This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62020TO0634
Order of the General Court (Eighth Chamber) of 28 July 2021.#Unie van Professionele Transporteurs en Logistieke Ondernemers (UPTR) v European Parliament and Council of the European Union.#Action for annulment – Road transport – Regulation (EU) 2020/1055 – International road haulage market – Cabotage – Trade association – Legal standing – Lack of individual concern – Inadmissibility.#Case T-634/20.
Beschikking van het Gerecht (Achtste kamer) van 28 juli 2021.
Unie van Professionele Transporteurs en Logistieke Ondernemers (UPTR) tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie.
Beroep tot nietigverklaring – Wegvervoer – Verordening (EU) 2020/1055 – Markt voor internationaal goederenvervoer over de weg – Cabotage – Beroepsvereniging – Procesbevoegdheid – Niet individueel geraakt – Niet-ontvankelijkheid.
Zaak T-634/20.
Beschikking van het Gerecht (Achtste kamer) van 28 juli 2021.
Unie van Professionele Transporteurs en Logistieke Ondernemers (UPTR) tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie.
Beroep tot nietigverklaring – Wegvervoer – Verordening (EU) 2020/1055 – Markt voor internationaal goederenvervoer over de weg – Cabotage – Beroepsvereniging – Procesbevoegdheid – Niet individueel geraakt – Niet-ontvankelijkheid.
Zaak T-634/20.
ECLI identifier: ECLI:EU:T:2021:500
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
28 juli 2021 (*)
„Beroep tot nietigverklaring – Wegvervoer – Verordening (EU) 2020/1055 – Markt voor internationaal goederenvervoer over de weg – Cabotage – Beroepsvereniging – Procesbevoegdheid – Niet individueel geraakt – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑634/20,
Unie van Professionele Transporteurs en Logistieke Ondernemers (UPTR), gevestigd te Herstal (België), vertegenwoordigd door F. Vanden Bogaerde, advocaat,
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door R. van de Westelaken en A. Tamás als gemachtigden,
en
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Norberg, L. Vetillard en S. Emmerechts als gemachtigden,
verweerders,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van artikel 2, punt 4, van verordening (EU) 2020/1055 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 houdende wijziging van verordeningen (EG) nr. 1071/2009, (EG) nr. 1072/2009 en (EU) nr. 1024/2012 teneinde ze aan te passen aan ontwikkelingen in de wegvervoersector (PB 2020, L 249, blz. 17),
geeft
HET GERECHT (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: J. Svenningsen, president, T. Pynnä en J. Laitenberger (rapporteur), rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
Voorgeschiedenis van het geding
1 Verzoekster, de Unie van Professionele Transporteurs en Logistieke Ondernemers (UPTR), is een in België gevestigde beroepsvereniging met als leden uitsluitend professionele vervoerders en verleners van logistieke diensten, met name ondernemingen die internationaal goederenvervoer over de weg verrichten voor rekening van derden.
2 Op 15 juli 2020 hebben het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie verordening (EU) 2020/1055 houdende wijziging van verordeningen (EG) nr. 1071/2009, (EG) nr. 1072/2009 en (EU) nr. 1024/2012 teneinde ze aan te passen aan ontwikkelingen in de wegvervoersector (PB 2020, L 249, blz. 17) vastgesteld.
3 Verzoekster verzoekt om nietigverklaring van artikel 2, punt 4, van verordening 2020/1055 (hierna: „bestreden bepaling”). Deze bepaling wijzigt artikel 8 van verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (PB 2009, L 300, blz. 72), over cabotagevervoer, en luidt als volgt:
„Artikel 8 [van verordening nr. 1072/2009] wordt als volgt gewijzigd:
a) het volgende lid wordt ingevoegd:
‚2 bis. Vervoerders mogen binnen vier dagen na het einde van een cabotage in een lidstaat, met hetzelfde voertuig of, in het geval van een samenstel van voertuigen, met de trekker van datzelfde voertuig, geen cabotage uitvoeren in diezelfde lidstaat.’;
b) de eerste alinea van lid 3 wordt vervangen door:
‚3. Nationale wegvervoersdiensten die in de lidstaat van ontvangst worden verricht door een niet-ingezeten vervoerder, worden alleen geacht aan deze verordening te voldoen als de vervoerder duidelijke bewijzen van het voorafgaande internationale vervoer en van elke daaropvolgende cabotageactiviteit kan leveren. Ingeval het voertuig zich in de laatste vier dagen vóór het internationale vervoer op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst heeft bevonden, levert de vervoerder tevens duidelijke bewijzen van alle activiteiten die in die periode zijn verricht.’;
c) het volgende lid wordt ingevoegd:
‚4 bis. De in lid 3 bedoelde bewijzen worden op verzoek voorgelegd aan of verzonden naar de gemachtigde inspecteur van de lidstaat van ontvangst, binnen de duur van de wegcontrole. Zij kunnen in elektronische vorm worden voorgelegd of verzonden, gebruikmakend van een wijzigbaar gestructureerd formaat dat rechtstreeks gebruikt kan worden voor opslag en verwerking door computers, zoals een elektronische vrachtbrief (e-CMR) in het kader van het Aanvullend Protocol van Genève bij het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) betreffende de elektronische vrachtbrief van 20 februari 2008. Tijdens de wegcontrole mag de bestuurder contact opnemen met het hoofdkantoor, de vervoersmanager of een andere persoon of entiteit opdat deze voor het einde van de wegcontrole de in lid 3 bedoelde bewijzen kan verstrekken.’;
[...]”
Procedure en conclusies van partijen
4 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 oktober 2020, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
5 Zij verzoekt het Gerecht:
– het beroep ontvankelijk te verklaren;
– de bestreden bepaling nietig te verklaren;
– de beslissing over de kosten aan te houden.
6 Bij op 4 januari 2021 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft het Parlement overeenkomstig artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en het Gerecht verzocht:
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
– subsidiair, mocht het Gerecht het verzoek om uitspraak te doen over de niet-ontvankelijkheid afwijzen of dit verzoek met de afdoening van de zaak ten gronde voegen, overeenkomstig artikel 130, lid 8, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht nieuwe termijnen vast te stellen waarbinnen het Parlement en de Raad opmerkingen ten gronde kunnen indienen;
– verzoekster hoe dan ook te verwijzen in de kosten.
7 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 januari 2021, heeft de Raad volgens artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en het Gerecht verzocht:
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
– verzoekster te verwijzen in de kosten van het geding.
8 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 3 maart 2021, heeft verzoekster haar opmerkingen over die excepties van niet-ontvankelijkheid ingediend en het Gerecht opnieuw verzocht:
– het beroep ontvankelijk te verklaren;
– de bestreden bepaling nietig te verklaren;
– de beslissing over de kosten aan te houden.
In rechte
9 Volgens artikel 130, leden 1 en 7, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht op verzoek van de verwerende partij uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid of de onbevoegdheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan.
10 In casu hebben het Parlement en de Raad verzocht om uitspraak te doen over de niet-ontvankelijkheid. Aangezien het Gerecht zich voldoende voorgelicht acht door de stukken van het procesdossier, beslist het om over deze verzoeken uitspraak te doen zonder de procedure voort te zetten.
11 Ter ondersteuning van hun excepties van niet-ontvankelijkheid voeren het Parlement en de Raad aan dat het beroep niet voldoet aan de door de rechtspraak gestelde vereisten voor de ontvankelijkheid van een beroep dat wordt ingesteld door een vereniging die is opgericht om de collectieve belangen van haar leden te behartigen.
12 Het Parlement betoogt dat de bestreden bepaling de leden van verzoekster niet individueel raakt en dat zij dus geen beroep op grond van artikel 263 VWEU kunnen instellen tegen deze bepaling. Bijgevolg kan verzoekster geen beroep instellen in hun plaats. Verzoekster heeft bovendien niet de procesbevoegdheid die het Unierecht vereist om het onderhavige beroep te kunnen instellen.
13 Volgens de Raad worden de leden van verzoekster – of sommige van hen – rechtstreeks noch individueel geraakt door de bestreden bepaling. Verordening 2020/1055 kent overigens niet uitdrukkelijk procedurele bevoegdheden toe aan beroepsverenigingen zoals verzoekster. Ten slotte heeft verzoekster niet aangetoond een eigen procesbelang te hebben.
14 Verzoekster betoogt om te beginnen dat zij een belang heeft bij het instellen van het onderhavige beroep, namelijk de intrekking verkrijgen van de aanvullende beperkingen op cabotagevervoer die de bestreden bepaling invoert, aangezien haar leden rechtstreeks onderworpen zijn aan verordening 2020/1055.
15 Bovendien kan verzoekster volgens haar statuten in rechte optreden bij het Hof van Justitie van de Europese Unie om de belangen van haar leden te verdedigen, die zelf beroep tot nietigverklaring van de bestreden bepaling kunnen instellen. Als beroepsvereniging naar Belgisch recht heeft zij trouwens wettelijk gezien de mogelijkheid om als verzoekende partij in rechte op te treden om de rechten van haar leden te verdedigen.
16 Voorts stelt verzoekster dat haar leden rechtstreeks en individueel worden geraakt.
17 Tot slot mag het begrip „individueel geraakt” volgens haar niet restrictief worden opgevat, teneinde natuurlijke en rechtspersonen effectieve rechterlijke bescherming te verzekeren.
18 Artikel 263, vierde alinea, VWEU luidt dat „[i]edere natuurlijke of rechtspersoon [...] onder de in de eerste en tweede alinea vastgestelde voorwaarden beroep [kan] instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen”.
19 De eerste hypothese is in casu niet van toepassing, aangezien verordening 2020/1055 niet tot verzoekster is gericht in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
20 Onder het begrip „regelgevingshandeling” in de derde hypothese van artikel 263, vierde alinea, VWEU moet elke handeling van algemene strekking met uitzondering van wetgevingshandelingen worden verstaan. Ten aanzien van die laatste handelingen hebben de opstellers van het Verdrag van Lissabon wat betreft de mogelijkheid voor particulieren om de nietigverklaring ervan te vorderen, immers een restrictieve benadering willen handhaven, die inhoudt dat zij moeten aantonen dat die wetgevingshandelingen hen „rechtstreeks en individueel” raken (zie in die zin arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punten 59 en 60).
21 In dat verband bestaat het criterium voor het onderscheid tussen een wetgevingshandeling en een regelgevingshandeling er volgens het VWEU in of de handeling in het kader van een wetgevingsprocedure dan wel een andere procedure is vastgesteld (zie beschikking van 7 januari 2015, Freitas/Parlement en Raad, T‑185/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:14, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22 In casu blijkt uit de preambule van verordening 2020/1055 – de verordening waarin de bestreden bepaling is opgenomen – dat deze verordening is vastgesteld krachtens artikel 91, lid 1, VWEU volgens de gewone wetgevingsprocedure, zoals die wordt omschreven in artikel 294 VWEU.
23 Blijkens artikel 289, leden 1 en 3, VWEU zijn rechtshandelingen die volgens deze procedure worden vastgesteld wetgevingshandelingen. Verordening 2020/1055 is dus een wetgevingshandeling in de zin van het VWEU.
24 Hieruit volgt dat verzoekster evenmin recht op het instellen van beroep heeft krachtens de derde hypothese van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
25 Vervolgens zij eraan herinnerd dat de ontvankelijkheid van beroepen tot nietigverklaring die door verenigingen worden ingesteld, kan worden aanvaard in drie verschillende situaties: in de eerste plaats wanneer een wettelijke bepaling uitdrukkelijk een aantal procedurele bevoegdheden aan beroepsverenigingen toekent, in de tweede plaats wanneer de vereniging de belangen vertegenwoordigt van haar leden en die leden zelf bevoegd zouden zijn beroep in te stellen, en in de derde plaats wanneer de vereniging wordt geïndividualiseerd wegens een aantasting van haar eigen belangen als vereniging, met name doordat haar positie als onderhandelingspartner door de voor nietigverklaring voorgedragen handeling is aangetast (arrest van 15 september 2016, TAO-AFI en SFIE-PE/Parlement en Raad, T‑456/14, EU:T:2016:493, punt 55).
26 In casu stelt verzoekster niet dat zij individueel geraakt wordt doordat haar eigen belangen als vereniging worden geraakt. Zij betoogt dat haar beroep ontvankelijk is omdat zij de belangen van haar leden verdedigt, die volgens haar zelf procesbevoegdheid bezitten, en omdat zij wettelijk de mogelijkheid heeft om in rechte op te treden teneinde de rechten van haar leden te verdedigen.
Bestaan van een wettelijke bepaling die verzoekster uitdrukkelijk een reeks procedurele bevoegdheden toekent
27 Er zij aan herinnerd dat het Gerecht reeds heeft aangegeven dat een vereniging zich niet kan beroepen op de haar krachtens het nationale recht toekomende specifieke taken en functies ter rechtvaardiging van een wijziging van het bij artikel 263 VWEU ingerichte stelsel van beroepsmogelijkheden dat ertoe strekt de toetsing van de wettigheid van de handelingen van de instellingen op te dragen aan de Unierechter, omdat de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring anders afhankelijk zou worden gemaakt van een autonoom besluit van de nationale autoriteiten dat is ingegeven door het belang van de betrokken lidstaat en niet door het openbaar belang van de Unie (zie beschikkingen van 23 november 1999, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, T‑173/98, EU:T:1999:296, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 28 juni 2005, FederDoc e.a./Commissie, T‑170/04, EU:T:2005:257, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 In casu moet worden vastgesteld dat verzoekster niet aanvoert dat een wettelijke bepaling van Unierecht haar uitdrukkelijk procedurele bevoegdheden toekent. Zij beroept zich louter op haar statuten en op het feit dat zij als vereniging naar Belgisch recht de mogelijkheid heeft om als verzoekende partij in rechte op te treden teneinde de rechten van haar leden te verdedigen.
29 Het enkele feit dat een vereniging in haar statuten de opdracht krijgt om de algemene belangen van haar leden te verdedigen en hen te vertegenwoordigen bij de instanties van de Unie volstaat in dat verband evenwel niet (zie in die zin arrest van 30 april 2019, UPF/Commissie, T‑747/17, EU:T:2019:271, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Bijgevolg slaagt verzoekster, gelet op de in punt 25 hierboven aangehaalde rechtspraak, er niet in het bewijs te leveren dat een wettelijke Unierechtelijke bepaling haar uitdrukkelijk een aantal procedurele bevoegdheden toekent waardoor zij in eigen naam een beroep tot nietigverklaring bij het Gerecht kan instellen. Het onderhavige beroep kan dan ook alleen ontvankelijk worden verklaard indien wordt aangetoond dat de leden van verzoekster – of een aantal van hen – individueel procesbevoegdheid hebben.
Individuele procesbevoegdheid van de leden van verzoekster
31 Gelet op het feit dat de eerste en de derde hypothese van artikel 263 VWEU in casu niet van toepassing zijn, zoals in de punten 19 tot en met 24 hierboven is vastgesteld, kan het onderhavige beroep enkel ontvankelijk zijn indien de bestreden bepaling de leden van verzoekster rechtstreeks en individueel raakt in de zin van de tweede hypothese van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
32 Verzoekster betoogt dat haar leden en hun rechtssituatie worden geraakt wegens een materiële situatie die hen onderscheidt van andere vervoerondernemingen uit de Unie, waardoor de bestreden bepaling hen rechtstreeks en individueel raakt. Deze leden, die in België zijn gevestigd, worden volgens haar méér geraakt door de op cabotageactiviteiten gestelde beperkingen dan ondernemingen voor beroepsvervoer en logistiek die in andere lidstaten zijn gevestigd. Sinds bij verordening nr. 1072/2009 beperkingen zijn ingevoerd op cabotagevervoer, is het aandeel cabotageactiviteiten dat binnen de Unie door Belgische vervoerders wordt verricht, teruggevallen van 16 % naar 4 % in 2015 en verder naar 2,3 % in 2017.
33 Verzoekster betoogt dat België geografisch gezien een kleine lidstaat is die „geblokkeerd” zit tussen twee grote lidstaten, Frankrijk en Duitsland. De Belgische vervoersmarkt en de vervoersactiviteiten van de leden van verzoekster zijn zeer nauw verbonden met de Franse en de Duitse vervoersmarkt. Door deze vervlechting met andere markten en gezien de kleine oppervlakte van het Belgisch nationaal grondgebied worden de leden van verzoekster op bijzondere en abnormale wijze getroffen door de nieuwe beperkingen op cabotageactiviteiten.
34 Het Parlement betoogt dat de leden van verzoekster niet individueel geraakt worden. De bestreden bepaling individualiseert geenszins de personen waarop de nieuwe leden 2 bis, 3, 4 bis en 5 van artikel 8 van verordening nr. 1072/2009 betrekking hebben, die gelden voor alle vervoerders die cabotagevervoer verrichten of willen verrichten zonder onderscheid tussen de vervoerders naargelang bijvoorbeeld hun lidstaat van vestiging. Het gaat om een open categorie van mogelijk geraakte personen, aangezien iedereen op elk moment onder de wettelijke voorwaarden cabotagevervoer kan beginnen te verrichten.
35 Volgens het Parlement volstaat de vaststelling dat een handeling van algemene strekking bepaalde marktdeelnemers economisch harder treft dan andere niet om hen te individualiseren ten opzichte van die andere marktdeelnemers, aangezien de toepassing van deze handeling geschiedt op grond van een objectief bepaalde situatie. Voorts heeft het Parlement ernstige twijfels bij de stelling van verzoekster dat haar leden harder worden getroffen dan vervoerders uit andere lidstaten. Uit het verzoekschrift blijkt immers dat het aandeel cabotageactiviteiten dat in de Unie door Belgische vervoerders wordt verricht, in 2017 slechts 2,3 % bedroeg. Het zijn dus maar kleine spelers op deze markt.
36 De Raad betoogt dat verordening 2020/1055 van toepassing is op situaties en marktdeelnemers die objectief worden bepaald door artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1072/2009 en door verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad (PB 2009, L 300, blz. 51). Meer bepaald wordt de situatie waarin de leden van verzoekster hun activiteiten uitoefenen, met name wanneer zij tijdelijk in een andere lidstaat dan België nationaal goederenvervoer over de weg verrichten, eveneens objectief bepaald, zonder dat rekening wordt gehouden met de individuele situatie of enige andere bijzondere omstandigheid van die leden. Bovendien is de bestreden bepaling in algemene bewoordingen geformuleerd en is zij zonder onderscheid van toepassing op alle in verordening 2020/1055 bedoelde vervoerders, te weten eenieder die krachtens verordening nr. 1071/2009 het beroep van wegvervoerondernemer mag of zal mogen uitoefenen in België of een andere lidstaat. De leden van verzoekster kunnen dus niet beschouwd worden als behorend tot een bepaalde of bepaalbare groep personen die individueel geraakt worden door verordening 2020/1055.
37 Volgens de Raad is de geografische situatie van de leden van verzoekster niet van dien aard dat zij individueel kunnen worden onderscheiden van andere markdeelnemers op dezelfde markt, van andere vervoerders die in België gevestigd zijn of van andere vervoerders die gevestigd zijn in landen waar de nationale vervoersmarkt ook samenhangt met de nationale vervoersmarkten van de buurlanden.
38 Tot slot wijst de Raad erop dat de door verzoekster aangevoerde vermindering – in 2015 en in 2017 – van het door Belgische vervoerders verrichte cabotagevervoer ten gevolge van de wijziging van verordening nr. 1072/2009, niet kan worden toegeschreven aan de vaststelling van verordening 2020/1055. De Belgische vervoerders hebben overigens slechts een beperkt marktaandeel, zodat kan worden betwijfeld of zij economisch wel zwaarder worden getroffen dan andere vervoerders. Hoe dan ook kan uit deze argumenten niet worden afgeleid dat de leden van verzoekster tot een beperkte kring van marktdeelnemers behoren.
39 In dit verband brengt het Gerecht om te beginnen in herinnering dat het niet uitgesloten is dat een bepaling die qua aard en draagwijdte een normatief karakter heeft doordat zij van toepassing is op alle betrokken marktdeelnemers, niettemin bepaalde marktdeelnemers individueel kan raken (zie in die zin arrest van 18 mei 1994, Codorniu/Raad, C‑309/89, EU:C:1994:197, punt 19).
40 Een natuurlijke of rechtspersoon kan evenwel slechts stellen dat hij individueel geraakt wordt indien de bestreden bepaling hem betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat (arresten van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, EU:C:1963:17, blz. 232, en 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 72).
41 In dit verband zij eraan herinnerd dat de omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie een Uniemaatregel op een bepaald moment van toepassing is, min of meer nauwkeurig kan worden bepaald, niet impliceert dat deze subjecten moeten worden geacht individueel door deze maatregel te worden geraakt, wanneer vaststaat dat deze toepassing geschiedt op grond van een door de betrokken handeling omschreven objectieve feitelijke of rechtssituatie (zie arrest van 28 april 2015, T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie, C‑456/13 P, EU:C:2015:284, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Evenzo volstaat het niet dat sommige marktdeelnemers economisch meer door een handeling van algemene strekking worden geraakt dan andere om hen ten opzichte van die andere marktdeelnemers te individualiseren, wanneer de toepassing van die handeling geschiedt op grond van een objectief bepaalde situatie (arresten van 2 maart 2010, Arcelor/Parlement en Raad, T‑16/04, EU:T:2010:54, punt 106, en 16 december 2011, Enviro Tech Europe en Enviro Tech International/Commissie, T‑291/04, EU:T:2011:760, punt 110).
42 In de onderhavige zaak moet worden vastgesteld dat de bestreden bepaling van toepassing is op objectief bepaalde situaties.
43 Artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1072/2009 bepaalt immers dat elke vervoerder voor rekening van derden cabotagevervoer mag verrichten onder de in hoofdstuk III van deze verordening vastgestelde voorwaarden, mits die vervoerder houder is van een Unievergunning en mits de bestuurder, indien deze onderdaan is van een derde land, houder is van een bestuurdersattest. De bestreden bepaling voorziet in dergelijke voorwaarden en is dus van toepassing op elke in artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1072/2009 bedoelde vervoerder die goederenvervoer over de weg verricht. De bepalingen van verordening nr. 1071/2009 betreffende de Unievergunning en de bestreden bepaling zijn tevens objectief en in algemene bewoordingen verwoord.
44 Voorts heeft het betoog van verzoekster dat haar leden bijzonder en abnormaal worden getroffen door de bestreden bepaling en dit hoe dan ook méér dan vervoerondernemingen uit andere lidstaten, gezien met name hun geografische situatie en de nauwe verbondenheid tussen de Belgische vervoersmarkt en de Duitse en de Franse vervoersmarkt, enkel betrekking op elementen met een eventuele en beweerdelijk bijzondere economische impact. Uit dit betoog kan niet worden afgeleid dat de leden van verzoekster worden gekarakteriseerd ten opzichte van elke andere vervoerder: haar leden bevinden zich in een objectief bepaalde situatie, vergelijkbaar met die van eenieder die op heden of in de toekomst zou kunnen worden toegelaten tot het beroep van wegvervoerder in België of in een andere lidstaat.
45 Bovendien volstaan deze elementen niet als bewijs dat de leden van verzoekster behoren tot een gesloten kring van marktdeelnemers die op het tijdstip waarop verordening 2020/1055 is vastgesteld, waren geïdentificeerd of konden worden geïdentificeerd (zie in die zin arrest van 27 februari 2014, Stichting Woonlinie e.a./Commissie, C‑133/12 P, EU:C:2014:105, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Verzoeksters argument dat het percentage van de door Belgische vervoerders binnen de Unie in 2015 en 2017 verrichte cabotageactiviteiten is gedaald na de vaststelling van verordening nr. 1072/2009 toont overigens geenszins aan dat de Belgische sector economisch bijzonder getroffen wordt door de bestreden bepaling, die pas is vastgesteld in 2020.
47 Tot slot levert verzoekster niet het bewijs dat de bestreden bepaling haar leden individualiseert ten opzichte van andere vervoerondernemingen die in een vergelijkbare situatie verkeren, zoals vervoerondernemingen die op dezelfde markt werkzaam zijn, vervoerondernemingen die in België zijn gevestigd of vervoerondernemingen die zijn gevestigd in een land met een geografische situatie die vergelijkbaar is met die van België of in landen waar de nationale vervoersmarkt óók nauw samenhangt met de nationale vervoersmarkten van de buurlanden.
48 Gelet op deze overwegingen moet worden geoordeeld dat de leden van verzoekster niet individueel geraakt worden door de bestreden bepaling.
49 Aangezien de criteria van rechtstreekse en individuele geraaktheid cumulatieve criteria voor ontvankelijkheid zijn wanneer deze wordt onderzocht op basis van de tweede hypothese van artikel 263, vierde alinea, VWEU, is het overbodig te onderzoeken of de leden van verzoekster rechtstreeks worden geraakt door de bestreden bepaling.
50 Bijgevolg kan verzoekster zich als beroepsvereniging niet erop beroepen dat haar leden procesbevoegdheid zouden hebben.
Effectieve rechterlijke bescherming
51 Verzoekster stelt daarnaast ook dat het begrip „individuele geraaktheid” niet restrictief mag worden opgevat, teneinde natuurlijke of rechtspersonen effectieve rechterlijke bescherming te kunnen verzekeren. Aldus kunnen haar leden worden geacht individueel te worden geraakt door de bestreden bepaling wanneer deze hen zeker en actueel raakt, door hun rechten te beperken of aan hen verplichtingen op te leggen. Het aantal marktdeelnemers waarop deze bepaling betrekking heeft, is daarbij niet van belang.
52 Volgens verzoekster mag artikel 263 VWEU niet worden uitgelegd op een wijze die afbreuk doet aan het beginsel dat particulieren en rechtspersonen recht hebben op effectieve en doeltreffende rechterlijke bescherming. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) waarborgt het recht op effectieve en doeltreffende rechterlijke bescherming en geldt ook voor procedures bij het Gerecht. Volgens verzoekster heeft het Hof in zijn arrest van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad (C‑50/00 P, EU:C:2002:462), weliswaar gekozen voor een restrictieve uitlegging van de toegang tot de rechter, maar zijn de Verdragen ondertussen gewijzigd. Zo is het Handvest bindend geworden en zijn de Verdragen gewijzigd voor regelgevingshandelingen, maar niet voor wetgevingshandelingen, hoewel dat ook voor laatstgenoemde handelingen zou moeten gebeuren om een effectieve en doeltreffende rechterlijke bescherming te kunnen verzekeren.
53 Verzoekster stelt dat indien artikel 263, vierde alinea, VWEU restrictief zou worden uitgelegd en indien haar leden zich zouden voegen naar de nieuwe cabotageregels, zij noch in een nationale rechtsorde noch in de Unierechtsorde enige mogelijkheid zouden hebben om op te komen tegen de aantasting van hun recht om cabotagevervoer te verrichten. Verordening 2020/1055 vergt geen omzettings‑ of uitvoeringsmaatregelen in de nationale rechtsorde. Het is dan ook niet mogelijk om bij een nationale rechter een procedure in te stellen om een dergelijke uitvoerings‑ of omzettingshandeling ongeldig te laten verklaren. Teneinde te kunnen opkomen tegen de aanvullende beperking die de bestreden bepaling invoert op het subjectieve recht om transitvervoer door de Unie te kunnen verrichten, zou een lid van verzoekster deze bepaling moeten schenden en dus de in artikel 16 van verordening nr. 1072/2009 genoemde sancties moeten riskeren, om vervolgens in de loop van deze nationale procedure de nietigheid van de bestreden bepaling te kunnen opwerpen.
54 Zich eerst in een illegale situatie moeten plaatsen om recht te kunnen hebben op een doeltreffende voorziening in rechte, strookt niet met de effectieve rechterlijke bescherming van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, en evenmin met artikel 47 van het Handvest.
55 Tot slot stelt verzoekster dat een procedure bij een nationale rechterlijke instantie geen effectieve rechterlijke bescherming biedt zoals artikel 47 van het Handvest vereist: ten eerste is een nationale rechter niet altijd gehouden om het Hof een prejudiciële vraag voor te leggen; ten tweede kan de nationale rechter, zelfs al is hij van mening dat er twijfel bestaat over de geldigheid van een Unieregeling, het Hof slechts om uitlegging verzoeken en de Uniemaatregel niet ongeldig verklaren, en ten derde kan een nationale rechter zich vergissen wanneer hij vooraf de geldigheid van een Uniemaatregel beoordeelt en weigeren daarover een prejudiciële vraag te stellen.
56 Het Parlement betoogt dat de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU volgens de rechtspraak moeten worden uitgelegd in het licht van het grondrecht op effectieve rechterlijke bescherming, doch niet in dier voege dat voorbij wordt gegaan aan de uitdrukkelijk in dit Verdrag gestelde voorwaarden. Verzoekster heeft dus ongelijk wanneer zij stelt dat het beroep ontvankelijk moet zijn wegens het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, aangezien zij niet het recht heeft beroep in te stellen krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU.
57 De Raad wijst erop dat het door verzoekster ingeroepen arrest van 13 maart 2007, Unibet (C‑432/05, EU:C:2007:163), handelt over de verplichting van de lidstaten om in het nationale recht te voorzien in beroepsmogelijkheden die waarborgen dat particulieren niet onwettig hoeven te handelen om toegang te kunnen hebben tot een nationale rechter. Er bestaat geen overeenkomstige verplichting om de uitlegging van de bevoegdheid om in rechte op te treden voor het Gerecht uit te breiden. Volgens de rechtspraak van het Hof verlangt de bij artikel 47 van het Handvest geboden bescherming trouwens niet dat een justitiabele op onvoorwaardelijke wijze rechtstreeks bij de Unierechter beroep tot nietigverklaring tegen wetgevingshandelingen van de Unie moet kunnen instellen.
58 In dit verband blijkt uit vaste rechtspraak dat artikel 47 van het Handvest niet tot doel heeft het systeem van rechterlijke toetsing van de Verdragen, en met name de ontvankelijkheidsregels voor rechtstreekse beroepen bij de Unierechter, te wijzigen, zoals ook volgt uit de toelichting bij artikel 47, die overeenkomstig artikel 6, lid 1, derde alinea, VEU en artikel 52, lid 7, van het Handvest in aanmerking moet worden genomen voor de uitlegging daarvan (arresten van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 97, en 28 april 2015, T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie, C‑456/13 P, EU:C:2015:284, punt 43).
59 Aldus moeten alle in artikel 263, vierde alinea, VWEU neergelegde ontvankelijkheidsvoorwaarden wel tegen de achtergrond van het grondrecht op effectieve rechterlijke bescherming worden onderzocht, maar zonder dat die uitdrukkelijk door het VWEU gestelde voorwaarden onwerkzaam worden gemaakt (zie in die zin arresten van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 98 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 28 april 2015, T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie, C‑456/13 P, EU:C:2015:284, punt 44).
60 Bij de opeenvolgende wijzigingen van de Verdragen en meer in het bijzonder bij de opstelling van het huidige artikel 263 VWEU door de auteurs van het Verdrag van Lissabon, is er niets veranderd aan de inhoud van de voorwaarde van individuele geraaktheid door de handeling waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, zoals deze voorwaarde wordt uitgelegd in de vaste rechtspraak van het Hof sinds het arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17) (zie in die zin arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punten 70 en 71).
61 Verzoekster erkent in haar opmerkingen op de excepties van niet-ontvankelijkheid trouwens uitdrukkelijk dat artikel 263, vierde alinea, VWEU niet is gewijzigd wat wetgevingshandelingen betreft.
62 Bij gebreke van relevante of voldoende overtuigende gegevens, feitelijk of rechtens, is verzoekster er niet in geslaagd om aan te tonen dat voldaan is aan de specifieke voorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU, zoals die sinds het arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17), worden uitgelegd in vaste rechtspraak, en die zijn gehandhaafd na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon. Het feit dat deze voorwaarden niet zijn vervuld, kan dan ook niet worden verholpen door een beroep op het recht op effectieve rechtelijke bescherming zoals dat is neergelegd in artikel 47 van het Handvest.
63 Daarenboven zij eraan herinnerd dat volgens artikel 19, lid 1, VEU het rechterlijk toezicht op de eerbiediging van de rechtsorde van de Unie niet alleen door het Hof wordt verzekerd, maar ook door de rechters van de lidstaten. Het VWEU heeft via de artikelen 263 en 277 enerzijds en artikel 267 anderzijds immers een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven geroepen, waarbij het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de Unie is opgedragen aan de Unierechter (arresten van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punten 90 en 92, en 28 april 2015, T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie, C‑456/13 P, EU:C:2015:284, punt 45).
64 In dat opzicht moet worden gepreciseerd dat de justitiabelen in een nationale procedure in rechte kunnen opkomen tegen ieder besluit of enigerlei andere nationale handeling waarmee wat hen betreft een handeling van de Unie van algemene strekking wordt toegepast, door de ongeldigheid van deze handeling van de Unie op te werpen (zie arrest van 28 april 2015, T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie, C‑456/13 P, EU:C:2015:284, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 Ten aanzien van personen die niet aan de voorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU voldoen om een beroep bij de Unierechter in te stellen, moeten de lidstaten derhalve voorzien in een stelsel van beroepsmogelijkheden en procedures waarmee de eerbiediging van het grondrecht op effectieve rechterlijke bescherming wordt verzekerd (zie arresten van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 100 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 28 april 2015, T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie, C‑456/13 P, EU:C:2015:284, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66 Die verplichting van de lidstaten is opnieuw bevestigd in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, dat bepaalt dat „[d]e lidstaten [...] in de nodige rechtsmiddelen [voorzien] om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te verzekeren” (arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 101). Deze verplichting volgt eveneens uit artikel 47 van het Handvest wat betreft maatregelen van de lidstaten houdende tenuitvoerlegging van het Unierecht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest (arrest van 28 april 2015, T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie, C‑456/13 P, EU:C:2015:284, punt 50).
67 Bijgevolg moet het betoog van verzoekster dat de in het nationale recht bestaande beroepsmogelijkheden in wezen geen effectieve rechterlijke bescherming bieden, worden afgewezen.
68 Uit het voorgaande volgt dat de door het Parlement en de Raad opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid moeten worden aanvaard, zonder dat de argumenten hoeven te worden onderzocht die verzoekster heeft aangevoerd met betrekking tot haar vermeend procesbelang, en dat het beroep derhalve niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Kosten
69 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vorderingen van het Parlement en de Raad te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Achtste kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) De Unie van Professionele Transporteurs en Logistieke Ondernemers (UPTR) wordt verwezen in de kosten.
Luxemburg, 28 juli 2021.
|
De griffier |
De president |
|
E. Coulon |
J. Svenningsen |
* Procestaal: Nederlands.