This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62025TC0529
Opinion of Advocate General Martín y Pérez de Nanclares delivered on 10 June 2026.###
Conclusie van advocaat-generaal J. Martín y Pérez de Nanclares van 10 juni 2026.
Conclusie van advocaat-generaal J. Martín y Pérez de Nanclares van 10 juni 2026.
ECLI identifier: ECLI:EU:T:2026:388
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. Martín y Pérez de Nanclares
van 10 juni 2026 (1)
Zaak T‑529/25
Europees Openbaar Ministerie,
Belgische Staat, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen (AAD&A)
tegen
Prestige Rijwielen NV,
Logwin Air + Ocean Belgium NV,
ZG,
in tegenwoordigheid van
Belgische Staat, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie (AABBI)
[verzoek van het hof van beroep Antwerpen (België) om een prejudiciële beslissing]
„ Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk douanetarief – Indeling van goederen – Gecombineerde nomenclatuur – Uitlegging – Algemene regels – Algemene regel 2, onder a) – Werkingssfeer – Begrip ‚goed dat wordt aangeboden in gedemonteerde of in niet-gemonteerde staat’ – Onderdelen die bestemd zijn om tot elektrische fietsen te worden geassembleerd – Invoer in deelzendingen – Niet-gelijktijdige douaneaangiften – Indeling als compleet goed – Rechtsmisbruik ”
I. Inleiding
1. In het Latijn verwijst het begrip „portorium” naar douanerechten of tolheffingen, die vergelijkbaar zijn met „een belasting op het vervoer, op het passeren van goederen op bepaalde punten”(2), die met name werd geheven aan de buitengrenzen van het Romeinse Rijk. Dit blijkt uit Monumentum Ephesenum – een inscriptie die de douaneverordening voor Asia omvat, die in 62 na Christus is uitgevaardigd – waaruit naar voor komt dat de heffing van douanerechten reeds in de oudheid berustte op een complex systeem, dat voorzag in aangifteverplichtingen en gevolgen in geval van ontduiking van de douanevoorschriften, bijvoorbeeld door de fictieve verplaatsing van goederen.(3)
2. In de onderhavige zaak speelt een soortgelijke problematiek, namelijk de opsplitsing van de invoer van een goed met het oog op de toepassing van een gunstiger douanetarief. Deze zaak vindt haar oorsprong in de strafrechtelijke vervolging die het Europees Openbaar Ministerie heeft ingesteld tegen twee rechtspersonen en een natuurlijke persoon, op grond dat zij onderdelen van fietsen niet gelijktijdig in het douanegebied van de Europese Unie hebben binnengebracht om het werkelijke voorwerp van die handelingen, namelijk de invoer van complete elektrische fietsen, te verhullen. Daardoor hebben zij douanerechten ontdoken, aangezien voor elektrische fietsen een hoger conventioneel douanerecht gold dan voor onderdelen, en deze, anders dan onderdelen, aan antidumpingrechten moesten worden onderworpen.
3. Het Europees Openbaar Ministerie heeft zich gebaseerd op de vermeende schending van algemene regel 2, onder a), van de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur(4). Kort gezegd kan op grond van deze regel voor de tariefindeling worden aangenomen dat een compleet goed, zoals een fiets, is ingevoerd, terwijl fysiek alleen de onderdelen die nodig zijn voor de assemblage van dat goed in het douanegebied zijn binnengebracht. Aan deze regel is een door het Hof geformuleerde voorwaarde verbonden(5) dat de betrokken onderdelen tegelijkertijd ter inklaring moeten worden aangeboden. Deze voorwaarde staat centraal in de vraagstelling van de verwijzende rechter, aangezien in casu de onderdelen die tot elektrische fietsen kunnen worden geassembleerd, niet gezamenlijk bij de douane zijn aangebracht, maar in deelzendingen zijn ingevoerd.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Internationaal recht
4. Het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (hierna: „GS”) is in het kader van de Werelddouaneorganisatie (WDO) ingevoerd bij het op 14 juni 1983 te Brussel gesloten Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen(6).
5. De tweede volzin van algemene regel 2, onder a), voor de interpretatie van het GS bepaalt in essentie dat elke vermelding van een goed in een bepaalde post eveneens betrekking heeft op het complete of afgewerkte goed indien het wordt aangeboden in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat.
6. In punt V) van de toelichting bij deze regel staat te lezen dat „het aanbieden in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat [...] vooral [geschiedt] om redenen van verpakking, behandeling en transport”. Bovendien blijkt uit punt VII) van deze toelichting dat „[n]iet-gemonteerde elementen die aanwezig zijn in een groter aantal dan nodig is om een compleet artikel te vormen, [...] afzonderlijk [worden] ingedeeld”. Ten slotte zijn volgens punt VIII) van deze toelichting gevallen waarin deze regel kan worden toegepast, vermeld in de algemene opmerkingen betreffende de afdelingen of hoofdstukken (bijvoorbeeld afdeling XVI, hoofdstukken 44, 86, 87 en 89).
7. De toelichtingen bij hoofdstuk 44 van afdeling IX en bij de afdelingen XVI en XVII van het GS hebben respectievelijk betrekking op artikelen van hout die in gedemonteerde of niet-geassembleerde staat worden aangeboden, op niet geassembleerde machines en toestellen en op incomplete of niet-afgewerkte schepen.
B. Unierecht
1. Verordening nr. 2658/87, gecombineerde nomenclatuur en toelichtingen
8. In casu is verordening nr. 2658/87 van toepassing in de versie die is vastgesteld bij uitvoeringsverordening (EU) 2018/1602(7). Bijlage I daarvan bevat de gecombineerde nomenclatuur (hierna: „GN”), waarvan de algemene regels voor de interpretatie deel uitmaken.
9. Algemene regel 2, onder a), voor de interpretatie van de GN [hierna: „algemene regel 2, onder a)”], die dezelfde regel van het GS overneemt, luidt als volgt:
„De vermelding van een goed in een post heeft eveneens betrekking op dat goed in niet-complete of in niet-afgewerkte staat, voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont. Deze vermelding heeft eveneens betrekking op een compleet of een afgewerkt goed of een op grond van de voorgaande volzin als zodanig aan te merken goed, indien het wordt aangeboden in gedemonteerde of in niet-gemonteerde staat.”
10. Aanvullende aantekening 2 op afdeling XVI van de GN bevat nadere gegevens over het aanbieden van machines in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat. Aanvullende aantekening 3 op deze afdeling bepaalt dat op verzoek van de aangever en onder de voorwaarden en bepalingen vast te stellen door de bevoegde autoriteiten, het bepaalde in algemene regel 2, onder a), eveneens kan worden toegepast op machines die in deelzendingen worden ingevoerd.
11. GN-post 8711 heeft onder meer betrekking op rijwielen met een hulpmotor. Delen en toebehoren van voertuigen bedoeld bij de posten 8711 tot en met 8713 vallen onder post 8714.
12. Aanvullende aantekening 2 op afdeling XVII bepaalt dat, op verzoek van de aangever en onder de voorwaarden en bepalingen vast te stellen door de bevoegde autoriteiten, het bepaalde in algemene regel 2, onder a), ook kan worden toegepast op de goederen van de posten 8608, 8805, 8905 en 8907 die in deelzendingen worden ingevoerd.
13. Op 29 maart 2019 heeft de Europese Commissie de toelichtingen op de GN(8) gepubliceerd. Zij bevatten aanwijzingen voor de toepassing van aanvullende aantekening 3 op afdeling XVI van de GN.
2. Douanewetboek
14. Het douanewetboek van de Unie (hierna: „douanewetboek”), dat is vastgesteld bij verordening (EU) nr. 952/2013(9), definieert in artikel 5, punten 12 en 33, respectievelijk het begrip „douaneaangifte” en het begrip „aanbrengen bij de douane”.
15. Artikel 56, lid 1, van dit wetboek bepaalt dat „[d]e verschuldigde invoer- en uitvoerrechten zijn gebaseerd op het gemeenschappelijk douanetarief”. Blijkens lid 2 van dit artikel omvat het gemeenschappelijk douanetarief onder meer de bij verordening nr. 2658/87 vastgestelde GN van goederen.
3. Uitvoeringsverordening 2015/2447
16. Artikel 96, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447(10), dat in wezen identiek is aan artikel 115 ervan, bepaalt:
„Wanneer, op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer vastgestelde voorwaarden, niet-gemonteerde of gedemonteerde producten in de zin van algemene [regel 2, onder a),] voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem, vallende onder de afdelingen XVI en XVII of de posten 7308 en 9406 van het geharmoniseerde systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, kan voor dergelijke producten één enkel bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten worden ingediend bij de invoer van de eerste deelzending.”
III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag
17. Prestige Rijwielen NV (hierna: „Prestige”), een vennootschap naar Belgisch recht, voerde tot de instelling van een voorlopig antidumpingrecht in juli 2018(11) complete elektrische fietsen van oorsprong uit China in, die vielen onder GN-post 8711 60 10. In januari 2019 werden definitieve antidumping- en compenserende rechten ingesteld.(12) Vanaf dat moment tot april 2021 heeft Prestige onderdelen van elektrische fietsen ingevoerd en aangegeven die onder de onderverdelingen van GN-post 8714 vielen.
18. Bij een controle heeft de douane 27 douaneaangiften geïdentificeerd, verdeeld in zes clusters, die elk betrekking hadden op onderdelen die onder dezelfde referentie waren gefactureerd en waarmee in totaal 5 800 complete fietsen konden worden geassembleerd. De aangiften werden ingediend met tussenpozen van enkele dagen of maanden. Deze feiten vormen de grondslag voor de strafrechtelijke vervolging door het Europees Openbaar Ministerie van Prestige, ZG (haar gedelegeerd bestuurder) en Logwin Air + Ocean Belgium NV (haar douanevertegenwoordiger). Hun wordt verweten dat zij invoerrechten, antidumpingrechten en compenserende rechten hebben ontdoken door douaneaangiften in te dienen waarin ten onrechte werd verklaard dat onderdelen van fietsen werden ingevoerd, teneinde de invoer van elektrische fietsen te verhullen.
19. De rechter in eerste aanleg heeft vastgesteld dat Prestige complete elektrische fietsen in gedemonteerde staat in China had besteld en als zodanig aan consumenten had verkocht. Hij heeft daaruit afgeleid dat Prestige, gelet op algemene regel 2, onder a), niet de invoer van de onderdelen, maar de invoer van complete elektrische fietsen bij de douane had moeten aangeven. Prestige en ZG zijn aldus veroordeeld tot betaling van geldboeten en, bij niet-wederoverlegging van de verbeurdverklaarde goederen, tot betaling van de geraamde douanewaarde ervan. Logwin Air + Ocean Belgium is vrijgesproken. Ten slotte zijn alle bijkomende vorderingen van de douane- en belastingautoriteiten, die zich burgerlijke partij hebben gesteld, toegewezen.
20. Het hof van beroep Antwerpen (België), waarbij hoger beroep is ingesteld, merkt op dat in onderdelen ingevoerde goederen overeenkomstig algemene regel 2, onder a), moeten worden ingedeeld onder de tariefpost die geldt voor complete goederen. Het is echter niet zeker dat deze regel kan worden toegepast, omdat de betrokken douaneaangiften niet gelijktijdig zijn ingediend, soms met tussenpozen van meerdere maanden. Het is juist dat het Hof in zijn arrest X en Inspecteur van de Belastingdienst Douane(13) heeft geoordeeld dat algemene regel 2, onder a), niet aldus moet worden uitgelegd dat de invoerders zelf, met name door het indienen van afzonderlijke douaneaangiften, de mogelijkheid hebben om ervoor te zorgen dat de goederen als één geheel of juist afzonderlijk worden ingedeeld. Volgens dat arrest kan deze regel echter alleen worden toegepast indien de goederen gelijktijdig bij de douane worden aangebracht.
21. In die omstandigheden heeft het hof van beroep Antwerpen de behandeling van de zaak geschorst en krachtens artikel 267 VWEU de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Dient [algemene regel 2, onder a),] aldus te worden uitgelegd dat onderdelen van een elektrische fiets die bestemd zijn om, na in het vrije verkeer te zijn gebracht, tot een elektrische fiets te worden geassembleerd, die gefactureerd worden door twee verschillende leveranciers en in verschillende containers worden vervoerd en door dezelfde aangever, in naam en voor eigen rekening van dezelfde bestemmeling, gespreid in de tijd over een periode gaande tot meerdere maanden bij hetzelfde douanekantoor voor het vrije verkeer [...] worden aangegeven door middel van afzonderlijke [douaneaangiften], en die bij het in het vrije verkeer brengen eigendom zijn van de bestemmeling, moeten worden aangemerkt als elektrische fietsen die worden aangeboden in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat in de zin van [deze] regel, [...] voor zover uit objectieve factoren blijkt dat deze onderdelen een geheel vormen en alle essentiële bestanddelen van deze elektrische fietsen omvatten?”
IV. Procedure bij het Hof en het Gerecht
22. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing is ingekomen bij de griffie van het Hof op 18 juli 2025. Dit verzoek is overeenkomstig artikel 50 ter van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie doorgestuurd naar het Gerecht.
23. Partijen in het hoofdgeding, de Belgische regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend en deelgenomen aan de pleitzitting van 23 april 2026.
V. Juridische beoordeling
24. In de onderhavige zaak betoogt het Europees Openbaar Ministerie dat de niet-gelijktijdige invoer van fietsonderdelen binnen de werkingssfeer van de tweede hypothese van algemene regel 2, onder a), valt. Voor de tariefindeling moet volgens het Europees Openbaar Ministerie dus worden geoordeeld dat de verdachten geen onderdelen maar complete elektrische fietsen hebben ingevoerd. Deze uitlegging is echter in strijd met de rechtspraak van het Hof in het arrest Osram(14) van 1974. Uit punt 7 van dat arrest blijkt dat algemene regel 2, onder a), alleen op de invoer van een gedemonteerd of niet-gemonteerd goed kan worden toegepast op voorwaarde dat de samenstellende delen tegelijkertijd ter inklaring worden aangeboden.
25. In het arrest X en Inspecteur van de Belastingdienst Douane van 2023 heeft het Hof verduidelijkt dat aan het vereiste van gelijktijdige aanbieding van goederen is voldaan zolang de goederen tegelijkertijd bij de douane worden aangebracht, ook al worden er meerdere douaneaangiften voor gedaan. Deze uitlegging van algemene regel 2, onder a), werd met name gerechtvaardigd door het dwingende karakter ervan, dat eraan in de weg staat dat deze regel wordt omzeild door ingrepen van de invoerders teneinde ervoor te zorgen dat „de betrokken goederen als één geheel of juist afzonderlijk worden ingedeeld, afhankelijk van wat voor hen het gunstigst is”.(15)
26. De verwijzende rechter wenst in essentie te vernemen of deze laatste redenering ook kan worden toegepast op de praktijk van opsplitsing van de invoer. Impliciet verzoekt hij ons dus om te onderzoeken of het vereiste van gelijktijdige aanbrenging van de goederen verder kan worden gerelativeerd of zelfs terzijde kan worden geschoven. Een dergelijke oplossing zou uiteraard neerkomen op een nuancering van de reeds lang bestaande rechtspraak van het Hof, of zelfs op een herziening daarvan.(16)
27. Voor de beantwoording van de gestelde vraag lijkt het mij noodzakelijk om eerst de algemene context van de onderhavige zaak uiteen te zetten (A). Vervolgens zal ik algemene regel 2, onder a), uitleggen om de werkingssfeer ervan af te bakenen (B). Voor het geval dat het Gerecht tot de slotsom zou willen komen dat deze regel van toepassing is op goederen die in deelzendingen worden ingevoerd, moet mijns inziens ten slotte worden ingegaan op de concrete toepassing van deze regel (C).
A. Toepasselijkheid van de douaneregeling op invoer in deelzendingen
28. Er zij aan herinnerd dat de in het douanewetboek vastgelegde procedure voor de inklaring van goederen het ruimere rechtskader vormt waarin de tariefindeling is opgenomen als een van de belangrijkste fasen van de douaneregeling, namelijk die van de vaststelling van het douanetarief.(17) Dit blijkt duidelijk uit algemene regel 2, onder a), doordat deze verwijst naar het aanbrengen van goederen bij de douane. Dit begrip uit het douanerecht is in het arrest Osram(18) aldus uitgelegd dat de goederen tegelijkertijd moeten worden aangebracht. De uit dat arrest voortvloeiende rechtspraak bevestigt dat het latere aanbrengen is uitgesloten(19), zodat algemene regel 2, onder a), niet van toepassing is op invoer in deelzendingen(20).
29. Om vast te stellen of de tegenovergestelde uitlegging van deze regel niettemin kan worden aanvaard, moet mijns inziens worden verduidelijkt in hoeverre het douanewetboek toestaat, of althans niet uitsluit, dat goederen die niet gelijktijdig in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat in deelzendingen worden ingevoerd, worden ingeklaard. Daartoe zal ik eerst een overzicht geven van de douaneregeling (1), om vervolgens het daaraan ten grondslag liggende beginsel uiteen te zetten, namelijk dat van de aangifte van de aangebrachte goederen (2). Ten slotte zal ik de mogelijkheid onderzoeken om van dit beginsel af te wijken voor de invoer van goederen in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat in deelzendingen (3).
1. Historische oorsprong en huidige stand van de douaneregeling
30. In 1974, toen het Hof uitspraak deed in de zaak Osram(21), was de douanecontrole op de invoer onderworpen aan de harmonisatieregels van richtlijn 68/312/EEG(22). In deze richtlijn werd het begrip „aanbrengen bij de douane” („présentation en douane”) alleen in de Spaanse, de Italiaanse en de Nederlandse versie gebruikt. In deze laatste taalversie werd de term „aanbrengen” gebruikt, die overeenkomt met de term die thans is opgenomen in artikel 5, punt 33, van de Nederlandse versie van het douanewetboek, waarin „aanbrengen bij de douane” wordt gedefinieerd. In elk geval voorzag deze richtlijn in de verplichting om de goederen naar een douanekantoor te brengen en om „onverwijld” een aangifte te doen aan de hand waarvan de goederen konden worden geïdentificeerd. Pas bij verordening (EEG) nr. 4151/88(23) heeft, in artikel 5, het gebruik van het begrip „aanbieden bij de douane” („présenter en douane”) in het gemeenschapsrecht algemeen ingang gevonden. Daarin werd dit begrip omschreven als de mededeling aan de bevoegde douaneautoriteit van het feit dat de aankomst van de goederen bij het douanekantoor had plaatsgevonden.(24) Deze handeling moest onmiddellijk worden gevolgd door de indiening van de douaneaangifte. Volgens de rechtspraak van het Hof werden goederen slechts op regelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebracht wanneer zij onmiddellijk na aankomst naar een douanekantoor werden gebracht en bij de douane werden aangeboden („présentée en douane”).(25)
31. De bij het douanewetboek ingevoerde thans geldende procedure is op dezelfde beginselen gebaseerd. In essentie wordt de inklaring van de goederen gekenmerkt door verschillende handelingen die in beginsel achtereenvolgens plaatsvinden, te weten met name de aankomst van de goederen (artikel 135, lid 1), het onmiddellijk bij aankomst aanbrengen bij de douane (artikel 5, punt 33, en artikel 139, lid 1), het indienen van een douaneaangifte tot plaatsing onder een douaneregeling (artikel 5, punt 12, en artikel 158, lid 1), de aanvaarding van de aangifte (artikel 172), de facultatieve verificatie ervan (artikel 188) en de vrijgave (artikelen 194 en 195).
2. Beginsel van aangifte van de aangebrachte goederen
32. Zoals ik de douaneregeling begrijp, hebben de aangiftehandelingen, de verificatie (op grond van artikel 188 van het douanewetboek) en de vrijgave (op grond van de artikelen 194 en 195 van dit wetboek) altijd betrekking op de bij de douane aangebrachte goederen. In beginsel hebben zij geen betrekking op goederen die nog niet bij de douane zijn aangekomen(26), of op goederen die daar na de vrijgave reeds zijn gepasseerd(27).
33. Deze analyse vindt steun in de artikelen 170 tot en met 172 van het douanewetboek, die bepalen dat de douaneaangiften moeten worden ingediend door een persoon die in staat is de betrokken goederen aan te brengen. Dienovereenkomstig kan een douaneaangifte weliswaar tot 30 dagen vóór de verwachte aanbrenging van de goederen worden ingediend, maar is een dergelijke voorafgaande indiening slechts geldig indien de goederen binnen die termijn daadwerkelijk worden aangebracht. Bovendien kunnen de douaneaangiften enkel door de douaneautoriteiten worden aanvaard indien de goederen waarop deze aangiften betrekking hebben daadwerkelijk zijn aangebracht.
34. Voorts moeten krachtens de artikelen 144, 149 en 158 van het douanewetboek goederen die op het tijdstip van aanbrenging tijdelijk zijn opgeslagen, binnen 90 dagen worden aangegeven.(28) Theoretisch zouden deze bepalingen het mogelijk kunnen maken om goederen die op verschillende tijdstippen maar binnen die termijn bij de douane zijn aangekomen, gezamenlijk aan te geven. Een dergelijke uitlegging is mijns inziens evenwel in strijd met de procedurele vereisten die gelden voor de indiening van een „standaard” douaneaangifte in de zin van artikel 162 van dit wetboek. Krachtens artikel 222 van de uitvoeringsverordening wordt voor elk artikel namelijk een afzonderlijke douaneaangifte ingediend. In afwijking van dit beginsel mogen alleen artikelen „die deel uitmaken van een zending” worden gegroepeerd, mits zij onder een enkele tariefonderverdeling vallen. Aangezien de artikelen van eenzelfde zending gelijktijdig bij het douanekantoor aankomen en onmiddellijk moeten worden aangebracht(29), heeft een gezamenlijke douaneaangifte noodzakelijkerwijs betrekking op goederen die tegelijkertijd worden aangebracht.
35. Hetzelfde vereiste is ook opgenomen in artikel 177, lid 1, van het douanewetboek. Ter vereenvoudiging staat dit artikel toe dat goederen die onder verschillende tariefonderverdelingen vallen, worden aangegeven alsof zij onder één enkele onderverdeling vallen, mits zij tot dezelfde zending behoren.
36. Het beginsel van aangifte van (tegelijkertijd) bij de douane aangebrachte goederen waarborgt de nuttige werking van de bevoegdheid van de douaneautoriteiten om vóór de vrijgave van de goederen de juistheid van de douaneaangiften te verifiëren, met name door onderzoek van de goederen en monsterneming.(30)
37. Dit beginsel wordt ook gerechtvaardigd door de omstandigheid dat artikel 77, leden 1 en 2, van het douanewetboek het regelmatige ontstaan van een douaneschuld koppelt aan de aanvaarding van de douaneaangifte en de plaatsing van de goederen onder een van de douaneregelingen. Zoals blijkt uit artikel 56 van het douanewetboek hangt het bedrag van deze schuld namelijk af van de rechten die met name op basis van de tariefindeling van de goederen worden vastgesteld. Deze tariefindeling vindt dus plaats op het tijdstip van de invoer, op basis van de gegevens in de douaneaangifte, met dien verstande dat de verplichting van de aangever om juiste informatie te verstrekken zich ook uitstrekt tot de bepaling van de juiste tariefonderverdeling van de GN.(31) Om de douanecontroles te vergemakkelijken en om redenen van rechtszekerheid is de tariefindeling bovendien afhankelijk van de objectieve kenmerken en eigenschappen van de goederen op het tijdstip waarop zij bij de douane worden aangebracht.(32)
38. Ten slotte vloeit mijns inziens uit artikel 194, leden 1 en 2, van het douanewetboek voort dat de vrijgave op basis van de douaneaangifte enkel betrekking heeft op de goederen die bij de douane zijn aangebracht en waarop deze aangifte betrekking heeft.
39. Op grond van al deze overwegingen kom ik tot de slotsom dat de douaneregeling is opgezet voor de inklaring van de goederen die daadwerkelijk en tegelijkertijd bij de douane zijn aangebracht. Bijgevolg vindt de tariefindeling, met inbegrip van de toepassing van algemene regel 2, onder a), in beginsel alleen voor deze goederen plaats. Naar mijn mening gold een dergelijke opvatting van de douaneprocedure reeds in 1974, toen het arrest Osram(33) werd gewezen.
3. Afwijking van het beginsel van aangifte van de aangebrachte goederen
40. Het in punt 39 van deze conclusie genoemde beginsel rijmt dus slecht met de mogelijkheid om een compleet goed in te delen en aan te geven wanneer slechts een deel van de onderdelen is aangekomen en bij de douaneautoriteiten is aangebracht, ook al is de aankomst van de andere onderdelen later gepland. Ik ben echter van mening dat het douanewetboek zich daar niet in alle omstandigheden tegen verzet, zoals blijkt uit de uitvoeringsverordening ervan.
41. Het binnenbrengen van goederen op het grondgebied van de Unie in deelzendingen is namelijk niet vreemd aan de douaneregelingen. Verschillende bepalingen van de uitvoeringsverordening, namelijk de artikelen 96, 99, 105, 115 en 121, zijn uitdrukkelijk gebaseerd op de premisse dat een dergelijke wijze van invoer is toegestaan. Zij voorzien in een vereenvoudiging van het bewijs van oorsprong van goederen die in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat in de zin van algemene regel 2, onder a), worden ingevoerd en die onder de afdelingen XVI of XVII of de GS-posten 7308 of 9406 vallen.
42. Ik leid hieruit af dat het mogelijk moet zijn om in een douaneaangifte ten eerste te vermelden dat de goederen waarop zij betrekking heeft en die bij de douane worden aangebracht, deel uitmaken van een reeks verbonden zendingen met het oog op de invoer ervan op het grondgebied van de Unie. Ten tweede moet de aangever voor de vaststelling van het toepasselijke douanetarief rekening kunnen houden met alle aldus ingevoerde goederen en deze in voorkomend geval overeenkomstig algemene regel 2, onder a), als één compleet goed kunnen indelen.
43. Deze mogelijkheid vormt echter een afwijking van het beginsel van aangifte van bij de douane aangebrachte goederen, dat, zoals gezegd, ten grondslag ligt aan de douaneregelingen. Zij moet derhalve strikt worden uitgelegd.(34) Dit geldt naar mijn mening des te meer daar het douanewetboek niet uitdrukkelijk in deze afwijking voorziet.
B. Toepasselijkheid van algemene regel 2, onder a), op invoer in deelzendingen
44. In het licht van het resultaat van de analyse van de douaneregeling moeten de indelingsregels van de GN en dus algemene regel 2, onder a), worden uitgelegd.
45. In de context van de onderhavige zaak dient dus de werkingssfeer van deze regel te worden bepaald, met name gelet op de verwijzing daarin naar het „aanbieden” van de goederen. Daartoe zal ik eerst overgaan tot een letterlijke uitlegging van algemene regel 2, onder a) (1), gevolgd door een systematische en teleologische uitlegging ervan (2). Daarna zal ik beoordelen of er verdragsrechtelijke beperkingen bestaan in verband met de omzetting van het GS door de GN, die zich verzetten tegen de precisering of zelfs de wijziging van de werkingssfeer van deze regel door de Uniewetgever (3).
1. Letterlijke uitlegging van algemene regel 2, onder a)
46. Volgens algemene regel 2, onder a), tweede volzin, heeft elke vermelding van een goed ook betrekking op een goed „indien het wordt aangeboden in gedemonteerde of in niet-gemonteerde staat”. In punt 7 van het arrest Osram(35) heeft het Hof opgemerkt dat uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt dat zij slechts kan worden toegepast op voorwaarde dat de gedemonteerde of niet-gemonteerde onderdelen tegelijkertijd ter inklaring worden aangeboden.(36)
47. Toen het Hof in 1974 uitspraak deed, moesten verordeningen overeenkomstig verordening nr. 1(37) worden opgesteld in de zes toenmalige officiële talen. Uit een vergelijking van de taalversies van de destijds geldende algemene regel 2, onder a), tweede volzin(38), blijkt dat de Deense, de Engelse en de Nederlandse versie niet het vereiste van aanbrenging bevatten. In het Deens en het Nederlands is echter de gedachte te vinden dat het artikel beschikbaar moest zijn, en in het Engels ging het om de invoer ervan. De overige taalversies lijken uitdrukkelijk te verwijzen naar de aanbrenging van het artikel.(39)
48. In de GN die ratione temporis op de onderhavige zaak van toepassing is, bevatten de meeste taalversies van algemene regel 2, onder a), tweede volzin, naar mijn mening een min of meer expliciet vereiste van aanbrenging. Bij wijze van voorbeeld, de Engelse taalversie gebruikt thans de uitdrukking aangebracht artikel. De Duitse en de Finse taalversie verwijzen zelfs uitdrukkelijk naar het aanbrengen bij de douane. Bovendien is er, tenzij ik mij vergis, in het Deens, Pools en Zweeds veeleer sprake van artikelen die in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat beschikbaar zijn, hetgeen mijns inziens impliceert dat deze artikelen moeten zijn aangebracht. De Estse versie van deze regel wijkt daarvan af en heeft betrekking op niet-gemonteerde artikelen, zonder melding te maken van de beschikbaarheid of aanbrenging ervan. Wat de taalkundige verschillen in de GN betreft, moet hoe dan ook een bijzonder gewicht worden toegekend aan de Franse en de Engelse taalversie ervan, aangezien de GN het GS overneemt, waarvan alleen de teksten in die talen authentiek zijn.(40)
49. Gelet op deze taalkundige vergelijking ben ik van mening dat de bewoordingen van algemene regel 2, onder a), tweede volzin, de toepassing ervan beperken tot bij de douane aangebrachte artikelen. Op grond van deze bewoordingen alleen kan ik echter niet bepalen of de onderdelen die een compleet artikel vormen tegelijkertijd moeten worden aangebracht.
50. Het is juist dat het vereiste van gelijktijdigheid zou kunnen worden afgeleid uit het in punt 39 van deze conclusie genoemde beginsel van aangifte van de aangebrachte goederen. Ik neig echter naar de opvatting dat een dergelijke restrictieve uitlegging van de bewoordingen van algemene regel 2, onder a), niet noodzakelijk is. In het bijzonder zou zij geen rekening houden met de economische en juridische realiteit die de Uniewetgever in aanmerking heeft genomen. Zoals uit de uitvoeringsverordening blijkt(41), gaat deze uit van de premisse dat het douanewetboek het mogelijk maakt goederen in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat in deelzendingen in te voeren.
51. Bijgevolg moet worden gebruikgemaakt van een systematische en teleologische uitlegging van algemene regel 2, onder a), om te bepalen of aan het vereiste van aanbrenging kan worden voldaan in geval van een opgesplitste inklaring van een goed.
2. Systematische en teleologische uitlegging van algemene regel 2, onder a)
a) Systematische uitlegging
52. Uit punt 8 van het arrest Osram(42) blijkt dat algemene regel 2, onder a), in 1971(43) is opgenomen in de inleiding van de GN die in de bijlage bij verordening nr. 950/68 is vastgesteld, teneinde de reeds bestaande uitleggingspraktijken te veralgemenen. Deze praktijken waren gebaseerd op verschillende specifieke aantekeningen bij deze nomenclatuur met variaties van deze regel, die betrekking hadden op de invoer van houtwaren, machines, voertuigen, schepen en meubelen in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat.(44)
53. Van deze specifieke aantekeningen preciseerde de aantekening voor machines dat de indeling van machines die in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat werden aangeboden, eveneens van toepassing was wanneer zij in deelzendingen werden verzonden.
54. Uit de ontwikkeling van de GN sinds de eerste communautaire uitvoering ervan bij verordening nr. 950/68 tot op heden, blijkt dat de toepasselijkheid van algemene regel 2, onder a), niet is veralgemeend tot de invoer van alle gedemonteerde of niet-gemonteerde goederen in deelzendingen. Integendeel, een dergelijke mogelijkheid bestaat slechts voor bepaalde goederen, te weten de machines van afdeling XVI van de GN en de artikelen van de posten 8608, 8805, 8905 en 8907 van afdeling XVII van de GN, hetgeen blijkt uit respectievelijk aanvullende aantekening 3 op afdeling XVI en aanvullende aantekening 2 op afdeling XVII van de GN.(45) Volgens deze aantekeningen is algemene regel 2, onder a), „eveneens” van toepassing op de daarin bedoelde goederen wanneer zij in deelzendingen worden ingevoerd.
55. Dienovereenkomstig voorzien de artikelen 96, 99 en 115 van de uitvoeringsverordening alleen in deze vorm van invoer van goederen in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat wanneer zij onder de afdelingen XVI of XVII dan wel onder de posten 7308 of 9406 van het GS vallen.
56. Mijns inziens vindt de uitlegging dat aanvullende aantekening 3 op afdeling XVI en aanvullende aantekening 2 op afdeling XVII van de GN niet algemeen van toepassing zijn, met name steun in het gebruik van het bijwoord „eveneens”. Bovendien wordt in deze aanvullende aantekeningen de toepassing van algemene regel 2, onder a), afhankelijk gesteld van het „verzoek” van de aangever. Het lijkt mij niet uitgesloten dat deze voorwaarde hem een keuze kan bieden, hetgeen het afwijkende karakter van die aantekeningen nog meer onderstreept.
57. Ik ben derhalve van mening dat algemene regel 2, onder a), in beginsel slechts van toepassing is op goederen die tegelijkertijd, dat wil zeggen gelijktijdig, worden aangeboden, onder voorbehoud van de beperkte uitzondering voor de invoer van bepaalde goederen in deelzendingen.(46)
58. Deze beperking van de werkingssfeer van algemene regel 2, onder a), lijkt te worden bevestigd door het gedrag van de organen van de Unie. De problematiek van opsplitsing van de invoer om deze regel te omzeilen, is namelijk al geruime tijd bekend. In 1993 leidde de instelling van een antidumpingrecht op rijwielen uit China(47) tot een daling van de invoer van complete rijwielen, terwijl tegelijkertijd de invoer van de samenstellende onderdelen aanzienlijk toenam. Het onderzoek van de Commissie wees erop dat sommige ondernemingen „ervoor [hebben] gezorgd dat [...] de delen, bestemd voor dezelfde assembleur, over verschillende laadkisten verspreid gingen, op verschillende tijdstippen werden verstuurd en soms in verschillende havens werden uitgeladen”, waardoor zij de toepassing van algemene regel 2, onder a), konden vermijden.(48) Als reactie op deze praktijk heeft de Uniewetgever het antidumpingrecht uitgebreid tot de invoer van bepaalde fietsonderdelen. Hij heeft de GN daarentegen niet gewijzigd.
59. Deze benadering lijkt in overeenstemming te zijn met het standpunt van de Europese Unie op internationaal niveau. Volgens een document van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), dat in 2008 door een „panel” is opgesteld, betoogden de Europese Gemeenschappen dat het vereiste dat de goederen – volgens de Franse versie van algemene regel 2, onder a), – „en l’état” moesten worden aangeboden, het „grondbeginsel van de tariefindeling” weerspiegelde, „volgens hetwelk goederen worden ingedeeld op basis van de objectieve kenmerken van het product op het tijdstip van invoer, dat wil zeggen in de staat waarin het wordt ingevoerd en bij de douane wordt aangebracht”. „[D]it begrip heeft geen betrekking op en kan geen betrekking hebben op ‚meerdere tijdstippen’ en ‚meerdere plaatsen’”.(49)
b) Teleologische uitlegging
60. De systematische uitlegging van algemene regel 2, onder a), staat in contrast met de teleologische argumenten die er mijns inziens voor zouden kunnen pleiten om de werkingssfeer ervan uit te breiden tot de invoer van alle goederen in deelzendingen.
61. Om te beginnen kan namelijk worden betwijfeld of het logisch is om de werkingssfeer van algemene regel 2, onder a), te beperken tot goederen die onder aanvullende aantekening 3 op afdeling XVI en aanvullende aantekening 2 op afdeling XVII van de GN vallen. Deze aantekeningen zijn namelijk van toepassing op een heel arsenaal aan goederen van zeer uiteenlopende aard en grootte.(50)
62. Vervolgens lijkt het mij niet uitgesloten dat de toepassing van algemene regel 2, onder a), op de niet-gelijktijdige invoer van elk goed kan bijdragen tot de goede werking van de tariefindeling. Deze werking is gebaseerd op de beoordeling van de goederen aan de hand van hun objectieve kenmerken en eigenschappen, hetgeen mede inhoudt dat rekening wordt gehouden met het beoogde gebruik van een product, voor zover dat inherent is aan dat product.(51) Met name wanneer de niet gelijktijdig ingevoerde artikelen onderdelen zijn die een compleet artikel vormen, wanneer zij als onderdelen van een dergelijk artikel zijn besteld en wanneer zij van meet af aan niet voor de individuele verkoop bestemd zijn, maar bestemd zijn om vóór de verhandeling ervan tot een compleet artikel te worden geassembleerd, lijkt het dus passender om op deze onderdelen het voor dat complete artikel vastgestelde tarief toe te passen. Aanwijzingen in die zin kunnen naar mijn mening bijvoorbeeld voortvloeien uit de documenten die de douaneaangifte vergezellen, zoals verkoopovereenkomsten en facturen, en uit feitelijke omstandigheden, zoals het feit dat de ingevoerde onderdelen overeenkomen met een bepaald aantal complete artikelen(52) of het feit dat de importeur de invoer van complete goederen heeft gestaakt.
63. Het is tevens van belang om te benadrukken dat de invoer van een goed in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat in deelzendingen het gevolg kan zijn van uiteenlopende beperkingen van commerciële of andere aard. Deze kunnen verband houden met de wijzen van vervoer die aan de importeur worden aangeboden, afhankelijk van de omvang of de hoeveelheid van de onderdelen, of met de productie van de ingevoerde onderdelen, met name wanneer deze plaatsvindt in verschillende fabrieken, die zich al dan niet in de nabijheid van haven-, luchthaven- of weginstallaties bevinden. Bovendien kan de uitgestelde aankomst van onderdelen van een artikel het gevolg zijn van onvoorzienbare omstandigheden, zoals oorlog, blokkades van handelswegen, stakingen of weersomstandigheden.
64. Ik ben van mening dat deze verschillende factoren niet van invloed zijn op de objectieve kenmerken van het ingevoerde goed. Zoals uit het arrest X en Inspecteur van de Belastingdienst Douane(53) kan worden opgemaakt, moeten zij daarentegen als objectieve elementen in aanmerking worden genomen om te bepalen of, ondanks de niet-gelijktijdige binnenkomst van de afzonderlijke onderdelen in het douanegebied van de Unie, moet worden aangenomen dat de aangever een compleet goed invoert dat in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat is aangebracht.
65. Ten slotte volgt mijns inziens uit punt 26 van dat arrest dat het objectieve karakter van de tariefindeling impliceert dat moet worden voorkomen dat importeurs door middel van een relatief eenvoudige ingreep zelf de tariefindeling van de goederen kunnen kiezen. Naar mijn mening is deze reden, op grond waarvan het Hof tot de slotsom is gekomen dat algemene regel 2, onder a), van toepassing is wanneer meerdere afzonderlijke douaneaangiften worden ingediend voor goederen die gelijktijdig in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat worden aangeboden, ook relevant in geval van niet-gelijktijdige invoer van onderdelen die bestemd zijn om tot een compleet artikel te worden geassembleerd.(54)
66. Ondanks de aantrekkelijkheid van deze teleologische argumenten ben ik evenwel van mening dat zij de vaststelling in punt 57 van deze conclusie niet kunnen weerleggen. Het resultaat van de systematische uitlegging van deze regel is namelijk niet dubbelzinnig, maar getuigt volgens mij van de duidelijke wil van de wetgever om de toepasselijkheid ervan op de invoer van goederen in deelzendingen te beperken tot de gevallen die uitdrukkelijk zijn genoemd in aanvullende aantekening 3 op afdeling XVI en aanvullende aantekening 2 op afdeling XVII van de GN.(55)
67. Derhalve geef ik het Gerecht in overweging om te oordelen dat algemene regel 2, onder a), niet van toepassing kan zijn op fietsonderdelen die niet gelijktijdig bij de douane worden aangebracht, maar in deelzendingen worden ingevoerd. Elektrische fietsen en de onderdelen ervan vallen namelijk onder de posten 8711 en 8714 van de GN en vallen dus niet onder de afwijkingen waarin is voorzien in aanvullende aantekening 3 op afdeling XVI en aanvullende aantekening 2 op afdeling XVII van de GN.
3. Verdragsrechtelijke beperkingen op de wijziging van de werkingssfeer van algemene regel 2, onder a)
68. Gelet op de teleologische argumenten die kunnen pleiten voor een uitbreiding van de werkingssfeer van algemene regel 2, onder a), lijkt de uitlegging van deze algemene regel in de punten 57 en 67 van deze conclusie mij niet volledig bevredigend. In het bijzonder bestaat er een zekere spanning tussen deze uitlegging en die argumenten, die met name verband houdt met de kennelijke incoherentie van de keuze van de goederen waarop aanvullende aantekening 3 op afdeling XVI en aanvullende aantekening 2 op afdeling XVII van de GN betrekking hebben.
69. Aangezien de rechter niet bevoegd is om deze problematiek op te lossen, staat het aan de Uniewetgever om te beslissen of en, in voorkomend geval, hoe deze moet worden verholpen. Vanuit deze optiek zal ik nagaan of er juridische gronden zijn die eraan in de weg zouden kunnen staan dat de wetgever opnieuw ingaat op de vraag of algemene regel 2, onder a), van toepassing is op de invoer van goederen in deelzendingen. Ik denk met name aan de verdragsrechtelijke beperkingen die voortvloeien uit de omzetting van het GS door de GN.
70. In dit verband komt het mij voor dat de beperking van de toepasselijkheid van algemene regel 2, onder a), tot de gefaseerde invoer van goederen die vallen onder aanvullende aantekening 3 op afdeling XVI en aanvullende aantekening 2 op afdeling XVII van de GN, niet voortvloeit uit de verplichtingen van het GS. Tenzij ik mij vergis, bevat dit systeem geen regels of aantekeningen betreffende de invoer in deelzendingen.
71. Bovendien bevatten bepaalde afdelingen en hoofdstukken van het GS, zoals blijkt uit punt VIII) van de toelichting op algemene regel 2, onder a), van het GS, voorbeelden van de toepassing van deze regel. Deze voorbeelden, die juridisch niet bindend zijn(56), bevatten geen aanwijzing dat de invoer van goederen in deelzendingen in beginsel niet onder deze regel zou kunnen vallen. Hoewel voor de toepassing ervan wat houten artikelen betreft de uitdrukkelijke voorwaarde geldt dat „de verschillende delen samen worden aangebracht”, zijn de andere voorbeelden neutraal geformuleerd of vermelden zij niet hoe de goederen moeten worden aangebracht. Wat specifiek machines betreft, wordt verwezen naar de aanbrenging ervan in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat, zonder nadere precisering.(57)
72. Gelet op deze overwegingen neig ik naar de opvatting dat de auteurs van het GS de toepassing van algemene regel 2, onder a), op de invoer in deelzendingen weliswaar eenvoudigweg niet hebben overwogen maar deze evenmin uitdrukkelijk hebben uitgesloten, behalve misschien met betrekking tot de invoer van houten artikelen.
73. Deze beoordeling vindt steun in een besluit van het GS-comité van november 1995, waarin is vastgesteld dat het elke ondertekenende staat(58) vrijstaat om de toepasselijkheid van algemene regel 2, onder a), van het GS op invoer in deelzendingen te regelen.(59) Ik leid hieruit af dat de Uniewetgever autonoom kan bepalen of deze regel moet worden toegepast in het geval dat de onderdelen van een compleet artikel niet gelijktijdig worden ingevoerd.
74. Naar mijn mening is de wetgever van de Europese Economische Gemeenschap, toen hij aanvullende aantekening 3 op afdeling XVI in de GN in de bijlage bij verordening nr. 950/68 heeft opgenomen door de vaststelling van verordening nr. 1/72, ook uitgegaan van de premisse dat hij bevoegd was om de invoer van goederen in deelzendingen binnen de werkingssfeer van algemene regel 2, onder a), te brengen. Deze wijziging van de destijds geldende nomenclatuur was namelijk niet ingegeven door een wijziging van het Verdrag van Brussel van 15 december 1950(60), dat aan het GS voorafging, maar door economische en praktische redenen die door deze wetgever waren aangevoerd. Overigens handhaaft de Uniewetgever thans aanvullende aantekening 3 op afdeling XVI en aanvullende aantekening 2 op afdeling XVII in de GN, terwijl het GS geen overeenkomstige aantekeningen bevat.
75. Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat de Uniewetgever wel degelijk de mogelijkheid heeft om de werkingssfeer van algemene regel 2, onder a), te wijzigen met betrekking tot de invoer van goederen in deelzendingen.
C. Subsidiaire analyse van de toepassing van algemene regel 2, onder a), op invoer in deelzendingen
76. Voor het geval dat het Gerecht tot de slotsom zou komen dat algemene regel 2, onder a), van toepassing is op alle invoer in deelzendingen, moet worden bepaald onder welke voorwaarden deze regel kan worden toegepast, aangezien het douanewetboek geen bepalingen bevat waarin dergelijke voorwaarden worden vastgesteld.
77. Mijns inziens kunnen naar analogie aanwijzingen worden afgeleid uit artikel 99, lid 3, en artikel 115 van de uitvoeringsverordening en met name uit aanvullende aantekening 3 op afdeling XVI en aanvullende aantekening 2 op afdeling XVII van de GN. Daarin wordt in de eerste plaats bepaald dat de aangever de douaneautoriteiten om toestemming moet verzoeken voor de invoer van goederen in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat in deelzendingen. In de tweede plaats blijkt daaruit dat deze autoriteiten de voorwaarden voor niet-gelijktijdige invoer vaststellen.
78. Gelet op deze vereisten zal ik enkele overwegingen voorleggen met betrekking tot, ten eerste, het door de douaneautoriteiten ingestelde procedurele kader van algemene regel 2, onder a), in geval van invoer van goederen in deelzendingen (1) en, ten tweede, de verplichtingen van de aangever (2). Voorts lijkt het mij in antwoord op de discussies ter terechtzitting nuttig om in te gaan op de gevolgen van een eventueel rechtsmisbruik voor de toepassing van deze regel (3).
1. Procedureel kader voor de toepassing van algemene regel 2, onder a)
79. Zoals reeds vermeld in punt 77 van deze conclusie, lijkt het mij redelijk om, naar analogie van artikel 99, lid 3, en artikel 115 van de uitvoeringsverordening, alsmede aanvullende aantekening 3 op afdeling XVI en aanvullende aantekening 2 op afdeling XVII van de GN, te oordelen dat het aan de douaneautoriteiten staat om de procedurele voorwaarden vast te stellen voor de toepassing van algemene regel 2, onder a), op de invoer van goederen in deelzendingen.
80. Het kan de nationale autoriteiten daarentegen niet vrijstaan om naar eigen goeddunken de materiële voorwaarden voor de toepassing van algemene regel 2, onder a), vast te stellen, omdat anders het risico bestaat dat de importeurs bij de tariefindeling van de goederen niet gelijk worden behandeld. Hieruit volgt, gelet op de in de punten 62 en 64 van deze conclusie uiteengezette rechtspraak, dat bij het onderzoek naar de toepasselijkheid van deze regel alleen rekening kan worden gehouden met de objectieve kenmerken van een goed en met de objectieve factoren die bepalend waren voor wijze waarop het goed is ingevoerd.
81. Wat in de eerste plaats de duur van de invoer in deelzendingen in de tijd betreft, deze mag mijns inziens op zichzelf niet doorslaggevend zijn. Deze duur kan echter deel uitmaken van de objectieve factoren die relevant zijn voor de beoordeling van de toepasselijkheid van algemene regel 2, onder a), hetgeen wordt bevestigd door het in punt 63 van deze conclusie vermelde feit dat de tijdsduur tussen zendingen afhankelijk kan zijn van een groot aantal omstandigheden. Daarom ben ik van mening dat het niet mogelijk is om een tijdslimiet vast te stellen waarboven algemene regel 2, onder a), niet langer van toepassing is.
82. Volledigheidshalve merk ik op dat het mij twijfelachtig lijkt dat de in artikel 99, lid 2, artikel 105, lid 1, en artikel 121, leden 1 en 4, van de uitvoeringsverordening vastgestelde tijdslimieten voor de geldigheid van bewijzen van oorsprong naar analogie kunnen worden toegepast. De aard van deze bewijzen en de toetsing van de rechtvaardiging ervan vereisen namelijk dat zij een beperkte geldigheid hebben.(61) Slechts bij wijze van afwijking van die artikelen voorziet artikel 121, lid 5, van die verordening in de mogelijkheid om de geldigheidsduur van het bewijs van oorsprong te verlengen in geval van invoer van goederen in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat in deelzendingen. Uit deze afwijking blijkt dat een dergelijke invoer kan plaatsvinden gedurende een periode die langer is dan de normale geldigheidsduur van een bewijs van oorsprong.
83. Wat in de tweede plaats de procedureregels betreft op grond waarvan de invoer in deelzendingen van goederen in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat kan worden geregeld, is het mijns inziens voldoende dat de douaneautoriteiten aan de aangever, die hun te kennen geeft tot een dergelijke invoer over te willen gaan, de omvang preciseren van zijn informatieverplichtingen die verdergaan dan de douaneaangifte.(62)
84. In de derde plaats, ten slotte, lijkt mij de verplichting tot verscherpte controle van artikel 105, lid 2, van de uitvoeringsverordening hier rechtstreeks relevant. Wanneer een importeur de invoer van goederen in deelzendingen aangeeft, staat het naar analogie aan de douaneautoriteiten om na te gaan of elke zending daadwerkelijk overeenstemt met de voor de assemblage ervan vereiste onderdelen.
2. Verplichtingen van de aangever
85. De in punt 84 van deze conclusie genoemde controleverplichting gaat hand in hand met de informatieplicht van de aangever. Het douanewetboek is namelijk gebaseerd op een transparantiebeginsel. Het legt de nadruk niet op de door de douaneautoriteiten verrichte controles, maar op de verplichtingen van de aangever. In overeenstemming hiermee vindt de toepassing van het bepaalde in de douaneregeling waaronder de goederen worden geplaatst, in beginsel plaats aan de hand van de vermeldingen in de douaneaangiften. Deze worden niet stelselmatig geverifieerd, hetgeen impliceert dat de aangever de douaneautoriteiten juiste en volledige informatie verstrekt. In deze context heeft het Hof benadrukt dat het aan de aangever is om zelf de GN-tariefonderverdeling vast te stellen die van toepassing is op de door hem aangegeven goederen.(63)
86. Het is juist dat aanvullende aantekening 3 op afdeling XVI en aanvullende aantekening 2 op afdeling XVII van de GN, aangezien zij voorzien in toepassing van algemene regel 2, onder a), op verzoek van de aangever, hem een keuze lijken te bieden. Indien evenwel de invoer van alle goederen in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat in deelzendingen onder deze regel zou vallen, zou de toepassing ervan moeten berusten op objectieve gegevens en zou zij niet mogen afhangen van een keuze.(64) In voorkomend geval zou een aangever uit hoofde van zijn informatieplicht dus vanaf de eerste zending en op het tijdstip van elke volgende zending in zijn douaneaangiften moeten vermelden dat hij de goederen in deelzendingen invoert.(65) Bovendien zou hij de tariefindeling van deze goederen moeten vaststellen overeenkomstig algemene regel 2, onder a).
87. Onder dit voorbehoud maakt aanvullende aantekening 2 op afdeling XVI van de GN het niettemin mogelijk de omvang te illustreren van de informatieplicht, die verdergaat dan de douaneaangifte. Zo zou van de aangever kunnen worden verlangd dat hij voor de artikelen die in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat worden aangebracht, „een montageplan en een inhoudsopgave van de verschillende colli’s” verstrekt. Dit vereiste lijkt mij bijzonder relevant voor de invoer van goederen in deelzendingen. Ten eerste zou een dergelijk plan het mogelijk maken om vast te stellen welke onderdelen nodig zijn om het complete artikel te assembleren, en ten tweede zou de inhoudsopgave van de zendingen waarborgen dat de douaneautoriteiten over een volledig beeld van de invoertransactie beschikken. Deze informatie lijkt mij overigens nuttig in het licht van de in punt 84 van deze conclusie genoemde verplichting tot verscherpte controle.
3. Inaanmerkingneming van rechtsmisbruik
88. Ter terechtzitting hebben de partijen in het hoofdgeding en de andere belanghebbenden de kwestie van de inaanmerkingneming van het bestaan van rechtsmisbruik aan de orde gesteld. Het Europees Openbaar Ministerie heeft in dat kader betoogd dat het verbod op dergelijk misbruik als leidraad moet dienen voor de uitlegging van algemene regel 2, onder a).
89. In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak rechtsmisbruik een rechtsbegrip is dat is afgeleid van het beginsel van het verbod van misbruik, dat tot doel heeft om een justitiabele te beletten zich te beroepen op een door het Unierecht toegekend voordeel wanneer in werkelijkheid niet is voldaan aan de objectieve voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen. De vaststelling dat sprake is van rechtsmisbruik vereist zowel een objectief als een subjectief element. Wat het objectieve element betreft, moet worden aangetoond dat in weerwil van de formele naleving van de door de Unieregeling opgelegde voorwaarden, het door die regeling beoogde doel niet werd bereikt.(66)
90. Zoals advocaat-generaal Mengozzi heeft opgemerkt, blijkt uit die rechtspraak duidelijk dat een recht alleen kan worden misbruikt wanneer het vooraf is erkend. Bijgevolg kan het verbod op rechtsmisbruik niet worden beschouwd als een beginsel dat de werkingssfeer van de bepalingen van het recht van de Unie afbakent.(67) Mijns inziens volgt hieruit dat dit verbod niet toestaat wettelijke voorwaarden toe te voegen aan een rechtsregel, noch de werkingssfeer ervan contra legem uit te breiden. Onder voorbehoud van deze beperkingen zou daarentegen wel, zoals het Hof in zijn arrest X en Inspecteur van de Belastingdienst Douane(68) heeft gedaan, rekening kunnen worden gehouden met de mogelijkheid dat een norm door misbruik wordt omzeild, teneinde een uitlegging te vinden die het nuttig effect ervan kan behouden.
91. Wat inzonderheid algemene regel 2, onder a), betreft, komt het mij voor dat indien deze regel van toepassing is op de invoer van goederen in deelzendingen, het bestaan van frauduleuze of misbruikpraktijken die erop gericht zijn deze regel te omzeilen, relevant is voor de toepassing ervan in concreto. Een dergelijke praktijk lijkt namelijk een van de objectieve elementen te zijn die in aanmerking kunnen worden genomen om te bepalen of moet worden aangenomen dat de aangever door het niet-gelijktijdige binnenbrengen van onderdelen in het douanegebied van de Unie een compleet goed invoert dat in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat wordt aangebracht.(69)
VI. Conclusie
92. Gelet op een en ander geef ik het Gerecht in overweging om de vraag van het hof van beroep Antwerpen te beantwoorden als volgt:
„Algemene regel 2, onder a), van de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 2018/1602 van de Commissie van 11 oktober 2018,
moet aldus worden uitgelegd dat
hij niet van toepassing is op de invoer van onderdelen van een elektrische fiets die vallen onder de onderverdelingen van post 8714 van de gecombineerde nomenclatuur en die bestemd zijn om, na in het vrije verkeer te zijn gebracht, te worden geassembleerd tot een elektrische fiets die valt onder de onderverdelingen van post 8711 van de gecombineerde nomenclatuur, wanneer deze onderdelen niet gelijktijdig bij de douane worden aangebracht, maar na elkaar in deelzendingen worden ingevoerd.”
José Martín y Pérez de Nanclares
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 juni 2026.
ondertekeningen
1 Oorspronkelijke taal: Frans.
2 Nicolet, C., „Le Monumentum Ephesenum et la délimitation du portorium d’Asie”, in Mélanges de l’École française de Rome. Antiquité, deel 105, nr. 2, 1993, blz. 929‑959 (op blz. 946). Zie ook het werk van Zamora Manzano, J. L., Algunos aspectos sobre el régimen fiscal aduanero en Derecho romano: reglamentación jurídica del portorium, control de mercancías y comiso por fraude fiscal, Dykinson, Madrid, 2009.
3 Zie Nicolet, C., „Le monumentum Ephesenum et les dîmes d’Asie”, Bulletin de Correspondance Hellénique, 1991, nr. 115‑1, blz. 465‑480 (op blz. 465 en 478‑480), en Marek, C., „Stadt, Bund und Reich in der Zollorganisation des kaiserzeitlichen Lykien. Eine neue Interpretation der Zollinschrift von Kaunos”, in Hans-Ulrich Wiemer (red.), Staatlichkeit und politisches Handeln in der römischen Kaiserzeit, De Gruyter, 2006, blz. 107‑121 (op blz. 108 en 110).
4 Zie bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1).
5 Arrest van 8 mei 1974, Osram (183/73, EU:C:1974:50, punt 7).
6 United Nations Treaty Series, deel 1503, blz. 4, nr. 25910 (1988). Dit Verdrag is namens de Europese Economische Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 87/369/EEG van de Raad van 7 april 1987 (PB 1987, L 198, blz. 1).
7 Uitvoeringsverordening van de Commissie van 11 oktober 2018 tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 2018, L 273, blz. 1).
8 PB 2019, C 119, blz. 1.
9 Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1).
10 Uitvoeringsverordening van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2015, L 343, blz. 558), zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2018/604 van de Commissie van 18 april 2018 (PB 2018, L 101, blz. 22) (hierna: „uitvoeringsverordening”).
11 Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1012 van de Commissie van 17 juli 2018 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op elektrische fietsen van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) 2018/671 (PB 2018, L 181, blz. 7).
12 Uitvoeringsverordening (EU) 2019/73 van de Commissie van 17 januari 2019 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op elektrische fietsen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2019, L 16, blz. 108) en uitvoeringsverordening (EU) 2019/72 van de Commissie van 17 januari 2019 tot instelling van een definitief compenserend recht op elektrische fietsen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2019, L 16, blz. 5).
13 Arrest van 27 april 2023 (C‑107/22, EU:C:2023:346).
14 Arrest van 8 mei 1974 (183/73, EU:C:1974:50).
15 Zie in die zin arrest van 27 april 2023, X en Inspecteur van de Belastingdienst Douane (C‑107/22, EU:C:2023:346, punten 24‑26).
16 Advocaat-generaal Hogan heeft in punt 57 van zijn conclusie in de zaak Gtflix Tv (C‑251/20, EU:C:2021:745) gewezen op het uitzonderlijke karakter van herzieningen van de rechtspraak, met name van vaste rechtspraak. In dat punt heeft hij opgemerkt dat „een dergelijke herziening van eerdere rechtspraak [...] niet [mag] plaatsvinden zonder dat daarvoor een ernstige reden bestaat en [...] beperkt [moet] blijven tot hetgeen noodzakelijk is”.
17 Zie artikel 56, leden 1 en 2, van het douanewetboek.
18 Arrest van 8 mei 1974 (183/73, EU:C:1974:50, punt 7).
19 Zie arresten van 16 juni 1994, Develop Dr. Eisbein (C‑35/93, EU:C:1994:252, punt 19), en 27 april 2023, X en Inspecteur van de Belastingdienst Douane (C‑107/22, EU:C:2023:346, punt 22).
20 De term „deelzendingen” heeft betrekking op de niet-gelijktijdige invoer van onderdelen van een artikel die om verschillende redenen niet samen worden vervoerd. Deze zou kunnen worden onderscheiden van de invoer van onderdelen in meerdere zendingen met het oog op industriële assemblage (zie WTO: „Chine – Mesures affectant les importations de pièces automobiles”, verslagen van het panel (18 juli 2008), WT/DS339/R, WT/DS340/R en WT/DS342/R, blz. 306‑310, punten 7.434‑7.439), zonder dat vaststaat of een dergelijk onderscheid noodzakelijk of gerechtvaardigd is. Het komt mij voor dat dit onderscheid niet noodzakelijk is voor deze conclusie, aangezien de meeste overwegingen met betrekking tot het eerste geval a fortiori van toepassing zijn op het tweede geval. Het is echter niet uitgesloten dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde handelingen niet als invoer in deelzendingen, maar als invoer in meerdere zendingen moeten worden aangemerkt.
21 Arrest van 8 mei 1974 (183/73, EU:C:1974:50).
22 Richtlijn van de Raad van 30 juli 1968 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot: 1. het aanbrengen bij de douane van goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, 2. de voorlopige opslag van deze goederen (PB 1986, L 194, blz. 13).
23 Verordening van de Raad van 21 december 1988 tot vaststelling van de bepalingen die van toepassing zijn op goederen die het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht (PB 1988, L 367, blz. 1).
24 Deze definitie is later overgenomen in het douanewetboek.
25 Arrest van 3 maart 2005, Papismedov e.a. (C‑195/03, EU:C:2005:131, punt 27).
26 Onder voorbehoud van artikel 171 van het douanewetboek.
27 De verificatie tijdens de douaneprocedure, dus vóór de vrijgave, moet worden onderscheiden van controles na vrijgave (artikel 48 van het douanewetboek).
28 De indiening van de aangifte markeert het begin van het proces van plaatsing van de goederen onder een douaneregeling. Zie in dit verband arrest van 27 juni 2013, Codirex Expeditie (C‑542/11, EU:C:2013:429, punten 35 e.v.).
29 Zie de punten 30 en 31 van deze conclusie.
30 Zie artikel 188 van het douanewetboek, alsmede, in die zin, arrest van 15 september 2011, DP grup (C‑138/10, EU:C:2011:587, punt 39).
31 Zie in die zin arresten van 23 mei 1989, Top Hit Holzvertrieb/Commissie (378/87, EU:C:1989:209, punt 26), en 15 september 2011, DP grup (C‑138/10, EU:C:2011:587, punten 34 en 40).
32 Zie in die zin arresten van 17 maart 1983, Dinter (175/82, EU:C:1983:86, punt 10); 6 februari 2014, Humeau Beaupréau (C‑2/13, EU:C:2014:48, punt 45), en 10 maart 2016, VAD en Van Aert (C‑499/14, EU:C:2016:155, punten 40 en 41).
33 Arrest van 8 mei 1974 (183/73, EU:C:1974:50). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Capotorti in de zaak IMCO (165/78, EU:C:1979:82, punt 3), waarin hij verwijst naar het onderzoek van de onderdelen „bij invoer” in het licht van de vraag of deze „zo kunnen worden gemonteerd dat een compleet goed ontstaat”.
34 Zie in die zin arresten van 17 januari 2013, Commissie/Spanje (C‑360/11, EU:C:2013:17, punt 18), en 12 mei 2021, Hauptzollamt B (Steurkaviaar) (C‑87/20, EU:C:2021:382, punt 43).
35 Arrest van 8 mei 1974 (183/73, EU:C:1974:50).
36 Uit dat arrest blijkt niet of het Hof een taalkundige vergelijking heeft gemaakt en, in voorkomend geval, of het zich heeft gebaseerd op de vier officiële talen van de oprichtende lidstaten [zie verordening (EEG) nr. 1/72 van de Raad van 20 december 1971 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1972, L 1, blz. 1)] of op de zes talen van de lidstaten na de uitbreiding van 1973 [zie verordening (EEG) nr. 1/73 van de Raad van 19 december 1972 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1973, L 1, blz. 1)].
37 Verordening van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 1958, 17, blz. 385).
38 Zie verordening nr. 1/73.
39 De Duitse taalversie gebruikte een algemeen begrip van het douanerecht, namelijk „Gestellung”, dat „aanbrenging bij de douane” betekent.
40 Zie in die zin arresten van 9 december 1997, Knubben Speditions (C‑143/96, EU:C:1997:597, punt 15), en 1 augustus 2025, Keesing Deutschland (C‑375/24, EU:C:2025:624, punt 47).
41 Zie de punten 41‑43 van deze conclusie.
42 Arrest van 8 mei 1974 (183/73, EU:C:1974:50).
43 Zie artikel 1 van verordening nr. 1/72, dat de bijlage bij verordening (EEG) nr. 950/68 van de Raad van 28 juni 1968 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1968, L 172, blz. 1) wijzigt.
44 Zie respectievelijk aantekening nr. 4 op afdeling XVI en aantekening nr. 6 op afdeling XVII van de bijlage bij verordening nr. 950/68, alsmede aantekening 2 op afdeling IX, hoofdstuk 44, aantekening op hoofdstuk 89, behorend tot afdeling XVII, en aantekening 3 op hoofdstuk 94 van afdeling XX van diezelfde bijlage.
45 Deze aantekeningen zijn waardevolle hulpmiddelen bij de uitlegging van de GN. Zij moeten worden onderscheiden van de toelichtingen die rechtens niet verbindend zijn: arrest van 17 februari 2016, Salutas Pharma (C‑124/15, EU:C:2016:87, punten 30 en 31).
46 Zie voetnoot 20 van deze conclusie.
47 Verordening (EEG) nr. 2474/93 van de Raad van 8 september 1993 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer in de Gemeenschap van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht (PB 1993, L 228, blz. 1).
48 Zie met name de overwegingen 10‑12 van verordening (EG) nr. 71/97 van de Raad van 10 januari 1997 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht, ingesteld bij verordening (EEG) nr. 2474/93 voor rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China op de invoer van bepaalde onderdelen van rijwielen uit de Volksrepubliek China en tot heffing van het uitgebreide recht op dergelijke uit hoofde van verordening (EG) nr. 703/96 geregistreerde invoer (PB 1997, L 16, blz. 55), alsmede de toelichtingen van Driessen, B, „New Battle Lines in the Anti-Dumping War – Recent Movements on the European Front”, Journal of World Trade, 1997, nr. 31‑3, blz. 135‑157 (blz. 147‑151).
49 Zie WTO: „Chine – Mesures affectant les importations de pièces automobiles”, verslagen van het panel (18 juli 2008), WT/DS339/R, WT/DS340/R en WT/DS342/R, blz. 294 en 295, punten 7.398‑7.400, voor het standpunt van de Gemeenschappen, alsmede blz. 299 en 300, punten 7.412‑7.415, voor het standpunt van het panel, dat in essentie hetzelfde is.
50 Tot de machines van afdeling XVI van de GN behoren bijvoorbeeld kernreactoren en elektrische transformatoren, maar ook tafelventilatoren en elektrische batterijen. De posten 8608, 8805, 8905 en 8907 van afdeling XVII van de GN omvatten, bij wijze van voorbeeld, booreilanden die al dan niet op de zeebodem kunnen worden geplaatst, evenals boeien en bakens. Zie ook de kritiek van Berr, C.J., „Droit douanier – Étude”, La Semaine Juridique. Édition Entreprise, 1994, nr. 40‑390, blz. 459‑464 (op blz. 463).
51 Arrest van 28 april 2016, Oniors Bio (C‑233/15, EU:C:2016:305, punten 32 en 33). Het inherente beoogde gebruik van de onderdelen moet worden onderscheiden van het daadwerkelijke gebruik ervan, dat niet relevant is (zie in die zin arrest van 10 juli 1986, Kleiderwerke Lampe, 222/85, EU:C:1986:314, punt 15). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Capotorti in de zaak IMCO (165/78, EU:C:1979:82, punt 3), die is vermeld in voetnoot 33 van deze conclusie.
52 In die zin blijkt uit punt VII) van de toelichting op algemene regel 2, onder a), van het GS dat de toepassing van deze regel op onderdelen die vereist zijn voor de assemblage van een compleet artikel niet wordt beïnvloed door de invoer van onderdelen waarvan het aantal het daarvoor vereiste aantal overschrijdt. Die onderdelen volgen hun eigen regeling, wat betekent dat zij afzonderlijk worden ingedeeld. Zie in die zin ook arrest van 29 mei 1979, IMCO (165/78, EU:C:1979:133, punt 10).
53 Arrest van 27 april 2023 (C‑107/22, EU:C:2023:346, punten 28, 29 en 34).
54 De verwijzing in punt 26 van het arrest X en Inspecteur van de Belastingdienst Douane (C‑107/22, EU:C:2023:346) naar de „relatief eenvoudige” aard van de ingreep lijkt mij niet doorslaggevend. Deze verwijzing lijkt voort te vloeien uit het feit dat het Hof de overwegingen van het arrest van 10 maart 2016, VAD en Van Aert (C‑499/14, EU:C:2016:155), met betrekking tot de criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat meerdere goederen deel uitmaken van een „assortiment” in de zin van regel 3, onder b), van de algemene regels van de GN, naar analogie heeft toegepast.
55 Zie in die zin arrest van 1 oktober 2020, Entoma (C‑526/19, EU:C:2020:769, punten 41‑43), en conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Helmut Müller (C‑451/08, EU:C:2009:710, punt 39).
56 Zie in die zin arrest van 4 maart 2026, Heineken România (T‑691/24, EU:T:2026:166, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57 Zie de toelichting op hoofdstuk 44 van afdeling IX en op de afdelingen XVI en XVII van het GS.
58 Zie voetnoot 6 van deze conclusie: het GS-verdrag is namens de Europese Economische Gemeenschap goedgekeurd.
59 Zie punt 10 van het besluit van het GS-comité van november 1995, in bijlage IJ/7 van document 39.600 E (blz. 139‑140), vastgesteld tijdens de 16e zitting van het comité op 17 november 1995. De term „staat” lijkt betrekking te hebben op de verdragsluitende partijen bij het GS en omvat dus de Europese Unie.
60 Verdrag van Brussel inzake de nomenclatuur voor de indeling van goederen in de douanetarieven, United Nations Treaty Series, deel 347, blz. 127.
61 Zie in dit verband arrest van 30 oktober 2025, Compañía de Distribución Integral Logista (C‑348/24, EU:C:2025:845, punt 56).
62 Zie voor de omvang van de aangifteplicht punt 86 van deze conclusie.
63 Zie naar analogie arrest van 15 september 2011, DP grup (C‑138/10, EU:C:2011:587, punten 37, 38 en 40).
64 Zie de punten 56 en 80 van deze conclusie.
65 Zie naar analogie de toelichting op aanvullende aantekening 3 op afdeling XVI van de GN.
66 Zie in die zin arresten van 13 maart 2014, SICES e.a. (C‑155/13, EU:C:2014:145, punten 29‑33), en 22 november 2017, Cussens e.a. (C‑251/16, EU:C:2017:881, punten 30‑32).
67 Conclusie in de zaak Fonnship en Svenska Transportarbetareförbundet (C‑83/13, EU:C:2014:201, punten 69 en 70).
68 Arrest van 27 april 2023 (C‑107/22, EU:C:2023:346, punten 24‑27).
69 Zie de punten 62‑64 en 80 van deze conclusie.