Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62020TN0077

Zaak T-77/20: Beroep ingesteld op 10 februari 2020 — Ascenza Agro en Afrasa/Commissie

PB C 129 van 20.4.2020, pp. 4–6 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

20.4.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 129/4


Beroep ingesteld op 10 februari 2020 — Ascenza Agro en Afrasa/Commissie

(Zaak T-77/20)

(2020/C 129/05)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Ascenza Agro, SA (Setúbal, Portugal) en Afrasa, SA (Paterna-Valencia, Spanje) (vertegenwoordigers: K. Van Maldegem en P. Sellar, advocaten, en V. McElwee, Solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

Het beroep ontvankelijk en gegrond verklaren;

de bestreden handeling (1) nietig verklaren; en

verweerster verwijzen in de kosten van deze procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters negen middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van een wezenlijk vormvoorschrift, aangezien verweerster niet heeft voldaan aan alle dwingende vereisten van uitvoeringsverordening nr. 844/2012 (2) van de Commissie (artikelen 12 en 13), en de bestreden handeling heeft vastgesteld op grond van een onvolledige risicobeoordeling. De bestreden handeling is bijgevolg niet onderbouwd door de volledige, wettelijk vereiste wetenschappelijke grondslag.

2.

Tweede middel: schending van het transparantiebeginsel ten aanzien van eerste verzoekster, aangezien zij tijdens de verlengingsprocedure op geen enkel moment een aanwijzing kreeg dat er andere redenen van bezorgdheid waren dan die welke waren aangevoerd tijdens de periode van de openbare raadpleging of die welke werden vermeld in het op artikel 13, lid 3, gebaseerde verzoek van EFSA om nadere informatie.

3.

Derde middel: schending van een wezenlijk vormvoorschrift, aangezien de bestreden handeling is gebaseerd op twee verklaringen van EFSA, en dus niet op een standaard EFSA peer review-verslag, en eerste verzoekster niet in staat was wetenschappelijke commentaren te verstrekken die aan de bezorgdheid van verweerster tegemoet konden komen.

4.

Vierde middel: schending van het voorzorgsbeginsel. De bestreden handeling is gebaseerd op het voorzorgsbeginsel. Dat beginsel werd met betrekking tot de stof chloorpyrifos-methyl ten onrechte toegepast omdat eerste verzoekster een relevante set van gegevens heeft overgelegd die na beoordeling negatieve resultaten opleverde, waardoor niet was voldaan aan de vereisten van het voorzorgsbeginsel. Bovendien kan het voorzorgsbeginsel enkel worden toegepast nadat een risicobeoordeling is uitgevoerd en afgesloten. In de onderhavige zaak werd de risicobeoordeling echter niet volledig uitgevoerd, en vormde het voorzorgsbeginsel zelf de grondslag van de conclusie van de risicobeoordeling.

5.

Vijfde middel: kennelijk onjuiste beoordeling, aangezien verweerster een niet ter zake doende omstandigheid in aanmerking nam bij de vaststelling van de bestreden handeling. Deze laatste werd vastgesteld volgens de procedure van het regelgevende comité, waarbij een gekwalificeerde meerderheid was vereist binnen het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders (“SCFCAH”). Vanwege het dreigende vertrek van het VK uit de EU (“Brexit”), nam de vertegenwoordiger van het VK niet deel aan de vergadering van het SCFCAH op 6 december 2019, en gaf hij in plaats daarvan een volmacht aan Finland. De vertegenwoordiger van het VK nam niet deel omdat de regering van het VK eind augustus 2019 een nieuw beleid aankondigde met betrekking tot de aanwezigheid van dat land op bijeenkomsten van wetenschappelijke comités van de EU. Aangezien Finland — en bij uitbreiding verweerster — rekening hield met het door de Brexit gemotiveerde beleid, houdt dit in dat rekening werd gehouden met een niet ter zake doende omstandigheid bij de vaststelling van de bestreden handeling.

6.

Zesde middel: schending van het beginsel van behoorlijk bestuur. Verweerster en EFSA waren van mening dat chloorpyrifos-methyl gezondheidsproblemen kon veroorzaken, en daarom organiseerden zij een deskundigenbijeenkomst, waarna de als rapporteur aangewezen lidstaat werd gevraagd verder literatuuronderzoek te doen ter bevestiging van die bezorgdheden. Dat onderzoek leidde ertoe dat een beslissing werd genomen op grond van afwijkende studies en zonder eerste verzoekster de gelegenheid te geven om haar standpunt kenbaar te maken.

7.

Zevende middel: de conclusie inzake genotoxiciteit is vanuit juridisch oogpunt onhoudbaar. De conclusie van verweerster dat chloorpyrifos-methyl mogelijk genotoxisch is, was gebaseerd op een onwettige onjuiste toepassing van zowel de read-acrossbenadering als de op bewijskracht gebaseerde benadering.

8.

Achtste middel: de conclusie inzake ontwikkelingsneurotoxiciteit is vanuit juridisch oogpunt onhoudbaar. Verweerster was, op grond van een read-across van chloorpyrifos-ethyl en organofosfaatstoffen die deel uitmaken van chloorpyrifos-methyl, bezorgd over de ontwikkelingsneurotoxiciteit van chloorpyrifos-methyl, zonder te vermelden hoe en waarom die read-across vanuit wetenschappelijk en juridisch oogpunt passend was.

9.

Negende middel: schending van de voorschriften inzake de indeling als giftig voor de voortplantingstoxiciteit, categorie 1B. Verweerster maakte inbreuk op de voorschriften van verordening (EG) 1272/2008 (3) toen zij aangaf dat de indeling van chloorpyrifos-methyl als giftig voor de voortplanting, categorie 1B, gepast zou zijn. Dit standpunt was immers gebaseerd op een onwettige en niet-gemotiveerde toepassing van read-across.


(1)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/17 van de Commissie van 10 januari 2020 tot niet-verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof chloorpyrifos-methyl overeenkomstig verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (PB 2020, L 7, blz. 11).

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie van 18 september 2012 tot vaststelling van de nodige bepalingen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure voor werkzame stoffen, als bedoeld in verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB 2012, L 252, blz. 26).

(3)  Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB 2008, L 353, blz. 1).


Top