Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61969CC0077

Conclusie van advocaat-generaal Gand van 14 april 1970.
Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk België.
Zaak 77-69.

Jurisprudentie 1970 -00237

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1970:25

CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J. GAND

VAN 14 APRIL 1970 ( 1 )

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

De heden te behandelen zaak — een geschil mag men het nauwelijks noemen — vertoont ietwat ongewone aspecten. Overeenkomstig artikel 169 van het EEG-Verdrag heeft de Commissie der Europese Gemeenschappen U verzocht te willen beslissen dat het Koninkrijk België door heffing van de forfaitaire overdrachtstaks tegen een zelfde tarief voor enerzijds inlands hout en anderzijds ingevoerd hout op grondslag van de waarde daarvan bij de inklaring ten verbruik, zijn verplichtingen ex artikel 95 niet is nagekomen. In haar verweerschrift heeft de Belgische Regering deze bewering niet betwist en zich aan het oordeel van Uw Hof gerefereerd; bij de mondelinge behandeling heeft zij bij die houding volhard, zij het dat zij met een enkel woord een beroep op overmacht deed.

Voor zover deze laatste opmerking ons nog aanleiding tot enkele beschouwingen geeft kunnen wij kort zijn, want het rapport ter terechtzitting bevat een volledige uiteenzetting, zowel feitelijk als rechtens, van de situatie uit hoofde waarvan het onderhavige beroep werd ingesteld.

I

1.

Het gewraakte, en heden nog van kracht zijnde, stelsel kan als volgt worden samengevat.

Voor inlands hout bedraagt het tarief van de forfaitaire overdrachtstaks 14 % bij de verkoop van hout op stam (artikel 31-14 van de Algemene Verordening op de met het zegel gelijkgestelde taksen); in geval van openbare verkoop wordt een registratierecht geheven ad 5 % hetgeen invordering van de overdrachtstaks uitsluit. De betaling van laatstgenoemde taks zowel als van het registratierecht dekt de overdracht van houtprodukten zoals: planken, balken, opgelegd houtwerk, pakkisten.

Volledigheidshalve zij hieraan toegevoegd dat in de provincies Luik, Luxemburg en Namen, welke iets minder dan 85 % van de nationale houtproduktie leveren, op geveld hout bovendien een provinciale taks van 2 of 3 % wordt geheven.

Wat ingevoerd hout betreft is een overdrachtstaks verschuldigd van 14 % op de goederen in de staat waarin ze worden ingevoerd; daar de prijs van bewerkt hout uiteraard hoger is dan die van hout op stam of geveld, is ook de belasting op ingevoerde produkten uiteraard hoger dan die op gelijksoortige nationale produkten, hetgeen een schending betekent van artikel 95 van het Verdrag.

2.

Dit bezwaar werd door de Commissie geformuleerd in een brief van 9 maart 1964 die het begin vormde van een langdurige notawisseling tussen partijen.

De Belgische Regering heeft van de aanvang af het bestaan van een ongelijkheid tussen nationale en buitenlandse producenten erkend en zich bereid verklaard daaraan een einde te maken, doch hier deden zich twee moeilijkheden voor.

In de eerste plaats wilde zij, hoewel instemmend met een nuancering van het heffingstarief naar gelang het de verkoop van hout op stam, de invoer van ruw hout of gezaagd hout betrof, bij de vaststelling van de door haar in overweging genomen nieuwe tarieven rekening houden met het bestaan van de bijzondere, in sommige provincies geheven, taksen. Zodanige methode was stellig niet zonder bedenking, want indien deze taksen bij de invoer werden gecompenseerd, zou het ingevoerde hout zwaarder worden belast dan het in de andere provincies geproduceerde inlandse hout. Op dit punt liet de Belgische Regering zich ten slotte door de opmerkingen geformuleerd in het met redenen omklede advies van de Commissie overtuigen en deelde zij laatstgenoemde bij brief van 26 februari 1969 mede dat bij de verdere vaststelling van de nieuwe tarieven voor de overdrachtstaks met de provinciale taksen geen rekening meer zou worden gehouden.

Anderzijds — dit is de tweede moeilijkheid — was nuancering van de tarieven niet toereikend om aan iedere ongelijkheid een einde te maken. De publieke verkopen van hout op stam moesten van het registratierecht worden vrijgesteld en aan de taks onderworpen, hetgeen slechts met medewerking van het parlement kon geschieden. Daartoe werd in juni 1967 een wetsontwerp ingediend, hetwelk ten gevolge van de ontbinding der Kamers verviel, vervolgens bij de wet van 20 december 1968 opnieuw aanhangig werd verklaard, doch welks behandeling nog steeds niet kon worden afgesloten. Bij de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van de Belgische Regering met nadruk verklaard dat zij tot tweemaal toe de aandacht van de voorzitter van de Commissie van Financiën der Kamer van Volksvertegenwoordigers voor deze zaak had gevraagd en gewezen op de noodzaak het ontwerp zo spoedig mogelijk te doen annemen. Gezien het beginsel van de scheiding der machten, zo voegde hij hieraan toe, kon niet meer worden gedaan.

II

In dit stadium heeft men toen een beroep op overmacht gedaan. Zonder twijfel betrof het hier niet veel meer dan een terloops gemaakte toespeling. Niettemin, indien men hieraan een bepaalde betekenis zou willen geven, dan moet dit naar ons oordeel de volgende zijn: de schending van artikel 95 wordt erkend, maar daar geen correctie kon worden aangebracht zonder de medewerking van het, grondwettelijk van de uitvoerende macht gescheiden, parlement en eerstgenoemde macht alle haar ter beschikking staande middelen had aangewend, zou er van een verzuim in de zin van artikel 169 geen sprake zijn, althans zou er voor Uw Hof geen aanleiding bestaan zulk een verzuim vast te stellen.

Zodanige redenering zou echter een miskenning betekenen van het feit dat de subjecten van rechten — of verplichtingen — de Lid-Staten van de Gemeenschap zijn. Zij zijn het die krachtens artikel 5 „alle algemene of bijzondere maatregelen” treffen „welke geschikt zijn om de nakoming van de uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen te verzekeren”. De aldus door hen aangegane verbintenis strekt zich uit tot de meest verschillende gebieden en kan derhalve het nemen van sterk uiteenlopende juridische maatregelen met zich brengen: de invoering, de wijziging of de afschaffing ener wetgeving, dan wel van een algemene bindende regeling alsook het nemen van besluiten van individuele aard ten einde de uitvoering van het Verdrag en de daartoe gegeven voorschriften te verzekeren. De vraag of in een bepaald geval voor deze uitvoering de medewerking van één of meer der machten welke te zamen het staatsbestel vormen verlangd wordt, hangt van het constitutionele recht van deze staat af, maar zij kan geen wijziging brengen in de omvang der verplichtingen welke voor allen gelijkelijk moeten gelden en zij gaat de communautaire organen niet aan. Zonder twijfel hebben deze, overeenkomstig de in internationale betrekkingen traditionele praktijk, als gesprekspartners slechts de regeringen, doch dit betekent niet dat alleen handelingen of een nalaten der uitvoerende machten van de onder haar gezag gestelde diensten verzuimen in de zin van artikel 169 van het Verdrag zouden kunnen opleveren. Daarvan kan sprake zijn zodra een staat de op hem rustende verplichtingen niet nakomt, waarbij dan niet behoeft te worden onderzocht door welk van zijn organen de verweten tekortkoming werd veroorzaakt.

Het feit dat een beroep moet worden gedaan op het parlement, welks taak voortdurend in omvang toeneemt, kan inderdaad de correctie van een met het Verdrag strijdige situatie compliceren en vertragen. Dit is een moeilijkheid waarvoor de Commissie bij de toepassing van artikel 169 begrip toont. Zo heeft zij in de onderhavige zaak — gelijk in alle andere waarin zich een analoog probleem voordeed — toen zij het Koninkrijk België een termijn toestond om zich aan het advies te conformeren, daaraan toegevoegd dat deze, op een vóór de afloop daarvan gedaan verzoek, zou kunnen worden verlengd „voor zover de eerbiediging van de bij het geldende nationale recht voorziene parlementaire behandeling zulks nodig doet voorkomen”. Dit geschiedde op 28 november 1968 en de situatie onderging sindsdien geen wijziging.

Terecht oordeelt de Commissie dan ook dat het aanhoudend voortduren daarvan — zonder dat behoeft te worden onderzocht wie daarvoor aansprakelijk is — betekent dat het Koninkrijk België zijn verplichtingen ex artikel 95 van het Verdrag niet is nagekomen.

Houdt dit nu in dat de vaststelling waartoe Uw Hof over zal gaan van zuiver platonische aard zal blijken? Integendeel, aangenomen mag worden dat het gezag van Uw uitspraak de verschillende betrokken instanties de omvang van hun verplichtingen jegens de Gemeenschap duidelijker bewust zal doen worden en dat een behandeling zal kunnen worden afgesloten, welke eerder door de aan politieke organen eigen traagheid dan uit kwade wil wordt opgehouden.

Wij concluderen, dat zal worden beslist dat het Koninkrijk België door heffing van hetzelfde tarief, voorzien in artikel 31-14 van de Algemene Verordening op de met het zegel gelijkgestelde taksen, enerzijds op inlands hout geleverd op stam of geveld en anderzijds op uit het buitenland ingevoerd hout — berekend naar de waarde daarvan bij de inklaring ten verbruik — zijn verplichtingen ex artikel 95 van het EEG-Verdrag niet is nagekomen en dat het Koninkrijk België in de kosten zal worden verwezen.


( 1 ) Vertaald uit het Frans.

Top