EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 16.4.2025
COM(2025) 186 final
2025/0101(COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot wijziging van Verordening (EU) 2024/1348 wat betreft de vaststelling van een lijst van veilige landen van herkomst op het niveau van de Unie
TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•Motivering en doel van het voorstel
Achtergrond
In december 2023 bereikten het Europees Parlement en de Raad een politiek akkoord over de wetgevingsvoorstellen die samen het migratie- en asielpact uitmaken. Deze wetgeving zal leiden tot een alomvattende hervorming van de EU-regels voor migratiebeheer en het gemeenschappelijk Europees asielstelsel.
Op grond van Richtlijn 2013/32/EU (“de richtlijn asielprocedures”) kunnen landen van herkomst alleen op het niveau van de lidstaten als veilig worden aangemerkt. Verordening (EU) 2024/1348 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU (“de asielprocedureverordening”), die deel uitmaakt van het pact, maakt het voor het eerst mogelijk om op het niveau van de Unie veilige landen van herkomst aan te wijzen.
Op 16 december 2024 schreef voorzitter Von der Leyen in haar brief aan de staatshoofden en regeringsleiders voorafgaand aan de bijeenkomst van de Europese Raad dat het Asielagentschap van de EU (EUAA) was verzocht zijn analyse van de specifieke derde landen die mogelijk als veilige landen van herkomst zouden kunnen worden aangemerkt, sneller uit te voeren, zodat een EU-lijst kon worden opgesteld. In de conclusies van de Europese Raad van december 2024 wordt nota genomen van de lopende werkzaamheden met betrekking tot de veilige landen van herkomst. In haar brief van 17 maart 2025 aan de staatshoofden en regeringsleiders voorafgaand aan de bijeenkomst van de Europese Raad deelde voorzitter Von der Leyen mee dat de Commissie, op basis van de analyse van het Asielagentschap van de EU en andere beschikbare informatiebronnen, een voorstel zal indienen voor een eerste EU-lijst van veilige landen van herkomst. Na goedkeuring door het Europees Parlement en de Raad zal deze lijst dynamisch blijven en van tijd tot tijd kunnen worden uitgebreid of herzien.
Dit voorstel heeft tot doel de kandidaat-lidstaten en één potentiële kandidaat voor het EU-lidmaatschap en zes andere landen op het niveau van de Unie aan te wijzen als veilige landen van herkomst. Op grond van Verordening (EU) 2024/1348 moet de behandeling van een verzoek worden versneld en worden afgerond binnen een termijn van ten hoogste drie maanden indien de persoon die om internationale bescherming verzoekt, uit een veilig land van herkomst komt. Bovendien kan een lidstaat, indien de verzoeker nog geen toestemming heeft gekregen om het grondgebied van de lidstaat binnen te komen, het verzoek in een grensprocedure behandelen.
Overeenkomstig de asielprocedureverordening kan een derde land slechts worden aangewezen als veilig land van herkomst overeenkomstig die verordening indien op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er geen sprake is van vervolging als gedefinieerd in artikel 9 van Verordening (EU) 2024/1347 (verordening asielnormen), noch van een reëel risico op ernstige schade als gedefinieerd in artikel 15 van die verordening.
De beoordeling of een derde land een veilig land van herkomst is overeenkomstig de asielprocedureverordening, vindt plaats op basis van een reeks relevante en beschikbare informatiebronnen, waaronder informatie van de lidstaten, het EU-Asielagentschap, de Europese Dienst voor extern optreden, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen en andere relevante internationale organisaties, waarbij rekening wordt gehouden met de in artikel 11 van Verordening (EU) 2021/2303 (EUAA-verordening) bedoelde gemeenschappelijke analyse van de informatie over het land van herkomst, indien deze beschikbaar is.
Bij de beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of ernstige schade door middel van:
·de desbetreffende wetten en voorschriften van het betrokken land en de wijze waarop die worden toegepast;
·de naleving van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten of het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering, in het bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen uit hoofde van artikel 15, lid 2, van voornoemd Europees Verdrag zijn toegestaan;
·het achterwege laten van uitzetting, verwijdering of uitlevering van eigen onderdanen naar derde landen waar er, onder meer, een ernstig risico bestaat dat zij zouden worden onderworpen aan de doodstraf, foltering, vervolging of andere onmenselijke of onterende behandelingen of bestraffingen, of waar hun leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van hun ras, godsdienst, nationaliteit, seksuele geaardheid, het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, dan wel een ernstig risico bestaat op uitzetting, verwijdering of uitlevering vanuit dat land naar een ander derde land;
·de beschikbaarheid van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schendingen van voornoemde rechten en vrijheden.
Het voorstel heeft tot doel de praktische toepassing van het begrip “veilig land van herkomst” te versterken als essentieel hulpmiddel voor een snelle behandeling van verzoeken die waarschijnlijk ongegrond zijn.
Het feit dat een derde land is opgenomen in een lijst van veilige landen van herkomst, op het niveau van de Unie of op nationaal niveau, kan geen absolute waarborg vormen voor de veiligheid van alle onderdanen van dat land. De lidstaten mogen het begrip “veilig land van herkomst” alleen toepassen indien de verzoeker in het kader van een individuele beoordeling geen elementen kan verstrekken die rechtvaardigen waarom het begrip “veilig land van herkomst” in zijn/haar geval niet van toepassing is, en mits de verzoeker de nationaliteit van dat land heeft of een staatloze is en voorheen zijn/haar gewone verblijfplaats in dat land had.
Hoewel de lidstaten bevoegd blijven om wetgeving toe te passen of in te voeren die het mogelijk maakt om op nationaal niveau andere derde landen aan te wijzen dan die welke op het niveau van de Unie als veilige landen van herkomst zijn aangewezen, moet de gemeenschappelijke aanwijzing op het niveau van de Unie ervoor zorgen dat het begrip door alle lidstaten op eenvormige wijze wordt toegepast met betrekking tot verzoekers wier landen van herkomst op het niveau van de Unie als veilig zijn aangemerkt. Dit zal naar verwachting de eenvormige beoordeling van verzoeken en eenvormige toepassing van bijbehorende procedures vergemakkelijken en daardoor ook niet-toegestane verplaatsingen van verzoekers om internationale bescherming tegengaan.
Bij de asielprocedureverordening zijn ook aanvullende instrumenten ingevoerd om de lidstaten te helpen asielaanvragen efficiënter te beheren.
Ten eerste wordt bij artikel 42, lid 1, punt j), en artikel 42, lid 3, punt e), van de asielprocedureverordening een nieuwe grond ingevoerd voor de toepassing van versnelde procedures en grensprocedures op basis van een EU-breed erkenningspercentage van maximaal 20 %. Dit erkenningspercentage heeft betrekking op het percentage verzoekers met een bepaalde nationaliteit aan wie in de EU internationale bescherming wordt verleend. Indien dit percentage 20 % of lager is, vormt het een indicatie dat verzoeken van personen met die nationaliteit waarschijnlijk ongegrond zijn. Het percentage is bedoeld om de lidstaten een aanvullend, flexibel hulpmiddel te bieden bij de behandeling van bepaalde verzoeken om internationale bescherming die waarschijnlijk ongegrond zijn. Hierdoor kunnen de lidstaten flexibeler omgaan met veranderingen in migratiestromen en verzoeken die waarschijnlijk ongegrond zijn, sneller behandelen.
Ten tweede staan artikel 59, lid 2, en artikel 61, lid 2, van de asielprocedureverordening toe dat bij de aanwijzing van respectievelijk veilige derde landen en veilige landen van herkomst uitzonderingen worden gemaakt. De lidstaten krijgen daardoor meer flexibiliteit bij het bepalen van het toepassingsgebied van veiligheidsbeoordelingen doordat zij specifieke regio’s of duidelijk identificeerbare categorieën personen kunnen uitsluiten. Samen bieden deze bepalingen mogelijkheden om verzoeken die waarschijnlijk ongegrond zijn, efficiënt te beheren, met behoud van de nodige juridische waarborgen.
Ze kunnen volgens de Commissie helpen om enkele uitdagingen aan te pakken die zich in de praktijk hebben voorgedaan met betrekking tot de toepassing van de begrippen “veilig derde land” en “veilig land van herkomst”. Aangezien de bepalingen volgens de huidige planning pas in juni 2026 van toepassing zullen worden, ontstaat er echter een leemte voor de lidstaten die op zoek zijn naar onmiddellijke en doeltreffende oplossingen voor procedurele problemen bij het beheer van verzoeken om internationale bescherming.
Daarom is de Commissie van mening dat een eerdere toepassing van deze bepalingen via een gerichte wijziging van de huidige asielprocedureverordening de lidstaten de nodige juridische en procedurele middelen zou bieden om de begrippen “veilig derde land” en “veilig land van herkomst” efficiënter toe te passen. Bovendien zouden de lidstaten de mogelijkheid krijgen om de nieuwe grondslag voor de versnelde procedure en grensprocedures alvast toe te passen (d.w.z. voor de landen met een laag erkenningspercentage), zodat zij zich snel kunnen aanpassen aan veranderingen in de migratiestromen en hier snel op kunnen reageren. De wijziging levert ook een extra hulpmiddel op om asielaanvragen die waarschijnlijk ongegrond zijn, doeltreffend en snel te behandelen. Een snellere toepassing van deze bepalingen zou ook bijdragen tot meer consistentie tussen de lidstaten, wat de verschillen tussen nationale praktijken en het risico op rechtszaken verkleint. Door een vervroegde toepassing zouden de lidstaten over aanvullende instrumenten beschikken om de verwerking van asielaanvragen te stroomlijnen.
Dit voorstel moet daarom zorgen voor een vervroegde toepassing van de bepalingen van de asielprocedureverordening die het mogelijk maken om verzoeken in de grensprocedure of de versnelde procedure te behandelen als zij afkomstig zijn van verzoekers met de nationaliteit van een derde land waarvoor op EU-niveau in hoogstens 20 % van de gevallen door de bevoegde autoriteiten wordt besloten om internationale bescherming te verlenen. Daarnaast beoogt het voorstel de toepassing te vervroegen van de bepalingen van de asielprocedureverordening die het mogelijk maken veilige derde landen en veilige landen van herkomst aan te wijzen met bepaalde uitzonderingen (artikel 59, lid 2, en artikel 61, lid 2), zodat de lidstaten meer flexibiliteit krijgen om desgewenst op nationaal niveau veilige landen aan te wijzen.
Proces dat voorafgaat aan de vaststelling van dit voorstel
Op verzoek van de diensten van de Europese Commissie heeft het Asielagentschap van de Europese Unie een methode ontwikkeld die het makkelijker moet maken om te bepalen welke landen mogelijk op het niveau van de Unie als veilige landen van herkomst kunnen worden aangewezen, waaronder de kandidaat-lidstaten en één potentiële kandidaat voor lidmaatschap van de EU, landen van herkomst waar een aanzienlijk aantal asielaanvragers in de EU vandaan komt met een EU-erkenningspercentage van 5 % of lager, visumvrije landen waar een aanzienlijk aantal asielaanvragers in de EU vandaan komt met een EU-erkenningspercentage van 5 % of lager en landen die op de bestaande lijsten van veilige landen van herkomst van de lidstaten staan.
De Commissie heeft het Agentschap verzocht op basis van deze methode informatie over landen van herkomst te verzamelen ter ondersteuning van de beoordeling van de Commissie.
Het Agentschap ontleent deze informatie onder meer aan: verslagen van de Europese Commissie, waaronder de uitbreidingsverslagen van de EU, verslagen van de Europese Dienst voor extern optreden, verslagen van de EU-agentschappen (zoals het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten), verslagen van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen en andere internationale organisaties (bv. de Raad van Europa, het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten) en niet-gouvernementele organisaties, politieke analyses van denktanks op het gebied van beleid en internationale betrekkingen, geverifieerde onlinemedia-artikelen, krantenartikelen en nationale wetgeving van de betrokken landen.
Met de hulp van het Asielagentschap van de Europese Unie en in overleg met de Europese Dienst voor extern optreden is de Europese Commissie tot de conclusie gekomen dat Bangladesh, Colombia, Egypte, India, Marokko en Tunesië, alsook de potentiële EU-kandidaat Kosovo als veilige landen van herkomst kunnen worden aangemerkt, aangezien er in deze landen in het algemeen geen risico op vervolging of ernstige schade in de zin van Verordening (EU) 2024/1347 bestaat, zoals blijkt uit de zeer lage erkenningspercentages. Niettemin moet bijzondere aandacht worden besteed aan verzoekers die een gegronde vrees voor vervolging kunnen hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade.
Voorts kwam de Commissie tot de conclusie dat landen waaraan de status van kandidaat-lidstaat voor het EU-lidmaatschap is toegekend, kunnen worden aangemerkt als veilige landen van herkomst in de zin van de asielprocedureverordening, tenzij er sprake is van bepaalde specifieke omstandigheden. Niettemin moet bijzondere aandacht worden besteed aan verzoekers die een gegronde vrees voor vervolging kunnen hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade.
Dit voorstel doet geen afbreuk aan de mogelijke toekomstige aanwijzing van andere derde landen als veilige landen van herkomst overeenkomstig de vereisten van de asielprocedureverordening.
Derde landen die op het niveau van de Unie als veilige landen van herkomst kunnen worden aangewezen
Kandidaat-lidstaten
Wat de landen betreft die de status van kandidaat-lidstaat van de EU hebben: in artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie worden de voorwaarden en beginselen vastgesteld waaraan elk land dat lid van de EU wil worden, moet voldoen.
Deze criteria (“criteria van Kopenhagen”) zijn vastgesteld door de Europese Raad van Kopenhagen in 1993 en aangescherpt door de Europese Raad van Madrid in 1995.
De criteria zijn:
·stabiele instellingen die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden garanderen;
·een functionerende markteconomie en het hoofd kunnen bieden aan de concurrentiedruk en de marktkrachten binnen de EU;
·het vermogen om de verplichtingen die het lidmaatschap met zich meebrengt, op zich te nemen, met inbegrip van het vermogen om de regels, normen en beleidsmaatregelen die samen de essentie van de EU-wetgeving vormen (het “acquis”), doeltreffend uit te voeren, en de doelstellingen van de politieke, economische en monetaire unie onderschrijven.
De Europese Raad verleent een land de status van kandidaat-lidstaat op basis van een advies van de Europese Commissie dat is opgesteld naar aanleiding van het verzoek van het land om toetreding tot de EU.
Wat met name de politieke criteria voor het EU-lidmaatschap betreft, is gebleken dat de kandidaat-lidstaten van de EU vooruitgang hebben geboekt op het gebied van stabiele instellingen die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden garanderen.
De landen die de status van kandidaat-lidstaat van de EU hebben gekregen, kunnen daarom worden aangewezen als veilige landen van herkomst in de zin van de asielprocedureverordening. Er moet echter rekening mee worden gehouden dat de situatie in een kandidaat-lidstaat tijdens het toetredingsproces zodanig kan evolueren dat de aanwijzing van het land als veilig land van herkomst niet langer gerechtvaardigd is. Dit kan het geval zijn wanneer:
·er sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in het land;
·beperkende maatregelen in de zin van het vijfde deel, titel IV, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn vastgesteld naar aanleiding van het optreden van het land; of
·het EU-brede erkenningspercentage voor verzoekers uit het land hoger is dan 20 %, het maximumpercentage dat volgens de asielprocedureverordening als grond voor de versnelde procedure of de asielgrensprocedure kan worden gebruikt, aangezien een hoger percentage geen indicatie vormt dat verzoeken ongegrond kunnen zijn.
Potentiële kandidaat voor EU-lidmaatschap
Volgens de informatie van het EUAA wijzen 16 lidstaten Kosovo momenteel op nationaal niveau aan als een veilig land van herkomst, en in 2024 bedroeg het EU-brede erkenningspercentage voor verzoekers uit Kosovo 5 %. Kosovo is een potentiële kandidaat voor het EU-lidmaatschap.
In de grondwet van Kosovo zijn de belangrijkste internationale mensenrechteninstrumenten opgenomen. Kosovo heeft het EU-lidmaatschap aangevraagd en zet hervormingen door om de werking van de rechterlijke macht te verbeteren en de bescherming van de grondrechten te versterken. Het toepasselijke rechtskader is in overeenstemming met de Europese normen. In het algemeen waarborgt het rechtskader de bescherming van de grondrechten en is het in overeenstemming met de Europese normen.
Kosovo is een parlementaire, representatieve democratie met meerdere partijen en een scheiding van de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht en het openbaar ministerie worden gewaarborgd door de grondwet en de wet. De wetgeving moet worden gewijzigd om de resterende uitdagingen met betrekking tot de onafhankelijkheid, integriteit en verantwoordingsplicht van de rechterlijke macht aan te pakken. Kosovo beschikt over een strategie voor de rechtsstaat voor de periode 2021-2026.
Er zijn geen aanwijzingen dat burgers van Kosovo worden uitgezet, verwijderd of uitgeleverd aan landen waar zij risico zouden lopen op de doodstraf, foltering, vervolging of onmenselijke of vernederende behandeling.
Er is in Kosovo geen sprake van vervolging in de zin van artikel 9 van de verordening asielnormen. Er zijn echter nog steeds gevallen waarin journalisten worden aangevallen of bedreigd. Bovendien is het juridische, beleids- en institutionele kader met betrekking tot gendergerelateerd geweld wel in overeenstemming met de Europese normen, maar blijft de uitvoering ervan ongelijkmatig.
Er bestaat in Kosovo geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15 van de verordening asielnormen. De doodstraf is niet opgenomen in de nationale wetgeving en de Kosovaarse autoriteiten zetten zich zichtbaar in voor het voorkomen van foltering en mishandeling.
Er kan worden geconcludeerd dat de Kosovaarse bevolking niet te maken heeft met vervolging of een reëel risico op ernstige schade, zoals blijkt uit bovenstaande analyse en uit het lage erkenningspercentage. Kosovo kan daarom op het niveau van de Unie als veilig land van herkomst worden aangewezen.
Andere landen van herkomst
Volgens de informatie van het EUAA wijzen zes lidstaten Bangladesh momenteel op nationaal niveau aan als veilig land van herkomst, en in 2024 bedroeg het EU-brede erkenningspercentage voor verzoekers uit Bangladesh 4 %.
Het land heeft een aantal internationale mensenrechteninstrumenten geratificeerd, waaronder het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
Bangladesh kende een repressief systeem waarin de mensenrechten frequent werden geschonden, maar het land maakt nu een politieke overgang door. Dit proces is momenteel nog gaande. Het land is een parlementaire republiek met een grondwet waarin de scheiding tussen de uitvoerende en de rechterlijke macht is vastgelegd. De vorige regering werd afgezet na landelijke massaprotesten in juli en begin augustus 2024. Op 8 augustus 2024 werd een interim-regering onder leiding van Nobelprijswinnaar Muhammad Yunus geïnstalleerd. Haar belangrijkste taken zijn het organiseren van nieuwe verkiezingen, die volgens de planning eind 2025 of begin 2026 zullen plaatsvinden, en het opstarten van uitgebreide hervormingen om de democratische instellingen weer te laten functioneren. Er zijn tien hervormingscommissies opgericht, onder meer voor vrouwenrechten, die voorstellen moeten doen voor de hervorming van de grondwet, de politie, de rechterlijke macht, de verkiezingscommissie en het openbaar bestuur en voor de bestrijding van corruptie.
Bangladesh levert al geruime tijd inspanningen om bijna een miljoen Rohingya-vluchtelingen uit Myanmar op te vangen, ondanks de aanhoudende uitdagingen, waaronder de economische problemen voor de bevolking in het algemeen. Bangladesh werkt hard toe naar meer politieke stabiliteit en democratisch bestuur door middel van de lopende hervormingen. Er wordt vooruitgang geboekt bij het versterken van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, zoals blijkt uit de intrekking van de cyberbeveiligingswet. Hoewel er nog enkele uitdagingen bestaan, is er een duidelijke wil om het maatschappelijk middenveld toegankelijker te maken.
De EU is de grootste exportmarkt van Bangladesh dankzij de handelspreferenties in het kader van de “Alles behalve wapens”-regeling (EBA) en de zeer concurrerende kledingindustrie van het land, die de afgelopen jaren van wezenlijk belang is geweest voor de positieve groei van de economie en heeft bijgedragen tot het terugdringen van de armoede. Dit heeft geleid tot reële resultaten voor de bevolking wat betreft onderwijs en gezondheidszorg. De EU voert een actieve dialoog met Bangladesh over mensenrechten, arbeidsrechten en klimaatkwesties. De EU is bereid een democratisch, vreedzaam en inclusief overgangsproces te ondersteunen en te begeleiden. De onderhandelingen over een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst zijn in 2023 van start gegaan.
Ook van de toegang tot de rechter wordt werk gemaakt: de interim-regering heeft commissies opgericht die ideeën moeten verzamelen over de hervorming van de rechterlijke macht, onder meer wat betreft het verlagen van de gerechtskosten en het verminderen van de achterstand bij de behandeling van zaken. Deze positieve ontwikkelingen moeten nog resultaten opleveren, aangezien de rechtbanken naar verluidt te kampen hebben met capaciteitsproblemen door een grote achterstand bij de behandeling van zaken, vertragingen bij de afhandeling van zaken en een gebrek aan digitale infrastructuur. Ook zou corruptie een grote belemmering vormen voor de toegang tot de rechter.
Er zijn geen aanwijzingen dat burgers van Bangladesh worden uitgezet, verwijderd of uitgeleverd aan landen waar zij risico zouden lopen op de doodstraf, foltering, vervolging of onmenselijke of vernederende behandeling. Bangladesh heeft inzet getoond voor de eerbiediging van de grondrechten door te waarborgen dat zijn burgers niet worden uitgezet, verwijderd of uitgeleverd aan landen waar zij het risico zouden kunnen lopen op de doodstraf, foltering, vervolging of onmenselijke of vernederende behandeling.
Er blijven uitdagingen bestaan met betrekking tot de situatie van Rohingya-vluchtelingen, waaronder gevallen waarbij Rohingya-vluchtelingen naar de staat Rakhine in Myanmar worden teruggestuurd. Alleen een verbetering van de situatie in Myanmar zou omstandigheden kunnen scheppen waarin het voor de Rohingya mogelijk is om op een veilige, duurzame, vrijwillige en waardige manier terug te keren. Er worden echter inspanningen geleverd om deze kwesties in samenwerking met internationale partners aan te pakken.
In het algemeen is er in het land geen sprake van vervolging in de zin van artikel 9 van de verordening asielnormen. De Bengalese grondwet waarborgt de vrijheid van godsdienst en verbiedt discriminatie op grond van godsdienst, ras, kaste of geboorteplaats. De regering blijft zich inzetten voor de bevordering van een inclusieve samenleving, en incidenten met inheemse en religieuze minderheden zijn sporadisch. Ahmadi-moslims en christelijke minderheden, hindoes en andere minderheden hebben soms met spanningen te maken gehad, maar er wordt werk verricht om de wettelijke bescherming te versterken en tolerantie te bevorderen.
Bangladesh heeft vooruitgang geboekt bij de bevordering van gendergelijkheid en de bestrijding van discriminatie. Het bewustzijn op het gebied van diversiteit en inclusie neemt geleidelijk toe, hoewel lhbtiq’ers nog steeds geconfronteerd worden met discriminatie en intimidatie. Er is steeds meer discussie over de bescherming van de mensenrechten en maatschappelijke organisaties pleiten actief voor inclusiever beleid. Seksuele handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht zijn echter nog altijd strafbaar.
Bangladesh heeft het Verdrag inzake de afschaffing van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen geratificeerd. Het land heeft ook een nationaal actieplan ter voorkoming van geweld tegen vrouwen en kinderen (2018-2030) aangenomen en de secundaire wetgeving van Bangladesh bevat verschillende wetten om specifieke vormen van geweld tegen vrouwen tegen te gaan. Gendergerelateerd geweld blijft een wijdverbreid probleem in het land, met gevallen van seksuele intimidatie op het werk en op scholen.
Rohingya-vluchtelingen ontvangen humanitaire steun in kampen, onder meer in de vorm van onderdak en essentiële diensten. Er blijven echter uitdagingen bestaan, aangezien Bangladesh geen partij is bij het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen. Rohingya-vluchtelingen hebben daardoor te maken met beperkingen van de bewegingsvrijheid en beperkte toegang tot formeel onderwijs en werk. De autoriteiten werken samen met internationale partners om betere bescherming te bieden, de levensomstandigheden te verbeteren en veiligheidsproblemen in de kampen aan te pakken. De samenwerking met humanitaire organisaties is er bovendien op gericht om de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en stabiliteit op lange termijn te verbeteren.
In het algemeen bestaat er geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15 van de verordening asielnormen. Hoewel Bangladesh de doodstraf kent en het land het Tweede Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gericht op de afschaffing van de doodstraf, niet heeft ondertekend, worden opgelegde doodvonnissen zelden uitgevoerd. Verder onthield Bangladesh zich bij de meest recente stemming over de doodstraf in de Mensenrechtenraad, en dat past bij het feit dat het land tegenwoordig betrokken is bij mondiale discussies over mensenrechten.
Bangladesh heeft het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing geratificeerd. Er zijn meldingen geweest van foltering en mishandeling van gedetineerden door rechtshandhavingsinstanties en door het leger onder de vorige regering. Bangladesh blijft een land in vrede. Er vindt geen gewapend conflict plaats in Bangladesh en daarom is er geen sprake van een dreiging als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Hoewel er af en toe opstanden plaatsvinden in de regio Chittagong Hill Tracts, blijven deze beperkt tot het lokale niveau en vormen ze geen breder veiligheidsrisico. De regering blijft een dialoog aangaan en initiatieven ontwikkelen om de stabiliteit in de regio te bevorderen.
Uit bovenstaande analyse kan worden geconcludeerd dat de bevolking van Bangladesh in het algemeen niet met vervolging of een reëel risico op ernstige schade wordt geconfronteerd, zoals ook blijkt uit het lage erkenningspercentage in de hele EU. Bangladesh kan daarom als veilig land van herkomst worden aangewezen. Dit doet geen afbreuk aan de specifieke uitdagingen waarmee bepaalde groepen in het land worden geconfronteerd en die bijzondere aandacht verdienen.
Volgens de informatie van het EUAA wijst geen enkele lidstaat Colombia momenteel op nationaal niveau aan als veilig land van herkomst, en in 2024 bedroeg het EU-brede erkenningspercentage voor aanvragers uit Colombia 5 %.
Het land heeft de belangrijkste internationale mensenrechteninstrumenten geratificeerd, waaronder het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
Colombia is een federale republiek met een democratisch, representatief politiek systeem en een scheiding tussen de uitvoerende, de wetgevende en de rechterlijke macht. De grondwet van 1991 en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie van het grondwettelijk hof bieden sterke waarborgen voor de mensenrechten. Het hof heeft ook herhaaldelijk de stand van zaken op het gebied van mensenrechten en milieurechten ongrondwettelijk verklaard, zo ook een specifiek besluit over mensenrechtenverdedigers in december 2023.
Colombia kent ook een aantal beleidsmaatregelen, mechanismen en wetten om misbruik te voorkomen jegens bepaalde groepen mensen die vaak het doelwit zijn, zoals mensenrechtenverdedigers, voormalige strijders en andere personen die gevaar lopen, en om de toegang tot de rechter te verbeteren.
Er zijn geen aanwijzingen dat burgers van Colombia op grote schaal worden uitgezet, verwijderd of uitgeleverd aan landen waar zij het risico zouden lopen op de doodstraf, foltering, vervolging of onmenselijke of vernederende behandeling.
Colombia geldt als wereldwijd voorbeeld vanwege zijn respons op de ongekende migratie van miljoenen Venezolanen die het land binnen zijn gekomen. Daarmee heeft het nieuwe normen gesteld voor de integratie van grote stromen mensen die gedwongen ontheemd zijn.
In het algemeen is er in het land geen sprake van vervolging in de zin van artikel 9 van de verordening asielnormen. Lhbtiq’ers worden wettelijk beschermd, maar zijn vaak het doelwit van sociale discriminatie. Colombia is lange tijd gezien als een pionier op het gebied van de bescherming van mensenrechtenverdedigers door de instelling van een beschermingsprogramma in 1997. Mensenrechtenverdedigers, sociale leiders en milieuactivisten zijn het slachtoffer geweest van moord, bedreigingen en stigmatisering. Journalisten hebben te maken gehad met intimidatie, geweld en vergeldingen voor hun werk. De aanvallen vonden voornamelijk plaats in de departementen Antioquia, Arauca en Cauca. In het licht van deze uitdagingen heeft de regering gecoördineerde inspanningen geleverd om geweld aan te pakken.
Er bestaat in het algemeen geen reëel risico op ernstige schade in Colombia in de zin van artikel 15 van de verordening asielnormen. De doodstraf is krachtens de Colombiaanse grondwet verboden. Het rechtskader dat foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing verbiedt, is in overeenstemming met de internationale normen.
Wat het bestaan van een dreiging als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict betreft, zijn er nog altijd gewapende groepen actief, die hun aanwezigheid in het hele land uitbreiden. De gebieden die het zwaarst door geweld worden getroffen, zijn doorgaans de gebieden die voorheen onder het gezag van de FARC vielen en waar wordt gestreden om hulpbronnen als cocateelt en illegale mijnbouw. Volgens de verificatiemissie van de VN in Colombia vinden gewapende conflicten voornamelijk plaats in gebieden die historisch door geweld worden getroffen, zoals de plattelandsgebieden Antioquia, Arauca, Zuid-Bolívar, Caquetá, Cauca, Chocó, Guaviare, Meta, Nariño, Norte de Santander, Putumayo en Valle del Cauca.
Aangezien het reële risico op vervolging en ernstige schade geconcentreerd lijkt te zijn in specifieke plattelandsgebieden van bepaalde regio’s in Colombia, moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, overeenkomstig hun verplichting uit hoofde van artikel 8 van de verordening asielnormen, onderzoeken of verzoekers uit Colombia geen internationale bescherming nodig hebben, omdat zij op een veilige en wettige manier kunnen reizen naar en zich toegang kunnen verschaffen tot een ander deel van Colombia en er redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij zich daar vestigen, en of de verzoekers in dat deel van het land geen gegronde vrees hebben voor vervolging of geen reëel risico lopen op ernstige schade, of daar toegang hebben tot doeltreffende bescherming van niet-tijdelijke aard tegen vervolging of ernstige schade.
Uit bovenstaande analyse kan worden geconcludeerd dat de bevolking van Colombia in het algemeen niet met vervolging of een reëel risico op ernstige schade wordt geconfronteerd, zoals ook blijkt uit het lage erkenningspercentage in de hele EU. Colombia kan daarom als veilig land van herkomst worden aangewezen. Dit doet geen afbreuk aan de specifieke uitdagingen waarmee bepaalde groepen in het land worden geconfronteerd en die bijzondere aandacht verdienen.
Volgens de informatie van het EUAA wijzen zes lidstaten Egypte momenteel op nationaal niveau aan als veilig land van herkomst, en in 2024 bedroeg het EU-brede erkenningspercentage voor verzoekers uit Egypte 4 %.
Het land heeft de belangrijkste internationale mensenrechteninstrumenten geratificeerd, waaronder het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, maar heeft zich nog niet aangesloten bij het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning. Het land vangt miljoenen vluchtelingen en asielzoekers op, een situatie die nog eens is verslechterd door de verergering van het conflict in Sudan. Egypte heeft onlangs een nieuwe asielwet goedgekeurd en werkt samen met het UNHCR om over te gaan tot uitvoering ervan.
In de grondwet van Egypte wordt het land omschreven als een democratische republiek waar de president zowel staatshoofd als hoofd van de uitvoerende macht is. In 2021 heeft Egypte de noodtoestand opgeheven (met uitzondering van gebieden in de Sinaï).
Wat de toegang tot de rechter betreft, waarborgt de Egyptische grondwet de onafhankelijkheid, immuniteit en onpartijdigheid van de rechterlijke macht. Sinds de opheffing van de noodtoestand in 2021 zijn de gewone gerechtelijke mechanismen van toepassing. De autoriteiten blijven echter nood- en militaire rechtbanken inzetten om personen te vervolgen op grond van brede bepalingen van de wetgeving inzake terrorismebestrijding en andere wetten.
Er zijn geen aanwijzingen dat burgers van Egypte worden uitgezet, verwijderd of uitgeleverd aan landen waar zij risico zouden lopen op de doodstraf, foltering, vervolging of onmenselijke of vernederende behandeling.
In het algemeen is er in het land geen sprake van vervolging in de zin van artikel 9 van de verordening asielnormen. In de grondwet worden het christendom, de islam en het jodendom erkend. Ook wordt daarin bevestigd dat burgers gelijk zijn voor de wet en wat rechten, vrijheden en algemene plichten betreft, en dat zij dus niet gediscrimineerd mogen worden op grond van bijvoorbeeld godsdienst en geslacht. Discriminatie en het aanzetten tot haat zijn bij wet strafbaar. Aanhangers van bepaalde religies kunnen echter in de praktijk te maken krijgen met discriminatie. Mensenrechtenverdedigers, politieke activisten en tegenstanders kunnen te maken krijgen met willekeurige arrestaties en foltering en er kunnen hen maatregelen opgelegd worden, zoals reisbeperkingen en de bevriezing van tegoeden. Consensuele seksuele handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht zijn in Egypte niet expliciet strafbaar, maar de omstandigheden voor lhbtiq’ers blijven moeilijk.
In Egypte blijven grote uitdagingen bestaan op het gebied van mensenrechten, met name wat betreft de bescherming van de fundamentele vrijheden, het bestuur en de rechtsstaat. De afgelopen jaren heeft het politieke leiderschap in Egypte echter stappen gezet en meer nadruk gelegd op het belang van de eerbiediging van de mensenrechten. Egypte heeft de noodtoestand opgeheven (met uitzondering van gebieden in de Sinaï), de eerste nationale strategie voor de mensenrechten gepresenteerd, de presidentiële amnestiecommissie nieuw leven ingeblazen, politieke gevangenen vrijgelaten en de nationale dialoog in gang gezet. Egypte heeft zich vaker betrokken opgesteld in de samenwerking met de EU op het gebied van mensenrechten, onder meer door in gesprek te gaan met de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten. Egypte is betrokken bij internationale fora en werkt samen met het OHCHR van de VN aan een door de EU gefinancierd project dat tot doel heeft een partnerschap tussen de EU en de VN tot stand te brengen, waarbij synergieën een cultuur van mensenrechten in Egypte moeten versterken.
In het algemeen bestaat er geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15 van de verordening asielnormen. Egypte heeft het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing geratificeerd. In het wetboek van strafrecht en de militaire wetgeving van Egypte is echter nog altijd de doodstraf opgenomen, en in bepaalde gevallen wordt deze ook in de praktijk toegepast. Er vindt geen gewapend conflict plaats in Egypte en daarom is er geen sprake van een dreiging als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
Om de bestaande uitdagingen aan te pakken, heeft Egypte in zijn nationale strategie voor de mensenrechten verklaard voornemens te zijn de wet inzake voorlopige hechtenis te hervormen, de detentieomstandigheden te verbeteren, het aantal misdaden waarop de doodstraf staat, te beperken en de aandacht voor de mensenrechten in alle overheidsinstellingen te vergroten. Tot dusver is vooruitgang geboekt in het institutionele traject, maar er is behoefte aan een doeltreffende uitvoering.
Uit bovenstaande analyse kan worden geconcludeerd dat de bevolking van Egypte in het algemeen niet met vervolging of een reëel risico op ernstige schade wordt geconfronteerd, zoals ook blijkt uit het lage erkenningspercentage in de hele EU. Egypte kan daarom als veilig land van herkomst worden aangewezen. Dit doet geen afbreuk aan de specifieke uitdagingen waarmee bepaalde groepen in het land worden geconfronteerd en die bijzondere aandacht verdienen.
Volgens de informatie van het EUAA wijzen negen lidstaten India momenteel op nationaal niveau aan als een veilig land van herkomst, en in 2024 bedroeg het EU-brede erkenningspercentage voor verzoekers uit India 2 %.
Het land heeft de belangrijkste internationale mensenrechteninstrumenten geratificeerd, waaronder het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
India is een constitutionele republiek en een parlementaire democratie. Wat de toegang tot de rechter betreft, is de Indiase rechterlijke macht over het algemeen functioneel en onafhankelijk van de wetgevende en uitvoerende macht. Bovendien kunnen schendingen van de mensenrechten worden onderzocht en verholpen door de nationale mensenrechtencommissie, een onafhankelijk orgaan in het kader van de wet inzake de bescherming van de mensenrechten, die verantwoording moet afleggen aan het Indiase parlement.
Er zijn geen aanwijzingen dat burgers van India worden uitgezet, verwijderd of uitgeleverd aan landen waar zij risico zouden lopen op de doodstraf, foltering, vervolging of onmenselijke of vernederende behandeling.
In het algemeen is er in het land geen sprake van vervolging in de zin van artikel 9 van de verordening asielnormen. Naar verluidt hebben journalisten, mensenrechtenverdedigers en activisten die zich inzetten voor de bestrijding van corruptie te maken met fysieke en online intimidatie en aanvallen.
De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging is verankerd in de grondwet. Er blijven uitdagingen bestaan voor moslim- en christelijke gemeenschappen die het slachtoffer zijn van discriminatie en sektarisch geweld. Er zijn ook uitdagingen in verband met gerechtelijke en administratieve rechtsmiddelen voor de aanpak van discriminatie van religieuze minderheidsgroepen.
India erkent de rechten van vrouwen en gendergelijkheid officieel in zijn nationale wetgeving. Seksueel geweld blijft een ernstig probleem. Maatschappelijke organisaties helpen de aandacht te vestigen op de situatie van vrouwen in het land en de gerechtelijke autoriteiten hebben verschillende belangrijke besluiten genomen om de rechten van vrouwen te beschermen.
De Indiase grondwet waarborgt gelijke kansen en de Indiase regering heeft maatregelen genomen om in de publieke sector en bij universiteiten plaatsen te reserveren voor leden van geregistreerde kasten en stammen, wat de sociale mobiliteit naar verluidt heeft verbeterd. De wetten ter bescherming van de geregistreerde kasten en stammen worden nog steeds onvoldoende gehandhaafd.
In het algemeen bestaat er geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15 van de verordening asielnormen. India heeft de doodstraf opgenomen in zijn strafrecht en het Tweede Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gericht op de afschaffing van de doodstraf, niet ondertekend. Niettemin is het aantal uitgesproken doodvonnissen gedaald en is de doodstraf naar verluidt sinds 2020 niet meer in de praktijk uitgevoerd.
India heeft het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing geratificeerd. Er zijn echter wel gevallen van foltering door rechtshandhavingsinstanties gemeld. Er vindt geen gewapend conflict plaats in India en daarom is er geen sprake van een bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
Uit bovenstaande analyse kan worden geconcludeerd dat de bevolking van India in het algemeen niet met vervolging of een reëel risico op ernstige schade wordt geconfronteerd, zoals ook blijkt uit het lage erkenningspercentage in de hele EU. India kan daarom als veilig land van herkomst worden aangewezen. Dit doet geen afbreuk aan de specifieke uitdagingen waarmee bepaalde groepen in het land worden geconfronteerd en die bijzondere aandacht verdienen.
Volgens de informatie van het EUAA wijzen elf lidstaten Marokko momenteel op nationaal niveau aan als veilig land van herkomst, en in 2024 bedroeg het EU-brede erkenningspercentage voor aanvragers uit Marokko in 4 %.
Het land heeft de belangrijkste internationale mensenrechteninstrumenten geratificeerd, waaronder het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
In de grondwet van 2011 is bepaald dat Marokko een parlementaire monarchie is met de koning als hoogste autoriteit. De grondwet voerde ook het beginsel van de scheiding der machten, machtsevenwicht en samenwerking tussen de machten in. Daarnaast bevestigt de grondwet de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, waarvoor de koning garant staat, alsook het beginsel dat rechters voor het leven worden benoemd.
In 2012 is Marokko begonnen met een ongekende hervorming voor het versterken van de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, inclusief een hervorming van het wetboek van strafrecht. De autoriteiten hebben maatregelen genomen om de toegang tot de rechter te verbeteren en blijven verdere verbeteringen doorvoeren op het gebied van transparantie en de bestrijding van corruptie en misbruik.
Er zijn geen aanwijzingen dat burgers van Marokko worden uitgezet, verwijderd of uitgeleverd aan landen waar zij risico zouden lopen op de doodstraf, foltering, vervolging of onmenselijke of vernederende behandeling.
In het algemeen is er in het land geen sprake van vervolging in de zin van artikel 9 van de verordening asielnormen. Er worden inspanningen geleverd om huiselijk geweld te bestrijden en de rechten van vrouwen te bevorderen, onder meer door de hervorming van het familierecht die nu gaande is. Marokko speelt een actieve rol in multilaterale fora en neemt een aantal ambitieuze initiatieven. Er zijn gevallen geweest waarin maatschappelijke organisaties aan bepaalde beperkingen werden onderworpen en kritische journalisten werden veroordeeld wegens vermeende strafbare feiten. De koning verleende hun vervolgens gratie. Hoewel consensueel seksueel gedrag van personen van hetzelfde geslacht tussen volwassenen in de privésfeer over het algemeen wordt getolereerd, blijft het strafbaar op grond van het wetboek van strafrecht. De situatie van lhbtiq’ers blijft moeilijk.
In het algemeen bestaat er geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15 van de verordening asielnormen. Marokko heeft in 1993 een moratorium op de uitvoering van de doodstraf ingesteld, maar de doodstraf is nog altijd opgenomen in het strafrecht en het land heeft het Tweede Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gericht op de afschaffing van de doodstraf, niet geratificeerd. In december 2024 stemde Marokko in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties vóór een resolutie voor een wereldwijd moratorium op de doodstraf.
De inwerkingstelling van het nationale preventiemechanisme tegen foltering is een belangrijke stap voor verbeterde rechten van gevangenen, een gebied waarop nog enkele uitdagingen bestaan.
Er vindt geen gewapend conflict plaats in Marokko en daarom is er geen sprake van een bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
Uit bovenstaande analyse kan worden geconcludeerd dat de bevolking van Marokko in het algemeen niet met vervolging of een reëel risico op ernstige schade wordt geconfronteerd, zoals ook blijkt uit het lage erkenningspercentage in de hele EU. Marokko kan daarom als veilig land van herkomst worden aangewezen. Dit doet geen afbreuk aan de specifieke uitdagingen waarmee bepaalde groepen in het land worden geconfronteerd en die bijzondere aandacht verdienen.
Volgens de informatie van het EUAA wijzen tien lidstaten Tunesië momenteel op nationaal niveau aan als veilig land van herkomst, en in 2024 bedroeg het EU-brede erkenningspercentage voor aanvragers uit Tunesië 4 %.
Het land heeft de belangrijkste internationale mensenrechteninstrumenten geratificeerd, waaronder het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
Met de grondwet van 2022 is een presidentieel stelsel ingevoerd, waarbij de president om de vijf jaar wordt verkozen door een nationale stemming. De president en de vergadering van volksvertegenwoordigers zijn bevoegd om wetgeving voor te stellen, maar de voorstellen van de president hebben voorrang boven de wetgevingsvoorstellen die worden ingediend door leden van de vergadering van volksvertegenwoordigers.
Wat de toegang tot de rechter betreft, bepaalt de grondwet dat de rechterlijke macht onafhankelijk is en wordt uitgeoefend door rechters die enkel onder het gezag van de wet vallen. De grondwet geeft de rechterlijke instanties tot taak om rechten en vrijheden te beschermen, waarbij de onafhankelijke rol van de rechterlijke macht bij de bescherming tegen schendingen door de uitvoerende en wetgevende macht wordt erkend. Het rechtsstelsel kampt naar verluidt met enkele moeilijkheden, onder meer vanwege beperkte middelen.
Er zijn geen aanwijzingen dat burgers van Tunesië worden uitgezet, verwijderd of uitgeleverd aan landen waar zij risico zouden lopen op de doodstraf, foltering, vervolging of onmenselijke of vernederende behandeling.
In het algemeen is er in het land geen sprake van vervolging in de zin van artikel 9 van de verordening asielnormen. Er worden soms beperkende maatregelen ingesteld tegen politieke figuren, activisten, advocaten en rechters, met inbegrip van detentie, arrestatie en vervolging, vaak op grond van antiterrorisme- en anticorruptiewetgeving. Journalisten zijn vervolgd en opgesloten omdat zij bijvoorbeeld worden beschuldigd van het beledigen van de autoriteiten of het verspreiden van nepnieuws. In het algemeen wordt er niet zodanig hard opgetreden dat er een beeld ontstaat van grootschalige, systematische repressie. Leden van organisaties die migranten en vluchtelingen helpen onderdak te vinden, zijn echter het voorwerp van politieonderzoek geworden en in voorlopige hechtenis genomen. Consensueel seksueel gedrag tussen volwassen personen van hetzelfde geslacht is verboden op grond van het Tunesische strafrecht en er staat tot drie jaar gevangenisstraf op. Die wetgeving is de afgelopen jaren af en toe gehandhaafd. De situatie van lhbtiq’ers blijft moeilijk. Tegelijkertijd zijn sommige lhbtiq-specifieke mensenrechtengroepen officieel erkend en wettelijk geregistreerd.
In het algemeen bestaat er geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15 van de verordening asielnormen. Sinds 1991 is in Tunesië een moratorium op de uitvoering van de doodstraf ingesteld, maar de doodstraf is nog altijd opgenomen in het strafrecht en Tunesië heeft het Tweede Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gericht op de afschaffing van de doodstraf, niet geratificeerd. Ook is gemeld dat nationale rechtbanken personen tot de doodstraf hebben veroordeeld.
Tunesië heeft het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing geratificeerd. Het wordt nog niet volledig uitgevoerd.
Er vindt geen gewapend conflict plaats in Tunesië en daarom is er geen sprake van een dreiging als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
Uit bovenstaande analyse kan worden geconcludeerd dat de bevolking van Tunesië in het algemeen niet met vervolging of een reëel risico op ernstige schade wordt geconfronteerd, zoals ook blijkt uit het lage erkenningspercentage in de hele EU. Tunesië kan daarom als veilig land van herkomst worden aangewezen. Dit doet geen afbreuk aan de specifieke uitdagingen waarmee bepaalde groepen in het land worden geconfronteerd en die bijzondere aandacht verdienen.
•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
Dit voorstel is in overeenstemming met de asielprocedureverordening, die het mogelijk maakt om derde landen op het niveau van de Unie als veilige landen van herkomst aan te wijzen. Het is ook in overeenstemming met de verordening asielnormen, die van toepassing is op de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten en op de inhoud van de verleende internationale bescherming, en die gedetailleerde bepalingen bevat over welke handelingen moeten worden beschouwd als daden van vervolging of ernstige schade in de zin van het Verdrag van Genève, en welke elementen in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van de gronden voor vervolging.
•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
Het voorstel om een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst op te stellen en daarop met name derde landen te plaatsen die de Europese Raad de status van kandidaat-lidstaat voor het EU-lidmaatschap heeft toegekend, is in overeenstemming met het uitbreidingsbeleid van de Unie. Toen de Europese Raad de betrokken landen de status van kandidaat-lidstaat toekende, werd geoordeeld dat zij voldeden aan de criteria die door de Europese Raad van Kopenhagen van 21-22 juni 1993 zijn vastgesteld met betrekking tot de stabiliteit van de instellingen die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden garanderen. Kandidaat-lidstaten zullen aan deze criteria moeten blijven voldoen om lid te kunnen worden van de Unie. De vooruitgang die kandidaat-lidstaten boeken ten aanzien van de politieke en economische criteria en de aanpassing aan het acquis wordt telkens in het jaarlijkse voortgangsverslag van de Europese Commissie geëvalueerd.
Het voorstel ondersteunt de algemene doelstellingen van het migratie- en asielpact, en met name de doelstelling om de behandeling van asielverzoeken in de EU efficiënter te maken en manieren te vinden om samen te werken en de lasten te delen met derde landen.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag
Het voorstel is gebaseerd op artikel 78, lid 2, punt d), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), dat de rechtsgrondslag vormt voor maatregelen met betrekking tot gemeenschappelijke procedures voor toekenning of intrekking van de uniforme status van asiel en subsidiaire bescherming. Het voorstel heeft tot doel op het niveau van de Unie veilige landen van herkomst aan te wijzen voor de toepassing van de asielprocedureverordening door wijziging van deze verordening, die is vastgesteld op basis van artikel 78, lid 2, punt d), VWEU.
•Variabele geometrie
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het VWEU, neemt Ierland niet deel aan de aanneming van overeenkomstig deel III, titel V, van het VWEU vastgestelde maatregelen en zijn deze maatregelen niet bindend voor Ierland. Hieronder vallen ook maatregelen tot instelling van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel. Overeenkomstig artikel 3 van dat protocol kan Ierland evenwel besluiten deel te nemen aan de aanneming en toepassing van dergelijke maatregelen. Ierland heeft laten weten dat het wenst deel te nemen aan de nieuwe asielprocedureverordening. Ierland kan er overeenkomstig de artikelen 3 en 4 bis van Protocol nr. 21 ook voor kiezen deel te nemen aan de aanneming en toepassing van onderhavig voorstel ter wijziging van de asielprocedureverordening.
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening en is deze niet bindend voor, noch van toepassing op Denemarken.
•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
Titel V van het VWEU over de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht verleent de Europese Unie bepaalde bevoegdheden op dit gebied. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, te weten indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Europese Unie kunnen worden verwezenlijkt.
Het voorstel heeft tot doel een gemeenschappelijke lijst van veilige landen van herkomst op te stellen op het niveau van de Unie, aangezien dit het voor de lidstaten makkelijker zal maken om procedures uit te voeren die verband houden met de toepassing van het begrip “veilig land van herkomst”. Het voorstel heeft ook tot doel een aantal van de bestaande verschillen tussen de nationale lijsten van veilige landen van herkomst van de lidstaten aan te pakken, die er momenteel toe leiden dat personen uit dezelfde derde landen die om internationale bescherming verzoeken, in verschillende lidstaten aan verschillende procedures kunnen worden onderworpen. De algemene doelstelling van de voorgestelde maatregel kan niet voldoende worden verwezenlijkt door de lidstaten alleen en kan beter door de Europese Unie worden bereikt.
•Evenredigheid
Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel gaan de voorgestelde wijzigingen van het bestaande rechtskader niet verder dan nodig is om het gestelde doel te bereiken. De gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst zal worden opgesteld overeenkomstig de criteria voor de aanwijzing van veilige landen van herkomst die reeds zijn vastgesteld in de asielprocedureverordening, en de landen op de gemeenschappelijke EU-lijst zullen regelmatig worden geëvalueerd. De voorgestelde wijzigingen van de asielprocedureverordening zijn beperkt tot wat nodig is om ervoor te zorgen dat de bepalingen van de verordening met betrekking tot de toepassing van het begrip “veilig land van herkomst” van toepassing zijn op derde landen op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst.
•Keuze van het instrument
De keuze van een verordening voor de vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst is gerechtvaardigd door de aard van een dergelijke gemeenschappelijke lijst, die op het niveau van de Unie wordt vastgesteld en rechtstreeks toepasselijk moet zijn in de rechtsstelsels van de lidstaten.
3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
•Raadpleging van belanghebbenden
Voorafgaand aan de Europese Raad deelde Ursula von der Leyen, de voorzitter van de Europese Commissie, in haar brief aan de staatshoofden en regeringsleiders van 16 december 2024 mee dat het Asielagentschap van de EU was verzocht zijn analyse van de specifieke derde landen die mogelijk als veilige landen van herkomst konden worden aangewezen, sneller uit te voeren, zodat een EU-lijst kon worden opgesteld. In de conclusies die na zijn bijeenkomst van 19 december 2024 zijn aangenomen, staat dat de Europese Raad nota heeft genomen van de brief en van de lopende werkzaamheden met betrekking tot de veilige landen van herkomst. Er vond overleg plaats op het hoogste niveau.
•Bijeenbrengen en gebruik van expertise
Het Agentschap ontleent deze informatie onder meer aan: verslagen van de Europese Commissie, waaronder de uitbreidingsverslagen van de EU, verslagen van de Europese Dienst voor extern optreden, verslagen van de EU-agentschappen (zoals het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten), verslagen van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen en andere internationale organisaties (bv. de Raad van Europa, het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten) en niet-gouvernementele organisaties, waaronder maatschappelijke organisaties, politieke analyses van denktanks op het gebied van beleid en internationale betrekkingen, geverifieerde onlinemedia-artikelen, krantenartikelen en nationale wetgeving van de betrokken landen.
•Grondrechten
Dit voorstel eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de EU, met inbegrip van het recht op asiel en bescherming tegen refoulement, zoals vastgesteld in de artikelen 18 en 19 van het Handvest.
In overeenstemming met de asielprocedureverordening kan het feit dat een derde land als veilig land van herkomst is aangewezen geen absolute waarborg vormen voor de veiligheid van de onderdanen van dat land, en maakt dit een passende individuele behandeling van een verzoek om internationale bescherming dus niet overbodig. Ook wordt eraan herinnerd dat, wanneer een verzoeker ernstige redenen aanvoert om het land in zijn of haar bijzondere omstandigheden als niet-veilig te beschouwen, de aanmerking van het land als veilig land niet langer als ter zake doende kan worden beschouwd voor die persoon.
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de EU en zal naar verwachting geen gevolgen hebben voor de begroting van de lidstaten.
5.OVERIGE ELEMENTEN
•Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage
Op grond van de asielprocedureverordening is de Commissie, hierin bijgestaan door het EUAA, verplicht de situatie in derde landen die op het niveau van de Unie als veilige landen van herkomst zijn aangewezen, te evalueren. Indien de situatie van een dergelijk derde land significant verslechtert, moet de Commissie, na een onderbouwde beoordeling, de aanwijzing op het niveau van de Unie van dat derde land als veilig land van herkomst voor een periode van zes maanden schorsen door middel van een gedelegeerde handeling. Overeenkomstig de asielprocedureverordening moet de Commissie, indien ze een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld waarbij de aanwijzing op het niveau van de Unie van een derde land als veilig land van herkomst wordt geschorst, binnen drie maanden na de datum van vaststelling van die gedelegeerde handeling overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure een voorstel indienen tot wijziging van deze verordening waarbij de aanwijzing op het niveau van de Unie van dat derde land als veilig land van herkomst wordt ingetrokken.
Indien de Commissie het voorstel niet binnen drie maanden na de vaststelling van de gedelegeerde handeling heeft ingediend, is de gedelegeerde handeling waarbij de aanwijzing op het niveau van de Unie van het derde land als veilig land van herkomst wordt geschorst, niet langer van kracht. Indien de Commissie een dergelijk voorstel binnen drie maanden na de vaststelling van de gedelegeerde handeling indient, is de Commissie bevoegd om, op basis van een onderbouwde beoordeling, de geldigheidsduur van deze gedelegeerde handeling te verlengen voor een periode van zes maanden, met een mogelijkheid om die verlenging eenmaal te hernieuwen.
Bovendien zal het Asielagentschap van de Europese Unie, vanaf het van toepassing worden van het pact in juni 2026, toezicht houden op de operationele en technische toepassing van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, overeenkomstig artikel 14 van de EUAA-verordening (Verordening (EU) 2021/2303). De toepassing van het begrip “veilig land van herkomst” zal ook worden gemonitord door het EUAA. Daarnaast bevatten de jaarverslagen die de Commissie op grond van artikel 9 van de verordening asiel- en migratiebeheer moet opstellen, de resultaten van de monitoring door het EUAA, dus ook wat betreft de toepassing van het begrip “veilig land van herkomst” en de lijst. Deze verschillende elementen moeten door de Commissie in aanmerking worden genomen wanneer zij beoordeelt of lidstaten onder migratiedruk staan, een risico daarop lopen of met een aanzienlijke migratiesituatie te maken hebben, alsook wanneer zij bepaalt of er in een lidstaat sprake is van systemische tekortkomingen die ernstige negatieve gevolgen kunnen hebben voor de werking van het Dublinsysteem.
•Artikelsgewijze toelichting
Opstelling van een lijst van veilige landen van herkomst op het niveau van de Unie
Artikel 1 wijzigt artikel 62 door toevoeging van een nieuw lid waarin kandidaat-lidstaten voor het lidmaatschap van de Unie worden aangewezen als veilige landen van herkomst, en door toevoeging van bijlage II, waarin zes landen en één potentiële kandidaat voor het EU-lidmaatschap op het niveau van de Unie als veilige landen van herkomst worden aangewezen.
Vervroeging van de toepassing van de nieuwe grond voor de versnelde procedure/grensprocedure, namelijk met betrekking tot personen die afkomstig zijn uit landen waarvoor een klein aandeel asielverzoeken wordt erkend (landen waarvoor het erkenningspercentage 20 % of lager is)
Deze nieuwe grond voor de versnelde procedure en grensprocedure waarin de asielprocedureverordening voorziet, moet de lidstaten een extra mogelijkheid bieden om snel en flexibel te kunnen reageren op veranderingen in de migratiestromen. De nieuwe grond is gebaseerd op een objectiever en gebruiksvriendelijker criterium: lidstaten moeten de behandeling van een verzoek versnellen indien het is ingediend door een verzoeker uit een derde land waarvoor, volgens de recentste beschikbare jaargemiddelden van Eurostat voor de gehele Unie, 20 % of minder van het totale aantal asielbeslissingen positief is. De toepassing van de nieuwe grond moet ook leiden tot een meer geharmoniseerde aanpak van de lidstaten met betrekking tot asielprocedures, aangezien er wordt uitgegaan van het percentage beslissingen op EU-niveau tot toekenning van internationale bescherming – een objectief, verifieerbaar cijfer dat kan aanduiden hoe waarschijnlijk het is dat iemand bescherming nodig heeft.
De toepassing van de grond voor de versnelde procedure blijft vrijwillig totdat de asielprocedureverordening van toepassing wordt. In de praktijk moeten de lidstaten verzoeken van personen die waarschijnlijk geen internationale bescherming nodig hebben, in de versnelde procedure of in de grensprocedure kunnen behandelen en vervolgens snel de terugkeer van dergelijke verzoekers kunnen organiseren. Dit zal de asiel- en migratieautoriteiten in staat stellen gegronde verzoeken efficiënter te beoordelen, sneller beslissingen te nemen en zo de werking en de geloofwaardigheid van het asiel- en terugkeerbeleid te bevorderen, met volledige inachtneming van de grondrechten.
Vroegtijdige toepassing van uitzonderingen voor veilige derde landen en veilige landen van herkomst in het nationale recht
De asielprocedureverordening staat toe dat zowel op het niveau van de Unie als op nationaal niveau veilige derde landen en veilige landen van herkomst worden aangewezen met uitzonderingen voor specifieke delen van het grondgebied of voor duidelijk identificeerbare categorieën personen, om rekening te kunnen houden met de complexe en veranderlijke realiteit in derde landen. Om de twee begrippen in de praktijk toepasbaar te maken, moeten de lidstaten deze bepalingen zo lang mogelijk vóór juni 2026 al kunnen toepassen ten aanzien van hun nationale lijsten.
2025/0101 (COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot wijziging van Verordening (EU) 2024/1348 wat betreft de vaststelling van een lijst van veilige landen van herkomst op het niveau van de Unie
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 78, lid 2, punt d),
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
Gezien het advies van het Comité van de Regio's,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Op grond van Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad kunnen specifieke regels van toepassing zijn indien een verzoeker afkomstig is uit een veilig land van herkomst. In het bijzonder moet de behandeling van een verzoek worden versneld en kan een lidstaat, indien de verzoeker nog geen toestemming heeft gekregen om het grondgebied van de lidstaat binnen te komen, de gegrondheid van een verzoek in een grensprocedure behandelen.
(2)Het is noodzakelijk de toepassing van het begrip “veilig land van herkomst” te versterken, aangezien het aanwijzen van veilige landen van herkomst een essentieel instrument is om verzoeken die waarschijnlijk ongegrond zijn, sneller te behandelen Ook moet een aantal van de verschillen tussen de nationale lijsten van veilige landen van herkomst van de lidstaten worden aangepakt. Daarom moet op het niveau van de Unie een lijst van veilige landen van herkomst worden opgesteld. Hoewel de lidstaten bevoegd blijven om wetgeving toe te passen of in te voeren die het mogelijk maakt om op nationaal niveau andere derde landen aan te wijzen dan die welke op het niveau van de Unie als veilige landen van herkomst zijn aangewezen, moet het gemeenschappelijk aanwijzen op het niveau van de Unie ervoor zorgen dat het begrip door alle lidstaten op eenvormige wijze wordt toegepast met betrekking tot verzoekers wier landen van herkomst zijn aangewezen.
(3)Het feit dat een derde land op het niveau van de Unie of op lidstaatniveau als een veilig land van herkomst wordt beschouwd, kan geen absolute waarborg voor de veiligheid van de onderdanen van dat land vormen en maakt een individuele behandeling van het verzoek om internationale bescherming dus niet overbodig. De lidstaten mogen het begrip “veilig land van herkomst” alleen toepassen indien de verzoeker in het kader van een individuele beoordeling geen elementen kan verstrekken die rechtvaardigen waarom het begrip “veilig land van herkomst” in zijn/haar geval niet van toepassing is, en mits de verzoeker de nationaliteit van dat land heeft of een staatloze is en voorheen zijn/haar gewone verblijfplaats in dat land had. De toepassing van het begrip in het kader van de individuele beoordeling doet geen afbreuk aan het feit dat bepaalde categorieën verzoekers zich in een specifieke situatie kunnen bevinden in de aangewezen derde landen en dus een gegronde vrees voor vervolging kunnen hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade.
(4)Voor de landen waaraan de status van kandidaat-lidstaat voor toetreding tot de Unie is toegekend, worden in het Verdrag betreffende de Europese Unie de voorwaarden en beginselen vastgesteld waaraan elk land dat een lidstaat wil worden, moet voldoen. Deze criteria zijn in 1993 vastgesteld door de Europese Raad van Kopenhagen en in 1995 aangescherpt door de Europese Raad van Madrid. De criteria zijn: beschikken over stabiele instellingen die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden garanderen; een functionerende markteconomie hebben en het hoofd kunnen bieden aan de concurrentiedruk en de marktkrachten binnen de EU; in staat zijn om de verplichtingen die het lidmaatschap met zich meebrengt, op zich te nemen, met inbegrip van het vermogen om de regels, normen en beleidsmaatregelen die samen de essentie van de EU-wetgeving vormen, doeltreffend uit te voeren, en de doelstellingen van de politieke, economische en monetaire unie onderschrijven. De Europese Raad verleent een land de status van kandidaat-lidstaat op basis van een advies van de Europese Commissie dat is opgesteld naar aanleiding van het verzoek van het land om toetreding tot de Unie.
(5)De beoordeling van de situatie in andere derde landen is gebaseerd op relevante informatie, die onder meer afkomstig is van de lidstaten, het Asielagentschap van de Europese Unie (“het Asielagentschap”), de Europese Dienst voor extern optreden, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen en andere internationale organisaties. Bij de beoordeling wordt, indien beschikbaar, ook rekening gehouden met de in artikel 11 van Verordening (EU) 2021/2303 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde gemeenschappelijke analyse van de informatie over het land van herkomst, overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1348.
(6)De status van kandidaat-lidstaat wordt toegekend door de Europese Raad na een unaniem besluit, op aanbeveling van de Europese Commissie. Wat met name de politieke criteria voor het EU-lidmaatschap betreft, is gebleken dat de kandidaat-lidstaten van de EU vooruitgang hebben geboekt op het gebied van stabiele instellingen die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden garanderen. Daarom kan worden geconcludeerd dat derde landen waaraan de status van kandidaat-lidstaat van de EU is toegekend, als veilige landen van herkomst moeten worden aangemerkt, tenzij er sprake is van de volgende omstandigheden: er is een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in het land; er zijn beperkende maatregelen in de zin van het vijfde deel, titel IV, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgesteld naar aanleiding van het optreden van het land; of het EU-brede erkenningspercentage voor verzoekers uit het land is hoger dan 20 %.
(7)Volgens de informatie van het Asielagentschap wijzen 16 lidstaten Kosovo momenteel op nationaal niveau aan als veilig land van herkomst, en in 2024 bedroeg het Uniebrede erkenningspercentage voor verzoekers uit Kosovo 5 %. Kosovo is een potentiële kandidaat voor het lidmaatschap van de Unie. In zijn grondwet zijn de belangrijkste internationale mensenrechteninstrumenten opgenomen. Kosovo is een parlementaire, representatieve democratie met meerdere partijen en een scheiding van de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht en het desbetreffende rechtskader is in overeenstemming met de Europese normen. In het algemeen waarborgt het rechtskader de bescherming van de grondrechten en is het in overeenstemming met de Europese normen. Er zijn geen aanwijzingen dat burgers van Kosovo worden uitgezet, verwijderd of uitgeleverd aan landen waar zij risico zouden lopen op de doodstraf, foltering, vervolging of onmenselijke of vernederende behandeling. Er bestaat geen risico op ernstige schade in Kosovo in de zin van artikel 15 van Verordening (EU) 2024/1347. De doodstraf is niet opgenomen in de nationale wetgeving en de Kosovaarse autoriteiten zetten zich zichtbaar in voor het voorkomen van foltering en mishandeling. Er vindt geen gewapend conflict plaats in Kosovo en daarom is er geen sprake van een bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Er is geen sprake van vervolging in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) 2024/1347.
(8)Volgens de informatie van het Asielagentschap wijzen zes lidstaten Bangladesh momenteel op nationaal niveau aan als veilig land van herkomst, en in 2024 bedroeg het Uniebrede erkenningspercentage voor verzoekers uit Bangladesh 4 %. Het land heeft een aantal internationale mensenrechteninstrumenten geratificeerd. Bangladesh is een parlementaire republiek met een grondwet waarin de scheiding tussen de uitvoerende en de rechterlijke macht is vastgelegd. Er zijn geen aanwijzingen dat burgers van Bangladesh worden uitgezet, verwijderd of uitgeleverd aan landen waar zij risico zouden lopen op de doodstraf, foltering, vervolging of onmenselijke of vernederende behandeling. In het algemeen bestaat er geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15 van Verordening (EU) 2024/1347. Hoewel Bangladesh de doodstraf kent en het land het Tweede Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gericht op de afschaffing van de doodstraf, niet heeft ondertekend, worden doodvonnissen zelden uitgevoerd. Bangladesh heeft het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing geratificeerd. Er vindt geen gewapend conflict plaats in Bangladesh en daarom is er geen sprake van een dreiging als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In het algemeen is er in het land geen sprake van vervolging in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) 2024/1347.
(9)Volgens de informatie van het Asielagentschap wijst geen enkele lidstaat Colombia momenteel op nationaal niveau aan als veilig land van herkomst, en in 2024 bedroeg het Uniebrede erkenningspercentage voor verzoekers uit Colombia 5 %. Het land heeft de belangrijkste internationale mensenrechteninstrumenten geratificeerd. De grondwet van 1991 en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie van het grondwettelijk hof bieden sterke waarborgen voor de mensenrechten. Colombia is een federale republiek met een democratisch, representatief politiek systeem en een scheiding tussen de uitvoerende, de wetgevende en de rechterlijke macht. Er zijn geen aanwijzingen dat burgers van Colombia op grote schaal worden uitgezet, verwijderd of uitgeleverd aan landen waar zij het risico zouden lopen op de doodstraf, foltering, vervolging of onmenselijke of vernederende behandeling. Er bestaat in het algemeen geen risico op ernstige schade in Colombia in de zin van artikel 15 van Verordening (EU) 2024/1347, behalve in specifieke plattelandsgebieden waar de overheid niet volledig aanwezig is. De doodstraf is krachtens de Colombiaanse grondwet verboden. Het rechtskader dat foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing verbiedt, is in overeenstemming met de internationale normen. Er is geen sprake van een algemene dreiging als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In het algemeen is er in het land geen sprake van vervolging in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) 2024/1347.
(10)Volgens de informatie van het Asielagentschap wijzen zes lidstaten Egypte momenteel op nationaal niveau aan als veilig land van herkomst, en in 2024 bedroeg het Uniebrede erkenningspercentage voor verzoekers uit Egypte 4 %. Het land heeft de belangrijkste internationale mensenrechteninstrumenten geratificeerd. Egypte is een republiek waar de president zowel staatshoofd als hoofd van de uitvoerende macht is. Er zijn geen aanwijzingen dat burgers van Egypte worden uitgezet, verwijderd of uitgeleverd aan landen waar zij risico zouden lopen op de doodstraf, foltering, vervolging of onmenselijke of vernederende behandeling. In het algemeen bestaat er geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15 van Verordening (EU) 2024/1347. Hoewel de doodstraf is opgenomen in het wetboek van strafrecht en militaire wetgeving van Egypte, heeft Egypte het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing geratificeerd. Egypte heeft in zijn nationale strategie voor de mensenrechten verklaard voornemens te zijn de wet inzake voorlopige hechtenis te hervormen, de detentieomstandigheden te verbeteren, het aantal misdaden waarop de doodstraf staat, te beperken en de mensenrechtencultuur in alle overheidsinstellingen te versterken. Tot dusver is vooruitgang geboekt in het institutionele traject, maar er is behoefte aan een doeltreffende uitvoering. Er vindt geen gewapend conflict plaats in Egypte en daarom is er geen sprake van een dreiging als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In het algemeen is er in het land geen sprake van vervolging in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) 2024/1347.
(11)Volgens de informatie van het Asielagentschap wijzen negen lidstaten India momenteel op nationaal niveau aan als veilig land van herkomst, en in 2024 bedroeg het Uniebrede erkenningspercentage voor verzoekers uit India 2 %. Het land heeft de belangrijkste internationale mensenrechteninstrumenten geratificeerd. India is een constitutionele republiek en een parlementaire democratie. Er zijn geen aanwijzingen dat burgers van India worden uitgezet, verwijderd of uitgeleverd aan landen waar zij risico zouden lopen op de doodstraf, foltering, vervolging of onmenselijke of vernederende behandeling. In het algemeen bestaat er geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15 van Verordening (EU) 2024/1347. Hoewel India de doodstraf heeft opgenomen in zijn strafrecht en het land het Tweede Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gericht op de afschaffing van de doodstraf, niet heeft ondertekend, wordt de doodstraf sinds 2020 in de praktijk niet meer uitgevoerd. India heeft het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing geratificeerd. Er vindt geen gewapend conflict plaats in India en daarom is er geen sprake van een bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In het algemeen is er in het land geen sprake van vervolging in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) 2024/1347.
(12)Volgens de informatie van het Asielagentschap wijzen elf lidstaten Marokko momenteel op nationaal niveau aan als veilig land van herkomst, en in 2024 bedroeg het Uniebrede erkenningspercentage voor verzoekers uit Marokko 4 %. Het land heeft de belangrijkste internationale mensenrechteninstrumenten geratificeerd. Marokko is een parlementaire monarchie. Er zijn geen aanwijzingen dat burgers van Marokko worden uitgezet, verwijderd of uitgeleverd aan landen waar zij risico zouden lopen op de doodstraf, foltering, vervolging of onmenselijke of vernederende behandeling. In het algemeen bestaat er geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15 van Verordening (EU) 2024/1347. Marokko heeft in 1993 een moratorium op de uitvoering van de doodstraf ingesteld, maar de doodstraf is nog altijd opgenomen in het strafrecht en het land heeft het Tweede Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gericht op de afschaffing van de doodstraf, niet geratificeerd. Marokko heeft het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing geratificeerd. Er vindt geen gewapend conflict plaats in Marokko en daarom is er geen sprake van een bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In het algemeen is er in het land geen sprake van vervolging in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) 2024/1347.
(13)Volgens de informatie van het Asielagentschap wijzen tien lidstaten Tunesië momenteel op nationaal niveau aan als veilig land van herkomst, en in 2024 bedroeg het Uniebrede erkenningspercentage voor verzoekers uit Tunesië 4 %. Het land heeft de belangrijkste internationale mensenrechteninstrumenten geratificeerd. In de grondwet van 2022 is een presidentieel stelsel vastgelegd. Er zijn geen aanwijzingen dat burgers van Tunesië worden uitgezet, verwijderd of uitgeleverd aan landen waar zij risico zouden lopen op de doodstraf, foltering, vervolging of onmenselijke of vernederende behandeling. In het algemeen bestaat er geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15 van Verordening (EU) 2024/1347. In 1991 is in Tunesië een moratorium op de uitvoering van de doodstraf ingesteld, maar de doodstraf is nog altijd opgenomen in het strafrecht en het land heeft het Tweede Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gericht op de afschaffing van de doodstraf, niet geratificeerd. Tunesië heeft het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing geratificeerd. Er vindt geen gewapend conflict plaats in Tunesië en daarom is er geen sprake van een dreiging als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In het algemeen is er in het land geen sprake van vervolging in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) 2024/1347.
(14)Verordening (EU) 2024/1348 voorziet in de mogelijkheid om derde landen op het niveau van de Unie aan te wijzen als veilige landen van herkomst overeenkomstig de in die verordening vastgestelde voorwaarden.
(15)Overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1348 kan een derde land slechts worden aangewezen als veilig land van herkomst indien op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er geen sprake is van vervolging als gedefinieerd in artikel 9 van Verordening (EU) 2024/1347, noch van een reëel risico op ernstige schade als gedefinieerd in artikel 15 van die verordening.
(16)Aangezien er in het algemeen geen risico op vervolging of ernstige schade in de zin van Verordening (EU) 2024/1347 bestaat in Bangladesh, Colombia, Egypte, India, Marokko en Tunesië, noch in Kosovo (een potentiële kandidaat voor het lidmaatschap van de Unie), zoals ook blijkt uit de zeer lage erkenningspercentages, moeten zij op het niveau van de Unie als veilige landen van herkomst worden aangewezen.
(17)De aanwijzing van die landen als veilige landen van herkomst op het niveau van de Unie doet geen afbreuk aan de regel van Verordening (EU) 2024/1348 dat de lidstaten het begrip “veilig land van herkomst” alleen mogen toepassen wanneer verzoekers in het kader van een individuele beoordeling geen elementen kunnen verstrekken die rechtvaardigen dat het begrip “veilig land van herkomst” in hun geval niet van toepassing is. In dat verband moet bijzondere aandacht worden besteed aan verzoekers die zich in een specifieke situatie in die landen bevinden, zoals lhbtiq’ers, slachtoffers van gendergerelateerd geweld, mensenrechtenverdedigers, religieuze minderheden en journalisten.
(18)Aangezien de migratiesituatie snel kan veranderen en de druk toeneemt als gevolg van de aankomst van gemengde migrantenstromen met een hoog percentage verzoekers die weinig kans hebben op het verkrijgen van internationale bescherming, moeten de lidstaten de in artikel 41, lid 1, punt j), van Verordening (EU) 2024/1348 bedoelde grond voor een versnelde behandeling van verzoeken kunnen toepassen vanaf een eerdere datum dan de algemene toepassingsdatum van die verordening. Hierdoor zouden de lidstaten sneller en flexibel kunnen reageren op veranderingen in de migratiestromen. Aangezien verzoeken van dergelijke verzoekers waarschijnlijk ongegrond zijn, zou de snelle behandeling ervan in een versnelde procedure of grensprocedure de asiel- en migratieautoriteiten in staat stellen echte verzoeken efficiënter te beoordelen, sneller beslissingen te nemen en zo bij te dragen tot een betere en geloofwaardigere werking van het asiel- en terugkeerbeleid, met volledige inachtneming van de grondrechten.
(19)Bovendien moeten de lidstaten, om rekening te kunnen houden met complexe en feitelijke situaties in derde landen, al voordat Verordening (EU) 2024/1348 van toepassing wordt, uitzonderingen kunnen maken voor specifieke delen van een grondgebied of voor duidelijk identificeerbare categorieën personen wanneer zij wetgeving toepassen of invoeren op grond waarvan een derde land als veilig land van herkomst of als veilig derde land kan worden aangewezen.
(20)Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk op het niveau van de Unie een gezamenlijke lijst van veilige landen van herkomst opstellen en de toepassing van een aantal bepalingen van Verordening (EU) 2024/1348 vervroegen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en enkel op het niveau van de Unie kan worden bereikt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.
(21)[Overeenkomstig artikel 3 en artikel 4 bis, lid 1, van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, heeft Ierland [bij brief van ...] te kennen gegeven dat het aan de vaststelling en toepassing van deze verordening wenst deel te nemen.]
OF
[Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 en artikel 4 bis, lid 1, van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, neemt Ierland niet deel aan de vaststelling van deze verordening en is deze niet bindend voor, noch van toepassing op Ierland.]
(22)Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening en is deze niet bindend voor, noch van toepassing op Denemarken.
(23)Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend.
(24)Verordening (EU) 2024/1348 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EU) 2024/1348 wordt als volgt gewijzigd:
(1)Artikel 62, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:
a)
lid 1 wordt vervangen door:
“1. De landen waaraan de status van kandidaat-lidstaat voor lidmaatschap van de Unie is toegekend, worden op het niveau van de Unie als veilige landen van herkomst aangewezen, tenzij er sprake is van een van de volgende omstandigheden:
(a)er is een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in het land;
(b)er zijn beperkende maatregelen in de zin van het vijfde deel, titel IV, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgesteld naar aanleiding van het optreden van het land;
(c)volgens de meest recente jaarlijkse gemiddelde gegevens van Eurostat voor de hele Unie besluiten de bevoegde autoriteiten in meer dan 20 % van de gevallen om internationale bescherming te verlenen aan verzoekers uit het land, dat wil zeggen aan onderdanen van dat land of staatlozen die daar voorheen hun gewone verblijfplaats hadden.”;
b)
het volgende lid 1 bis wordt ingevoegd:
“1 bis. De in bijlage II vermelde derde landen worden op het niveau van de Unie als veilige landen van herkomst aangewezen.”.
(2)Artikel 79 wordt als volgt gewijzigd:
(a)aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:
“Artikel 59, lid 2, artikel 61, lid 2, en artikel 61, lid 5, punt b), zijn echter van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding van Verordening (EU).../... [tot wijziging van Verordening (EU) 2024/1348] wat betreft de toepassing van het begrip “veilig derde land” overeenkomstig de artikelen 36 en 37 van Richtlijn 2013/32/EU en het begrip “veilig land van herkomst” overeenkomstig artikel 38 van Richtlijn 2013/32/EU.”;
(b)aan lid 3 wordt de volgende alinea toegevoegd:
“De lidstaten kunnen artikel 42, lid 1, punt j), en artikel 42, lid 3, punt e), vóór 12 juni 2026 toepassen als gronden voor de versnelde behandelingsprocedure overeenkomstig artikel 31, lid 8, van Richtlijn 2013/32/EU of voor de procedure aan de grens of in transitzones overeenkomstig artikel 43 van Richtlijn 2013/32/EU.”.
(3)De tekst in de bijlage bij deze Verordening wordt toegevoegd als bijlage II.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement
Voor de Raad
De voorzitter
De voorzitter
FINANCIEEL EN DIGITAAL MEMORANDUM
1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF3
1.1.Benaming van het voorstel/initiatief3
1.2.Betrokken beleidsterreinen3
1.3.Doelstellingen3
1.3.1.Algemene doelstellingen3
1.3.2.Specifieke doelstellingen3
1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen3
1.3.4.Prestatie-indicatoren3
1.4.Het voorstel/initiatief betreft:4
1.5.Motivering van het voorstel/initiatief4
1.5.1.Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief4
1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de EU oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.4
1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan4
1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten5
1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking5
1.6.Duur en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief6
1.7.Wijzen van uitvoering van de begroting6
2.BEHEERSMAATREGELEN8
2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen8
2.2.Beheers- en controlesystemen8
2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie8
2.2.2.Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken8
2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)8
2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden9
3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF10
3.1.Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven10
3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten12
3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten12
3.2.1.1.Kredieten uit goedgekeurde begroting12
3.2.1.2.Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten17
3.2.2.Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten22
3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten24
3.2.3.1. Kredieten uit goedgekeurde begroting24
3.2.3.2.Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten24
3.2.3.3.Totaal kredieten24
3.2.4.Geraamde personeelsbehoeften25
3.2.4.1.Gefinancierd uit goedgekeurde begroting25
3.2.4.2.Gefinancierd uit externe bestemmingsontvangsten26
3.2.4.3.Totale personeelsbehoeften26
3.2.5.Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen28
3.2.6.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader28
3.2.7.Bijdragen van derden28
3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten29
4.Digitale dimensies29
4.1.Voorschriften met digitale relevantie30
4.2.Gegevens30
4.3.Digitale oplossingen31
4.4.Interoperabiliteitsbeoordeling31
4.5.Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering32
1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
1.1.Benaming van het voorstel/initiatief
Voorstel voor een verordening tot wijziging van Verordening (EU) 2024/1348 wat betreft de vaststelling van een lijst van veilige landen van herkomst op het niveau van de Unie
1.2.Betrokken beleidsterreinen
1.3.Doelstellingen
1.3.1.Algemene doelstellingen
Het voorstel heeft tot doel derde landen op het niveau van de Unie aan te wijzen als veilige landen van herkomst en de toepassing van het begrip “veilig land van herkomst” te verbeteren.
1.3.2.Specifieke doelstellingen
Specifieke doelstelling nr. 1
Een hoger niveau van convergentie bereiken bij de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als personen die internationale bescherming genieten in de zin van Verordening (EU) 2024/1347 (“de verordening asielnormen”).
Specifieke doelstelling nr. 2
Een aantal van de bestaande verschillen in de aangewezen veilige landen op de nationale lijsten van de lidstaten aanpakken.
Specifieke doelstelling nr. 3
De mogelijkheid bieden om veilige landen van herkomst en veilige derde landen aan te wijzen met uitzonderingen (artikel 59, lid 2, en artikel 61, lid 2, van de asielprocedureverordening), zodat lidstaten op nationaal niveau flexibeler veilige landen kunnen aanwijzen.
Specifieke doelstelling nr. 4
De mogelijkheid bieden om verzoeken in de grensprocedure of de versnelde procedure te behandelen als ze afkomstig zijn van verzoekers met de nationaliteit van een derde land waarvoor bevoegde autoriteiten EU-breed in hoogstens 20 % van de gevallen internationale bescherming besluiten te verlenen.
1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen
Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.
1.
De juridische duidelijkheid en consistentie bij de toepassing van het begrip “veilig land van herkomst” verbeteren.
2.
De convergentie van de asielprocedures verbeteren, ook wat betreft de categorieën verzoekers uit bepaalde landen die naar de gewone procedure moeten worden verwezen.
3.
De asielprocedures efficiënter maken, de druk op de asielstelsels van de EU verminderen en het misbruik ervan terugdringen.
1.3.4.Prestatie-indicatoren
Vermeld de indicatoren voor de monitoring van de voortgang en de beoordeling van de resultaten
Gevolgen van de wijzigingen voor de volgende cijfers:
1.
Het erkenningspercentage voor verzoekers uit landen die op het niveau van de Unie als veilige landen van herkomst zijn aangewezen
2.
Het aantal verzoeken van onderdanen van de als veilige landen van herkomst aangewezen landen dat naar de reguliere procedure, versnelde procedure en de grensprocedure wordt verwezen
3.
Het aantal lidstaten dat gebruikmaakt van mechanismen voor de aanwijzing van veilige landen van herkomst/veilige derde landen op nationaal niveau op grond van artikel 59, lid 2, en artikel 61, lid 2
4.
Het aantal lidstaten dat gebruikmaakt van de uitzonderingen bij de aanwijzing van veilige landen van herkomst/veilige derde landen
5.
Aantal asielverzoeken dat in de versnelde procedure of de grensprocedure wordt behandeld op basis van erkenningspercentages van minder dan 20 %
1.4.Het voorstel/initiatief betreft:
een nieuwe actie
een nieuwe actie na een proefproject/voorbereidende actie
de verlenging van een bestaande actie
de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie
1.5.Motivering van het voorstel/initiatief
1.5.1.Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief
Op grond van artikel 75 van de asielprocedureverordening moeten de lidstaten nationale uitvoeringsplannen opstellen op basis van het door de Commissie ontwikkelde gemeenschappelijk uitvoeringsplan voor de uitvoering van het migratie- en asielpact. De Commissie moet nauwlettend toezicht houden op de uitvoering van de nationale uitvoeringsplannen. Wanneer de wetgevingsteksten van het pact eenmaal van toepassing worden, zal het Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA) toezicht houden op de operationele en technische toepassing van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (CEAS) overeenkomstig artikel 14 van de EUAA-verordening (Verordening (EU) 2021/2303). Ook de toepassing van het begrip “veilig land van herkomst” zal door het EUAA worden gemonitord. Verder moeten de jaarverslagen die de Commissie overeenkomstig artikel 9 van de verordening asiel- en migratiebeheer moet opstellen, de resultaten van de monitoring door het EUAA bevatten. Deze verschillende elementen moeten door de Commissie in aanmerking worden genomen wanneer zij beoordeelt of lidstaten onder migratiedruk staan, een risico daarop lopen of met een aanzienlijke migratiesituatie te maken hebben, alsook wanneer zij bepaalt of er in een lidstaat sprake is van systemische tekortkomingen die ernstige negatieve gevolgen kunnen hebben voor de werking van het Dublinsysteem.
1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de EU oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.
Redenen voor optreden op EU-niveau (ex ante):
Het begrip “veilig land van herkomst” en de asielprocedures vallen onder het EU-recht in het kader van de asielprocedureverordening (Verordening (EU) 2024/1348). Zonder actie op EU-niveau zouden de lidstaten een uiteenlopende reeks landen op nationaal niveau als veilige landen van herkomst blijven aanwijzen, wat zou leiden tot aanzienlijke verschillen tussen de nationale lijsten van veilige landen van herkomst. Uiteenlopende nationale benaderingen zouden rechtsonzekerheid blijven creëren, de risico’s van rechtszaken vergroten en de uniforme toepassing van de asielregels in de hele Unie ondermijnen, wat ook tot secundaire bewegingen zou leiden. Een gebrek aan gecoördineerd optreden zou ook een eerlijke lastenverdeling tussen de lidstaten in de weg staan. Dit voorstel voor een actie op EU-niveau zorgt voor harmonisatie met betrekking tot de landen die als veilige landen van herkomst worden aangewezen op het niveau van de Unie en voor rechtszekerheid en procedurele waarborgen.
Verwachte toegevoegde waarde EU (ex-post):
Als dit voorstel wordt uitgevoerd, zal het de rechtszekerheid en de procedurele efficiëntie vergroten door ervoor te zorgen dat de lidstaten aanvragers uit de aangewezen landen naar hetzelfde type asielprocedure verwijzen.
De invoering van de drempel van 20 % voor versnelde procedures en grensprocedures zal ervoor zorgen dat asielmiddelen in de eerste plaats worden ingezet voor gevallen waarin daadwerkelijk internationale bescherming moet worden verleend, waardoor de algehele efficiëntie van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel wordt verbeterd.
Op EU-niveau zal het toezicht door het Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA) en de Commissie ervoor zorgen dat de lidstaten het begrip “veilig land van herkomst” toepassen met volledige inachtneming van de grondrechten en procedurele waarborgen. Het voorstel zorgt voor een evenwicht tussen efficiëntie en billijkheid, waarbij ervoor wordt gezorgd dat het asielstelsel van de EU doeltreffend en voorspelbaar blijft en in overeenstemming is met de internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten.
1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan
De Commissie heeft reeds in 2015 en 2016 een gemeenschappelijke lijst van veilige landen van herkomst voorgesteld. De interinstitutionele onderhandelingen over deze lijst zijn beide keren mislukt doordat de medewetgevers het niet eens werden.
De voorbereiding van het onderhavige voorstel ging daarom gepaard met een aantal informele raadplegingen tussen de diensten van de Commissie (DG ENEST, MENA, INTPA) en de EDEO om ervoor te zorgen dat de deskundigheid over de aangewezen landen naar behoren in aanmerking werd genomen bij de analyse voorafgaand aan de plaatsing op de lijst, en dat de beoordeling werd onderbouwd met concreet en verifieerbaar bewijsmateriaal, onder meer met betrekking tot specifieke risicoprofielen.
1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten
Dit voorstel vloeit voort uit de asielprocedureverordening (Verordening (EU) 2024/1348) en maakt deel uit van het in mei 2024 aangenomen migratie- en asielpact, waarvoor de financiering reeds is geprogrammeerd. Dit voorstel leidt niet tot financiële of administratieve lasten voor de Unie. Het heeft dan ook geen gevolgen voor de begroting van de Unie. De toepassing van het begrip “veilig land van herkomst” is niet nieuw voor de lidstaten en de lidstaten zullen gebruik kunnen maken van de middelen die zijn toegewezen voor hun nationale programma’s in het kader van zowel het bestaande Fonds voor asiel, migratie en integratie als de toekomstige migratiefondsen ter ondersteuning van investeringen die nodig zijn voor de toepassing van het begrip. Het EUAA kan de lidstaten binnen zijn respectieve mandaat ondersteunen met personeel.
1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking
1.6.Duur en van het voorstel/initiatief en van de financiële gevolgen ervan
beperkte geldigheidsduur
–
van kracht vanaf [DD/MM]JJJJ tot en met [DD/MM]JJJJ
–
financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor vastleggingskredieten en vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor betalingskredieten.
onbeperkte geldigheidsduur
–uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ,
–gevolgd door een volledige uitvoering.
1.7.Wijzen van uitvoering van de begroting
Direct beheer door de Commissie
– door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie
–
door de uitvoerende agentschappen
Gedeeld beheer met de lidstaten
Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken toe te vertrouwen aan:
– derde landen of de door hen aangewezen organen
– internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke)
– de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds
– de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen
– publiekrechtelijke organen
– privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, voor zover zij zijn voorzien van voldoende financiële garanties
– privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die zijn voorzien van voldoende financiële garanties
– organen waaraan of personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling
–in een lidstaat gevestigde organen die onder het privaatrecht van een lidstaat of onder het Unierecht vallen en die in aanmerking komen om overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving te worden belast met de uitvoering van middelen van de Unie of begrotingsgaranties, voor zover dergelijke organen onder zeggenschap staan van publiekrechtelijke organen of privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, en beschikken over voldoende financiële garanties in de vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid van de controlerende organen of gelijkwaardige financiële garanties, die voor elke actie beperkt kunnen blijven tot het maximumbedrag van de steun van de Unie.
2.BEHEERSMAATREGELEN
2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen
De Commissie moet de situatie in het betrokken derde land voortdurend evalueren, waarbij zij onder meer rekening houdt met de door de lidstaten en het Asielagentschap verstrekte informatie over veranderingen in de situatie van dat derde land die zich naderhand hebben voorgedaan.
Op grond van artikel 75 van Verordening (EU) 2024/1348 inzake asielprocedures moeten de lidstaten nationale uitvoeringsplannen opstellen op basis van het door de Commissie gepresenteerde gemeenschappelijk uitvoeringsplan voor het migratie- en asielpact en houdt de Commissie nauwlettend toezicht op de uitvoering ervan. Zodra het pact van toepassing wordt, zal het EUAA toezien op de operationele en technische toepassing van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (CEAS) uit hoofde van artikel 14 van de EEUA-verordening (Verordening (EU) 2021/2303), met inbegrip van de toepassing van het begrip “veilig land van herkomst”.
De jaarverslagen van de Commissie uit hoofde van artikel 9 van de verordening asiel- en migratiebeheer zullen de monitoringresultaten van het EUAA omvatten, waarbij wordt beoordeeld of de lidstaten onder migratiedruk staan of te maken hebben met systemische tekortkomingen die van invloed kunnen zijn op de werking van het Dublinsysteem.
2.2.Beheers- en controlesystemen
2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie
2.2.2.Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken
Een van de belangrijkste risico’s die aan de voorgestelde wijziging verbonden zijn, is dat de lidstaten zouden kunnen veronderstellen dat alle verzoekers uit de landen van herkomst die op het niveau van de Unie als veilig zijn aangewezen, in veiligheid verkeren. Om dit risico te beperken, wordt met betrekking tot verschillende aangewezen landen gespecificeerd dat in het kader van een individuele beoordeling van een asielaanvraag bijzondere aandacht moet worden besteed aan verzoekers die zich in die landen in een specifieke situatie bevinden (bv. slachtoffers van gendergerelateerd geweld, mensenrechtenverdedigers, religieuze minderheden, lhbtiq’ers en journalisten).
2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)
2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden
3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
3.1.Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven
Niet van toepassing omdat er geen financiële of personele gevolgen zijn.
Voeg in de twee tabellen hieronder zoveel begrotingsonderdelen als nodig in.
·Bestaande begrotingsonderdelen
In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
Begrotingsonderdeel
|
Soort uitgave
|
Bijdrage
|
|
|
Nummer
|
GK/NGK.
|
van EVA-landen
|
van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten
|
van andere derde landen
|
andere bestemmingsontvangsten
|
|
|
[XX.YY.YY.YY]
|
GK/NGK
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
|
|
[XX.YY.YY.YY]
|
GK/NGK
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
|
|
[XX.YY.YY.YY]
|
GK/NGK
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
·Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen
In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
Begrotingsonderdeel
|
Soort uitgave
|
Bijdrage
|
|
|
Nummer
|
GK/NGK
|
van EVA-landen
|
van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten
|
van andere derde landen
|
andere bestemmingsontvangsten
|
|
|
[XX.YY.YY.YY]
|
GK/NGK
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
|
|
[XX.YY.YY.YY]
|
GK/NGK
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
|
|
[XX.YY.YY.YY]
|
GK/NGK
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten
3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten
–
Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig
–
Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven
3.2.1.1.Kredieten uit goedgekeurde begroting
miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
Nummer
|
|
|
DG: <…….>
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2021-2027
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
|
Beleidskredieten
|
|
Begrotingsonderdeel
|
Toezeggingen/Verbintenissen
|
(1a)
|
|
|
|
|
0,000
|
|
|
Betalingen
|
(2a)
|
|
|
|
|
0,000
|
|
Begrotingsonderdeel
|
Toezeggingen/Verbintenissen
|
(1b)
|
|
|
|
|
0,000
|
|
|
Betalingen
|
(2b)
|
|
|
|
|
0,000
|
|
Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten
|
|
Begrotingsonderdeel
|
|
(3)
|
|
|
|
|
0,000
|
|
TOTAAL kredieten
voor DG <…….>
|
Toezeggingen/Verbintenissen
|
=1a+1b + 3
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
Betalingen
|
=2a+2b + 3
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2021-2027
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
|
TOTAAL beleidskredieten
|
Toezeggingen/Verbintenissen
|
(4)
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
Betalingen
|
(5)
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten
|
(6)
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK <….>
|
Toezeggingen/Verbintenissen
|
=4+6
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
van het meerjarig financieel kader
|
Betalingen
|
=5+6
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2021-2027
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
|
TOTAAL beleidskredieten
|
Toezeggingen/Verbintenissen
|
(4)
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
Betalingen
|
(5)
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten
|
(6)
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK <….>
|
Toezeggingen/Verbintenissen
|
=4+6
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
van het meerjarig financieel kader
|
Betalingen
|
=5+6
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
|
|
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2021-2027
|
|
|
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
|
• TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken)
|
Toezeggingen/Verbintenissen
|
(4)
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
Betalingen
|
(5)
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
• TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken)
|
(6)
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
TOTAAL kredieten onder de rubrieken 1 tot en met 6
|
Toezeggingen/Verbintenissen
|
=4+6
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
van het meerjarig financieel kader
(referentiebedrag)
|
Betalingen
|
=5+6
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
7
|
“Administratieve uitgaven”
|
|
DG: <…….>
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2021-2027
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
|
Personele middelen
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
TOTAAL DG <…….>
|
Kredieten
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
DG: <…….>
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2021-2027
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
|
Personele middelen
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
TOTAAL DG <…….>
|
Kredieten
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader
|
(totaal vastleggingen = totaal betalingen)
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2021-2027
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
|
TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 7
|
Toezeggingen/Verbintenissen
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
van het meerjarig financieel kader
|
Betalingen
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
3.2.2.Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten (niet invullen voor gedecentraliseerde agentschappen)
Vastleggingskredieten, in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Vermeld doelstellingen en outputs
|
|
|
Jaar
2024
|
Jaar
2025
|
Jaar
2026
|
Jaar
2027
|
Vul zoveel jaren in als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)
|
TOTAAL
|
|
|
OUTPUTS
|
|
|
Soort
|
Gem. kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Totaal aantal
|
Totale kosten
|
|
SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 1…
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 2…
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten
–
Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig
–
Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven
3.2.3.1. Kredieten uit goedgekeurde begroting
|
GOEDGEKEURDE KREDIETEN
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL 2021-2027
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
|
RUBRIEK 7
|
|
Personele middelen
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Subtotaal RUBRIEK 7
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Buiten RUBRIEK 7
|
|
Personele middelen
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Subtotaal buiten RUBRIEK 7
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
|
TOTAAL
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
De benodigde kredieten voor personeel en andere administratieve uitgaven zullen worden gefinancierd uit de kredieten van het DG die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.
3.2.4.Geraamde personeelsbehoeften
–
Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig
–
Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven
3.2.4.1.Gefinancierd uit goedgekeurde begroting
Raming in voltijdequivalenten (vte’s)
|
GOEDGEKEURDE KREDIETEN
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)
|
|
20 01 02 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
20 01 02 03 (EU-delegaties)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
01 01 01 01 (onderzoek onder contract)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
01 01 01 11 (eigen onderzoek)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
• Extern personeel (in vte’s)
|
|
20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Admin. ondersteuning
[XX.01.YY.YY]
|
- centrale diensten
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
|
- EU-delegaties
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
01 01 01 02 (AC, END – onderzoek onder contract)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
TOTAAL
|
0
|
0
|
0
|
0
|
3.2.4.3.Totale personeelsbehoeften
|
TOTAAL GOEDGEKEURDE KREDIETEN + EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)
|
|
20 01 02 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
20 01 02 03 (EU-delegaties)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
01 01 01 01 (onderzoek onder contract)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
01 01 01 11 (eigen onderzoek)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
• Extern personeel (in voltijdequivalenten)
|
|
20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Admin. ondersteuning
[XX.01.YY.YY]
|
- centrale diensten
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
|
- EU-delegaties
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
01 01 01 02 (AC, END – onderzoek onder contract)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
TOTAAL
|
0
|
0
|
0
|
0
|
[Gezien de algemene krapte in rubriek 7, zowel wat het personeelsbestand als het niveau van de kredieten betreft, zullen de benodigde personele middelen worden gedekt door personeel van het DG dat reeds voor het beheer van de actie is toegewezen en/of binnen het DG of andere diensten van de Commissie is herverdeeld.]
Aantal personeelsleden dat nodig is voor de uitvoering van het voorstel (in vte’s):
|
|
Uit te voeren door bestaand personeel van de diensten van de Commissie
|
Uitzonderlijk aanvullend personeel*
|
|
|
|
Te financieren uit rubriek 7 of onderzoek
|
Te financieren uit BA-onderdeel
|
Te financieren uit vergoedingen
|
|
Personeelsformatieposten
|
|
|
n.v.t.
|
|
|
Extern personeel (AC, END, INT)
|
|
|
|
|
Beschrijving van de uit te voeren taken door:
|
Ambtenaren en tijdelijk personeel
|
|
|
Extern personeel
|
|
3.2.5.Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen
Verplicht: in onderstaande tabel moet de beste schatting worden gegeven van de met digitale technologie samenhangende investeringen die uit het voorstel/initiatief voortvloeien.
De kredieten onder rubriek 7 moeten in uitzonderlijke gevallen in het desbetreffende onderdeel worden opgenomen, indien vereist voor de uitvoering van het voorstel/initiatief.
De kredieten onder de rubrieken 1 t/m 6 moeten worden weergegeven als “IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s”. Deze uitgaven betreffen het operationele budget dat gebruikt moet worden voor hergebruik, koop of ontwikkeling van IT-platforms of tools die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van het initiatief, alsook daarmee verband houdende investeringen (bv. licenties, studies, gegevensopslag enz.). De in deze tabel vermelde informatie moet in overeenstemming zijn met de gegevens in deel 4, “Digitale dimensies”.
|
TOTAAL Digitale en IT-kredieten
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2021-2027
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
|
RUBRIEK 7
|
|
IT-uitgaven (algemeen)
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Subtotaal RUBRIEK 7
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Buiten RUBRIEK 7
|
|
IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Subtotaal buiten RUBRIEK 7
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
|
TOTAAL
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
3.2.6.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader
Het voorstel/initiatief:
–
kan volledig worden gefinancierd door middel van herschikking binnen de relevante rubriek van het meerjarig financieel kader (MFK)
–
vereist een beroep op de niet-toegewezen marge in de desbetreffende rubriek van het MFK en/of op de speciale instrumenten zoals gedefinieerd in de MFK-verordening
–
vereist een herziening van het MFK
3.2.7.Bijdragen van derden
Het voorstel/initiatief:
–
voorziet niet in medefinanciering door derden
–
voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:
Kredieten in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
|
Jaar
2024
|
Jaar
2025
|
Jaar
2026
|
Jaar
2027
|
Totaal
|
|
Medefinancieringsbron
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL medegefinancierde kredieten
|
|
|
|
|
|
3.3.
Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
–
Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten
–
Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:
–
voor de eigen middelen
–
voor overige ontvangsten
–
geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven
miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:
|
Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten
|
Gevolgen van het voorstel/initiatief
|
|
|
|
Jaar 2024
|
Jaar 2025
|
Jaar 2026
|
Jaar 2027
|
|
Artikel ………….
|
|
|
|
|
|
Vermeld voor de toegewezen ontvangsten de betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven.
Andere opmerkingen (bv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).
4.Digitale dimensies
Niet van toepassing, aangezien dit een gerichte wijziging van de asielprocedureverordening is en alle kwesties in verband met de digitale dimensie aan bod komen in het migratie- en asielpact. Er zijn geen aanvullende digitale aspecten die in aanmerking moeten worden genomen.
4.1.Voorschriften met digitale relevantie
|
[Voorschrift 1 (V1): …]
[Voorschrift 2 (V2): …]
|
4.2.Gegevens
4.3.Digitale oplossingen
4.4.Interoperabiliteitsbeoordeling
4.5.Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering