EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 23.2.2026
COM(2026) 104 final
2026/0064(NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Comité van de Partijen bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld over de deelname van niet-gouvernementele organisaties als waarnemer aan vergaderingen van het Comité, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie
TOELICHTING
1.Onderwerp van het voorstel
Dit voorstel betreft het besluit tot vaststelling van het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Comité van de Partijen (“het Comité”) bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (“het Verdrag van Istanbul” of “het verdrag”), in verband met de beoogde vaststelling van het ontwerpbesluit betreffende de deelname van niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) als waarnemer aan vergaderingen van het Comité bij het Verdrag van Istanbul (IC-CP(2026)1prov). Het Comité kan op grond van zijn reglement van orde vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, met name ngo’s die actief zijn op het gebied van de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, toestaan om op ad-hocbasis waarnemers naar zijn vergaderingen af te vaardigen (artikel 2.3.c). Het ontwerpbesluit voorziet in een procedure voor de praktische toepassing van deze regels door een procedure voor de toelating van ngo’s tot de vergaderingen vast te stellen en de criteria voor de beoordeling van toelatingsaanvragen te specificeren.
2.Achtergrond van het voorstel
2.1.Het Verdrag van Istanbul
Het Verdrag van Istanbul stelt alomvattende en geharmoniseerde regels vast ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld in Europa en daarbuiten. Het verdrag is op 1 augustus 2014 in werking getreden. De EU heeft het verdrag in juni 2017 ondertekend en op 28 juni 2023 de toetredingsprocedure afgerond met de nederlegging van twee akten van goedkeuring, waardoor het verdrag voor de EU op 1 oktober 2023 in werking is getreden. De EU is tot het verdrag toegetreden voor aangelegenheden die onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, namelijk aangelegenheden die verband houden met de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie, en aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non‑refoulement. Alle lidstaten hebben het verdrag ondertekend, en 22 hebben het inmiddels geratificeerd.
2.2.Comité van de Partijen
Het Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen bij het verdrag. De partijen moeten ernaar streven als hun vertegenwoordigers deskundigen aan te wijzen van een zo hoog mogelijk niveau op het gebied van het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. De aan het Comité toevertrouwde taken staan in artikel 1 van het reglement van orde. Op 1 oktober 2023 werd de EU partij bij het verdrag en derhalve lid van het Comité (artikel 67, lid 1, van het verdrag).
Op grond van artikel 67, lid 3, van het verdrag heeft het Comité zijn reglement van orde vastgesteld tijdens zijn eerste vergadering op 4 mei 2015. Op grond van artikel 2.3.c van het reglement van orde kan het Comité vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, met name niet-gouvernementele organisaties die actief zijn op het gebied van de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, toestaan om op ad-hocbasis waarnemers naar zijn vergaderingen af te vaardigen.
2.3.Het beoogde besluit betreffende de deelname van ngo’s als waarnemer aan vergaderingen van het Comité
Na een verzoek van een ngo om als waarnemer deel te nemen aan een vergadering van het Comité, heeft het Comité tijdens zijn 18e vergadering op 5 en 6 juni 2025 een voorbereidende bespreking gehouden over zijn werkwijze bij dergelijke verzoeken, aan de hand van document IC-CP(2025)12. Het secretariaat van het Comité kwam naar aanleiding van deze besprekingen in oktober 2025 met document IC-CP(2025)31, waarin een mogelijke procedure voor de toelating van ngo’s tot de vergaderingen van het Comité wordt beschreven en een lijst met criteria voor de beoordeling van aanvragen wordt voorgesteld, dat als basis zou dienen voor de besprekingen tijdens de volgende vergadering van het Comité. Na de eerste gesprekken en schriftelijke opmerkingen van haar delegaties bereikte de Groep grondrechten, burgerrechten en vrij verkeer van personen van de Raad (FREMP) op 26 november 2025 overeenstemming over een aantal punten die de Commissie namens de EU aan de orde moest stellen tijdens de volgende vergadering van het Comité. Het ging onder meer om suggesties voor de criteria voor de toelating van ngo’s als waarnemer, de noodzaak van een duidelijke en eenvoudige procedure voor de toelating (inclusief een schriftelijke procedure zoals uiteengezet in IC-CP(2025)12, blz. 6) en het feit dat de deelname van waarnemers uitsluitend op ad-hocbasis mag plaatsvinden en beperkt moet blijven tot de thematische besprekingen van het Comité, en dus duidelijk moet worden gescheiden van de besprekingen over en de aanneming van aanbevelingen en conclusies gericht tot de partijen met betrekking tot hun uitvoering van het verdrag. Het Coreper heeft deze aanpak vervolgens op 28 november 2025 goedgekeurd (WK 15858/25).
Tijdens de 19e vergadering van het Comité op 11 december 2025 heeft de Commissie de overeengekomen werkwijze gepresenteerd. Daarbij werd besloten dat het secretariaat van het Comité deze punten moest opnemen in een ontwerpbesluit dat via de schriftelijke procedure moest worden vastgesteld.
Op 27 januari 2026 kwam het secretariaat van het Comité met het ontwerpbesluit betreffende de deelname van ngo’s als waarnemer aan vergaderingen van het Comité van de Partijen bij het Verdrag van Istanbul (IC-CP(2026)1 prov) (“de beoogde handeling”). Het secretariaat heeft de partijen verzocht het voorstel via een schriftelijke procedure goed te keuren. Voorts werd meegedeeld dat, tenzij er uiterlijk op 26 maart 2026 schriftelijk bezwaren bij het secretariaat zouden worden ingediend, de beoogde handeling geacht zou worden te zijn vastgesteld.
3.Namens de Unie in te nemen standpunt
Het Comité kan op grond van zijn reglement van orde vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, met name ngo’s die actief zijn op het gebied van de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, toestaan om op ad-hocbasis waarnemers naar zijn vergaderingen af te vaardigen (artikel 2.3.c). De beoogde handeling voorziet in een procedure voor de praktische toepassing van deze regels door een procedure voor de toelating van ngo’s tot de vergaderingen vast te stellen en de criteria voor de beoordeling van toelatingsaanvragen te specificeren.
Wat ten eerste de procedure voor de toelating van ngo’s tot vergaderingen van het Comité betreft, wordt voorgesteld dat het besluit om een specifieke ngo als ad-hocwaarnemer toe te laten, wordt genomen door alle leden van het Comité. Daartoe organiseert het secretariaat van het Comité, na ontvangst van een verzoek van een ngo en vóór de desbetreffende vergadering, een stilzwijgende schriftelijke procedure, waarbij alle leden van het Comité om goedkeuring wordt verzocht. Indien tijdens deze procedure geen bezwaar wordt gemaakt, stelt het secretariaat de ngo ervan in kennis dat haar deelname als ad-hocwaarnemer is toegestaan. Indien bezwaar wordt gemaakt, moet het besluit inzake de toelating worden genomen tijdens de desbetreffende vergadering van het Comité, overeenkomstig het reglement van orde. Eventuele bezwaren moeten goed gemotiveerd zijn, verband houden met de toelatingscriteria en binnen een bepaalde termijn worden ingediend. Vervolgens wordt de betrokken ngo indien mogelijk onmiddellijk in kennis gesteld van het besluit inzake de toelating en, in geval van een positief besluit, uitgenodigd om deel te nemen aan het desbetreffende agendapunt tijdens die vergadering van het Comité.
Ten tweede wordt voorgesteld om de deelname te beperken tot de thematische debatten van het Comité en om de debatten in kwestie fysiek te laten plaatsvinden. De reikwijdte van de goedkeuring wordt uiteengezet in het besluit tot toekenning van de status van ad-hocwaarnemer, en de term “ad hoc” (zoals gebruikt in artikel 2.3.c van het reglement van orde van het Comité) kan inhouden dat de ngo aan meer dan één vergadering mag deelnemen indien het thematische debat waartoe zij is toegelaten over meerdere vergaderingen wordt gespreid.
Ten derde worden de volgende criteria voor de beoordeling van toelatingsaanvragen voorgesteld: a) de tijdige indiening van een naar behoren gemotiveerd verzoek van de organisatie die om ad-hoctoelating vraagt (ten minste vier weken vóór de vergadering), b) de naleving van de waarden van de Raad van Europa door de organisatie, c) de activiteiten van de organisatie op het gebied van de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en de relevantie van haar werkzaamheden voor de toezichtactiviteiten van het Comité, en d) de registratie, of uitvoering van activiteiten, van de organisatie in lidstaten van de Raad van Europa of landen die blijk hebben gegeven van belangstelling om partij te worden bij het Verdrag van Istanbul.
Voorgesteld wordt dat het standpunt van de EU erin bestaat geen bezwaar te maken tegen de vaststelling van het ontwerpbesluit betreffende de deelname van ngo’s als waarnemer aan vergaderingen van het Comité, zoals uiteengezet in document IC-CP(2026)1 prov. Het ontwerpbesluit weerspiegelt de door de Unie tijdens de vergadering van het Comité op 11 december 2025 aan de orde gestelde punten, met name het feit dat de deelname van ngo’s moet worden beperkt tot de thematische debatten. De voorgestelde procedure lijkt redelijk, doeltreffend en voldoende duidelijk, en de voorgestelde criteria lijken passend en zodanig opgesteld dat alleen relevante ngo’s worden geaccepteerd.
4.Rechtsgrondslag
4.1.Procedurele rechtsgrondslag
4.1.1.Beginselen
Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.
Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen ook instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt”.
4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval
Het Comité van de Partijen is een lichaam dat is opgericht bij het Verdrag van Istanbul. De door het Comité van de Partijen vast te stellen handeling is een handeling met rechtsgevolgen. De beoogde handeling zal volkenrechtelijk bindend zijn. De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het verdrag. De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is daarom artikel 218, lid 9, VWEU.
4.2.Materiële rechtsgrondslag
4.2.1.Beginselen
De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Als de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.
Als een beoogde handeling tegelijkertijd meerdere onlosmakelijk met elkaar verbonden doelstellingen of componenten heeft, zonder dat de ene ondergeschikt is aan de andere, moet een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit bij wijze van uitzondering de verschillende desbetreffende rechtsgrondslagen als materiële rechtsgrondslag hebben.
4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval
De beoogde handeling heeft met name tot doel richtsnoeren te verstrekken voor de praktische toepassing van artikel 2.3.c van het reglement van orde van het Comité, door een procedure vast te stellen voor de machtiging van ngo’s om als waarnemer aan vergaderingen van het Comité deel te nemen en de criteria voor de beoordeling van dergelijke aanvragen te specificeren. Wat de materiële rechtsgrondslag betreft: de EU is tot het Verdrag van Istanbul toegetreden voor aangelegenheden die onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, namelijk aangelegenheden die verband houden met de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie en aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement. De toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul is opgesplitst in twee afzonderlijke besluiten van de Raad om rekening te houden met de bijzondere positie van Denemarken en Ierland met betrekking tot titel V van het VWEU. Bijgevolg moet het besluit tot vaststelling van het standpunt dat namens de Unie in het Comité van de Partijen moet worden ingenomen met betrekking tot de beoogde handeling, worden opgesplitst in twee parallelle besluiten. De rechtsgrondslag van het onderhavige besluit heeft betrekking op aangelegenheden die verband houden met de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie. De materiële rechtsgrondslag van het voorgestelde besluit is derhalve artikel 336 VWEU.
4.3.Conclusie
De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 336, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.
2026/0064 (NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Comité van de Partijen bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld over de deelname van niet-gouvernementele organisaties als waarnemer aan vergaderingen van het Comité, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 336, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het “verdrag”) werd door de Unie gesloten bij Besluit (EU) 2023/1075 van de Raad met betrekking tot de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie, en bij Besluit (EU) 2023/1076 van de Raad met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement, voor zover die aangelegenheden onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen, en het verdrag is voor de Unie op 1 oktober 2023 in werking getreden.
(2)Het Comité van de Partijen (het “Comité”) is een orgaan van het toezichtmechanisme van het verdrag. Op grond van artikel 67, lid 3, van het verdrag heeft het comité zijn eigen reglement van orde (het “reglement van orde”) vastgesteld. Op grond van het reglement van orde kan het Comité vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, met name niet-gouvernementele organisaties die actief zijn op het gebied van de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, toestaan om op ad-hocbasis waarnemers naar zijn vergaderingen af te vaardigen (artikel 2.3.c). In artikel 2.3.d wordt voorts bepaald dat waarnemers geen stemrecht hebben en niet in aanmerking komen voor vergoeding van kosten.
(3)Na het verzoek van een niet-gouvernementele organisatie (ngo) om als waarnemer aan een vergadering van het Comité deel te nemen, werd duidelijk dat de procedure en criteria voor de toelating van ngo’s als ad-hocwaarnemer moesten worden vastgesteld om de relevante bepalingen van het reglement van orde te kunnen uitvoeren. Tijdens de 18e en 19e vergadering van het Comité in juni 2025 en december 2025 zijn besprekingen gevoerd over de werkwijze van het Comité bij dergelijke verzoeken.
(4)Op 27 januari 2026 deelde het secretariaat van het Comité, op basis van de besprekingen in het Comité, een ontwerpbesluit betreffende de deelname van ngo’s als waarnemer aan vergaderingen van het Comité van de Partijen bij het Verdrag van Istanbul (IC-CP(2026)1 prov) (“de beoogde handeling”). Het secretariaat heeft de partijen verzocht het voorstel via een schriftelijke procedure goed te keuren. Voorts werd meegedeeld dat, tenzij er uiterlijk op 26 maart 2026 schriftelijk bezwaren bij het secretariaat zouden worden ingediend, de beoogde handeling geacht zou worden te zijn vastgesteld.
(5)Wat de voorgestelde procedure betreft, is in de beoogde handeling bepaald dat het Comité een besluit moet nemen over de toelating van ngo’s als ad-hocwaarnemer via een stilzwijgende schriftelijke procedure die vóór de desbetreffende vergadering door het secretariaat wordt georganiseerd, en dat in geval van bezwaren tijdens die vergadering zelf een besluit moet worden genomen. De deelname moet beperkt blijven tot de thematische debatten van het Comité, en er kunnen meerdere vergaderingen worden bijgewoond. De criteria voor de beoordeling van toelatingsaanvragen moeten onder meer betrekking hebben op de tijdige indiening van het verzoek, de naleving van de waarden van de Raad van Europa door de organisatie, haar activiteiten op het gebied van de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en haar registratie, of uitoefening van activiteiten, in lidstaten van de Raad van Europa of landen die blijk hebben gegeven van belangstelling om partij te worden bij het Verdrag van Istanbul.
(6)Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen, aangezien de beoogde handeling voor de Unie juridisch bindend zal zijn krachtens het internationaal recht.
(7)Voor de toepassing van het reglement van orde, op grond waarvan ngo’s op ad-hocbasis als waarnemer aan de vergaderingen van het Comité mogen deelnemen, moet het Comité een procedure vaststellen voor de toelating van ngo’s tot zijn vergaderingen en overeenstemming bereiken over een lijst met criteria voor de beoordeling van dergelijke aanvragen. De voorgestelde procedure lijkt redelijk, doeltreffend en voldoende duidelijk, en de voorgestelde criteria lijken passend en zodanig opgesteld dat alleen relevante ngo’s als waarnemer worden geaccepteerd.
(8)Het standpunt van de Unie moet er derhalve in bestaan geen bezwaar te maken tegen de vaststelling van het ontwerpbesluit, zoals uiteengezet in document IC-CP(2026)1prov,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Comité van de Partijen, dat is ingesteld bij artikel 67 van het verdrag, houdt in dat geen bezwaar wordt gemaakt tegen de vaststelling van het ontwerpbesluit betreffende deelname van niet-gouvernementele organisaties als waarnemers aan vergaderingen van het Comité van de Partijen bij het Verdrag van Istanbul [IC-CP(2026)1prov].
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.
Gedaan te Brussel,