Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document C2007/183/40

Zaak C-260/07: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Barcelona (Spanje) op 31 mei 2007 — Pedro IV Servicios, S.L./Total España SA

PB C 183 van 4.8.2007, p. 23–23 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

4.8.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/23


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Barcelona (Spanje) op 31 mei 2007 — Pedro IV Servicios, S.L./Total España SA

(Zaak C-260/07)

(2007/C 183/40)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Audiencia Provincial de Barcelona

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Pedro IV Servicios, S.L.

Verwerende partij: Total España S.A.

Prejudiciële vragen

Wanneer artikel 12, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1984/83 (1) bepaalt dat „wanneer de overeenkomst betrekking heeft op een tankstation dat de leverancier aan de wederverkoper heeft overgedragen op grond van een huur- of pachtovereenkomst of in het kader van een andere juridische of feitelijke gebruiksrelatie, mogen de wederverkoper, niettegenstaande lid 1, sub c, de in deze titel aangegeven exclusieve afnameverplichtingen en concurrentieverboden worden opgelegd voor de gehele periode gedurende welke hij het tankstation feitelijk exploiteert”, doelt die bepaling dan op een geval waarin de leverancier aanvankelijk eigenaar van de grond en de installaties is of dekt daarentegen de verwijzing naar de verhuur van het tankstation alle titels die juridisch gezien het eigendomsrecht van de leverancier strikt tot het tankstation beperken, zodat hij dit station aan de eigenaar van de grond kan verhuren zonder dat hij zich hoeft te houden aan de temporele beperkingen die de verordening aan de exclusieve afnameovereenkomsten stelt?

Indien verordening (EG) nr. 2790/99 (2) op de onderhavige zaak van toepassing is, moet artikel 5 daarvan, waarin wordt bepaald dat de vrijstelling niet van toepassing is indien de duur van de exclusieve afnameovereenkomst vijf jaar overschrijdt, ook al „[is] de beperking van de duur tot vijf jaar […] niet van toepassing wanneer de contractgoederen of -diensten door de afnemer worden verkocht in lokaliteiten en op terreinen die eigendom van de leverancier zijn of door de leverancier worden gehuurd van een derde, niet met de afnemer verbonden partij, en mits de looptijd van het niet-concurrentiebeding niet langer is dan de periode gedurende welke de afnemer de lokaliteiten en terreinen in gebruik heeft”, aldus worden uitgelegd dat die bepaling, wanneer daarin sprake is van verhuur, doelt op een geval waarin de leverancier aanvankelijk eigenaar van de grond en de installaties is of dat daarentegen de verwijzing naar de verhuur van het tankstation alle titels dekt die juridisch gezien het eigendomsrecht van de leverancier strikt tot het tankstation beperken, zodat hij dit station aan de eigenaar van de grond kan verhuren zonder dat hij zich hoeft te houden aan de temporele beperkingen die de verordening aan de exclusieve afnameovereenkomsten stelt?

Wanneer in artikel 81, lid 1, sub a, EG sprake is van het verbod om de aan- of verkoopprijzen zijdelings te bepalen en punt 8 van de considerans van verordening nr. 1984/83 bepaalt dat „voor verdere concurrentiebeperkende verplichtingen, en met name die welke de vrijheid van de wederverkoper beperken om zijn prijzen of andere verkoopvoorwaarden te bepalen, of om zijn afnemers te kiezen, ingevolge deze verordening evenwel geen vrijstelling kan worden verleend”, en het bepalen van de wederverkoopprijs niet als een van de bij artikel 11 van die verordening toegestane andere concurrentiebeperkingen wordt genoemd, moeten zij dan aldus worden uitgelegd dat zij doelen op alle clausules die de vrijheid van de wederverkoper tot vaststelling van de PVP beperken, zoals bijvoorbeeld een clausule volgens welke de leverancier de distributiemarge van de exploitant van het tankstation mag bepalen door de prijs van de brandstof die hij aan de wederverkoper levert, vast te stellen tegen de gunstigste voorwaarden die zijn overeengekomen met andere tankstations die zich in Barcelona kunnen vestigen, zonder dat deze prijs in geen geval hoger kan zijn dan de gemiddelde prijs die door andere belangrijke leveranciers is vastgesteld, en door daaraan de passend geachte minimummarge toe te voegen om aldus de PVP te verkrijgen die de leverancier niet uitdrukkelijk oplegt, maar adviseert toe te passen?

Wanneer in artikel 81, lid 1, sub a, EG sprake is van het verbod om de aan- of verkoopprijzen zijdelings te bepalen en artikel 4, sub a, van verordening (EG) nr. 2790/1999 de verticale prijsbinding als een van de bijzonder ernstige concurrentiebeperking noemt, moeten zij dan aldus worden uitgelegd dat zij doelen op alle clausules die de vrijheid van de wederverkoper tot vaststelling van de PVP beperken, zoals bijvoorbeeld een clausule volgens welke de leverancier de distributiemarge van de exploitant van het tankstation mag bepalen door de prijs van de brandstof die hij aan de wederverkoper levert, vast te stellen tegen de gunstigste voorwaarden die zijn overeengekomen met andere tankstations die zich in Barcelona kunnen vestigen, zonder dat deze prijs in geen geval hoger kan zijn dan de gemiddelde prijs die door andere belangrijke leveranciers is vastgesteld, en door daaraan de passend geachte minimummarge toe te voegen om aldus de PVP te verkrijgen die de leverancier niet uitdrukkelijk oplegt, maar adviseert toe te passen?


(1)  Verordening (EEG) nr. 1984/83 van de Commissie van 22 juni 1983 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen exclusieve afnameovereenkomsten (PB L 173, blz. 5).

(2)  Verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB L 336, blz. 21).


Top