Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62014TO0585

Beschikking van het Gerecht (Derde kamer - uitgebreid) van 14 september 2015.
Republiek Slovenië tegen Europese Commissie.
Beroep tot nietigverklaring – Eigen middelen van de Unie – Financiële aansprakelijkheid van de lidstaten – Verplichting tot betaling aan de Commissie van het bedrag dat overeenkomt met een verlies aan eigen middelen – Brief van de Commissie – Niet voor beroep vatbare handeling – Niet-ontvankelijkheid.
Zaak T-585/14.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:T:2015:662

BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid)

14 september 2015 ( *1 )

„Beroep tot nietigverklaring — Eigen middelen van de Unie — Financiële aansprakelijkheid van de lidstaten — Verplichting tot betaling aan de Commissie van het bedrag dat overeenkomt met een verlies aan eigen middelen — Brief van de Commissie — Niet voor beroep vatbare handeling — Niet-ontvankelijkheid”

In zaak T‑585/14,

Republiek Slovenië, vertegenwoordigd door L. Bembič als gemachtigde,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Ondrůšek, M. Wasmeier en M. Žebre als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een verzoek tot nietigverklaring van het besluit van het directoraat-generaal Begroting van de Commissie dat zou zijn vervat in brief BUDG/B/03MV D(2014) 1782918 van 2 juni 2014, waarbij de Commissie vaststelde dat de Republiek Slovenië financieel aansprakelijk was voor een verlies aan traditionele eigen middelen voor de begroting van de Europese Unie naar aanleiding van de afgifte van een certificaat voor de invoer van suiker voor 2011 en deze lidstaat bovendien een met het verlies aan traditionele eigen middelen overeenstemmend bedrag ter beschikking van de Uniebegroting moest stellen,

geeft

HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, N. J. Forwood, I. Labucka, E. Bieliūnas (rapporteur) en V. Kreuschitz, rechters,

griffier: E. Coulon,

de navolgende

Beschikking

Voorgeschiedenis van het geding

1

Op 7 oktober 2011 heeft de vennootschap naar Sloveens recht Kandit d.o.o. het Agencija Republike Slovenije za kmetijske trge in razvoj podeželja (Sloveens agentschap voor de landbouwmarkten en de plattelandsontwikkeling; hierna: „agentschap”) verzocht om een invoercertificaat voor een hoeveelheid van 3000 ton suiker.

2

Op 10 oktober 2011 heeft het agentschap de Europese Commissie via de IT-toepassing „Agricultural Market Information Quota” (hierna: „AMIS-Quota”) een mededeling toegezonden krachtens artikel 9, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 891/2009 van de Commissie van 25 september 2009 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten in de sector suiker (PB L 254, blz. 82). Bij deze mededeling heeft het agentschap de Commissie gemeld dat de vennootschap Kandit had verzocht om een invoercertificaat voor een hoeveelheid van 3000 ton suiker van oorsprong uit Kroatië in het kader van tariefcontingent nr. 09.4328.

3

Het agentschap heeft op 24 oktober 2011 aan de vennootschap Kandit een uitvoercertificaat inzake suiker van oorsprong uit Kroatië betreffende tariefcontingent nr. 09.4328 afgegeven.

4

Op 2 november 2011 heeft het agentschap de Commissie overeenkomstig artikel 9, lid 2, onder i), van verordening nr. 891/2009 via de toepassing AMIS-Quota meegedeeld dat zij dat certificaat aan de vennootschap Kandit had afgegeven.

5

Op 7 november 2011 heeft de vennootschap Kandit op basis van het haar afgegeven certificaat voor het eerst geprobeerd suiker in Slovenië in te voeren. Daarbij stelde de Sloveense douane-administratie vast dat de betrokken suiker afkomstig was uit Servië zodat het door de vennootschap Kandit overgelegde invoercertificaat, dat Kroatië en tariefcontingent nr. 09.4328 betrof, niet het juiste land van herkomst, land van oorsprong en tariefcontingentnummer vermeldde. De Sloveense douane-administratie stond, na mededeling door het agentschap dat een administratieve fout was begaan, de invoer van 71 ton suiker toe.

6

Op diezelfde datum, dat wil zeggen vóór de afsluiting van de periode bedoeld in artikel 9, lid 2, onder i), van verordening nr. 891/2009 voor de mededeling aan de Commissie van de afgegeven certificaten, heeft het agentschap zijn mededeling aan de Commissie betreffende het daadwerkelijk afgegeven invoercertificaat via de toepassing AMIS-Quota gecorrigeerd en daarbij gepreciseerd dat dit certificaat was afgegeven voor de invoer van suiker uit Servië in het kader van tariefcontingent nr. 09.4326.

7

Het agentschap heeft de Commissie bij e-mail van dezelfde dag op deze correctie gewezen en de Commissie tevens meegedeeld dat zij de in punt 2 hierboven vermelde mededeling van 10 oktober 2011 moest corrigeren, maar dat de in artikel 9, lid 1, van verordening nr. 891/2009 bedoelde periode voor de mededeling van de invoercertificaataanvragen was afgesloten.

8

Nog steeds op 7 november 2011 hebben de diensten van de Commissie het agentschap gemeld dat de bij de mededeling van 10 oktober 2011 begane fout niet meer met terugwerkende kracht kon worden gecorrigeerd.

9

De Sloveense autoriteiten en de diensten van de Commissie hebben voorts brieven in 2012 en 2014 uitgewisseld.

10

De directeur van de directie „Eigen middelen en financiële programmering” van het directoraat-generaal Begroting van de Commissie (hierna: „directeur”) heeft bij brief van 2 juni 2014 (hierna: „bestreden brief”) herinnerd aan de begane administratieve vergissing. Hij wees erop dat voor de door middel van de certificaten ingevoerde, maar niet gerechtvaardigde hoeveelheden het contingent van verlaagde douanerechten niet gold en normale douanerechten moesten worden betaald.

11

De directeur heeft in de bestreden brief ook uitgelegd dat de Sloveense autoriteiten een ongeldig invoercertificaat voor contingent nr. 09.4326 (Servië) hadden afgegeven, waarover er geen overeenkomstige mededeling was geweest. Dienaangaande herinnerde hij eraan dat artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (PB L 238, blz. 13) duidelijk bepaalde dat geen invoercertificaten worden afgegeven voor hoeveelheden die niet aan de Commissie waren meegedeeld. Hij wees er ook op dat de Commissie de begane fouten niet kon corrigeren op grond dat enerzijds met de door de marktdeelnemers begane fouten geen rekening kon worden gehouden met het oog op eventuele correcties en anderzijds de betrokken fout na het einde van het proces van validatie van de mededelingen was meegedeeld.

12

De directeur leidde daaruit af dat een hoeveelheid tot 3000 ton suiker buiten het contingent kon zijn ingevoerd, indien het invoercertificaat volledig gebruikt was geweest. Hij voegde eraan toe dat het mogelijk ontstane maximumverlies aan traditionele eigen middelen 1257000 EUR bedroeg, aangezien het specifieke bedrag van de douanerechten voor invoer van suiker was vastgesteld op 419 EUR per ton netto. Hij verzocht de Sloveense autoriteiten het bedrag van het verlies aan traditionele eigen middelen, waarvoor de Sloveense autoriteiten financieel aansprakelijk waren en dat uit de begane fout had kunnen voortvloeien, ter beschikking van de Uniebegroting te stellen. Tot beperking van het bedrag van de vertragingsrente in de zin van artikel 11 van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1), zoals gewijzigd, raadde hij de Sloveense autoriteiten aan zo spoedig mogelijk te betalen. Hij wees erop dat alle boekhoudkundige gegevens aan de diensten van de Commissie moesten worden meegedeeld tot berekening van de vertragingsrente. Daartoe was een te vervolledigen tabel bij de bestreden brief gevoegd.

Procesverloop

13

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 augustus 2014, heeft de Republiek Slovenië het onderhavige beroep ingesteld.

14

De Republiek Slovenië verzocht in het verzoekschrift krachtens artikel 51, lid 1, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991 om beoordeling van de zaak door een kamer bestaande uit ten minste vijf rechters.

15

Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 13 november 2014, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.

16

De Republiek Slovenië diende op 6 februari 2015 haar opmerkingen over deze exceptie van niet-ontvankelijkheid in.

17

Bij akten, neergelegd op 28 november 2014 respectievelijk 13 maart 2015, hebben de Portugese Republiek en het Koninkrijk Spanje verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Republiek Slovenië overeenkomstig artikel 115 van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991.

18

Gelet op het in punt 14 hierboven vermelde verzoek en gelet op de tekst van artikel 51, lid 1, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, heeft het Gerecht de zaak op 17 juni 2015 verwezen naar de Derde kamer – uitgebreid.

Conclusies van partijen

19

De Republiek Slovenië concludeert in het verzoekschrift tot:

nietigverklaring van het besluit van het directoraat-generaal Begroting van de Commissie dat in de bestreden brief zou zijn vervat;

verwijzing van de Commissie in de kosten.

20

De Commissie concludeert in de exceptie van niet-ontvankelijkheid tot:

niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;

verwijzing van de Republiek Slovenië in de kosten.

21

De Republiek Slovenië concludeert in haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid tot:

verwerping van de door Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid;

subsidiair, voeging van de beslissing over de exceptie van niet-ontvankelijkheid met de beslissing ten gronde.

In rechte

22

Ingevolge artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht kan het Gerecht op verzoek van de verweerder uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid of de onbevoegdheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Het Gerecht acht zich in casu door het dossier voldoende voorgelicht om zonder verdere behandeling te beslissen.

23

Volgens de Commissie is het beroep niet-ontvankelijk op grond dat noch uit de inhoud van de bestreden brief, noch uit de context waarin hij is opgesteld of uit haar bevoegdheden blijkt dat deze brief een bindend besluit bevat of dwingende rechtsgevolgen heeft. Zij merkt ook op dat de bestreden brief een voorbereidende handeling is of een vorige brief bevestigt.

24

De Republiek Slovenië betwist de argumenten van de Commissie. In de eerste plaats stelt zij dat de Commissie, die een Unie-instelling is, de bestreden brief heeft opgesteld. In de tweede plaats wijst zij erop dat zij het bij deze brief gelaste heeft moeten uitvoeren. In de derde plaats stelt zij dat de bestreden brief dwingende gevolgen sorteert. De Commissie heeft in deze brief namelijk zonder rechtsgrondslag definitieve beoordelingen gemaakt, waarbij zij gelastte het bedrag van het in casu eventueel geleden verlies aan eigen middelen ter beschikking van de Uniebegroting te stellen. Voorts heeft de bestreden brief rechtsgevolgen voor derden. In de vierde plaats stelt de Republiek Slovenië dat de Commissie haar bevoegdheden heeft overschreden op grond dat zij een besluit zonder grondslag in het Unierecht heeft vastgesteld. In de vijfde plaats betwist zij dat de bestreden brief eventueel een voorbereidende of bevestigende handeling is.

25

Uit vaste rechtspraak betreffende door de lidstaten of de instellingen ingestelde beroepen tot nietigverklaring blijkt dat als voor beroep vatbare handelingen in de zin van artikel 263 VWEU worden aangemerkt alle door de instellingen vastgestelde maatregelen, ongeacht de vorm, die tot doel hebben dwingende rechtsgevolgen tot stand te brengen (zie arrest van 13 oktober 2011, Deutsche Post en Duitsland/Commissie, C‑463/10 P en C‑475/10 P, Jurispr., EU:C:2011:656, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26

Volgens de rechtspraak vallen niet alleen de voorbereidende handelingen buiten de rechterlijke toetsing in de zin van artikel 263 VWEU, maar ook elk handeling die geen dwingende rechtsgevolgen sorteert zoals bevestigende handelingen of handelingen van zuivere tenuitvoerlegging, gewone aanbevelingen en adviezen alsook in beginsel interne instructies [zie in die zin beschikking van 14 mei 2012, Sepracor Pharmaceuticals (Ireland)/Commissie, C‑477/11 P, EU:C:2012:292, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

27

Steeds volgens de rechtspraak moet worden gelet op de inhoud van de maatregel waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd, om te bepalen of hij vatbaar is voor beroep tot nietigverklaring, en is de vorm waarin die maatregel is genomen, hierbij in beginsel zonder belang (zie beschikking van 26 januari 2011, FIBE/Parlement, T‑550/10, EU:T:2011:19, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28

In casu dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat ingevolge artikel 2, lid 1, onder a), van besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 163, blz. 17) de op de algemene begroting van de Unie opgevoerde eigen middelen worden gevormd door de ontvangsten uit de heffingen, premies, extra bedragen of compenserende bedragen, aanvullende bedragen of aanvullende elementen, rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige door de Unie-instellingen ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-lidstaten, de douanerechten op de onder het vervallen Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallende producten, alsmede de bijdragen en andere heffingen die in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker zijn vastgesteld.

29

Zoals volgt uit artikel 8, lid 1, van besluit 2007/436, worden de in artikel 2, lid 1, onder a), van dat besluit bedoelde eigen middelen van de Unie door de lidstaten geïnd, die deze zogenaamde eigen middelen ter beschikking van de Commissie moeten stellen (zie naar analogie arresten van 15 november 2005, Commissie/Denemarken, C‑392/02, Jurispr., EU:C:2005:683, punt 55, en 8 juli 2010, Commissie/Italië, C‑334/08, Jurispr., EU:C:2010:414, punt 40).

30

Bovendien moeten de lidstaten volgens de rechtspraak van het Hof de eigen middelen van de Unie vaststellen. Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1150/2000 moet namelijk aldus worden uitgelegd dat de lidstaten zich niet ervan mogen onthouden schuldvorderingen vast te stellen, zelfs niet indien zij deze betwisten, om te voorkomen dat het financiële evenwicht van de Unie, zij het tijdelijk, wordt verstoord door het gedrag van een lidstaat (arrest van 17 maart 2011, Commissie/Portugal, C‑23/10, EU:C:2011:160, punt 58; zie ook naar analogie arrest Commissie/Denemarken, punt 29 supra, EU:C:2005:683, punt 60).

31

Voorts boekt iedere lidstaat volgens artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1150/2000 de eigen middelen op het credit van de rekening welke daartoe op naam van de Commissie bij zijn schatkist of bij het orgaan dat die lidstaat aanwijst, is geopend.

32

Ingevolge artikel 17, leden 1 en 2, van verordening nr. 1150/2000 zijn de lidstaten bovendien gehouden, alle nodige maatregelen te treffen opdat de bedragen van de overeenkomstig artikel 2 van deze verordening vastgestelde rechten ter beschikking van de Commissie worden gesteld. De lidstaten zijn van deze verplichting slechts ontslagen indien door overmacht geen inning heeft kunnen plaatsvinden of wanneer blijkt dat de inning om redenen onafhankelijk van hun wil definitief onmogelijk is (zie arrest Commissie/Italië, punt 29 hierboven, EU:C:2010:414, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33

Ten slotte komt een lidstaat die zich ervan onthoudt het recht van de Unie op eigen middelen vast te stellen en het overeenkomstige bedrag ter beschikking van de Commissie te stellen, zonder dat is voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 17, lid 2, van verordening nr. 1150/2000, zijn verplichtingen krachtens het Unierecht niet na (zie arrest van 3 april 2014, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑60/13, EU:C:2014:219, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34

Zo volgt rechtstreeks uit de bepalingen van besluit 2007/436 en verordening nr. 1150/2000 dat de lidstaten zelf moeten vaststellen dat sprake is van een verlies aan traditionele eigen middelen alsook dat sprake is van een verplichting om dergelijke middelen over te maken. Het staat aan de lidstaten de traditionele eigen middelen van de Unie vast te stellen en deze middelen ter beschikking te stellen wanneer is voldaan aan de voorwaarden van deze teksten zonder dat een besluit van de Commissie noodzakelijk is. De nakoming van de in deze teksten gestelde verplichting om de eigen middelen ter beschikking te stellen valt dus onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten.

35

De verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de lidstaten inzake de ter beschikking te stellen traditionele eigen middelen wordt bevestigd door overweging 2 van verordening nr. 1150/2000, volgens welke de Unie onder optimale voorwaarden moet kunnen beschikken over de in artikel 2 van besluit 2007/436 bedoelde eigen middelen en ook door de eis dat de eigen middelen van de Unie snel en doeltreffend ter beschikking worden gesteld (zie in die zin beschikking van 4 oktober 2007, Finland/Commissie, C‑457/06 P, EU:C:2007:582, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36

In de tweede plaats voorzien besluit 2007/436 en verordening nr. 1150/2000 niet in een specifieke procedure die leidt tot de vaststelling door de Commissie van een besluit betreffende de op de lidstaten rustende verplichting om de traditionele eigen middelen ter beschikking van de Uniebegroting te stellen.

37

Uit inzonderheid de overwegingen 10 en 20, alsook de artikelen 18 en 19 van verordening nr. 1150/2000, volgt namelijk dat de Commissie bevoegd is om het optreden van de lidstaten te volgen en te controleren, zo nodig met verificaties ter plaatse.

38

Geen enkele bepaling van besluit 2007/436 of verordening nr. 1150/2000 geeft de Commissie evenwel de bevoegdheid om zich bij besluit uit te spreken over de door deze teksten gestelde verplichting om de traditionele eigen middelen ter beschikking te stellen.

39

Voorts kunnen volgens het stelsel van de artikelen 258 VWEU tot en met 260 VWEU, aldus vaste rechtspraak, alleen in een arrest van het Hof de rechten en verplichtingen van de lidstaten worden vastgesteld en hun gedragingen worden beoordeeld (arresten van 29 september 1998, Commissie/Duitsland, C‑191/95, Jurispr., EU:C:1998:441, punt 45, en 15 januari 2014, Commissie/Portugal, C‑292/11 P, Jurispr., EU:C:2014:3, punt 49).

40

De Commissie mag dus in de uitoefening van haar taak van toezicht op de nakoming door de lidstaten van de uit besluit 2007/436 en verordening nr. 1150/2000 voortvloeiende verplichting om de traditionele eigen middelen ter beschikking te stellen, geen afbreuk doen aan de exclusieve bevoegdheid van het Hof tot toetsing van de verenigbaarheid van een gedraging met die verordening.

41

Bijgevolg mag de Commissie bij een geschil tussen de Commissie en een lidstaat over de vraag of een gedraging verenigbaar is met de bij besluit 2007/436 en verordening nr. 1150/2000 gestelde verplichting om de traditionele eigen middelen ter beschikking te stellen, niet zelf en definitief over een dergelijk geschil beslissen door een besluit vast te stellen.

42

Bij gebreke van een bepaling waarbij de Commissie wordt gemachtigd tot een handeling waarbij een lidstaat wordt gelast de eigen middelen ter beschikking te stellen, kan de bestreden brief slechts worden beschouwd als informatief en als een tot de Republiek Slovenië gericht gewoon verzoek.

43

Het door de Commissie in de bestreden brief bepaalde standpunt kan geen dwingende rechtsgevolgen in het leven roepen, aangezien de toepassing van de Uniebepalingen inzake de ter beschikking te stellen eigen middelen allereerst en primair valt onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten en geen van de ter zake vastgestelde bepalingen van besluit 2007/436 en verordening nr. 1150/2000 de Commissie een bevoegdheid geeft besluiten te nemen met betrekking tot hun uitlegging; de Commissie kan enkel steeds haar mening te kennen geven, die de nationale autoriteiten geenszins bindt (zie in die zin beschikkingen van 17 mei 1989, Italië/Commissie, 151/88, Jurispr., EU:C:1989:201, punt 22, en 13 juni 1991, Sunzest/Commissie, C‑50/90, Jurispr., EU:C:1991:253, punt 13 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44

Anders gezegd, de lidstaten hebben tot taak om de traditionele eigen middelen ter beschikking te stellen en de Commissie kan enkel haar mening uiten, die de lidstaten niet bindt, aangezien dergelijke meningsuitingen vallen binnen het kader van de samenwerking tussen de Commissie en de met de toepassing van de Unieregeling belaste nationale instanties (zie in die zin arrest van 15 september 1998, Oleifici Italiani en Fratelli Rubino/Commissie, T‑54/96, Jurispr., EU:T:1998:204, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45

Dienaangaande is en blijft voorts het standpunt van een Unie-instelling volgens vaste rechtspraak niet-bindend, ook al heeft de regering tot wie de handeling is gericht, zich daarnaar gedragen (zie beschikking van 5 september 2006, Comunidad autónoma de Madrid en Mintra/Commissie, T‑148/05, EU:T:2006:234, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46

In de derde plaats strekt de precontentieuze fase van de niet-nakomingsprocedure van artikel 258 VWEU er alleen toe de lidstaat in staat te stellen, vrijwillig te voldoen aan de vereisten van het Verdrag of in voorkomend geval zijn standpunt te rechtvaardigen, zodat geen van de in dit kader door de Commissie vastgestelde handelingen bindende kracht heeft (zie beschikking van 19 september 2005, Aseprofar en Edifa/Commissie, T‑247/04, Jurispr., EU:T:2005:327, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47

Wat specifiek het uitbrengen van een met redenen omkleed advies betreft, heeft het Hof overigens vastgesteld dat het om een procedure vooraf gaat, waaraan voor de adressaat van het met redenen omklede advies geen bindend rechtsgevolg is verbonden (arrest Commissie/Duitsland, punt 39 hierboven, EU:C:1998:441, punt 44).

48

Bijgevolg kan de bestreden brief waarbij de Commissie de Republiek Slovenië informeel verzoekt om traditionele eigen middelen ter beschikking van de Uniebegroting te stellen, nog minder een voor beroep vatbare handeling vormen.

49

Gelet op het voorgaande dient de bestreden brief te worden beschouwd als een gewone schriftelijke informatieve meningsuiting, waarbij de Republiek Slovenië mede is uitgenodigd de traditionele eigen middelen ter beschikking te stellen. Deze brief kan dus geen voor beroep tot nietigverklaring vatbaar besluit vormen, aangezien hij geen rechtsgevolgen kan sorteren en evenmin beoogt dergelijke rechtsgevolgen in het leven te roepen.

50

De andere argumenten van de Republiek Slovenië laten de in punt 49 hierboven geformuleerde conclusie onverlet.

51

Aangaande – in de eerste plaats – het bedrag van de traditionele eigen middelen, de wijze waarop zij ter beschikking worden gesteld, alsook de eventuele betaling van vertragingsrente, zijn de verplichting de eigen middelen van de Unie vast te stellen, de verplichting ze binnen de gestelde termijn te boeken op de rekening van de Commissie, en ten slotte de verplichting vertragingsrente te betalen volgens de rechtspraak van het Hof onlosmakelijk verbonden. Voorts is de rente verschuldigd ongeacht om welke reden de boeking op de rekening van de Commissie met vertraging is geschied. Daaruit volgt dat niet behoeft te worden onderscheiden tussen het geval waarin de lidstaat de eigen middelen heeft vastgesteld zonder ze te betalen, en het geval waarin hij ten onrechte heeft nagelaten de eigen middelen vast te stellen, ook al is er geen sprake van een dwingende termijn (arresten van 16 mei 1991, Commissie/Nederland, C‑96/89, Jurispr., EU:C:1991:213, punt 38, en Commissie/Denemarken, punt 29 hierboven, EU:C:2005:683, punt 67).

52

Of de bestreden brief vatbaar is voor beroep doordat hij betrekking heeft op het bedrag van de betrokken traditionele eigen middelen alsook op de eventuele betaling van vertragingsrente, kan dus niet worden beoordeeld los van de vraag of deze brief voor beroep vatbaar is doordat hij melding maakt van de verplichting om eigen middelen ter beschikking van de Uniebegroting te stellen (zie in die zin arrest van 20 maart 1986, Commissie/Duitsland, 303/84, Jurispr., EU:C:1986:140, punt 11).

53

De Commissie kan, zonder arrest van het Hof waarbij wordt vastgesteld dat de Republiek Slovenië niet heeft voldaan aan de omstreden verplichting om traditionele eigen middelen in de zin van verordening nr. 1150/2000 ter beschikking te stellen, niet gemachtigd zijn om het bedrag van de betrokken traditionele eigen middelen definitief vast te stellen en definitief de vraag van de vertragingsrente te regelen.

54

De bestreden brief, die geen dwingende rechtsgevolgen in het leven roept wanneer de Republiek Slovenië wordt verzocht om traditionele eigen middelen ter beschikking van de Uniebegroting te stellen, kan dus nog minder rechtsgevolgen in het leven roepen wanneer wordt ingegaan op het bedrag van het eventueel geleden verlies aan eigen middelen en op de verplichting om vertragingsrente in de zin van artikel 11 van verordening nr. 1150/2000 te betalen.

55

Ten tweede dienen de argumenten van de Republiek Slovenië dat de Commissie de relevante bepalingen van de betrokken regeling onjuist heeft uitgelegd of de bestreden brief rechtsgrondslag mist, te worden afgewezen.

56

Aangezien de bestreden brief niet vatbaar is voor een op basis van artikel 263 VWEU ingesteld beroep tot nietigverklaring, kunnen de argumenten van de Republiek Slovenië volgens welke de beoordelingen van de Commissie in deze brief onjuist zijn of rechtsgrondslag missen, namelijk niet slagen.

57

Ten derde kan het betoog van de Republiek Slovenië dat de bestreden brief dwingende rechtsgevolgen voor derden en in het bijzonder voor de vennootschap Kandit in het leven roept op grond dat de Commissie vooruitliep op haar besluit inzake een eventuele procedure tot terugbetaling of uitstel van betaling van de douanerechten ten gunste van deze vennootschap, evenmin slagen om dezelfde redenen als die welke hierboven zijn uiteengezet.

58

Hoe dan ook, de verplichting om eigen middelen ter beschikking te stellen betreft de betrekkingen tussen de Unie en de lidstaten. De terugvordering van een douaneschuld betreft evenwel de verhouding tussen een lidstaat en schuldenaren.

59

Zoals het Hof in punt 63 van het arrest Commissie/Denemarken, punt 29 hierboven (EU:C:2005:683) eraan herinnerde, is het onderscheid tussen de regels inzake de verplichting om het Unierecht op de eigen middelen vast te stellen en die inzake de mogelijkheid voor de lidstaten om de rechten in te vorderen, door het Hof reeds aanvaard in het arrest van 7 september 1999, De Haan (C‑61/98, Jurispr., EU:C:1999:393).

60

De mogelijkheid voor de vennootschap Kandit om kwijtschelding of terugbetaling van de door haar betaalde douanerechten te verkrijgen, kan dus niet afhangen van de omstandigheid dat de Republiek Slovenië eventueel kan zijn gehouden eigen middelen ter beschikking van de Uniebegroting te stellen.

61

Mitsdien kan de bestreden brief geen voor beroep tot nietigverklaring vatbare handeling vormen. Het beroep dient dus niet-ontvankelijk te worden verklaard zonder dat hoeft te worden ingegaan op de andere argumenten van de Commissie en zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de interventieverzoeken van de Portugese Republiek en het Koninkrijk Spanje.

Kosten

62

Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd.

63

Aangezien de Republiek Slovenië in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in haar eigen kosten en in die van de Commissie te worden verwezen.

64

Voorts zullen de Republiek Slovenië, de Commissie, de Portugese Republiek en het Koninkrijk Spanje krachtens artikel 144, lid 10, van het Reglement voor de procesvoering zelf hun eigen kosten voor de interventieverzoeken dragen.

 

HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid)

beschikt:

 

1)

Het beroep wordt verworpen.

 

2)

Er hoeft geen uitspraak te worden gedaan over de interventieverzoeken van de Portugese Republiek en het Koninkrijk Spanje.

 

3)

De Republiek Slovenië wordt verwezen in haar eigen kosten en die van de Europese Commissie.

 

4)

De Republiek Slovenië, de Commissie, de Portugese Republiek en het Koninkrijk Spanje zullen elk hun eigen kosten voor de interventieverzoeken dragen.

 

Luxemburg, 14 september 2015.

 

De griffier

E. Coulon

De president

S. Papasavvas


( *1 ) Procestaal: Sloveens.

Top