This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52014PC0032
Proposal for a REGULATION OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL amending Regulation (EU) No 1308/2013 and Regulation (EU) No 1306/2013 as regards the aid scheme for the supply of fruit and vegetables, bananas and milk in the educational establishments
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1308/2013 en Verordening (EU) nr. 1306/2013 wat betreft de steunregeling voor de verstrekking van groenten, fruit, bananen en melk aan kinderen in onderwijsinstellingen
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1308/2013 en Verordening (EU) nr. 1306/2013 wat betreft de steunregeling voor de verstrekking van groenten, fruit, bananen en melk aan kinderen in onderwijsinstellingen
/* COM/2014/032 final - 2014/0014 (COD) */
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1308/2013 en Verordening (EU) nr. 1306/2013 wat betreft de steunregeling voor de verstrekking van groenten, fruit, bananen en melk aan kinderen in onderwijsinstellingen /* COM/2014/032 final - 2014/0014 (COD) */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL Algemene context Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het
Europees Parlement en de Raad ("verordening integrale gemeenschappelijke
marktordening" of "Integrale-GMO-verordening")[1] voorziet in een
wettelijk en financieel kader voor de verstrekking van geselecteerde
landbouwproducten aan kinderen op scholen in het kader van de schoolmelk- en
schoolfruitregelingen. Deze twee regelingen hebben zich onafhankelijk
van elkaar en in verschillende perioden ontwikkeld. De schoolmelkregeling
dateert van het begin van de gemeenschappelijke marktordening voor zuivel in 1968
en wordt feitelijk sinds 1977 uitgevoerd. De schoolfruitregeling is een
programma van recentere datum, dat is voortgekomen uit een politieke
verbintenis die werd gedaan in de context van de hervorming van de
gemeenschappelijke marktordening voor groenten en fruit van 2007. De huidige
regelingen functioneren binnen verschillende wettelijke en financiële kaders en
vertonen belangrijke verschillen in ontwerp en werking. Beide schoolregelingen werden ingevoerd voor
het bevorderen van de consumptie van groenten en fruit en zuivelproducten. De
groente- en fruit- en de zuivelsector zijn belangrijke sectoren voor de
Europese landbouw, die elk ongeveer 15 % van de waarde van de
landbouwproductie van de Europese Unie (EU) vertegenwoordigen. Behalve dat
groenten en fruit en zuivelproducten een economisch belang vertegenwoordigen,
leveren ze ook een positieve bijdrage aan de volksgezondheid en zijn ze
geschikt voor verstrekking aan schoolkinderen. De beweegreden voor het vaststellen van de
twee schoolregelingen is in de huidige context van dalende consumptie van
groenten en fruit en zuivelproducten nog steeds relevant. Ondanks verschillende
maatregelen voor het bevorderen van gezonde voeding en de afzet van
landbouwproducten, op zowel nationaal als EU-niveau, is de dalende tendens in
de consumptie van landbouwproducten, en met name van verse groenten, fruit en
melk, niet omgebogen. Deze situatie wordt nog verergerd door een stijgende
trend in de consumptie van intensief verwerkte voedingsmiddelen waaraan vaak
grote hoeveelheden suikers, zout en vet zijn toegevoegd, een ontwikkeling die
wordt versterkt door het consumptiepatroon van jongere leeftijdsgroepen. Ondanks de positieve inbedding van de huidige
regelingen in scholen en de erkenning van het belang ervan, wordt in de
conclusies van verschillende rapporten en externe evaluaties gewezen op zwakke
punten in het ontwerp en inefficiënties in de werking ervan. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de
periode 2014-2020 (GLB 2020) bevat al belangrijke elementen waarvan wordt
verwacht dat ze een aantal van de vastgestelde problemen zullen wegnemen.
Daarbij gaat het met name om significante veranderingen in de financiering van de
schoolfruitregeling en versterking van het educatieve aspect. Het nieuwe
vereiste van de schoolmelkregeling dat de deelnemende lidstaten een strategie
moeten opstellen, zoals dat nu al geldt voor de schoolfruitregeling, zal
bijdragen aan een doelgerichtere uitvoering van de regeling. Het voorstel van
de Commissie voor het GLB 2020 was achter al aangenomen toen de externe
evaluaties van de huidige regelingen werden afgerond en ging ook vooraf aan de
publicatie van het verslag van de Europese Rekenkamer. Doelstellingen van
het voorstel Het voorstel is er niet alleen op gericht om
via het aanpakken van de problemen die inherent zijn aan de werking van de
regelingen de doeltreffendheid en doelmatigheid ervan te vergroten, maar is ook
gericht op een uniformere beleidsreactie, zodat de langetermijndoelstellingen
kunnen worden gerealiseerd en met de regelingen effectief kan worden gereageerd
op externe uitdagingen. Dit is in overeenstemming met de aanbeveling van de
Rekenkamer dat, "[t]eneinde de algehele samenhang tussen de
voedingsaanpak en een optimaal beheer te verzekeren, […] de coördinatie en de
synergieën tussen de twee programma’s [dienen] te worden versterkt".
Met dit voorstel reageert de Commissie ook op de verslagleggingsplicht die
voortvloeit uit artikel 225, onder c), van de Verordening inzake de
mogelijkheid om het toepassingsgebied van de schoolregelingen uit te breiden
tot olijfolie en tafelolijven. Het voorstel is er in de eerste plaats op
gericht om de huidige opzet van de regelingen meer in lijn te brengen met de
langetermijndoelstellingen, door het versterken van het educatieve aspect
ervan, en om een bijdrage te leveren aan inspanningen om jonge burgers meer
bewust te maken van wat ze eten en waar dat eten vandaan komt, waardoor
hun perceptie van de landbouw en de voortbrengselen ervan, van het GLB en van
de EU positiever wordt. Momenteel is er een kloof tussen het ontwerp van de
regelingen en deze doelstellingen, omdat bij elk van de regelingen de
realisering daarvan anders wordt aangepakt. Zo is het educatieve aspect al
vanaf de start van de schoolfruitregeling een integraal onderdeel van die
regeling, terwijl de schoolmelkregeling de lidstaten niet verplicht tot het
nemen van specifieke educatieve maatregelen, waardoor de link tussen de verstrekte
producten en de regeling laag is. Verder is het systeem voor de evaluatie en
monitoring van de schoolmelkregeling zwak, terwijl dat voor de
schoolfruitregeling verbeteringen behoeft, wat belangrijk is voor het meten van
de middellange- en langetermijneffectiviteit van de regelingen. In de tweede plaats wordt met dit voorstel
beoogd om de huidige afzonderlijke wettelijke en financiële kaders te
uniformeren en te consolideren en de zichtbaarheid van het EU-optreden te
vergroten, zodat de algehele samenhang van de GLB-aanpak van de verstrekking op
scholen is verzekerd en de regelingen zo efficiënt mogelijk worden beheerd.
Doordat de huidige regelingen zich onafhankelijk van elkaar en in verschillende
perioden hebben ontwikkeld, ontbreekt het aan coördinatie en samenhang tussen
de twee regelingen, hoewel ze vergelijkbare doelstellingen en doelgroepen
hebben. De fragmentatie van het huidige systeem heeft tot gevolg dat tal van
verschillende benaderingen worden gevolgd en er geen eenduidige boodschap is,
wat negatief uitwerkt op de effectiviteit van de regeling als geheel. Dit
probleem is een gevolg van de verschillende wettelijke en financiële kaders,
verschillen tussen de markten waarop de betrokken producten worden verkocht en
besluiten op het niveau van de lidstaten over de wijze van uitvoering van beide
regelingen. Tot slot is er de noodzaak van een
doelmatigere besteding van de middelen die voor het bevorderen van de
consumptie van landbouwproducten op scholen beschikbaar zijn, zodat de
financiële mogelijkheden van de regelingen beter worden benut met het oog op
een maximaal effect, en de kosteneffectiviteit van de verstrekking wordt
vergroot. Van de huidige tekortkomingen zijn enkele op beide regelingen van
toepassing (zoals de hoge administratieve en organisatorische belasting),
terwijl andere ofwel kenmerkend zijn voor de schoolfruitregeling (in het
bijzonder de budgettaire onderbesteding van ongeveer 30 % en de enorme
verschillen in de kosten van de verstrekte producten) of voor de
schoolmelkregeling (potentieel 'buitenkanseffect', slechte
kosten-batenverhouding). 2. RESULTATEN VAN DE
RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING De evaluatie van de schoolregelingen ging in
oktober 2012 van start. Tijdens de effectbeoordeling werd een openbare
raadpleging gehouden waarbij belanghebbende partijen werden uitgenodigd om een
bijdrage aan de evaluatie te leveren. De openbare raadpleging vond plaats op
basis van een raadplegingdocument dat was opgebouwd rond negen open vragen. De
raadpleging duurde twaalf weken en werd gehouden op basis van een
onlinevragenlijst. Daarnaast zijn gedurende de raadpleging ook afzonderlijke
bijeenkomsten en hoorzittingen georganiseerd, waaronder een bijeenkomst met
belanghebbenden op 15 maart 2013. Bij de effectbeoordeling zijn drie scenario's
uitgewerkt: 1) het "status quo"-scenario, waarin wordt vastgehouden
aan de afzonderlijke kaders maar de verbeteringen uit het GLB 2020 worden
overgenomen, 2) het "aanpassingsscenario", waarin wordt onderzocht of
de doelstellingen van de evaluatie kunnen worden gerealiseerd binnen de huidige
opzet – afzonderlijke kaders – maar wel maatregelen/veranderingen worden
doorgevoerd gericht op het dichten van de kloof tussen de huidige regelingen
wat betreft educatieve aspecten, op het vergroten van de synergieën tussen de
twee regelingen en op het doorvoeren van verdere vereenvoudigingen en
verbeteringen voor de programma's voor de periode na het GLB 2020, en 3) het
"nieuw kader"-scenario, waarin wordt uitgegaan van een
gemeenschappelijk wettelijk en financieel kader voor de verstrekking van een
beperkt aantal producten en van de verlegging van het zwaartepunt naar de
langetermijndoelstellingen door het versterken van de educatieve aanpak van de
regeling, een optie die bijgevolg een ingrijpende beleidsverandering behelst. Op basis van de evaluaties van de huidige
beleidskaders en de analyses van toekomstige uitdagingen en behoeften is bij de
effectbeoordeling een vergelijkend onderzoek gedaan naar de effecten van deze
drie alternatieve beleidsopties voor wat betreft hun potentieel voor het
bereiken van de doelstellingen, alsook wat betreft hun doeltreffendheid en
doelmatigheid en hun samenhang met de overkoepelende doelstellingen: –
De status quo-optie, met een versterkte
schoolfruitregeling, zou de bestaande kloof tussen de schoolfruit- en
schoolmelkregeling wat betreft de educatieve aspecten ervan, verder vergroten
en weinig opleveren wat betreft beheersefficiëntie. Deze optie levert ook maar
een beperkte bijdrage aan een uniform en zichtbaar EU-optreden. Hoewel de optie
begrotingsneutraal is, is sprake van een zekere mate van begrotingsonzekerheid
omdat voor de schoolmelkregeling geen financieringsplafond geldt. Onder deze
optie is ook nog steeds sprake van relatief hoge administratieve lasten als die
worden afgezet tegen de baten (slechte kosten-batenverhouding), van grote
efficiencyverschillen als gevolg van grote verschillen in productkosten bij de
schoolfruitregeling en ook nog steeds van een potentieel 'buitenkanseffect' bij
de schoolmelkregeling. Het is twijfelachtig of deze optie een geschikt antwoord
kan bieden op opkomende uitdagingen in verband met consumptiepatronen en de
vraag naar verse landbouwproducten. Aangenomen wordt dat met deze optie slechts
een beperkte bijdrage kan worden geleverd aan de horizontale doelstellingen
betere regelgeving en vereenvoudiging, terwijl ze beter scoort voor de
volksgezondheidsdoelstelling om via nationale strategieën en het gericht
benaderen van specifieke doelgroepen ongelijkheden op gezondheidsgebied weg te
nemen. –
Wat de aanpassingsoptie betreft, worden de
belangrijkste effecten verwacht van het versterken van het educatieve aspect
van de schoolmelkregeling en van het vergroten van de synergieën bij de
uitvoering van de regelingen, terwijl de huidige opzet van afzonderlijke kaders
gehandhaafd blijft. Hiermee zou meer worden bijgedragen aan de
langetermijndoelstellingen van het duurzaam vergroten van de vraag naar de
betreffende landbouwproducten en het bevorderen van gezondere eetgewoonten. De
optie scoort positief wat het vergroten van synergieën betreft, hoewel dit
effect wordt beperkt door het feit dat op de regelingen verschillende
financieringsregelingen van toepassing zijn. Lagere administratieve lasten
leveren meer baten op en door synergieën en gemeenschappelijke procedures
worden de schoolregelingen minder complex. –
Bij de optie "nieuw kader" wordt de opzet
van de huidige schoolregelingen veranderd en het zwaartepunt verlegd naar
maatregelen die meer bijdragen aan de langetermijndoelstellingen. Ook worden de
kloven gedicht die momenteel tussen de twee regelingen bestaan. Deze optie
geeft de lidstaten ook meer flexibiliteit in het beheer van de schoolregeling
en om zich bij de keuze van hun acties te concentreren op de meest urgente
behoeften. Er is voldoende budgettaire flexibiliteit om te laveren tussen
verschillende financiële rechten en te reageren op veranderende situaties.
Daarnaast zal de nieuwe regeling zo zijn opgezet dat met de schoolacties binnen
een vast budget een maximaal effect wordt bereikt. De optie neemt de
onzekerheden in verband met de EU-begroting weg omdat voor de acties een vast
budget wordt vastgesteld, op basis van het huidige opnemingsvermogen (GLB 2020).
Dankzij verbeterde financieringsregelingen en voorwaarden voor deelname kan het
bestaande opnemingsvermogen beter worden benut. Op basis van het voorgaande wordt in de
effectbeoordeling geconcludeerd dat de optie "nieuw kader" er op de
meest evenwichtige manier in slaagt om het zwaartepunt van de schoolregelingen
geleidelijk te verschuiven naar de langetermijndoelstellingen, waardoor beter
kan worden gereageerd op de overkoepelende problemen van een daling van de
consumptie van groenten en fruit en zuivelproducten en een stijging van de
prevalentie van obesitas, en om schoolkinderen meer in contact te brengen met
landbouw en een verscheidenheid aan voortbrengselen daarvan, hetgeen van
essentieel belang is. Vereenvoudiging is een belangrijk
aandachtspunt geweest in het hele proces en moet op verscheidene manieren haar
beslag krijgen. Dit zal vooral gebeuren op basis van besluiten van de Commissie
waarin bepaalde vereisten worden samengevoegd of geschrapt. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET
VOORSTEL Voorgesteld wordt om een gemeenschappelijk
wettelijk en financieel kader vast te stellen voor de verstrekking van groenten
en fruit en melk aan kinderen op scholen, aangevuld met versterkte educatieve
maatregelen om schoolkinderen meer in contact te brengen met landbouw en een
verscheidenheid aan voortbrengselen daarvan en ook bewuster te maken van meer
algemene vraagstukken, zoals volksgezondheids- en milieukwesties. Het nieuwe
kader zou begrotingsneutraal zijn en functioneren binnen de begroting die in
het GLB 2020 voor de schoolregelingen is voorzien. De nieuwe regeling wordt
grotendeels opgebouwd uit de elementen van de huidige twee regelingen die goed
functioneren en efficiënt zijn. Het voorstel is gebaseerd op artikel 42 en
artikel 43, lid 2, van het Verdrag. Het is in overeenstemming met het
subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel, waarbij het actiekader en de
basisbeginselen op EU-niveau worden vastgesteld, maar de lidstaten voldoende
speelruimte hebben om de regeling aan te passen aan hun eigen prioriteiten en
nationale/regionale kenmerken en om hun doelen en uitvoeringsmodaliteiten vast
te stellen. De voornaamste elementen van de nieuwe
regeling zijn: –
Beperking van te verstrekken producten: De
producten die in het kader van de nieuwe regeling op scholen worden verstrekt,
worden beperkt tot twee "kernproducten": verse groenten en fruit,
waaronder begrepen bananen, en consumptiemelk, waarbij de nationale gezondheidsinstanties
het vetgehalte van de melk bepalen. Deze gerichte verstrekking is om meerdere
redenen positief, vooral omdat daarnaast een vast budget voor de verstrekking
wordt vastgesteld: de organisatorische belasting voor scholen wordt verminderd
en het helpt om de dalende tendens in de consumptie van de twee productgroepen
om te keren. Daarnaast is het ook in overeenstemming met de algemene praktijk,
aangezien verse groenten en fruit en consumptiemelk onder de huidige regelingen
het meest worden verstrekt. Het staat de lidstaten echter vrij om in het kader
van de thematische educatieve maatregelen een grotere verscheidenheid aan
landbouwproducten te verstrekken. –
Uniformering van de financiële bepalingen en
verbetering van de financieringsvoorwaarden met het oog op een doelmatigere
besteding van beschikbare middelen: –
Vanwege de verschillen tussen de producten en de
toeleveringsketens en ook vanwege de verschillende consumptiepatronen in de
lidstaten, krijgen de lidstaten afzonderlijke budgetten voor groenten en fruit,
waaronder begrepen bananen, en melk toegewezen: een budget voor groenten en
fruit dat in overeenstemming is met de GLB-begroting voor de periode tot en met
2020 (150 miljoen euro) en een budget voor melk dat in overeenstemming is met
de verwachte besteding (80 miljoen euro). Er bestaat een zekere mate van
flexibiliteit, omdat de lidstaten een beperkt deel van de toewijzingen van de
ene naar de andere productgroep kunnen overhevelen al naargelang hun behoeften
(prioriteren van maatregelen via strategieën). Binnen deze budgetten worden
maxima vastgesteld voor ondersteunende en andere subsidiabele maatregelen,
zoals evaluatie, monitoring en communicatie. –
Op basis van de tot dusver opgedane ervaringen
wordt de bijdrage van de EU in de kosten van producten beperkt door zowel voor
groenten en fruit als voor melk een maximumsubsidiebedrag per portie vast te
stellen, en niet door het vaststellen van medefinancieringspercentages, zoals
in het geval van de schoolfruitregeling is gebeurd. Voor groenten en fruit is
dit een nieuw element, dat bijdraagt aan het verminderen van de enorme
verschillen in prijs voor de verstrekte producten en een beheersmatige
vereenvoudiging betekent. Het EU-subsidiepercentage voor melk wordt verhoogd om
het buitenkanseffect te verminderen (doordat melk gratis of bijna gratis kan
worden verstrekt) en de kosten-batenverhouding van de verstrekking te
verbeteren. Deze elementen van het voorstel zijn in overeenstemming met de door
de Commissie in het kader van de vaststelling van Verordening (EU) nr. 1370/2013
van de Raad[2]
gedane toezegging[3]
om de financieringsregelingen van de huidige schoolregelingen te evalueren,
namelijk de steun voor de verstrekking van melk en de medefinanciering van de
schoolfruitregeling. De lidstaten mogen doorgaan met het verstrekken van
aanvullende nationale betalingen of het aantrekken van private financiering
voor het vergroten van de reikwijdte en/of intensiteit van door hen in het
kader van de schoolregelingen uitgevoerde acties. –
Versterking van het educatieve aspect:
Ondersteunende educatieve maatregelen worden ook een vereiste voor de
melkverstrekking, waarmee de kloof tussen de huidige regelingen wordt gedicht.
Deze maatregelen krijgen een sterk educatief aspect, met de nadruk op landbouw,
voeding/gezondheid (evenwichtig dieet) en milieu. De maatregelen in kwestie
zijn essentieel om kinderen bewuster te maken van wat ze eten en (weer) in
contact te brengen met landbouwproductie en landbouwers. De educatieve
maatregelen moeten worden gericht op de schoolbevolking. Zo mogelijk moeten
daarbij ook de ouders en de buurt worden betrokken en moet worden ingegaan op
het bredere vraagstuk van de beschikbaarheid van gezonde voeding en drank op
school. De maatregelen zijn nuttig omdat is gebleken dat veel kinderen
opgroeien zonder te weten waar het voedsel dat ze eten vandaan komt – waar en
hoe het wordt geproduceerd en wat seizoenproducten zijn. De lidstaten zouden
thematische educatieve maatregelen kunnen uitvoeren die bij gelegenheid ook
andere landbouwproducten dan de twee kernproducten omvatten, zoals yoghurt,
verwerkte groenten en fruit, honing, olijfolie en dergelijke. De lijst van alle
producten die in het kader van de regeling worden verstrekt en de informatie
over de voedingswaarde van die producten moeten door de nationale gezondheidsinstanties
worden goedgekeurd. Ondersteunende educatieve maatregelen moeten rechtstreeks
verband houden met de landbouwdoelstellingen van de regeling en in
overeenstemming zijn met de doelstelling van het bevorderen van gezonde
voeding. 4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING Het onderhavige voorstel is vergeleken met de
status quo begrotingsneutraal. Voor groenten en fruit wordt het
begrotingsplafond dat momenteel in Verordening (EU) nr. 1308/2013 is
vastgesteld (150 miljoen euro per schooljaar) gehandhaafd. Voor melk voorziet
dit voorstel in een budget van 80 miljoen euro per schooljaar, hetgeen in
overeenstemming is met de verwachte uitvoering van de begroting en met het
totale bedrag aan marktgerelateerde uitgaven en rechtstreekse steun dat in het
meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 in aanmerking is genomen. Wat de verdeling van de uitgaven betreft,
wordt de meeste steun aan verstrekking en ondersteunende educatieve maatregelen
gegeven. Overige kosten, zoals de kosten voor evaluatie, monitoring en
communicatie, komen in beperkte mate ook voor steun in aanmerking. Het
maximumbedrag voor de financiering van de kosten van ondersteunende educatieve
maatregelen en van andere daaraan gerelateerde kosten wordt door de Commissie
vastgesteld op basis van de ervaringen met de huidige programma's. Voor bijzonderheden over de budgettaire en
financiële gevolgen wordt verwezen naar het financieel memorandum dat bij dit
voorstel is gevoegd. 2014/0014 (COD) Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD tot wijziging van Verordening (EU) nr.
1308/2013 en Verordening (EU) nr. 1306/2013 wat betreft de steunregeling voor
de verstrekking van groenten, fruit, bananen en melk aan kinderen in
onderwijsinstellingen HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name artikel 42 en artikel 43, lid 2, Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Na toezending van het ontwerp van
wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Gezien het advies van het Europees Economisch
en Sociaal Comité[4], Gezien het advies van het Comité van de
Regio's[5], Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure, Overwegende hetgeen volgt: (1) In deel II, titel I,
hoofdstuk II, afdeling 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees
Parlement en de Raad[6]
is voorzien in een regeling voor schoolgroenten en ‑fruit, waaronder
begrepen bananen, en een regeling voor schoolmelk. (2) De ervaringen met de
toepassing van de huidige regelingen en de conclusies van de externe evaluaties
en daaropvolgende analyse van verschillende beleidsopties duiden erop dat de
reden voor de invoering van de twee schoolregelingen nog steeds relevant is. In
de huidige context van dalende consumptie van groenten en fruit, waaronder
begrepen bananen, en zuivelproducten, waarin bovendien sprake is van een
stijgende trend in de consumptie van intensief verwerkte voedingsmiddelen,
waaraan vaak grote hoeveelheden suikers, zout en vet zijn toegevoegd, dient de steun
van de Unie voor de verstrekking van geselecteerde landbouwproducten aan
kinderen in onderwijsinstellingen, te worden voortgezet. (3) Uit de analyse van de verschillende
beleidsopties komt naar voren dat een uniforme aanpak binnen een
gemeenschappelijk wettelijk en financieel kader een geschiktere en meer
doeltreffende manier is voor het bereiken van de specifieke doelstellingen van
het gemeenschappelijk landbouwbeleid die via schoolregelingen worden
nagestreefd. Dit biedt de lidstaten de mogelijkheid om binnen een vast budget
een maximaal effect te bereiken met de verstrekking en de regelingen
efficiënter te beheren. Vanwege de verschillen tussen groente- en fruit-,
waaronder begrepen bananen, en zuivelproducten en de toeleveringsketens daarvan,
dienen bepaalde elementen, zoals de budgetten, voor elke productgroep
afzonderlijk te blijven worden vastgesteld. In het licht van de ervaringen met
de huidige regelingen dient de deelname van lidstaten aan de regeling op basis
van vrijwilligheid te blijven gebeuren. Gezien de verschillende
consumptiepatronen in de lidstaten moeten de deelnemende lidstaten ervoor
kunnen kiezen om alle of slechts één van de subsidiabele producten aan kinderen
in onderwijsinstellingen te verstrekken. (4) Er is een dalende trend in de
consumptie van verse groenten en fruit, waaronder begrepen bananen, en melk
vastgesteld. Vandaar dat het gepast is om de verstrekking van landbouwproducten
in het kader van deze regeling op verse groenten en fruit en melk te
concentreren. Dit helpt tevens om de organisatorische belasting voor scholen te
verminderen, met een beperkt budget toch het effect van de verstrekking te
vergroten en is in overeenstemming met de huidige praktijk, aangezien deze
producten het vaakst worden verstrekt. (5) Teneinde van de regeling een
doeltreffend instrument te maken voor het bereiken van de korte- en
langetermijndoelstelling om de consumptie van geselecteerde landbouwproducten
te vergroten en gezondere eetgewoonten aan te leren, moet de verstrekking
worden ondersteund met educatieve maatregelen. Gezien het belang van deze
doelstellingen dienen deze maatregelen zowel de verstrekking van groenten en
fruit, waaronder begrepen bananen, als de verstrekking van melk te
ondersteunen. Ze dienen in aanmerking te komen voor steun van de Unie.
Aangezien ondersteunende maatregelen een essentieel instrument vormen om
kinderen weer in contact te brengen met landbouw en de voortbrengselen daarvan
en om de doelstellingen van de regeling te bereiken, dienen de lidstaten de
vrijheid te hebben om een grotere verscheidenheid aan landbouwproducten in hun
thematische maatregelen op te nemen. Teneinde er zeker van te zijn dat gezonde
eetgewoonten worden bevorderd, moeten zowel de lijst van deze producten als de
twee productgroepen die in aanmerking komen voor gesubsidieerde verstrekking worden
goedgekeurd door de nationale gezondheidsinstanties, die tevens de
voedingswaarde van deze producten dienen te bepalen. (6) Met het oog op een gezond
begrotingsbeheer dient de steun van de Unie voor de verstrekking van groenten
en fruit, waaronder begrepen bananen, en melk, voor ondersteunende educatieve
maatregelen en voor daaraan gerelateerde kosten aan een maximum te worden
gebonden. Dit maximum dient een afspiegeling te zijn van de huidige situatie.
In het licht van de opgedane ervaringen en met het oog op een vereenvoudiging
van het beheer dienen de financieringsmodellen nader tot elkaar te worden
gebracht en wat de hoogte van de financiële bijdrage van de Unie betreft op één
enkele aanpak te worden gebaseerd. Vandaar dat het gepast is om zowel voor
groenten en fruit, waaronder begrepen bananen, als voor melk een
maximumsubsidiebedrag per portie vast te stellen en het beginsel van verplichte
medefinanciering voor eerstgenoemde productgroep af te schaffen. Gezien de
prijsvolatiliteit van de producten in kwestie moet aan de Commissie de
bevoegdheid worden verleend om bepaalde handelingen vast te stellen met
betrekking tot maatregelen voor het bepalen van de hoogte van de steun van de
Unie voor een portie producten en het definiëren van het begrip 'portie'. (7) Teneinde een doelmatige en
doelgerichte besteding van de financiële middelen van de EU te waarborgen, moet
aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om bepaalde handelingen vast te
stellen met betrekking tot maatregelen voor het bepalen van de indicatieve
toewijzingen van de steun van de Unie aan de afzonderlijke lidstaten en de
methoden voor de herverdeling van de steun tussen de lidstaten op basis van
ontvangen aanvragen. De indicatieve toewijzingen dienen voor groenten en fruit,
waaronder begrepen bananen, en melk afzonderlijk te worden bepaald,
overeenkomstig het beginsel dat de verstrekking op basis van vrijwilligheid
plaatsvindt. De verdeelsleutel voor de toewijzingen voor groenten en fruit,
waaronder begrepen bananen, dient een afspiegeling te zijn van de huidige
toewijzingen aan de lidstaten en dient gebaseerd te zijn op het objectieve
criterium van het aantal kinderen van zes tot tien jaar als percentage van de
bevolking en de ontwikkelingsstatus van de betreffende regio's. Om lidstaten in
staat te stellen de omvang van hun huidige programma's te handhaven en ook
andere lidstaten aan te sporen tot het verstrekken van schoolmelk, is het
dienstig om voor de toewijzing van financiële middelen voor melkverstrekking
een combinatie van twee verdeelsleutels te gebruiken, namelijk de wijze waarop
uit hoofde van de schoolmelkregeling toegewezen middelen in het verleden zijn
besteed en het objectieve criterium dat voor groenten en fruit, waaronder
begrepen bananen, wordt gebruikt, namelijk het aantal kinderen van zes tot tien
jaar als percentage van de bevolking. Voor het vinden van de juiste verhouding
tussen deze twee sleutels moet de Commissie de bevoegdheid worden verleend om
bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot aanvullende
voorschriften betreffende het evenwicht tussen de twee criteria. Aangezien de
demografische en ontwikkelingssituatie van regio's voortdurend verandert, moet
de Commissie verder de bevoegdheid worden verleend om bepaalde handelingen vast
te stellen met betrekking tot een driejaarlijkse beoordeling van de vraag of de
op basis van deze criteria gedane toewijzingen nog up-to-date zijn. (8) Teneinde lidstaten met een
beperkte bevolking in staat te stellen om de regeling kosteneffectief uit te
voeren, moet de Commissie de bevoegdheid worden verleend om bepaalde
handelingen vast te stellen ter bepaling van het minimumbedrag aan steun van de
Unie waarop lidstaten aanspraak kunnen maken voor groenten en fruit, waaronder
begrepen bananen, en melk. (9) In het belang van goed
bestuur en gezond begrotingsbeheer moeten de lidstaten die aan de regeling voor
de verstrekking van groenten en fruit, waaronder begrepen bananen, en/of melk
willen deelnemen, elk jaar een aanvraag voor steun van de Unie indienen. Met
het oog op een vereenvoudiging van de procedures en het beheer moeten
afzonderlijke steunaanvragen worden ingediend. Nadat de aanvragen van de
lidstaten zijn ontvangen, moet de Commissie beslissen over de definitieve
toewijzingen voor groenten en fruit, waaronder begrepen bananen, en melk,
binnen de grenzen van de in de begroting beschikbare kredieten en rekening
houdend met de mogelijkheid van beperkte overdrachten van de ene naar de andere
productgroep, hetgeen prioritering op basis van voedingsbehoeften stimuleert.
De Commissie moet de bevoegdheid worden verleend tot het vaststellen van
bepaalde handelingen met betrekking tot de voorwaarden en beperkingen die op
deze overdrachten van toepassing zijn. (10) Het opstellen van een
nationale strategie moet worden beschouwd als een voorwaarde voor de deelname
van een lidstaat aan de regeling. Het betreft een strategisch meerjarendocument
waarin doelstellingen en prioriteiten worden vastgelegd. De lidstaten moeten in
staat worden gesteld om hun strategie regelmatig bij te werken, vooral op basis
van evaluaties en herbeoordelingen van prioriteiten en doelstellingen. (11) Om de zichtbaarheid van de
regeling te verzekeren, moeten de lidstaten in hun strategie uitleggen hoe ze
ervoor zorgen dat hun regeling meerwaarde oplevert, vooral wanneer uit hoofde
van de regeling van de Unie gesubsidieerde producten samen met
niet-gesubsidieerde maaltijden aan kinderen in onderwijsinstellingen worden
verstrekt. Om het bereiken van de educatieve doelstelling van de regeling van
de Unie te verzekeren, moet de Commissie de bevoegdheid worden verleend om
bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorschriften voor
de verstrekking van uit hoofde van de regeling van de Unie gesubsidieerde
producten in relatie tot de verstrekking van niet-gesubsidieerde maaltijden in
onderwijsinstellingen en voor de bereiding ervan. (12) Teneinde te verzekeren dat de
verstrekte subsidie volledig in mindering wordt gebracht op de prijs van de
producten die uit hoofde van de regeling aan kinderen worden verstrekt en dat
gesubsidieerde producten niet aan het beoogde gebruik worden onttrokken, moet
de Commissie de bevoegdheid worden verleend om bepaalde handelingen vast te
stellen met betrekking tot prijscontrole. (13) Aangezien het
medefinancieringsbeginsel is afgeschaft voor groente- en fruitverstrekking,
moeten de desbetreffende bepalingen van Verordening (EU) nr. 1306/2013[7] worden geschrapt. (14) Verordening (EU) nr. 1308/2013
en Verordening (EU) nr. 1306/2013 moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd.
Teneinde rekening te houden met de indeling van het schooljaar moeten de nieuwe
voorschriften met ingang van 1 augustus 20XX van toepassing worden, HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD: Artikel 1 Wijziging
van Verordening (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke
marktordening voor landbouwproducten Verordening (EU) nr. 1308/2013 wordt als volgt
gewijzigd: (1) de titel van deel II, titel I,
hoofdstuk II, afdeling 1, wordt vervangen door: "STEUN VOOR DE VERSTREKKING VAN
LANDBOUWPRODUCTEN IN ONDERWIJSINSTELLINGEN"; (2) de kop "Onderafdeling 1"
en de titel "Regelingen inzake schoolfruit en -groenten" worden
geschrapt; (3) artikel 23 wordt vervangen door: "Artikel 23 Steun
voor de verstrekking van groenten en fruit, bananen en melk, ondersteunende
educatieve maatregelen en daarmee gepaard gaande kosten 1. Er wordt steun van de Unie verleend ten
behoeve van kinderen in de in artikel 22 bedoelde onderwijsinstellingen voor a) de verstrekking van groenten en fruit,
bananen en melk; b) ondersteunende educatieve maatregelen; c) bepaalde daarmee gepaard gaande kosten
op het gebied van logistiek en distributie, materieel, publiciteit, monitoring
en evaluatie. 2. Lidstaten die aan de in lid 1
vastgestelde steunregeling ("de schoolregeling") willen deelnemen,
kunnen groenten en fruit, waaronder begrepen bananen, melk die onder GN-code 0401
valt of beide verstrekken. 3. Als voorwaarde voor deelname aan de
schoolregeling stellen de lidstaten, voorafgaand aan hun deelname en vervolgens
om de zes jaar, op nationaal of regionaal niveau een strategie voor de
uitvoering ervan vast. Deze strategie kan worden gewijzigd, met name in het
licht van de resultaten van monitoring en evaluatie. In de strategie wordt op
zijn minst aangegeven in welke behoeften moet worden voorzien en hoe die
behoeften zijn geprioriteerd, wat de doelgroep is, welke resultaten worden
verwacht en wat de gekwantificeerde streefdoelen ten opzichte van de
uitgangssituatie zijn. Ook wordt aangegeven wat de meest geschikte instrumenten
en acties zijn om die doelen te bereiken. 4. De lidstaten voorzien tevens in de
ondersteunende educatieve maatregelen die nodig zijn om de schoolregeling
doeltreffend te doen functioneren. Daarbij kan het gaan om maatregelen en
activiteiten die erop zijn gericht kinderen in contact te brengen met landbouw
en een grote verscheidenheid aan landbouwproducten en educatie over daarmee
verband houdende kwesties, zoals gezonde eetgewoonten, bestrijding van
voedselverspilling, lokale voedselketens en biologische landbouw. 5. Bij het opstellen van hun strategie
stellen de lidstaten een lijst samen van landbouwproducten die bij gelegenheid
naast groenten en fruit, bananen en melk in de ondersteunende educatieve
maatregelen kunnen worden opgenomen. 6. De selectie van producten die worden
verstrekt of worden opgenomen in ondersteunende educatieve maatregelen
geschiedt op basis van objectieve criteria, zoals gezondheids- en
milieuoverwegingen, seizoensgebondenheid, verscheidenheid of beschikbaarheid
van lokale producten, waarbij voor zover mogelijk prioriteit wordt gegeven aan
producten van oorsprong uit de Unie en in het bijzonder aan lokale aankopen, biologische
producten, korte toeleveringsketens en milieubaten. 7. Teneinde gezonde eetgewoonten te
bevorderen zorgen de lidstaten ervoor dat de lijst van alle producten die in
het kader van de schoolregeling worden verstrekt, ter goedkeuring aan hun
bevoegde gezondheidsinstanties wordt voorgelegd en dat deze instanties zich
buigen over de voedingsaspecten van deze producten." (4) Artikel 23 bis wordt ingevoegd: "Artikel 23
bis Financiële
bepalingen 1. De steun die uit hoofde van de
schoolregeling wordt toegewezen voor de verstrekking van producten, de
ondersteunende educatieve maatregelen en de daarmee gepaard gaande kosten,
zoals bedoeld in artikel 23, lid 1, mag, onverminderd het bepaalde in lid 4,
niet meer bedragen dan: a) voor groenten en fruit, waaronder
begrepen bananen: 150 miljoen euro per schooljaar; b) voor melk: 80 miljoen euro per
schooljaar. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 227
gedelegeerde handelingen vast te stellen voor het bepalen van de hoogte van de
steun van de Unie per portie groenten en fruit, waaronder begrepen bananen, en
melk die wordt verstrekt en voor het definiëren van het begrip 'portie'. De
Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen
vast te stellen voor het vaststellen van een minimum- en een maximumbedrag voor
de financiering van ondersteunende educatieve maatregelen uit de jaarlijkse
definitieve toewijzingen aan de lidstaten. 2. Bij de toewijzing van de in lid 1
bedoelde steun wordt voor elke lidstaat rekening gehouden met het volgende: a) voor groenten en fruit, waaronder
begrepen bananen: objectieve criteria die zijn gebaseerd op: i) het aantal kinderen van zes tot tien als
percentage van de bevolking; ii) de mate van ontwikkeling van de gebieden
in een lidstaat, zodat minder ontwikkelde gebieden, in de zin van artikel 3,
lid 5, van deze verordening, de in artikel 349 van het Verdrag vermelde
ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee, in de zin
van artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 229/2013, meer steun ontvangen; b) voor melk: de besteding van uit hoofde
van voorgaande regelingen voor de verstrekking van melk en zuivelproducten
toegewezen financiële middelen en objectieve criteria op basis van het
percentage kinderen van zes tot tien jaar. De Commissie beoordeelt ten minste om de drie jaar
of de indicatieve toewijzingen voor groenten en fruit, waaronder begrepen
bananen, en melk nog steeds in overeenstemming zijn met de in dit lid bedoelde
objectieve criteria. 3. De lidstaten doen elk jaar een aanvraag
voor deelname aan de schoolregeling door voor elk van de in artikel 23, lid 1,
onder a), genoemde producten dat ze willen verstrekken een aanvraag voor steun
van de Unie in te dienen. 4. De lidstaten kunnen maximaal 15 %
van hun indicatieve toewijzingen voor groenten en fruit, waaronder begrepen
bananen, en melk van de ene naar de andere productgroep overdragen, onder de
voorwaarden die de Commissie door middel van overeenkomstig artikel 227
vastgestelde gedelegeerde handelingen bepaalt, mits het totale maximum van 230
miljoen euro dat resulteert uit de optelsom van de
onder a) en b), van lid 1, genoemde bedragen, niet wordt overschreden. 5. De schoolregeling laat aparte nationale
schoolregelingen die verenigbaar zijn met recht van de Unie, onverlet. 6. De lidstaten kunnen de steun van de Unie
aanvullen met nationale steun overeenkomstig artikel 217. 7. De Unie kan krachtens artikel 6 van
Verordening (EU) nr. 1306/2013 tevens financiering verlenen voor
voorlichtings-, monitoring- en evaluatiemaatregelen met betrekking tot de
schoolregeling, onder meer met het oog op bewustmaking van het publiek, en voor
gerelateerde maatregelen op het gebied van netwerkvorming. 8. De deelnemende lidstaten maken op de
plaats van verstrekking bekend dat zij deelnemen aan de regeling en geven
daarbij de rol van de Unie als subsidieverstrekker aan. De lidstaten dragen
zorg voor de meerwaarde en zichtbaarheid van de schoolregeling van de Unie ten
opzichte van de verstrekking van andere maaltijden in onderwijsinstellingen." (5) De artikelen 24 en 25 worden
vervangen door: "Artikel 24 Gedelegeerde
bevoegdheden 1. Teneinde gezonde eetgewoonten bij kinderen te
bevorderen en ervoor te zorgen dat de steun die uit hoofde van de
schoolregeling wordt verstrekt, ten bate komt van kinderen in de in artikel 22
genoemde doelgroep, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227
gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende voorschriften inzake: a) de aanvullende criteria inzake de
doelgroepen van door de lidstaten verleende steun; b) de erkenning en selectie van
steunaanvragers door de lidstaten; c) de opstelling van de nationale of
regionale strategieën en inzake de ondersteunende educatieve maatregelen. 2. Teneinde een doelmatige en doelgerichte
besteding van de financiële middelen van de EU te waarborgen, is de Commissie
bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen
met betrekking tot: a) de indicatieve verdeling van de steun
voor groenten en fruit, waaronder begrepen bananen, en melk tussen de lidstaten
en, voor zover van toepassing, de herziening daarvan naar aanleiding van de in
artikel 23 bis, lid 2, tweede alinea, bedoelde beoordeling, het minimumbedrag
aan steun van de Unie voor elke lidstaat, de methode voor de herverdeling van
de toegewezen steun tussen de lidstaten op basis van de ontvangen aanvragen, en
de aanvullende voorschriften betreffende de toepassing van de in artikel 23
bis, lid 2, eerste alinea, bedoelde criteria bij de verdeling van de middelen; b) de voorwaarden voor de overdracht van
toewijzingen voor groenten en fruit, waaronder begrepen bananen, en melk van de
ene naar de andere productgroep; c) de kosten en/of maatregelen die in
aanmerking komen voor steun van de Unie en de mogelijkheid om voor specifieke
kosten een minimum- en maximumbedrag vast te stellen; d) de verplichting voor de lidstaten om de
doeltreffendheid van hun schoolregeling te monitoren en te evalueren. 3. Teneinde de schoolregeling onder de
aandacht van het publiek te brengen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig
artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarbij de lidstaten die
een schoolregeling hebben ingevoerd, ertoe worden verplicht bekendheid te geven
aan de subsidiëring met steun van de Unie. 4. Teneinde de meerwaarde en zichtbaarheid
van de regeling van de Unie te verzekeren, is de Commissie bevoegd om
overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met
betrekking tot de voorschriften voor de verstrekking van de betrokken producten
in relatie tot de verstrekking van andere maaltijden in onderwijsinstellingen. 5. Teneinde ervoor te zorgen dat de steun
tot uitdrukking komt in de prijs waartegen de producten op grond van de
schoolregeling beschikbaar worden gesteld, kan de Commissie, door middel van
gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 227,
voorschriften inzake de invoering van prijscontrole in het kader van de
regeling vaststellen. Artikel 25 Uitvoeringsbevoegdheden
overeenkomstig de onderzoeksprocedure De Commissie kan door middel van
uitvoeringshandelingen de voor de toepassing van deze afdeling vereiste
maatregelen vaststellen, waaronder: a) de definitieve verdeling van de steun
voor groenten en fruit, waaronder begrepen bananen, en melk tussen de
deelnemende lidstaten, met inachtneming van de in artikel 23 bis, lid 1,
vermelde maxima en rekening houdend met de in artikel 23 bis, lid 4, bedoelde
overdrachten; b) de informatie die in de strategieën van
de lidstaten moet worden opgenomen; c) de steunaanvragen en -betalingen; d) de methoden voor de bekendmaking van de
schoolregeling en de maatregelen op het gebied van netwerkvorming in het kader
van de regeling; e) de indiening, vorm en inhoud van de
monitoring- en evaluatieverslagen van de deelnemende lidstaten; f) het beheer van de prijscontrole." (6) Onderafdeling 2 wordt geschrapt. (7) Artikel 217 wordt vervangen door: "Artikel 217 Nationale
betalingen voor de verstrekking van producten aan kinderen De lidstaten kunnen de in de artikel 23 bedoelde steun
van de Unie aanvullen met nationale betalingen ter financiering van de
verstrekking van de betrokken producten aan kinderen in onderwijsinstellingen
of van de daarmee gepaard gaande, in artikel 23, lid 1, onder c), bedoelde
kosten. De lidstaten kunnen deze betalingen financieren
met de opbrengsten van een door de betrokken sector te betalen heffing of met
een andere door de particuliere sector te leveren bijdrage. De lidstaten kunnen de in artikel 23 bedoelde steun
van de Unie aanvullen met nationale betalingen ter financiering van
de ondersteunende educatieve maatregelen, zoals bedoeld in artikel 23, lid
4." (8) Bijlage V wordt geschrapt. Artikel 2 Wijziging
van Verordening (EU) nr. 1306/2013 In artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr.1306/2013
wordt punt d) vervangen door: "d) de financiële bijdrage van de Unie
aan de maatregelen in verband met dierziekten en verlies van vertrouwen bij de
consument, als bedoeld in artikel 220 van Verordening (EU) nr. 1308/2013." Artikel 3 Inwerkingtreding
en toepassing Deze verordening treedt in werking op de dag
na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is van toepassing met ingang van 1
augustus 20XX. Deze verordening is verbindend in al
haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor
de Raad De Voorzitter De
Voorzitter FINANCIEEL MEMORANDUM 1. KADER VAN HET
VOORSTEL/INITIATIEF 1.1. Benaming van het voorstel/initiatief 1.2. Betrokken beleidsterrein(en) in de ABM/ABB-structuur 1.3. Aard van het voorstel/initiatief 1.4. Doelstelling(en) 1.5. Motivering van het voorstel/initiatief 1.6. Duur en financiële gevolgen 1.7. Beheersvorm(en) 2. BEHEERSMAATREGELEN 2.1. Regels inzake monitoring en verslaglegging 2.2. Beheers- en controlesysteem 2.3. Maatregelen ter voorkoming van fraude en
onregelmatigheden 3. GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN
VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 3.1. Betrokken rubriek(en) van het meerjarig financieel
kader en begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven 3.2. Geraamde gevolgen voor de uitgaven 3.2.1. Samenvatting van de
geraamde gevolgen voor de uitgaven 3.2.2. Geraamde gevolgen
voor de beleidskredieten 3.2.3. Geraamde gevolgen
voor de administratieve kredieten 3.2.4. Verenigbaarheid met
het huidig meerjarig financieel kader 3.2.5. Bijdrage van derden
aan de financiering 3.3. Geraamde gevolgen voor de ontvangsten 1. KADER VAN HET
VOORSTEL/INITIATIEF 1.1. Benaming van het
voorstel/initiatief Verordening
van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1308/2013
en Verordening (EU) nr. 1306/2013 wat betreft de steunregeling voor de
verstrekking van groenten, fruit, bananen en melk aan kinderen in
onderwijsinstellingen Verordening
van de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1370/2013 houdende
maatregelen tot vaststelling van steun en restituties in het kader van de
gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten 1.2. Betrokken beleidsterrein(en)
in de ABM/ABB-structuur[8]
1.3. Aard van het voorstel/initiatief
¨ Het voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie ¨ Het voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie na een
proefproject/een voorbereidende actie[9] ¨ Het voorstel/initiatief betreft de verlenging van een bestaande
actie X Het
voorstel/initiatief betreft een actie die wordt omgebogen naar een nieuwe
actie 1.4. Doelstelling(en) 1.4.1. De met het voorstel/initiatief
beoogde strategische meerjarendoelstelling(en) van de Commissie Het
voorstel heeft tot doel kinderen ertoe aan te zetten blijvend meer groenten en
fruit (G&F) en zuivelproducten te consumeren en zo bij te dragen tot de
doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), namelijk het
stabiliseren van de markten en het zekerstellen van de vraag op de lange
termijn. Voorts moet het voorstel de volksgezondheid in meer algemene zin ten
goede komen, door duurzame gezonde eetgewoonten te bevorderen en zo de gevallen
van overgewicht, obesitas en voedingsgerelateerde ziekten te verminderen. 1.4.2. Specifieke doelstelling(en) en
betrokken ABM/ABB-activiteiten Specifieke
doelstelling: De toegang van kwetsbare sociale groepen tot levensmiddelen
verbeteren Betrokken
ABM/ABB-activiteit(en) 05 02 "Interventies op landbouwmarkten" 1.4.3. Verwachte resulta(a)t(en) en
gevolg(en) Verwacht wordt dat het voorstel de kennis, houding en
voorkeur van jonge burgers ten aanzien van wat zij eten en waar hun eten
vandaag komt zal verbeteren en hen anders zal doen aankijken tegen de
landbouwsector en de producten die deze voortbrengt. Daarnaast moet het voorstel de verstrekking van producten
kostenefficiënter maken dankzij een beter gerichte verlening van de EU-steun. Het deel van de begroting dat aan begeleidende maatregelen
wordt gespendeerd, wordt bovendien opgetrokken. Daardoor zullen deze maatregelen
enerzijds een groter effect op de consumptie van de doelgroep sorteren en
anderzijds de kloof tussen de educatieve dimensie van de schoolfruitregeling
(SFR) en die van de schoolmelkregeling (SMR) overbruggen. Tot slot zal het voorstel een gemeenschappelijk kader per
lidstaat opleveren en de EU-interventie zichtbaarder maken. 1.4.4. Resultaat- en
effectindicatoren Het halen van de doelstellingen wordt getoetst aan drie
soorten indicatoren, elk op een afzonderlijk niveau: Effectindicatoren: - Verandering in de directe en indirecte consumptie
van verse G&F door kinderen, na 5 jaar interventie - Verandering in de directe en indirecte consumptie
van drinkmelk door kinderen, na 5 jaar interventie - Globale verbetering van het voedingspatroon Indicatoren voor de voornaamste resultaten: - % van de beschikbare begroting dat is uitgegeven
voor begeleidende maatregelen - % van de uitgevoerde ondersteunende maatregelen
met betrekking tot landbouw en landbouwproducten - doeltreffendheid van de uitgaven voor het bevorderen
van de consumptie van landbouwproducten in scholen Indicatoren voor de voornaamste outputs: - Aantal in de lidstaten (LS) uitgevoerde
begeleidende maatregelen - Aantal bij de begeleidende maatregelen betrokken
kinderen en aandeel van die kinderen in het totale aantal deelnemende kinderen - Aantal landbouwgerelateerde begeleidende
maatregelen in de LS - Kosten per portie - Aantal deelnemende LS, scholen en kinderen - Hoeveelheid van de op school verstrekte producten
(aantal porties G&F en melk) 1.5. Motivering van het
voorstel/initiatief 1.5.1. Behoefte(n) waarin op korte of
lange termijn moet worden voorzien Een
duurzame toename van de consumptie van groenten en fruit en melk bij kinderen
en het bevorderen van gezonde eetgewoonten bij kinderen. Zwakke
punten in ontwerp en werking kortwieken de capaciteit van de huidige
GLB-schoolregelingen om de consumptie van landbouwproducten (marktgerelateerde
doelstelling) en gezonde eetgewoonten (gezondheidsgerelateerde doelstelling)
bij schoolkinderen te bevorderen. De
problemen hebben meer bepaald te maken met de kloof tussen het ontwerp van de
regelingen en de doelstellingen ervan (verschillende educatieve instrumenten
voor de twee regelingen), het gebrek aan coördinatie en coherentie tussen de
twee regelingen en tekortkomingen die het onmiddellijke effect van de uitgaven
beperken (hoge administratieve en organisatorische belasting voor beide
regelingen, 30 % onderbesteding van de begrotingsmiddelen voor de SFR, mogelijk
buitenkanseffect en slechte kostenbatenverhouding voor de SMR). De
oorzaken zijn voornamelijk terug te voeren op tekortkomingen op het gebied van
regelgeving, verschillen in het financieel kader en de uitvoering in de
lidstaten en een aantal externe factoren. 1.5.2. Toegevoegde waarde van de deelname
van de EU Interventie
op EU-niveau zorgt voor de financiering die vereist is voor EU-wijde
initiatieven en voor extra financiële middelen die de lidstaten de mogelijkheid
geven om de werkingssfeer van hun maatregelen uit te breiden en de doeltreffendheid
ervan te vergroten. Indien de lidstaten uitsluitend op hun eigen financiële
middelen zouden zijn aangewezen, zouden de meeste niet in staat zijn ambitieuze
initiatieven te ontplooien. Het voorstel zet ook de geloofwaardigheid van de
regelingen in de lidstaten kracht bij en leidt tot een beter en zichtbaarder
imago van de EU. Een EU-kader zorgt bovendien voor een meerwaarde door de
continuïteit van kennis, transparantie, ervaringsoverdracht en
ervaringsuitwisseling te stimuleren. 1.5.3. Nuttige ervaring die bij
soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan Momenteel
financiert de EU in het kader van haar gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB)
twee specifiek op schoolkinderen in schoolinstellingen gerichte programma's
voor de verstrekking van bepaalde producten, meer bepaald de schoolmelkregeling
(SMR) en de schoolfruitregeling (SFR). Beide regelingen hebben tot doel het
aandeel van deze producten in de voeding van kinderen in een vroege fase van
hun leven, wanneer hun eetgewoonten worden aangekweekt, duurzaam te vergroten
en zo bij te dragen tot de doelstellingen van het GLB, meer bepaald het
stabiliseren van de markten en het zekerstellen van de vraag op lange termijn.
Bovendien stemmen de regelingen overeen met de gezondheidsdoelstellingen voor het
bredere publiek, namelijk bijdragen tot het aanleren van duurzame gezonde
eetgewoonten. Hoewel
deze regelingen een vaste plaats in scholen hebben verworven en de
mogelijkheden ervan worden erkend, wijzen zowel verschillende verslagen (met
name de door de Commissie geïnitieerde externe evaluaties van de SFR en de SMR
en speciaal verslag nr. 10/2011 van de Europese Rekenkamer) als de jarenlange
ervaring met de tenuitvoerlegging erop dat de regelingen aan verdere
verbetering toe zijn, wil men het beheer ervan doelmatiger en doeltreffender
aanpakken. Een aantal geconstateerde problemen wordt overigens ook in het
recente akkoord over de GB-hervorming aan de orde gesteld. 1.5.4. Samenhang en eventuele
synergie met andere relevante instrumenten Rekening
houdend met sectorgebonden specifieke kenmerken is het voorstel in
overeenstemming met de bevordering van de afzet van landbouwproducten. Ook
spoort het met de doelstellingen op het gebied van volksgezondheid
(gewichtscontrole, gezondheidsgerelateerde ongelijkheden) en vereenvoudiging,
en met de beginselen en doelen van de Europa 2020-strategie. 1.6. Duur en financiële gevolgen ¨ Voorstel/initiatief met een beperkte geldigheidsduur –
¨ Voorstel/initiatief is van kracht vanaf [DD/MM]JJJJ tot en met
[DD/MM]JJJJ –
¨ Financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ X Voorstel/initiatief
met een onbeperkte geldigheidsduur –
Uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en
met JJJJ, –
gevolgd door een volledige uitvoering. 1.7. Beheersvorm(en)[10] ¨ Direct beheer door de Commissie –
¨ via haar diensten, met inbegrip van haar personeel in de delegaties
van de Unie –
¨ via de uitvoerende agentschappen X Gedeeld beheer met
de lidstaten ¨ Indirect beheer door uitvoeringstaken te delegeren aan: –
¨ derde landen of de door hen aangewezen organen; –
¨ internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke) –
¨ de EIB en het Europees Investeringsfonds; –
¨ in de artikelen 208 en 209 van het Financieel Reglement genoemde
organen; –
¨ publiekrechtelijke organen; –
¨ privaatrechtelijke organen met een openbare dienstverleningstaak, voor
zover zij voldoende financiële garanties bieden; –
¨ privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van
een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voldoende financiële
garanties bieden; –
¨ personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het
gebied van het GBVB in het kader van titel V van het VEU is toevertrouwd en die
worden genoemd in de betrokken basishandeling. 2. BEHEERSMAATREGELEN 2.1. Regels inzake monitoring en
verslaglegging In
de nieuwe regeling zijn monitoring en verslaglegging verrekend in de voor
EU-steun in aanmerking komende kosten omdat deze activiteiten belangrijk zijn
om de steun degelijk te beheren en te beoordelen of deze doelmatig/doeltreffend
genoeg is om de vastgestelde doelstellingen te halen. Bovendien is gezorgd voor
een verband tussen de regeling en een meerjarige nationale/regionale strategie
(6 jaar). Basis
voor de monitoring zijn de jaarverslagen van de lidstaten met informatie over
benutte begroting; aantal deelnemende scholen/kinderen en het aandeel daarvan
in het totale aantal scholen/kinderen van de doelgroep; frequentie, duur,
tijdstip en systeem van de verstrekking; gemiddeld gewicht en gemiddelde prijs
per portie; gemiddelde consumptie per kind; en totale verstrekte hoeveelheden.
Voorts zullen de begeleidende maatregelen worden gemonitord op het gebied van
gebruikte methoden, kosten, frequentie, deelnemende scholen/kinderen,
betrokkenheid van belanghebbenden, verstrekte producten. Her
evaluatieproces zal bestaan uit evaluatieverslagen van de LS na 5
uitvoeringsjaren (voor het meten van de middellangetermijneffecten), gevolgd
door een externe EU-wijde evaluatie één jaar na de evaluaties van de LS (voor
het beoordelen van de uitvoering van de regeling op LS- en EU-niveau en voor
het toetsen van de globale doelmatigheid, doeltreffendheid, relevantie en
coherentie aan de evaluatienormen en -richtsnoeren van de Commissie). Ook kan
worden overwogen opdracht te geven voor een externe studie inzake de
indicatoren voor langetermijneffecten. Bij
het ontwerpen van de monitoring- en evaluatieprocessen voor de nieuwe regeling
is rekening gehouden met de externe evaluaties van de SFR en de SMR en met
speciaal verslag nr. 10/2011 van de Rekenkamer over deze regelingen. 2.2. Beheers- en controlesysteem 2.2.1. Mogelijk(e) risico('s) Een
mogelijk algemeen risico houdt verband met de doelmatigheid van de regeling, of
meer bepaald de vraag of de EU-steun de eindbegunstigden van de regeling
bereikt en doelmatig bijdraagt tot het halen van de doelstellingen van de
regeling. Tegen
de achtergrond van de huidige ervaring met de SFR moet bijzondere aandacht
worden besteed aan de selectie van de steunaanvragers en aan
aanbestedingsprocedures voor de gunning van contracten voor verstrekking,
publiciteit, monitoring en evaluatie. In de controlebepalingen moet ook de
uitvoering van die contracten een plaats krijgen. Het plaatsen van
overheidsopdrachten kan een thema zijn voor de schoolregeling. Voor
andere risico's, zoals het mogelijke buitenkanseffect en de buitensporige
kosten van verstrekte producten of de marge voor leveranciers, kunnen tevens
bepalingen worden vastgesteld (bijvoorbeeld op het niveau van de EU-steun per
portie). Met
betrekking tot de begeleidende maatregelen behoort overlapping met educatieve
maatregelen in scholen en met de bevordering van de afzet van landbouwproducten
tot de risico's. Om dat te voorkomen zal een wetenschappelijkedeskundigengroep
van de EU bij de vaststelling van deze maatregelen worden betrokken en zal het
verband tussen de maatregelen en de doelstellingen van de nieuwe regeling
duidelijk worden aangegeven. De controlebepalingen voor de begeleidende
maatregelen moeten betrekking hebben op de waarheidsgetrouwheid van de uitgaven
in het algemeen, waarbij ook de nodige zekerheid moet worden verschaft wanneer
deze maatregelen worden uitbesteed. 2.2.2. Informatie over de opzet van
het interne controlesysteem Het
controlesysteem bestaat uit op lidstaatniveau actieve betaalorganen en instanties
waaraan controles zijn gedelegeerd. Voorts
zullen gegevens over het administratieve beheer en de controles ter plaatse
moeten worden geëxcerpeerd uit de jaarverslagen van de LS over controles die
zijn gebaseerd op die voor de huidige SFR en SMR. Ook
zal in het kader van het interne beheers- en controlesysteem gebruik worden
gemaakt van de monitoring- en evaluatieverslagen van de LS en van de EU-wijde
evaluatie. Tot slot zal een wetenschappelijkedeskundigengroep van de EU de LS
en de Commissie van advies over uitvoering, monitoring en evaluatie dienen. 2.2.3. Raming van de kosten en baten
van controles en beoordeling van het verwachte foutenrisico De
schoolregeling valt onder het bestaande systeem voor beheer en controle van
ELGF-uitgaven. Er
wordt van uitgegaan dat het voorstel niet tot een verhoging van het
foutenpercentage voor het ELGF zal leiden. 2.3. Maatregelen ter voorkoming
van fraude en onregelmatigheden De
horizontale verordening inzake financiering, beheer en monitoring van het GLB is
van toepassing. De
controleregelingen voorzien doorgaans in alomvattende administratieve controles
van 100 % van de steunaanvragen, kruiscontroles met andere databanken voor
zover dit passend wordt geacht, en aan de betaling voorafgaande controles ter plaatse
van een minimumaantal transacties naargelang van het aan de betrokken regeling
verbonden risico. Als bij deze controles een groot aantal onregelmatigheden
wordt geconstateerd, moeten aanvullende controles worden verricht. In
het wetgevingspakket voor de GLB-hervorming is bovendien bepaald dat de
lidstaten onregelmatigheden en fraude moeten voorkomen, opsporen en corrigeren,
doeltreffende, proportionele en ontradende sancties moeten opleggen
overeenkomstig de EU- of de nationale wetgeving, en onregelmatige betalingen
met rente moeten terugvorderen. Het pakket bevat ook een automatisch
vereffeningsmechanisme voor onregelmatigheden, waarin is bepaald dat, wanneer
de terugvordering niet heeft plaatsgevonden binnen vier jaar na de datum van
het terugbetalingsverzoek of binnen acht jaar ingeval van een rechtsprocedure,
de niet-geïnde bedragen ten laste van de betrokken lidstaat vallen. Dit
mechanisme zal voor de lidstaten een sterke stimulans zijn om onregelmatige
betalingen zo snel mogelijk terug te vorderen. In
de beginfase van de nieuwe regeling (en hoewel voor de LS-strategieën geen
officiële goedkeuring van de EU vereist is) zullen bepalingen over de inhoud
van de strategie van de LS (en mogelijk een template) het mogelijk maken
frauderisico's vroegtijdig te identificeren en fraude vroegtijdig te voorkomen. Gedurende
de uitvoering zullen de LS de Commissie en/of de
wetenschappelijkedeskundigengroep van de EU om juridische interpretatie of
advies kunnen verzoeken teneinde fraude te voorkomen. Bovendien
zullen beschuldigingen over frauduleus misbruik van de regeling achteraf worden
gecontroleerd en krachtdadig worden opgevolgd. 3. GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN
VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 3.1. Betrokken rubriek(en) van het
meerjarig financieel kader en begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven · Bestaande begrotingsonderdelen In volgorde van de
rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen Rubriek van het meerjarig financieel kader || Begrotingsonderdeel || Soort uitgave || Bijdrage || GK/ NGK ([11]) || van EVA-landen[12] || van kandidaat-lidstaten[13] || van derde landen || in de zin van artikel 21, lid 2, onder b), van het Financieel Reglement 2 || 05 02 08 12 – Schoolfruitregeling || NGK || NEE || NEE || NEE || NEE 2 || 05 02 12 08 – Schoolmelk || NGK || NEE || NEE || NEE || NEE · Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen In volgorde van de
rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen Rubriek van het meerjarig financieel kader || Begrotingsonderdeel || Soort uitgave || Bijdrage || GK/ NGK || van EVA-landen || van kandidaat-lidstaten || van derde landen || in de zin van artikel 21, lid 2, onder b), van het Financieel Reglement || n.v.t. || || NEE || NEE || NEE || NEE 3.2. Geraamde gevolgen voor de
uitgaven 3.2.1. Samenvatting van de geraamde
gevolgen voor de uitgaven Rubriek van het meerjarig financieel kader || 2 || Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen: || DG: AGRI || || || || 2014[14] || || 2016[15] || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || TOTAAL || || Beleidskredieten || || || || || || || || || || || 05 02 08 12- Schoolfruitregeling || Vastleggingen || (1) || || 122 || || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || || Betalingen || (2) || || 122 || || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || || 05 02 12 08 – Schoolmelk[16] || Vastleggingen || (1a) || || 75 || || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || || Betalingen || (2 a) || || 75 || || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || || TOTAAL kredieten || Vastleggingen || =1+1 a || || 197 || || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || || Betalingen || =2+2a || || 197 || || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || || TOTAAL beleidskredieten || Vastleggingen || (4) || || 197 || || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || Betalingen || (5) || || 197 || || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || TOTAAL uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten || (6) || || 0 || || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 2 van het meerjarig financieel kader || Vastleggingen || =4+ 6 || || 197 || || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || Betalingen || =5+ 6 || || 197 || || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 Rubriek van het meerjarig financieel kader || 5 || "Administratieve uitgaven" || (miljoen euro) || || || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || TOTAAL DG: AGRI || || || Personele middelen || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 Andere administratieve uitgaven || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 TOTAAL DG AGRI || Kredieten || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 5 van het meerjarig financieel kader || (totaal vastleggingen = totaal betalingen) || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 (miljoen euro) || || || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || TOTAAL TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 5 van het meerjarig financieel kader || Vastleggingen || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 Betalingen || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 3.2.2. Geraamde gevolgen voor de
beleidskredieten –
X Voor het voorstel/initiatief zijn geen
beleidskredieten nodig –
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals
hieronder nader wordt beschreven: Vastleggingskredieten in miljoenen euro’s Vermeld doelstellingen en outputs || || || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || TOTAAL RESULTATEN (outputs) || Soort[17] || Gemiddelde kosten || Aantal || Kosten || Aantal || Kosten || Aantal || Kosten || Aantal || Kosten || Aantal || Kosten || Aantal || Kosten SPECIFIEKE DOELSTELLING || De toegang van kwetsbare sociale groepen tot levensmiddelen verbeteren || Output || Aantal begeleidende maatregelen || || || || || || || || || || || || || Output || Aantal kinderen in het kader van begeleidende maatregelen || || || || || || || || || || || || || Output || Aantal landbouwgerelateerde begeleidende maatregelen || || || || || || || || || || || || || TOTALE KOSTEN || || || || || || || || || || || || 3.2.3. Geraamde gevolgen voor de
administratieve kredieten 3.2.3.1. Samenvatting –
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig
–
X Voor het
voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader
wordt beschreven: (miljoen euro) || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || TOTAAL voor RUBRIEK 5 van het meerjarig financieel kader || || || || || || Personele middelen || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 Andere administratieve uitgaven || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 Subtotaal voor RUBRIEK 5 van het meerjarig financieel kader || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 TOTAAL || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 Voor de kredieten voor
personele middelen zal een beroep worden gedaan op de kredieten van het DG die
reeds voor het beheer van de actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn
herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de
jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen
aan het beherende DG kunnen worden toegewezen. 3.2.3.2. Geraamde personeelsbehoeften –
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig –
X Voor het
voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt
beschreven: Raming in voltijdequivalenten || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 XX 01 01 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie) || 4 || 4 || 4 || 4 || 4 XX 01 01 02 (delegaties) || || || || || XX 01 05 01 (onderzoek door derden) || || || || || 10 01 05 01 (eigen onderzoek) || || || || || XX 01 02 01 (CA, SNE, INT van de "totale financiële middelen") || || || || || XX 01 02 02 (CA, LA,SNE, INT en JED in de delegaties) || || || || || XX 01 04 yy || - zetel || || || || || - delegaties || || || || || XX 01 05 02 (CA,SNE, INT – onderzoek door derden) || || || || || 10 01 05 02 (CA,SNE, INT – eigen onderzoek) || || || || || Ander begrotingsonderdeel (te vermelden) || || || || || TOTAAL (*) || 4 || 4 || 4 || 4 || 4 XX is het
beleidsterrein of de begrotingstitel. De benodigde personele
middelen zullen worden gefinancierd uit de middelen die reeds voor het beheer van
deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel
aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure
met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen
worden toegewezen. Beschrijving van de
uit te voeren taken Ambtenaren en tijdelijke functionarissen || Wetgevingsbeheer, beleidsvorming, economische analyse en economisch advies, coördinatie en overleg tussen diensten, interne communicatie en voorlichting aan het publiek, vertegenwoordigen van en onderhandelen namens de instelling, verwerking van statistische gegevens Extern personeel || 3.2.4. Verenigbaarheid met het huidig
meerjarig financieel kader –
X Het
voorstel/initiatief is verenigbaar met het huidige meerjarig financieel kader –
¨ Het voorstel/initiatief vergt herprogrammering van de betrokken
rubriek van het meerjarig financieel kader –
¨ Het voorstel/initiatief vergt toepassing van het
flexibiliteitsinstrument of herziening van het meerjarig financieel kader 3.2.5. Bijdrage van derden aan de
financiering –
Het voorstel/initiatief voorziet niet in
medefinanciering door derden. –
X Het
voorstel/initiatief voorziet in medefinanciering, zoals hieronder wordt
geraamd: De
financiële bijdrage van de Unie voor deze regeling staat in artikel 1, punt 3,
van de ontwerpverordening. Daarnaast zal middels gedelegeerde handelingen een
besluit worden genomen over het niveau van de EU-steun (forfait) voor de kosten
per portie groenten/fruit en melk. Het
niveau van de EU-bijdrage in de kosten van de producten zal worden gekoppeld
aan een maximale EU-steun per portie groenten/fruit en melk. De lidstaten
krijgen de optie deze bedragen zelf aan te vullen of particuliere financiering
te zoeken om hun bijdragen aan de schoolregelingen een ruimere werkingssfeer
en/of intensiteit te geven. In dit stadium kan nog geen cijfer worden geplakt
op de totale bijdrage van derde partijen, vanwege hun diversiteit (publiek
en/of privaat) en het gebrek aan relevante informatie. 3.3. Geraamde gevolgen voor de
ontvangsten –
X Het
voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten –
¨ Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële
gevolgen: ¨ voor de eigen middelen ¨ voor de diverse ontvangsten [1] Verordening (EU) nr. 1308/2013 [COM(2011)626] van het
Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een
gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten en tot intrekking van
de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG)
nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671). [2] Speciale Commissie landbouw, 11 november 2013. [3] Verordening (EU) nr. 1370/2013 van
de Raad van 16 december 2013 houdende maatregelen inzake de vaststelling van
steun en restituties in het kader van de gemeenschappelijke marktordening voor
landbouwproducten (PB L 346 van 20.12.2013, blz. 12). [4] PB C […] van […], blz. […]. [5] PB C […] van […], blz. […]. [6] Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees
Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een
gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten en tot intrekking van
de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG)
nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671). [7] Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees
Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en
de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van de
Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000,
(EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013,
blz. 549). [8] ABM: activiteitsgestuurd management – ABB:
activiteitsgestuurde begroting. [9] In de zin van artikel 54, lid 2, onder a)
of b), van het Financieel Reglement. [10] Nadere gegevens over de beheersvormen en verwijzingen naar
het Financieel Reglement zijn beschikbaar op BudgWeb: http://www.cc.cec/budg/man/budgmanag/budgmanag_en.html [11] GK = gesplitste kredieten/NGK = niet-gesplitste kredieten. [12] EVA: Europese Vrijhandelsassociatie. [13] Kandidaat-lidstaten en, in voorkomend geval, potentiële
kandidaat-lidstaten van de Westelijke Balkan. [14] De bedragen uit de begroting 2014 worden louter ter
informatie opgegeven. [15] Voor vergelijkingsdoeleinden wordt ervan uitgegaan dat in 2016
met de uitvoering zal worden gestart. De toename van de begrotingsmiddelen voor
de SFR, waarover een akkoord is bereikt in het kader van de GLB-hervorming
(Verordening (EU) nr. 1370/2013 houdende maatregelen tot vaststelling van
steun en restituties in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de
markten voor landbouwproducten), zal met ingang van schooljaar 2014/2015 ten
uitvoer worden gelegd. Verwacht wordt dat het betrokken bedrag volledig zal
worden benut. [16] Voor de melkregeling voorziet het voorstel in de
vaststelling van een enveloppe van EUR 80 miljoen per schooljaar. Dit stemt
overeen met de verwachte begrotingsuitvoering en is in overeenstemming met de totale
bedragen voor marktgerelateerde uitgaven en rechtstreekse steun zoals in
aanmerking genomen in het meerjarig financieel kader 2014-2020. [17] Outputs zijn de te verstrekken producten en diensten (bv.
aantal gefinancierde studentenuitwisselingen, aantal km aangelegde wegen,
enz.).