TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN DE GEDELEGEERDE HANDELING
Een van de belangrijkste doelstellingen van de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1380/2013 (“de basisverordening”), is ervoor te zorgen dat visserij- en aquacultuuractiviteiten uit ecologisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen om voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, en bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. Tegelijkertijd wordt in die verordening het algemene kader voor regionale samenwerking inzake instandhoudingsmaatregelen vastgesteld.
Verordening (EU) 2019/1241, die in bijlage V voorziet in regionale technische maatregelen voor de Noordzee, is pas op 14 augustus 2019 in werking getreden, en bevat geen overgangsmaatregelen met betrekking tot de procedure voor de vaststelling van gedelegeerde handelingen tot wijziging van zulke regionale technische maatregelen. De gezamenlijke aanbeveling is door België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk ingediend en door het WTECV beoordeeld vóór de inwerkingtreding van Verordening (EU) 2019/1241 en verwees daarom niet naar Verordening (EU) 2019/1241. Desondanks is de Commissie, gezien deze uitzonderlijke omstandigheden, van oordeel dat er op basis van de in dit stadium beschikbare informatie in de gezamenlijke aanbeveling en de beoordeling van het WTECV geen aanwijzingen bestaan dat de voorgestelde technische maatregelen niet zouden voldoen aan de in artikel 15 van Verordening (EU) 2019/1241 vastgestelde vereisten voor technische maatregelen.
Bij Verordening (EU) 2018/973 is een meerjarenplan vastgesteld voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren. Krachtens artikel 9 van Verordening (EU) 2018/973 is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 16 van die verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde die verordening aan te vullen met betrekking tot technische maatregelen. Zulke technische maatregelen kunnen onder andere bestaan uit de specificatie van kenmerken van vistuig en voorschriften betreffende het gebruik ervan, alsook uit de beperking van of het verbod op het gebruik van bepaald vistuig en visserijactiviteiten in bepaalde gebieden of perioden.
Daar waar aan de Commissie bevoegdheden zijn verleend om door middel van gedelegeerde handelingen maatregelen vast te stellen, voorziet artikel 18 van de basisverordening erin dat lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer gezamenlijke aanbevelingen (GA’s) kunnen indienen ter verwezenlijking van de doelstellingen van de relevante instandhoudingsmaatregelen van de Unie, de meerjarenplannen of de specifieke teruggooiplannen. Na het overeenkomen van een GA kunnen de lidstaten aan de Commissie voorstellen de aanbeveling om te zetten in een gedelegeerde handeling.
Tegen deze achtergrond heeft de Scheveningengroep de volgende GA vastgesteld met het oog op de uitvoering van maatregelen die zijn voortgevloeid uit het overleg dat is geregistreerd in de goedgekeurde notulen van de bijeenkomst met Noorwegen in 2018. Deze maatregelen komen voort uit de werkzaamheden in de werkgroep EU-Noorwegen inzake technische maatregelen in het Skagerrak. Zij zijn besproken tijdens formeel overleg tussen de EU en Noorwegen op 5 en 6 september 2018 in Göteborg, Zweden, en in overeenstemming met de artikelen 3 en 4 van de Overeenkomst EU-Noorwegen betreffende wederzijdse toegang tot de visserij in het Skagerrak. Deze GA bevat ook voorstellen tot wijziging van Verordening (EU) nr. 724/2010 van de Commissie van 12 augustus 2010 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van realtimesluitingen van sommige visserijtakken in de Noordzee en het Skagerrak.
Op basis van artikel 18 van de basisverordening hebben de directeuren Visserij van de Noordzeelidstaten, die sinds 2004 samenwerken in de Scheveningengroep, in december 2013 een groep op hoog niveau ingesteld en een akkoord bereikt over een memorandum van overeenstemming waarin de beginselen en de werkmethoden van de groep zijn uiteengezet. De groep bestaat uit België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. Het voorzitterschap van de groep roteert elk jaar en wordt van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 uitgeoefend door Denemarken. De groep op hoog niveau wordt bijgestaan door een technische groep voor de ontwikkeling van gezamenlijke aanbevelingen.
2.RAADPLEGING VOORAFGAAND AAN DE VASTSTELLING VAN DE HANDELING
Raadpleging van belanghebbenden
De Scheveningengroep is zich ervan bewust dat substantiële inbreng van belanghebbenden belangrijk is bij het opstellen van gezamenlijke aanbevelingen, in het licht van artikel 18, lid 2, van de basisverordening.
Tijdens de werkzaamheden van de werkgroep EU-Noorwegen en het overleg tussen de EU en Noorwegen over de technische maatregelen in het Skagerrak die tot deze GA hebben geleid, is regelmatig en uitvoerig overlegd met de belanghebbenden. De werkgroep heeft met name uitvoerige besprekingen gevoerd met leden van de werkgroep Skagerrak en Kattegat van de adviesraad voor de Noordzee (NSAC) en de Noorse industrie die deze GA aanbelangt, in het bijzonder tijdens overleg tussen de EU en Noorwegen op 25 april 2018 in Skagen, Denemarken en op 26 mei 2018 in Göteborg, Zweden. Voorts hebben vertegenwoordigers van de lidstaten vergaderingen van de werkgroep Skagerrak en Kattegat van NSAC bijgewoond.
Op 10 juli 2018 heeft de werkgroep EU-Noorwegen haar ontwerpverslag doen toekomen aan de betrokken producentenorganisaties voor de visserij (PO’s) voor raadpleging (voor Zweden: Sveriges Fiskares Producentorganisation, Havs- och Kustfiskarnas Producentorganisation, Swedish Pelagic Federation; voor Denemarken: Danmarks Fiskeriforening Producent Organisation). Bij het definitieve verslag werden schriftelijke opmerkingen van betrokken PO’s over het ontwerpverslag gevoegd vóór het overleg tussen de EU en Noorwegen in september 2018.
Gezamenlijke aanbevelingen
Overeenkomstig de in artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 beschreven procedure is de GA het resultaat van overleg tussen de lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer.
De gezamenlijke aanbeveling omvatte twee hoofdelementen:
1.de bepaling van realtimesluitingen voor de bescherming van jonge exemplaren van Noordse garnaal (Pandalus borealis). De GA bevat een vrijstelling voor garnalentrawls die zijn uitgerust met specifieke hulpmiddelen om ongewenste vangsten van jonge exemplaren te verminderen. Die elementen zijn in overeenstemming met de goedgekeurde notulen van het overleg tussen de EU en Noorwegen op 5 en 6 september 2018;
2.uitbreiding van de lijst van vrijgesteld vistuig met het vistuig dat wordt vermeld in de bestaande realtimesluitingen voor de bescherming van jonge vissoorten in de Noordzee en het Skagerrak. In de GA wordt voorgesteld om de in punt 1 bedoelde garnalentrawl op te nemen en om trawls die worden gebruikt om op Nephrops te vissen uit te sluiten, tenzij die uitgerust zijn met een Nordmøre-rooster.
Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV)
De hoofdelementen van de op 7 maart 2019 bij de Commissie ingediende gezamenlijk GA zijn geëvalueerd tijdens de plenaire vergadering van het WTECV van 1-5 juli 2019 op grond van een eerste beoordeling op ad-hoc-basis.
De conclusie van het WTECV over de specifieke elementen luidt als volgt.
De voorgestelde regeling voor realtimesluitingen (RTC) heeft potentiële voordelen op instandhoudingsgebied in lijn met de doelstelling van Verordening (EU) 2018/973. Derhalve lijkt het gepast de regeling in het Skagerrak in te voeren volgens de specificaties die zijn uiteengezet in de door de Scheveningengroep ingediende GA. De doeltreffendheid van de RTC-regeling moet zorgvuldig worden gemonitord en geëvalueerd overeenkomstig het evaluatiemechanisme dat in de GA is opgenomen. In het systeem moet een specifiek monitoringprogramma voor het gecombineerde rooster worden ingebouwd om ervoor te zorgen dat de vangsten van kleine Pandalus consequent beneden de vangstdrempel blijven.
Verordening (EU) nr. 724/2010 zou kunnen worden gewijzigd om vistuig met selectiviteitsvoorzieningen op te nemen in de lijst van vistuig dat is vrijgesteld van realtimesluitingen op grond van het feit dat dat vistuig volstaat om de bijvangsten van vis onder de in die verordening vastgestelde vangstdrempels te houden. De efficiëntie van trawls waarmee op Nephrops wordt gevist die zijn uitgerust met een selectief Nordmøre-rooster is echter afhankelijk van de lengtestructuur van de bijvangstsoort. Het is daarom passend te voorzien in een specifiek monitoringprogramma voor dergelijk vistuig om te waarborgen dat de vangstdrempels niet worden bereikt. Gezien de ernstige toestand van Noordzeekabeljauw en de bewezen doeltreffendheid van het Nordmøre-rooster bij het verminderen van bijvangst van kabeljauw tot minder dan 1 % van het totale vangstvolume bij gebruik in de visserij op Nephrops, is het bovendien passend het gebruik van dergelijk vistuig te stimuleren en lidstaten toe te staan gegevens te verzamelen over de doeltreffendheid ervan bij het verminderen van de vangsten van jonge vis in het kader van RTC’s. Indien uit die gegevens blijkt dat de vangstdrempels overschreden zijn, mag het gebruik van dergelijk vistuig in het kader van de betrokken RTC’s niet langer worden toegestaan.
Volgens punt 18.15 van de Gemeenschappelijke Praktische Handleiding is het mogelijk wegens spoedeisendheid, om praktische redenen of ter wille van eenvoud in een handeling bepalingen op te nemen die in feite materiële wijzigingen van een andere handeling inhouden. Dergelijke materiële wijzigingen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op het toepassingsgebied van de andere handeling, op afwijkingen van de verplichtingen die zij oplegt, op uitzonderingen op de toepassingstermijn enz. Punt 18.15.2 van de Gemeenschappelijke Praktische Handleiding stelt ook dat indien een materiële wijziging een zeer beperkte draagwijdte heeft, kan worden aanvaard dat de betrokken handeling niet tekstueel wordt aangepast.
Op basis van de evaluatie door het WTECV en de interne beoordeling door de diensten van de Commissie van de door de Scheveningengroep verstrekte informatie acht de Commissie de ingediende GA in overeenstemming met artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
3.JURIDISCHE ELEMENTEN VAN DE GEDELEGEERDE HANDELING
Samenvatting van de voorgestelde maatregel(en)
De voornaamste rechtshandeling betreft het vaststellen van maatregelen die nodig zijn voor de naleving van de verplichtingen krachtens de milieuwetgeving van de Unie.
In de verordening worden de visserijen en de gebieden gespecificeerd waarvoor specifieke maatregelen gelden.
Rechtsgrondslag
De artikelen 15 en 19 van Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad.
Subsidiariteitsbeginsel
Het voorstel betreft een gebied dat onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie valt.
Evenredigheidsbeginsel
Het voorstel valt binnen de reikwijdte van de gedelegeerde bevoegdheden die bij de artikelen 15 en 19 van Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad aan de Commissie zijn verleend en gaat niet verder dan nodig is voor het bereiken van het doel van die bepaling.
Keuze van instrumenten
Voorgesteld instrument: gedelegeerde verordening van de Commissie.
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) …/... VAN DE COMMISSIE
van 1.10.2019
tot aanvulling van Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad met nadere voorschriften voor de uitvoering van realtimesluitingen voor de visserij op Noordse garnaal in het Skagerrak
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1380/2013, (EU) 2016/1139, (EU) 2018/973, (EU) 2019/472 en (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad, en met name artikel 15, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Op 14 augustus 2019 is de nieuwe Verordening (EU) 2019/1241 betreffende de instandhoudingsmaatregelen voor visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen in werking getreden. In bijlage V daarbij zijn specifieke bepalingen opgenomen met betrekking tot technische maatregelen op regionaal niveau voor de Noordzee, het Skagerrak en het Kattegat, die ook voorschriften inzake maaswijdten, bijbehorende voorwaarden en bijvangsten omvatten. Krachtens artikel 15 van die verordening is de Commissie bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de technische maatregelen in de bijlagen bij Verordening (EU) 2019/1241 te wijzigen, aan te vullen, in te trekken of daarvan af te wijken, ook met het oog op bepalingen inzake realtimesluitingen en verplaatsing van de visserij.
(2)Verordening (EU) 2019/1241 stelt het kader vast voor technische maatregelen die moeten bijdragen tot de doelstellingen van het GVB om te vissen op het niveau van de maximale duurzame opbrengst, ongewenste vangsten te verminderen en teruggooi uit te bannen, en tot het bereiken van een goede milieutoestand overeenkomstig Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad. Dergelijke technische maatregelen moeten met name bijdragen tot de bescherming van scholen jonge of paaiende exemplaren van mariene soorten door de toepassing van selectief vistuig en maatregelen ter vermijding van ongewenste vangsten.
(3)Verordening (EU) 2019/1241 voorziet niet in overgangsmaatregelen. Om te zorgen voor verenigbaarheid tussen deze gedelegeerde verordening, Verordening (EU) nr. 724/2010 van de Commissie en Verordening (EU) 2019/1241, waarbij hoofdstuk IV, titel IV, afdeling 3, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 is ingetrokken, is het dus noodzakelijk de in Verordening (EU) 2019/1241 vastgestelde voorwaarden toe te passen en tegelijkertijd rekening te houden met de uitzonderlijke omstandigheden waarvan sprake is.
(4)Op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie heeft het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) de informatie van de regionale groep ter ondersteuning van de in de gezamenlijke aanbeveling opgenomen technische maatregelen positief beoordeeld. Die gezamenlijke aanbeveling is door de lidstaten opgesteld en ingediend en door het WTECV beoordeeld vóór de inwerkingtreding van Verordening (EU) 2019/1241, en verwees daarom niet naar die verordening. Desondanks is de Commissie, gezien de uitzonderlijke omstandigheden, van oordeel dat er op basis van de in dit stadium beschikbare informatie in de gezamenlijke aanbeveling en de beoordeling van het WTECV geen aanwijzingen bestaan dat de aanvullende voorgestelde technische maatregelen niet zouden voldoen aan de in artikel 15 van Verordening (EU) 2019/1241 vastgestelde vereisten voor technische maatregelen.
(5)Wanneer lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer van een visserij van oordeel zijn dat maatregelen moeten worden genomen ter bescherming van scholen jonge exemplaren aan de hand van realtimesluitingen van visserijgebieden, is de Commissie overeenkomstig artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) 2019/1241 bevoegd om, naar aanleiding van een door die lidstaten ingediende gezamenlijke aanbeveling, zulke maatregelen vast te stellen door middel van gedelegeerde handelingen.
(6)In artikel 19 van Verordening (EU) 2019/1241 is vastgesteld welke specifieke elementen een gezamenlijke aanbeveling met betrekking tot het invoeren van realtimesluitingen moet omvatten.
(7)Overeenkomstig artikel 19, lid 1, onder d), van Verordening (EU) 2019/1241 moet een gezamenlijke aanbeveling die wordt ingediend met betrekking tot het invoeren van realtimesluitingen, controle- en monitoringregelingen bevatten. In de goedgekeurde notulen van de conclusies van het overleg tussen de Europese Unie en Noorwegen van 6 september 2018 zijn de procedures en monsternemingsmethode voor het invoeren van realtimesluitingen voor Noordse garnaal (Pandalus borealis) in het Skagerrak vastgesteld.
(8)België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk hebben een rechtstreeks belang bij het visserijbeheer in het Skagerrak. Na overleg met de adviesraad voor de Noordzee hebben die lidstaten op 7 maart 2019 bij de Commissie een gezamenlijke aanbeveling voor een gedelegeerde handeling ingediend waarbij de in die goedgekeurde notulen opgenomen maatregelen in Unierecht zouden worden omgezet. De gezamenlijke aanbeveling is op 26 augustus 2019 gewijzigd.
(9)De deskundigengroep visserij is op 31 juli 2019 geraadpleegd over de gezamenlijke aanbeveling.
(10)Het WTECV oordeelde dat de regeling voor realtimesluitingen potentiële voordelen op instandhoudingsgebied heeft in lijn met de doelstelling van Verordening (EU) 2018/973. Derhalve lijkt het gepast de regeling in het Skagerrak in te voeren volgens de specificaties die zijn uiteengezet in de door de Scheveningengroep ingediende gezamenlijke aanbeveling. De doeltreffendheid van de regeling voor realtimesluitingen moet zorgvuldig worden gemonitord en geëvalueerd overeenkomstig het evaluatiemechanisme dat in de gezamenlijke aanbeveling is opgenomen. In het systeem moet een specifiek monitoringprogramma voor het grootteselectief gecombineerd Nordmøre-rooster worden ingebouwd om ervoor te zorgen dat de vangsten van kleine Pandalus constant beneden de vangstdrempel blijven.
(11)In de gezamenlijke aanbeveling wordt ervoor gepleit om vaartuigen waarmee wordt gevist op Noordse garnaal met behulp van bodemtrawls met een maaswijdte tussen 35 mm en 69 mm met Nordmøre-sorteerroosters met een maximumafstand van 19 mm tussen de staven toe te staan die soort te blijven bevissen in gebieden waar realtimesluitingen gelden.
(12)Bij Verordening (EU) nr. 724/2010 van de Commissie zijn bepalingen ter uitvoering van realtimesluitingen van sommige visserijtakken in de Noordzee en het Skagerrak vastgesteld. In artikel 7 van Verordening (EU) nr. 724/2010 is bepaald dat wanneer het percentage jonge exemplaren van een vangst een bepaalde vangstdrempel bereikt, de betrokken kustlidstaat een verbod moet vaststellen op visserij in het betrokken gebied met ander vistuig dan: pelagische trawls, ringzegens, drijfnetten en dreggen gericht op haring, makreel en horsmakreel, korven, kamschelpkorren en kieuwnetten.
(13)Het WTECV heeft een beoordeling gemaakt van voor de visserij op Noordse garnaal gebruikte bodemtrawls met een maaswijdte tussen 35 mm en 69 mm met Nordmøre-sorteerroosters met een maximumafstand van 19 mm tussen de staven en is tot de slotsom gekomen dat deze trawls zeer selectief zijn en doeltreffend zijn om bijvangsten van jonge exemplaren te verminderen. In het licht van dat advies is het passend dit vistuig bij gebruik in de visserij op Noordse garnaal toe te voegen aan de lijst van vrijgesteld vistuig in artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 724/2010.
(14)Het WTECV bevestigt weliswaar de doeltreffendheid van Nordmøre-roosters bij het verminderen van bijvangsten van jonge vis, maar merkt daarnaast op dat moet worden nagegaan hoe doeltreffend vistuig uitgerust met een gecombineerd Nordmøre-rooster is bij het beperken van vangsten van jonge Noordse garnaal. Op basis van het advies van het WTECV is het passend specifieke monitoringprogramma’s op te stellen teneinde na te gaan of dit vistuig het aandeel jonge Noordse garnaal in de vangsten consequent op een laag niveau handhaaft.
(15)Het WTECV bevestigt de voordelen op instandhoudingsgebied die verbonden zijn aan vistuig uitgerust met Nordmøre-roosters wanneer die worden gebruikt voor de visserij op langoustine (Nephrops norvegicus). In het licht van dat advies en het bewezen vermogen van dat vistuig om bijvangsten van kabeljauw te reduceren, is het passend dit vistuig bij gebruik in de visserij op langoustine toe te voegen aan de lijst van vrijgesteld vistuig in artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 724/2010.
(16)Het WTECV wijst er echter op dat de doeltreffendheid van dergelijke voorzieningen in de visserij op langoustine afhankelijk is van de lengtestructuur van de bijvangstsoorten die tijdens de visserijactiviteiten worden aangetroffen en dat die structuur zal bepalen of de vangstdrempels worden bereikt. Teneinde na te gaan of dit vistuig het aandeel van de bijvangsten van jonge Noordse garnaal consequent onder de vangstdrempel behoudt en lidstaten toe te staan aanvullende gegevens te verzamelen, zoals aangegeven door het WTECV, dienen visserijactiviteiten met zulk vistuig in gesloten gebieden te worden onderworpen aan een specifiek monitoringprogramma.
(17)Inhoudelijk acht de Commissie het, in het licht van het voorgaande, een pragmatische maar tegelijk ook voorzichtige benadering van het visserijbeheer om dit vistuig toe te voegen aan de lijst van vrijgesteld vistuig in artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 724/2010 teneinde vrijstellingen toe te staan op tijdelijke basis, met dien verstande dat het anders niet mogelijk zou zijn om de nodige gegevens te vergaren. Bovendien is bewezen dat Nordmøre-roosters bij gebruik in de visserij op Nephrops bijvangsten van kabeljauw tot een zeer laag niveau kunnen reduceren. Gelet op de huidige toestand van het kabeljauwbestand in de Noordzee is de Commissie van oordeel dat het gebruik van dergelijk vistuig geschikt is om ongewenste vangsten van kabeljauw zo veel mogelijk te beperken.
(18)Overwegende dat de in hoofdstuk IV, titel IV, afdeling 3, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vervatte machtigingsbepaling, op basis waarvan Verordening (EU) nr. 724/2010 van de Commissie werd vastgesteld, bij Verordening (EU) 2019/1241 is ingetrokken, waardoor verdere wijzigingen van die handeling niet mogelijk zijn, en gelet op de noodzaak om te voorzien in de uitvoering van de in de goedgekeurde notulen vervatte maatregelen zoals die in de gezamenlijke aanbeveling zijn opgenomen, is het passend de vereiste wijzigingen aan te brengen door in deze gedelegeerde verordening een overeenkomstige bepaling op te nemen.
(19)De in de gezamenlijke aanbeveling voorgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en artikel 15, leden 2, 4 en 5, en artikel 19 van Verordening (EU) 2019/1241 en mogen dus worden opgenomen in de onderhavige verordening,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp
Bij deze verordening worden bepalingen vastgesteld ter uitvoering van realtimesluitingen van visserijtakken in het Skagerrak voor de bescherming van jonge exemplaren van Noordse garnaal (Pandalus borealis).
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
(a)“Skagerrak”: het gebied dat in het westen wordt begrensd door een lijn van de vuurtoren van Hanstholm naar die van Lindesnes, en in het zuiden door een lijn van de vuurtoren van Skagen naar die van Tistlarna en vandaar naar het dichtstbij gelegen punt op de Zweedse kust;
(b)“trek”: de activiteit tussen het uitzetten en het ophalen van een net;
(c)“gezamenlijk inzetplan”: een plan dat is ingesteld in het kader van een specifiek controle- en inspectieprogramma dat is opgezet overeenkomstig artikel 95 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad;
(d)“jonge exemplaren van Noordse garnaal”: exemplaren van Noordse garnaal (Pandalus borealis) met een carapaxlengte van minder dan 14,8 mm. De carapaxlengte wordt gemeten in de lengte van de carapax, evenwijdig aan de middellijn, vanaf de achterkant van een oogkas tot aan het midden van de verste rand van de carapax;
(e)“Nordmøre-rooster”: een selectiviteitsvoorziening die is aangebracht in een trawl en bestaat uit een hoeks geplaatst rooster en een ontsnappingsopening. De voorziening laat garnaal of Nephrops door terwijl ongewenste bijvangsten van vis worden geweerd door ze via de opening te laten ontsnappen.
Artikel 3
Vangstdrempel
De vangstdrempel die aanleiding geeft tot realtimesluitingen van visserijtakken in het kader van deze verordening is 20 gewichtspercenten jonge exemplaren van Noordse garnaal ten opzichte van het totale vangstvolume van Noordse garnaal per trek.
Artikel 4
Inspecties
1.De informatie waarmee vangstdrempels worden gemonitord, is afkomstig van inspecties op zee die de bevoegde controle-instanties verrichten op vissersvaartuigen waarmee wordt gevist op Noordse garnaal (Pandalus borealis) met bodemtrawls met een maaswijdte van ten minste 32 mm.
2.De kustlidstaat en/of de lidstaat die deelnemen/deelneemt aan een gezamenlijke actie in het kader van een gezamenlijk inzetplan, stellen/stelt de gebieden en perioden vast waarin er een risico is dat de vangstdrempel wordt bereikt.
3.De inspecties, in het bijzonder in de overeenkomstig lid 2 vastgestelde gebieden, worden verricht om te bepalen of het percentage jonge exemplaren van Noordse garnaal de vangstdrempel bereikt.
4.De controle-instanties inspecteren de vangsten van Noordse garnaal aan de hand van de in bijlage I beschreven monsternemingsprocedure.
5.De inspectiegegevens en de hoeveelheid jonge exemplaren van Noordse garnaal in het monster worden geregistreerd in een bemonsteringsverslag, als opgenomen in bijlage II. Het in bijlage II opgenomen bemonsteringsverslag wordt onmiddellijk nadat het monster is gemeten, naar behoren ingevuld.
6.Als de hoeveelheid Noordse garnaal in een trek minder dan 100 kg bedraagt, wordt die trek niet als basis genomen om een sluiting aan te bevelen.
Artikel 5
Kennisgevingen bij het bereiken van de vangstdrempel
1.Wanneer uit de resultaten van de overeenkomstig artikel 4, lid 4, genomen monsters van ten minste twee trekken binnen een periode van 96 uur blijkt dat de hoeveelheid jonge exemplaren van Noordse garnaal de vangstdrempel heeft bereikt, wordt het (de) in artikel 4, lid 5, bedoelde bemonsteringsverslag (bemonsteringsverslagen) onmiddellijk ingevuld en naar het contactpunt van de kustlidstaat gezonden, dat zal nagaan of een realtimesluiting moet worden ingesteld. De bemonsteringsverslagen kunnen worden aangevuld met een aanbeveling van de met de inspecties belaste controle-instanties tot het instellen van een realtimesluiting.
2.Als het aandeel jonge exemplaren van Noordse garnaal meer dan 40 % van het totale vangstvolume van die soort uitmaakt, kunnen de controle-instanties een realtimesluiting aanbevelen op basis van één monster.
Artikel 6
Sluiting van visserijtakken
1.Op basis van de in artikel 4, lid 4, bedoelde bemonsteringsverslagen kan de betrokken kustlidstaat de visserij op Noordse garnaal met bodemtrawls met een maaswijdte van ten minste 32 mm verbieden in een overeenkomstig artikel 7 afgebakend gebied (“het gesloten gebied”).
2.Onverminderd lid 1 kunnen trawlers waarmee wordt gevist op Noordse garnaal met een grootteselectief Nordmøre-rooster als bedoeld in bijlage III toestemming krijgen om in het gesloten gebied te vissen op Noordse garnaal. Vaartuigen die van deze vrijstelling gebruik wensen te maken, stellen het visserijcontrolecentrum van de kustlidstaat in kennis van hun voornemen vóór zij het gesloten gebied binnenvaren.
3.Vaartuigen die gebruikmaken van een grootteselectief Nordmøre-rooster als bedoeld in bijlage III en die actief zijn in een gesloten gebied, zijn onderworpen aan een door de lidstaten op te zetten specifiek monitoringprogramma teneinde het aandeel jonge exemplaren van Noordse garnaal in het totale vangstvolume van die soort te verifiëren. De resultaten van die programma’s worden uiterlijk zes maanden na de begindatum van het programma en vervolgens elke twaalf maanden aan de Commissie toegezonden.
4.Indien uit de inspectie van een vaartuig dat in een gesloten gebied gebruikmaakt van een grootteselectief Nordmøre-rooster als bedoeld in bijlage III blijkt dat een vangst van jonge exemplaren van Noordse garnaal de vangstdrempel heeft bereikt, moet dat vaartuig het gesloten gebied verlaten voor de resterende duur van de sluitingsperiode.
5.Het vaartuig mag, na aanpassing van het vistuig, het gesloten gebied echter opnieuw binnenvaren en er verblijven, mits het toestemming krijgt van de bevoegde controle-instanties. In dat geval wordt de volgende trek van het vaartuig door de controle-instanties geïnspecteerd teneinde te waarborgen dat de vangst van jonge exemplaren van Noordse garnaal onder de vangstdrempel blijft.
Artikel 7
Geografische omvang van het gesloten gebied
De geografische grenzen van een gesloten gebied worden vastgesteld op basis van de volgende criteria:
(a)bij de begrenzing van het gebied wordt in het bijzonder rekening gehouden met de trajecten van de trekken die tot de sluiting hebben geleid, de dieptelijnen, de vangstsamenstelling en de visserijactiviteit;
(b)het gesloten gebied mag niet groter zijn dan 50 vierkante zeemijl.
Artikel 8
Duur van de realtimesluiting
1.De realtimesluiting treedt in werking om 24.00 uur gecoördineerde universele tijd (UTC) op de dag waarop het besluit wordt genomen. De vaststelling van het besluit moet zodanig worden getimed dat vaartuigen die in de nabijheid van het gebied actief zijn, voldoende tijd hebben om er kennis van te nemen overeenkomstig artikel 7.
2.De sluiting van het gebied geldt gedurende veertien dagen, waarna deze automatisch ophoudt om middernacht UTC.
Artikel 9
Naburige kuststaten
1.Kustlidstaten kunnen streven naar samenwerking met naburige kuststaten om een realtimesluiting in te stellen op basis van resultaten van de monsterneming aan weerszijden van de grens.
2.Indien het te sluiten gebied het grondgebied en de wateren omvat die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van twee of meer naburige kustlidstaten vallen, stelt de kustlidstaat onverwijld die naburige kustlidstaat en de derde landen in kennis van de bevindingen en het besluit om het betrokken gebied te sluiten. De naburige kuststaat kan vervolgens een sluiting in zijn wateren overwegen.
3.Een kustlidstaat kan aangrenzende kuststaten uitnodigen om namens hem monsters te nemen in wateren die onder hun soevereiniteit of jurisdictie vallen.
Artikel 10
Informatie
1.Volgend op het besluit een realtimesluiting in te stellen overeenkomstig artikel 6, doet de kustlidstaat zo spoedig mogelijk het volgende:
(a)hij post een kennisgeving van de realtimesluiting op zijn website, met toevoeging van een kaart, coördinaten en het onderliggende bemonsteringsverslag (de bemonsteringsverslagen), en
(b)hij brengt de vaartuigen die zich in de buurt van het gesloten gebied bevinden, indien mogelijk op de hoogte, en
(c)hij brengt het directoraat Visserij in Noorwegen, de Commissie en de visserijcontrolecentra in de betrokken lidstaten en derde landen waarvan vaartuigen zijn gemachtigd om in het betrokken gebied actief te zijn, op de hoogte door middel van een elektronische kennisgeving. De kennisgeving bevat informatie over de datum en het tijdstip waarop de sluiting van kracht wordt, de coördinaten die het gesloten gebied afbakenen en het desbetreffende webadres waar aanvullende informatie te vinden is.
2.De lidstaten doen het nodige opdat de vaartuigen die hun vlag voeren en die door de realtimesluiting getroffen worden, door hun visserijcontrolecentra op de hoogte worden gebracht van de realtimesluiting.
3.De betrokken kustlidstaat verstrekt de Commissie desgevraagd de gedetailleerde bemonsteringsverslagen en de motivering van de overeenkomstig artikel 7 vastgestelde realtimesluiting.
Artikel 11
Bodemtrawlers met Nordmøre-roosters
1.
Onverminderd artikel 7 van Verordening (EU) nr. 724/2010 zijn bodemtrawlers die zijn uitgerust met het volgende vistuig vrijgesteld van het verbod op de visserij dat voortvloeit uit de vervulling van de in die bepaling vastgestelde voorwaarden:
- bodemtrawls met een maaswijdte van ten minste 32 mm waarmee wordt gevist op Noordse garnaal (Pandalus borealis), uitgerust met een Nordmøre-sorteerrooster met een maximumafstand van 19 mm tussen de staven, zonder visretentiesysteem;
- bodemtrawls met een maaswijdte van meer dan 70 mm waarmee wordt gevist op langoustine (Nephrops norvegicus), uitgerust met een Nordmøre-sorteerrooster met een maximumafstand van 35 mm tussen de staven, zonder visretentiesysteem.
2.
De vlaggenlidstaten van vaartuigen die het in lid 1 bedoelde vistuig gebruiken en actief zijn binnen een realtimesluiting, zetten een specifiek monitoringprogramma op teneinde te verifiëren dat de vangsten onder de vangstdrempel blijven. Indien vangsten de vangstdrempel bereiken, verlaten die vaartuigen het gesloten gebied voor de resterende duur van de sluitingsperiode. De resultaten van die programma’s worden uiterlijk zes maanden na de begindatum van het programma en vervolgens elke twaalf maanden aan de Commissie toegezonden. Indien uit de resultaten van zulke programma’s blijkt dat vangsten de vangstdrempel overschrijden, mag dit vistuig niet langer worden vrijgesteld.
Artikel 12
Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2020.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 1.10.2019
Voor de Commissie
De Voorzitter
Jean-Claude JUNCKER