BIJLAGE I
DE FUNCTIE "ONTWERP VAN HET EUROPESE ROUTENETWERK"
DEEL A
Doel en toepassingsgebied
1.De functie "ontwerp van het Europese routenetwerk" (ERND) heeft tot doel:
a)een plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk op te stellen en uit te voeren, met het oog op de veilige en efficiënte exploitatie van het luchtverkeer, rekening houdende de gevolgen voor het milieu;
b)in het kader van het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk de ontwikkeling te faciliteren van een luchtruimstructuur die zorgt voor het vereiste niveau van veiligheid, capaciteit, flexibiliteit, paraatheid, milieuprestaties en naadloze verlening van snelle luchtvaartnavigatiediensten, rekening houdende met de beveiligings- en defensiebehoeften;
c)te zorgen voor de regionale connectiviteit en interoperabiliteit van het Europese routenetwerk binnen de EUR-regio van de ICAO en met aangrenzende ICAO-regio’s.
2.Het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk is een plan in ontwikkeling dat door de Netwerkbeheerder is opgesteld in samenwerking met de lidstaten en de operationele belanghebbenden. Het plan omvat de resultaten van de operationele activiteiten van de Netwerkbeheerder met betrekking tot routeontwerp op korte en middellange termijn, overeenkomstig de richtsnoeren van het strategisch netwerkplan. Het heeft betrekking op alle elementen die nodig zijn om te garanderen dat het Europese luchtruim wordt ontworpen als één entiteit en het moet voldoen aan de EU-wijde prestatiedoelstellingen die in de prestatieregeling zijn vastgesteld voor de Netwerkbeheerder.
3.Het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk vormt het deel van het operationeel netwerkplan dat specifiek betrekking heeft op het ontwerp van het Europese routenetwerk en bevat gedetailleerde regels voor de uitvoering van het gedeelte van het strategisch netwerkplan dat betrekking heeft op het ontwerp van het Europese routenetwerk.
4.Het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk omvat:
a)gemeenschappelijke algemene beginselen, aangevuld met technische specificaties voor het ontwerp van het luchtruim;
b)militaire eisen voor het gebruik van het luchtruim;
c)het Europees routenetwerk en, voor zover haalbaar, luchtruimstructuren met vrije luchtcorridors die ontworpen zijn om tegemoet te komen aan alle gebruikersbehoeften, met nadere informatie over alle wijzigingen van het luchtruimontwerp;
d)regels inzake het gebruik en de beschikbaarheid van het routenetwerk en de vrije luchtcorridors;
e)de indeling van het luchtruim in luchtverkeersleidingssectoren, ter ondersteuning van het ATS-luchtruim;
f)procedures voor het beheer van het luchtruim;
g)een gedetailleerd tijdschema voor de opstelling van wijzigingen van het luchtruimontwerp;
h)de kalender voor een gemeenschappelijke publicatie- en implementatiecyclus voor de wijzigingen van luchtruimstructuren en gebruiksregels, aan de hand van het operationeel netwerkplan;
i)een overzicht van de huidige en verwachte netwerksituatie, met inbegrip van verwachte prestaties op basis van actuele en overeengekomen plannen voor het ontwerp van het luchtruim.
DEEL B
Procedure voor de opstelling van het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk
1.De Netwerkbeheerder, de lidstaten, de luchtruimgebruikers en de verleners van luchtvaartnavigatiediensten, individueel handelend of als onderdeel van een functioneel luchtruimblok, ontwikkelen het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk op basis van coöperatieve besluitvorming, als bedoeld in artikel 15. Zij passen de in deel C van deze bijlage uiteengezette beginselen inzake luchtruimontwerp toe.
2.De coöperatieve besluitvorming verloopt volgens gedetailleerde werkregelingen en operationele processen die op deskundigenniveau moeten worden vastgesteld door de Netwerkbeheerder, met inbegrip van de civiel-militaire dimensie. Die werkregelingen worden opgesteld na raadpleging van alle belanghebbenden. De werkafspraken vinden regelmatig plaats, al naargelang de behoeften van de functie "ontwerp van het Europese routenetwerk".
3.Om passende connectiviteit van het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk te garanderen, betrekken de Netwerkbeheerder en de lidstaten derde landen bij het proces van coöperatieve besluitvorming, overeenkomstig artikel 24. Er wordt gezorgd voor passende samenwerking tussen enerzijds de Netwerkbeheerder en zijn gedetailleerde werkregelingen op deskundigenniveau, ter ondersteuning van de ontwikkeling van het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk, en anderzijds de relevante ICAO-werkregelingen op deskundigenniveau die betrekking hebben op verbeteringen van het routenetwerk aan de interface.
4.De projecten voor luchtruimontwerp moeten verenigbaar en samenhangend zijn met het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk. Minstens de volgende wijzigingen van projecten moeten worden gecontroleerd op verenigbaarheid en moeten worden gemeld aan de Netwerkbeheerder:
a)wijzigingen van de alignering van routes;
b)wijzigingen van de richting van routes;
c)wijzigingen van het doel van routes;
d)beschrijvingen van vrije luchtcorridors, inclusief de bijbehorende gebruiksregels;
e)regels voor het gebruik en de beschikbaarheid van routes;
f)wijzigingen van de verticale of horizontale sectorgrens;
g)toevoeging of schrapping van belangrijke punten;
h)wijzigingen in het grensoverschrijdende gebruik van het luchtruim;
i)wijzigingen van de coördinaten van belangrijke punten;
j)wijzigingen die gevolgen hebben voor de gegevensoverdracht;
k)wijzigingen die gevolgen hebben voor gegevens die in luchtvaartgidsen worden gepubliceerd;
l)wijzigingen die gevolgen hebben voor brieven houdende overeenstemming over het ontwerp en gebruik van het luchtruim.
5.Het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk wordt tijdens de uitvoering ervan permanent beoordeeld, teneinde rekening te houden met nieuwe of veranderende eisen met betrekking tot het luchtruim. Tijdens die beoordeling wordt gezorgd voor permanente coördinatie met de militaire instanties.
DEEL C
Beginselen van luchtruimontwerp
1.Bij de ontwikkeling van het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk passen de Netwerkbeheerder, de lidstaten en de verleners van luchtvaartnavigatiediensten, als onderdeel van functionele luchtruimblokken of individueel, de volgende beginselen voor luchtruimontwerp toe op basis van coöperatieve besluitvorming:
a)de vaststelling en configuratie van luchtruimstructuren is gebaseerd op operationele eisen, ongeacht de grenzen van nationale of functionele luchtruimblokken of vluchtinformatiegebieden, en volgt niet noodzakelijk de indeling tussen hoger en lager luchtruim;
b)het ontwerp van luchtruimstructuren is gebaseerd op een transparant proces waarbij het mogelijk is de genomen beslissingen te raadplegen en de motivering ervan te begrijpen, en houdt rekening met de eisen van alle gebruikers en verzoent tegelijk veiligheids-, capaciteits- en milieuaspecten met elkaar, rekening houdende met militaire en nationale beveiligingsbehoeften;
c)de huidige en geraamde verkeersvraag, op netwerkniveau en op lokaal niveau, en de prestatiedoelen vormen de input voor het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk, teneinde tegemoet te komen aan de behoeften van de belangrijkste verkeersstromen en luchthavens;
d)de verticale en horizontale interconnectiviteit moet worden gegarandeerd, met inbegrip van het terminalluchtruim en de luchtruimstructuur aan de interface;
e)vluchten moeten de mogelijkheid hebben om tijdens de en-route-vluchtfase op of zo dicht mogelijk langs de routes te vliegen die de gebruikers vereisen;
f)alle voorstellen voor luchtruimstructuren, inclusief vrije luchtcorridors, meervoudige routeopties en voorwaardelijke routes, die worden ingediend door belanghebbenden met een operationeel belang in dat gebied, moeten worden aanvaard voor beoordeling en eventuele verdere ontwikkeling;
g)bij het ontwerp van luchtruimstructuren, inclusief vrije luchtcorridors en ATC-sectoren, moet rekening worden gehouden met bestaande of voorgestelde luchtruimstructuren die zijn aangewezen voor activiteiten die reservering of beperking van het luchtruim vereisen. Daartoe worden alleen structuren opgericht die beantwoorden aan de toepassing van flexibel luchtruimgebruik. Dergelijke structuren worden geharmoniseerd en moeten zoveel mogelijk samenhangend zijn in het gehele Europese netwerk;
h)de ontwikkeling van ATC-sectorontwerp begint bij de vereiste alignering van routes of verkeersstromen binnen een iteratief proces dat de compatibiliteit tussen routes of stromen en sectoren garandeert;
i)ATC-sectoren worden zodanig ontworpen dat zij de constructie mogelijk maken van sectorconfiguraties die beantwoorden aan de verkeersstromen, aanpasbaar zijn en in verhouding staan tot de variabele verkeersvraag;
j)er worden dienstverleningsovereenkomsten opgesteld tussen de betrokken operationele belanghebbenden in gevallen waarin ATC-sectoren, om operationele redenen, moeten worden ontworpen over nationale grenzen, grenzen van functionele luchtruimblokken of grenzen van vluchtinformatiegebieden heen.
2.Aan de hand van het proces van coöperatieve besluitvorming zorgen de Netwerkbeheerder, de lidstaten, de functionele luchtruimblokken en de verleners van luchtvaartnavigatiediensten (waarbij deze laatste optreden als onderdeel van functionele luchtruimblokken of individueel) ervoor dat de volgende beginselen worden nageleefd bij het gebruik van het luchtruim en het beheer van de capaciteit:
a)luchtruimstructuren worden gepland om het flexibele en tijdige gebruik en beheer van het luchtruim te faciliteren met betrekking tot routeopties, verkeersstromen, sectorconfiguraties en de configuratie van andere luchtruimstructuren;
b)luchtruimstructuren moeten de vaststelling van aanvullende routeopties mogelijk maken, en tegelijk ervoor zorgen dat ze verenigbaar zijn met de bestaande capaciteitsoverwegingen en beperkingen inzake sectorontwerp.
DEEL D
Permanent toezicht op de prestaties op netwerkniveau
1.Om te garanderen dat de prestaties voortdurend verbeteren, voert de Netwerkbeheerder op basis van coöperatieve besluitvorming een regelmatige beoordeling uit van de effectiviteit van de ten uitvoer gelegde luchtruimstructuren.
2.Deze beoordeling heeft met name betrekking op:
a)de ontwikkeling van de verkeersvraag;
b)de prestaties inzake capaciteit en vluchtefficiëntie en beperkingen op het niveau van landen, functionele luchtruimblokken of het netwerk;
c)een beoordeling van de aspecten van het luchtruimgebruik, zowel uit civiel als uit militair oogpunt;
d)een beoordeling van de sectorindeling en de gebruikte sectorconfiguraties;
e)een beoordeling van de integriteit en continuïteit van de luchtruimstructuren.
BIJLAGE II
FUNCTIE "REGELING VAN DE LUCHTVERKEERSSTROMEN"
DEEL A
Doel en toepassingsgebied
1.Het doel van de functie regeling van de luchtverkeersstromen (ATFM) is:
a)het efficiënte gebruik van de beschikbare capaciteit van het Europese netwerk voor luchtverkeersbeheer (EATMN) te garanderen;
b)de planning, coördinatie en uitvoering van door alle operationele belanghebbenden genomen ATFM-maatregelen te faciliteren;
c)rekening te houden met militaire noden en reacties op crisissen;
d)te zorgen voor de regionale connectiviteit en interoperabiliteit van het Europese netwerk binnen de EUR-regio van de ICAO en met aangrenzende ICAO-regio’s.
2.De in punt 15 van deel B van deze bijlage bedoelde ATFM- en noodprocedures garanderen een betere voorspelbaarheid van het verkeer, optimaliseren de beschikbare capaciteit van het Europese netwerk voor luchtverkeersbeheer (ook op luchthavens) en hebben tot doel de samenhang tussen luchthavenslots en vluchtplannen te vergroten.
3.De ATFM-functie volgt gedetailleerde werkregelingen voor de uitvoering van ATFM-maatregelen. Alle betrokken operationele belanghebbenden houden zich aan regels en procedures die garanderen dat de luchtverkeersleidingscapaciteit veilig en in de mate van het mogelijke wordt gebruikt.
4.De ATFM-functie heeft betrekking op alle ATFM-fasen (strategisch, pretactisch, tactisch en post-operationeel) die zijn geïdentificeerd in de in het aanhangsel vermelde ICAO-bepalingen. Zij voldoet aan deze ICAO-bepalingen.
5.De ATFM-functie is van toepassing op de volgende bij ATFM-processen betrokken partijen of namens hen optredende gemachtigden:
a)luchtvaartuigexploitanten;
b)verleners van luchtverkeersdiensten (ATS), met inbegrip van ATS-eenheden, ATS-meldingsposten en meldingsposten voor plaatselijke verkeersleiding op luchthavens;
c)verleners van luchtvaartinlichtingendiensten;
d)entiteiten die betrokken zijn bij het luchtruimbeheer;
e)luchthavenexploitanten;
f)de centrale ATFM-eenheid, die door de Netwerkbeheerder wordt geëxploiteerd;
g)lokale ATFM-eenheden, zoals bedoeld in punt 6 van deel A van deze bijlage;
h)slotcoördinatoren op gecoördineerde luchthavens.
6.Onder "lokale ATFM-eenheid" wordt verstaan: een entiteit voor de regeling van de luchtverkeersstromen die handelt namens een of meer andere entiteiten voor de regeling van de luchtverkeersstromen, als interface tussen de centrale ATFM-eenheid en een ATS-eenheid of een groep van ATS-eenheden. Zij kan optreden op het niveau van een ATS-eenheid, op nationaal niveau, op het niveau van een functioneel luchtruimblok of op elk ander subregionaal niveau.
7.De lokale ATFM-eenheden en de Netwerkbeheerder, via zijn centrale ATFM-eenheid, ondersteunen de uitvoering van de ATFM-functie.
DEEL B
Beginselen van planning en vluchtuitvoering
1.De Netwerkbeheerder en de operationele belanghebbenden zorgen voor de plannen en uitvoering van de taken ter ondersteuning van de ATFM-functie voor:
a)alle fasen van alle vluchten die als algemeen luchtverkeer en geheel of gedeeltelijk overeenkomstig de instrumentvliegvoorschriften (IFR) zullen worden uitgevoerd of worden uitgevoerd;
b)alle fasen van de onder a) bedoelde vluchten en luchtverkeersbeheer.
2.Er wordt gezorgd voor passende samenwerking en coördinatie tussen de werkregelingen van de Netwerkbeheerder ter ondersteuning van de ATFM-functie en de relevante ICAO-werkregelingen die betrekking hebben op ATFM-aspecten bij de interfaces.
3.Militaire luchtvaartuigen die als algemeen luchtverkeer vliegen, vallen onder de ATFM-maatregelen wanneer zij (zullen) vliegen in delen van het luchtruim of van/naar luchthavens waarop ATFM-maatregelen van toepassing zijn.
4.De volgende beginselen zijn van toepassing op de ATFM-functie:
a)ATFM-maatregelen hebben tot doel:
(I)veilige vluchtuitvoeringen te ondersteunen en een te grote vraag naar luchtverkeer in vergelijking met de aangekondigde ATC-capaciteit van sectoren en luchtvaartterreinen, met inbegrip van banen, te voorkomen;
(II)de EATMN-capaciteit zoveel mogelijk aan te wenden om de efficiëntie van het EATMN te optimaliseren en de negatieve gevolgen voor exploitanten tot een minimum te beperken;
(III)ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk EATMN-capaciteit ter beschikking wordt gesteld via de ontwikkeling en toepassing van capaciteitsverhogende maatregelen door ATS-eenheden;
(IV)het beheer van kritieke gebeurtenissen te ondersteunen;
b)de ATFM-vertrekslots worden toegewezen in de volgorde van de geplande binnenkomst van de vlucht op de locatie waarop de ATFM-maatregel van toepassing is, tenzij bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld ten gevolge van behoeften op het vlak van beveiliging en defensie, een andere prioriteitsregel vereisen waarover overeenstemming is bereikt en die het EATMN ten goede komt;
c)de trajecttijden in de plannings- en uitvoeringsfase moeten samenhangend zijn met alle toegepaste ATFM-maatregelen en worden door de Netwerkbeheerder meegedeeld aan de exploitanten van luchtvaartuigen, ATS-eenheden en lokale ATFM-eenheden;
d)op vluchten die vertrekken uit het geografische gebied waar de ATFM-maatregelen worden toegepast en uit aangrenzende vluchtinformatiegebieden, zoals beschreven in de passende ICAO-documenten, is ATFM-slottoewijzing van toepassing. Vluchten die vertrekken uit andere gebieden worden vrijgesteld van ATFM-slottoewijzing, maar vallen wel onder beperkingen inzake routes, verkeersoriëntatieregelingen en trajecttijden.
5.De lidstaten zorgen ervoor dat:
a)de betrokken partijen 24 uur per dag over de ATFM-functie kunnen beschikken en de lokale ATFM-eenheid uitsluitend een afgebakende zone beheert met betrekking tot het onder haar verantwoordelijkheid vallende luchtruim binnen het geografische gebied waarin ATFM-maatregelen worden toegepast;
b)samenhangende procedures worden opgesteld voor de samenwerking tussen de partijen die betrokken zijn bij de ATFM-functie, de ATS-eenheden en de entiteiten die betrokken zijn bij het luchtruimbeheer, om te zorgen voor efficiënte planning, toewijzing en gebruik van het luchtruim, en voor rechtstreekse koppelingen tussen luchtruimbeheer en ATFM;
c)gemeenschappelijke procedures voor het aanvragen van een uitzondering op een ATFM-vertrekslot in overeenstemming zijn met de in het aanhangsel vermelde ICAO-bepalingen. Die procedures worden gecoördineerd met de Netwerkbeheerder, via zijn centrale ATFM-eenheid, en worden bekendgemaakt in nationale luchtvaartgidsen.
6.De Netwerkbeheerder:
a)optimaliseert de algemene prestaties van het Europese netwerk voor luchtverkeersbeheer via planning, coördinatie en tenuitvoerlegging van overeengekomen ATFM-maatregelen, met inbegrip van overgangsplannen voor de indienststelling van grote verbeteringen met betrekking tot het luchtruim of ATM-systemen en ongunstige weersomstandigheden, via coöperatieve besluitvorming;
b)overlegt met exploitanten over de omschrijving van ATFM-maatregelen;
c)sluit werkregelingen met de lokale ATFM-eenheden;
d)zorgt voor de ontwikkeling, beschikbaarheid en effectieve tenuitvoerlegging van ATFM-maatregelen (voor alle ATFM-fasen), samen met lokale ATFM-eenheden; als dergelijke ATFM-maatregelen gevolgen hebben voor het ruimere netwerk, bepaalt de Netwerkbeheerder, op basis van coöperatieve besluitvorming, de aard van de ten uitvoer te leggen ATFM-maatregelen;
e)identificeert in overleg met lokale ATFM-eenheden alternatieve routes om gebieden met congestie te vermijden of de congestie te verlichten, rekening houdende met de algemene prestaties van het Europees netwerk voor luchtverkeersbeheer;
f)stelt alternatieve routes voor aan vluchten die voor een optimaal effect van punt e) zouden zorgen;
g)zorgt, in overleg met de ATS-eenheden en de lokale ATFM-eenheden, voor de vaststelling, coördinatie en tenuitvoerlegging van passende maatregelen om te voorzien in de voor de verkeersvraag benodigde capaciteit doorheen relevante delen van hun bevoegdheidsgebied;
h)verstrekt tijdig informatie over ATFM-vluchtuitvoeringen aan exploitanten van luchtvaartuigen, lokale ATFM-eenheden en ATS-eenheden, met inbegrip van:
(I)geplande ATFM-maatregelen;
(II)het effect van ATFM-maatregelen op de vertrektijd en het vluchtprofiel van individuele vluchten;
i)gaat na hoe vaak vliegplannen ontbreken en meervoudige vliegplannen worden ingediend;
j)schort een vliegplan op wanneer, gelet op de tijdstolerantie, het ATFM-vertrekslot niet kan worden gehaald en geen nieuw geraamd off-blocktijdstip bekend is;
k)houdt toezicht op het aantal verleende vrijstellingen van ATFM-maatregelen;
l)ontwikkelt, actualiseert en publiceert noodplannen waarin de acties zijn gedefinieerd die de relevante operationele belanghebbenden moeten nemen in het geval van een grote storing in een van de onderdelen van de ATFM-functie op netwerkniveau, die zou resulteren in een aanzienlijke afname van de capaciteit of in een ingrijpende verstoring van de verkeersstromen, of beide;
m)wisselt alle passende post-operationele analyses en evaluaties uit met alle operationele belanghebbenden;
n)stelt werkregelingen op om tijdig bij de luchtruimgebruikers geactualiseerde informatie over de vraag te verzamelen voor alle ATFM-fasen en deze te delen met de lokale ATFM-eenheden, teneinde de voorspelbaarheid van het EATMN op passende wijze te kunnen garanderen.
7.De ATS-eenheden:
a)coördineren, via de lokale ATFM-eenheden, ATFM-maatregelen met de Netwerkbeheerder om ervoor te zorgen dat de gekozen maatregelen gericht zijn op de optimalisering van de algehele prestaties van het EATMN;
b)zorgen ervoor dat de op luchthavens toegepaste ATFM-maatregelen worden gecoördineerd met de betrokken luchthavenexploitant, teneinde de efficiëntie bij de planning en het gebruik van de luchthaven te garanderen ten behoeve van alle betrokken operationele belanghebbenden;
c)stellen de Netwerkbeheerder via de lokale ATFM-eenheden in kennis van alle gebeurtenissen, met inbegrip van overgangsplannen voor de indienststelling van grote verbeteringen met betrekking tot het luchtruim of ATM-systeem en ongunstige weersomstandigheden, die gevolgen kunnen hebben voor de luchtverkeersleidingscapaciteit of de vraag naar luchtverkeer, en van de voorgestelde risicobeperkende maatregelen;
d)verstrekken de Netwerkbeheerder en de lokale ATFM-eenheden, voor zover technisch haalbaar, de onderstaande gegevens en latere actualiseringen, op tijdige wijze en met inachtneming van de kwaliteit:
(I)luchtruim en routestructuren;
(II)beschikbaarheid van luchtruim en routes, inclusief beschikbaarheid door flexibel gebruik van het luchtruim overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2150/2005 van de Commissie;
(III)sectorconfiguraties van ATS-eenheden en activeringen;
(IV)luchthaventaxitijden en baanconfiguraties;
(V)luchtverkeersleidingssectoren en luchthavencapaciteit, met inbegrip van baancapaciteit;
(VI)geactualiseerde vluchtposities;
(VII)afwijkingen van vliegplannen;
(VIII)werkelijke vertrektijden van vluchten;
(IX)informatie over de operationele beschikbaarheid van de CNS-luchtverkeersleidingsinfrastructuur (Communicatie, Navigatie, Surveillance).
8.De in punt 7, onder d), bedoelde gegevens worden uitgewisseld tussen de Netwerkbeheerder en de operationele belanghebbenden.
9.Om de voorspelbaarheid van het netwerk te garanderen, ziet de ATS-eenheid op de luchthaven van vertrek erop toe dat vluchten die hun geraamde off-blocktijden niet naleven, rekening houdende met de vastgestelde tijdstolerantie, of vluchten met een geweigerd of opgeschort vluchtplan, geen klaring krijgen om op te stijgen.
10.De lokale ATFM-eenheden:
a)doen dienst als contactpunt en interface tussen, enerzijds, de Netwerkbeheerder die centrale ATFM verstrekt en, anderzijds, aangewezen zones en hun bijbehorende luchthavens en (militaire en civiele) ATS-eenheden binnen hun bevoegdheidsgebied, op basis van de rollen en verantwoordelijkheden die zijn overeengekomen in passende werkregelingen met de Netwerkbeheerder;
b)stellen passende lokale procedures op die in overeenstemming zijn met de procedures die zijn opgesteld door de Netwerkbeheerder die centrale ATFM verstrekt, met inbegrip van tijdelijke procedures;
c)verstrekken de Netwerkbeheerder centrale ATFM, met alle vereiste lokale gegevens voor de uitvoering van de ATFM-functie;
d)zorgen, in overleg met relevante ATS-eenheden en de Netwerkbeheerder die centrale ATFM verstrekt, voor passende tenuitvoerlegging van ATFM-maatregelen voor de optimalisering van de verkeersstromen en het evenwicht tussen vraag en capaciteit, door het efficiënte gebruik van de beschikbare capaciteit te coördineren. Als die maatregelen gevolgen hebben voor het ruimere netwerk, moet worden gezorgd voor regionale coördinatie onder de auspiciën van de Netwerkbeheerder;
e)stellen de Netwerkbeheerder in kennis van alle gebeurtenissen, met inbegrip van overgangsplannen voor de introductie van grote verbeteringen met betrekking tot het luchtruim of ATM-systeem en voor ongunstige weersomstandigheden, die gevolgen kunnen hebben voor de luchtverkeersleidingscapaciteit of de vraag naar luchtverkeer, en van de voorgestelde risicobeperkende maatregelen;
f)zorgen, in overleg met de relevante ATS-eenheden en de Netwerkbeheerder, voor post-operationele analyses om na te gaan met welke middelen de netwerkprestaties kunnen worden verbeterd;
g)beschikken over voortdurend bijgewerkte en vooraf vastgestelde noodplannen waarin in detail is uiteengezet hoe de gebieden onder hun verantwoordelijkheid worden beheerd om de Netwerkbeheerder in staat te stellen bijstand te verlenen aan lokale ATFM-eenheden in het geval van noodoperaties. Die lokale plannen worden gedeeld en gecoördineerd met de Netwerkbeheerder.
11.Wanneer een meldingspost voor plaatselijke verkeersleiding is opgezet, faciliteert deze de uitwisseling van informatie tussen piloten of exploitanten en de lokale ATFM-eenheid of de Netwerkbeheerder die centrale ATFM verleent.
12.De exploitanten van luchtvaartuigen:
a)dienen één vluchtplan in voor elke geplande vlucht. Het ingediende plan moet een correcte weergave van het geplande vluchtprofiel zijn;
b)zorgen dat alle relevante ATFM-maatregelen en wijzigingen daarvan worden opgenomen in de geplande vluchtuitvoering;
c)nemen deel aan de werkregelingen die door de Netwerkbeheerder zijn opgesteld om te zorgen voor tijdige en actuele informatie over de vraag naar luchtverkeer in alle ATFM-fasen.
13.De luchthavenexploitanten:
a)treffen regelingen met de lokale ATS-eenheid om:
(I)alle informatie over capaciteit en vraag naar luchtverkeer en de evolutie daarvan in alle ATFM-fasen, met name vóór de publicatie van de dienstregeling, uit te wisselen en te coördineren met de relevante lokale ATFM-eenheden en de Netwerkbeheerder;
(II)de relevante lokale ATFM-eenheden en de Netwerkbeheerder in kennis te stellen van alle gebeurtenissen die van invloed kunnen zijn op de luchtverkeersleidingscapaciteit of de vraag naar luchtverkeer;
b)stellen processen vast voor de beoordeling van de vraag en de gevolgen voor de vraag van bijzondere gebeurtenissen die van toepassing zijn op alle ATFM-fasen.
14.Wat de samenhang tussen luchthavenslots en vluchtplannen betreft:
a)wanneer een luchthavenslotcoördinator of een exploitant van een gecoördineerde luchthaven daarom vraagt, verstrekt de Netwerkbeheerder of de lokale ATFM-eenheid hem het vluchtplan van een op die luchthaven geëxploiteerde vlucht alvorens die vlucht plaatsvindt. De luchthavenslotcoördinatoren of de exploitanten van gecoördineerde luchthavens stellen de infrastructuur ter beschikking die vereist is voor de inontvangstname van de door de Netwerkbeheerder of de lokale ATFM-eenheid verstrekte vluchtplannen;
b)vóór de vlucht verstrekken de luchtvaartmaatschappijen de luchthavens van vertrek en aankomst de informatie die nodig is om een verband te leggen tussen het vluchtnummer in het vluchtplan en het vluchtnummer dat is aangemeld voor het overeenkomstige luchthavenslot; dit verband wordt verstrekt door de Netwerkbeheerder, de lokale ATFM-eenheid, de lokale ATS-eenheid of de luchthavenexploitant, al naargelang het geval;
c)alle luchtvaartmaatschappijen, luchthavenexploitanten en ATS-eenheden wijzen de slotcoördinator van de luchthaven op het bij herhaling uitvoeren van luchtdiensten op tijden die wezenlijk verschillen van de toegewezen luchthavenslots of op het gebruik van slots op een wezenlijk andere wijze dan was aangegeven ten tijde van de toewijzing van de slots, voor zover de luchthavenexploitatie of het luchtverkeer daardoor wordt geschaad;
d)de Netwerkbeheerder wijst de luchthavenslotcoördinator op het bij herhaling uitvoeren van luchtdiensten op tijden die wezenlijk verschillen van de toegewezen luchthavenslots of op het gebruik van slots op een wezenlijk andere wijze dan was aangegeven ten tijde van de toewijzing van de slots, voor zover de ATFM daardoor wordt geschaad.
15.Bij de toepassing van informatie voor de planning van vertrek en aankomst plegen de lokale operationele belanghebbenden van de luchthaven overleg met de Netwerkbeheerder over de vaststelling en werking van die functie en de bijbehorende gegevensuitwisseling.
16.Met betrekking tot kritieke gebeurtenissen:
a)ontwikkelt, actualiseert en publiceert de Netwerkbeheerder ATFM-procedures voor de afhandeling van kritieke gebeurtenissen op het niveau van het netwerk. In die ATFM-procedures wordt uiteengezet welke acties de relevante operationele belanghebbenden moeten nemen in het geval van een grote storing in een component van het EATMN, die zou resulteren in een aanzienlijke afname van de capaciteit of in ingrijpende verstoringen van de verkeersstromen, of beide;
b)bij de voorbereiding op kritieke gebeurtenissen coördineren ATS-eenheden en luchthavenexploitanten de relevantie en inhoud van de noodprocedures met de Netwerkbeheerder en lokale ATFM-eenheden, de door de kritieke gebeurtenissen getroffen luchtvaartmaatschappijen en, indien van toepassing, de luchthavenslotcoördinatoren, met inbegrip van eventuele aanpassingen van de prioriteitsregels. De noodprocedures omvatten:
(I)organisatorische en coördinatieregelingen;
(II)ATFM-maatregelen om de toegang tot de door kritieke gebeurtenissen geraakte gebieden te beheren ter voorkoming van een te grote vraag naar luchtverkeer in verhouding tot de opgegeven capaciteit van het luchtruim of de betrokken luchthavens, als geheel of een deel daarvan;
(III)omstandigheden, voorwaarden en procedures voor de toepassing van prioriteitsregels voor vluchten, waarbij de essentiële belangen van de lidstaten op het gebied van het veiligheids- of defensiebeleid worden gerespecteerd;
(IV)herstelregelingen.
DEEL C
Toezicht op de ATFM-functie
1.Om de voorspelbaarheid en dus ook de prestaties van het Europese netwerk voor luchtverkeersbeheer te garanderen, zijn informatie over en naleving van geplande vluchtuitvoeringen en de ATFM-maatregelen van het allergrootste belang. Daartoe wordt voorzien in specifiek toezicht op de ATFM-functie.
2.De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer in de loop van een jaar hoogstens 80 % van de vluchten op een luchthaven zich aan de ATFM-vertrekslots houden, zoals vastgesteld door de Netwerkbeheerder, de ATS-eenheid op die luchthaven relevante informatie verstrekt over de niet-naleving en over de maatregelen die zijn genomen om te garanderen dat de vluchten zich aan de ATFM-vertrekslots houden. Die maatregelen moeten worden vermeld in het door de betrokken lidstaat bij de Commissie in te dienen verslag.
3.In het geval weigeringen of schorsingen van vluchtplannen niet worden nageleefd, stelt de ATS-eenheid op de desbetreffende luchthaven de Netwerkbeheerder in kennis van alle relevante informatie over de niet-naleving en van de maatregelen die zijn genomen om de naleving te garanderen. Die maatregelen moeten worden vermeld in het door de Netwerkbeheerder bij de Commissie in te dienen verslag.
4.In het geval afwijkingen worden toegestaan voor meer dan 0,6 % van het aantal vertrekken in een lidstaat per jaar, stelt de Netwerkbeheerder die lidstaat daarvan in kennis. Indien een lidstaat aldus in kennis is gesteld, stelt hij een verslag op met nadere informatie over de toegestane afwijkingen en dient hij dit verslag in bij de Commissie.
5.De Netwerkbeheerder ziet erop toe dat de luchtvaartmaatschappij in kennis wordt gesteld van niet-naleving van ATFM-maatregelen die voortvloeien uit de toepassing van de eisen met betrekking tot ontbrekende en meervoudige vluchtplannen. Wanneer een luchtvaartmaatschappij aldus in kennis is gesteld, stelt zij een verslag op met nadere informatie over de omstandigheden en de maatregelen die zijn genomen om de niet-naleving te verhelpen. De Netwerkbeheerder stelt een jaarverslag op dat bij de Commissie moet worden ingediend; dat verslag moet nadere informatie bevatten over ontbrekende vluchtplannen of over ingediende meervoudige vluchtplannen.
6.De Netwerkbeheerder voert een jaarlijkse beoordeling uit van de naleving van ATFM-maatregelen om te garanderen dat alle operationele belanghebbenden het niveau van naleving van die maatregelen verbeteren.
7.De Netwerkbeheerder stelt jaarverslagen op en dient deze in bij de Commissie. In deze verslagen wordt de kwaliteit van de ATFM-functie aangegeven en wordt nadere informatie verstrekt over:
a)de oorzaken van ATFM-maatregelen;
b)de gevolgen van ATFM-maatregelen;
c)de naleving van ATFM-maatregelen;
d)bijdragen van alle operationele belanghebbenden tot de optimalisering van het algehele netwerkeffect;
e)aanbevelingen over deze punten, teneinde de netwerkprestaties te verbeteren.
8.De Netwerkbeheerder ziet erop toe dat een archief van de gegevens in deze bijlage, de vluchtplannen, de operationele logboeken en de relevante contextuele gegevens wordt opgezet en bijgehouden. Die gegevens worden twee jaar bijgehouden en indien nodig ter beschikking gesteld van de Commissie, de lidstaten, de ATS-eenheden en de luchtvaartmaatschappijen. Deze gegevens worden ook ter beschikking gesteld van luchthavenslotcoördinatoren en -exploitanten om hen te helpen bij hun regelmatige beoordelingen van de opgegeven capaciteit.
Aanhangsel
Lijst van ICAO-bepalingen voor de toepassing van de regeling van luchtverkeersstromen
1.Hoofdstuk 3, punt 3.7.5 (Air Traffic Flow Management) van bijlage 11 bij het Verdrag van Chicago — Air Traffic Services (14e editie — juli 2016, inclusief amendement nr. 50A).
2.Hoofdstuk 3 (ATS Capacity and Air Traffic Flow Management) van ICAO Doc. 4444 — Procedures for Air Navigation Services — Air traffic management (PANS-ATM) (16de editie — 2016, inclusief amendement nr. 7A).
3.Hoofdstukken 2 en 8 (Air Traffic Flow Management) van ICAO Doc 7030, European (EUR) Regional Supplementary Procedures (5de editie 2007).
BIJLAGE III
DE FUNCTIE "RADIOFREQUENTIE"
DEEL A
Doel en toepassingsgebied
1.De doelstellingen van deze functie zijn:
a)het gebruik van het Europees luchtvaartradiospectrum te optimaliseren door verbeteringen van de procedures voor frequentiebeheer en de planningscriteria, teneinde te voorkomen dat een tekort aan frequenties ontstaat, hetgeen de netwerkcapaciteit zou beperken;
b)de transparantie van de praktijken voor frequentiebeheer te verbeteren, zodat het mogelijk wordt het efficiënte gebruik van frequenties accuraat te beoordelen en oplossingen te zoeken om tegemoet te komen aan de toekomstige vraag naar frequenties;
c)de effectiviteit van de processen voor frequentiebeheer te vergroten door beste praktijken te bevorderen en bijbehorende tools te ontwikkelen.
2.De Netwerkbeheerder en de nationale frequentiebeheerders moeten overeenstemming bereiken over algemene prioriteiten voor de functie, teneinde het ontwerp en de werking van het Europese routenetwerk te verbeteren. Die prioriteiten worden gedocumenteerd in de vorm van het deel "frequentie" in het strategisch netwerkplan en het operationeel netwerkplan, waarna de belanghebbenden moeten worden geraadpleegd. Bij de vaststelling van de prioriteiten kunnen met name specifieke banden, gebieden en diensten worden overwogen.
DEEL B
Eisen voor de uitvoering van de functie
1.De lidstaten stellen een bevoegde persoon, autoriteit of organisatie aan tot nationale frequentiebeheerder; het is de verantwoordelijkheid van deze nationale frequentiebeheerder te garanderen dat de frequentietoewijzingen plaatsvinden, worden gewijzigd en worden beëindigd overeenkomstig deze verordening. De lidstaten stellen de Commissie en de Netwerkbeheerder in kennis van de namen en adressen van de nationale frequentiebeheerders en melden tijdig elke wijziging in de aanstellingen.
2.De Netwerkbeheerder zorgt voor de voorbereiding en coördinatie van de netwerkgerelateerde aspecten van het strategische spectrum die op passende wijze moeten worden gedocumenteerd in het strategisch netwerkplan en het operationeel netwerkplan. De Netwerkbeheerder ondersteunt de Commissie en de lidstaten bij de voorbereiding van gemeenschappelijke standpunten over luchtvaartthema’s, zodat de lidstaten een gecoördineerde bijdrage kunnen leveren tot internationale fora, met name de Europese Conferentie van post- en telecommunicatieadministraties (CEPT) en de Internationale Telecommunicatie-unie (ITU).
3.Op verzoek van de lidstaten stelt de Netwerkbeheerder de Commissie in kennis en onderneemt hij samen met de Commissie en de Europese Conferentie van post- en telecommunicatieadministraties (CEPT) acties om problemen met andere industriële sectoren te bespreken.
4.De nationale frequentiebeheerders brengen aan de Netwerkbeheerder verslag uit over gevallen van radio-interferentie die gevolgen hebben voor het Europese routenetwerk. De Netwerkbeheerder registreert gevallen van radio-interferentie en ondersteunt de nationale frequentiebeheerders in hun beoordeling. Op verzoek van de nationale frequentiebeheerders coördineert de Netwerkbeheerder acties of verleent hij alle nodige steun om dergelijke gevallen te verhelpen of de risico's ervan te beperken.
5.De Netwerkbeheerder en de nationale frequentiebeheerders ontwikkelen en verbeteren de procedures voor frequentiebeheer, de planningscriteria, de gegevensreeksen en de processen om het gebruik en de benutting van het radiospectrum door gebruikers van het algemene luchtverkeer te verbeteren. Op verzoek van de lidstaten stelt de Netwerkbeheerder voor om de toepassing van deze ontwikkelingen uit te breiden tot het regionale niveau.
6.Wanneer een frequentietoewijzing nodig is, dient het individu of de organisatie die een frequentie wil gebruiken een verzoek in bij de desbetreffende nationale frequentiebeheerder, vergezeld van alle relevante gegevens en een motivering.
7.De nationale frequentiebeheerders en de Netwerkbeheerder baseren zich op operationele eisen en overeengekomen criteria voor de beoordeling en prioriteitstoekenning van verzoeken om frequentietoewijzingen. In samenwerking met de nationale frequentiebeheerders bepaalt de Netwerkbeheerder de gevolgen van frequentieverzoeken voor het netwerk. De Netwerkbeheerder stelt de beoordelings- en prioriteringscriteria op in overleg met de nationale frequentiebeheerders en zorgt vervolgens voor het beheer en de actualisering ervan, indien nodig.
8.Als het verzoek geen gevolgen heeft voor het netwerk gaat de Netwerkbeheerder na welke frequentie(s) geschikt is (zijn) om aan het verzoek tegemoet te komen, rekening houdende met de eisen van punt 12.
9.Als het verzoek gevolgen heeft voor het netwerk gaat de Netwerkbeheerder na welke frequentie(s) geschikt is (zijn) om aan het verzoek tegemoet te komen, rekening houdende met de volgende eisen:
a)de noodzaak om een veilige communicatie-, navigatie- en toezichtsstructuur ter beschikking te stellen;
b)de noodzaak om het eindige radiospectrum optimaal te benutten;
c)de behoefte aan kosteneffectieve, eerlijke en transparante toegang tot het radiospectrum;
d)de operationele eisen van de aanvrager(s) en de operationele belanghebbenden;
e)de voorspelde vraag naar radiofrequenties;
f)de bepalingen van het Europese handboek voor frequentiebeheer (European Frequency Management Manual) van de ICAO.
10.Wanneer geen gepaste frequentie kan worden bepaald, zoals vermeld in de punten 11 en 12, kunnen de nationale frequentiebeheerders de Netwerkbeheerder vragen op zoek te gaan naar een specifieke frequentie. Om de nationale frequentiebeheerders te helpen bij het zoeken naar een oplossing, kan de Netwerkbeheerder, met de steun van de nationale frequentiebeheerders, een specifiek onderzoek voeren naar het frequentiegebruik in het desbetreffende geografische gebied.
11.De nationale frequentiebeheerder wijst de overeenkomstig punt 12 of 13 geïdentificeerde geschikte frequenties toe.
12.De nationale frequentiebeheerder registreert elke frequentietoewijzing in het centrale register, met vermelding van de volgende informatie:
a)de gegevens die zijn gedefinieerd in het Europese handboek voor frequentiebeheer van de ICAO, inclusief relevante bijbehorende technische en operationele gegevens;
b)verbeterde gegevensvoorschriften, zoals vermeld in punt 6;
c)een beschrijving van het operationele gebruik van de frequentietoewijzing;
d)de contactgegevens van de operationele belanghebbende die zal gebruikmaken van de toewijzing.
De lidstaten gebruiken dit centrale register om hun administratieve verplichtingen inzake de registratie van frequentietoewijzingen ten overstaan van de ICAO te vervullen.
13.De nationale frequentiebeheerder stelt gebruiksvoorwaarden bij het toewijzen van een frequentie aan de aanvrager. In die voorwaarden wordt minstens bepaald dat de frequentietoewijzing:
a)geldig moet blijven zolang zij gebruikt wordt om tegemoet te komen aan de door de aanvrager beschreven operationele eisen;
b)het voorwerp kan uitmaken van een verzoek om een frequentieverschuiving en dat dergelijke verschuivingen binnen een beperkte tijdspanne ten uitvoer moeten worden gelegd;
c)kan worden gewijzigd zodra zich wijzigingen voordoen in het door de aanvrager vermelde operationele gebruik.
14.De nationale frequentiebeheerders zien erop toe dat een vereiste frequentieverschuiving, -wijziging of -beëindiging binnen de overeengekomen tijdspanne wordt uitgevoerd door het individu of de organisatie aan wie/waaraan de desbetreffende frequentie is toegewezen en dat het centrale register dienovereenkomstig wordt aangepast. Als dergelijke acties niet kunnen worden uitgevoerd, moeten de nationale frequentiebeheerders dit op passende wijze verantwoorden ten overstaan van de Netwerkbeheerder.
15.De nationale frequentiebeheerders zien erop toe dat de in punt 12 van deel B vermelde informatie over alle in het Europese luchtvaartnetwerk gebruikte frequentietoewijzingen beschikbaar zijn in het centrale register.
16.De Netwerkbeheerder en de nationale frequentiebeheerder(s) zien toe op en beoordelen de luchtvaartfrequentiebanden en frequentietoewijzingen op basis van transparante procedures, teneinde ervoor te zorgen dat ze correct en efficiënt worden gebruikt. De Netwerkbeheerder stelt in overleg met de nationale frequentiebeheerders procedures op en zorgt vervolgens voor het beheer en de actualisering ervan, indien nodig. De Netwerkbeheerder gaat met name na of er verschillen zijn tussen het centrale register, de operationele doelstelling en het werkelijke gebruik van de toegewezen frequenties, welke een nadelig effect kunnen hebben op de radiofrequentiefunctie. Als de Netwerkbeheerder dergelijke verschillen vaststelt, deelt hij dit mee aan de nationale frequentiebeheerder, die binnen een overeengekomen termijn een oplossing moet zoeken.
17.De Netwerkbeheerder zorgt ervoor dat gemeenschappelijke instrumenten beschikbaar zijn om de centrale en nationale planning, de coördinatie, de registratie, de audits en de optimalisering te ondersteunen. De Netwerkbeheerder ontwikkelt met name instrumenten om de analyse van de gegevens in het centrale register te ondersteunen, om toezicht te houden op de efficiëntie van de functie en om het in punt 7 vermelde proces voor optimalisering van de frequenties te ontwerpen en toe te passen.
DEEL C
Eisen voor de organisatie van de frequentiefunctie
1.Het proces van coöperatieve besluitvorming tussen nationale frequentiebeheerders en de Netwerkbeheerder wordt gebaseerd op regelingen waarin minstens het volgende is gespecificeerd:
a)de criteria die worden toegepast voor de beoordeling van operationele eisen en de rangorde van deze criteria volgens prioriteit;
b)minimumtermijnen voor de coördinatie van nieuwe of gewijzigde radiofrequentietoewijzingen;
c)mechanismen om te garanderen dat de relevante EU-wijde prestatiedoelen door de Netwerkbeheerder en de nationale frequentiebeheerders worden gehaald;
d)dat procedures, criteria en processen voor verbeterd frequentiebeheer geen negatieve gevolgen mogen hebben voor de procedures, criteria en processen die door andere landen worden toegepast in het kader van regionale procedures van de ICAO;
e)de eisen om te garanderen dat de lidstaten op passende wijze onderling en met alle betrokken belanghebbenden op nationaal en Europees niveau overleg plegen over nieuwe of gewijzigde beheerregelingen.
2.Ontwikkelingen van regelingen voor de coördinatie van radiofrequenties moeten in samenwerking met de nationale frequentiebeheerders worden vastgesteld en de vaste kosten zoveel mogelijk doen afnemen.
3.Via de regionale werkregelingen van de ICAO worden derde landen die niet deelnemen aan de werkzaamheden van de Netwerkbeheerder geraadpleegd over het strategische en tactische gebruik van radiofrequenties. Dit gebeurt eveneens om deze derde landen toegang te verschaffen tot de werkzaamheden van de Netwerkbeheerder.
4.De lidstaten zien erop toe dat het gebruik van luchtvaartfrequentiebanden door militaire gebruikers op passende wijze, via coöperatieve besluitvorming, wordt gecoördineerd met de nationale frequentiebeheerders en de Netwerkbeheerder.
BIJLAGE IV
DE FUNCTIE "RADARTRANSPONDERCODES"
DEEL A
Doelstellingen en algemene voorschriften
Transpondercode (TC):
1.De doelstellingen van deze functie zijn:
a)de robuustheid van het codetoewijzingsproces te verbeteren door duidelijke taken en verantwoordelijkheden voor alle betrokken belanghebbenden vast te stellen; bij de toewijzing van codes moeten de algemene prestaties van het netwerk centraal staan;
b)de transparantie bij de toewijzing en het gebruik van codes te vergroten, zodat de efficiëntie van het totale netwerk beter kan worden beoordeeld.
2.De Netwerkbeheerder wijst de SSR-transpondercodes toe aan de lidstaten en de verleners van luchtvaartnavigatiediensten op een manier die een zo veilig en efficiënt mogelijke spreiding mogelijk maakt, rekening houdende met:
a)de operationele eisen van alle operationele belanghebbenden;
b)de werkelijke en voorspelde niveaus van het luchtverkeer;
c)het vereiste gebruik van SSR-transpondercodes overeenkomstig de relevante bepalingen en richtsnoeren van het "ICAO Regional Air Navigation Plan, European Region, Facilities and Services Implementation Document".
3.De Netwerkbeheerder stelt te allen tijde een lijst van SSR-transpondercodetoewijzingen, met een beschrijving van de volledige en geactualiseerde toewijzingen van SSR-codes, ter beschikking van de lidstaten, de verleners van luchtvaartnavigatiediensten en derde landen.
4.De Netwerkbeheerder past een formeel proces toe voor de vaststelling, beoordeling en coördinatie van de eisen voor SSR-transpondercodetoewijzingen, rekening houdende met alle vereiste civiele en militaire toepassingen van SSR-transpondercodes.
5.Het in punt 4 vermelde formele proces omvat minstens relevante overeengekomen procedures, termijnen en prestatiedoelen voor het voltooien van de volgende activiteiten:
a)de indiening van aanvragen voor de toewijzing van SSR-transpondercodes;
b)de beoordeling van aanvragen voor de toewijzing van SSR-transpondercodes;
c)de coördinatie van voorgestelde wijzigingen van SSR-transpondercodetoewijzingen met lidstaten, overeenkomstig de in deel B vastgestelde eisen;
d)periodieke audits van de transpondercodetoewijzingen en van de behoefte aan dergelijke toewijzingen, teneinde de situatie te optimaliseren, inclusief nieuwe toewijzingen van bestaande codes;
e)periodieke aanpassing, goedkeuring en verspreiding van de in punt 3 vermelde lijst van SSR-transpondercodetoewijzingen;
f)aanmelding, beoordeling en oplossing van onverwachte conflicten tussen SSR-transpondercodetoewijzingen;
g)aanmelding, beoordeling en oplossing van verkeerde SSR-transpondercodetoewijzingen die bij coderetentiecontroles worden vastgesteld;
h)aanmelding, beoordeling en oplossing van onverwachte tekortkomingen bij SSR-transpondercodetoewijzingen;
i)gegevens- en informatieverstrekking overeenkomstig de in deel C vastgestelde eisen.
6.De Netwerkbeheerder gaat na of aanvragen voor toewijzingen van SSR-transpondercodes die in het kader van het in punt 4 vermelde proces worden ontvangen, beantwoorden aan de eisen inzake formaat en gegevensconventies, volledigheid, nauwkeurigheid, tijdigheid en motivering.
7.De lidstaten zien erop toe dat SSR-transpondercodes aan luchtvaartuigen worden toegewezen overeenkomstig de in punt 3 genoemde lijst van SSR-transpondercodetoewijzingen.
8.De Netwerkbeheerder past namens de lidstaten en de verleners van luchtvaartnavigatiediensten een gecentraliseerd systeem voor de automatische toewijzing en het beheer van SSR-transpondercodes aan het algemene luchtverkeer toe.
9.De Netwerkbeheerder maakt gebruik van procedures en instrumenten voor de regelmatige evaluatie en beoordeling van het werkelijke gebruik van SSR-transpondercodes door de lidstaten en verleners van luchtvaartnavigatiediensten.
10.De Netwerkbeheerder, de lidstaten en de verleners van luchtvaartnavigatiediensten bereiken overeenstemming over plannen en procedures voor de ondersteuning van de periodieke analyse en identificatie van toekomstige eisen inzake SSR-transpondercodes. Die analyse omvat de identificatie van voorspelde tekortkomingen bij de toewijzing van SSR-transpondercodes die gevolgen kunnen hebben voor de prestaties.
11.De Netwerkbeheerder zorgt voor de opstelling en actualisering van vluchtuitvoeringshandboeken, welke de nodige instructies en informatie bevatten die het mogelijk maken de netwerkfunctie te vervullen overeenkomstig de eisen van deze verordening. Die vluchtuitvoeringshandboeken worden verspreid en bijgehouden overeenkomstig passende processen voor kwaliteitsbeheer en documentconfiguratie.
Mode S-ondervragingscode:
12.De doelstellingen van dit proces zijn:
a)de Mode S-ondervragingscodes op gecoördineerde wijze toewijzen en daardoor de algehele efficiëntie van het netwerk verbeteren;
b)de basis leggen voor betere handhaving en beter toezicht.
13.De Netwerkbeheerder wijst de ondervragingscodes toe aan civiele en militaire Mode S-ondervragingssystemen op een wijze die de veilige en efficiënte werking van de luchtverkeerssurveillance en de civiel-militaire coördinatie optimaliseert, met inachtneming van:
a)de operationele eisen van alle operationele belanghebbenden;
b)Verordening (EG) nr. 262/2009 van de Commissie
;
c)het vereiste beheer van Mode S-ondervragingscodes, overeenkomstig de bepalingen van de Europese beginselen en procedures voor de toewijzing van Mode S-ondervragingscodes voor secundaire surveillanceradar (ICAO EUR Doc 024).
14.De Netwerkbeheerder beheert namens de lidstaten een gecentraliseerd systeem voor de toewijzing van ondervragingscodes
, dat de gecoördineerde toewijzing van ondervragingscodes aan Mode S-ondervragingssystemen mogelijk maakt.
15.De lidstaten stellen een gecentraliseerde dienst voor de toewijzing van ondervragingscodes ter beschikking van Mode S-operators via het systeem voor de toewijzing van ondervragingscodes.
16.De Netwerkbeheerder stelt te allen tijde een plan voor de toewijzing van ondervragingscodes ter beschikking van de lidstaten, Mode S-operators en derde landen; dat plan bevat de meest recent goedgekeurde volledige reeks van toewijzingen van ondervragingscodes in het Europese ICAO-gebied.
17.De Netwerkbeheerder past een formeel proces toe voor de vaststelling, beoordeling en coördinatie van de eisen voor de toewijzing van ondervragingscodes, rekening houdende met alle vereiste civiele en militaire toepassingen van ondervragingscodes.
18.Het in punt 17 vermelde formele proces omvat minstens relevante overeengekomen procedures, termijnen en prestatiedoelen voor het voltooien van de volgende activiteiten:
a)de indiening van aanvragen voor de toewijzing van ondervragingscodes;
b)de beoordeling van aanvragen voor de toewijzing van ondervragingscodes;
c)de coördinatie van voorgestelde wijzigingen van toewijzingen van ondervragingscodes met lidstaten, overeenkomstig de in deel B vastgestelde eisen;
d)periodieke audits van toewijzingen van ondervragingscodes en van de behoefte aan dergelijke toewijzingen, teneinde de situatie te verbeteren, inclusief nieuwe toewijzingen van bestaande ondervragingscodes;
e)periodieke aanpassing, goedkeuring en verspreiding van het in punt 16 vermelde plan voor de toewijzing van ondervragingscodes;
f)aanmelding, beoordeling en oplossing van onverwachte ondervragingscodeconflicten tussen Mode S-ondervragingssystemen;
g)aanmelding, beoordeling en oplossing van onverwachte tekortkomingen bij toewijzingen van ondervragingscodes;
h)gegevens- en informatieverstrekking overeenkomstig de in deel C vastgestelde eisen.
19.De Netwerkbeheerder controleert of de aanvragen voor toewijzingen van ondervragingscodes die zijn ontvangen in het kader van het in punt 18 vermelde proces beantwoorden aan de eisen inzake formaat en gegevensconventies, volledigheid, nauwkeurigheid, tijdigheid en motivering.
20.In het kader van het in punt 18 vastgestelde proces moet de Netwerkbeheerder:
a)simulaties van de actualisering van het plan voor de toewijzing van ondervragingscodes uitvoeren op basis van de ingediende aanvragen;
b)een voorstel opstellen voor een actualisering van het plan voor de toewijzing van ondervragingscodes, dat ter goedkeuring moet worden voorgelegd aan de betrokken lidstaten;
c)erop toezien dat de voorgestelde actualisering van het plan voor de toewijzing van ondervragingscodes zoveel mogelijk beantwoordt aan de operationele eisen in de aanvragen van ondervragingscodes;
d)het plan voor de toewijzing van ondervragingscodes onmiddellijk na de goedkeuring ervan actualiseren en aan de lidstaten meedelen, onverminderd de nationale procedures voor het meedelen van informatie over Mode S-ondervragingssystemen onder militair beheer.
21.De Netwerkbeheerder maakt gebruik van procedures en instrumenten voor de regelmatige evaluatie en beoordeling van het werkelijke gebruik van Mode S-ondervragingscodes door civiele en militaire Mode S-operators.
22.De Netwerkbeheerder, de lidstaten en de Mode S-operators bereiken overeenstemming over de plannen en procedures voor de ondersteuning van de periodieke analyse en identificatie van toekomstige eisen inzake Mode S-ondervragingscodes. Die analyse omvat de identificatie van voorspelde tekortkomingen bij de toewijzing van ondervragingscodes die gevolgen kunnen hebben voor de prestaties.
23.De Netwerkbeheerder zorgt voor de opstelling en actualisering van vluchtuitvoeringshandboeken, welke de nodige instructies en informatie bevatten die het mogelijk maken de netwerkfunctie te vervullen overeenkomstig de eisen van deze verordening. Die vluchtuitvoeringshandboeken worden verspreid en bijgehouden overeenkomstig passende processen voor kwaliteitsbeheer en documentconfiguratie.
DEEL B
Eisen voor de specifieke raadplegingsmechanismen
Transpondercode:
1.De Netwerkbeheerder stelt een specifiek mechanisme vast voor de coördinatie van en raadpleging over gedetailleerde regelingen voor de toewijzing van SSR-transpondercodes. Dit mechanisme:
a)garandeert dat rekening wordt gehouden met het effect van het gebruik van SSR-transpondercodes in derde landen, via deelname aan de regelingen voor het beheer van SSR-transpondercodes die zijn uiteengezet in de relevante bepalingen van het "ICAO Regional Air Navigation Plan, European Region, Facilities and Services Implementation Document";
b)garandeert dat de in punt 3 van deel A bedoelde lijsten van SSR-transpondercodetoewijzingen verenigbaar is met het codebeheerplan dat is uiteengezet in de relevante bepalingen van het "ICAO Regional Air Navigation Plan, European Region, Facilities and Services Implementation Document";
c)voorziet in eisen om te garanderen dat de betrokken lidstaten op passende wijze worden geraadpleegd over nieuwe of gewijzigde regelingen voor het beheer van SSR-transpondercodes;
d)voorziet in eisen om te garanderen dat de lidstaten op passende wijze worden geraadpleegd over nieuwe of gewijzigde regelingen voor het beheer van SSR-transpondercodes met alle betrokken belanghebbenden op nationaal niveau;
e)voorziet in coördinatie met derde landen over het strategische en tactische gebruik van SSR-transpondercodes via de regelingen voor het beheer van SSR-transpondercodes die zijn uiteengezet in de relevante bepalingen van het "ICAO Regional Air Navigation Plan, European Region, Facilities and Services Implementation Document";
f)voorziet in minimumtermijnen voor de coördinatie van en de raadpleging over voorstellen voor nieuwe of gewijzigde toewijzingen van surveillance-ondervragingscodes en SSR-transpondercodes;
g)garandeert dat wijzigingen van de lijst met SSR-transpondercodetoewijzingen worden goedgekeurd door de betrokken lidstaten;
h)voorziet in eisen om te garanderen dat wijzigingen van de lijst met SSR-transpondercodetoewijzingen onmiddellijk na de goedkeuring ervan aan alle belanghebbenden worden meegedeeld, onverminderd nationale procedures voor de mededeling van informatie over het gebruik van SSR-transpondercodes door militaire autoriteiten.
2.In overleg met de nationale militaire autoriteiten ziet de Netwerkbeheerder erop toe dat de nodige maatregelen worden genomen om te garanderen dat de toewijzing en het gebruik van SSR-transpondercodes voor militaire doeleinden geen negatieve gevolgen heeft voor de veiligheid of het efficiënte verloop van het algemene luchtverkeer.
Mode S-ondervragingscode:
3.De Netwerkbeheerder stelt een specifiek mechanisme vast voor de coördinatie van en raadpleging over gedetailleerde regelingen voor de toewijzing van Mode S-ondervragingscodes. Dit mechanisme:
a)voorziet in termijnen voor de coördinatie van en raadpleging over voorstellen voor nieuwe of gewijzigde toewijzingen van Mode S-ondervragingscodes;
b)garandeert dat wijzigingen van het plan voor de toewijzing van Mode S-ondervragingscodes worden goedgekeurd door de bij de wijzigingen betrokken lidstaten;
c)zorgt ervoor dat de coördinatie met derde landen over het strategische en tactische gebruik van Mode S-ondervragingscodes plaatsvindt via de werkregelingen voor het beheer van de Mode S-ondervragingscodes;
d)voorziet in eisen om te garanderen dat wijzigingen van het plan voor de toewijzing van Mode S-ondervragingscodes onmiddellijk na de goedkeuring ervan aan alle belanghebbenden worden meegedeeld, onverminderd nationale procedures voor de mededeling van informatie over het gebruik van Mode S-ondervragingscodes en SSR-transpondercodes door militaire autoriteiten.
4.De Netwerkbeheerder ziet erop toe dat passend overleg over nieuwe of gewijzigde regelingen voor het beheer van ondervragingscodes wordt gevoerd met de lidstaten, op basis van coöperatieve besluitvorming.
5.In overleg met de nationale militaire autoriteiten ziet de Netwerkbeheerder erop toe dat de nodige maatregelen worden genomen om te garanderen dat de toewijzing en het gebruik van Mode S-ondervragingscodes voor militaire doeleinden geen negatieve gevolgen hebben voor de veiligheid of het efficiënte verloop van het algemene luchtverkeer.
DEEL C
Eisen inzake gegevensverstrekking
Transpondercode:
1.Aanvragen voor nieuwe of gewijzigde toewijzingen van SSR-transpondercodes moeten beantwoorden aan de in punt 4 van deel A vastgestelde eisen inzake formaat en gegevensconventies, volledigheid, nauwkeurigheid, tijdigheid en motivering.
2.De lidstaten verstrekken de Netwerkbeheerder de onderstaande gegevens en informatie binnen de door de Netwerkbeheerder voorgeschreven termijnen, ter ondersteuning van de verlening van de netwerkfunctie voor SSR-transpondercodes:
a)geactualiseerde gegevens betreffende de toewijzing en het gebruik van alle SSR-transpondercodes in het gebied dat onder hun verantwoordelijkheid valt, onverminderd eventuele veiligheidsbeperkingen met betrekking tot de volledige vrijgave van specifieke militaire codetoewijzingen die niet voor het algemene luchtverkeer worden gebruikt;
b)een motivering waaruit blijkt dat de bestaande en aangevraagde toewijzingen van SSR-transpondercodes het minimum vormen dat noodzakelijk is om te voorzien in de operationele behoeften;
c)nadere informatie over toewijzingen van SSR-transpondercodes die niet meer operationeel vereist zijn en die kunnen worden vrijgegeven voor nieuwe toewijzing in het netwerk;
d)verslagen van alle onverwachte tekortkomingen bij de toewijzing van SSR-transpondercodes;
e)bijzonderheden van wijzigingen in de installatieplanning of de operationele status van systemen of componenten die gevolgen kunnen hebben voor de toewijzing van SSR-transpondercodes aan vluchten.
3.De verleners van luchtvaartnavigatiediensten verstrekken de Netwerkbeheerder de onderstaande gegevens en informatie binnen de door de Netwerkbeheerder voorgeschreven termijnen, ter ondersteuning van de verlening van de netwerkfunctie voor SSR-transpondercodes:
a)verbeterde positieverslagen die verband houden met systemen voor het beheer van de tactische verkeersstromen en die toewijzingen van SSR-transpondercodes bevatten voor algemene vluchten volgens instrumentvliegregels, en
b)verslagen van alle onverwachte conflicten of gevaren ten gevolge van een feitelijke operationele toewijzing van een SSR-transpondercode, inclusief informatie over de wijze waarop het conflict is opgelost.
4.In reacties van lidstaten en verleners van luchtvaartnavigatiediensten op de coördinatie van voorgestelde wijzigingen van toewijzingen van SSR-transpondercodes en actualiseringen van de lijst met toewijzingen van SSR-transpondercodes moet minstens:
a)worden nagegaan of conflicten tussen toewijzingen van SSR-transpondercodes kunnen worden verwacht;
b)worden bevestigd of de operationele eisen of de efficiëntie nadelig zullen worden beïnvloed;
c)worden bevestigd of wijzigingen van toewijzingen van SSR-transpondercodes overeenkomstig de vereiste termijnen ten uitvoer kunnen worden gelegd.
Mode S-ondervragingscode:
5.Aanvragen voor nieuwe of gewijzigde toewijzingen van ondervragingscodes moeten beantwoorden aan de in punt 17 van deel A vastgestelde eisen inzake formaat en gegevensconventies, volledigheid, nauwkeurigheid, tijdigheid en motivering.
6.De lidstaten verstrekken de Netwerkbeheerder de onderstaande gegevens en informatie binnen de door de Netwerkbeheerder voorgeschreven termijnen, ter ondersteuning van de verlening van de dienst voor de toewijzing van ondervragingscodes:
a)kenmerken van de Mode S-ondervragingssystemen, zoals gespecificeerd in Verordening (EG) nr. 262/2009;
b)bijzonderheden van wijzigingen in de installatieplanning of de operationele status van Mode S-ondervragingssystemen of -onderdelen die gevolgen kunnen hebben voor de toewijzing van ondervragingscodes aan Mode S-ondervragingssystemen.
c)een motivering waaruit blijkt dat de bestaande en aangevraagde toewijzingen van ondervragingscodes het minimum vormen dat noodzakelijk is om te voorzien in de operationele behoeften;
d)toewijzingen van ondervragingscodes die niet meer operationeel vereist zijn en die kunnen worden vrijgegeven voor nieuwe toewijzing in het netwerk;
e)verslagen van alle onverwachte tekortkomingen bij de toewijzing van ondervragingscodes.
7.De Netwerkbeheerder gebruikt de antwoorden van de lidstaten op het voorstel voor een plan voor de toewijzing van ondervragingscodes, met inbegrip van:
a)de identificatie van eventuele conflicten of gevaren tussen Mode S-ondervragingscodes;
b)bevestiging of de operationele eisen of de efficiëntie al dan niet nadelig zullen worden beïnvloed;
c)bevestiging of wijzigingen van toewijzingen van Mode S-ondervragingscodes overeenkomstig de vereiste termijnen ten uitvoer kunnen worden gelegd.
8.De Netwerkbeheerder ondersteunt de lidstaten bij het oplossen van door de lidstaten of Mode S-operators gemelde conflicten met betrekking tot Mode S-ondervragingscodes.
BIJLAGE V
MODEL VOOR HET STRATEGISCH NETWERKPLAN
Het strategisch netwerkplan wordt gebaseerd op de volgende structuur:
1.INLEIDING
1.1.
Toepassingsgebied van het strategisch netwerkplan (geografisch en in de tijd)
1.2.
Voorbereiding van het plan en valideringsproces
2.ALGEMENE CONTEXT EN EISEN
2.1.
Beschrijving van de huidige en geplande netwerksituatie, onder meer met betrekking tot het ontwerp van het Europese routenetwerk, de regeling van de luchtverkeersstromen, de luchthavens en de schaarse middelen
2.2.
Uitdagingen en kansen in verband met het tijdschema van het plan (inclusief prognose van de verkeersvraag en wereldwijde ontwikkelingen)
2.3.
Door de diverse belanghebbenden kenbaar gemaakte prestatiedoelen en bedrijfsvereisten en de EU-wijde prestatiedoelstellingen
3.STRATEGISCHE VISIE
3.1.
Beschrijving van de strategische ontwikkeling en vooruitgang van het netwerk, teneinde met succes tegemoet te komen aan de prestatiedoelen en bedrijfsvereisten
3.2.
Samenhang met de prestatieregeling
3.3.
Samenhang met het Europese ATM-masterplan
3.4.
Samenhang met gemeenschappelijke projecten die zijn opgezet overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 409/2013 van de Commissie
4.STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN
4.1.
Beschrijving van de strategische doelstellingen van het netwerk:
a)inclusief de coöperatieve aspecten van de deelnemende operationele belanghebbenden in termen van taken en verantwoordelijkheden;
b)aangeven hoe de strategische doelstellingen tegemoet zullen komen aan de vereisten;
c)nagaan hoe de vooruitgang bij de verwezenlijking van die doelstellingen zal worden gemeten;
d)aangeven hoe de strategische doelstellingen gevolgen zullen hebben voor de sector en de andere betrokken gebieden.
5.STRATEGISCHE PLANNING
5.1.
Beschrijving van de planning op korte en middellange termijn:
a)de prioriteiten voor elk van de strategische doelstellingen;
b)de uitvoering van elk van de strategische doelstellingen in termen van de vereiste inzet van technologie, gevolgen voor de architectuur, menselijke aspecten, kosten, baten en de behoefte aan beheer, middelen en regelgeving;
c)de vereiste deelname van operationele belanghebbenden aan elk element van het plan, inclusief hun taken en verantwoordelijkheden;
d)het overeengekomen niveau van betrokkenheid van de Netwerkbeheerder ter ondersteuning van de uitvoering van elk element van het plan voor elke individuele functie.
5.2.
Beschrijving van de planning op lange termijn:
a)het voornemen om alle strategische doelstellingen te verwezenlijken in termen van vereiste technologie en overeenkomstige aspecten van onderzoek en ontwikkeling, gevolgen voor de architectuur, menselijke aspecten, business case, noodzaak aan beheer en regelgeving, en de bijbehorende motivering voor die investeringen vanuit economisch en veiligheidsoogpunt;
b)de vereiste deelname van operationele belanghebbenden aan elk element van het plan, inclusief hun taken en verantwoordelijkheden.
6.RISICOBEOORDELING
6.1.
Beschrijving van de risico’s van de uitvoering van het plan
6.2.
Beschrijving van het monitoringproces (inclusief potentiële afwijkingen van initiële doelstellingen)
7.AANBEVELINGEN
7.1.
Identificatie van de maatregelen die de Unie en de lidstaten moeten nemen om de uitvoering van het plan te ondersteunen
BIJLAGE VI
MODEL VOOR HET OPERATIONEEL NETWERKPLAN
Het operationeel netwerkplan moet op de volgende structuur zijn gebaseerd (die wordt afgestemd op de diverse individuele functies en de tijdshorizon van het operationeel netwerkplan, teneinde een weerspiegeling te vormen van het voortschrijdend karakter van het plan en de perioden van drie tot vijf jaar, een jaar, een seizoen, een week en een dag):
1.INLEIDING
1.1.
Toepassingsgebied van het operationeel netwerkplan (geografisch en in de tijd)
1.2.
Voorbereiding van het plan en valideringsproces
2.BESCHRIJVING VAN HET OPERATIONEEL NETWERKPLAN EN DE OPERATIONELE DOELSTELLINGEN
*inclusief de coöperatieve aspecten van de deelnemende operationele belanghebbenden in termen van taken en verantwoordelijkheden,
*aangeven hoe de operationele doelstellingen aan bod zullen komen in de tactische, pretactische, kortetermijn- en middellangetermijnfasen van het operationeel netwerkplan en andere prestatiedoelen die in het kader van de prestatieregeling zijn vastgesteld,
*vastgestelde prioriteiten en benodigde middelen voor de planningperiode,
*aangeven welke de gevolgen zijn voor de ATM-sector en andere betrokken gebieden.
3.ALGEMEEN PROCES VOOR OPERATIONELE NETWERKPLANNING
*beschrijving van het algemene proces voor operationele netwerkplanning,
*beschrijving van de strategische wijze waarop het operationeel netwerkplan zich zal ontwikkelen teneinde met succes tegemoet te komen aan de operationele prestatievereisten en andere in het kader van de prestatieregeling vastgestelde prestatiedoelen,
*beschrijving van de gebruikte instrumenten en gegevens.
4.ALGEMENE CONTEXT EN OPERATIONELE EISEN
4.1.
Beknopte samenvatting van de voorbije operationele prestaties van het netwerk
4.2.
Uitdagingen en kansen met betrekking tot het tijdschema van het plan
4.3.
Netwerkverkeersprognoses overeenkomstig de aanhangsels 1 en 2, onder meer:
*netwerkprognoses,
*prognoses met betrekking tot verleners van luchtvaartnavigatiediensten, functionele luchtruimblokken en verkeersleidingscentra,
*prognoses met betrekking tot de belangrijkste luchthavens,
*analyse van de verkeersraming, inclusief diverse scenario’s,
*analyse van de gevolgen van bijzondere gebeurtenissen.
4.4.
Eisen inzake de operationele prestaties van het netwerk, onder meer:
*algemene eisen inzake netwerkcapaciteit,
*capaciteitseisen met betrekking tot verleners van luchtvaartnavigatiediensten, functionele luchtruimblokken en verkeersleidingscentra,
*luchthavencapaciteit,
*analyse van de capaciteitseisen,
*algemene eisen inzake netwerkomgeving/vluchtefficiëntie,
*algemene eisen inzake netwerkveiligheid,
*vereisten inzake noodgevallen en continuïteit van diensten die gevolgen hebben voor het netwerk.
4.5.
Operationele behoeften, zoals gemeld door diverse belanghebbenden, inclusief de militaire sector
5.PLANNEN VOOR DE VERBETERING VAN DE OPERATIONELE NETWERKPRESTATIES EN ACTIES OP NETWERKNIVEAU
*beschrijving van de plannen en acties die naar verwachting ten uitvoer zullen worden gelegd op netwerkniveau, onder meer wat het luchtruim, de schaarse middelen en de regeling van de luchtverkeersstromen betreft,
*beschrijving van de bijdrage van alle plannen en acties tot de operationele prestaties.
6.PLANNEN VOOR DE VERBETERING VAN DE OPERATIONELE PRESTATIES EN OPERATIONELE ACTIES OP LOKAAL NIVEAU
*inclusief een beschrijving van alle plannen en operationele acties die naar verwachting ten uitvoer zullen worden gelegd op lokaal niveau,
*beschrijving van de bijdrage van alle plannen en acties tot de operationele prestaties,
*beschrijving van de betrekkingen met derde landen en de werkzaamheden waar de ICAO bij betrokken is.
7.BIJZONDERE GEBEURTENISSEN
*overzicht van bijzondere gebeurtenissen met significante gevolgen voor de luchtverkeersleiding,
*afzonderlijke bijzondere gebeurtenissen en de afhandeling ervan vanuit netwerkperspectief,
*belangrijke militaire oefeningen.
8.EISEN MET BETREKKING TOT HET MILITAIRE LUCHTRUIM
*beschikbaarheid van het luchtruim; standaarddagen/-tijdstippen waarop het gereserveerde luchtruim beschikbaar is,
*ad-hocverzoeken om ongepland gebruik van het gereserveerde luchtruim, en
*vrijgave van het gereserveerde luchtruim voor civiel gebruik, al dan niet vereist, waarbij dit zo vroeg mogelijk wordt bekendgemaakt.
9.GECONSOLIDEERDE PROGNOSES EN ANALYSE VAN DE OPERATIONELE PRESTATIES VAN HET NETWERK
*Doelstellingen en prognoses inzake ATFM-vertragingen/capaciteit op het niveau van het netwerk, een verlener van luchtvaartnavigatiediensten, een functioneel luchtruimblok en een verkeersleidingscentrum,
*operationele prestaties van luchthavens,
*prestatiedoelen en prognoses inzake netwerkomgeving/vluchtefficiëntie,
*gevolgen van bijzondere gebeurtenissen,
*analyse van de operationele prestatiedoelen en prognoses.
10.IDENTIFICATIE VAN OPERATIONELE KNELPUNTEN EN RISICOBEPERKINGSMAATREGELEN OP NETWERK- EN LOKAAL NIVEAU
*identificatie van operationele knelpunten (veiligheid, capaciteit, vluchtefficiëntie) en potentiële knelpunten, de oorzaken ervan en overeengekomen oplossingen of risicobeperkingsmaatregelen, inclusief opties voor het herstellen van het evenwicht tussen vraag en aanbod.
Aanhangsel 1
Luchtverkeersleidingscentra
Het operationeel netwerkplan bevat per luchtverkeersleidingscentrum een gedetailleerde beschrijving van alle in dit aanhangsel geïdentificeerde domeinen, met een beschrijving van de geplande acties voor de operationele verbetering ervan, de vooruitzichten voor de periode, de verkeersprognose, de doelstelling en prognose inzake vertragingen, de belangrijke gebeurtenissen die gevolgen kunnen hebben voor het verkeer, de operationele contacten.
De Netwerkbeheerder voegt voor elk luchtverkeersleidingscentrum daaraan de volgende informatie toe:
*de verkeersprognose,
*een analyse van de actuele operationele prestaties,
*een gekwantificeerde beoordeling van de bereikte capaciteit (capaciteitsbasislijn),
*een gekwantificeerde beoordeling van de vereiste capaciteit voor diverse scenario’s van de verkeersontwikkeling (vereist capaciteitsprofiel),
*een gekwantificeerde beoordeling van de geplande operationele verbeteringsmaatregelen op het niveau van de luchtverkeersleidingscentra, zoals overeengekomen met de verleners van luchtvaartnavigatiediensten,
*doelstellingen en prognoses inzake vertragingen, en
*een analyse van de verwachte operationele prestaties (veiligheid, capaciteit, milieu).
Elke verlener van luchtvaartnavigatiediensten verstrekt de volgende informatie aan de Netwerkbeheerder, die moet worden opgenomen in de individuele beschrijving van het luchtverkeersleidingscentrum:
*lokale doelstelling inzake vertragingen,
*beoordeling/bevestiging van de verkeersprognose, rekening houdende met de lokale kennis,
*aantal beschikbare sectoren: sectorconfiguratie/openingsregeling per seizoen/dag van de week/tijdstip,
*capaciteit/monitoringwaarden voor alle sectoren/verkeersvolumes per configuratie/openingsregeling,
*geplande of gekende bijzondere gebeurtenissen, inclusief data/tijdstippen en bijbehorend effect op de operationele prestaties,
*bijzonderheden van geplande operationele verbeteringsmaatregelen, de uitvoeringsregeling daarvan en het bijbehorende negatieve/positieve effect op de capaciteit en/of efficiëntie,
*bijzonderheden van voorgestelde en bevestigde wijzigingen van de luchtruimstructuur en van het gebruik van het luchtruim,
*aanvullende, met de Netwerkbeheerder overeengekomen maatregelen,
*operationele contacten van het luchtverkeersleidingscentrum.
Aanhangsel 2
Luchthavens
Met betrekking tot de Europese luchthavens die van invloed zijn op de prestaties van het netwerk wordt in het operationeel netwerkplan een gedetailleerde beschrijving gegeven van de in dit aanhangsel geïdentificeerde domeinen, met inbegrip van de geplande maatregelen voor de operationele verbetering ervan, de vooruitzichten voor de periode, de prognose van het verkeer en de vertragingen, de significante gebeurtenissen die gevolgen kunnen hebben voor het verkeer en de operationele contacten.
De Netwerkbeheerder vermeldt voor elke luchthaven, met name op basis van informatie die is ontvangen van luchthavenexploitanten en verleners van luchtvaartnavigatiediensten:
*de verkeersprognose,
*een analyse van de verwachte operationele prestaties van de geplande maatregelen voor operationele verbetering (veiligheid, capaciteit, milieu).
Voor elke luchthaven die is opgenomen in het operationeel netwerkplan beschikken de luchthavenexploitant en de lokale ATS-eenheid over regelingen om de onderstaande informatie te verstrekken aan de Netwerkbeheerder, welke moet worden opgenomen in de individuele beschrijving van de luchthaven:
*beoordeling/bevestiging van de verkeersprognose, rekening houdende met de lokale kennis,
*baancapaciteit voor elke baanconfiguratie, actuele en geraamde aankomsten en vertrekken,
*de duur van de nachtperiode en een capaciteitsspecificatie voor deze periode, voor zover relevant,
*bijzonderheden van geplande operationele verbeteringsmaatregelen, de uitvoeringsregeling daarvan en het bijbehorende negatieve/positieve effect op de capaciteit en/of efficiëntie,
*geplande of gekende bijzondere gebeurtenissen, inclusief data/tijdstippen en bijbehorend effect op de operationele prestaties,
*andere geplande capaciteitsverbeterende factoren,
*aanvullende, met de Netwerkbeheerder overeengekomen maatregelen.