This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62021TO0422
Order of the General Court (Fifth Chamber) of 7 December 2021.#Daimler AG v European Union Intellectual Property Office.#Action for annulment – EU trade mark – Lack of representation by a lawyer authorised to practise before a court of a Member State or of another State which is a party to the EEA Agreement – Manifest inadmissibility.#Case T-422/21.
Beschikking van het Gerecht (Vijfde kamer) van 7 december 2021.
Daimler AG tegen Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie.
Beroep tot nietigverklaring – Uniemerk – Geen vertegenwoordiging door een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de EER-Overeenkomst – Kennelijke niet-ontvankelijkheid.
Zaak T-422/21.
Beschikking van het Gerecht (Vijfde kamer) van 7 december 2021.
Daimler AG tegen Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie.
Beroep tot nietigverklaring – Uniemerk – Geen vertegenwoordiging door een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de EER-Overeenkomst – Kennelijke niet-ontvankelijkheid.
Zaak T-422/21.
ECLI identifier: ECLI:EU:T:2021:888
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
7 december 2021 ( *1 )
„Beroep tot nietigverklaring – Uniemerk – Geen vertegenwoordiging door een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de EER-Overeenkomst – Kennelijke niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑422/21,
Daimler AG, gevestigd te Stuttgart (Duitsland),
verzoekster,
tegen
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO),
verweerder,
andere partij in de procedure bij de kamer van beroep van het EUIPO:
Volkswagen AG, gevestigd te Wolfsburg (Duitsland),
betreffende een beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 7 mei 2021 (zaak R 734/2020‑1) inzake een oppositieprocedure tussen Daimler en Volkswagen,
geeft
HET GERECHT (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. Spielmann (rapporteur), president, R. Mastroianni en M. Brkan, rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
Toepasselijke bepalingen
|
1 |
Het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 2020, L 29, blz. 7; hierna: „Terugtrekkingsakkoord”) is overeenkomstig artikel 185 ervan in werking getreden op 1 februari 2020. Artikel 126 van dit akkoord voorziet in een overgangsperiode, die op 31 december 2020 is geëindigd. Tijdens die periode was het recht van de Europese Unie van toepassing op het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, tenzij in dit akkoord anders was bepaald. Bijgevolg is het Verenigd Koninkrijk sinds 1 februari 2020 geen lid meer van de Unie. |
|
2 |
Artikel 91 van het Terugtrekkingsakkoord, met het opschrift „Vertegenwoordiging voor het Hof”, bepaalt in de leden 1 en 2: „1. Onverminderd artikel 88, kan, wanneer een advocaat die bevoegd is op te treden voor de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk [en] voor het eind van de overgangsperiode een partij vertegenwoordigde of bijstond bij een procedure voor het Hof van Justitie van de Europese Unie of in verband met verzoeken om prejudiciële beslissingen die voor het eind van de overgangsperiode werden ingediend, die advocaat de partij bij die procedure of in verband met die verzoeken blijven vertegenwoordigen of bijstaan. Dit recht is van toepassing op alle procedurele fasen, met inbegrip van beroepsprocedures bij het Hof van Justitie en van procedures bij het Gerecht nadat een zaak is verwezen. 2. Onverminderd artikel 88, kunnen advocaten die bevoegd zijn op te treden voor de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk, een partij bij het Hof van Justitie van de Europese Unie vertegenwoordigen of bijstaan in de zaken bedoeld in artikel 87 en artikel 95, lid 3. Advocaten die bevoegd zijn op te treden voor de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk kunnen ook het Verenigd Koninkrijk vertegenwoordigen of bijstaan in de onder artikel 90 vallende procedures waarin het Verenigd Koninkrijk heeft besloten tussen te komen of waaraan het Verenigd Koninkrijk heeft besloten deel te nemen.” |
|
3 |
Artikel 87 van het Terugtrekkingsakkoord, met het opschrift „Nieuwe zaken voor het Hof van Justitie”, bepaalt in de leden 1 en 2: „1. Indien de Europese Commissie van mening is dat het Verenigd Koninkrijk voor het eind van de overgangsperiode een verplichting krachtens de Verdragen of deel vier van dit akkoord niet is nagekomen, kan de Europese Commissie de zaak binnen vier jaar na het eind van de overgangsperiode aanhangig maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie overeenkomstig de voorschriften die zijn vastgesteld in artikel 258 VWEU of artikel 108, lid 2, tweede alinea, VWEU, naargelang het geval. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd voor dergelijke zaken. 2. Als het Verenigd Koninkrijk een in artikel 95, lid 1, van dit akkoord bedoeld besluit niet naleeft of in de rechtsorde van het Verenigd Koninkrijk geen rechtsgevolg geeft aan een besluit als bedoeld in die bepaling, dat gericht was tot een in het Verenigd Koninkrijk verblijvende of daar gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon, kan de Europese Commissie de zaak binnen vier jaar na de datum van het betrokken besluit voor het Hof van Justitie van de Europese Unie brengen overeenkomstig de vereisten die zijn vastgesteld in artikel 258 VWEU of artikel 108, lid 2, tweede alinea, VWEU, naargelang het geval. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd voor dergelijke zaken.” |
|
4 |
Artikel 95 van het Terugtrekkingsakkoord, met het opschrift „Bindende werking en uitvoerbaarheid van besluiten”, bepaalt in de leden 1 en 3: „1. Besluiten die voor het eind van de overgangsperiode zijn vastgesteld door instellingen, organen en instanties van de Unie of na het eind van de overgangsperiode zijn vastgesteld middels de in de in de artikelen 92 en 93 bedoelde procedures, en die zijn gericht tot het Verenigd Koninkrijk of tot in het Verenigd Koninkrijk verblijvende of gevestigde natuurlijke personen of rechtspersonen, zijn bindend voor en in het Verenigd Koninkrijk. [...] 3. De wettigheid van een in lid 1 van dit artikel bedoeld besluit wordt uitsluitend getoetst door het Hof van Justitie van de Europese Unie overeenkomstig artikel 263 VWEU.” |
|
5 |
Artikel 92 van het Terugtrekkingsakkoord, met het opschrift „Lopende administratieve procedures”, bepaalt in lid 1: „1. De instellingen, organen en instanties van de Unie blijven bevoegd voor administratieve procedures die voor het eind van de overgangsperiode werden ingeleid met betrekking tot:
|
|
6 |
Artikel 93 van het Terugtrekkingsakkoord, met het opschrift „Nieuwe procedures inzake staatssteun en nieuwe procedures van het Europees Bureau voor fraudebestrijding”, bepaalt: „1. Ten aanzien van voor het eind van de overgangsperiode verleende staatssteun is de Europese Commissie gedurende een periode van vier jaar na het eind van de overgangsperiode bevoegd ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk nieuwe administratieve procedures in te leiden inzake staatsteun die onder verordening (EU) 2015/1589 [van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB 2015, L 248 , blz. 9)] valt. De Europese Commissie blijft na het eind van de periode van vier jaar bevoegd voor procedures die voor het eind van die periode zijn ingeleid. Artikel 92, lid 5, van dit akkoord is van overeenkomstige toepassing. De Europese Commissie stelt het Verenigd Koninkrijk binnen 3 maanden nadat een nieuwe administratieve staatssteunprocedure is ingeleid krachtens de eerste alinea van dit lid, in kennis van deze procedure. 2. Onverminderd de artikelen 136 en 138 van dit akkoord is het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) gedurende een periode van vier jaar na het eind van de overgangsperiode bevoegd om nieuwe onderzoeken waarvoor verordening [(EU, Euratom)] nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad [van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB 2013, L 248, blz. 1)] geldt, te ondernemen met betrekking tot:
OLAF blijft na het eind van de periode van vier jaar bevoegd voor procedures die voor het eind van die periode zijn ingeleid. OLAF stelt het Verenigd Koninkrijk binnen 3 maanden nadat een nieuw onderzoek is ingeleid krachtens de eerste alinea van dit lid, in kennis van dit onderzoek.” |
|
7 |
Artikel 97 van het Terugtrekkingsakkoord, met het opschrift „Vertegenwoordiging in lopende procedures bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie”, bepaalt: „Wanneer voor het eind van de overgangsperiode een persoon die gemachtigd is om een natuurlijk persoon of rechtspersoon te vertegenwoordigen bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie overeenkomstig het recht van de Unie, een partij vertegenwoordigde in een procedure die bij dat bureau aanhangig werd gemaakt, kan die vertegenwoordiger die partij in die procedure blijven vertegenwoordigen. Dit geldt voor alle fasen van de procedure bij dat bureau. Wanneer een persoon een partij vertegenwoordigt bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie in de in de eerste alinea bedoelde procedure, wordt die vertegenwoordiger in elk opzicht behandeld als een professionele vertegenwoordiger die gemachtigd is een natuurlijke persoon of rechtspersoon bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie te vertegenwoordigen overeenkomstig het recht van de Unie.” |
Feiten en procedure
|
8 |
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 juli 2021, heeft verzoekster, Daimler AG, beroep ingesteld tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 7 mei 2021 (zaak R 734/2020‑1) inzake een oppositieprocedure tussen haar en Volkswagen AG. |
|
9 |
In haar verzoekschrift heeft verzoekster aangegeven dat zij werd vertegenwoordigd door D. Moore, „patent attorney litigator”, en door D. Ivison en K. Nezami, barristers. |
|
10 |
Op 19 juli 2021 heeft het Gerecht verzoekster verzocht om een verzuim in het verzoekschrift te herstellen, met name door legitimatiebewijzen over te leggen waaruit blijkt dat Ivison en Nezami tot de uitoefening van hun beroep zijn toegelaten bij een rechterlijke instantie van een lidstaat of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) overeenkomstig artikel 51, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering. |
|
11 |
Op 31 augustus 2021 heeft verzoekster twee bewijzen van inschrijving bij de balie overgelegd die waren afgegeven door de General Council of the Bar of England and Wales (algemene raad van de balie van Engeland en Wales, Verenigd Koninkrijk), volgens welke Ivison en Nezami de titel van „barrister” hadden en bevoegd waren om op te treden voor elke rechterlijke instantie in het kader van alle procedures. |
In rechte
|
12 |
Overeenkomstig artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer bij die instantie een beroep is ingesteld dat kennelijk niet-ontvankelijk is, te allen tijde, op voorstel van de rechter-rapporteur, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten. |
|
13 |
Daar het Gerecht zich in casu voldoende ingelicht acht door de stukken van het dossier, beslist het op grond van die bepaling uitspraak te doen zonder de behandeling voor te zetten. |
|
14 |
Overeenkomstig artikel 19, vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat krachtens artikel 53 van dat Statuut van toepassing is op de procedure bij het Gerecht, kan alleen een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de EER-Overeenkomst, een partij voor de rechterlijke instanties van de Unie vertegenwoordigen of bijstaan. |
|
15 |
Volgens vaste rechtspraak vloeit derhalve uit dat artikel voort dat moet zijn voldaan aan twee cumulatieve voorwaarden opdat een persoon andere partijen dan lidstaten en instellingen van de Unie rechtsgeldig kan vertegenwoordigen voor de rechterlijke instanties van de Unie. Ten eerste moet die persoon de hoedanigheid van advocaat hebben en ten tweede moet hij bevoegd zijn om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere partij bij de EER-Overeenkomst (zie in die zin beschikkingen van 11 mei 2017, Neonart svetlobni in reklamni napisi Krevh/EUIPO, C‑22/17 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:369, punten 6 en 7, en 12 juni 2019, Saga Furs/EUIPO, C‑805/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:488, punten 5 en 6). |
|
16 |
Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat een „patent attorney litigator”, zoals Moore, geen advocaat in de zin van artikel 19 van het Statuut van het Hof van Justitie is en dus niet bevoegd is om een partij voor het Gerecht te vertegenwoordigen [beschikking van 20 oktober 2008, Imperial Chemical Industries/BHIM (FACTORY FINISH), T‑487/07, niet gepubliceerd, EU:T:2008:453, punt 22]. |
|
17 |
Voorts staat vast dat verzoekster heeft aangetoond dat Ivison en Nezami bevoegd waren om op te treden voor de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk. Zij heeft evenwel niet aangetoond dat deze personen tevens bevoegd waren om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de EER-Overeenkomst. |
|
18 |
Sinds de inwerkingtreding van het Terugtrekkingsakkoord zijn de verschillende gevallen waarin een advocaat die bevoegd is om op te treden voor de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk een partij kan vertegenwoordigen of bijstaan voor de rechterlijke instanties van de Unie, vermeld in artikel 91, leden 1 en 2, van dit akkoord. |
|
19 |
In casu dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat het verzoekschrift werd ingediend op 12 juli 2021 en dus na het einde van de overgangsperiode. Het beroep valt derhalve niet onder de situaties als bedoeld in artikel 91, lid 1, van het Terugtrekkingsakkoord, dat ziet op procedures die bij de rechterlijke instanties van de Unie aanhangig waren voor het einde van de overgangsperiode. |
|
20 |
In de tweede plaats werd het onderhavige beroep ingesteld krachtens artikel 72 van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1). Bijgevolg valt het niet onder een van de situaties als bedoeld in artikel 87 van het Terugtrekkingsakkoord, waarnaar wordt verwezen door artikel 91, lid 2, van dit akkoord en dat specifiek ziet op niet-nakomingsprocedures die de Europese Commissie tegen het Verenigd Koninkrijk instelt op grond van artikel 108, lid 2, VWEU en artikel 258 VWEU. |
|
21 |
In de derde plaats werd de bestreden beslissing vastgesteld op 7 mei 2021 en dus na het einde van de overgangsperiode. Bijgevolg valt het beroep niet onder de situatie als bedoeld in artikel 95, lid 1, eerste zinsdeel, van het Terugtrekkingsakkoord, waarnaar indirect wordt verwezen door artikel 91, lid 2, van dit akkoord en dat ziet op besluiten die voor het einde van die periode zijn vastgesteld door instellingen, organen en instanties van de Unie. |
|
22 |
In de vierde plaats valt het onderhavige beroep, dat strekt tot vernietiging van een beslissing van de kamer van beroep van het EUIPO, niet onder de situaties als bedoeld in artikel 92, lid 1, van het Terugtrekkingsakkoord, waarnaar wordt verwezen door artikel 91, lid 2, van dit akkoord en dat ziet op administratieve procedures met betrekking tot, ten eerste, de naleving van het Unierecht door het Verenigd Koninkrijk of door natuurlijke personen of rechtspersonen die in het Verenigd Koninkrijk verblijven of gevestigd zijn en, ten tweede, de naleving van het Unierecht in verband met mededinging in het Verenigd Koninkrijk. Evenmin valt dit beroep onder de situaties als bedoeld in artikel 93 van dit akkoord, waarnaar eveneens wordt verwezen door artikel 91, lid 2, ervan en dat ziet op procedures inzake staatssteun en procedures van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF). |
|
23 |
In de vijfde plaats, ten slotte, valt het beroep niet onder artikel 97 van het Terugtrekkingsakkoord, waarnaar verzoekster verwijst in het verzoekschrift, daar deze bepaling louter betrekking heeft op vertegenwoordiging in lopende procedures bij het EUIPO, en niet bij het Gerecht. |
|
24 |
Uit het voorgaande volgt dat het onderhavige beroep niet valt onder een van de in het Terugtrekkingsakkoord vermelde gevallen waarin een advocaat die bevoegd is om op te treden voor de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk maar die niet heeft aangetoond dat hij tevens bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de EER-Overeenkomst, een partij voor de rechterlijke instanties van de Unie kan vertegenwoordigen of bijstaan. |
|
25 |
Bijgevolg voldoet het verzoekschrift niet aan de in artikel 19, vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie gestelde voorwaarden, zodat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zonder dat daarvan kennis hoeft te worden gegeven aan het EUIPO en de andere partij in de procedure bij het EUIPO. |
Kosten
|
26 |
Aangezien de onderhavige beschikking is gegeven voordat het verzoekschrift ter kennis is gebracht van het EUIPO en van de andere partij in de procedure bij het EUIPO en voordat deze kosten hebben kunnen maken, hoeft enkel te worden beslist dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen overeenkomstig artikel 133 van het Reglement voor de procesvoering. |
|
HET GERECHT (Vijfde kamer) beschikt: |
|
|
|
Luxemburg, 7 december 2021. De griffier E. Coulon De president D. Spielmann |
( *1 ) Procestaal: Engels.