisicolimiteringstechnieken en uitzonderingen in overeenstemming met de artikelen 399 tot en met 403 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De drempelwaarden waarnaar wordt verwezen in de leden a) en b) moeten worden toegepast ongeacht of de betrokken entiteit of niet-financiële vennootschap een hoge schuldenlast heeft of niet.

De oorspronkelijke blootstellingswaarde waarnaar wordt verwezen onder a) en b) moet worden berekend overeenkomstig de artikelen 389 en 390 van Verordening (EU) nr. 575/2013, alvorens rekening te houden met de effecten van kredietrisicolimiteringstechnieken en uitzonderingen in overeenstemming met de artikelen 399 tot en met 403 van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals gerapporteerd conform artikel 9 van Uitvoeringsverordening van de Commissie (EU) nr. 680/2014.

9.

In lijn met Afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 kunnen de betrokken autoriteiten van de betrokken lidstaat G-SII’s en O-SII’s waaraan in eigen land een vergunning is verleend op het hoogste consolidatieniveau van hun bancaire prudentiële perimeter vrijstellen als zij de in lid 8 bedoelde gecombineerde materialiteitsdrempel niet schenden. Bij toepassing van de materialiteitsdrempel zouden de betrokken autoriteiten de materialiteit van de blootstellingen van G-SII’s en O-SII’s waaraan in eigen land een vergunning is verleend aan de Franse sector niet-financiële vennootschappen moeten monitoren, alsook de blootstellingsconcentratie van G-SII’s en O-SII’s waaraan in eigen land een vergunning is verleend aan grote niet-financiële vennootschappen met maatschappelijke zetel in Frankrijk en hen wordt aanbevolen om de Franse maatregel toe te passen op eertijds vrijgestelde G-SII’s en O-SII’s, waaraan in eigen land een vergunning werd verleend op het hoogste consolidatieniveau van hun bancaire prudentiële perimeter, wanneer de in lid 8 bedoelde materialiteitsdrempel wordt geschonden. De betrokken autoriteiten worden eveneens aangemoedigd om de systeemrisico’s in verband met de verhoogde hefboomwerking van grote niet-financiële vennootschappen met maatschappelijke zetel in Frankrijk te signaleren aan andere marktdeelnemers in hun rechtsgebied.

10.

Wanneer er geen G-SII’s of O-SII’s met een vergunning in de betrokken lidstaten bestaan op het hoogste consolidatieniveau van hun bancaire prudentiële perimeter en die blootstellingen hebben aan de Franse sector niet-financiële vennootschappen boven de in lid 8 bedoelde materialiteitsdrempel, kunnen de betrokken autoriteiten van de betreffende lidstaten krachtens afdeling 2.2.1. van Aanbeveling ESRB/2015/2 besluiten geen wederkerigheid toe te passen ten aanzien van de Franse maatregel. In dat geval zouden de betrokken autoriteiten de materialiteit van de blootstellingen van G-SII’s en O-SII’s waaraan in eigen land een vergunning is verleend aan de Franse sector niet-financiële vennootschappen moeten monitoren, alsook de blootstellingsconcentratie van G-SII’s en O-SII’s waaraan in eigen land een vergunning is verleend aan grote niet-financiële vennootschappen met maatschappelijke zetel in Frankrijk; hen wordt aanbevolen om wederkerigheid toe te passen voor de Franse maatregel wanneer een G-SII of O-SII op het hoogste consolidatieniveau van de bancaire prudentiële perimeter groter is dan de in lid 8 bedoelde gecombineerde materialiteitsdrempel. De betrokken autoriteiten worden eveneens aangemoedigd om de systeemrisico’s in verband met de verhoogde hefboomwerking van grote niet-financiële vennootschappen met maatschappelijke zetel in Frankrijk te signaleren aan andere marktdeelnemers in hun rechtsgebied.

11.

Overeenkomstig afdeling 2.2.1 van Aanbeveling ESRB/2015/2 is de gecombineerde materialiteitsdrempel waarnaar wordt verwezen in lid 8 een aanbevolen maximumdrempelniveau. Wederkerigheid toepassende betrokken autoriteiten kunnen derhalve in voorkomende gevallen een voor hun jurisdictie een lagere drempel toepassen, en niet de aanbevolen drempel, of wederkerigheid toepassen ten aanzien van de maatregel zonder een materialiteitsdrempel.
”.

(1)  Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1).

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van 16 april 2014 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 191 van 28.6.2014, blz. 1).


Top