Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32009R1224

Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006

OJ L 343, 22.12.2009, p. 1–50 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 04 Volume 001 P. 113 - 162

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/1224/oj

22.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/1


VERORDENING (EG) Nr. 1224/2009 VAN DE RAAD

van 20 november 2009

tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (3),

Gezien het advies van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het gemeenschappelijk visserijbeleid heeft, krachtens Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (5), tot doel te garanderen dat de levende aquatische hulpbronnen worden geëxploiteerd in omstandigheden die economisch, ecologisch en sociaal duurzaam zijn.

(2)

Aangezien het gemeenschappelijk visserijbeleid alleen succesvol kan zijn als er een doeltreffende controleregeling wordt toegepast, wordt met de maatregelen van deze verordening beoogd een communautaire regeling voor controle, inspectie en handhaving vast te stellen die een alomvattende en geïntegreerde aanpak biedt overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, teneinde ervoor te zorgen dat, doordat alle aspecten van dit beleid aan bod komen, alle regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid worden nageleefd met het oog op de duurzame exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen.

(3)

Bij de toepassing van Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (6) is gebleken dat de huidige controleregeling niet langer volstaat om te garanderen dat de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid worden nageleefd.

(4)

Momenteel zijn de controlebepalingen verspreid over een groot aantal elkaar overlappende en complexe rechtsteksten. Sommige delen van de controleregeling worden door de lidstaten slecht toegepast, met als gevolg dat bij inbreuken op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid ontoereikende, uiteenlopende maatregelen worden genomen, wat het scheppen van gelijke voorwaarden voor alle vissers in de hele Gemeenschap ondermijnt. Bijgevolg moeten de bestaande regeling en alle daarin opgenomen verplichtingen worden geconsolideerd, gerationaliseerd en vereenvoudigd, met name door te snijden in de dubbele regelgeving en de administratieve lasten.

(5)

Aangezien de mariene aquatische hulpbronnen massaal aan het verdwijnen zijn, is het voor de Gemeenschap van groot belang dat zij de nodige maatregelen vaststelt om bij alle marktdeelnemers een nalevingscultuur te doen ontstaan waarbij de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid worden nageleefd en waarbij wordt gehandeld in overeenstemming met de in 2002 op de Wereldtop over duurzame ontwikkeling vastgestelde doelstellingen en met de strategie voor duurzame ontwikkeling van de Europese Raad. Om dit doel te bereiken moeten de controle-, inspectie- en handhavingsregels die zijn vastgesteld in het kader van de maatregelen voor de instandhouding alsmede het beheer van de visbestanden, de structurele maatregelen en de maatregelen met betrekking tot de gemeenschappelijke marktordening, worden versterkt, geharmoniseerd en stringenter gemaakt.

(6)

Aangezien Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen (7) de lidstaten verplicht passende maatregelen te nemen om te garanderen dat alle illegale, ongemelde en ongereglementeerde („IOO”) visserij en daarmee samenhangende activiteiten doeltreffend worden bestreden, en aangezien Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad van 29 september 2008 betreffende machtigingen voor visserijactiviteiten van communautaire vissersvaartuigen buiten de communautaire wateren en de toegang van vaartuigen van derde landen tot de communautaire wateren (8) bepalingen bevat betreffende machtigingen voor communautaire vissersvaartuigen om visserijactiviteiten buiten de communautaire wateren te verrichten en betreffende machtigingen voor vissersvaartuigen van derde landen om visserijactiviteiten in de communautaire wateren te verrichten, moet de onderhavige verordening een aanvulling vormen op deze verordeningen en garanderen dat er geen discriminatie is tussen de onderdanen van de lidstaten en die van derde landen.

(7)

Deze verordening moet zowel de bijzondere bepalingen die in visserijovereenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen zijn opgenomen of die gelden in het kader van regionale visserijorganisaties als de nationale controlebepalingen die binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen maar verder gaan dan de daarin opgenomen minimumbepalingen, onverlet laten voor zover die nationale bepalingen in overeenstemming zijn met het Gemeenschapsrecht.

(8)

Er moet gebruik worden gemaakt van de moderne technologieën als het volgsysteem voor vaartuigen, het vaartuigdetectiesysteem en het automatische identificatiesysteem, aangezien daarmee doeltreffend toezicht kan worden gehouden en snel systematische, geautomatiseerde kruiscontroles kunnen worden uitgevoerd, en zij de administratieve procedures voor zowel de nationale autoriteiten als de marktdeelnemers vergemakkelijken en het zo mogelijk maken tijdig risicoanalyses en totaalbeoordelingen van alle betrokken controlegegevens op te stellen. Daarom moet de controleregeling de lidstaten in staat stellen het gebruik van de diverse controle-instrumenten te combineren om te garanderen dat de controlemethode zo efficiënt mogelijk is.

(9)

Er moet een nieuwe, gemeenschappelijke aanpak van de visserijcontrole komen waarvan alomvattend toezicht op de vangsten deel uitmaakt, met de bedoeling een gelijk speelveld voor de visserijsector tot stand te brengen waarbij rekening wordt gehouden met de verschillen tussen de vlootsegmenten. Hiertoe moeten er gemeenschappelijke criteria voor de uitvoering van de visserijcontrole worden vastgesteld, en meer bepaald gestandaardiseerde en gecoördineerde inspectieprocedures op zee, te land en in de hele marktketen. Als onderdeel van de nieuwe aanpak moeten de respectieve bevoegdheden van de lidstaten, de Commissie en het Communautair Bureau voor visserijcontrole duidelijker worden omschreven.

(10)

Voor het beheer van de visbestanden op communautair niveau wordt met name gebruikgemaakt van totaal toegestane vangsten (TAC’s), quota, inspanningsregelingen en technische maatregelen. De nodige stappen moeten worden gezet om erop toe te zien dat de lidstaten de nodige maatregelen vaststellen om deze beheersmaatregelen doeltreffend uit te voeren.

(11)

De controleactiviteiten en -methoden moeten worden gebaseerd op risicobeheer, waarbij de lidstaten op systematische, alomvattende wijze gebruikmaken van de procedures voor kruiscontrole. Tevens dienen de lidstaten onderling relevante informatie uit te wisselen.

(12)

De samenwerking en de coördinatie tussen de lidstaten, de Commissie en het Communautair Bureau voor visserijcontrole moeten worden geïntensiveerd om de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid te bevorderen.

(13)

Om te garanderen dat visserijactiviteiten uitsluitend conform de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid worden verricht, moeten die activiteiten onderworpen zijn aan een visvergunning en, in specifieke omstandigheden, aan een vismachtiging. Daarnaast moeten er regels betreffende de markering en identificatie van vissersvaartuigen en hun vistuig gelden.

(14)

Om een doeltreffende controle te garanderen, moeten de lidstaten een volgsysteem voor vaartuigen hanteren en moeten vissersvaartuigen met een lengte over alles van 12 m of meer zijn uitgerust met een toestel waarmee deze vaartuigen automatisch kunnen worden gelokaliseerd en geïdentificeerd. Voorts moeten vissersvaartuigen zijn uitgerust met een automatisch identificatiesysteem overeenkomstig Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart (9), en moeten de lidstaten de dat systeem voor kruiscontroles gebruiken.

(15)

De samenwerking tussen de agentschappen en bureaus van de Gemeenschap en tussen de autoriteiten van de lidstaten moet worden geïntensiveerd. Daartoe moeten de gegevens van het volgsysteem voor vaartuigen, het automatische identificatiesysteem en het vaartuigdetectiesysteem kunnen worden doorgestuurd aan de agentschappen en bureaus van de Gemeenschap en aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die bij bewakingsactiviteiten betrokken zijn met het oog op de veiligheid en beveiliging op zee, de grenscontrole, de bescherming van het mariene milieu en de algemene rechtshandhaving.

(16)

Het is aan de Raad om te bepalen of er in de toekomst gebruik moet worden gemaakt van elektronische toezichtapparatuur en traceerinstrumenten, zoals genetische analyse, en van andere controletechnologieën voor de visserij indien dergelijke technologieën op kostenefficiënte wijze leiden tot een betere naleving van de regels van het gemeenschappelijke visserijbeleid.

(17)

De lidstaten moeten toezicht houden op de activiteiten van hun vissersvaartuigen in en buiten de communautaire wateren. Om een doeltreffend toezicht in de hand te werken moeten kapiteins van communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van tien meter of meer worden verplicht een visserijlogboek bij te houden en aangiften van aanlanding en overlading in te dienen. Met het oog op het gebruik van moderne technologieën moet het visserijlogboek voor vissersvaartuigen met een lengte over alles van twaalf meter of meer in elektronische vorm worden bijgehouden en moeten de aangiften van aanlanding en overlading elektronisch worden ingediend.

(18)

De gegevens in de visserijlogboeken van de vissersvaartuigen moeten op het tijdstip van aanlanding worden gecontroleerd. Bijgevolg moeten degenen die bij de aanlanding en de afzet van vis of visserijproducten betrokken zijn, worden verplicht aangifte te doen van de hoeveelheden die zijn aangeland, zijn overgeladen, te koop zijn aangeboden of zijn verkocht.

(19)

Voor kleine vissersvaartuigen van minder dan 10 m lengte over alles zou de verplichting een visserijlogboek bij te houden of een aangifte van aanlanding in te vullen, in verhouding tot hun vangstcapaciteit een buitensporige last vormen. Om te garanderen dat die vaartuigen voldoende worden gecontroleerd, moeten de lidstaten op de activiteiten van die vaartuigen toezicht houden aan de hand van een steekproefplan.

(20)

Overladingen op zee ontsnappen aan een adequate controle door de vlaggenstaat of de kuststaten en vormen daardoor voor de marktdeelnemers een mogelijkheid om illegale vangsten te vervoeren. Om de controles te verbeteren mogen overladingen in de Gemeenschap slechts in daartoe aangewezen havens worden toegestaan.

(21)

De autoriteiten van de lidstaten moeten toezicht kunnen houden op de aanlandingen in hun havens. Daartoe moeten vissersvaartuigen die betrokken zijn in visserij op bestanden die onder een meerjarenplan vallen en die gehouden zijn elektronisch visserijlogboekgegevens vast te leggen, die autoriteiten vooraf in kennis stellen van hun voornemen om in hun havens aan te landen. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben de toegang te weigeren indien de vereiste informatie niet volledig is.

(22)

Aangezien het beheer van de visbestanden stoelt op de vangstmogelijkheden, moet worden gewaarborgd dat de vangsten en visserijinspanning correct worden vastgelegd en dat de vangsten en de visserijinspanning worden verrekend met de quota en de toegewezen visserijinspanning van de vlaggenlidstaat. De visserij moet worden gesloten indien de beschikbare quota of de toegewezen visserijinspanning zijn uitgeput.

(23)

Gelet op de capaciteitsvoorschriften voor de communautaire vissersvloot die zijn vastgesteld in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 2371/2002, in Verordening (EG) nr. 639/2004 van de Raad van 30 maart 2004 betreffende het beheer van de in ultraperifere gebieden geregistreerde vissersvloten (10), in Verordening (EG) nr. 1438/2003 van de Commissie van 12 augustus 2003 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van het gemeenschappelijk vlootbeleid als omschreven in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad (11) en in Verordening (EG) nr. 2104/2004 van de Commissie van 9 december 2004 houdende bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 639/2004 van de Raad (12), moeten er instrumenten voor de controle van de vlootcapaciteit worden ingevoerd die onder meer betrekking hebben op het toezicht op het motorvermogen en op het gebruik van het vistuig. Daarom moeten de lidstaten maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de totale capaciteit van de visvergunningen niet de maximale capaciteitsniveaus te boven gaat en dat het motorvermogen van de vissersvaartuigen niet groter is dan het gecertificeerde motorvermogen van die vaartuigen. Te dien einde moeten de lidstaten het voortstuwingsmotorvermogen van vissersvaartuigen met een voortstuwingsmotorvermogen van meer dan 120 kW certificeren en bovendien op basis van een steekproefplan controleren of het motorvermogen met andere beschikbare gegevens strookt.

(24)

Er moeten bijzondere maatregelen worden uitgevoerd in de vorm van bijzondere meerjarenplannen voor het beschermen van de betrokken bestanden. Overladingen van vangsten van bestanden die onder een meerjarenplan vallen, moeten uitsluitend in aangewezen havens worden toegestaan en uitsluitend mits die vangsten zijn gewogen.

(25)

Er moeten bijzondere bepalingen worden vastgesteld op grond waarvan alleen toegestaan vistuig mag worden gebruikt en verloren vistuig moet worden teruggehaald.

(26)

Er moeten bijzondere regels gelden ten aanzien van voor de visserij beperkte gebieden. De procedure voor de instelling en de opheffing van realtimesluitingen voor visgronden moet duidelijk worden vastgesteld.

(27)

Aangezien recreatievisserij significante gevolgen kan hebben voor de visbestanden, moeten de lidstaten erop toezien dat zij wordt uitgevoerd op een wijze die strookt met de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Voor bestanden warvoor een herstelplan geldt, moeten de lidstaten vangstgegevens uit de recreatievisserij verzamelen. Wanneer de recreatievisserij een groot effect heeft op de bestanden, moet de Raad specifieke beheersmaatregelen kunnen vaststellen.

(28)

Met het oog op de vaststelling van een omvattende controleregeling is het noodzakelijk de hele productie- en afzetketen erin op te nemen. De regeling moet een coherent traceersysteem omvatten ter aanvulling van de bepalingen die zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (13), en moet voorzien in een strengere controle van de producentenorganisaties. Zij moet ook de belangen van de consument beschermen via de verstrekking, in elk stadium van de afzet, van gegevens over de handelsbenaming, de productiemethode en het vangstgebied overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2065/2001 van de Commissie van 22 oktober 2001 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad met betrekking tot de informatieverstrekking aan de consument in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur (14). Voorts moet de regeling garanderen dat er toezicht op de producentenorganisaties wordt gehouden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2508/2000 van de Commissie van 15 november 2000 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad wat betreft de werkprogramma’s in de visserijsector (15).

(29)

Om te garanderen dat alle vangsten naar behoren worden gecontroleerd, moeten de lidstaten erop toezien dat alle visserijproducten voor het eerst op de markt worden gebracht of worden geregistreerd in een visafslag of aan geregistreerde kopers of producentenorganisaties verkocht. Aangezien het exacte gewicht van de vangsten bekend moet zijn om het gebruik van de quota na te gaan, moeten de lidstaten erop toezien dat alle visserijproducten gewogen worden, tenzij er steekproefplannen op basis van een gemeenschappelijke methodologie worden gevolgd.

(30)

Om de weg van de vangsten te volgen en te kunnen controleren of zij met de vangstgegevens sporen, moeten geregistreerde kopers, geregistreerde visafslagen of andere door de lidstaten gemachtigde instanties of personen verkoopdocumenten indienen. Bij een jaarlijkse omzet in eerste verkopen van visserijproducten van meer dan 200 000 EUR, moeten de verkoopdocumenten elektronisch worden ingediend.

(31)

Om de naleving van de communautaire instandhoudings- en handelsmaatregelen te garanderen, moet worden bepaald dat alle visserijproducten waarvoor noch een verkoopdocument, noch een aangifte van overname is overgelegd en die naar een andere plaats dan de plaats van aanlanding worden vervoerd, vergezeld moeten gaan van een vervoerdocument waarin hun aard, oorsprong en gewicht vermeld staan, tenzij er voorafgaand aan het vervoer elektronisch een vervoerdocument is doorgestuurd.

(32)

De lidstaten dienen regelmatig controles bij producentenorganisaties te verrichten om erop toe te zien dat zij aan de wettelijke eisen voldoen. Zij moeten tevens controles betreffende de prijs- en interventieregelingen verrichten.

(33)

De lidstaten dienen te zorgen voor de bewaking van de communautaire wateren en nemen de nodige maatregelen wanneer een waarneming of constatering niet overeenkomt met de informatie waarover zij beschikken.

(34)

Het concept en de taken van met controle belaste waarnemers moeten duidelijk worden vastgesteld ten behoeve van toekomstige regelingen inzake met controle belaste waarnemers. Daarnaast moeten er ook regels worden vastgesteld voor de uitvoering van inspecties.

(35)

Met het oog op een coherente, doeltreffende vervolging van inbreuken moet worden bepaald dat van de inspectie- en bewakingsverslagen die zijn opgesteld door functionarissen van de Commissie, communautaire inspecteurs of functionarissen van de lidstaten, op dezelfde wijze gebruik kan worden gemaakt als van de nationale verslagen. Daarnaast moeten de lidstaten een elektronisch gegevensbestand met de inspectie- en bewakingsverslagen van hun functionarissen opzetten.

(36)

Om de mate van controle in de communautaire wateren gezamenlijk op te voeren, moet er een lijst van communautaire inspecteurs worden opgesteld en moeten hun taken en bevoegdheden worden gespecificeerd. Om dezelfde reden moeten er onder bepaalde voorwaarden inspecties van vissersvaartuigen buiten de wateren van de inspecterende lidstaat kunnen worden verricht.

(37)

Bij een inbreuk moet erop worden toegezien dat de passende maatregelen worden getroffen voor een doeltreffende follow-up van de inbreuk, ongeacht waar deze zich voordoet. In bepaalde gevallen van ernstige inbreuken moet worden voorzien in strengere vervolgmaatregelen om een onmiddellijk onderzoek mogelijk te maken. In dit verband moeten de lidstaten voorts worden verplicht, passende maatregelen te treffen wanneer er door een communautaire inspecteur een inbreuk is ontdekt. Onder bepaalde voorwaarden moet de vervolging kunnen worden overgedragen aan de vlaggenlidstaat of aan de lidstaat waarvan de dader van de inbreuk onderdaan is.

(38)

De onderdanen van de lidstaten moeten ervan worden weerhouden inbreuken op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid te begaan. Aangezien de maatregelen die bij inbreuken op deze regels worden genomen, van lidstaat tot lidstaat sterk uiteenlopen, wat tot discriminatie en oneerlijke concurrentieregels voor de vissers leidt, en het ontbreken van evenredige, afschrikkende en doeltreffende sancties in bepaalde lidstaten de controles minder doeltreffend maakt, dienen er administratieve sancties, gecombineerd met een puntensysteem voor ernstige inbreuken, te worden ingevoerd om voor een echte afschrikking te zorgen.

(39)

Dat nog steeds zeer veel ernstige inbreuken op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid worden begaan in de communautaire wateren of door communautaire marktdeelnemers, is in belangrijke mate te wijten aan het niet-afschrikkende niveau van de in de nationale wetgeving vastgestelde sancties voor ernstige overtredingen van die regels. Deze tekortkoming wordt nog verergerd door het feit dat de hoogte van de sancties van lidstaat tot lidstaat sterk verschilt, wat voor marktdeelnemers met illegale bedoelingen een aansporing is om hun illegale activiteiten te verrichten in de wateren of op het grondgebied van de lidstaten waar de sancties het laagst zijn. Derhalve is het dienstig om naast het maximumniveau van de sancties voor ernstige inbreuken op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid, dat is vastgelegd in artikel 44 van Verordening (EG) nr. 1005/2008, afschrikwekkende sancties in te voeren, waarbij rekening wordt gehouden met de aard van de schade, met de waarde van de visserijproducten die worden verkregen door het begaan van de ernstige inbreuk, met de economische situatie van de dader van de inbreuk en met een eventuele recidive. Voorts moeten er maatregelen tot onmiddellijke tenuitvoerlegging en aanvullende maatregelen worden vastgesteld.

(40)

Naast sancties moet er een puntensysteem voor ernstige inbreuken worden ingevoerd op grond waarvan een visvergunning moet worden geschorst wanneer aan de houder van een visvergunning een bepaald aantal punten is toegekend nadat er sancties voor ernstige inbreuken zijn opgelegd. Als de visvergunning op grond van dit systeem vijf maal is geschorst en opnieuw het puntenaantal is toegekend, moet de visvergunning voorgoed worden ingetrokken. In dit verband moeten de lidstaten in een nationaal gegevensbestand alle inbreuken op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid vastleggen.

(41)

Om te garanderen dat de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid worden verwezenlijkt, moet de Commissie doeltreffende corrigerende maatregelen kunnen nemen. Daartoe moet de beheerscapaciteit van de Commissie worden vergroot, alsmede haar capaciteit om op te treden op een wijze die in verhouding staat tot het niveau van niet-naleving door een lidstaat. De Commissie moet worden gemachtigd om zonder voorafgaande kennisgeving en op onafhankelijke wijze inspecties te verrichten teneinde de door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten uitgevoerde controles te verifiëren.

(42)

Met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap en om het bijzondere belang in het behoud van visserijhulpbronnen te verzekeren, moet de financiële steun die wordt verleend krachtens Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds (16) en Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad van 22 mei 2006 houdende communautaire financieringsmaatregelen voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk visserijbeleid en op het gebied van het zeerecht (17) afhankelijk gemaakt worden van het naleven door de lidstaten van hun verplichtingen op het gebied van visserijcontrole. Als de lidstaten de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid niet op toereikende wijze ten uitvoer leggen en dit afbreuk doet aan de doeltreffendheid van de financieel ondersteunde maatregelen, moeten schorsing en verval van deze financiële steun mogelijk zijn.

(43)

De Commissie moet de bevoegdheid krijgen om een visserijtak te sluiten als het quotum van een lidstaat of de TAC zelf is uitgeput. Voorts moet zij de bevoegdheid krijgen om quota en toewijzingen van visserijinspanning te korten om te garanderen dat de beperkingen van de vangstmogelijkheden volledig worden nageleefd. Tevens moet de Commissie de bevoegdheid hebben om spoedmaatregelen te nemen indien er bewijzen zijn dat visserijactiviteiten of maatregelen van een lidstaat de instandhoudings- en beheersmaatregelen in het kader van beheersplannen ondermijnen of een bedreiging vormen voor het mariene ecosysteem.

(44)

Er moet worden gezorgd voor elektronische uitwisseling van gegevens met andere lidstaten en de Commissie of de door haar aangewezen instantie. De Commissie of de door haar aangewezen instantie moet rechtstreeks toegang tot de visserijgegevens van de lidstaten hebben om te kunnen nagaan of de lidstaten hun verplichtingen nakomen en om te kunnen optreden als inconsistenties worden geconstateerd.

(45)

Ten behoeve van betere communicatie moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten websites opzetten met algemene informatie die op een voor het publiek toegankelijk deel beschikbaar is, en met operationele informatie op een beveiligd deel van de website. Voorts moet ervoor worden gezorgd dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten ten behoeve van de uitvoering van deze verordening met elkaar, de Commissie, de door de Commissie aangewezen instantie en de bevoegde autoriteiten van derde landen samenwerken.

(46)

De voor de uitvoering van deze verordening benodigde maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (18). Alle maatregelen die de Commissie vaststelt om deze verordening ten uitvoer te leggen, moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel.

(47)

Het mandaat van het Communautair Bureau voor visserijcontrole moet worden aangepast en uitgebreid ter ondersteuning van een uniforme uitvoering van de controleregeling van het gemeenschappelijk visserijbeleid, om te zorgen voor het organiseren van operationele samenwerking, tot het verlenen van bijstand aan de lidstaten en met de mogelijkheid een noodeenheid op te richten wanneer er een ernstig risico voor het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt geconstateerd. Daarnaast moet het Bureau in staat worden gesteld zich de vereiste uitrusting te verschaffen om gezamenlijke inzetplannen uit te voeren en samen te werken bij de uitvoering van het geïntegreerd maritiem beleid van de EU.

(48)

De in het kader van deze verordening verzamelde en uitgewisselde gegevens moeten worden behandeld in overeenstemming met de desbetreffend geldende regels inzake vertrouwelijkheid. Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (19) is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de lidstaten in het kader van de onderhavige verordening. Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (20) moet worden toegepast voor de verwerking van persoonsgegevens door de Commissie in het kader van de onderhavige verordening.

(49)

Om de communautaire regelgeving in overeenstemming te brengen met de onderhavige verordening moeten bepaalde verordeningen inzake controlebepalingen worden gewijzigd.

(50)

Aangezien bij deze verordening een nieuwe, alomvattende controleregeling wordt vastgesteld, moeten Verordening (EEG) nr. 2847/93, Verordening (EG) nr. 1627/94 van de Raad van 27 juni 1994 tot vaststelling van algemene bepalingen inzake speciale visdocumenten (21) en Verordening (EG) nr. 1966/2006 van de Raad van 21 december 2006 betreffende de elektronische registratie en melding van visserijactiviteiten en een systeem voor teledetectie (22) worden ingetrokken.

(51)

Om de lidstaten tijd te geven om de aanpassingen te verrichten die nodig zijn om aan sommige van de bij deze verordening vastgestelde nieuwe verplichtingen te voldoen, is het passend dat sommige bepalingen pas op een later tijdstip van kracht worden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt een communautaire regeling voor controle, inspectie en handhaving vastgesteld (hierna „communautaire controleregeling” genoemd), die moet garanderen dat de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid worden nageleefd.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening geldt voor alle onder het gemeenschappelijk visserijbeleid vallende activiteiten die op het grondgebied van de lidstaten of in de communautaire wateren, door communautaire vissersvaartuigen of, onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenlidstaat, door onderdanen van de lidstaten worden uitgevoerd.

2.   Activiteiten in de maritieme wateren van de in bijlage II bij het Verdrag vermelde landen en gebieden overzee dienen te worden behandeld als activiteiten in de maritieme wateren van derde landen.

Artikel 3

Verband met internationale en nationale bepalingen

1.   Deze verordening is van toepassing onverminderd bijzondere bepalingen die in visserijovereenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen zijn opgenomen of die gelden in het kader van regionale visserijorganisaties of soortgelijke overeenkomsten waarbij de Gemeenschap verdrag- of overeenkomstsluitende partij of samenwerkende niet-verdrag- of overeenkomstsluitende partij is.

2.   Deze verordening is van toepassing onverminderd nationale controlemaatregelen die verder gaan dan de minimumeisen van deze verordening, mits die maatregelen in overeenstemming zijn met de communautaire regelgeving en met het gemeenschappelijk visserijbeleid. Op verzoek van de Commissie delen de lidstaten deze controlemaatregelen mee.

Artikel 4

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van Verordening (EG) nr. 2371/2002. Daarnaast zijn de volgende definities van toepassing:

1.

„visserijactiviteit”: het zoeken naar vis, het te water laten, uitzetten, slepen en ophalen van vistuig, het aan boord halen van de vangst, het overladen, het aan boord houden, het verwerken aan boord, het overbrengen, het kooien, vetmesten en aanlanden van vis en visserijproducten;

2.

„regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid”: de communautaire regelgeving met betrekking tot de instandhouding, het beheer en de exploitatie van levende aquatische rijkdommen, tot de aquacultuur en tot de verwerking, het vervoer en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten;

3.

„controle”: toezicht en bewaking;

4.

„inspectie”: elke verificatie die functionarissen uitvoeren om na te gaan of de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid worden nageleefd en waarvan de resultaten in een inspectieverslag worden neergelegd;

5.

„bewaking”: observatie van visserijactiviteiten op basis van waarnemingen door inspectievaartuigen of officiële vliegtuigen en technische constaterings- en identificatiemethoden;

6.

„functionaris”: een persoon die door een nationale autoriteit, de Commissie of het Communautair Bureau voor visserijcontrole is gemachtigd om een inspectie uit te voeren;

7.

„communautaire inspecteurs”: functionarissen van een lidstaat, de Commissie of een door de Commissie aangewezen instantie, waarvan de namen zijn opgenomen in de overeenkomstig artikel 79 opgestelde lijst;

8.

„met controle belaste waarnemer”: persoon die door een nationale autoriteit is gemachtigd om toe te zien op de uitvoering van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid;

9.

„visvergunning”: een officieel document dat de houder ervan het in nationale bepalingen omschreven recht geeft om een bepaalde vangstcapaciteit te gebruiken voor de commerciële exploitatie van levende aquatische hulpbronnen. Een visvergunning bevat minimumvoorwaarden met betrekking tot de identificatie, de technische kenmerken en de uitrusting van een communautair vissersvaartuig;

10.

„vismachtiging”: een machtiging om te vissen die wordt afgegeven voor een communautair vissersvaartuig dat reeds over een visvergunning beschikt en die dit vaartuig het recht geeft om specifieke visserijactiviteiten te verrichten tijdens een bepaalde periode, in een bepaald gebied of binnen een bepaalde visserijtak onder specifieke voorwaarden;

11.

„automatisch identificatiesysteem”: een autonoom en permanent vaartuigidentificatie- en volgsysteem waarmee vaartuigen elektronisch met andere vaartuigen in de buurt en met de autoriteiten aan wal vaartuiggegevens, o.m. over de identificatie, de positie, de koers en de snelheid, kunnen uitwisselen;

12.

„gegevens van het volgsysteem voor vaartuigen”: gegevens betreffende identificatie, geografische positie, datum, tijdstip, koers en snelheid van de vissersvaartuigen die met aan boord van de vissersvaartuigen geïnstalleerde satellietvolgapparatuur worden doorgestuurd naar het visserijcontrolecentrum van de vlaggenlidstaat;

13.

„vaartuigdetectiesysteem”: teledetectie via satelliet waarmee vaartuigen kunnen worden geïdentificeerd en hun positie op zee kan worden bepaald;

14.

„voor de visserij beperkt gebied”: een marien gebied onder de jurisdictie van een lidstaat dat door de Raad is omschreven en waar in beperkte mate of helemaal niet mag worden gevist;

15.

„visserijcontrolecentrum”: een operationeel centrum dat door een vlaggenlidstaat is opgericht en dat beschikt over computerapparatuur en -programmatuur waarmee gegevens automatisch kunnen worden ontvangen, verwerkt en elektronisch worden doorgestuurd;

16.

„overlading”: het lossen van alle aan boord van een vaartuig aanwezige visserij- of aquacultuurproducten of van een deel daarvan in een ander vaartuig;

17.

„risico”: de waarschijnlijkheid dat zich een gebeurtenis zal voordoen die een inbreuk op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid vormt;

18.

„risicobeheer”: het systematisch in kaart brengen van risico’s en het toepassen van alle maatregelen die vereist zijn om het optreden van deze risico’s te beperken. Dit omvat activiteiten zoals het verzamelen van gegevens en informatie, het analyseren en beoordelen van risico’s, het uitstippelen en ondernemen van acties, en het regelmatig toezicht houden op en evalueren van het proces en de procesresultaten, op basis van internationale, communautaire en nationale bronnen en strategieën;

19.

„marktdeelnemer”: de natuurlijke of rechtspersoon die een bedrijf runt of bezit waarvan de activiteiten betrekking hebben op een stadium van de productie-, verwerkings-, afzet-, distributie- en detailhandelsketen voor visserij- en aquacultuurproducten;

20.

„partij”: een hoeveelheid visserij- en aquacultuurproducten van een bepaalde soort van dezelfde aanbiedingsvorm, afkomstig uit hetzelfde betrokken geografische gebied en van hetzelfde vissersvaartuig, dezelfde groep vissersvaartuigen of dezelfde aquacultuurproductie-eenheid;

21.

„verwerking”: het proces waarbij het product zijn aanbiedingsvorm krijgt. Dit proces omvat het fileren, verpakken, inblikken, invriezen, roken, zouten, koken, pekelen, drogen of op andere wijze voor de markt klaarmaken van vis;

22.

„aanlanden”: het voor de eerste keer lossen van een hoeveelheid visserijproducten, van een vissersvaartuig naar de wal;

23.

„detailhandel”: de behandeling en/of het verwerken van producten van de levende aquatische hulpbronnen en het opslaan daarvan op de plaats van verkoop of levering aan de eindgebruiker, inclusief distributie;

24.

„meerjarenplannen”: herstelplannen als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2371/2002, beheersplannen als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 en andere communautaire bepalingen die op grond van artikel 37 van het Verdrag zijn vastgesteld en voorzien in specifieke beheersmaatregelen voor bepaalde visbestanden voor meerdere jaren;

25.

„kuststaat”: de staat waar, in een van de havens of in de wateren die onder zijn soevereiniteit of jurisdictie vallen, een activiteit plaatsvindt;

26.

„handhaving”: actie die moet garanderen dat de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid worden nageleefd;

27.

„gecertificeerd motorvermogen”: maximaal continu motorvermogen dat aan de uitgaande as van de tandwielkast kan worden verkregen volgens het door de autoriteiten van de lidstaat, door classificatiebureaus of andere door hen aangewezen instanties afgegeven certificaat;

28.

„recreatievisserij”: niet-commerciële visserijactiviteiten waarmee de mariene levende aquatische rijkdommen worden geëxploiteerd voor vrijetijdsbesteding, toerisme of sport;

29.

„verplaatsing”: visserijactiviteiten waarbij de vangst geheel of gedeeltelijk wordt overgebracht of vervoerd van gedeeld vistuig naar een vaartuig of van het ruim van een vissersvaartuig of van het vistuig daarvan naar een leefnet, container of kooi buiten het vaartuig, waarin de levende vangst tot de aanlanding wordt bewaard;

30.

„betrokken geografisch gebied”: een gebied dat wordt beschouwd als een eenheid voor de geografische indeling in visserijen, uitgedrukt door verwijzing naar een FAO-deelgebied, sector of subsector of, indien van toepassing, naar een statistisch ICES-vak, visserijinspanningszone, economische zone of een gebied dat wordt afgebakend door geografische coördinaten;

31.

„vissersvaartuig”: elk vaartuig dat is uitgerust voor commerciële exploitatie van levende aquatische hulpbronnen;

32.

„vangstmogelijkheid”: een gekwantificeerd legaal recht om te vissen, in termen van vangsten en/of visserijinspanning.

TITEL II

ALGEMENE BEGINSELEN

Artikel 5

Algemene beginselen

1.   De lidstaten controleren de onder het gemeenschappelijk visserijbeleid vallende activiteiten die natuurlijke of rechtspersonen verrichten op hun grondgebied of in de wateren die onder hun soevereiniteit of jurisdictie vallen, met name het visserijactiviteiten, het overladen, het overbrengen van vis naar kooien of aquacultuurinstallaties, met inbegrip van vetmestinstallaties, en het aanlanden, invoeren, vervoeren, verwerken, afzetten en opslaan van visserij- en aquacultuurproducten.

2.   De lidstaten controleren ook de toegang tot de wateren en de hulpbronnen, alsmede de activiteiten buiten de communautaire wateren van communautaire vissersvaartuigen die hun vlag voeren, en, onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenlidstaat, van hun onderdanen.

3.   De lidstaten stellen passende maatregelen vast, wijzen adequate financiële, personele en technische hulpmiddelen toe en zetten alle administratieve en technische structuren op die nodig zijn om de onder het gemeenschappelijk visserijbeleid vallende activiteiten te controleren, te inspecteren en te handhaven. Zij stellen alle passende middelen ter beschikking van hun bevoegde autoriteiten en functionarissen om hen in staat te stellen hun taken te vervullen.

4.   Elke lidstaat zorgt ervoor dat controle, inspectie en handhaving op niet-discriminerende wijze verlopen wat betreft sectoren, vaartuigen of personen, en dat zij op basis van risicobeheer worden verricht.

5.   In elke lidstaat coördineert één enkele autoriteit de controleactiviteiten van alle nationale controleautoriteiten. Die autoriteit is ook verantwoordelijk voor de coördinatie van het verzamelen, behandelen en certificeren van de gegevens over de visserijactiviteiten en voor de verslaggeving aan, de samenwerking met en het doorgeven van informatie aan de Commissie, het overeenkomstig Verordening (EG) nr. 768/2005 van de Raad (23) opgerichte Communautair Bureau voor visserijcontrole, andere lidstaten en, zo nodig, derde landen.

6.   Overeenkomstig de procedure van artikel 103 worden de bijdragen uit het Europees Visserijfonds in het kader van Verordening (EG) nr. 1198/2006 en de financiële bijdragen van de Gemeenschap voor de in artikel 8, onder a), van Verordening (EG) nr. 861/2006 bedoelde maatregelen slechts betaald als de lidstaten hun verplichting nakomen om ervoor te zorgen dat de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid die betrekking hebben op de doeltreffendheid van de gefinancierde maatregelen of daarop een impact hebben, worden nageleefd en om hiertoe een doeltreffend controle-, inspectie- en handhavingsysteem toe te passen en in stand te houden.

7.   Overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden zien de Commissie en de lidstaten er bij het beheer en de controle van de financiële bijstand van de Gemeenschap op toe dat de doelstellingen van deze verordening worden bereikt.

TITEL III

ALGEMENE VOORWAARDEN VOOR TOEGANG TOT DE WATEREN EN DE HULPBRONNEN

Artikel 6

Visvergunning

1.   Een communautair vissersvaartuig mag slechts voor de commerciële exploitatie van levende aquatische hulpbronnen worden gebruikt als het over een geldige visvergunning beschikt.

2.   De vlaggenlidstaat ziet erop toe dat de in de visvergunning vermelde gegevens correct zijn en stroken met die in het register van de communautaire vissersvloot bedoeld in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 2371/2002.

3.   De vlaggenlidstaat schorst tijdelijk de visvergunning van een vaartuig dat door die lidstaat tijdelijk is stilgelegd of waarvan de vismachtiging is geschorst overeenkomstig artikel 45, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1005/2008.

4.   De vlaggenlidstaat trekt permanent de visvergunning in van een vaartuig waarvoor een maatregel tot aanpassing van de vangstcapaciteit geldt als bedoeld in artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 of waarvan de vismachtiging is ingetrokken overeenkomstig artikel 45, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1005/2008.

5.   De vlaggenlidstaat zorgt voor de afgifte, het beheer en de intrekking van de visvergunning overeenkomstig de nadere bepalingen die zijn vastgesteld volgens de procedure van artikel 119.

Artikel 7

Vismachtiging

1.   Een communautair vissersvaartuig dat in de communautaire wateren actief is, is slechts gemachtigd specifieke visserijactiviteiten te verrichten voor zover die in zijn geldige vismachtiging zijn vermeld wanneer de visserijtakken of de visserijzones waar de activiteiten zijn toegestaan:

a)

vallen onder een visserijinspanningsregeling;

b)

vallen onder een meerjarenplan;

c)

een voor de visserij beperkt gebied zijn;

d)

bedoeld zijn voor visserij voor wetenschappelijke doeleinden;

e)

vallen onder andere in de communautaire regelgeving vastgestelde bepalingen.

2.   Als een lidstaat een specifieke nationale regeling voor vismachtigingen heeft, zendt hij de Commissie op haar verzoek een samenvatting van de in de verleende machtiging vervatte gegevens en de daarmee verband houdende geaggregeerde cijfers over de visserijinspanning.

3.   Als de vlaggenlidstaat nationale bepalingen heeft vastgesteld in de vorm van een nationale vismachtigingsregeling voor de toewijzing, aan individuele vaartuigen, van de vangstmogelijkheden waarover hij beschikt, zendt hij de Commissie op haar verzoek gegevens over de vissersvaartuigen die gemachtigd zijn om in een bepaalde visserijtak een visserijactiviteit te verrichten, met name wat betreft het externe identificatienummer, de naam van de betrokken vissersvaartuigen en de daaraan toegewezen individuele vangstmogelijkheden.

4.   Er mag geen vismachtiging worden afgegeven als het betrokken vissersvaartuig niet in het bezit is van een visvergunning overeenkomstig artikel 6 of als zijn visvergunning is geschorst of ingetrokken. De vismachtiging wordt automatisch ingetrokken wanneer de visvergunning van het vaartuig definitief is ingetrokken. De machtiging wordt geschorst wanneer de visvergunning tijdelijk is geschorst.

5.   De nadere bepalingen voor de toepassing van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 8

Markering van vistuig

1.   De kapitein van een vissersvaartuig leeft de voorwaarden en beperkingen na betreffende de markering en identificatie van vissersvaartuigen en hun vistuig.

2.   De nadere bepalingen betreffende de markering en de identificatie van vissersvaartuigen en hun vistuig worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 9

Volgsysteem voor vaartuigen

1.   De lidstaten passen een satellietvolgsysteem voor vaartuigen toe om doeltreffend toezicht te houden op de visserijactiviteiten van de vissersvaartuigen die hun vlag voeren, ongeacht waar deze vaartuigen zich bevinden, en op de visserijactiviteiten in de wateren van de lidstaten.

2.   Onverminderd specifieke bepalingen in meerjarenplannen heeft een vissersvaartuig met een lengte van 12 m over alles of meer een volledig functionerend toestel aan boord waarmee het vaartuig automatisch door het volgsysteem voor vaartuigen kan worden gelokaliseerd en geïdentificeerd aan de hand van periodiek doorgestuurde positiegegevens. Voorts biedt dit toestel het visserijcontrolecentrum van de vlaggenlidstaat de mogelijkheid het vissersvaartuig te bevragen. Voor vissersvaartuigen met een lengte over alles van 12 m of meer en minder dan lengte over alles van 15 m geldt dit artikel met ingang van 1 januari 2012.

3.   Wanneer een vissersvaartuig zich in de wateren van een andere lidstaat bevindt, stelt de vlaggenlidstaat de gegevens van het volgsysteem voor vaartuigen betreffende dat vaartuig ter beschikking door ze automatisch door te sturen naar het visserijcontrolecentrum van de kustlidstaten. De gegevens van het volgsysteem voor vaartuigen worden, op verzoek, ook ter beschikking gesteld van de lidstaat in een van de havens waarvan het vissersvaartuig wellicht zijn vangsten zal aanlanden of in de wateren waarvan het vissersvaartuig wellicht zijn visserijactiviteiten zal voortzetten.

4.   Als een communautair vissersvaartuig actief is in de wateren van een derde land of in gebieden op volle zee waar de visbestanden door een internationale organisatie worden beheerd en, als de overeenkomst met dat derde land of de van toepassing zijnde bepalingen van die internationale organisatie daarin voorzien, worden die gegevens ook ter beschikking gesteld van dat land of die organisatie.

5.   Een lidstaat kan communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 15 m die zijn vlag voeren, vrijstellen van de verplichting dat zijn vaartuig met een volgsysteem voor vaartuigen is uitgerust indien zij:

a)

uitsluitend actief zijn in de territoriale zeeën van de vlaggenlidstaat; of

b)

nooit meer dan 24 uur op zee blijven tussen het tijdstip van vertrek uit de haven en het tijdstip van terugkeer naar de haven.

6.   Vissersvaartuigen van derde landen met een lengte van 12 m over alles of meer en ondersteunende vissersvaartuigen van derde landen die met visserij samenhangende activiteiten verrichten, die in de communautaire wateren actief zijn, hebben, net als communautaire vissersvaartuigen, een volledig functionerend toestel aan boord waarmee zij automatisch door het volgsysteem voor vaartuigen kunnen worden gelokaliseerd en geïdentificeerd aan de hand van periodiek doorgestuurde positiegegevens.

7.   De lidstaten richten visserijcontrolecentra op die toezicht houden op de visserijactiviteiten en -inspanning, en runnen die. Het visserijcontrolecentrum van een lidstaat houdt toezicht op de vissersvaartuigen die de vlag van die lidstaat voeren, ongeacht de wateren of de haven waarin zij zich bevinden, alsmede op de zich in de wateren onder zijn soevereiniteit of jurisdictie bevindende communautaire vissersvaartuigen die de vlag van een andere lidstaat voeren en op de zich in de wateren onder zijn soevereiniteit of jurisdictie bevindende vissersvaartuigen van derde landen waarvoor een volgsysteem voor vaartuigen wordt toegepast.

8.   Elke vlaggenlidstaat wijst de autoriteiten aan die bevoegd zijn voor het visserijcontrolecentrum en neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zijn visserijcontrolecentrum beschikt over voldoende vakbekwaam personeel en over computerapparatuur en -programmatuur waarmee gegevens automatisch kunnen worden verwerkt en elektronisch worden doorgestuurd. De lidstaten zorgen voorts voor een back-upsysteem en herstelprocedures in geval van systeemstoring. Zij kunnen een gemeenschappelijk visserijcontrolecentrum exploiteren.

9.   Een lidstaat kan elk vissersvaartuig dat zijn vlag voert ertoe verplichten of machtigen om zijn vaartuig met een volgsysteem voor vaartuigen uit te rusten.

10.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 10

Automatisch identificatiesysteem

1.   Overeenkomstig bijlage II, deel I, punt 3, van Richtlijn 2002/59/EG wordt een vissersvaartuig met een lengte over alles van meer dan 15 m uitgerust met een automatisch identificatiesysteem dat beantwoordt aan de prestatienormen van de Internationale Maritieme Organisatie overeenkomstig hoofdstuk V, voorschrift 19, sectie 2.4.5, van het Solas-verdrag van 1974, en zorgt het ervoor dat het systeem operationeel blijft.

2.   Lid 1 geldt:

a)

vanaf 31 mei 2014 voor communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van 15 m of meer en met een lengte over alles van minder dan 18 m;

b)

vanaf 31 mei 2013 voor communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van 18 m of meer en met een lengte over alles van minder dan 24 m;

c)

vanaf 31 mei 2012 voor communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van 24 m of meer en met een lengte over alles van minder dan 45 m.

3.   De lidstaten kunnen de gegevens van het automatische identificatiesysteem gebruiken wanneer die beschikbaar zijn, om kruiscontroles met andere beschikbare gegevens te verrichten overeenkomstig de artikelen 109 en 110. Met het oog hierop zorgen de lidstaten ervoor dat de gegevens van het automatische identificatiesysteem met betrekking tot vissersvaartuigen die hun vlag voeren, beschikbaar zijn voor hun nationale visserijcontroleautoriteiten.

Artikel 11

Vaartuigdetectiesysteem

Wanneer de lidstaten over duidelijke aanwijzingen beschikken dat er sprake is van een kostenvoordeel in vergelijking met de traditionele controlemiddelen in het detecteren van vissersvaartuigen, gebruiken de lidstaten een vaartuigdetectiesysteem waarmee zij de posities afkomstig van via teledetectie verkregen beelden die per satelliet of een ander equivalent systeem naar de aarde zijn verstuurd, kunnen vergelijken met de gegevens afkomstig van het volgsysteem voor vaartuigen of het automatische identificatiesysteem, met de bedoeling een inschatting te maken van de aanwezigheid van vissersvaartuigen in het gebied. De lidstaten zien erop toe dat hun visserijcontrolecentra technisch in staat zijn een vaartuigdetectiesysteem te gebruiken.

Artikel 12

Doorsturen van gegevens voor bewakingsactiviteiten

Gegevens van het volgsysteem voor vaartuigen, het automatische identificatiesysteem en het vaartuigdetectiesysteem die in het kader van deze verordening worden verzameld, kunnen worden doorgestuurd aan de agentschappen en bureaus van de Gemeenschap en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die bij bewakingsactiviteiten betrokken zijn met het oog op de veiligheid en beveiliging op zee, de grenscontrole, de bescherming van het mariene milieu en de algemene rechtshandhaving.

Artikel 13

Nieuwe technologieën

1.   De Raad kan op grond van artikel 37 van het Verdrag besluiten dat gebruik moet worden gemaakt van elektronische toezichtapparatuur en van traceerinstrumenten, zoals genetische analyse. Om de toe te passen technologie te beoordelen, voeren de lidstaten, op eigen initiatief of in samenwerking met de Commissie of de door haar aangewezen instantie, vóór 1 juni 2013 proefprojecten uit met betrekking tot traceerinstrumenten, zoals genetische analyse.

2.   De Raad kan op grond van artikel 37 van het Verdrag een besluit nemen betreffende de invoering van andere nieuwe visserijcontroletechnologieën, voor zover die tot een betere naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid leiden en kostenefficiënt zijn.

TITEL IV

VISSERIJCONTROLE

HOOFDSTUK I

Controle op het gebruik van de vangstmogelijkheden

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 14

Invullen en overleggen van het visserijlogboek

1.   Onverminderd bijzondere bepalingen in de meerjarenplannen, houden kapiteins van communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van 10 m of meer een visserijlogboek van hun activiteiten bij, waarin zij met name alle hoeveelheden van elke gevangen en aan boord gehouden soort vermelden boven de 50 kg equivalent levend gewicht.

2.   Het in lid 1 bedoelde visserijlogboek bevat met name de volgende informatie:

a)

het externe identificatienummer en de naam van het vissersvaartuig;

b)

de FAO-drielettercode van elke soort en het betrokken geografische gebied waar de vangsten zijn gedaan;

c)

de datum van de vangsten;

d)

de datum van vertrek uit en aankomst in de haven en de duur van de visreis;

e)

het soort vistuig, de maaswijdte en afmeting;

f)

de geschatte hoeveelheden van iedere soort in kilogrammen levend gewicht of, indien mogelijk, het aantal vissen;

g)

het aantal visserijactiviteiten.

3.   Voor de in het visserijlogboek vermelde ramingen van de in kilogram uitgedrukte hoeveelheden aan boord gehouden vis geldt een tolerantiemarge van 10 % voor alle soorten.

4.   Kapiteins van communautaire vissersvaartuigen noteren in hun visserijlogboek ook alle geschatte teruggegooide hoeveelheden van meer dan 50 kg equivalent levend gewicht.

5.   Voor visserijtakken waarvoor een communautaire visserijinspanningsregeling geldt, registreren en boeken de kapiteins van communautaire vissersvaartuigen in hun visserijlogboek de in een gebied doorgebrachte tijd als volgt:

a)

met betrekking tot gesleept vistuig:

i)

het binnenvaren en verlaten van de in dat gebied gelegen haven;

ii)

het binnenvaren en verlaten van maritieme gebieden waar specifieke regels gelden in verband met de toegang tot de wateren en de bestanden;

iii)

de aan boord gehouden vangst, naar soort in kilogram levend gewicht, op het tijdstip waarop het vaartuig dat gebied uitvaart of voordat het een haven in dat gebied binnenvaart;

b)

met betrekking tot passief vistuig:

i)

het binnenvaren en verlaten van de in dat gebied gelegen haven;

ii)

het binnenvaren en verlaten van maritieme gebieden waar specifieke regels gelden in verband met de toegang tot de wateren en de bestanden;

iii)

de datum en het tijdstip waarop het passieve vistuig in die gebieden wordt uitgezet of opnieuw wordt uitgezet;

iv)

de datum en het tijdstip waarop de visserij met het passieve vistuig wordt beëindigd;

v)

de aan boord gehouden vangst, naar soort in kilogram levend gewicht, op het tijdstip waarop het vaartuig dat gebied uitvaart of voordat het een haven in dat gebied binnenvaart.

6.   Kapiteins van communautaire vissersvaartuigen dienen de informatie van hun visserijlogboek zo snel mogelijk, en in elk geval binnen 48 uur na de aanlanding, in:

a)

bij de lidstaat waarvan zij de vlag voeren; en

b)

als de aanlanding in een haven van een andere lidstaat heeft plaatsgevonden, bij de bevoegde autoriteiten van de betrokken havenlidstaat.

7.   Voor de omrekening van opgeslagen of verwerkt visgewicht naar levend visgewicht passen de kapiteins van de communautaire vissersvaartuigen de omrekeningsfactor toe die volgens de in artikel 119 bedoelde procedure wordt vastgesteld.

8.   Kapiteins van vissersvaartuigen van derde landen die in communautaire wateren actief zijn, registreren de in dit artikel bedoelde gegevens op dezelfde wijze als kapiteins van communautaire vissersvaartuigen.

9.   De kapitein is verantwoordelijk voor de juistheid van de in het visserijlogboek vermelde gegevens.

10.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 15

Elektronisch invullen en verzenden van visserijlogboekgegevens

1.   De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen met een lengte van 12 m over alles of meer registreert de in artikel 14 bedoelde informatie elektronisch en stuurt die informatie minstens eenmaal per dag elektronisch door naar de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat.

2.   De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen met een lengte van 12 m over alles of meer zenden de in artikel 14 bedoelde informatie toe op verzoek van de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat en verstrekt de relevante gegevens uit het visserijlogboek in elk geval na beëindiging van de laatste visserijactiviteit en voor het binnenlopen in de haven.

3.   Lid 1 geldt:

a)

vanaf 1 januari 2012 voor communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van 12 m of meer en met een lengte over alles van minder dan 15 m;

b)

vanaf 1 juli 2011 voor communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van 15 m of meer en met een lengte over alles van minder dan 24 m; en

c)

vanaf 1 januari 2010 voor vissersvaartuigen met een lengte over alles van 24 m of meer.

4.   Een lidstaat kan kapiteins van communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 15 m die zijn vlag voeren, van lid 1 vrijstellen indien zij:

a)

uitsluitend actief zijn in de territoriale zeeën van de vlaggenlidstaat; of

b)

nooit meer dan 24 uur op zee blijven tussen het tijdstip van vertrek uit de haven en het tijdstip van terugkeer naar de haven.

5.   De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen die hun visserijactiviteiten elektronisch vastleggen en melden, zijn vrijgesteld van de verplichting een visserijlogboek, een aangifte van aanlanding en een aangifte van overlading op papier in te vullen.

6.   De lidstaten kunnen bilaterale akkoorden sluiten over het gebruik van elektronische meldsystemen op vissersvaartuigen die hun vlag voeren binnen de wateren die onder hun soevereiniteit of jurisdictie vallen. Vissersvaartuigen waarop een dergelijk akkoord van toepassing is, zijn vrijgesteld van het invullen van een visserijlogboek op papier binnen die wateren.

7.   Een lidstaat kan kapiteins van vissersvaartuigen die onder zijn vlag varen vanaf 1 januari 2010 verplichten of machtigen de in artikel 14 bedoelde gegevens elektronisch te registreren en door te geven.

8.   De bevoegde autoriteiten van een kustlidstaat aanvaarden elektronische meldingen van de vlaggenlidstaat die de gegevens van de in lid 1 en lid 2 bedoelde vissersvaartuigen bevatten.

9.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 16

Vissersvaartuigen die geen visserijlogboek hoeven bij te houden

1.   Elke lidstaat houdt steekproefsgewijs toezicht op de activiteiten van de vissersvaartuigen die niet vallen onder de in de artikelen 14 en 15 vastgestelde verplichtingen, teneinde erop toe te zien dat die vaartuigen de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid naleven.

2.   Voor het in lid 1 bedoelde toezicht stelt elke lidstaat, volgens een methode die de Commissie overeenkomstig de in artikel 119 bedoelde procedure vaststelt, een steekproefplan op, dat hij elk jaar uiterlijk op 31 januari aan de Commissie toestuurt, met vermelding van de methoden die voor de opstelling van dat plan zijn gebruikt. De steekproefplannen blijven, voor zover mogelijk, stabiel in de tijd en zijn binnen betrokken geografische gebieden gestandaardiseerd.

3.   De lidstaten die vissersvaartuigen van minder dan 10 m lengte over alles die onder hun vlag varen, verplichten de in artikel 14 bedoelde visserijlogboeken in te dienen, overeenkomstig hun wetgeving, zijn vrijgesteld van de verplichting in de leden 1 en 2 van dit artikel.

4.   In afwijking van de leden 1 en 2 van dit artikel worden verkoopdocumenten die overeenkomstig de artikelen 62 en 63 zijn ingediend, aanvaard als alternatief voor steekproefplannen.

Artikel 17

Voorafgaande kennisgeving

1.   Kapiteins van communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van 12 m of meer die betrokken zijn in visserij op bestanden die onder een meerjarenplan vallen en die gehouden zijn elektronisch visserijlogboekgegevens vast te leggen overeenkomstig artikel 15, stellen de bevoegde autoriteiten van hun vlaggenlidstaat ten minste vier uur vóór het geplande tijdstip van aankomst in de haven in kennis van de volgende gegevens:

a)

het externe identificatienummer en de naam van het vissersvaartuig;

b)

de naam van de haven van bestemming en het beoogde doel van het aanmeren, bijvoorbeeld aanlanding, overlading of toegang tot diensten;

c)

de data van de visreis en de betrokken geografische gebieden waar de vangsten zijn gedaan;

d)

de datum en het tijdstip waarop de haven vermoedelijk wordt aangedaan;

e)

de in het visserijlogboek geregistreerde hoeveelheden per soort;

f)

de hoeveelheden van elke soort die zullen worden aangeland of overgeladen.

2.   Wanneer een communautair vissersvaartuig een haven in een andere lidstaat dan de vlaggenlidstaat wil binnenvaren, geven de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat de elektronische voorafgaande kennisgeving na ontvangst onverwijld door aan de bevoegde autoriteiten van de kustlidstaat.

3.   De bevoegde autoriteiten van de kustlidstaat kunnen toestemming geven om de haven op een vroeger tijdstip binnen te varen.

4.   De in artikel 15 bedoelde elektronische visserijlogboekgegevens en de elektronische voorafgaande kennisgeving mogen in één keer elektronisch worden doorgestuurd.

5.   De kapitein is verantwoordelijk voor de juistheid van de in de elektronische voorafgaande kennisgeving vermelde gegevens.

6.   Volgens de in artikel 119 bedoelde procedure kan de Commissie bepaalde categorieën vissersvaartuigen voor een beperkte periode, die verlengbaar is, vrijstellen van de in lid 1 vastgestelde verplichting of kan zij een andere kennisgevingstermijn vaststellen met inachtneming van onder meer de soort visserijproducten, de afstand tussen de visgronden, de aanlandingsplaatsen en de havens waar de betrokken vaartuigen zijn geregistreerd.

Artikel 18

Voorafgaande kennisgeving van aanlanding in een andere lidstaat

1.   De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen die in afwachting van de inwerkingtreding van het bepaalde in artikel 15, lid 3, niet gehouden zijn elektronisch visserijlogboekgegevens te registreren en die een haven of aanlandingsvoorzieningen in een andere kustlidstaat dan hun vlaggenlidstaat wensen te gebruiken, stellen de bevoegde autoriteiten van de kustlidstaat ten minste vier uur vóór het geplande tijdstip van aankomst in de haven in kennis van de in artikel 17, lid 1, bedoelde gegevens.

2.   De bevoegde autoriteiten van de kustlidstaat kunnen toestemming geven om op een vroeger tijdstip binnen te varen.

Artikel 19

Machtiging om een haven binnen te lopen

De bevoegde autoriteiten van de kustlidstaat mogen vissersvaartuigen de toegang tot de haven ontzeggen als de in de artikelen 17 en 18 bedoelde gegevens niet volledig zijn, behalve in geval van overmacht.

Artikel 20

Overladen

1.   Het is in de communautaire wateren verboden op zee over te laden. Er mag alleen worden overgeladen met een machtiging en op de voorwaarden in deze verordening in daartoe aangewezen havens of plaatsen dicht bij de kust van de lidstaten en overeenkomstig artikel 43, lid 5.

2.   Als het overladen wordt onderbroken, is het mogelijk dat daarmee pas opnieuw kan worden begonnen nadat er toestemming voor is verleend.

3.   Voor dit artikel worden verplaatsing, spantrawlactiviteiten en visserij waarbij twee of meer communautaire vissersvaartuigen samenwerken, niet beschouwd als overladen.

Artikel 21

Invullen en overleggen van de aangifte van overlading

1.   Onverminderd bijzondere bepalingen in de meerjarenplannen vullen kapiteins van communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van 10 m of meer die betrokken zijn bij een overlading een aangifte van overlading in, waarin zij met name alle hoeveelheden van elke overgeladen of ontvangen soort vermelden boven de 50 kg equivalent levend gewicht.

2.   De in lid 1 bedoelde aangifte van overlading bevat ten minste de volgende gegevens:

a)

het externe identificatienummer en de naam van het overladende en van het ontvangende vissersvaartuig;

b)

de FAO-drielettercode van elke soort en het betrokken geografische gebied waar de vangsten zijn gedaan;

c)

de geschatte hoeveelheden van elke soort in kilogrammen productgewicht, gespecificeerd naar aanbiedingsvorm van het product of, indien van toepassing, het aantal vissen;

d)

de haven van bestemming van het ontvangende vissersvaartuig;

e)

de aangewezen overlaadhaven.

3.   Voor de in de aangifte van overlading vermelde ramingen van de in kilogram uitgedrukte hoeveelheden overgeladen of ontvangen vis geldt een tolerantiemarge van 10 % voor alle soorten.

4.   Zowel de kapitein van het overladende als van het ontvangende visservaartuig dienen zo spoedig mogelijk en uiterlijk 48 uur na de overlading een aangifte van overlading in bij:

a)

de lidstaat waarvan zij de vlag voeren; en

b)

de bevoegde autoriteiten van de betrokken havenlidstaat als de overlading in een haven van een andere lidstaat heeft plaatsgevonden.

5.   De kapitein van het overladende en die van het ontvangende visservaartuig zijn elk verantwoordelijk voor de juistheid van de gegevens in de aangifte van overlading.

6.   Volgens de in artikel 119 bedoelde procedure kan de Commissie bepaalde categorieën vissersvaartuigen voor een beperkte periode, die verlengbaar is, vrijstellen van de in lid 1 vastgestelde verplichting of kan zij een andere kennisgevingstermijn vaststellen met inachtneming van onder meer de soort visserijproducten, de afstand tussen de visgronden, de overladingsplaatsen en de havens waar de betrokken vaartuigen zijn geregistreerd.

7.   De procedures en formulieren voor de aangifte van overlading worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 22

Elektronisch invullen en verzenden van gegevens van de aangifte van overlading

1.   De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen met een lengte van 12 m over alles of meer registreren de in artikel 21 bedoelde informatie elektronisch en sturen die informatie, binnen 24 uur nadat de overlading is voltooid, elektronisch door naar de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat.

2.   Lid 1 geldt:

a)

vanaf 1 januari 2012 voor communautaire vissersvaartuigen met een lengte van 12 m over alles of meer en met een lengte over alles van minder dan 15 m;

b)

vanaf 1 juli 2011 voor communautaire vissersvaartuigen met een lengte van 15 m over alles of meer en met een lengte over alles van minder dan 24 m; en

c)

vanaf 1 januari 2010 voor vissersvaartuigen met een lengte over alles van 24 m of meer.

3.   Een lidstaat kan kapiteins van communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 15 m die zijn vlag voeren, van lid 1 vrijstellen indien zij:

a)

uitsluitend actief zijn in de territoriale zeeën van de vlaggenlidstaat; of

b)

nooit meer dan 24 uur op zee blijven tussen het tijdstip van vertrek uit de haven en het tijdstip van terugkeer naar de haven.

4.   De bevoegde autoriteiten van een kustlidstaat aanvaarden elektronische meldingen van de vlaggenlidstaat die de gegevens van de in de leden 1 en 2 bedoelde vissersvaartuigen bevatten.

5.   Wanneer een communautair vissersvaartuig zijn vangst in een andere lidstaat dan de vlaggenlidstaat overlaadt, geven de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat de gegevens uit de aangifte van overlading na ontvangst onmiddellijk elektronisch door aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de vangst werd overgeladen en waarvoor de vangst is bestemd.

6.   Een lidstaat kan kapiteins van vissersvaartuigen die onder zijn vlag varen vanaf 1 januari 2010 verplichten of machtigen de in artikel 21 bedoelde gegevens elektronisch te registreren en door te geven.

7.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 23

Invullen en overleggen van de aangifte van aanlanding

1.   Onverminderd bijzondere bepalingen in de meerjarenplannen, vult de kapitein van een communautair vissersvaartuig met een lengte over alles van 10 m of meer, of zijn vertegenwoordiger een aangifte van aanlanding in, waarin zij met name alle hoeveelheden van elke aangelande soort vermelden.

2.   De in lid 1 bedoelde aangifte van aanlanding bevat ten minste de volgende gegevens:

a)

het externe identificatienummer en de naam van het vissersvaartuig;

b)

de FAO-drielettercode van elke soort en het betrokken geografische gebied waar de vangsten zijn gedaan;

c)

de hoeveelheden van iedere soort in kilogrammen productgewicht, gespecificeerd naar aanbiedingsvorm van het product of, indien van toepassing, het aantal vissen;

d)

de aanlandingshaven.

3.   De kapitein van een communautair vissersvaartuig of zijn vertegenwoordiger dient de aangifte van aanlanding zo snel mogelijk, en in elk geval binnen 48 uur na de aanlanding, in:

a)

bij de lidstaat waarvan zij de vlag voeren; en

b)

als de aanlanding in een haven van een andere lidstaat heeft plaatsgevonden, bij de bevoegde autoriteiten van de betrokken havenlidstaat.

4.   De kapitein is verantwoordelijk voor de juistheid van de in de aangifte van aanlanding vermelde gegevens.

5.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 24

Elektronisch invullen en verzenden van gegevens van de aangifte van aanlanding

1.   De kapitein van een communautair vissersvaartuig met een lengte over alles van 12 m of meer, of zijn vertegenwoordiger registreert de in artikel 23 bedoelde informatie elektronisch en stuurt die informatie, binnen 24 uur nadat de aanlanding is voltooid, elektronisch door naar de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat.

2.   Lid 1 geldt:

a)

vanaf 1 januari 2012 voor communautaire vissersvaartuigen met een lengte van 12 m over alles of meer en met een lengte van minder dan 15 m over alles;

b)

vanaf 1 juli 2011 voor communautaire vissersvaartuigen met een lengte van 15 m over alles of meer en met een lengte van minder dan 24 m over alles; en

c)

vanaf 1 januari 2010 voor vissersvaartuigen met een lengte over alles van 24 m of meer.

3.   Een lidstaat kan kapiteins van communautaire vissersvaartuigen met een lengte van minder dan 15 m over alles die zijn vlag voeren, van lid 1 vrijstellen indien zij:

a)

uitsluitend actief zijn in de territoriale zeeën van de vlaggenlidstaat; of

b)

nooit meer dan 24 uur op zee blijven tussen het tijdstip van vertrek uit de haven en het tijdstip van terugkeer naar de haven.

4.   Wanneer een communautair vissersvaartuig zijn vangst in een andere lidstaat dan de vlaggenlidstaat aanlandt, geven de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat de gegevens uit de aangifte van aanlanding na ontvangst onmiddellijk elektronisch door aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de vangst werd aangeland.

5.   De kapitein van een communautair vissersvaartuig, of zijn vertegenwoordiger, die de in artikel 23 bedoelde gegevens elektronisch vastlegt en die zijn vangst in een andere lidstaat dan de vlaggenlidstaat aanlandt, is vrijgesteld van de verplichting om bij de kustlidstaat een aangifte van aanlanding op papier in te dienen.

6.   Een lidstaat kan kapiteins van vissersvaartuigen die onder zijn vlag varen vanaf 1 januari 2010 verplichten of machtigen de in artikel 23 bedoelde gegevens elektronisch te registreren en door te geven.

7.   De bevoegde autoriteiten van een kustlidstaat aanvaarden elektronische meldingen van de vlaggenlidstaat die de gegevens van de in de leden 1 en 2 bedoelde vissersvaartuigen bevatten.

8.   De procedures en formulieren voor de aangifte van aanlanding worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 25

Vaartuigen die geen aangifte van aanlanding hoeven te doen

1.   Elke lidstaat houdt steekproefsgewijs toezicht op de activiteiten van de vissersvaartuigen die geen aangifte van aanlanding overeenkomstig de artikelen 23 en 24 hoeven te doen, teneinde erop toe te zien dat die vaartuigen de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid naleven.

2.   Voor het in lid 1 bedoelde toezicht, stelt elke lidstaat volgens een methode die de Commissie overeenkomstig de in artikel 119 bedoelde procedure vaststelt, een steekproefplan op, dat hij elk jaar uiterlijk op 31 januari aan de Commissie toestuurt, met vermelding van de methoden die voor de opstelling van dat plan zijn gebruikt. De steekproefplannen blijven, voor zover mogelijk, stabiel in de tijd en zijn binnen betrokken geografische gebieden gestandaardiseerd.

3.   De lidstaten die vissersvaartuigen van minder dan 10 m lengte over alles die onder hun vlag varen, verplichten de in artikel 23 bedoelde aangiften van aanlanding in te dienen, overeenkomstig hun wetgeving, zijn vrijgesteld van de verplichting in de leden 1 en 2 van dit artikel.

4.   In afwijking van de leden 1 en 2 van dit artikel worden verkoopdocumenten die overeenkomstig de artikelen 62 en 63 zijn ingediend aanvaard als alternatief voor steekproefplannen.

Afdeling 2

Controle op de visserijinspanning

Artikel 26

Toezicht op de visserijinspanning

1.   De lidstaten controleren of de visserijinspanningsregelingen worden nageleefd in geografische gebieden waar een maximaal toelaatbare visserijinspanning geldt. Zij zien erop toe dat vissersvaartuigen die onder hun vlag varen zich uitsluitend in een geografisch gebied bevinden waar een visserijinspanningsregeling geldt en uitsluitend onder de visserijinspanningsregeling vallend vistuig of vistuigen aan boord hebben of, in voorkomend geval, gebruiken of, in voorkomend geval, actief zijn in een onder die visserijinspanningsregeling vallende visserijtak, indien de voor hen geldende maximaal toelaatbare visserijinspanning niet is bereikt en indien de voor elk afzonderlijk vissersvaartuig beschikbare inspanning niet is uitgeput.

2.   Onverminderd bijzondere regels, geldt dat wanneer een vissersvaartuig dat uitsluitend onder de visserijinspanningsregeling vallend vistuig of vistuigen aan boord heeft of, in voorkomend geval, gebruikt of actief is in een onder die visserijinspanningsregeling vallende visserijtak, op één dag twee of meer geografische gebieden doorkruist waar die visserijinspanningsregeling geldt, de visserijinspanning in mindering wordt gebracht op de maximaal toelaatbare visserijinspanning die geldt voor dat vistuig of die visserijtak en voor het geografische gebied waar die dag de meeste tijd is doorgebracht.

3.   Wanneer een lidstaat een vissersvaartuig overeenkomstig artikel 27, lid 2, toestemming heeft gegeven meer dan één vistuig of vistuigen van meer dan één groep onder een visserijinspanningsregeling vallende vistuigen te gebruiken tijdens een bepaalde visreis in een onder die visserijinspanningsregeling vallend geografisch gebied, wordt de tijdens die reis gebruikte visserijinspanning in mindering gebracht op de voor die lidstaat beschikbare maximaal toelaatbare visserijinspanning, in samenhang met elk vistuig of elke groep vistuigen en dat geografische gebied.

4.   Wanneer vistuigen behoren tot dezelfde groep vistuigen waarvoor de visserijinspanningsregeling geldt, wordt de in een geografisch gebied door vissersvaartuigen met aan boord deze vistuigen gebruikte visserijinspanning alleen in mindering gebracht op de maximaal toelaatbare visserijinspanning in samenhang met zo’n groep vistuigen en zo’n geografisch gebied.

5.   De lidstaten reguleren de visserijinspanning van hun vloot in geografische gebieden waar een visserijinspanningsregeling geldt wanneer de vloot onder die visserijinspanningsregeling vallend een vistuig of vistuigen aan boord heeft of, in voorkomend geval, gebruikt of actief is in een onder die visserijinspanningsregeling vallende visserijtak, door passende maatregelen te nemen indien de beschikbare maximaal toelaatbare visserijinspanning bijna is bereikt, teneinde ervoor te zorgen dat de gebruikte visserijinspanning niet de limieten overschrijdt.

6.   Onder een dag aanwezigheid wordt verstaan elke ononderbroken periode van 24 uur of een deel daarvan waarin een vissersvaartuig in het geografische gebied aanwezig is en buitengaats is of, in voorkomend geval, zijn vistuig gebruikt. De lidstaat waarvan het betrokken vissersvaartuig de vlag voert, bepaalt wanneer de ononderbroken periode ingaat. Een buitengaats doorgebrachte dag is elke ononderbroken periode van 24 uur of een deel daarvan waarin het vissersvaartuig zich niet in de haven bevindt.

Artikel 27

Kennisgeving betreffende het vistuig

1.   Onverminderd bijzondere regels moet de kapitein van een vissersvaartuig of zijn vertegenwoordiger, in de betrokken geografische gebieden waar een visserijinspanningsregeling geldt of beperkingen voor het vistuig van kracht zijn of een maximaal toelaatbare visserijinspanning is ingesteld voor diverse soorten vistuigen of groepen vistuigen, de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat voorafgaand aan een periode waarop een maximaal toelaatbare visserijinspanning van toepassing is, meedelen welk vistuig of welke vistuigen hij de komende periode denkt te gaan gebruiken. Zolang een dergelijke kennisgeving niet is gedaan mag het vissersvaartuig niet vissen binnen het geografische gebied waarop de visserijinspanningsregeling van toepassing is.

2.   Wanneer het volgens een visserijinspanningsregeling geoorloofd is in een geografisch gebied vistuig te gebruiken van één of meer groepen vistuigen, is voor het gebruik van meer dan één vistuig gedurende een visreis een voorafgaande toestemming van de vlaggenlidstaat vereist.

Artikel 28

Visserijinspanningsverslag

1.   Wanneer de Raad daartoe besluit, doen de kapiteins van communautaire vissersvaartuigen die niet zijn uitgerust met een functionerend volgsysteem voor vaartuigen als bedoeld in artikel 9 of die niet elektronisch visserijlogboekgegevens doorgeven overeenkomstig artikel 15 en die aan een visserijinspanningsregeling zijn onderworpen, onderstaande gegevens per telex, per fax, via een mededeling per telefoon of e-mail die door de ontvanger naar behoren wordt geregistreerd, dan wel via een in de communautaire wetgeving erkend radiostation in de vorm van een visserijinspanningsverslag toekomen aan de bevoegde autoriteiten van zijn vlaggenlidstaat en, in voorkomend geval, aan de kustlidstaat, en wel onmiddellijk voorafgaand aan elke binnenkomst in en elk vertrek uit een onder die visserijinspanningsregeling vallend geografisch gebied:

a)

de naam, het externe kenteken, de radioroepnaam en de naam van de kapitein van het vissersvaartuig;

b)

de geografische locatie van het vissersvaartuig waarop de communicatie betrekking heeft;

c)

de datum en het tijdstip van elke binnenkomst in en elk vertrek uit het gebied of delen daarvan;

d)

de aan boord gehouden vangst per soort in kilogrammen levend gewicht.

2.   In overeenstemming met de lidstaten waarvoor de visserijactiviteiten van zijn vaartuigen van belang is, kan een lidstaat alternatieve controlemaatregelen toepassen om ervoor te zorgen dat de rapportageverplichtingen voor de visserijinspanning worden nageleefd. Deze maatregelen zijn even doeltreffend en transparant als de rapportageverplichtingen van lid 1 en worden, alvorens te worden toegepast, aan de Commissie meegedeeld.

Artikel 29

Vrijstellingen

1.   Een vissersvaartuig dat onder een visserijinspanningsregeling vallend vistuig aan boord heeft, mag door een geografisch gebied waar die visserijinspanningsregeling geldt, varen als het voor dat geografische gebied geen vismachtiging heeft of als het zijn bevoegde autoriteiten op voorhand heeft laten weten dat het door dat gebied wil varen. Zolang het vissersvaartuig in dat geografische gebied is, moet al het vistuig dat onder die visserijinspanningsregeling valt en zich aan boord bevindt, vastgemaakt en opgeborgen worden overeenkomstig de voorwaarden in artikel 47.

2.   Een lidstaat mag ervoor kiezen de activiteit van een vissersvaartuig dat in een onder een visserijinspanningsregeling vallend geografisch gebied niet aan de visserij gerelateerde activiteiten onderneemt, niet in mindering te brengen op een beschikbare maximaal toelaatbare visserijinspanning, mits het vissersvaartuig eerst de vlaggenlidstaat van zijn voornemen die activiteiten te ontplooien en van de aard van die activiteiten in kennis stelt, en voor de duur van de activiteiten afstand doet van zijn vismachtiging. Gedurende die activiteiten voeren deze vissersvaartuigen geen vistuig of vis mee.

3.   Een lidstaat mag ervoor kiezen de activiteit van een vissersvaartuig in een onder een visserijinspanningsregeling vallend geografisch gebied niet in mindering te brengen op een beschikbare maximaal toelaatbare visserijinspanning, indien dat vissersvaartuig zich in dat geografische gebied bevond maar niet kon vissen omdat het een vissersvaartuig in nood hielp of omdat het een gewonde vervoerde voor dringende medische zorg. Binnen een maand na dat besluit stelt de vlaggenlidstaat de Commissie ervan in kennis en levert hij bewijs van de verleende noodhulp.

Artikel 30

Uitputting van de visserijinspanning

1.   Onverminderd de artikelen 29 en 31 blijft in een geografisch gebied waar vistuig onder een visserijinspanningsregeling valt, een vissersvaartuig dat dergelijk vistuig of dergelijke vistuigen aan boord heeft, voor de resterende duur van die regeling in de haven of buiten dat geografische gebied, als:

a)

het vaartuig het aan hem toegekende deel van de maximaal toelaatbare visserijinspanning voor dat geografische gebied en voor dat vistuig of die vistuigen heeft uitgeput; of

b)

de maximaal toelaatbare visserijinspanning voor dat geografische gebied en voor dat vistuig of die vistuigen waarover zijn vlaggenlidstaat beschikt, is uitgeput.

2.   Onverminderd artikel 29 mag in een geografisch gebied waar een visserijtak onder een visserijinspanningsregeling valt, een vissersvaartuig niet actief zijn in die visserijtak als:

a)

het vaartuig het aan hem toegekende deel van de maximaal toelaatbare visserijinspanning voor dat geografische gebied en voor die visserijtak heeft uitgeput; of

b)

de maximaal toelaatbare visserijinspanning voor dat geografische gebied en voor die visserijtak waarover zijn vlaggenlidstaat beschikt, is uitgeput.

Artikel 31

Vissersvaartuigen die zijn uitgesloten van de toepassing van een visserijinspanningsregeling

Deze afdeling is niet van toepassing op vissersvaartuigen voor zover zij zijn vrijgesteld van de toepassing van een visserijinspanningsregeling.

Artikel 32

Uitvoeringsbepalingen

De bepalingen ter uitvoering van deze afdeling kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Afdeling 3

Registratie en uitwisseling van gegevens door de lidstaten

Artikel 33

Registratie van de vangsten en de visserijinspanning

1.   Elke vlaggenlidstaat registreert alle relevante gegevens, in het bijzonder de gegevens die worden bedoeld in de artikelen 14, 21, 23, 28 en 62, over de in dit hoofdstuk bedoelde vangstmogelijkheden, uitgedrukt zowel in aanlandingen als, indien nodig, in visserijinspanning, en bewaart de originelen van die gegevens gedurende drie jaar, of langer als dat op grond van nationale bepalingen vereist is.

2.   Onverminderd in de communautaire wetgeving vastgestelde bijzondere regels, meldt elke vlaggenlidstaat de Commissie of de door haar aangewezen instantie vóór de 15e van elke maand per computer de geaggregeerde gegevens:

a)

voor de hoeveelheden die in de voorafgaande maand zijn aangeland uit elk bestand of elke groep bestanden waarvoor een TAC of quotum geldt; en

b)

voor de visserijinspanning die in de voorafgaande maand voor elk onder een visserijinspanningsregeling vallend visserijgebied of, in voorkomend geval, voor elke onder een visserijinspanningsregeling vallende visserijtak is gebruikt.

3.   Voor hoeveelheden die met ingang van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 worden aangeland registreren de lidstaten, in afwijking van lid 2, onder a), de hoeveelheden die door vissersvaartuigen van andere lidstaten in hun havens worden aangeland en melden zij deze aan de Commissie overeenkomstig de in dit artikel vastgestelde procedures.

4.   Elke vlaggenlidstaat meldt de Commissie elektronisch vóór het einde van de eerste maand van elk kwartaal in geaggregeerde vorm welke hoeveelheden van andere dan de in lid 2 bedoelde bestanden in het voorafgaande kwartaal zijn aangevoerd.

5.   Alle hoeveelheden die door communautaire vissersvaartuigen worden gevangen uit een bestand of groep bestanden waarvoor quota gelden, worden, ongeacht de plaats van aanlanding, in mindering gebracht op het quotum waarover de vlaggenlidstaat voor dat bestand of die groep bestanden beschikt.

6.   Vangsten voor wetenschappelijk onderzoek die op de markt worden gebracht en verkocht, worden in mindering gebracht op het betrokken quotum van de vlaggenlidstaat voor zover zij 2 % van de betrokken quota te boven gaan. Artikel 12, lid 2, van Verordening (EG) nr. 199/2008 van de Raad van 25 februari 2008 betreffende de instelling van een communautair kader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid (24) geldt niet voor wetenschappelijke onderzoeksreizen tijdens welke die vangsten worden gedaan.

7.   Onverminderd titel XII mogen de lidstaten met de Commissie en een door haar aangewezen instantie tot en met 30 juni 2011 proefprojecten uitvoeren over de rechtstreekse toegang op afstand tot de volgens deze verordening geregistreerde en gevalideerde gegevens van de lidstaten. Het formaat en de procedures voor toegang tot de gegevens worden gecontroleerd en getest. Indien lidstaten overwegen proefprojecten uit te voeren, laten zij dit vóór 1 januari 2011 aan de Commissie weten. Vanaf 1 januari 2012 kan de Raad besluiten over een andere manier en frequentie van toezending van gegevens door de lidstaten aan de Commissie.

8.   Uitgezonderd voor de visserijinspanning door vissersvaartuigen die zijn uitgesloten van de toepassing van een visserijinspanningsregeling, wordt de totale visserijinspanning van communautaire vissersvaartuigen die onder een visserijinspanningsregeling vallend vistuig of vistuigen aan boord hebben of, in voorkomend geval, gebruiken, of actief zijn in een onder een visserijinspanningsregeling vallende visserijtak in een geografisch gebied waarvoor die visserijinspanningsregeling geldt, in mindering gebracht op de voor de vlaggenlidstaat beschikbare maximaal toelaatbare visserijinspanning voor dat geografische gebied, dat vistuig of die visserijtak.

9.   Een visserijinspanning in het kader van wetenschappelijk onderzoek door een vaartuig dat onder een visserijinspanningsregeling vallend vistuig of vistuigen aan boord heeft of actief is in een onder een visserijinspanningsregeling vallende visserijtak in een geografisch gebied waarvoor die visserijinspanningsregeling geldt, wordt in mindering gebracht op de maximaal toelaatbare visserijinspanning voor dat vistuig of die vistuigen of voor die visserijtak en dat geografische gebied van de vlaggenlidstaat van dat vaartuig, als de vangsten die tijdens die inspanning worden gedaan op de markt worden gebracht en verkocht voor zover zij 2 % van de betrokken quota te boven gaan. Artikel 12, lid 2, van Verordening (EG) nr. 199/2008 geldt niet voor wetenschappelijke onderzoeksreizen tijdens welke vangsten worden gedaan.

10.   De formats voor het doorsturen van de in dit artikel bedoelde gegevens kunnen door de Commissie worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 34

Gegevens over de uitputting van de vangstmogelijkheden

Een lidstaat stelt de Commissie onverwijld van zijn bevindingen in kennis zodra hij constateert dat:

a)

met de door vissersvaartuigen die zijn vlag voeren gemaakte vangsten uit een bestand of groep bestanden waarvoor een quotum geldt, 80 % van dat quotum wordt geacht te zijn opgebruikt; of

b)

de met betrekking tot een vistuig of een visserijtak en een geografisch gebied vastgestelde maximaal toelaatbare visserijinspanning die geldt voor alle vissersvaartuigen die zijn vlag voeren of voor een groep daarvan, wordt geacht te zijn bereikt.

Als deze situatie zich voordoet, verstrekt hij de Commissie, op haar verzoek, vaker gegevens en gedetailleerdere gegevens dan bepaald in artikel 33.

Afdeling 4

Sluiting van de visserij

Artikel 35

Sluiting van de visserij door de lidstaten

1.   Elke lidstaat stelt de datum vast waarop:

a)

de door vissersvaartuigen die zijn vlag voeren gemaakte vangsten uit een bestand of groep bestanden waarvoor een quotum geldt, worden geacht dat quotum te hebben opgebruikt;

b)

de voor een vistuig of een visserijtak en een geografisch gebied vastgestelde maximaal toelaatbare visserijinspanning die geldt voor alle vissersvaartuigen die zijn vlag voeren of voor een groep daarvan, wordt geacht te zijn bereikt.

2.   De betrokken lidstaat verbiedt alle vissersvaartuigen die zijn vlag voeren of een deel daarvan met ingang van de in lid 1 bedoelde datum te vissen, hetzij op het bestand of de groep bestanden waarvan de quota uitgeput zijn, in de betrokken visserijtak, hetzij met aan boord het betreffende vistuig in het geografische gebied waar de maximale visserijinspanning bereikt is, en verbiedt in het bijzonder vis die na deze datum gevangen is, aan boord te houden, over te laden, te verplaatsen of aan te landen, en bepaalt tot welke datum overladingen, overbrengingen en aanlandingen mogen plaatsvinden en de laatste vangstaangiften mogen worden ingediend.

3.   De betrokken lidstaat maakt het in lid 2 bedoelde besluit bekend en deelt het onmiddellijk aan de Commissie mee. Het besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (C-reeks) en op de website van de Commissie. Vanaf de datum waarop de betrokken lidstaat zijn besluit heeft bekendgemaakt, zien de lidstaten erop toe dat geen van de vissersvaartuigen die de vlag van de betrokken lidstaat voeren of groepen daarvan, in hun wateren en op hun grondgebied hetzij de betrokken vis aan boord houdt, overlaadt, verplaatst of aanlandt, hetzij het betrokken vistuig aan boord heeft in de betrokken geografische gebieden.

4.   De Commissie stelt de kennisgevingen die zij op grond van dit artikel heeft ontvangen, elektronisch ter beschikking van de lidstaten.

Artikel 36

Sluiting van de visserij door de Commissie

1.   Wanneer de Commissie van mening is dat een lidstaat niet heeft voldaan aan de verplichting om de maandelijkse gegevens over de vangstmogelijkheden mee te delen overeenkomstig artikel 33, lid 2, kan zij de datum vaststellen waarop 80 % van de vangstmogelijkheden van die lidstaat wordt geacht te zijn opgebruikt en kan zij de vermoedelijke datum vaststellen waarop de vangstmogelijkheden zullen worden geacht volledig te zijn opgebruikt.

2.   Wanneer de Commissie op basis van de krachtens artikel 35 verstrekte gegevens of naar eigen inzicht van oordeel is dat ervan moet worden uitgegaan dat de voor de Gemeenschap, een lidstaat of een groep lidstaten beschikbare vangstmogelijkheden zijn opgebruikt, stelt de Commissie de betrokken lidstaten daarvan in kennis en verbiedt zij de visserijactiviteiten voor het gebied, het vistuig, het bestand, de groep bestanden of de vloot die bij die specifieke visserijactiviteiten zijn betrokken.

Artikel 37

Corrigerende maatregelen

1.   Als de Commissie de visserij heeft verboden omdat de vangstmogelijkheden waarover een lidstaat, een groep lidstaten of de Gemeenschap beschikt, zouden zijn opgebruikt, maar duidelijk wordt dat een lidstaat zijn vangstmogelijkheden in feite niet volledig heeft opgebruikt, is dit artikel van toepassing.

2.   Als de schade die is geleden door de lidstaat die een vangstverbod heeft gekregen voordat zijn vangstmogelijkheden volledig waren opgebruikt, niet ongedaan is gemaakt, kunnen volgens de in artikel 119 bedoelde procedure maatregelen worden genomen om de berokkende schade op passende wijze te compenseren. Deze maatregelen kunnen inhouden dat op de vangstmogelijkheden van een lidstaat die zich aan overbevissing heeft schuldig gemaakt, een korting wordt toegepast, waarna de betrokken hoeveelheden op passende wijze worden toegewezen aan de lidstaten waarvan de visserijactiviteiten werden verboden voordat hun vangstmogelijkheden volledig waren opgebruikt.

3.   Bij de in lid 2 bedoelde kortingen en de daaropvolgende toewijzingen wordt bij voorrang rekening gehouden met de soorten en betrokken geografische gebieden waarvoor de vangstmogelijkheden waren vastgesteld. Deze kortingen en toewijzingen kunnen plaatsvinden in het jaar waarin het nadeel is ontstaan of in de loop van het daaropvolgende jaar of de daaropvolgende jaren.

4.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel, met name betreffende de vaststelling van de betrokken hoeveelheden, worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

HOOFDSTUK II

Controle op het vlootbeheer

Afdeling 1

Vangstcapaciteit

Artikel 38

Vangstcapaciteit

1.   De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het verrichten van de controles die nodig zijn om te garanderen dat de totale capaciteit die overeenstemt met de door een lidstaat afgegeven visvergunningen, uitgedrukt in GT en in kW, op geen enkel ogenblik de maximumcapaciteit overschrijdt die voor die lidstaat is vastgesteld overeenkomstig:

a)

artikel 13 van Verordening (EG) nr. 2371/2002,

b)

Verordening (EG) nr. 639/2004,

c)

Verordening (EG) nr. 1438/2003; en

d)

Verordening (EG) nr. 2104/2004.

2.   Uitvoeringsbepalingen voor dit artikel, met name wat betreft:

a)

de registratie van vissersvaartuigen;

b)

de verificatie van het motorvermogen van de vissersvaartuigen;

c)

de verificatie van de tonnage van de vissersvaartuigen;

d)

de verificatie van het soort vistuig, het aantal vistuigen en de kenmerken ervan,

kunnen volgens de in artikel 119 bedoelde procedure worden vastgesteld.

3.   De lidstaten stellen de Commissie in het in artikel 118 bedoelde verslag in kennis van de toegepaste controlemethoden, alsmede van de naam en het adres van de instanties die verantwoordelijk zijn voor het verrichten van de in lid 2 van dit artikel bedoelde verificatie.

Afdeling 2

Motorvermogen

Artikel 39

Toezicht op het motorvermogen

1.   Het is verboden te vissen met een vissersvaartuig waarvan de motor een vermogen heeft dat het in de visvergunning vermelde vermogen te boven gaat.

2.   De lidstaten zien erop toe dat het gecertificeerde motorvermogen niet wordt overschreden. Zij stellen de Commissie in het in artikel 118 bedoelde verslag in kennis van de controlemaatregelen die zij hebben genomen om erop toe te zien dat het gecertificeerde motorvermogen niet wordt overschreden.

3.   De lidstaten kunnen de aan de certificering van het motorvermogen verbonden kosten geheel of gedeeltelijk doorberekenen aan de reders van de vissersvaartuigen.

Artikel 40

Certificering van het motorvermogen

1.   De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het certificeren van het motorvermogen en het afgeven van motorcertificaten voor communautaire vissersvaartuigen met een motor met een voortstuwingsvermogen van meer dan 120 kilowatt (kW), behalve voor vaartuigen die uitsluitend passief vistuig of dreggen gebruiken, ondersteunende vaartuigen en uitsluitend in de aquacultuur gebruikte vaartuigen.

2.   Voor een nieuwe voortstuwingsmotor, een ruilvoortstuwingsmotor en een technisch gewijzigde voortstuwingsmotor van de in lid 1 bedoelde vissersvaartuigen verstrekken de bevoegde autoriteiten van de lidstaten een officiële certificering waaruit blijkt dat die motor geen groter maximaal continu motorvermogen kan ontwikkelen dan het vermogen dat op het motorcertificaat staat. Een dergelijk certificaat wordt uitsluitend verstrekt als de motor niet in staat is meer dan het vermelde maximaal continu motorvermogen te ontwikkelen.

3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten mogen de certificering van het motorvermogen uitbesteden aan classificatiebureaus of aan andere marktdeelnemers die over de nodige expertise beschikken om het motorvermogen technisch te beoordelen. Deze classificatiebureaus of andere marktdeelnemers mogen alleen certificeren dat een voortstuwingsmotor het officieel vermelde vermogen niet kan overschrijden als het onmogelijk is de prestatie van de voortstuwingsmotor tot boven het gecertificeerde vermogen op te drijven.

4.   Het is verboden een nieuwe aandrijfmotor, een ruilaandrijfmotor of een technisch gewijzigde aandrijfmotor te gebruiken wanneer een dergelijke motor geen officiële certificering van de lidstaat in kwestie heeft gekregen.

5.   Op vissersvaartuigen waarvoor een visserijinspanningsregeling geldt, is dit artikel met ingang van 1 januari 2012 van toepassing. Voor andere vissersvaartuigen is het van toepassing vanaf 1 januari 2013.

6.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 41

Verificatie van het motorvermogen

1.   De lidstaten verrichten, na een risicoanalyse, een verificatie van gegevens, volgens een steekproefplan op basis van de methode die de Commissie overeenkomstig de in artikel 119 bedoelde procedure vaststelt, om na te gaan of het juiste motorvermogen is vermeld, aan de hand van alle gegevens over de technische kenmerken van het betrokken vaartuig waarover de administratie beschikt. Met name verifiëren zij de gegevens die zijn opgenomen in:

a)

de bescheiden van het volgsysteem voor vaartuigen;

b)

het visserijlogboek;

c)

het EIAPP-certificaat (Engine International Air Pollution Prevention) dat voor de motor is afgegeven overeenkomstig bijlage VI bij het MARPOL-verdrag van 1973/1978;

d)

de klassecertificaten die zijn afgegeven door een met de inspectie en controle van schepen belaste erkende organisatie in de zin van Richtlijn 94/57/EG;

e)

het certificaat van tests op zee;

f)

het communautaire gegevensbestand over de vissersvloot; en

g)

elk ander document dat relevante gegevens bevat over het vermogen van het vaartuig of over daarmee samenhangende technische kenmerken.

2.   Als er na de analyse van de in lid 1 bedoelde informatie aanwijzingen zijn dat het motorvermogen van een vissersvaartuig groter is dan het op de visvergunning van dat vaartuig vermelde vermogen, voeren de lidstaten een fysieke controle uit van het motorvermogen.

HOOFDSTUK III

Controle op de meerjarenplannen

Artikel 42

Overlading in de haven

1.   Vissersvaartuigen die betrokken zijn bij visserij waarvoor een meerjarenplan geldt, laden hun vangsten pas over op een ander vaartuig in een aangewezen haven of op plaatsen dichtbij de kust als de vangsten zijn gewogen overeenkomstig artikel 60.

2.   In afwijking van lid 1 mogen vissersvaartuigen pelagische vangsten die onder een meerjarenplan vallen ongewogen overladen in aangewezen havens of plaatsen dichtbij de kust als er een met controle belaste waarnemer of een functionaris aan boord van het ontvangende vaartuig is, of indien er na voltooiing van de overlading een controle wordt uitgevoerd voordat het ontvangende vaartuig vertrekt. De kapitein van het ontvangende vaartuig heeft de taak de bevoegde autoriteiten van de kustlidstaat 24 uur vóór het geplande tijdstip van vertrek van het ontvangende vaartuig te informeren. De met controle belaste waarnemer of functionaris wordt aangewezen door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan het ontvangende vaartuig de vlag voert. Indien het ontvangende vaartuig visserijactiviteiten onderneemt voordat of nadat het zulke vangsten heeft ontvangen, blijft er tot de aanlanding van de ontvangen vangsten een met controle belaste waarnemer of een functionaris aan boord. Het ontvangende vaartuig landt de ontvangen vangsten aan in een overeenkomstig artikel 43, lid 4, aangewezen haven van een lidstaat, waar de vangst wordt gewogen overeenkomstig de artikelen 60 en 61.

Artikel 43

Aangewezen haven

1.   Wanneer de Raad voor een bepaalde soort een meerjarenplan vaststelt, kan hij voor die soort een drempel, uitgedrukt in levend gewicht, vaststellen bij overschrijding waarvan een vissersvaartuig zijn vangsten in een aangewezen haven of op een plaats dichtbij de kust moet aanlanden.

2.   Als meer dan de in lid 1 bedoelde drempel vis moet worden aangeland, ziet de kapitein van een communautair vissersvaartuig erop toe dat die aanlanding uitsluitend plaatsvindt in een aangewezen haven of op een plaats dichtbij de kust in de Gemeenschap.

3.   Wanneer het meerjarenplan wordt toegepast in het kader van een regionale visserijorganisatie, mogen de aanlandingen of overladingen plaatsvinden in een haven van een verdrag- of overeenkomstsluitende partij of een samenwerkende niet-verdrag- of overeenkomstsluitende partij bij die organisatie, overeenkomstig de regels van die regionale visserijorganisatie.

4.   Elke lidstaat wijst de havens of een plaats dichtbij de kust aan waar de in lid 2 bedoelde aanlandingen moeten plaatsvinden.

5.   Een haven of een plaats dichtbij de kust kan slechts worden aangewezen als een aangewezen haven, mits de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

de uren van aanlanding of overlading staan vast;

b)

de plaatsen van aanlanding of overlading staan vast;

c)

de inspectie- en controleprocedures staan vast.

6.   Wanneer een haven of een plaats dichtbij de kust is aangewezen voor de aanlanding van een soort die onder een meerjarenplan valt, mogen daar ook andere soorten worden aangeland.

7.   De lidstaten kunnen worden vrijgesteld van de bepalingen in lid 5, onder c), indien het nationale controleactieprogramma dat overeenkomstig artikel 46 is aangenomen, een plan bevat over de wijze waarop de controle moet worden uitgevoerd in aangewezen havens, met hetzelfde niveau van controle door de bevoegde autoriteiten. Een plan wordt als bevredigend beschouwd als het door de Commissie is goedgekeurd volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 44

Gescheiden opslag van demersale vangsten die onder meerjarenplannen vallen

1.   Alle vangsten van onder een meerjarenplan vallende demersale bestanden die aan boord van een communautair vissersvaartuig met een lengte van 12 m over alles of meer worden gehouden, worden per soort in bakken, ruimten of containers opgeslagen, onderscheiden van andere bakken, compartimenten of containers.

2.   De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen slaan de vangsten van onder een meerjarenplan vallende demersale bestanden op volgens een opslagschema waarin wordt aangegeven waar de diverse soorten zich in het ruim bevinden.

3.   Een communautair vissersvaartuig mag geen bakken, ruimten of containers aan boord hebben waarin hoeveelheden vangsten van onder een meerjarenplan vallende demersale bestanden met andere visserijproducten zijn vermengd.

Artikel 45

Realtimegebruik van quota

1.   Wanneer de som van de vangsten van bestanden die onder een meerjarenplan vallen een bepaalde drempel van het nationale quotum heeft bereikt, worden de vangstgegevens vaker aan de Commissie toegestuurd.

2.   De Raad besluit welke drempel moet worden gehanteerd en hoe vaak de in lid 1 bedoelde gegevens moeten worden gecommuniceerd.

Artikel 46

Nationale controleactieprogramma’s

1.   De lidstaten stellen voor elk meerjarenplan een nationaal controleactieprogramma vast. Alle nationale controleactieprogramma’s worden aan de Commissie meegedeeld of beschikbaar gesteld op het beveiligde deel van de website van de lidstaat overeenkomstig artikel 115, onder a).

2.   De lidstaten stellen specifieke ijkpunten voor de inspectie vast overeenkomstig bijlage I. Deze ijkpunten worden bepaald aan de hand van het risicobeheer en periodiek herzien na analyse van de bereikte resultaten. De ijkpunten voor de inspectie worden voortdurend aangepast totdat de in bijlage I omschreven streefijkpunten worden bereikt.

HOOFDSTUK IV

Controle op technische maatregelen

Afdeling 1

Gebruik van het vistuig

Artikel 47

Vistuig

Als het gaat om visserijtakken waarin het gebruik van meer dan één soort vistuig verboden is, wordt ander vistuig zo vastgemaakt en opgeborgen dat het niet onmiddellijk kan worden gebruikt, dat wil zeggen dat:

a)

de netten, de gewichten en soortgelijk tuig zijn losgemaakt van hun trawlborden en van hun trek- of sleepkabels en -touwen;

b)

netten die zich op of boven het dek bevinden, stevig zijn vastgemaakt en opgeborgen;

c)

beuglijnen op lagere dekken zijn geborgen.

Artikel 48

Terughalen van verloren vistuig

1.   Een communautair vissersvaartuig heeft de middelen aan boord om verloren vistuig terug te halen.

2.   De kapitein van een communautair vissersvaartuig dat zijn vistuig geheel of gedeeltelijk heeft verloren, tracht het verloren vistuig zo snel mogelijk terug te halen.

3.   Wanneer het verloren vistuig niet kan worden teruggehaald, brengt de kapitein van het vissersvaartuig dat ter kennis van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan hij de vlag voert; die autoriteit verstrekt de bevoegde autoriteit van de kustlidstaat binnen 24 uur de hiernavolgende gegevens:

a)

het externe identificatienummer en de naam van het vissersvaartuig;

b)

het soort verloren vistuig;

c)

het tijdstip van het verlies;

d)

de plaats van het verlies;

e)

de maatregelen die zijn genomen om het vistuig terug te halen.

4.   Indien vistuig dat door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten is teruggehaald, niet als verloren was opgegeven, mogen de autoriteiten de kosten verhalen op de kapitein van het vissersvaartuig dat het vistuig heeft verloren.

5.   Een lidstaat kan communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 m die zijn vlag voeren, van het bepaalde in lid 1 vrijstellen indien zij:

a)

uitsluitend actief zijn in de territoriale zeeën van de vlaggenlidstaat; of

b)

nooit meer dan 24 uur op zee blijven tussen het tijdstip van vertrek uit de haven en het tijdstip van terugkeer naar de haven.

Artikel 49

Samenstelling van de vangst

1.   Als voor vangsten die aan boord van een communautair vissersvaartuig worden gehouden gedurende eenzelfde visreis netten met verschillende minimummaaswijdten zijn gebruikt, wordt de samenstelling naar soort berekend voor elk van de onder de verschillende omstandigheden gevangen gedeelten van de vangst. Daartoe worden alle maaswijdteveranderingen en de samenstelling van de zich op het ogenblik van die veranderingen aan boord bevindende vangst opgetekend in het visserijlogboek.

2.   Onverminderd artikel 44 kunnen in specifieke gevallen volgens de in artikel 119 bedoelde procedure uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld met betrekking tot het aan boord hebben van een opslagschema van de verwerkte producten waarin per soort wordt aangegeven waar die zich in het ruim bevinden.

Afdeling 2

Controle op voor de visserij beperkte gebieden

Artikel 50

Controle op voor de visserij beperkte gebieden

1.   Op de visserijactiviteiten van de communautaire vissersvaartuigen en vissersvaartuigen van derde landen in visserijzones waar door de Raad een voor de visserij beperkt gebied is ingesteld, wordt controle uitgeoefend door het visserijcontrolecentrum van de kustlidstaat, dat beschikt over een systeem om te detecteren en te registreren wanneer vaartuigen voor de visserij beperkte gebieden binnenvaren, erdoor varen en verlaten.

2.   Naast het bepaalde in lid 1 stelt de Raad een datum vast vanaf welke de vissersvaartuigen een operationeel systeem aan boord dienen te hebben dat de kapitein waarschuwt bij het binnenvaren en het verlaten van een voor de visserij beperkt gebied.

3.   De gegevens worden ten minste om de 30 minuten doorgestuurd als een vissersvaartuig een voor de visserij beperkt gebied binnenvaart.

4.   Vissersvaartuigen die niet in een voor de visserij beperkt gebied mogen vissen, mogen door een voor de visserij beperkt gebied varen op voorwaarde dat:

a)

alle zich aan boord bevindend vistuig tijdens de doorvaart is vastgemaakt en geborgen, en

b)

de snelheid tijdens het doorvaren niet minder dan zes knopen bedraagt, behalve in geval van overmacht of als de omstandigheden tegenzitten. In zulke gevallen waarschuwt de kapitein onmiddellijk het visserijcontrolecentrum van de vlaggenlidstaat, die vervolgens de bevoegde autoriteiten van de kustlidstaat op de hoogte brengt.

5.   Dit artikel geldt voor communautaire vissersvaartuigen en voor vissersvaartuigen uit derde landen met een lengte van 12 m over alles of meer.

Afdeling 3

Realtimesluiting van visserijtakken

Artikel 51

Algemene bepalingen

1.   Als een vangstdrempel van een bepaalde soort of groep van soorten zoals vastgesteld overeenkomstig de in artikel 119 bedoelde procedure is bereikt, kan het betrokken gebied overeenkomstig deze afdeling tijdelijk voor de betrokken visserij worden gesloten.

2.   De vangstdrempel wordt berekend op basis van een steekproefmethode die door de Commissie overeenkomstig de in artikel 119 bedoelde procedure is vastgesteld, en wordt uitgedrukt als percentage of gewicht van een bepaalde soort of groep van soorten ten opzichte van de totale vangst per trek van de vis in kwestie.

3.   De bepalingen ter uitvoering van deze afdeling worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 52

Vangstdrempel per twee trekken

1.   Als de vangsthoeveelheid de vangstdrempel bij twee opeenvolgende trekken overschrijdt, begint het vissersvaartuig pas opnieuw te vissen nadat het het vangstgebied met minstens vijf zeemijl heeft verlegd of met twee zeemijl voor vissersvaartuigen van minder dan 12 m lengte over alles, ten opzichte van de positie van de vorige trek, en stelt het de bevoegde autoriteiten van de kustlidstaat daarvan onmiddellijk in kennis.

2.   De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 119 bedoelde procedure op eigen initiatief of op verzoek van de betrokken lidstaat de in lid 1 vermelde afstanden wijzigen.

Artikel 53

Realtimesluiting door de lidstaten

1.   Wanneer een functionaris, een met controle belaste waarnemer of onderzoeksplatform constateert dat een vangstdrempel is bereikt, stelt de functionaris, de waarnemer die met controle is belast of de persoon die deelneemt aan een gezamenlijke actie in het kader van een gezamenlijk inzetplan, daarvan onmiddellijk de bevoegde autoriteiten van de kustlidstaat in kennis.

2.   Op basis van de overeenkomstig de lid 1 ontvangen gegevens besluit de kustlidstaat onmiddellijk tot de realtimesluiting van het betrokken gebied. De lidstaat kan voor dit besluit ook de informatie gebruiken die hij overeenkomstig artikel 52 heeft ontvangen, of andere beschikbare informatie. In het besluit waarbij de realtimesluiting wordt ingesteld worden het geografische gebied van de betrokken visgronden, de duur van de sluiting en de voorwaarden voor de visserij in dat gebied gedurende de sluiting, duidelijk aangegeven.

3.   Indien het in lid 2 bedoelde gebied op het rechtsgebied van meer dan één lidstaat ligt, brengt de betrokken lidstaat de naburige kustlidstaat onverwijld op de hoogte van de vaststellingen en van het besluit om het gebied te sluiten. De naburige kustlidstaat sluit dan onverwijld zijn deel van het gebied.

4.   De in lid 2 bedoelde realtimesluiting is niet-discriminerend en geldt alleen voor vissersvaartuigen die zijn uitgerust voor het vangen van de betrokken soorten en/of een machtiging hebben voor het vissen op de betrokken visgronden.

5.   De kustlidstaat stelt de Commissie, alle lidstaten en de derde landen waarvan vissersvaartuigen zijn gemachtigd om in het betrokken gebied actief te zijn, onmiddellijk in kennis van het feit dat er een realtimesluiting is ingesteld.

6.   De Commissie kan de lidstaat te allen tijde verzoeken de realtimesluiting met onmiddellijke ingang ongedaan te maken of te wijzigen indien de betrokken lidstaat niet voldoende gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat er een vangstdrempel is bereikt overeenkomstig artikel 51.

7.   In het in lid 2 bedoelde gebied zijn visserijactiviteiten verboden overeenkomstig het besluit tot instelling van de realtimesluiting.

Artikel 54

Realtimesluiting door de Commissie

1.   Op basis van gegevens waaruit blijkt dat een vangstdrempel is bereikt, kan de Commissie, als de kustlidstaat zelf geen sluiting heeft ingesteld, een gebied vaststellen dat tijdelijk wordt gesloten.

2.   De Commissie stelt onmiddellijk alle lidstaten en de derde landen waarvan vissersvaartuigen in het gesloten gebied actief zijn, van haar besluit in kennis en stelt onmiddellijk op haar officiële website een kaart ter beschikking met de coördinaten van het tijdelijk gesloten gebied, met vermelding van de duur van de sluiting en de voorwaarden die in dat specifieke gesloten gebied voor de visserij gelden.

HOOFDSTUK V

Controle op de recreatievisserij

Artikel 55

Recreatievisserij

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de recreatievisserij op hun grondgebied en in communautaire wateren plaatsvindt op een wijze die strookt met de doelstellingen en de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

2.   De in het kader van de recreatievisserij gedane vangsten mogen niet in de handel worden gebracht.

3.   Onverminderd Verordening (EG) nr. 199/2008, zien de lidstaten, middels een steekproevenplan, toe op de vangsten van onder herstelplannen vallende bestanden door de recreatievisserij vanaf boten die onder hun vlag varen en vanaf boten van derde landen, in wateren die onder hun soevereiniteit of jurisdictie vallen. Visserij vanaf de kust wordt niet meegerekend.

4.   Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) evalueert de economische impact van de in lid 3 bedoelde recreatievisserij. Wanneer blijkt dat de recreatievisserij een beduidende impact heeft, kan de Raad volgens de procedure in artikel 37 van het Verdrag besluiten de recreatievisserij van lid 3 te onderwerpen aan specifieke beheersmaatregelen zoals vismachtigingen en vangstaangiften.

5.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

TITEL V

CONTROLE OP DE AFZET

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Artikel 56

Beginselen voor de controle op de afzet

1.   Elke lidstaat is verantwoordelijk voor de controle, op zijn grondgebied, op de toepassing van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid in alle stadia van de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, van de eerste verkoop tot de detailverkoop, met inbegrip van het vervoer.

2.   Wanneer voor een bepaalde soort in de communautaire wetgeving een minimummaat is vastgesteld, moeten de voor de aankoop, de verkoop, de opslag of het vervoer verantwoordelijke marktdeelnemers het betrokken geografische gebied van oorsprong van de producten kunnen bewijzen.

3.   De lidstaten zien erop toe dat alle gevangen of geoogste visserij- en aquacultuurproducten vóór de eerste verkoop in partijen worden verdeeld.

4.   Hoeveelheden van minder dan 30 kilo per soort afkomstig van hetzelfde beheersgebied van diverse vissersvaartuigen mogen in partijen worden verdeeld door de producentenorganisatie waarvan de exploitant van het vissersvaartuig lid is of door een geregistreerde koper vóór de eerste verkoop. De producentenorganisatie en de geregistreerde koper bewaren minstens drie jaar lang gegevens over de oorsprong van de inhoud van de partijen waarin de vangsten van verscheidene vissersvaartuigen worden gedaan.

Artikel 57

Gemeenschappelijke handelsnormen

1.   De lidstaten zien erop toe dat de producten waarvoor gemeenschappelijke handelsnormen gelden slechts voor eerste verkoop worden uitgestald, voor eerste verkoop worden aangeboden, worden verkocht of anderszins worden verhandeld als zij met die normen in overeenstemming zijn.

2.   Producten die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 104/2000 uit de markt worden genomen, moeten voldoen aan de gemeenschappelijke handelsnormen, vooral wat de versheidscategorie betreft.

3.   Marktdeelnemers die verantwoordelijk zijn voor de aankoop, de verkoop, de opslag of het vervoer van partijen visserij- en aquacultuurproducten, moeten in staat zijn aan te tonen dat die producten in alle stadia met de minimumhandelsnormen in overeenstemming zijn.

Artikel 58

Traceerbaarheid

1.   Onverminderd Verordening (EG) nr. 178/2002 zijn alle partijen visserij- en aquacultuurproducten in alle stadia van de productie, de verwerking en de distributie traceerbaar, vanaf de vangst of de oogst tot en met de detailhandel.

2.   Visserij- en aquacultuurproducten die in de Gemeenschap in de handel worden gebracht of waarschijnlijk in de handel zullen worden gebracht, worden zodanig geëtiketteerd dat elke partij traceerbaar is.

3.   Partijen visserij- en aquacultuurproducten mogen na de eerste verkoop slechts worden samengevoegd of gesplitst indien het mogelijk is de partijen te traceren tot het stadium van de vangst of de oogst.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de marktdeelnemers beschikken over systemen en procedures waarmee kan worden nagegaan van wie zij partijen visserij- en aquacultuurproducten hebben ontvangen en aan wie zij die producten hebben geleverd. Deze informatie wordt op verzoek aan de bevoegde autoriteiten verstrekt.

5.   Voor alle partijen visserij- en aquacultuurproducten gelden op zijn minst de volgende informatie- en etiketteringsvereisten:

a)

het identificatienummer van elke partij;

b)

het externe identificatienummer en de naam van het vissersvaartuig of de naam van de aquacultuurproductie-eenheid;

c)

de FAO-drielettercode van elke soort;

d)

de datum van de vangsten of de datum van productie;

e)

de hoeveelheden van iedere soort in kilogrammen netto gewicht of, indien mogelijk, het aantal vissen;

f)

naam en adres van de leveranciers;

g)

de gegevens voor de consument overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2065/2001: de handelsbenaming, de wetenschappelijke benaming, het betrokken geografische gebied en de productiemethode;

h)

of de visserijproducten voorafgaand zijn bevroren.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 5, onder g) en h), bedoelde gegevens in het stadium van de detailhandel voor de consument beschikbaar zijn.

7.   De in lid 5, onder a) tot en met f), vermelde gegevens zijn niet vereist voor visserij- en aquacultuurproducten die in de Gemeenschap worden ingevoerd met vangstcertificaten die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1005/2008 worden ingediend.

8.   De lidstaten mogen kleine hoeveelheden rechtstreeks vanaf vissersvaartuigen aan de consumenten verkochte producten vrijstellen van de eisen van dit artikel, mits deze hoeveelheden niet meer dan 50 EUR per dag vertegenwoordigen. Wijzigingen van dit maximumbedrag worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

9.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

HOOFDSTUK II

Activiteiten na de aanlanding

Artikel 59

Eerste verkoop van visserijproducten

1.   De lidstaten zien erop toe dat alle visserijproducten voor het eerst op de markt worden gebracht of geregistreerd in een visafslag of aan geregistreerde kopers of producentenorganisaties worden verkocht.

2.   De koper van visserijproducten die, in een eerste verkoop, door een vissersvaartuig worden verkocht, moet geregistreerd zijn bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de eerste verkoop plaatsvindt. Voor registratiedoeleinden wordt elke koper geïdentificeerd aan de hand van zijn in de nationale gegevensbanken opgenomen btw-nummer, fiscaal identificatienummer of ander uniek identificatienummer.

3.   Eenieder die een hoeveelheid visserijproducten van niet meer dan 30 kg koopt die nadien niet op de markt worden gebracht maar uitsluitend voor particuliere consumptie worden gebruikt, is vrijgesteld van dit artikel. Wijzigingen van dit maximumbedrag worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 60

Weging van visserijproducten

1.   De lidstaten zien erop toe dat alle visserijproducten worden gewogen op door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde systemen, tenzij een lidstaat een door de Commissie goedgekeurd steekproevenplan heeft aangenomen dat is gebaseerd op de risicogebaseerde methode die de Commissie overeenkomstig de procedure in artikel 119 heeft aangenomen.

2.   Onverminderd bijzondere bepalingen wordt de weging uitgevoerd bij de aanlanding, voordat de visserijproducten worden opgeslagen, vervoerd of verkocht.

3.   Bij wijze van afwijking van lid 2 mogen de lidstaten toestaan dat visserijproducten aan boord van het vissersvaartuig worden gewogen volgens een in lid 1 bedoeld steekproevenplan.

4.   Geregistreerde kopers, geregistreerde visafslagen of andere instanties of personen die verantwoordelijk zijn voor de eerste afzet van visserijproducten in een lidstaat, zijn verantwoordelijk voor de nauwkeurigheid van de weging tenzij, overeenkomstig lid 3, het wegen aan boord van het vissersvaartuig gebeurt en de kapitein dus verantwoordelijk is.

5.   De weegresultaten worden gebruikt voor de invulling van de aangiften van aanlanding, het vervoersdocument, de verkoopdocumenten en de aangiften van overname.

6.   De bevoegde autoriteiten van een lidstaat kunnen verlangen dat hoeveelheden visserijproducten die voor het eerst worden aangeland in die lidstaat in aanwezigheid van functionarissen worden gewogen voordat ze vanaf de plaats van aanlanding naar elders worden vervoerd.

7.   Nadere bepalingen voor de risicogebaseerde weegmethode en -procedure kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 61

Weging van visserijproducten na vervoer vanaf de plaats van aanlanding

1.   De lidstaten kunnen bij wijze van afwijking van artikel 60, lid 2, toestaan dat visserijproducten worden gewogen na vervoer vanaf de plaats van aanlanding, mits de producten naar een bestemming op het grondgebied van de betrokken lidstaat worden vervoerd en deze lidstaat een door de Commissie goedgekeurd controleplan heeft aangenomen dat is gebaseerd op de risicogebaseerde methode die de Commissie overeenkomstig de procedure in artikel 119 heeft aangenomen.

2.   Bij wijze van afwijking van lid 1 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de visserijproducten worden aangeland, toestaan dat deze producten, voordat zij worden gewogen, worden vervoerd naar geregistreerde kopers, geregistreerde visafslagen of andere instanties of personen die verantwoordelijk zijn voor de eerste afzet van visserijproducten in een andere lidstaat. Deze toelating valt onder een gemeenschappelijk controleprogramma van de betrokken lidstaten, zoals bedoeld in artikel 94, dat door de Commissie is goedgekeurd en dat gebaseerd is op de risicogebaseerde methode die de Commissie overeenkomstig de procedure in artikel 119 heeft aangenomen.

Artikel 62

Invullen en overleggen van de aangifte van verkoopdocumenten

1.   Geregistreerde kopers, geregistreerde visafslagen of andere door de lidstaten gemachtigde instanties of personen met een jaarlijkse omzet in eerste verkopen van visserijproducten van minder dan 200 000 EUR, onder de verantwoordelijkheid waarvan in een lidstaat aangelande visserijproducten voor het eerst op de markt worden gebracht, doen binnen 48 uur na de eerste verkoop, zo mogelijk elektronisch, een verkoopdocument toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de eerste verkoop plaatsvindt. Deze kopers, visafslagen, instanties of personen zijn verantwoordelijk voor de juistheid van het verkoopdocument.

2.   Een lidstaat kan geregistreerde kopers, geregistreerde visafslagen of andere door de lidstaten gemachtigde instanties of personen met een jaarlijkse omzet in eerste verkopen van visserijproducten van minder dan200 000 EUR verplichten of machtigen de in artikel 64, lid 1, genoemde gegevens elektronisch te registreren en door te geven.

3.   Als de lidstaat op het grondgebied waarvan de eerste verkoop plaatsvindt niet de vlaggenlidstaat is van het vissersvaartuig dat de vis heeft aangeland, zorgt hij ervoor dat, na ontvangst van de betrokken gegevens, een kopie van het verkoopdocument, indien mogelijk elektronisch, aan de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat wordt toegestuurd.

4.   Wanneer het voor het eerst op de markt brengen van visserijproducten niet plaatsvindt in de lidstaat waar de producten zijn aangeland, zorgt de lidstaat die voor de controle op het voor het eerst op de markt brengen verantwoordelijk is, ervoor dat meteen na de ontvangst van het verkoopdocument een kopie van dat document, indien mogelijk elektronisch, wordt toegestuurd aan de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de controle op de aanlanding van deze producten, en aan de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat van het vissersvaartuig.

5.   Wanneer de aanlanding buiten de Gemeenschap plaatsvindt en de eerste verkoop plaatsvindt in een derde land, stuurt de kapitein van het vissersvaartuig of zijn vertegenwoordiger, zo mogelijk elektronisch, binnen 48 uur na de eerste verkoop een kopie van het verkoopdocument, indien mogelijk elektronisch, of een gelijkwaardig document van hetzelfde informatieniveau naar de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat.

6.   Indien het verkoopdocument niet overeenstemt met de factuur of een als zodanig dienstdoend document, als bedoeld in de artikelen 218 en 219 van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (25), stelt de betrokken lidstaat de nodige maatregelen vast om te garanderen dat de gegevens betreffende de prijzen, exclusief belasting, voor de leveranties van goederen aan de koper gelijk zijn aan die welke in de factuur zijn vermeld. De lidstaten stellen de nodige maatregelen vast om te garanderen dat de gegevens betreffende de prijzen, exclusief belasting, voor de leveranties van goederen aan de koper gelijk zijn aan die welke in de factuur zijn vermeld.

Artikel 63

Elektronisch invullen en verzenden van gegevens van verkoopdocumenten

1.   Geregistreerde kopers, geregistreerde visafslagen of andere door de lidstaten gemachtigde instanties of personen met een jaarlijkse omzet in eerste verkopen van visserijproducten van200 000 EUR of meer, leggen de in artikel 64, lid 1, bedoelde gegevens elektronisch vast en doen die binnen 24 uur nadat de eerste verkoop is afgerond elektronisch toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de eerste verkoop plaatsvindt.

2.   Op dezelfde wijze zenden de lidstaten elektronisch de in artikel 62, leden 3 en 4, bedoelde gegevens over verkoopdocumenten toe.

Artikel 64

Inhoud van de verkoopdocumenten

1.   De in de artikelen 62 en 63 bedoelde verkoopdocumenten bevatten de volgende gegevens:

a)

het extern identificatienummer en de naam van het vissersvaartuig dat het betrokken product heeft aangeland;

b)

de haven en de datum van aanlanding;

c)

de naam van de reder of de kapitein van het vissersvaartuig en, indien verschillend, de naam van de verkoper;

d)

de naam van de koper en zijn btw-nummer, zijn fiscaal identificatienummer, of een ander uniek identificatiemiddel;

e)

de FAO-drielettercode van elke soort en het betrokken geografische gebied waar de vangsten zijn gedaan;

f)

de hoeveelheden van iedere soort in kilogrammen productgewicht, gespecificeerd naar aanbiedingsvorm van het product of, indien van toepassing, het aantal vissen;

g)

voor alle producten waarvoor handelsnormen gelden, de individuele maat of het individuele gewicht, de klasse, de aanbiedingsvorm en de versheid, voor zover van toepassing;

h)

in voorkomend geval, de bestemming van de uit de markt genomen producten (verkoopuitstel of gebruik in diervoeder, voor de productie van voor diervoeder bestemd meel, als aas of voor andere dan voedingsdoeleinden);

i)

de plaats en de datum van verkoop;

j)

indien mogelijk, het referentienummer en de datum van de factuur en, indien van toepassing, het verkoopcontract;

k)

indien van toepassing, een verwijzing naar de in artikel 66 bedoelde aangifte van overname of naar het in artikel 68 bedoelde vervoersdocument;

l)

de prijs.

2.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 65

Vrijstellingen van de voorschriften inzake verkoopdocumenten

1.   De Commissie kan volgens de in artikel 119 bedoelde procedure vrijstelling verlenen van de verplichting om de bevoegde autoriteiten of andere gemachtigde instanties van de lidstaat het verkoopdocument voor te leggen voor visserijproducten die zijn aangeland door bepaalde categorieën communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 10 m, alsmede voor hoeveelheden aangelande visserijproducten van niet meer dan 50 kg, uitgedrukt in levend gewicht, per soort. Die vrijstellingen mogen alleen worden toegekend als de betrokken lidstaat overeenkomstig de artikelen 16 en 25 een aanvaardbare steekproefregeling toepast.

2.   Eenieder die een hoeveelheid producten van niet meer dan 30 kg koopt die nadien niet op de markt worden gebracht maar enkel voor particuliere consumptie worden gebruikt, is vrijgesteld van de bepalingen in de artikelen 62, 63 en 64. Wijzigingen van dit maximumbedrag worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 66

Aangifte van overname

1.   Onverminderd bijzondere bepalingen in de meerjarenplannen geldt dat, wanneer de visserijproducten bestemd zijn voor verkoop in een later stadium, geregistreerde kopers, geregistreerde visafslagen of andere instanties of personen met een jaarlijkse omzet in eerste verkopen van visserijproducten van minder dan 200 000 EUR, onder de verantwoordelijkheid waarvan in een lidstaat aangelande visserijproducten voor het eerst op de markt worden gebracht, binnen 48 uur na voltooiing van de aanlanding een aangifte van overname doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de overname plaatsvindt. Deze kopers, visafslagen of andere instanties of personen zijn verantwoordelijk voor de indiening en de juistheid van de aangifte van overname.

2.   Als de lidstaat waar de overname plaatsvindt niet de vlaggenlidstaat is van het vissersvaartuig dat de vis heeft aangeland, zorgt hij ervoor dat, na ontvangst van de betrokken gegevens, een kopie van de aangifte van overname, indien mogelijk elektronisch, wordt toegestuurd aan de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat.

3.   De in lid 1 bedoelde aangifte van overname bevat ten minste de volgende gegevens:

a)

het extern identificatienummer en de naam van het vissersvaartuig dat de producten heeft aangeland;

b)

de haven en de datum van aanlanding;

c)

de naam van de reder of de kapitein van het vaartuig;

d)

de FAO-drielettercode van elke soort en het betrokken geografische gebied waar de vangsten zijn gedaan;

e)

de hoeveelheden van iedere opgeslagen soort in kilogrammen productgewicht, gespecificeerd naar aanbiedingsvorm van het product of, indien van toepassing, het aantal vissen;

f)

de naam en het adres van de voorzieningen waar de producten zijn opgeslagen;

g)

indien van toepassing, een verwijzing naar het in artikel 68 bedoelde vervoersdocument.

Artikel 67

Elektronisch invullen en opsturen van overnamegegevens

1.   Onverminderd bijzondere bepalingen in de meerjarenplannen geldt dat, wanneer de visserijproducten bestemd zijn voor verkoop in een later stadium, geregistreerde kopers, geregistreerde visafslagen of andere instanties of personen met een jaarlijkse omzet in eerste verkopen van visserijproducten van200 000 EUR of meer, onder de verantwoordelijkheid waarvan in een lidstaat aangelande visserijproducten voor het eerst op de markt worden gebracht, de in artikel 66 bedoelde gegevens elektronisch vastleggen en binnen 24 uur elektronisch doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de overname plaatsvindt.

2.   De lidstaten zenden de in artikel 66, lid 2, bedoelde gegevens over aangiften van overname elektronisch toe.

Artikel 68

Invullen en overleggen van het vervoersdocument

1.   Alle niet verwerkte of aan boord verwerkte visserijproducten die in de Gemeenschap worden aangeland, waarvoor noch een verkoopdocument, noch een aangifte van overname is overgelegd overeenkomstig de artikelen 62, 63, 66 en 67 en die naar een andere plaats dan de plaats van aanlanding worden vervoerd, gaan vergezeld van een door de vervoerder opgesteld document totdat de eerste verkoop heeft plaatsgevonden. De vervoerder legt binnen 48 uur na het laden een vervoersdocument voor aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de aanlanding heeft plaatsgevonden of aan andere door hen gemachtigde instanties.

2.   De vervoerder wordt vrijgesteld van de verplichting het vervoersdocument dat visserijproducten vergezelt, in zijn bezit te hebben, indien vóór het begin van het vervoer met elektronische middelen een vervoersdocument is toegezonden aan de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat. De gegevens worden ter beschikking gesteld van de functionarissen van de vlaggenlidstaat die, ingeval de producten naar een andere lidstaat worden vervoerd dan de lidstaat van aanlanding, het vervoersdocument onmiddellijk na ontvangst toezenden aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die producten, zoals aangegeven, voor het eerst op de markt worden gebracht.

3.   Als de producten naar een andere lidstaat worden vervoerd dan de lidstaat van aanlanding, legt de vervoerder binnen 48 uur na het laden van de visserijproducten ook een kopie van het vervoersdocument voor aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die producten, zoals aangegeven, voor het eerst op de markt worden gebracht. De lidstaat waar de producten voor het eerst op de markt worden gebracht, kan de lidstaat van aanlanding hieromtrent om nadere informatie verzoeken.

4.   De vervoerder is verantwoordelijk voor de juistheid van het transportdocument.

5.   Op het vervoersdocument worden de volgende gegevens vermeld:

a)

de plaats van bestemming van de zending(en) en de gegevens van het vervoermiddel;

b)

het extern identificatienummer en de naam van het vissersvaartuig dat de producten heeft aangeland;

c)

de FAO-drielettercode van elke soort en het betrokken geografische gebied waar de vangsten zijn gedaan;

d)

de hoeveelheden van iedere vervoerde soort in kilogrammen productgewicht, gespecificeerd naar aanbiedingsvorm van het product of, indien mogelijk, het aantal vissen;

e)

de naam en het adres van de geadresseerde;

f)

plaats en datum van lading van de goederen.

6.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen vrijstelling van de in lid 1 vastgestelde verplichting verlenen als de visserijproducten binnen een havengebied of over een afstand van ten hoogste 20 km van de plaats van aanlanding worden vervoerd.

7.   Als visserijproducten waarvan in een verkoopdocument is aangegeven dat zij zijn verkocht naar een andere plaats dan die van aanlanding worden vervoerd, moet de vervoerder met een document kunnen aantonen dat er een verkooptransactie heeft plaatsgevonden.

8.   De vervoerder wordt vrijgesteld van de verplichting in dit artikel als het vervoersdocument wordt vervangen door een kopie van de aangifte van aanlanding, bedoeld in artikel 23, die betrekking heeft op de vervoerde hoeveelheden, of door een gelijkwaardig document van hetzelfde informatieniveau.

HOOFDSTUK III

Producentenorganisaties en prijs- en interventieregelingen

Artikel 69

Toezicht op producentenorganisaties

1.   Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 104/2000 verrichten de lidstaten met geregelde tussenpozen controles om te garanderen dat:

a)

de producentenorganisaties de erkenningsvoorwaarden in acht nemen;

b)

de erkenning van een producentenorganisatie, zo nodig, wordt ingetrokken als de voorwaarden van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 104/2000 niet langer zijn vervuld of als de erkenning is verleend op grond van onjuiste informatie;

c)

de erkenning onmiddellijk met terugwerkende kracht wordt ingetrokken als de organisatie die erkenning op bedrieglijke wijze heeft verkregen of misbruik heeft gemaakt van die erkenning.

2.   De Commissie verricht controles om erop toe te zien dat de regels met betrekking tot de producentenorganisaties die zijn vastgesteld in artikel 5 en artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 104/2000, in acht worden genomen, en in het licht van de resultaten van die controles kan zij, indien nodig, de lidstaten verzoeken de erkenning in te trekken.

3.   De lidstaten voeren passende controles uit om erop toe te zien dat elke producentenorganisatie de verplichtingen die in het werkprogramma voor het betrokken visseizoen zijn vastgesteld, nakomt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2508/2000 en zij passen de in artikel 9, lid 3, van Verordening (EG) nr. 104/2000 vastgestelde sancties toe als die verplichtingen niet worden nagekomen.

Artikel 70

Toezicht op prijs- en interventieregelingen

De lidstaten verrichten alle controles met betrekking tot de prijs- en interventieregelingen, met name inzake:

a)

het uit de markt nemen van producten voor andere doeleinden dan menselijke consumptie;

b)

verkoopuitstel met het oog op stabilisatie, opslag en/of verwerking van uit de markt genomen producten;

c)

particuliere opslag van op zee ingevroren producten;

d)

de compenserende vergoeding voor tonijn die voor verwerking is bestemd.

TITEL VI

BEWAKING

Artikel 71

Door de lidstaten verrichte waarnemingen op zee en constateringen

1.   De lidstaten zorgen voor de bewaking van onder hun soevereiniteit of jurisdictie vallende communautaire wateren en doen dit aan de hand van:

a)

waarnemingen van vissersvaartuigen door inspectievaartuigen of bewakingsvliegtuigen,

b)

een volgsysteem voor vaartuigen als bedoeld in artikel 9, of

c)

andere constaterings- en identificatiemethoden.

2.   Als de uit de waarneming of constatering voortvloeiende gegevens niet overeenstemmen met de overige gegevens waarover de lidstaat beschikt, verricht de lidstaat alle onderzoeken die nodig kunnen zijn om een passende follow-up vast te stellen.

3.   Als de waarneming of constatering betrekking heeft op een vissersvaartuig van een andere lidstaat of van een derde land en de gegevens niet stroken met de overige gegevens waarover de kustlidstaat beschikt en als die kustlidstaat geen verdere actie kan ondernemen, legt hij zijn bevindingen in een bewakingsverslag neer, dat hij onmiddellijk, indien mogelijk elektronisch, aan de vlaggenlidstaat of het betrokken derde land toestuurt. Als het om een vaartuig van een derde land gaat, wordt het bewakingsverslag ook aan de Commissie of de door haar aangewezen instantie toegestuurd.

4.   Als een functionaris van een lidstaat waarneemt of constateert dat een vissersvaartuig betrokken is bij activiteiten die als een inbreuk op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid kunnen worden beschouwd, stelt hij onmiddellijk een bewakingsverslag op, dat hij naar de bevoegde autoriteiten stuurt.

5.   De inhoud van het bewakingsverslag wordt vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 72

Maatregelen die moeten worden genomen na de ontvangst van uit waarnemingen en constateringen voortvloeiende gegevens

1.   De vlaggenlidstaten nemen na ontvangst van een bewakingsverslag van een andere lidstaat onverwijld maatregelen en verrichten het nodige verdere onderzoek om een passende follow-up te kunnen vaststellen.

2.   De andere lidstaten dan de betrokken vlaggenlidstaat gaan, indien nodig, na of het gemelde waargenomen vaartuig activiteiten in onder hun jurisdictie of soevereiniteit vallende wateren heeft verricht, dan wel of van dat vaartuig afkomstige visserijproducten op hun grondgebied zijn aangeland of ingevoerd, en onderzoeken de staat van dienst van dat vaartuig wat de naleving van de betrokken instandhoudings- en beheersmaatregelen betreft.

3.   De Commissie of de door haar aangewezen instantie of, waar van toepassing, de vlaggenlidstaat en andere lidstaten, onderzoeken ook naar behoren gestaafde informatie over waargenomen vaartuigen die is verstrekt door individuele burgers, maatschappelijke organisaties, met inbegrip van milieuorganisaties, en vertegenwoordigers van belanghebbenden uit de visserij of de vishandel.

Artikel 73

Met controle belaste waarnemers

1.   Wanneer er door de Raad een communautaire regeling van met controle belaste waarnemers is vastgesteld, toetsen met controle belaste waarnemers aan boord van vissersvaartuigen de naleving door die vaartuigen van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Zij voeren alle in het kader van de waarnemingsregeling vereiste taken uit, met name het verifiëren en registreren van de visserijactiviteiten van het betrokken vaartuig en de relevante documenten.

2.   De met controle belaste waarnemers beschikken over de voor hun taken vereiste kwalificaties. Zij zijn onafhankelijk van de eigenaar, de kapitein en de bemanningsleden van het vissersvaartuig. Zij hebben geen enkele economische relatie met de marktdeelnemer.

3.   Voor zover mogelijk zorgen de met controle belaste waarnemers ervoor dat hun aanwezigheid aan boord van een vissersvaartuig de visserijactiviteiten en de normale werkzaamheden van dat vaartuig niet hindert of verstoort.

4.   Als een met controle belaste waarnemer een ernstige inbreuk constateert, brengt hij de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat onverwijld op de hoogte.

5.   De met controle belaste waarnemers stellen een waarnemingsverslag op, zo mogelijk elektronisch, en versturen dat onverwijld, met gebruikmaking, indien dit noodzakelijk wordt geacht, van elektronische zendapparatuur aan boord van het visservaartuig, naar hun bevoegde autoriteiten en naar de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat. De lidstaten voeren dit verslag in het in artikel 78 bedoelde gegevensbestand in.

6.   Indien in het waarnemingsverslag staat dat het gecontroleerde vaartuig visserijactiviteiten ontplooit die niet stroken met de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid, stellen de in lid 4 bedoelde bevoegde autoriteiten het vereiste onderzoek in.

7.   De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen zorgen ervoor dat de aangewezen met controle belaste waarnemers naar behoren worden ondergebracht, vergemakkelijken hun taak en zien erop toe dat zij niet worden gehinderd bij het vervullen van hun opdracht. De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen verlenen tevens de met controle belaste waarnemers toegang tot de relevante delen van het vaartuig, ook tot de gedane vangst, alsmede tot de documenten van het vaartuig, met inbegrip van de elektronische bestanden.

8.   Alle kosten die voortvloeien uit de op grond van dit artikel verrichte activiteiten van met controle belaste waarnemers komen ten laste van de vlaggenlidstaten. De lidstaten mogen deze kosten volledig of gedeeltelijk doorberekenen aan de reders van de vissersvaartuigen die hun vlag voeren en in de desbetreffende visserijtak actief zijn.

9.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

TITEL VII

INSPECTIE EN PROCEDURES

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Artikel 74

Uitvoering van inspecties

1.   De lidstaten stellen een lijst op van voor de uitvoering van inspecties verantwoordelijke functionarissen en werken deze regelmatig bij.

2.   De functionarissen voeren hun taken uit in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht. Zij voeren op niet-discriminerende wijze inspecties uit op zee, in havens, tijdens het vervoer, in verwerkingsinrichtingen en bij de afzet van de visserijproducten.

3.   De functionarissen controleren met name:

a)

de wettigheid van de aan boord gehouden, opgeslagen, vervoerde, verwerkte of afgezette vangst en de juistheid van de gegevens in de desbetreffende documenten of elektronische berichten;

b)

de wettigheid van het voor de doelsoorten en de aan boord gehouden vangsten gebruikte vistuig;

c)

in voorkomend geval, het opslagschema en de gescheiden opslag van soorten;

d)

de markering van vistuig; en

e)

de in artikel 40 bedoelde informatie over de motor.

4.   De functionarissen mogen alle relevante zones, dekken en vertrekken onderzoeken. Zij mogen ook al dan niet verwerkte vangsten, netten of ander vistuig, uitrusting, containers en verpakkingen die vis of visserijproducten bevatten, en alle relevante documenten of elektronische berichten die zij nodig achten om na te gaan of de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid worden nageleefd, onderzoeken. Zij kunnen ook personen ondervragen die geacht worden informatie te hebben over de te inspecteren materie.

5.   De functionarissen voeren de inspecties zo uit dat het vaartuig of het vervoermiddel en de activiteiten daarvan, alsook de opslag, verwerking en afzet van de vangst zo weinig mogelijk worden gestoord of gehinderd. Zij voorkomen, voor zover mogelijk, dat de vangst tijdens de inspectie kwaliteitsverlies lijdt.

6.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel, met name de bepalingen inzake de methode en de uitvoering van inspecties, worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 75

Taken van de reder

1.   De reder zorgt voor een veilige toegang tot het vaartuig, het vervoermiddel of de ruimte waar de visserijproducten worden opgeslagen, verwerkt of afgezet. Hij waarborgt de veiligheid van de functionarissen en mag hen niet van de uitvoering van hun taken weerhouden, noch hen intimideren of hinderen tijdens hun werkzaamheden.

2.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 76

Inspectieverslag

1.   De functionarissen stellen na elke inspectie een inspectieverslag op en zenden dit door aan hun bevoegde autoriteiten. Dit verslag wordt, indien mogelijk, elektronisch opgesteld en verzonden. Indien tijdens de inspectie van een vissersvaartuig dat de vlag voert van een andere lidstaat een inbreuk wordt vastgesteld, wordt onverwijld een kopie van het inspectieverslag toegezonden aan de betrokken vlaggenlidstaat. Indien tijdens de inspectie van een vissersvaartuig dat de vlag voert van een derde land een inbreuk wordt vastgesteld, wordt onverwijld een kopie van het inspectieverslag toegezonden aan de bevoegde autoriteiten van het betrokken derde land. Bij inspecties in de wateren die onder de jurisdictie van een andere lidstaat vallen, wordt onverwijld een kopie van het inspectieverslag aan die lidstaat toegezonden.

2.   De functionarissen sturen hun inspectiebevindingen naar de reder, die de mogelijkheid heeft opmerkingen te maken over de inspectie en de bevindingen. De opmerkingen van de reder worden in het inspectieverslag verwerkt. De functionarissen vermelden in het visserijlogboek dat er een inspectie is verricht.

3.   Een exemplaar van het inspectieverslag wordt zo spoedig mogelijk en uiterlijk 15 dagen na de inspectie naar de reder gestuurd.

4.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 77

Toelaatbaareid van inspectie- en bewakingsverslagen

Door communautaire inspecteurs of functionarissen van een andere lidstaat of functionarissen van de Commissie opgestelde inspectie- en bewakingsverslagen vormen in alle lidstaten toelaatbaar bewijsmateriaal bij administratieve of gerechtelijke procedures. Voor de vaststelling van feiten worden zij op dezelfde voet behandeld als inspectie- en bewakingsverslagen van de lidstaten.

Artikel 78

Elektronisch gegevensbestand

1.   De lidstaten zetten een elektronisch gegevensbestand op waarin zij alle door hun functionarissen opgestelde inspectie- en bewakingsverslagen opslaan, en werken dit regelmatig bij.

2.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 79

Communautaire inspecteurs

1.   De Commissie stelt een lijst van communautaire inspecteurs op volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

2.   Onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de kustlidstaten mogen de communautaire inspecteurs overeenkomstig deze verordening inspecties uitvoeren in communautaire wateren en op communautaire vissersvaartuigen buiten de communautaire wateren.

3.   Communautaire inspecteurs kunnen worden aangewezen in het kader van:

a)

de uitvoering van de overeenkomstig artikel 95 vastgestelde specifieke controle- en inspectieprogramma’s;

b)

internationale visserijcontroleprogramma’s, ingeval de Gemeenschap verplicht is controles te verrichten.

4.   Voor het uitvoeren van hun taken krijgen de communautaire inspecteurs, met inachtneming van lid 5, onmiddellijk toegang tot:

a)

alle ruimten aan boord van communautaire vissersvaartuigen en andere vaartuigen die visserijactiviteiten uitoefenen, openbare gebouwen of plaatsen, middelen van vervoer; en

b)

alle informatie en documenten die zij voor het vervullen van hun taken nodig hebben, in het bijzonder het visserijlogboek, de aangiften van aanlanding, vangstcertificaten, de aangifte van overlading, verkoopdocumenten en andere ter zake doende stukken,

en wel in dezelfde mate en volgens dezelfde voorwaarden als de functionarissen van de lidstaat waar de inspectie plaatsvindt.

5.   Communautaire inspecteurs hebben buiten het grondgebied van hun lidstaat van herkomst, of buiten de communautaire wateren die onder de soevereiniteit en de jurisdictie van hun lidstaat vallen, geen politiebevoegdheden of handhavingsbevoegdheden.

6.   Functionarissen van de Commissie of van de door haar aangewezen instantie die als communautair inspecteur worden aangewezen, hebben geen politiebevoegdheden of handhavingsbevoegdheden.

7.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

HOOFDSTUK II

Inspecties buiten de wateren van de inspecterende lidstaat

Artikel 80

Inspecties van vissersvaartuigen buiten de wateren van de inspecterende lidstaat

1.   Onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de kustlidstaat mag een lidstaat vissersvaartuigen die zijn vlag voeren in alle communautaire wateren buiten de wateren die onder de soevereiniteit van een andere lidstaat vallen, inspecteren.

2.   Een lidstaat mag inspecties op vissersvaartuigen van een andere lidstaat overeenkomstig deze verordening uitvoeren met betrekking tot visserijactiviteiten in alle communautaire wateren buiten wateren die onder de soevereiniteit van een andere lidstaat vallen:

a)

na machtiging door de betrokken kustlidstaat; of

b)

wanneer een specifiek controle- en inspectieprogramma overeenkomstig artikel 95 is vastgesteld.

3.   De lidstaten zijn gemachtigd in internationale wateren communautaire vissersvaartuigen te inspecteren die de vlag van een andere lidstaat voeren.

4.   In wateren van derde landen mag een lidstaat communautaire vissersvaartuigen inspecteren die zijn vlag of die van een andere lidstaat voeren, overeenkomstig internationale overeenkomsten.

5.   De lidstaten wijzen de bevoegde autoriteit aan die zal fungeren als contactpunt voor de toepassing van dit artikel. Het contactpunt van de lidstaat is 24 uur per dag beschikbaar.

Artikel 81

Verzoeken om machtiging

1.   Verzoeken om machtiging van een lidstaat voor het uitvoeren van inspecties van vissersvaartuigen in communautaire wateren buiten de wateren die onder zijn soevereiniteit of jurisdictie vallen, als bedoeld in artikel 80, lid 2, onder a), worden door de betrokken kustlidstaat behandeld binnen 12 uur na ontvangst van het verzoek of binnen een passende termijn wanneer de reden voor het verzoek een achtervolging betreft die is begonnen in de wateren van de inspecterende lidstaat.

2.   De verzoekende lidstaat wordt onverwijld van het besluit in kennis gesteld. Besluiten worden ook aan de Commissie of de door haar aangewezen instantie meegedeeld.

3.   Verzoeken om machtiging mogen alleen om dwingende redenen geheel of gedeeltelijk worden geweigerd. Weigeringen en de redenen daarvoor worden onverwijld aan de verzoekende lidstaat en aan de Commissie of de door haar aangewezen instantie toegezonden.

HOOFDSTUK III

Tijdens inspecties geconstateerde inbreuken

Artikel 82

Procedure bij inbreuken

Indien een functionaris op basis van de tijdens een inspectie verzamelde informatie of andere gegevens vermoedt dat er een inbreuk op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid is begaan:

a)

noteert hij de vermoedelijke inbreuk in het inspectieverslag;

b)

neemt hij alle nodige maatregelen voor een veilige bewaring van het bewijsmateriaal betreffende de vermoedelijke inbreuk;

c)

zendt hij het inspectieverslag onverwijld toe aan zijn bevoegde autoriteit;

d)

stelt hij de natuurlijke persoon of rechtspersoon die ervan wordt verdacht de inbreuk te hebben begaan, of die bij het begaan van de betrokken inbreuk op heterdaad is betrapt, ervan in kennis dat de inbreuk tot de toekenning van het passende aantal punten overeenkomstig artikel 92 kan leiden. Deze informatie wordt genoteerd in het inspectieverslag.

Artikel 83

Buiten de wateren van de inspecterende lidstaat geconstateerde inbreuken

1.   Indien naar aanleiding van een overeenkomstig artikel 80 uitgevoerde inspectie een inbreuk wordt geconstateerd, doet de inspecterende lidstaat onverwijld een samenvattend inspectieverslag toekomen aan de kustlidstaat of, in geval van een inspectie buiten de communautaire wateren, aan de vlaggenlidstaat van het betrokken vissersvaartuig. Binnen 15 dagen te rekenen vanaf de datum van de inspectie wordt een volledig inspectieverslag aan de kuststaat en de vlaggenlidstaat toegezonden.

2.   De kustlidstaat of, in geval van een inspectie buiten de communautaire wateren, de vlaggenlidstaat van het betrokken vissersvaartuig, neemt alle nodige maatregelen met betrekking tot de in lid 1 bedoelde inbreuk.

Artikel 84

Strengere vervolgmaatregelen bij bepaalde ernstige inbreuken

1.   De vlaggenlidstaat of de kustlidstaat in de wateren waarvan een vissersvaartuig ervan wordt verdacht:

a)

vangsten van onder een meerjarenplan vallende bestanden van meer dan 500 kg of 10 % van de in het visserijlogboek geregistreerde vangsten, indien deze hoeveelheid groter is, onjuist te hebben geregistreerd; of

b)

binnen een jaar na een eerste dergelijke ernstige inbreuk één van de in artikel 42 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 of in artikel 90, lid 1, van deze verordening genoemde ernstige inbreuken te hebben begaan,

mag, naast de in hoofdstuk IX van Verordening (EG) nr. 1005/2008 genoemde maatregelen, eisen dat het vissersvaartuig onverwijld een haven aandoet voor een volledig onderzoek.

2.   De kustlidstaat stelt de vlaggenlidstaat onverwijld en in overeenstemming met zijn nationale wettelijke procedures in kennis van het in lid 1 bedoelde onderzoek.

3.   Functionarissen mogen aan boord van het vissersvaartuig blijven totdat een volledig onderzoek als bedoeld in lid 1 is uitgevoerd.

4.   De kapitein van het in de lid 1 bedoelde vissersvaartuig beëindigt alle visserijactiviteiten en doet een haven aan indien hem is verzocht dat te doen.

HOOFDSTUK IV

Procedures in verband met tijdens inspecties geconstateerde inbreuken

Artikel 85

Procedures

Wanneer de bevoegde autoriteiten van de inspecterende lidstaat tijdens of na een inspectie een inbreuk op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid constateren, treffen zij overeenkomstig titel VIII passende maatregelen tegen de kapitein van het betrokken vaartuig, of tegen iedere andere voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon, een en ander met inachtneming van artikel 83, lid 2, en artikel 86.

Artikel 86

Overdracht van de procedures

1.   De lidstaat op het grondgebied of in de wateren waarvan een inbreuk is vastgesteld, kan de procedures in verband met de inbreuk overdragen aan de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat of de lidstaat waarvan de dader van de inbreuk het staatsburgerschap bezit, indien de betrokken lidstaat hiermee instemt en het in artikel 89, lid 2, bedoelde resultaat daardoor gemakkelijker kan worden bereikt.

2.   De vlaggenlidstaat kan procedures in verband met de inbreuk overdragen aan de bevoegde autoriteiten van de inspecterende lidstaat indien de betrokken lidstaat hiermee instemt en het in artikel 89, lid 2, bedoelde resultaat daardoor gemakkelijker kan worden bereikt.

Artikel 87

Door communautaire inspecteurs geconstateerde inbreuken

De lidstaten nemen alle nodige maatregelen tegen inbreuken die door een communautaire inspecteur worden geconstateerd in de wateren die onder hun soevereiniteit of jurisdictie vallen, of op een vissersvaartuig dat hun vlag voert.

Artikel 88

Corrigerende maatregelen bij ontbreken van procedures door de lidstaat van aanlanding of overlading

1.   Als de lidstaat van aanlanding of overlading niet de vlaggenlidstaat is en zijn bevoegde autoriteiten geen passende maatregelen nemen tegen de verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersonen of niet overgaan tot overdracht van procedures overeenkomstig artikel 86, mogen de illegaal aangelande of overgeladen hoeveelheden in mindering worden gebracht op het aan de lidstaat van aanlanding of overlading toegewezen quotum.

2.   De op het quotum van de lidstaat van aanlanding of overlading in mindering te brengen hoeveelheden vis worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure, na raadpleging van de twee betrokken lidstaten door de Commissie.

3.   Indien de lidstaat van aanlanding of overlading niet meer over een corresponderend quotum beschikt, is artikel 37 van toepassing. In dat geval worden de hoeveelheden vis die illegaal zijn aangeland of overgeladen, geacht gelijk te zijn aan het door de vlaggenlidstaat geleden nadeel als bedoeld in dat artikel.

TITEL VIII

HANDHAVING

Artikel 89

Handhavingsmaatregelen

1.   De lidstaten zien erop toe dat tegen natuurlijke of rechtspersonen die worden verdacht van schending van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid, systematisch passende maatregelen worden genomen, waaronder administratieve maatregelen of strafvervolging overeenkomstig hun nationale recht.

2.   Het totale niveau van de sancties en de begeleidende sancties wordt zo berekend, overeenkomstig de bepalingen ter zake van het nationale recht, dat wordt zeker gesteld dat de verantwoordelijke personen de economische voordelen die zij aan hun inbreuk te danken hebben, daadwerkelijk kwijtraken, onverminderd het legitieme recht hun beroep uit te oefenen. Die sancties moeten ertoe kunnen leiden dat resultaten worden behaald die in verhouding staan tot de ernst van die inbreuken, zodat verdere inbreuken van dezelfde aard effectief worden ontmoedigd.

3.   De lidstaten kunnen een systeem toepassen waarbij de boete in verhouding staat tot de omzet van de rechtspersoon of tot het met het plegen van de inbreuk bereikte of beoogde financiële voordeel.

4.   In geval van een inbreuk stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat met rechtsbevoegdheid ter zake de vlaggenlidstaten, de lidstaat waarvan de dader van de inbreuk het staatburgerschap bezit, of iedere lidstaat die belang heeft bij de follow-up van de administratieve acties de strafrechtelijke procedures dan wel van andere maatregelen die zijn genomen, onverwijld en in overeenstemming met hun nationale wettelijke procedures in kennis van iedere definitieve rechterlijke uitspraak in verband met een dergelijke inbreuk, evenals van het aantal overeenkomstig artikel 92 toegekende punten.

Artikel 90

Sancties bij ernstige inbreuken

1.   Ter aanvulling op artikel 42 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 worden voor de toepassing van deze verordening, naargelang van de ernst van de betrokken inbreuk, welke wordt beoordeeld door de bevoegde autoriteit van de lidstaat, op grond van criteria als de aard van de schade, de waarde ervan, de economische situatie van degene die de inbreuk pleegt en de omvang van de inbreuk of de herhaling ervan, ook de volgende activiteiten als ernstige inbreuken beschouwd:

a)

het niet indienen van een aangifte van aanlanding of verkoopdocument wanneer de vangst in de haven van een derde land is aangeland, en

b)

het opvoeren van een motor tot boven het op het motorcertificaat vermelde maximaal continu vermogen;

c)

tijdens een visserijactiviteit gevangen soorten waarvoor een quotum geldt niet aanlanden tenzij dit aanlanden in zou gaan tegen verplichtingen uit hoofde van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid, in visserijtakken of visserijzones waar die regels van toepassing zijn.

2.   De lidstaten zien erop toe dat een natuurlijke persoon die een ernstige inbreuk heeft begaan, of een rechtspersoon die aansprakelijk wordt geacht voor een ernstige inbreuk, kan worden gestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve sancties, in overeenstemming met de in hoofdstuk IX van Verordening (EG) nr. 1005/2008 vastgestelde sancties en maatregelen.

3.   Onverminderd artikel 44, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1005/2008, leggen de lidstaten een sanctie op die voldoende afschrikkend is en, in voorkomend geval, berekend wordt op basis van de waarde van de visserijproducten die door het begaan van een ernstige inbreuk zijn verkregen.

4.   Bij de vaststelling van de sanctie nemen de lidstaten ook de waarde van de schade aan de visbestanden en het mariene milieu in kwestie in aanmerking.

5.   De lidstaten kunnen bovendien, of bij wijze van alternatief, doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties toepassen.

6.   De in dit hoofdstuk bedoelde sancties kunnen vergezeld gaan van andere sancties of maatregelen, met name die welke zijn omschreven in artikel 45 van Verordening (EG) nr. 1005/2008.

Artikel 91

Onmiddellijke handhavingsmaatregelen

De lidstaten nemen onmiddellijke maatregelen om te voorkomen dat kapiteins van vissersvaartuigen of andere natuurlijke personen of rechtspersonen die op heterdaad worden betrapt bij een ernstige inbreuk zoals omschreven in artikel 42 van Verordening (EG) nr. 1005/2008, daarmee doorgaan.

Artikel 92

Puntensysteem voor ernstige inbreuken

1.   De lidstaten passen op ernstige inbreuken zoals bedoeld in artikel 42, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1005/2008 een puntensysteem toe op basis waarvan de houder van een visvergunning voor een inbreuk op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid een passend aantal punten krijgt.

2.   Wanneer een natuurlijke persoon een ernstige inbreuk op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid heeft begaan of een rechtspersoon aansprakelijk wordt geacht voor een dergelijke inbreuk, wordt een passend aantal punten aan de houder van de visvergunning gegeven. Wanneer het vaartuig na de datum waarop de inbreuk is begaan, wordt verkocht, overgedragen of anderszins van eigenaar veranderd, worden de gegeven punten overdragen op de toekomstige houder van de visvergunning voor het betrokken vaartuig. De houder van de visvergunning heeft het recht om beroep in te stellen overeenkomstig het nationale recht.

3.   Wanneer het totale aantal punten gelijk is aan of meer bedraagt dan een bepaald aantal punten, wordt de visvergunning automatisch geschorst voor een periode van ten minste twee maanden. Dit wordt vier maanden als de visvergunning voor een tweede keer wordt geschorst, acht maanden als de visvergunning voor een derde keer wordt geschorst, en één jaar als de visvergunning een vierde maal wordt geschorst omdat de vergunninghouder het aantal punten krijgt dat tot die schorsing leidt. Wanneer de houder dit aantal punten een vijfde maal krijgt toegekend, wordt de visvergunning definitief ingetrokken.

4.   Indien de houder van een visvergunning binnen drie jaar vanaf de datum van de laatste ernstige inbreuk geen nieuwe ernstige inbreuk begaat, worden alle punten op de visvergunning geschrapt.

5.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

6.   De lidstaten voorzien eveneens in een puntensysteem op basis waarvan aan de kapitein van een vaartuig als gevolg van een door hem begane ernstige inbreuk op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid een passend aantal punten wordt gegeven.

Artikel 93

Nationaal register van inbreuken

1.   De lidstaten registreren alle door vaartuigen die hun vlag voeren, of door hun onderdanen begane inbreuken op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid in een nationaal register, inclusief de opgelopen sancties en het aantal gegeven punten. Inbreuken van vissersvaartuigen die hun vlag voeren of van hun onderdanen, ten aanzien waarvan vervolging is ingesteld in andere lidstaten, worden door de lidstaten eveneens opgenomen in hun nationale register voor inbreuken, na kennisgeving van de definitieve rechterlijke uitspraak door de lidstaat met rechtsbevoegdheid ter zake overeenkomstig artikel 90.

2.   Bij het onderzoek naar een inbreuk op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid kan een lidstaat de andere lidstaten verzoeken om de in hun nationale registers opgeslagen gegevens te verstrekken over de vissersvaartuigen en personen die ervan worden verdacht de betrokken inbreuk te hebben begaan of die op heterdaad zijn betrapt bij het begaan van de betrokken inbreuk.

3.   Wanneer een lidstaat verzoekt om gegevens van een andere lidstaat in verband met de maatregelen tegen een inbreuk, kan deze laatste de relevante gegevens over de betrokken vissersvaartuigen en personen verstrekken.

4.   De gegevens in het nationaal register van inbreuken worden slechts zo lang opgeslagen als nodig is voor de toepassing van deze verordening, doch altijd gedurende minimaal drie kalenderjaren, te rekenen vanaf het jaar dat volgt op dat waarin de informatie is opgeslagen.

TITEL IX

CONTROLEPROGRAMMA’S

Artikel 94

Gemeenschappelijke controleprogramma’s

De lidstaten kunnen op eigen initiatief en onder elkaar programma’s uitvoeren inzake controle, inspectie en bewaking van visserijactiviteiten.

Artikel 95

Specifieke controle- en inspectieprogramma’s

1.   De Commissie bepaalt, volgens de in artikel 119 bedoelde procedure en in overleg met de betrokken lidstaat, voor welke visserijtakken specifieke controle- en inspectieprogramma’s worden uitgevoerd.

2.   In de in lid 1 bedoelde specifieke controle- en inspectieprogramma’s worden de doelstellingen, prioriteiten en procedures, alsook de ijkpunten voor de inspectieactiviteiten vastgesteld. Deze ijkpunten worden bepaald aan de hand van risicobeheer en worden periodiek herzien na analyse van de bereikte resultaten.

3.   Wanneer een meerjarenplan in werking is getreden en voordat een specifiek controle- en inspectieprogramma van toepassing is geworden, stelt elke lidstaat op risicobeheer gebaseerde streefijkpunten voor inspectieactiviteiten vast.

4.   De betrokken lidstaten nemen de nodige maatregelen om te zorgen voor de uitvoering van de specifieke controle- en inspectieprogramma’s, met name wat betreft de in te zetten personele en materiële middelen en de periodes en gebieden waarin deze zullen worden ingezet.

TITEL X

EVALUATIE EN CONTROLE DOOR DE COMMISSIE

Artikel 96

Algemene beginselen

1.   De Commissie controleert en evalueert de toepassing van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid door de lidstaten aan de hand van onderzoek van gegevens en documenten en van verificaties, autonome inspecties en audits en vergemakkelijkt de coördinatie en de samenwerking tussen de lidstaten. Hiertoe kan de Commissie uit eigen beweging en met haar eigen middelen het initiatief nemen tot en uitvoering geven aan onderzoeken, verificaties, inspecties en audits. Zij kan met name het volgende verifiëren:

a)

de uitvoering en de toepassing van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid door de lidstaten en hun bevoegde autoriteiten;

b)

de uitvoering en de toepassing van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid in de wateren van een derde land overeenkomstig een internationale overeenkomst met dat land;

c)

de overeenstemming van de nationale bestuurlijke praktijken en inspectie- en bewakingsactiviteiten met de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid;

d)

het bestaan van de vereiste documenten en de overeenstemming daarvan met de geldende regels;

e)

de omstandigheden waarin de controleactiviteiten door de lidstaten worden uitgevoerd;

f)

de constatering van en procedures in verband met inbreuken;

g)

de samenwerking tussen de lidstaten.

2.   De lidstaten verlenen de Commissie hun medewerking bij de uitvoering van haar taken. De lidstaten zien erop toe dat aan de uit hoofde van deze titel uitgevoerde missies met het oog op verificatie, autonome inspectie en audit geen zodanige ruchtbaarheid wordt gegeven dat missies ter plaatse erdoor worden geschaad. Wanneer de functionarissen van de Commissie bij de uitvoering van hun taken problemen ondervinden, stellen de betrokken lidstaten de Commissie de middelen ter beschikking om haar opdracht tot een goed einde te brengen en bieden zij de functionarissen van de Commissie de gelegenheid de specifieke controle- en inspectiewerkzaamheden te evalueren.

De lidstaten verlenen de Commissie de bijstand die zij nodig heeft om haar taken te vervullen.

Artikel 97

Bevoegdheden van de functionarissen van de Commissie

1.   De functionarissen van de Commissie kunnen verificaties en inspecties uitvoeren aan boord van vissersvaartuigen, alsook in de gebouwen van bedrijven en andere inrichtingen waar onder het gemeenschappelijk visserijbeleid vallende activiteiten plaatsvinden, en hebben toegang tot alle informatie en documenten die zij voor de uitoefening van hun taak nodig hebben, en wel in dezelfde mate en volgens dezelfde voorwaarden als de functionarissen van de lidstaat waar de verificatie en inspectie plaatsvinden.

2.   De functionarissen van de Commissie hebben het recht kopieën te maken van de betreffende stukken en de nodige stalen te nemen indien zij aannemelijke redenen hebben om ervan uit te gaan dat de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid niet worden nageleefd. Zij mogen alle personen die zich op de plaats van inspectie bevinden, verzoeken zich te identificeren.

3.   Functionarissen van de Commissie hebben geen ruimere bevoegdheden dan nationale inspecteurs en zij hebben geen politiebevoegdheden of handhavingsbevoegdheden.

4.   Functionarissen van de Commissie leggen een schriftelijke bevoegdheidsverklaring voor waarin hun identiteit en hoedanigheid zijn aangegeven.

5.   De Commissie stelt voor haar functionarissen een schriftelijk mandaat op waarin hun bevoegdheden en de doelstellingen van hun opdracht worden aangegeven.

Artikel 98

Verificaties

1.   Indien de Commissie zulks nodig acht, kunnen haar functionarissen aanwezig zijn bij de door de nationale controle-instanties uitgevoerde controleactiviteiten. In het kader van deze verificatieopdrachten legt de Commissie passende contacten met de lidstaten zodat, waar mogelijk, een wederzijds aanvaardbaar verificatieprogramma kan worden opgesteld.

2.   De betrokken lidstaat ziet erop toe dat de betrokken instanties of personen accepteren dat zij onderworpen worden aan de in lid 1 bedoelde verificaties.

3.   Indien de in het kader van het oorspronkelijke verificatieprogramma geplande controles en inspecties om feitelijke redenen niet kunnen worden uitgevoerd, wijzigen de functionarissen van de Commissie, in overleg met en met toestemming van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat, het oorspronkelijke verificatieprogramma.

4.   In geval van controles en inspecties op zee of vanuit de lucht is alleen de gezagvoerder van het vaartuig of het vliegtuig verantwoordelijk voor de werkzaamheden van controle en inspectie. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid houdt hij naar behoren rekening met het in lid 1 bedoelde verificatieprogramma.

5.   De Commissie kan haar functionarissen die een lidstaat bezoeken, laten vergezellen door één of meer als waarnemer optredende functionarissen uit een andere lidstaat. Op verzoek van de Commissie benoemt de uitzendende lidstaat, zo nodig op korte termijn, de als waarnemer geselecteerde nationale functionarissen. De lidstaten kunnen ook een lijst van nationale functionarissen opstellen die door de Commissie kunnen worden aangezocht om bij bovenbedoelde controles en inspecties aanwezig te zijn. De Commissie kan naar eigen goeddunken een beroep doen op de in die lijst opgenomen nationale functionarissen of op de functionarissen wier namen aan de Commissie zijn meegedeeld. De Commissie houdt de lijst in voorkomend geval ter beschikking van alle lidstaten.

6.   De functionarissen van de Commissie kunnen, indien zij zulks nodig achten, besluiten verificaties in de zin van dit artikel uit te voeren zonder kennisgeving vooraf.

Artikel 99

Autonome inspecties

1.   Wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat er onregelmatigheden plaatsvinden bij de toepassing van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid kan de Commissie autonome inspecties uitvoeren. Zij voert deze inspecties uit op eigen initiatief en zonder dat daarbij functionarissen van de betrokken lidstaat aanwezig zijn.

2.   Alle marktdeelnemers kunnen worden onderworpen aan autonome inspecties indien deze nodig worden geacht.

3.   In het kader van de autonome inspecties op het grondgebied of in wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van een lidstaat zijn de procedurevoorschriften van die lidstaat van toepassing.

4.   Indien de functionarissen van de Commissie op het grondgebied of in wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van een lidstaat een ernstige inbreuk op de bepalingen van deze verordening vaststellen, melden zij dit onverwijld aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat, die met betrekking tot deze inbreuk alle nodige maatregelen treffen.

Artikel 100

Audits

De Commissie kan audits van de controlesystemen van de lidstaten uitvoeren. De audits kunnen met name bestaan in de evaluatie van:

a)

de quota en de regeling voor het beheer van de visserijinspanning;

b)

gegevensvalideringssystemen, inclusief systemen voor kruiscontroles van volgsystemen voor vaartuigen, gegevens betreffende vangsten, visserijinspanning en afzet, en gegevens betreffende het communautaire gegevensbestand over de vissersvloot en de verificatie van visvergunningen en vismachtigingen;

c)

de administratieve organisatie, inclusief de adequaatheid van het beschikbare personeel en de beschikbare middelen, de opleiding van personeel, de afbakening van de functies van alle bij controles betrokken autoriteiten, evenals de bestaande mechanismen voor de coördinatie van de werkzaamheden en de gezamenlijke evaluatie van de resultaten van deze autoriteiten;

d)

de operationele systemen, inclusief procedures voor de controle van aangewezen havens;

e)

nationale controleactieprogramma’s, inclusief de vaststelling van inspectieniveaus, en de uitvoering daarvan;

f)

het nationale systeem van sancties, inclusief de adequaatheid van de opgelegde sancties, de duur van de procedures, de door daders van inbreuken verspeelde economische voordelen en het afschrikkende karakter van een dergelijk systeem van sancties.

Artikel 101

Verslagen over verificaties, autonome inspecties en audits

1.   De Commissie stelt de betrokken lidstaten in kennis van de voorlopige bevindingen van verificaties en autonome inspecties binnen één dag nadat deze hebben plaatsgevonden.

2.   De functionarissen van de Commissie stellen na elke verificatie, autonome inspectie of audit een verificatie-, autonome-, inspectie- of auditverslag op. Het verslag wordt binnen één maand na afronding van de verificatie, autonome inspectie of audit ter beschikking gesteld van de betrokken lidstaat. De lidstaten krijgen de mogelijkheid om binnen één maand opmerkingen te maken bij de bevindingen in het verslag.

3.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen op basis van het in lid 2 bedoelde verslag.

4.   De Commissie zet de afgeronde verificatie, autonome-inspectie- en auditverslagen, tezamen met de opmerkingen van de betrokken lidstaat, op het beveiligde deel van haar officiële website.

Artikel 102

Follow-up van de verslagen over verificaties, autonome inspecties en audits

1.   De lidstaten verstrekken de Commissie op haar verzoek alle ter zake doende informatie over de tenuitvoerlegging van deze verordening. Wanneer de Commissie om dergelijke informatie verzoekt, geeft zij een redelijke termijn aan waarbinnen de informatie moet worden verstrekt.

2.   Als de Commissie van oordeel is dat er bij de uitvoering van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid onregelmatigheden hebben plaatsgevonden, of dat de bestaande controleregelingen en -methoden in bepaalde lidstaten niet doeltreffend zijn, brengt zij dit ter kennis van de betrokken lidstaten, die vervolgens een administratief onderzoek instellen waaraan functionarissen van de Commissie kunnen deelnemen.

3.   Uiterlijk drie maanden na het verzoek van de Commissie stellen de betrokken lidstaten de Commissie in kennis van de resultaten van het onderzoek en zenden zij haar een verslag. Deze termijn kan door de Commissie worden verlengd wanneer een lidstaat een naar behoren gemotiveerd verzoek om een redelijk uitstel heeft ingediend.

4.   Indien het in lid 2 bedoelde administratieve onderzoek er niet toe leidt dat de onregelmatigheden worden opgeheven of wanneer de Commissie bij de in de artikelen 98 en 99 bedoelde verificaties en autonome inspecties of in de in artikel 100 bedoelde audits tekortkomingen vaststelt in het controlesysteem van een lidstaat, stelt zij een actieplan vast met die lidstaat. De lidstaat neemt alle nodige maatregelen om dat actieplan uit te voeren.

TITEL XI

MAATREGELEN OM DE NALEVING DOOR DE LIDSTATEN VAN DE DOELSTELLINGEN VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK VISSERIJBELEID TE GARANDEREN

HOOFDSTUK I

Financiële maatregelen

Artikel 103

Schorsing en intrekking van communautaire financiële bijstand

1.   De Commissie kan besluiten de communautaire financiële bijstand uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1198/2006 en artikel 8, onder a), van Verordening (EG) nr. 861/2006 voor een maximumperiode van 18 maanden geheel of gedeeltelijk te schorsen, wanneer is aangetoond:

a)

de doeltreffendheid van de gefinancierde maatregelen in het gedrang komt of dreigt te komen door de niet-naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid, in het bijzonder wat betreft de instandhouding en het beheer van de visbestanden, de aanpassing van de vloot en de visserijcontrole;

b)

de niet-naleving rechtstreeks aan de betrokken lidstaat is toe te schrijven; en

c)

de niet-naleving de instandhouding van de levende aquatische hulpbronnen ernstig in gevaar kan brengen of de doeltreffende werking van het communautaire controle- en handhavingssysteem in het gedrang kan brengen,

en wanneer de Commissie, op basis van de beschikbare informatie en, in voorkomend geval, na bestudering van de verklaringen van de lidstaat, tot de conclusie komt dat de betrokken lidstaat niet de nodige maatregelen heeft genomen om de situatie te verhelpen en niet in een positie verkeert om dit in de nabije toekomst te doen.

2.   Wanneer de lidstaat in de schorsingsperiode nog steeds niet aantoont dat er corrigerende maatregelen zijn genomen om te garanderen dat de geldende regels in de toekomst zullen worden nageleefd en gehandhaafd of dat de doeltreffende werking van het communautaire controle- en handhavingssysteem niet in het gedrang komt, kan de Commissie de communautaire financiële bijstand waarvan de betaling op grond van lid 1 was geschorst, geheel of gedeeltelijk intrekken. Een dergelijke intrekking kan slechts plaatsvinden nadat de desbetreffende betaling sedert 12 maanden is geschorst.

3.   Alvorens de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen te nemen, stelt de Commissie de betrokken lidstaat schriftelijk in kennis van haar bevindingen betreffende de tekortkomingen in de controleregeling van de lidstaat en van haar voorgenomen besluit als bedoeld in lid 1 of lid 2, en verzoekt zij hem corrigerende maatregelen te nemen binnen een door de Commissie op basis van de ernst van de inbreuk vast te stellen termijn van ten minste één maand.

4.   Indien de lidstaat niet binnen de overeenkomstig lid 3 vast te stellen termijn antwoordt op het in datzelfde lid bedoelde schrijven, kan de Commissie het in lid 1 of lid 2 bedoelde besluit nemen op basis van de op dat ogenblik beschikbare informatie.

5.   Het percentage waarmee betalingen kunnen worden geschorst of ingetrokken, staat in verhouding tot de aard en de omvang van de niet-naleving van de geldende bepalingen inzake instandhouding, controle, inspectie of handhaving door de lidstaat en tot de ernst van de bedreiging voor de instandhouding van de levende aquatische hulpbronnen of de doeltreffende werking van het communautaire controle- en handhavingssysteem, alsook tot de mate waarin de doeltreffendheid van de gefinancierde maatregelen in het gedrang komt of dreigt te komen. Het percentage wordt vastgesteld op basis van en mag niet hoger zijn dan het relatieve aandeel van de visserij en visserijgerelateerde activiteiten waarop de niet-naleving betrekking heeft, in het kader van de maatregelen die worden gefinancierd uit de in lid 1 bedoelde financiële bijstand.

6.   Besluiten op grond van dit artikel worden genomen met inachtneming van alle relevante omstandigheden en op dusdanige wijze dat een reëel economisch verband bestaat tussen het onderwerp van de niet-naleving en de maatregel waarop de geschorste betaling of de ingetrokken communautaire financiële bijstand betrekking heeft.

7.   De schorsing wordt opgeheven wanneer de voorwaarden van lid 1 niet langer zijn vervuld.

8.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

HOOFDSTUK II

Sluiting van de visserij

Artikel 104

Sluiting van de visserij wegens niet-naleving van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid

1.   Wanneer een lidstaat zijn verplichtingen voor de uitvoering van een meerjarenplan niet nakomt, en wanneer de Commissie over bewijs beschikt dat de niet-nakoming van deze verplichtingen de instandhouding van het betrokken bestand ernstig in gevaar kan brengen, kan de Commissie de door deze tekortkomingen getroffen visserij tijdelijk sluiten voor de lidstaat in kwestie.

2.   De Commissie stelt de betrokken lidstaat schriftelijk van haar bevindingen en de documentatie ter zake in kennis en geeft hem niet meer dan tien werkdagen de tijd om aan te tonen dat de betrokken visbestanden veilig kunnen worden geëxploiteerd.

3.   De in lid 1 bedoelde maatregelen zijn slechts van toepassing indien de lidstaat niet binnen de in lid 2 gestelde termijn reageert op het verzoek van de Commissie, of indien het antwoord onbevredigend wordt geacht of duidelijk aangeeft dat de nodige maatregelen niet zijn uitgevoerd.

4.   De Commissie heft de sluiting op wanneer de lidstaat schriftelijk ten genoegen van de Commissie heeft aangetoond dat de betrokken visbestanden veilig kunnen worden geëxploiteerd.

HOOFDSTUK III

Verlaging en overdrachten van quota en vermindering van de visserijinspanning

Artikel 105

Verlaging van quota

1.   Wanneer de Commissie vaststelt dat een lidstaat de hem toegewezen quota heeft overschreden, verlaagt zij de toekomstige quota van die lidstaat.

2.   In het geval dat een lidstaat een quotum, toewijzing of beschikbaar gedeelte van een bestand of groep bestanden voor een bepaald jaar heeft overschreden, past de Commissie het volgende jaar of de volgende jaren verlagingen toe op het quotum, de toewijzing of het beschikbare gedeelte waartoe de lidstaat die te veel heeft gevist, jaarlijks toegang heeft, door toepassing van een vermenigvuldigingsfactor volgens onderstaande tabel:

Mate van overschrijding van de toegestane aanlanding

Vermenigvuldigingsfactor

Tot en met 5 %

Overschrijding * 1,0

Meer dan 5 % tot en met 10 %

Overschrijding * 1,1

Meer dan 10 % tot en met 20 %

Overschrijding * 1,2

Meer dan 20 % tot en met 40 %

Overschrijding * 1,4

Meer dan 40 % tot en met 50 %

Overschrijding * 1,8

Overschrijdingen met meer dan 50 %

Overschrijding * 2,0

Een verlaging die gelijk is aan de overschrijding * 1,00 geldt echter in alle gevallen waarin de overschrijding van de toegestane aanlanding hooguit 100 t bedraagt.

3.   Bovenop de in lid 2 bedoelde vermenigvuldigingsfactor is een vermenigvuldigingsfactor van 1,5 van toepassing:

a)

een lidstaat zijn quotum, toewijzing of beschikbaar gedeelte van een bestand of groep bestanden in de afgelopen twee jaar herhaaldelijk heeft overschreden, en er voor deze overschrijdingen verlagingen zijn toegepast als bedoeld in lid 2;

b)

uit de beschikbare wetenschappelijke, technische en economische adviezen, en in het bijzonder de verslagen van het WTECV blijkt dat overbevissing de instandhouding van het betrokken bestand ernstig in gevaar kan brengen; of

c)

het bestand onder een meerjarenplan valt.

4.   In het geval dat een lidstaat een hem in een eerdere jaren toegewezen quotum, toewijzing of beschikbaar gedeelte van een bestand of groep bestanden heeft overschreden, kan de Commissie, in overleg met de betrokken lidstaat, overeenkomstig de procedure van artikel 119 quota aftrekken van toekomstige quota van die lidstaat teneinde rekening te houden met de mate waarin de lidstaat teveel heeft gevist.

5.   Indien een verlaging zoals bedoeld in de vorige leden niet kan worden toegepast op het quotum, de toewijzing of het beschikbaar gedeelte van een bestand of groep bestanden dat/die als zodanig is overbevist, omdat dat quotum, die toewijzing of dat beschikbaar gedeelte van een bestand of groep bestanden niet of niet voldoende beschikbaar is voor de lidstaat in kwestie, kan de Commissie, na raadpleging van de betrokken lidstaat, het daaropvolgende jaar of de daaropvolgende jaren overeenkomstig lid 1 een verlaging toepassen op de quota voor andere bestanden of groepen bestanden van die lidstaat in hetzelfde geografische gebied of met dezelfde handelswaarde.

6.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel, met name betreffende de vaststelling van de betrokken hoeveelheden, kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 106

Vermindering van de visserijinspanning

1.   Wanneer de Commissie vaststelt dat een lidstaat de hem toegewezen visserijinspanning heeft overschreden, vermindert zij de toekomstige visserijinspanning van die lidstaat.

2.   Indien de voor een lidstaat beschikbare visserijinspanning in een geografisch gebied of in een visserijtak wordt overschreden, past de Commissie voor het daaropvolgende jaar of de daaropvolgende jaren een vermindering toe op de voor die lidstaat in het geografische gebied of de visserijtak in kwestie beschikbare visserijinspanning, en wel door toepassing van een vermenigvuldigingsfactor volgens onderstaande tabel:

Mate van overtreding van beschikbare visserijinspanning

Vermenigvuldigingsfactor

Tot en met 5 %

Overtreding* 1,0

Meer dan 5 % tot en met 10 %

Overtreding* 1,1

Meer dan 10 % tot en met 20 %

Overtreding* 1,2

Meer dan 20 % tot en met 40 %

Overtreding* 1,4

Meer dan 40 % tot en met 50 %

Overtreding* 1,8

Overtreding met meer dan 50 %

Overtreding* 2,0

3.   Indien een vermindering overeenkomstig lid 2 niet kan worden toegepast op de als zodanig overschreden maximaal toelaatbare visserijinspanning omdat die maximaal toelaatbare visserijinspanning niet of niet voldoende beschikbaar is voor de lidstaat in kwestie, kan de Commissie het daaropvolgende jaar of de daaropvolgende jaren op de voor die lidstaat beschikbare visserijinspanning in hetzelfde geografische gebied een vermindering toepassen overeenkomstig lid 2.

4.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel, met name betreffende de vaststelling van de betrokken visserijinspanning, kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 107

Verlaging van quota wegens niet-naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid

1.   Indien er aanwijzingen zijn dat een lidstaat niet voldoet aan de regels inzake bestanden die onder een meerjarenplan vallen en dat dit de instandhouding van deze bestanden ernstig in gevaar kan brengen, kan de Commissie het daarop volgende jaar of de daarop volgende jaren een vermindering op de jaarlijkse quota, toewijzingen of beschikbare gedeelten van een bestand of groep bestanden voor die lidstaat toepassen, en wel door het evenredigheidsbeginsel toe te passen, gelet op de aan de bestanden toegebrachte schade.

2.   De Commissie stelt de betrokken lidstaat schriftelijk van haar bevindingen in kennis en geeft hem niet meer dan 15 werkdagen de tijd om aan te tonen dat de betrokken visbestanden veilig kunnen worden geëxploiteerd.

3.   De in lid 1 bedoelde maatregelen zijn slechts van toepassing indien de lidstaat niet binnen de in lid 2 gestelde termijn reageert op het verzoek van de Commissie, of indien het antwoord onbevredigend wordt geacht of duidelijk aangeeft dat de nodige maatregelen niet zijn uitgevoerd.

4.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel, met name betreffende de vaststelling van de betrokken hoeveelheden, worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

HOOFDSTUK IV

Noodmaatregelen

Artikel 108

Noodmaatregelen

1.   Indien er, mede op basis van de resultaten van de door de Commissie verrichte steekproeven, bewijzen zijn dat visserijactiviteiten en/of door een lidstaat of lidstaten vastgestelde maatregelen de instandhoudings- en beheersmaatregelen die in het kader van een meerjarenplan zijn aangenomen, ondermijnen of een bedreiging vormen voor het mariene ecosysteem, en indien hiervoor onmiddellijke actie vereist is, kan de Commissie, op gemotiveerd verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, noodmaatregelen vaststellen met een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden. De Commissie kan besluiten de geldigheidsduur van de noodmaatregelen met maximaal zes maanden te verlengen.

2.   De in lid 1 bedoelde noodmaatregelen staan in verhouding tot de bedreiging en kunnen onder andere het volgende omvatten:

a)

schorsing van de visserijactiviteiten van vaartuigen die de vlag van de betrokken lidstaten voeren;

b)

sluiting van de visserij;

c)

verbod voor marktdeelnemers van de Gemeenschap om in te stemmen met het aanlanden, het kooien voor mest- of kweekdoeleinden of het overladen van vis en visserijproducten die zijn gevangen door vaartuigen die de vlag van de betrokken lidstaten voeren;

d)

verbod om vis en visserijproducten die zijn gevangen door vaartuigen die de vlag van de betrokken lidstaten voeren, op de markt te brengen of te gebruiken voor andere commerciële doeleinden;

e)

verbod om levende vis te leveren voor viskweek in de wateren onder de jurisdictie van de betrokken lidstaten;

f)

verbod om in te stemmen met het leveren van levende vis die is gevangen door vaartuigen die de vlag van de betrokken lidstaat voeren, voor viskweek in wateren onder de jurisdictie van andere lidstaten;

g)

verbod voor visservaartuigen die de vlag van de betrokken lidstaat voeren, om te vissen in wateren onder de jurisdictie van andere lidstaten;

h)

wijziging, naargelang van de omstandigheden, van de door de lidstaten verstrekte visserijgegevens.

3.   De lidstaat deelt het in lid 1 bedoelde verzoek terzelfder tijd mee aan de Commissie en de betrokken lidstaten. De andere lidstaten kunnen hun schriftelijke opmerkingen bij de Commissie indienen binnen 5 werkdagen nadat zij het verzoek hebben ontvangen. De Commissie neemt haar besluit binnen 15 werkdagen na de ontvangst van het verzoek.

4.   De noodmaatregelen worden onmiddellijk van kracht. Zij worden ter kennis van de betrokken lidstaten gebracht en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

5.   De betrokken lidstaten kunnen het besluit van de Commissie binnen 15 werkdagen nadat zij de kennisgeving hebben ontvangen, voorleggen aan de Raad.

6.   De Raad kan binnen één maand na de datum van ontvangst van het schrijven waarbij een besluit aan hem is voorgelegd, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

TITEL XII

GEGEVENS EN INFORMATIE

HOOFDSTUK I

Analyse en audit van gegevens

Artikel 109

Algemene beginselen voor de analyse van gegevens

1.   De lidstaten zetten ten laatste op 31 december 2013 een geautomatiseerd gegevensbestand voor de validering van overeenkomstig deze verordening geregistreerde gegevens alsook een valideringssysteem op.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat alle overeenkomstig deze verordening geregistreerde gegevens correct en volledig zijn en worden ingediend in overeenstemming met de in het gemeenschappelijk visserijbeleid vastgelegde termijnen. Met name:

a)

verrichten de lidstaten, door middel van geautomatiseerde en geïnformatiseerde algoritmen en mechanismen, kruiscontroles, analyses en verificaties van de volgende gegevens:

i)

gegevens van het volgsysteem voor vaartuigen;

ii)

gegevens over visserijactiviteiten, in het bijzonder het visserijlogboek, de aangifte van aanlanding en van overlading en de voorafgaande kennisgeving;

iii)

gegevens van aangiften van overname, vervoersdocumenten en verkoopdocumenten;

iv)

gegevens van visvergunningen en -machtigingen;

v)

gegevens van inspectieverslagen;

vi)

gegevens over motorvermogen;

b)

worden onderstaande gegevens, zo nodig, ook aan een kruiscontrole onderworpen, geanalyseerd en geverifieerd;

i)

gegevens van het vaartuigdetectiesysteem;

ii)

waarnemingsgegevens;

iii)

gegevens in verband met internationale visserijovereenkomsten;

iv)

gegevens over het binnen- en buitenvaren van visserijgebieden, maritieme gebieden waar specifieke voorschriften gelden voor toegang tot wateren en bestanden, gereglementeerde gebieden van regionale visserijorganisaties en soortgelijke organisaties en wateren van een derde land;

v)

gegevens van het automatische identificatiesysteem.

3.   Het valideringssysteem maakt het mogelijk inconsistenties, fouten en ontbrekende informatie in de gegevens onmiddellijk vast te stellen.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat het gegevensbestand de door het valideringssysteem geconstateerde inconsistenties duidelijk weergeeft. Het gegevensbestand markeert ook alle gecorrigeerde gegevens met vermelding van de reden van de correctie.

5.   Indien er een inconsistentie in de gegevens is geconstateerd, doet de betrokken lidstaat het nodige onderzoek en neemt hij de nodige maatregelen als er redenen zijn om te vermoeden dat een inbreuk is begaan.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat de data van ontvangst, invoering en validering van de gegevens en de data voor het onderzoek naar de geconstateerde inconsistenties duidelijk zichtbaar zijn in het gegevensbestand.

7.   Indien de in lid 2 bedoelde gegevens niet elektronisch worden verstuurd, zien de lidstaten erop toe dat zij onverwijld handmatig in het gegevensbestand worden ingevoerd.

8.   De lidstaten stellen een nationaal plan op voor het invoeren van het valideringssysteem voor de in lid 2, onder a) en b), genoemde gegevens en het onderzoek naar inconsistenties. Het plan moet de lidstaten in staat stellen prioriteiten te stellen voor de validering en de kruiscontroles en het daaruit voortvloeiende onderzoek naar inconsistenties, op basis van risicobeheer. Het plan wordt uiterlijk op 31 december 2011 ter goedkeuring bij de Commissie ingediend. De Commissie biedt de lidstaten de gelegenheid correcties door te voeren en keurt de plannen vóór 1 juli 2012 goed. Wijzigingen in het plan worden jaarlijks ter goedkeuring bij de Commissie ingediend.

9.   Indien Commissie naar aanleiding van haar eigen onderzoeken inconsistenties in de in het gegevensbestand van de lidstaat ingevoerde gegevens heeft geconstateerd, kan zij, na documentatie te hebben voorgelegd en met de lidstaat overleg te hebben gepleegd, de lidstaat verzoeken onderzoek te doen naar de reden van deze inconsistentie en de gegevens te corrigeren indien dat noodzakelijk is.

10.   De door de lidstaten opgezette gegevensbanken en verzamelde gegevens waarvan in deze verordening sprake is, worden onder de door de nationale wetgeving gestelde voorwaarden als authentiek beschouwd.

Artikel 110

Toegang tot gegevens

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de Commissie of de door haar aangewezen instantie te allen tijde zonder voorafgaande kennisgeving toegang op afstand heeft tot alle in artikel 115 bedoelde gegevens. Voorts krijgt de Commissie de mogelijkheid om deze gegevens voor eender welke periode of eender welk aantal vissersvaartuigen handmatig en automatisch te downloaden.

2.   De lidstaten verlenen functionarissen van de Commissie toegang op basis van elektronische certificaten die worden aangemaakt door de Commissie of de door haar aangewezen instantie.

De toegang wordt verleend op het in artikel 115 bedoelde beveiligde deel van de website van de lidstaten.

3.   Onverminderd de leden 1 en 2 kunnen de lidstaten tot en met 30 juni 2012 met de Commissie of de door haar aangewezen instantie een proefproject (proefprojecten) uitvoeren met betrekking tot rechtstreekse toegang op afstand tot de overeenkomstig deze verordening geregistreerde en gevalideerde gegevens van de lidstaten over vangstmogelijkheden. Als zowel de Commissie als de betrokken lidstaat tevreden is over het resultaat van het proefproject, en zolang de toegang op afstand werkt zoals overeengekomen, is de betrokken lidstaat niet langer verplicht verslag over de vangstmogelijkheden uit te brengen overeenkomstig artikel 33, leden 2 en 8. Het formaat en de procedures voor toegang tot de gegevens worden gecontroleerd en getest. Indien lidstaten overwegen proefprojecten uit te voeren, laten zij dit vóór 1 januari 2012 aan de Commissie weten. Vanaf 1 januari 2013 kan de Raad besluiten over een andere manier en frequentie van toezending van gegevens door de lidstaten aan de Commissie.

Artikel 111

Uitwisseling van gegevens

1.   Iedere vlaggenlidstaat zorgt voor de rechtstreekse elektronische uitwisseling van ter zake doende informatie met andere lidstaten en, in voorkomend geval, de Commissie of de door haar aangewezen instantie, met name van:

a)

gegevens van het vaartuigidentificatie- en volgsysteem wanneer zijn vaartuigen zich in de wateren van een andere lidstaat bevinden;

b)

gegevens uit het visserijlogboek wanneer zijn vaartuigen in de wateren van een andere lidstaat vissen;

c)

aangiften van aanlanding en aangiften van overladingen wanneer die operaties in een haven van een andere lidstaat worden uitgevoerd;

d)

voorafgaande kennisgeving wanneer de beoogde haven in een andere lidstaat ligt.

2.   Iedere kustlidstaat zorgt voor de rechtstreekse elektronische uitwisseling van ter zake doende informatie met andere lidstaten en, in voorkomend geval, de Commissie of de door haar aangewezen instantie, met name door het zenden van:

a)

informatie uit verkoopdocumenten aan de vlaggenlidstaat wanneer een eerste verkoop is verricht door een vissersvaartuig van een andere lidstaat;

b)

informatie uit de aangifte van overname wanneer de vis wordt opgeslagen in een andere lidstaat dan de vlaggenlidstaat of de lidstaat van aanlanding;

c)

informatie uit verkoopdocumenten en de aangifte van overname aan de lidstaat waar de aanlanding heeft plaatsgevonden.

3.   De bepalingen ter uitvoering van dit hoofdstuk, met name betreffende het controleren van de kwaliteit, de inachtneming van de termijnen voor de indiening van gegevens, kruiscontroles, analyse en verificatie van de gegevens en voor de vaststelling van een gestandaardiseerd format voor het downloaden en uitwisselen van gegevens, worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

HOOFDSTUK II

Vertrouwelijkheid van gegevens

Artikel 112

Bescherming van persoonsgegevens

1.   Deze verordening laat het niveau van bescherming van natuurlijke personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens krachtens het Gemeenschapsrecht en het nationale recht onverlet en tast dit op geen enkele wijze aan, en brengt met name geen wijziging in de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG noch in de verplichtingen van de communautaire instellingen en organen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden.

2.   De rechten van personen met betrekking tot hun registratiegegevens die in nationale systemen worden verwerkt, worden uitgeoefend overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat die hun persoonsgegevens heeft opgeslagen en met name overeenkomstig de bepalingen ter uitvoering van Richtlijn 95/46/EG; de rechten van personen met betrekking tot hun registratiegegevens die in communautaire systemen worden verwerkt, worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001.

Artikel 113

Waarborging van het beroeps- en het handelsgeheim

1.   De lidstaten en de Commissie nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in het kader van deze verordening verzamelde en ontvangen gegevens worden behandeld overeenkomstig vigerende voorschriften inzake beroeps- en handelsgeheim.

2.   De tussen de lidstaten en de Commissie uitgewisselde gegevens worden niet toegezonden aan andere personen dan de personen in de lidstaten of de communautaire instellingen wier functie vereist dat zij toegang tot deze gegevens hebben, tenzij de lidstaten die de gegevens toezenden, daartoe uitdrukkelijk toestemming geven.

3.   De in lid 1 bedoelde gegevens mogen niet voor een ander dan het in deze verordening bepaalde doel worden gebruikt, tenzij de autoriteiten die deze gegevens verstrekken, daartoe uitdrukkelijk toestemming geven en op voorwaarde dat de in de lidstaat van de ontvangende autoriteit geldende bepalingen dit gebruik niet verbieden.

4.   Gegevens die in het kader van deze verordening worden meegedeeld aan personen die werken voor bevoegde autoriteiten, gerechtshoven, andere overheidsinstanties en de Commissie of de door haar aangewezen instantie, en die schadelijk zouden zijn voor:

a)

de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu, in overeenstemming met de Gemeenschapswetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens;

b)

de commerciële belangen van een natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van de intellectuele eigendom;

c)

gerechtelijke procedures en juridisch advies; of

d)

het doel van inspecties en onderzoeken,

vallen onder voorschriften inzake vertrouwelijkheid. Informatie mag altijd worden bekendgemaakt indien dat noodzakelijk is om een inbreuk op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid te beëindigen of te verbieden.

5.   De in lid 1 bedoelde gegevens geldt dezelfde bescherming als die welke op soortgelijke gegevens van toepassing is volgens de nationale wetgeving van de ontvangende lidstaat en volgens de overeenkomstige bepalingen die voor de communautaire instellingen gelden.

6.   Dit artikel mag niet worden opgevat als een belemmering voor het gebruik van de krachtens deze verordening verkregen gegevens in het kader van rechtshandelingen of procedures die nadien worden ingeleid wegens niet-naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat die de gegevens heeft toegezonden, worden op de hoogte gesteld van alle instanties waar die gegevens voor deze doeleinden worden gebruikt.

7.   Dit artikel laat de verplichtingen uit hoofde van de internationale verdragen betreffende wederzijdse bijstand in strafzaken onverlet.

HOOFDSTUK III

Officiële websites

Artikel 114

Officiële websites

1.   Voor de toepassing van deze verordening lanceert elke lidstaat vóór 1 januari 2012 een officiële website die toegankelijk is via internet en die de in de artikelen 115 en 116 vermelde gegevens bevat. De lidstaten delen het internetadres van hun officiële website mee aan de Commissie. De Commissie kan besluiten gemeenschappelijke normen en procedures op te stellen met het oog op een transparante communicatie tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten, het Communautair Bureau voor visserijcontrole en de Commissie, inclusief het verzenden van regelmatige korte verslagen over de verhouding tussen de geregistreerde visserijactiviteiten en de vangstmogelijkheden.

2.   De officiële website van de lidstaten bestaat uit een publiek toegankelijk deel en een beveiligd deel. Op deze website worden door elke lidstaat de voor controledoeleinden overeenkomstig deze verordening noodzakelijke gegevens opgeslagen, onderhouden en bijgewerkt.

Artikel 115

Het publiek toegankelijke deel van de website

Op het publiek toegankelijke deel van hun website publiceren de lidstaten, of zetten ze onverwijld een rechtstreekse koppeling naar:

a)

de naam en het adres van de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het afgeven van visvergunningen en van de in artikel 7 bedoelde vismachtigingen;

b)

de lijst van de voor overlading aangewezen havens bedoeld in artikel 20, met vermelding van hun werktijden;

c)

één maand na de inwerkingtreding van een meerjarenplan en na goedkeuring door de Commissie, de lijst van de in artikel 43 bedoelde aangewezen havens, met vermelding van hun werktijden, en uiterlijk 30 dagen later de voor elke aanlanding geldende voorwaarden voor registratie en melding van de hoeveelheden van de soorten waarvoor het meerjarenplan geldt;

d)

het besluit waarbij de realtimesluiting wordt ingesteld en het geografische gebied van de betrokken visgronden, de duur van de sluiting en de voorwaarden voor de visserij in dat gebied gedurende de sluiting duidelijk worden aangegeven, als bepaald in artikel 53, lid 2;

e)

de gegevens van het contactpunt voor de doorzending of indiening van visserijlogboeken, voorafgaande kennisgevingen, aangiften van overlading, aangiften van aanlanding, verkoopdocumenten, aangiften van overname en vervoersdocumenten als bedoeld in de artikelen 14, 17, 20, 23, 62, 66 en 68;

f)

een kaart met de coördinaten van het gebied waarvoor een tijdelijke realtimesluiting is vastgesteld als bedoeld in artikel 54, met vermelding van de duur van de sluiting en de voorwaarden voor de visserij in dat gebied gedurende de sluiting;

g)

het besluit om een visserijtak te sluiten op grond van artikel 35, en alle nodige details ter zake.

Artikel 116

Het beveiligde deel van de website

1.   Op het beveiligde deel van zijn website wordt door elke lidstaat de toegang tot de volgende lijsten en gegevensbestanden ingesteld, onderhouden en bijgewerkt:

a)

de in artikel 74 bedoelde lijst van de voor de uitvoering van inspecties verantwoordelijke functionarissen;

b)

het in artikel 78 bedoelde elektronische gegevensbestand voor het opslaan van de door de functionarissen opgestelde inspectie- en bewakingsverslagen;

c)

de door het in artikel 9 bedoelde visserijcontrolecentrum geregistreerde gegevens die zijn verkregen met het volgsysteem voor vaartuigen;

d)

het elektronische gegevensbestand met de lijst van alle overeenkomstig deze verordening afgegeven en beheerde visvergunningen en vismachtigingen, waarin de geldende voorwaarden en de gegevens inzake alle schorsingen en intrekkingen duidelijk zijn aangegeven;

e)

de wijze waarop de ononderbroken periode van 24 uur van artikel 26, lid 6, wordt gemeten;

f)

het elektronische gegevensbestand met alle in artikel 33 bedoelde relevante gegevens over de vangstmogelijkheden;

g)

de in artikel 46 bedoelde nationale controleactieprogramma’s;

h)

het in artikel 109 bedoelde elektronische gegevensbestand voor de verificatie van de volledigheid en de kwaliteit van gegevens.

2.   Elke lidstaat zorgt ervoor dat:

a)

de Commissie of de door haar aangewezen instantie via een beveiligde internetverbinding dag en nacht toegang heeft tot alle gegevens, bedoeld in dit artikel;

b)

er voorzien wordt in rechtstreekse elektronische uitwisseling van ter zake doende informatie met andere lidstaten en de Commissie of de door haar aangewezen instantie.

3.   De lidstaat verleent functionarissen van de Commissie toegang op basis van elektronische certificaten die worden aangemaakt door de Commissie of de door haar aangewezen instantie.

4.   De gegevens op het beveiligde deel van de website worden alleen beschikbaar gesteld voor specifieke gebruikers die hiertoe zijn gemachtigd door de betrokken lidstaten, de Commissie of de door haar aangewezen instantie. De voor deze personen toegankelijke gegevens zijn beperkt tot de gegevens die zij nodig hebben voor de uitvoering van hun taken en activiteiten om de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid te waarborgen, en de regels inzake de vertrouwelijke behandeling van deze gegevens zijn derhalve van toepassing.

5.   De gegevens op het beveiligde deel van de website worden slechts zo lang opgeslagen als nodig is voor de toepassing van deze verordening, doch altijd gedurende minimaal drie kalenderjaren, te rekenen vanaf het jaar dat volgt op dat waarin de informatie is opgeslagen. Persoonsgegevens die overeenkomstig deze verordening voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden moeten worden uitgewisseld, worden ofwel alleen zo uitgewisseld dat zij anoniem zijn, ofwel, indien zulks niet mogelijk is, alleen op voorwaarde dat de identiteit van de betrokkenen versleuteld wordt.

6.   De bepalingen ter uitvoering van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

TITEL XIII

UITVOERING

Artikel 117

Administratieve samenwerking

1.   De autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze verordening in de lidstaten werken met elkaar, met de bevoegde autoriteiten van derde staten, met de Commissie en met de door haar aangewezen instantie samen om de naleving van deze verordening te waarborgen.

2.   Voor de toepassing van lid 1 wordt een systeem van wederzijdse bijstand ingesteld, dat regels inzake de uitwisseling van informatie op voorafgaand verzoek of op spontane basis omvat.

3.   De lidstaat waar de visserijactiviteiten hebben plaatsgevonden, stuurt alle ter zake doende gegevens op het ogenblik waarop hij ze aan de vlaggenlidstaat van het visservaartuig meedeelt, ook elektronisch aan de Commissie door als die daarom verzoekt.

4.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 118

Rapportageverplichtingen

1.   Om de vijf jaar sturen de lidstaten de Commissie een verslag over de toepassing van deze verordening.

2.   De Commissie stelt op basis van de door de lidstaten ingediende verslagen en haar eigen waarnemingen om de vijf jaar een verslag op dat moet worden voorgelegd aan het Europees Parlement en de Raad.

3.   Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening verricht de Commissie een evaluatie van de impact van deze verordening op het gemeenschappelijk visserijbeleid.

4.   De lidstaten sturen de Commissie een verslag waarin wordt toegelicht volgens welke regels de verslagen over de basisgegevens worden opgesteld.

5.   De bepalingen inzake de inhoud en het format van de verslagen van de lidstaten ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.

Artikel 119

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 30 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 opgerichte comité.

2.   Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op één maand.

TITEL XIV

WIJZIGINGEN EN INTREKKINGEN

Artikel 120

Wijzigingen van Verordening (EG) nr. 768/2005

Verordening (EG) nr. 768/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 3 wordt het volgende punt toegevoegd:

„i)

de uniforme uitvoering van de controleregeling van het gemeenschappelijk visserijbeleid te ondersteunen, met inbegrip van met name:

de organisatie van de operationele coördinatie van controleactiviteiten van de lidstaten voor de uitvoering van specifieke controle- en inspectieprogramma’s, controleprogramma’s betreffende illegale, ongemelde en ongereglementeerde („IOO”) visserij en internationale controle- en inspectieprogramma’s;

de inspecties die nodig zijn voor de vervulling van de taken van het Bureau overeenkomstig artikel 17 bis.”.

2)

In artikel 5:

a)

wordt lid 1 vervangen door:

„1.   De operationele coördinatie van het Bureau heeft betrekking op de controle van alle activiteiten die onder het gemeenschappelijk visserijbeleid vallen.”;

b)

wordt het volgende lid toegevoegd:

„3.   Met het oog op een versterkte operationele coördinatie tussen de lidstaten kan het Bureau samen met de betrokken lidstaten werkprogramma’s opstellen en de uitvoering ervan coördineren.”.

3)

Artikel 7 wordt vervangen door:

„Artikel 7

Bijstand aan de Commissie en de lidstaten

Het Bureau staat de Commissie en de lidstaten bij met het oog op een optimale, uniforme en doeltreffende nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van het gemeenschappelijk visserijbeleid, inclusief wat betreft de bestrijding van IOO-visserij, en hun betrekkingen met derde landen. Het Bureau heeft met name de volgende taken:

a)

het opstellen en ontwikkelen van een kerncurriculum voor de opleiding van de instructeurs van de visserijinspectie van de lidstaten en het zorgen voor aanvullende opleidingscursussen en seminars voor die functionarissen en andere bij controle en inspectieactiviteiten betrokken personeelsleden;

b)

het opstellen en ontwikkelen van een kerncurriculum voor de opleiding van communautaire inspecteurs voordat zij voor het eerst worden ingezet, en het regelmatig aanbieden van bijgewerkte bijscholing en seminars aan deze functionarissen;

c)

het gezamenlijk aankopen, op verzoek van de lidstaten, van goederen en diensten met betrekking tot de door de lidstaten te verrichten controle- en inspectieactiviteiten, alsmede het voorbereiden en coördineren van de uitvoering door de lidstaten van gezamenlijke proefprojecten;

d)

het opstellen van gezamenlijke operationele procedures voor controle- en inspectieactiviteiten die gezamenlijk door twee of meer lidstaten worden verricht;

e)

het vaststellen van criteria voor de uitwisseling van controle- en inspectiemiddelen tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen en voor de verstrekking van die middelen door de lidstaten;

f)

het verrichten van risicoanalyses op basis van de gegevens betreffende vangsten, aanlandingen en visserijinspanning, alsook een risicoanalyse van niet-gemelde aanlandingen, inclusief een vergelijking van gegevens betreffende vangsten en invoer met gegevens betreffende uitvoer en nationale consumptie;

g)

het ontwikkelen, op verzoek van de Commissie of van de lidstaten, van gezamenlijke inspectiemethoden en -procedures;

h)

het ondersteunen van de lidstaten, op hun verzoek, bij het nakomen van communautaire en hun internationale verplichtingen, inclusief de bestrijding van IOO-visserij, en de verplichtingen in het kader van regionale organisaties voor visserijbeheer;

i)

het bevorderen en coördineren van de ontwikkeling van uniforme risicobeoordelingsmethoden op de gebieden die onder zijn bevoegdheid vallen;

j)

het coördineren en bevorderen van samenwerking tussen de lidstaten en van gemeenschappelijke normen voor de ontwikkeling van in Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (26) vastgestelde steekproefplannen.

4)

Artikel 8 wordt vervangen door:

„Artikel 8

Uitvoering van verplichtingen van de Gemeenschap inzake controle en inspectie

1.   Het Bureau coördineert op verzoek van de Commissie de op grond van internationale controle- en inspectieprogramma’s door de lidstaten verrichte controles en inspecties, door gezamenlijke inzetplannen vast te stellen.

2.   Het Bureau mag de uitrusting aanschaffen of huren die voor de uitvoering van deze gezamenlijke inzetplannen nodig is.”.

5)

Artikel 9 wordt vervangen door:

„Artikel 9

Uitvoering van specifieke controle- en inspectieprogramma’s

1.   Het Bureau coördineert de uitvoering van de overeenkomstig artikel 95 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vastgestelde specifieke controle- en inspectieprogramma’s door middel van gezamenlijke inzetplannen.

2.   Het Bureau mag de uitrusting aanschaffen of huren die voor de uitvoering van deze gezamenlijke inzetplannen nodig is.”.

6)

Het volgende hoofdstuk wordt ingevoegd:

„HOOFDSTUK III BIS

VERPLICHTINGEN VAN HET BUREAU

Artikel 17 bis

Aanwijzing van functionarissen van het Bureau als communautaire inspecteurs

Functionarissen van het Bureau kunnen overeenkomstig artikel 79 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 als communautair inspecteur worden aangewezen in internationale wateren.

Artikel 17 ter

Maatregelen van het Bureau

In voorkomend geval kan het Bureau:

a)

handboeken inzake geharmoniseerde inspectienormen uitgeven;

b)

een handleiding ontwikkelen met de beste praktijken op het gebied van controle van het gemeenschappelijk visserijbeleid, inclusief de opleiding van controlefunctionarissen, en deze regelmatig bijwerken;

c)

de Commissie de noodzakelijke technische en administratieve ondersteuning verlenen bij de uitoefening van haar taken.

Artikel 17 quater

Samenwerking

1.   De lidstaten en de Commissie werken met het Bureau samen en verlenen het de nodige bijstand voor de vervulling van zijn opdracht.

2.   Terdege rekening houdend met de verschillende rechtssystemen in de individuele lidstaten, vergemakkelijkt het Bureau de samenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie bij de ontwikkeling van geharmoniseerde controlenormen overeenkomstig de Gemeenschapswetgeving en met inachtneming van de beste praktijken in de lidstaten en van internationaal overeengekomen normen.

Artikel 17 quinquies

Noodeenheid

1.   Wanneer de Commissie, op eigen initiatief of op verzoek van minstens twee lidstaten, een situatie constateert waarin zich een ernstig direct, indirect of potentieel risico voor het gemeenschappelijk visserijbeleid voordoet en dat risico niet met behulp van de bestaande voorzieningen kan worden voorkomen, weggenomen of beperkt of niet adequaat kan worden beheerst, wordt het Bureau onverwijld in kennis gesteld.

2.   Het Bureau zet na een kennisgeving door de Commissie of op eigen initiatief onverwijld een noodeenheid op en stelt de Commissie daarvan in kennis.

Artikel 17 sexies

Taken van de noodeenheid

1.   De door het Bureau opgezette noodeenheid is belast met de verzameling en beoordeling van alle relevante informatie en het onderzoeken van de mogelijkheden om het risico voor het gemeenschappelijk visserijbeleid zo doeltreffend en snel mogelijk te voorkomen, weg te nemen of te beperken.

2.   De noodeenheid kan de hulp inroepen van overheidsinstanties of particulieren indien hun expertise nodig wordt geacht om de noodsituatie doeltreffend aan te pakken.

3.   Het Bureau zorgt voor de nodige coördinatie om adequaat en tijdig op de noodsituatie te reageren.

4.   De noodeenheid houdt het publiek, in voorkomend geval, op de hoogte van de risico’s en de getroffen maatregelen.

Artikel 17 septies

Meerjarig werkprogramma

1.   In het meerjarig werkprogramma van het Bureau worden de algemene doelstellingen, het mandaat, de taken, de prestatie-indicatoren en de prioriteiten voor elke actie van het Bureau voor een periode van vijf jaar vastgesteld. Het omvat een presentatie van het personeelsbeleidsplan en een raming van de begrotingskredieten die moeten worden vrijgemaakt om de doelstellingen voor die vijfjarige periode te bereiken.

2.   Het meerjarig werkprogramma wordt gepresenteerd volgens het systeem en de methode van activiteitsgestuurd management van de Commissie. Het wordt goedgekeurd door de raad van bestuur.

3.   Het in artikel 23, lid 2, onder c), vermelde werkprogramma verwijst naar het meerjarig werkprogramma. Het geeft duidelijk de toevoegingen, wijzigingen of schrappingen aan ten opzichte van het werkprogramma van het vorige jaar, en de vooruitgang die is geboekt bij het bereiken van de algemene doelstellingen en prioriteiten van het meerjarig werkprogramma.

Artikel 17 octies

Samenwerking in maritieme zaken

Het Bureau draagt bij tot de uitvoering van het geïntegreerd maritiem beleid van de Europese Unie en sluit met name administratieve overeenkomsten met andere instanties op door deze verordening bestreken gebieden, na goedkeuring door de raad van bestuur. De uitvoerend directeur stelt de Commissie en de lidstaten hiervan in een vroeg stadium van de onderhandelingen in kennis.

Artikel 17 nonies

Uitvoeringsbepalingen

De bepalingen ter uitvoering van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde procedure.

Deze bepalingen kunnen met name betrekking hebben op de opstelling van plannen om te reageren op een noodsituatie, de oprichting van de noodeenheid en de toe te passen praktische procedures.”.

Artikel 121

Wijziging van andere verordeningen

1)   In Verordening (EG) nr. 847/96 wordt artikel 5 geschrapt.

2)   Verordening (EG) nr. 2371/2002 wordt als volgt gewijzigd:

a)

artikel 21 wordt vervangen door:

„Artikel 21

Communautair controle- en handhavingssysteem

De toegang tot wateren en hulpbronnen en de uitoefening van activiteiten als bedoeld in artikel 1 worden gecontroleerd en de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt gehandhaafd. Hiertoe wordt een communautaire regeling voor de controle, inspectie en handhaving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid vastgesteld.”;

b)

de artikelen 22 tot en met 28 worden geschrapt.

3)   In Verordening (EG) nr. 811/2004 van de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van herstelmaatregelen voor het noordelijke heekbestand (27) worden de artikelen 7, 8, 10, 11, 12 en 13 geschrapt.

4)   In Verordening (EG) nr. 2115/2005 van de Raad van 20 december 2005 tot vaststelling van een herstelplan voor zwarte heilbot in het kader van de visserijorganisatie in het noordwestelijke deel van de Atlantische Oceaan (28) wordt artikel 7 geschrapt.

5)   In Verordening (EG) nr. 2166/2005 van de Raad van 20 december 2005 tot vaststelling van maatregelen voor het herstel van de bestanden van zuidelijke heek en langoustines in de Cantabrische Zee en ten westen van het Iberisch Schiereiland (29), wordt hoofdstuk IV geschrapt.

6)   In Verordening (EG) nr. 388/2006 van de Raad van 23 februari 2006 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in de Golf van Biskaje (30) wordt hoofdstuk IV geschrapt.

7)   In Verordening (EG) nr. 509/2007 van de Raad van 7 mei 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in het westelijk Kanaal (31) wordt hoofdstuk IV geschrapt.

8)   In Verordening (EG) nr. 676/2007 van de Raad van 11 juni 2007 tot vaststelling van een beheersplan voor de bevissing van de schol- en tongbestanden in de Noordzee (32) wordt hoofdstuk IV geschrapt.

9)   In Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad van 18 september 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauwbestanden in de Oostzee en de visserijtakken die deze bestanden exploiteren (33) worden artikel 10, leden 3 en 4, artikel 11, leden 2 en 3, de artikelen 12, 13 en 15, artikel 18, leden 2 en 3, de artikelen 19 en 20, artikel 22, lid 2, en de artikelen 23, 24 en 25 geschrapt.

10)   In Verordening (EG) nr. 1300/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een meerjarenplan voor het haringbestand in het gebied ten westen van Schotland en de visserijen die dat bestand exploiteren (34) worden de artikelen 5 en 6 geschrapt.

11)   In Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden (35) worden de artikelen 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 26, 27, 28 en 29 geschrapt.

Artikel 122

Intrekkingen

1.   Verordening (EEG) nr. 2847/93 wordt ingetrokken, behalve de artikelen 6, 8 en 11, die worden ingetrokken op de datum van inwerkingtreding van de uitvoeringsbepalingen van de artikelen 14, 21 en 23 van onderhavige verordening, en behalve artikel 5, artikel 9, lid 5, en de artikelen 13, 21 en 34, die worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2011.

2.   Verordening (EG) nr. 1627/94 wordt ingetrokken op de datum van inwerkingtreding van de uitvoeringsbepalingen van artikel 7 van onderhavige verordening.

3.   Verordening (EG) nr. 1966/2006 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2011.

Artikel 123

Verwijzingen

Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen en naar de op grond van artikel 121 geschrapte bepalingen gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

TITEL XV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 124

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2010.

Daarbij geldt echter het volgende:

a)

artikel 33, leden 6 en 9, de artikelen 37, 43, 58, 60, 61, 63, 67, 68, 73, 78 en 84, artikel 90, leden 2, 3 en 4, de artikelen 93 en 117 en artikel 121, leden 3 tot en met 11, zijn echter van toepassing met ingang van 1 januari 2011;

b)

de artikelen 6, 7, 14, 21 en 23 zijn van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot de uitvoering ervan;

c)

artikel 92 is van toepassing zes maanden na de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot de uitvoering ervan.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 november 2009.

Voor de Raad

De voorzitter

E. ERLANDSSON


(1)  Advies van 22 april 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Advies van 15 mei 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  PB C 211 van 4.9.2009, blz. 73.

(4)  PB C 151 van 3.7.2009, blz. 11.

(5)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

(6)  PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1.

(7)  PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1.

(8)  PB L 286 van 29.10.2008, blz. 33.

(9)  PB L 208 van 5.8.2002, blz. 10.

(10)  PB L 102 van 7.4.2004, blz. 9.

(11)  PB L 204 van 13.8.2003, blz. 21.

(12)  PB L 365 van 10.12.2004, blz. 19.

(13)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

(14)  PB L 278 van 23.10.2001, blz. 6.

(15)  PB L 289 van 16.11.2000, blz. 8.

(16)  PB L 223 van 15.8.2006, blz. 1.

(17)  PB L 160 van 14.6.2006, blz. 1.

(18)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(19)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(20)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.

(21)  PB L 171 van 6.7.1994, blz. 7.

(22)  PB L 408 van 30.12.2006, blz. 1.

(23)  PB L 128 van 21.5.2005, blz. 1.

(24)  PB L 60 van 5.3.2008, blz. 1.

(25)  PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.

(26)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.”.

(27)  PB L 150 van 30.4.2004, blz. 1.

(28)  PB L 340 van 23.12.2005, blz. 3.

(29)  PB L 345 van 28.12.2005, blz. 5.

(30)  PB L 65 van 7.3.2006, blz. 1.

(31)  PB L 122 van 11.5.2007, blz. 7.

(32)  PB L 157 van 19.6.2007, blz. 1.

(33)  PB L 248 van 22.9.2007, blz. 1.

(34)  PB L 344 van 20.12.2008, blz. 6.

(35)  PB L 348 van 24.12.2008, blz. 20.


BIJLAGE I

SPECIFIEKE INSPECTIE-IJKPUNTEN VOOR MEERJARENPLANNEN

Doelstelling

1.   Elke lidstaat stelt overeenkomstig deze bijlage specifieke ijkpunten voor de inspectie vast.

Strategie

2.   De inspectie en de bewaking van visserijactiviteiten worden toegespitst op de vissersvaartuigen waarvan mag worden aangenomen dat zij onder een meerjarenplan vallende soorten vangen. Daarnaast worden aselecte inspecties van het vervoer en de afzet van die onder een meerjarenplan vallende soorten verricht als aanvullend kruiscontrolemechanisme om de doeltreffendheid van de inspectie en de bewaking te testen.

Prioriteiten

3.   Voor de verschillende soorten vistuig moeten verschillende prioriteiten worden vastgesteld naargelang van de mate waarin voor de vloten beperkingen van de vangstmogelijkheden gelden. Daarom moet elke lidstaat specifieke prioriteiten vaststellen.

Streefijkpunten

4.   Binnen één maand te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van een verordening tot vaststelling van een meerjarenplan voeren de lidstaten hun inspectieschema’s uit, rekening houdend met de onderstaande streefniveaus.

De lidstaten stellen de toe te passen steekproefstrategie vast en geven daarvan een beschrijving.

Als de Commissie daarom verzoekt, wordt haar inzage verleend van het door de lidstaat toegepaste steekproefplan.

a)

Omvang van de inspectie in de havens

In de regel moet een nauwkeurigheid worden bereikt die ten minste gelijkwaardig is aan die welke zou worden verkregen met een eenvoudige aselecte steekproefmethode waarbij inspecties worden verricht bij 20 gewichtsprocent van alle onder een meerjarenplan vallende soorten die in een lidstaat worden aangeland.

b)

Omvang van de inspectie bij de afzet

Inspectie van 5 % van de op de visafslagen te koop aangeboden hoeveelheden van onder een meerjarenplan vallende soorten.

c)

Omvang van de inspectie op zee

Flexibel ijkpunt: vast te stellen na een gedetailleerde analyse van de visserijactiviteit in elk gebied. IJkpunten voor de inspectie op zee hebben betrekking op het aantal patrouilledagen op zee in de beheersgebieden, eventueel met een afzonderlijk ijkpunt voor de dagen waarop in specifieke gebieden wordt gepatrouilleerd.

d)

Omvang van de inspectie vanuit de lucht

Flexibel ijkpunt: vast te stellen na een gedetailleerde analyse van de visserijactiviteit in elk gebied en rekening houdend met de middelen waarover de lidstaat beschikt.


BIJLAGE II

CONCORDANTIETABEL

Verordening (EEG) nr. 2847/93

De onderhavige verordening

Artikel 1, lid 1

Artikelen 1 en 2

Artikel 1, lid 2

Artikel 5, lid 3

Artikel 1, lid 3

Artikel 2

Artikel 2

Artikel 5

Artikel 3

Artikel 9

Artikel 4, lid 1

Artikel 5

Artikel 4, lid 2

Artikel 75

Artikel 5, onder a) en b)

Artikel 74

Artikel 5, onder c)

Artikel 8

Artikel 6

Artikelen 14, 15 en 16

Artikel 7

Artikelen 17 en 18

Artikel 8

Artikelen 23, 24 en 25

Artikel 9, leden 1, 2, 3, 4, 4 bis, 5, 6, 7, 8 en 9

Artikelen 62, 63, 64, 65 en 68

Artikel 9, leden 4 ter en 5

Artikelen 66 en 67

Artikel 11

Artikelen 20, 21 en 22

Artikel 13

Artikel 68

Artikel 14

Artikel 59

Artikel 15, leden 1, 2 en 4

Artikelen 33 en 34

Artikel 15, lid 3

Artikel 36

Artikel 16

Artikel 117

Artikel 17

Artikelen 5

Artikel 19

Artikelen 112 en 113

Titel IIA

Titel IV, hoofdstuk I, afdeling 2

Artikel 20, lid 1

Artikel 47

Artikel 20, lid 2

Artikel 49

Artikel 21, lid 1

Artikel 33

Artikel 21, lid 2

Artikel 35

Artikel 21, lid 3

Artikel 36

Artikel 21, lid 4

Artikel 37

Artikel 21 bis

Artikel 35

Artikel 21 ter

Artikel 34

Artikel 21 quater

Artikel 36

Artikel 23

Artikel 105

Titel V

Titel IV, hoofdstuk II, en artikel 109

Artikel 28, lid 1

Artikel 56

Artikel 28, lid 2

Artikelen 57 en 70

Artikel 28, lid 2 bis

Artikel 56

Artikel 29

Artikelen 96, 97, 98 en 99

Artikel 30

Artikel 102

Artikel 31, leden 1 en 2

Artikelen 89 en 90

Artikel 31, lid 4

Artikel 86

Artikel 32, lid 1

Artikel 85

Artikel 32, lid 2

Artikel 88

Artikel 33

Artikel 86

Artikel 34

Artikel 117

Artikel 34 bis

Artikel 117

Artikel 34 ter

Artikel 98

Artikel 34 quater

Artikel 95

Artikel 35

Artikel 118

Artikel 36

Artikel 119

Artikel 37

Artikelen 112 en 113

Artikel 38

Artikel 3

Artikel 39

Artikel 122

Artikel 40

Artikel 124

Verordening (EG) nr. 1627/94

De onderhavige verordening

De gehele verordening

Artikel 7

Verordening (EG) nr. 847/96

De onderhavige verordening

Artikel 5

Artikel 106

Verordening (EG) nr. 2371/2002

De onderhavige verordening

Artikel 21

Artikelen 1 en 2

Artikel 22, lid 1

Artikelen 6, 7, 8, 9, 14 en 75

Artikel 22, lid 2

Artikelen 58, 59, 62, 68 en 75

Artikel 23, lid 3

Artikel 5, lid 3, artikel 5, lid 5, en artikel 11

Artikel 23, lid 4

Artikelen 105 en 106

Artikel 24

Artikel 5, titel VII en artikelen 71 en 91

Artikel 25

Hoofdstukken III en IV van titel VII en artikel 89

Artikel 26, lid 1

Artikel 96

Artikel 26, lid 2

Artikel 108

Artikel 26, lid 4

Artikel 36

Artikel 27, lid 1

Artikelen 96 tot en met 99

Artikel 27, lid 2

Artikelen 101 en 102

Artikel 28, lid 1

Artikel 117

Artikel 28, lid 3

Artikelen 80, 81 en 83

Artikel 28, lid 4

Artikel 79

Artikel 28, lid 5

Artikel 74

Verordening (EG) nr. 811/2004

De onderhavige verordening

Artikel 7

Artikel 14, lid 2

Artikel 8

Artikel 17

Artikel 10

Artikel 14, lid 3

Artikel 11

Artikel 44

Artikel 12

Artikel 60, lid 6

Verordening (EG) nr. 2166/2005

De onderhavige verordening

Artikel 9

Artikel 14, lid 3

Artikel 10

Artikel 60, lid 1

Artikel 12

Artikel 44

Artikel 13

Artikel 60, lid 6

Verordening (EG) nr. 2115/2005

De onderhavige verordening

Artikel 7

Artikel 14, lid 3

Verordening (EG) nr. 388/2006

De onderhavige verordening

Artikel 7

Artikel 14, lid 3

Artikel 8

Artikel 60, lid 1

Artikel 10

Artikel 44

Artikel 11

Artikel 60, lid 6

Verordening (EG) nr. 509/2007

De onderhavige verordening

Artikel 6

Artikel 14, lid 3

Artikel 8

Artikel 44

Artikel 9

Artikel 60, lid 6

Verordening (EG) nr. 676/2007

De onderhavige verordening

Artikel 10

Artikel 14, lid 2

Artikel 11

Artikel 14, lid 3

Artikel 12

Artikel 60, lid 1

Artikel 14

Artikel 44

Artikel 15

Artikel 60, lid 6

Verordening (EG) nr. 1098/2007

De onderhavige verordening

Artikel 15

Artikel 14, lid 3

Artikel 19

Artikel 60, lid 1

Artikel 24

Artikel 46

Verordening (EG) nr. 1342/2008

De onderhavige verordening

Artikel 19, lid 1

Artikel 109, lid 2

Artikel 19, lid 2

Artikel 115

Artikel 20

Artikel 60

Artikel 22

Artikel 42

Artikel 23

Artikel 46

Artikel 24

Artikel 17

Artikel 25

Artikel 43

Artikel 26

Artikel 14, lid 2

Artikel 27

Artikel 44

Artikel 28

Artikel 60, lid 6


Top