This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62023CN0231
Case C-231/23, Eurobank Bulgaria: Request for a preliminary ruling from the Sofiyski rayonen sad (Bulgaria) lodged on 12 April 2023 — ‘Eurobank Bulgaria’ AD
Zaak C-231/23, Eurobank Bulgaria: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sofiyski rayonen sad (Bulgarije) op 12 april 2023 — “Eurobank Bulgaria” AD
Zaak C-231/23, Eurobank Bulgaria: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sofiyski rayonen sad (Bulgarije) op 12 april 2023 — “Eurobank Bulgaria” AD
PB C 252 van 17.7.2023, p. 24–24
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
|
17.7.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 252/24 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sofiyski rayonen sad (Bulgarije) op 12 april 2023 — “Eurobank Bulgaria” AD
(Zaak C-231/23, Eurobank Bulgaria)
(2023/C 252/27)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Sofiyski rayonen sad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij:“Eurobank Bulgaria” AD
Prejudiciële vragen
|
1. |
Is op grond van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG (1) van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten nationale rechtspraak toelaatbaar volgens welke, wanneer slechts over een deel van een vordering uit een consumentenovereenkomst, die mogelijk oneerlijke bedingen bevat, een onherroepelijk geworden beslissing is gegeven die tot materieel gezag van gewijsde leidt, de rechter die zich moet uitspreken over een later verzoek om de consument te veroordelen tot betaling van het saldo van diens schuld, dan met betrekking tot de vraag of dit saldo verschuldigd is gebonden is aan de slotsom van de rechter die deze beslissing heeft gegeven, dat de bedingen in de overeenkomst de consument binden en niet oneerlijk zijn? |
|
2. |
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord (dat wil zeggen dat de nationale rechtspraak op grond van het Unierecht toelaatbaar is), is het dan verenigbaar met artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG dat de rechterlijke beslissing waarbij wordt vastgesteld dat geen sprake is van oneerlijke bedingen, weliswaar een motivering ter zake bevat, maar die motivering onvoldoende duidelijk is of geen verband houdt met de specifieke bedingen in de overeenkomst? Aan de hand van welk criterium moet de nationale rechter in de tweede procedure beoordelen of de motivering volledig is? |