Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52025IP0028

P10_TA(2025)0028 — Beoordeling van de uitvoering van Horizon Europa met het oog op de tussentijdse evaluatie ervan en aanbevelingen voor het tiende kaderprogramma voor onderzoek — Resolutie van het Europees Parlement van 11 maart 2025 over de beoordeling van de uitvoering van Horizon Europa met het oog op de tussentijdse evaluatie ervan en aanbevelingen voor het tiende kaderprogramma voor onderzoek (2024/2109(INI))

PB C, C/2025/3147, 20.6.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/3147/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/3147/oj

European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2025/3147

20.6.2025

P10_TA(2025)0028

Beoordeling van de uitvoering van Horizon Europa met het oog op de tussentijdse evaluatie ervan en aanbevelingen voor het tiende kaderprogramma voor onderzoek

Resolutie van het Europees Parlement van 11 maart 2025 over de beoordeling van de uitvoering van Horizon Europa met het oog op de tussentijdse evaluatie ervan en aanbevelingen voor het tiende kaderprogramma voor onderzoek (2024/2109(INI))

(C/2025/3147)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 179 tot en met 188 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (1),

gezien Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013 (2),

gezien Besluit (EU) 2021/764 van de Raad van 10 mei 2021 tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van Horizon Europa – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, en tot intrekking van Besluit 2013/743/EU (3),

gezien Verordening (EU) 2021/819 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 betreffende het Europees Instituut voor innovatie en technologie (4),

gezien Besluit (EU) 2021/820 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 betreffende de strategische innovatieagenda van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT) 2021-2027: Het innovatietalent en de innovatiecapaciteit van Europa stimuleren, en tot intrekking van Besluit nr. 1312/2013/EU (5),

gezien Verordening (EU) 2021/2085 van de Raad van 19 november 2021 voor de oprichting van Gemeenschappelijke Ondernemingen in het kader van Horizon Europa en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 219/2007, (EU) nr. 557/2014, (EU) nr. 558/2014, (EU) nr. 559/2014, (EU) nr. 560/2014, (EU) nr. 561/2014 en (EU) nr. 642/2014 (6),

gezien Verordening (EU) 2021/697 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het Europees Defensiefonds en tot intrekking van Verordening (EU) 2018/1092 (7),

gezien de mededeling van de Commissie van 30 september 2020, getiteld “Een nieuwe EOR voor onderzoek en innovatie” (COM(2020)0628),

gezien de mededeling van de Commissie van 22 oktober 2024 getiteld “Uitvoering van de Europese Onderzoeksruimte (EOR) – Onderzoek en innovatie in Europa versterken: reeds afgelegd en toekomstig traject van de EOR” (COM(2024)0490),

gezien de mededeling van de Commissie van 18 mei 2021 over de totaalaanpak voor onderzoek en innovatie – De strategie van Europa voor internationale samenwerking in een veranderende wereld (COM(2021)0252),

gezien zijn resolutie van 6 april 2022 over de totaalaanpak voor onderzoek en innovatie: de strategie van Europa voor internationale samenwerking in een veranderende wereld (8),

gezien zijn resolutie van 22 november 2022 over de uitvoering van de Europese Innovatieraad (9),

gezien de mededeling van de Commissie van 19 juli 2023 getiteld “EU-missies twee jaar later: evaluatie van de voortgang en aangewezen koers” (COM(2023)0457),

gezien zijn resolutie van 14 december 2023 over jonge onderzoekers (10),

gezien zijn resolutie van 17 januari 2024 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de bevordering van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek in de EU (11),

gezien het advies van het Comité Europese Onderzoeksruimte en Innovatie van 26 juni 2024 over richtsnoeren voor het volgende kaderprogramma voor onderzoek en innovatie,

gezien de in 2024 gepubliceerde evaluatieverslagen van het partnerschap over acht van de negen kennis- en innovatiegemeenschappen, namelijk EIT Urban Mobility, EIT Climate-KIG, EIT Food, EIT InnoEnergy, EIT Health, EIT Manufacturing, EIT Raw Materials en EIT Digital,

gezien het verslag van de CERIS-deskundigengroep van november 2024 getiteld “Building resilience in the civil security domain based on research and technology”,

gezien Speciaal verslag 09/2022 van de Europese Rekenkamer van september 2022 getiteld “Klimaatuitgaven in de EU-begroting 2014-2020: Niet zo hoog als gerapporteerd”,

gezien de mededeling van de Commissie van 19 januari 2016 betreffende het antwoord op het verslag van de deskundigengroep op hoog niveau over de ex-postevaluatie van het zevende kaderprogramma (COM(2016)0005),

gezien het verslag van Enrico Letta van 17 april 2024 getiteld “Much more than a market”,

gezien het verslag van Mario Draghi van 9 september 2024 getiteld “The future of European competitiveness”,

gezien het verslag van de deskundigengroep van de Commissie van 16 oktober 2024 betreffende de tussentijdse evaluatie van Horizon Europa getiteld “Align, Act, Accelerate: Research, Technology and Innovation to boost European Competitiveness”,

gezien artikel 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A10-0021/2025),

A.

overwegende dat Horizon Europa het grootste centraal beheerde financieringsprogramma van de EU en het grootste met overheidsmiddelen gefinancierde programma voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) ter wereld is; overwegende dat het Parlement aanvankelijk een begroting van 120 miljard EUR heeft voorgesteld in plaats van de 93,4 miljard EUR die na de herziening van het meerjarig financieel kader resteert;

B.

overwegende dat investeringen in O&O essentieel zijn voor het concurrentievermogen, de maatschappelijke vooruitgang en innovatie van de EU; overwegende dat in het verslag over de toekomst van het Europese concurrentievermogen (het Draghi-verslag) en het verslag van de deskundigengroep van de Commissie betreffende de tussentijdse evaluatie van Horizon Europa (het Heitor-verslag) is aanbevolen om respectievelijk 200 miljard EUR en 220 miljard EUR van de begrotingsmiddelen beschikbaar te stellen voor het tiende kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (KP10);

C.

overwegende dat het kaderprogramma gebaseerd moet zijn op Europese waarden, wetenschappelijke onafhankelijkheid, vrijheid en excellentie, alsook op hoge Europese ethische normen en een streven om het Europese concurrentievermogen te verbeteren en maatschappelijke uitdagingen aan te pakken;

D.

overwegende dat uit het Draghi-verslag is gebleken dat Europa wereldleider is op het gebied van wetenschap en innovatie, met het op één na hoogste aandeel hoogwaardige wetenschappelijke publicaties en het op twee na hoogste aandeel octrooiaanvragen wereldwijd; overwegende dat in het Draghi-verslag ook werd geconcludeerd dat de waardeketen die van onderzoek tot innovatieve producten leidt voor het verbeteren van het leven van de burgers in de EU, minder doeltreffend is vergeleken met de VS en China bij het omzetten van goed onderzoek in succesvolle bedrijfsactiviteiten die Europese burgers hoogwaardige banen, nieuwe producten en diensten bieden, zoals blijkt uit het feit dat er weliswaar nog steeds een kloof is in innovatieprestaties tussen de VS en de EU, maar dat de kloof tussen de EU en China kleiner wordt; overwegende dat in het Draghi-verslag wordt benadrukt dat Europa met name achterblijft bij het opschalen van start-ups;

E.

overwegende dat commissaris Zaharieva tijdens haar hoorzitting met het Parlement heeft toegezegd zich in te zetten voor een onafhankelijk en vereenvoudigd kaderprogramma en haar steun heeft uitgesproken voor een verhoogde begroting en een meer door deskundigen geleide governance;

F.

overwegende dat in het Heitor-verslag wordt uiteengezet dat in de eerste drie jaar van Horizon Europa 7 474 kmo’s (34 % van alle deelnemers) aan het programma deelnamen en dat meer dan de helft van de kmo’s van Horizon Europa nog niet eerder heeft deelgenomen aan EU-programma’s voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie; overwegende dat het succespercentage van kmo-aanvragen sterk is verbeterd (tot 19,9 % tegenover 12 % in het kader van Horizon 2020);

G.

overwegende dat in het Letta-verslag de vaststelling van een “vijfde vrijheid” wordt voorgesteld die onderzoek, innovatie en onderwijs als een nieuwe dimensie van de eengemaakte markt omvat, aangezien de vier oorspronkelijke vrijheden in wezen op theoretische beginselen uit de twintigste eeuw zijn gebaseerd;

H.

overwegende dat de “vrijheid om te blijven” van het Letta-verslag het belang van het voorkómen van binnenlandse braindrain herhaalt, en dat het initiatief “Choose Europe” van het Heitor-verslag erop gericht is onderzoeksloopbanen te bevorderen en de huidige Europese braindrain uiterlijk in 2035 om te zetten in een “braingain”;

Algemene opmerkingen over Horizon Europa en onderzoek en innovatie (O&I)

1.

wijst erop dat we ons op een cruciaal moment voor O&I bevinden en dat Commissievoorzitter Ursula von der Leyen tijdens de uiteenzetting van haar programma in het Parlement in juli 2024 voor haar tweede ambtstermijn als voorzitter van de Europese Commissie heeft verklaard dat Europa onderzoek en innovatie centraal moet stellen in de economie;

2.

merkt op dat O&I in de verslagen van Draghi, Letta en Heitor van cruciaal belang wordt geacht voor de verwezenlijking van het Europees concurrentievermogen en erop wordt gewezen dat dringend moet worden opgetreden om niet achterop te raken; benadrukt dat een grote mate van inzet nodig is om een toekomstig kaderprogramma tot stand te brengen dat een cruciale bijdrage levert aan het concurrentievermogen en de algemene welvaart van Europa;

3.

wijst erop dat de verslagen van Draghi en Heitor een waarschuwing zijn aan Europa om het hoofd te bieden aan de wereldwijde concurrentie en de aanzienlijke groei van de Chinese wetenschap in de afgelopen jaren; is ingenomen met het hogere succespercentage van Horizon Europa in vergelijking met Horizon 2020; is ingenomen met het vermogen van Horizon Europa om te reageren op crisissituaties, zoals tijdens de COVID-19-pandemie of in het licht van geopolitieke uitdagingen, maar betreurt niet alleen het gebrek aan aanvullende financiering, maar ook de voortdurende bezuinigingen op de financiering waardoor de oorspronkelijke prioriteiten in het gedrang komen;

4.

betreurt dat er sprake is geweest van negatieve ervaringen ten aanzien van de uitvoering van Horizon Europa, aangezien de overgang van Horizon 2020 naar Horizon Europa vooral is ervaren als een toename van complexiteit en bureaucratie; wijst erop dat de succespercentages in bepaalde delen van het programma nog steeds zo laag zijn dat potentieel excellente aanvragen worden ontmoedigd, met name die van onderzoekers van onderzoeksinstellingen met kleinere budgetten en kmo’s; is van mening dat strategische planning moet leiden tot aanzienlijkere voordelen voor de kwaliteit van de programmering en een grotere inzet van alle belanghebbenden op het gebied van O&I, wat tot nu toe niet voldoende het geval lijkt te zijn geweest; is van mening dat het KP10 moet worden gebaseerd op instrumenten in het kader van Horizon Europa die doeltreffend en efficiënt zijn gebleken;

5.

benadrukt het belang van een flexibel kaderprogramma; merkt op dat in het Heitor-verslag wordt geschetst hoe belangrijk het is om in te spelen op de snelle veranderingen op het gebied van wetenschap en innovatie, en beveelt een radicale hervorming aan om beroepsbeoefenaars te betrekken bij het beheer van het programma, met name door middel van de twee voorgestelde nieuwe raden en minder prescriptieve oproepen tot het indienen van voorstellen; herinnert eraan dat er in het Draghi-verslag op wordt gewezen dat de huidige governance van het kaderprogramma traag en bureaucratisch verloopt, dat de organisatie ervan moet worden aangepast zodat deze resultaatgerichter wordt en door topdeskundigen moet worden beoordeeld, en dat het toekomstige kaderprogramma moet worden geleid door mensen met een bewezen staat van dienst op het gebied van onderzoek of innovatie; merkt op dat innovatieve ideeën niet altijd kunnen worden voorspeld en geprogrammeerd en benadrukt de noodzaak van voldoende financiering die niet vooraf is geprogrammeerd teneinde het volledige ontwikkelingspotentieel van innovatie te benutten;

6.

benadrukt het belang van een op excellentie gebaseerd kaderprogramma teneinde de deelname van de beste onderzoekers in Europa via het hele programma te waarborgen; is van mening dat een van de kritieke tekortkomingen van het O&I-beleidslandschap van de EU ook verband houdt met het ontbreken van een zinvolle geïntegreerde en complementaire aanpak tussen plaatsgebonden en excellentiegerichte O&I-activiteiten, met name tussen het kaderprogramma en het O&I-onderdeel van het cohesiebeleid, die qua EU-begroting van dezelfde orde van grootte zijn; merkt op dat de opschaling en commercialisering van onderzoeksresultaten nog steeds een grote uitdaging vormt in Europa;

7.

wijst op de aanbeveling in het Heitor-verslag om een aantrekkelijk en inclusief Europees ecosysteem voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie te bevorderen; herinnert aan de aanbeveling in het Letta-verslag om de ontwikkeling van een vijfde vrijheid op de eengemaakte markt te bevorderen; herinnert aan de opmerking in het Draghi-verslag dat de versnippering van het innovatie-ecosysteem van de EU een van de onderliggende oorzaken is van de zwakke innovatieprestaties van Europa; wijst erop dat het kaderprogramma overeenkomstig de Verdragen in de ontwikkeling van de Europese Onderzoeksruimte wordt gesitueerd; is ervan overtuigd dat het kaderprogramma, met het oog op een maximaal effect ervan, moet worden ingebed in een breder Europees onderzoeksbeleid dat waarborgt dat Europa een aantrekkelijke locatie is voor onderzoeksactiviteiten die wereldwijd talent aantrekken, dat wetenschap effectief omzet in economische groei en maatschappelijke vooruitgang, en dat de innovatiekloof binnen de EU doeltreffend aanpakt; is van mening dat de komende wetgevingshandeling inzake de Europese onderzoeksruimte gericht moet zijn op de verwezenlijking van dit Europa; erkent dat er nog steeds aanzienlijke belemmeringen zijn voor de “braincirculation” tussen de lidstaten, waaronder de erkenning van kwalificaties;

8.

benadrukt de absolute noodzaak dat de lidstaten concrete toezeggingen doen om uiterlijk in 2030 een streefcijfer van 3 % van het bbp aan O&O te bereiken; merkt op dat de EU aanzienlijk minder investeert dan andere wereldmachten, en dat zij de doelstelling van 3 % al meer dan twee decennia niet heeft gehaald; zo heeft zij in 2022 2,24 % van haar bbp in O&O geïnvesteerd, terwijl dat percentage voor de Verenigde Staten 3,5 % was; benadrukt dat elk jaar dat de EU te weinig investeert in O&O, de situatie nog verergert en de kloof met derde landen groter wordt; geeft aan dat grote verschillen bestaan tussen de O&O-intensiteit van de 27 EU-lidstaten, waarvan er vijf de uitgavendoelstelling van 3 % halen, terwijl sommige andere onder de 1 % zitten; wijst erop dat, met minder dan 7 % van het totaal (12), de EU-bijdrage aan O&O-uitgaven een zeer klein deel uitmaakt van de totale overheidsuitgaven voor O&O in de EU; merkt op dat de nationale uitgaven voor onderzoek niet mogen worden verlaagd, louter omdat EU-onderzoeksfinanciering beschikbaar is als alternatieve financiering; benadrukt dat een gezamenlijke inspanning tussen Europese en nationale financiering voor onderzoek en innovatie nodig is; benadrukt tevens de belangrijke rol van particuliere investeringen in onderzoek en innovatie teneinde de overheidsfinanciering aan te vullen; betreurt dat de Europese particuliere investeringen in onderzoek, ontwikkeling en innovatie achterblijven bij die in China en de VS, en 1,3 % van het bbp in de EU bedragen, tegenover 2,4 % in de VS en 1,9 % in China; benadrukt daarom de cruciale rol van het optreden van de EU als katalysator voor O&O-uitgaven en de noodzaak van verdere coördinatie en afstemming tussen de nationale en de EU-uitgaven voor O&O;

9.

benadrukt de cruciale rol van langlopende overheidsfinanciering ter ondersteuning van excellent fundamenteel onderzoek, dat plaatsvindt vanuit wetenschappelijke belangstelling met als enige doel wetenschappelijke kennis te bevorderen en zonder een duidelijk of onmiddellijk voordeel, en dat soms wordt gekenmerkt door serendipiteit;

10.

benadrukt overweging 72 van de Horizon Europa-verordening, waarin staat dat het programma ter waarborging van de wetenschappelijke excellentie en in overeenstemming met artikel 13 van het Handvest, in alle landen die er middelen uit ontvangen de eerbiediging van de academische vrijheid moet bevorderen; benadrukt dat de Commissie, hoewel zich verschillende incidenten ten aanzien van de academische vrijheid hebben voorgedaan in verscheidene landen die financiering van Horizon Europa ontvangen, deze overweging niet doeltreffend heeft gebruikt om specifieke problemen aan te pakken; is ingenomen met de toezegging van de commissaris die verantwoordelijk is voor start-ups, onderzoek en innovatie tijdens haar hoorzitting met het Parlement om een wetgevingsvoorstel over de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek in te dienen; verzoekt de Commissie een dergelijk wetgevingsvoorstel in te dienen, overeenkomstig de resolutie van het Europees Parlement van 17 januari 2024;

11.

steunt de hoge klimaatuitgaven in de eerste jaren van Horizon Europa; dringt er bij de Commissie op aan op koers te blijven om de algemene doelstelling voor klimaatuitgaven van 35 % gedurende de gehele levensduur van het programma te bereiken;

12.

benadrukt dat Horizon Europa op schema ligt om zijn doelstellingen inzake klimaatuitgaven te halen zonder bij de evaluatie van voorstellen, volgens de programmagids van Horizon Europa, rekening te houden met het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”, tenzij dit relevant was voor de inhoud van de oproep; benadrukt dat er geen wettelijke verplichting of rechtsgrondslag is voor de horizontale toepassing van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” of het “berokken geen schade”-beginsel; is ingenomen met de toezegging van de commissaris die verantwoordelijk is voor start-ups, onderzoek en innovatie tijdens haar hoorzitting met het Parlement om de huidige en de nieuwe aanpak van de toepassing van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”, met inbegrip van de rechtsgrondslag voor de toepassing ervan, te beoordelen en de beoordeling met het Parlement te delen; dringt er bij de Commissie op aan om vóór de start van het KP10 aan het Parlement verslag uit te brengen over de gevolgen van het gebruik van het beginsel “geen (ernstige) afbreuk doen” in het kader van Horizon Europa, met inbegrip van een raming van de bijbehorende kosten van de uitvoering ervan voor de Commissie en de begunstigden, en de gevolgen ervan voor de vereenvoudiging van projectaanvragen;

13.

is van mening dat tijdens de uitvoering van Horizon Europa verschillende grote gebeurtenissen in de wereld duizenden onderzoekers in gevaar hebben gebracht, waaronder in de buurlanden van de EU, wat heeft geleid tot een aanzienlijke toename van het aantal aanvragen van onderzoekers die gevaar lopen voor een noodplaatsing in Europa; concludeert echter dat de EU in het kader van het huidige programma niet over voldoende financiering beschikt om onderzoekers die gevaar lopen te ondersteunen en dat de inspanningen van sommige lidstaten en ngo’s versnipperd zijn;

14.

bevestigt het belang van internationale samenwerking voor de wetenschappelijke vooruitgang; is in dit opzicht bezorgd over het feit dat internationale samenwerking in het kader van Horizon Europa is afgenomen ten opzichte van Horizon 2020; moedigt de Commissie aan om meer associatieovereenkomsten met derde landen na te streven en te sluiten, herhaalt (13) en benadrukt dat het vermogen van het Parlement om zinvolle goedkeuring te geven aan internationale overeenkomsten die specifiek betrekking hebben op de deelname van landen als bedoeld in artikel 16, lid 1, punt d), van de Horizon Europa-verordening aan programma’s van de EU, wordt belemmerd wanneer dergelijke overeenkomsten niet voorzien in een structuur die parlementaire controle garandeert in het kader van een goedkeuringsprocedure voor associatie bij een specifiek programma van de EU;

15.

is met name ingenomen met de associatie van het VK en Zwitserland met Horizon Europa, aangezien hiermee wordt erkend dat wetenschap en innovatie in het VK en Zwitserland integrerend deel uitmaken van het Europese ecosysteem voor wetenschap en innovatie; herhaalt zijn bezorgdheid over het gewijzigde protocol van 2023 en de bepalingen ervan met betrekking tot de automatische korting voor het VK; benadrukt dat elke internationale overeenkomst over de associatie van Zwitserland met programma’s van de EU het prerogatief van het Parlement om zinvolle goedkeuring te geven volledig moet eerbiedigen, in overeenstemming met de resolutie van het Parlement over associatieovereenkomsten betreffende de deelname van derde landen aan programma’s van de Unie;

16.

neemt kennis van het witboek van de Commissie over opties om meer steun te bieden aan onderzoek en ontwikkeling op het gebied van technologieën met potentieel voor tweeërlei gebruik; stelt dat bijna alle respondenten van de openbare raadpleging over het witboek optie 3 hebben verworpen; benadrukt dat tal van respondenten van mening waren dat de gevolgen van de opties 1 en 2 niet duidelijk genoeg waren om hen in staat te stellen te bepalen welke optie de voorkeur verdient; benadrukt dat algemeen wordt erkend dat de huidige constellatie moet worden verbeterd om te zorgen voor een efficiënt gebruik van overheidsmiddelen en om de technologische soevereiniteit van Europa te vergroten; merkt op dat commissaris Zaharieva tijdens haar hoorzitting met het Parlement heeft toegezegd deze evaluatie voort te zetten, mogelijk door middel van een nieuwe studie om ervoor te zorgen dat de geuite standpunten representatief zijn voor alle belanghebbenden;

17.

merkt op dat in het kader van Horizon Europa aanzienlijke vooruitgang is geboekt met gendergelijkheidsplannen als subsidiabiliteitscriterium en met de genderdimensie in de context van O&I als standaardtoekenningscriterium binnen het gehele programma; erkent dat recente analyses bevestigen dat het subsidiabiliteitscriterium van gendergelijkheidsplannen een katalysatoreffect heeft gehad;

Opmerkingen over het concurrentievermogen

18.

is er stellig van overtuigd dat EU-uitgaven voor wetenschap, onderzoek en innovatie de beste investering zijn in onze gemeenschappelijke Europese toekomst en voor het vergroten van het concurrentievermogen en maatschappelijke vooruitgang en het succesvol dichten van de innovatiekloof; is het met de heer Draghi eens dat alle overheidsuitgaven voor O&O in de EU beter moeten worden gecoördineerd op EU-niveau, hetgeen inhoudt dat investeringen naar behoren op de strategische prioriteiten van de EU moeten worden afgestemd, waarbij de nadruk moet liggen op financieringsinitiatieven die een relevante impact hebben en meerwaarde creëren, en dat een hervormd en versterkt kaderprogramma van cruciaal belang is om dit te bereiken; benadrukt dat uitgaven voor O&O ook op nationaal niveau tussen de lidstaten beter moeten worden gecoördineerd om echte meerwaarde te waarborgen; herhaalt dat de hervormde begrotingsregels nationale fondsen uitsluiten die worden gebruikt voor de medefinanciering van EU-programma’s, en dringt erop aan dat deze mogelijkheid ten volle wordt benut om de EU-financiering voor onderzoek te stimuleren;

19.

benadrukt het belang van normalisatieactiviteiten om ervoor te zorgen dat Europese bedrijven daadwerkelijk kunnen profiteren van het concurrentievoordeel van onderzoek en innovatie;

20.

benadrukt dat onderzoek en innovatie een belangrijke rol spelen in verschillende industriële sectoren en bijdragen tot het scheppen van banen en het vergroten van het Europese concurrentievermogen ten opzichte van derde landen;

21.

benadrukt het belang van de Europese Innovatieraad (EIC) voor het concurrentievermogen van Europa; beklemtoont in dit opzicht dat investeringen in het kader van de EIC de “vallei des doods” overbruggen en leiden tot innovaties met een potentieel ontwrichtend en baanbrekend karakter met opschalingspotentieel; onderstreept ook het unieke voorstel van de Accelerator van de EIC om op maat gesneden steun te verlenen aan niet-bankabele start-ups met een groot potentieel;

22.

is ingenomen met het feit dat tot nu toe 44 % van de begroting van Horizon Europa heeft bijgedragen aan de digitale en de industriële transitie — met name door het stimuleren van samenwerking voor technologische ontwikkeling — die van fundamenteel belang zijn voor het Europese concurrentievermogen;

23.

is er stellig van overtuigd dat beleid inzake toegepast onderzoek, ontwikkeling en innovatie niet alleen een sleutelrol moet spelen bij duurzaam concurrentievermogen op lange termijn, maar ook van cruciaal belang is bij het voorkomen van, anticiperen op en het hoofd bieden aan de belangrijkste mondiale en maatschappelijke uitdagingen;

Opmerkingen over de technische uitvoering

24.

is van mening dat de administratieve vereenvoudiging in het kader van Horizon Europa stagneerde, aangezien 32 % van de deelnemers van mening is dat een aanvraag voor Horizon Europa lastiger is dan een aanvraag voor Horizon 2020, terwijl bijna de helft van de deelnemers geen verschil meldt (14); is bezorgd over de snel gestegen cumulatieve transactie- en administratieve kosten (15); merkt op dat begunstigden gemiddeld 6-10 % van hun projectbegroting aan administratieve kosten hebben besteed, waarbij 48 % melding maakte van administratieve kosten van meer dan 10 %, waaronder een aandeel van 10 % van de begunstigden die administratieve kosten rapporteerden van meer dan 20 %; betreurt dat de subsidietoekenningstermijn in het kader van Horizon Europa langer is dan die in het kader van Horizon 2020 en dat hiermee de door de Commissie vastgestelde termijn van acht maanden wordt overschreden (16); dringt aan op verdere administratieve vereenvoudiging, het stroomlijnen van de desbetreffende procedures, kostenbesparingen en meer aandacht voor aanvragers, en onderstreept dat vereenvoudiging ten goede moet komen aan de aanvragers, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de aanvragen alle informatie bevatten die nodig is voor de evaluatie van de excellentie ervan;

25.

wijst erop dat de eerste volledige versie van de geannoteerde modelsubsidieovereenkomst voor Horizon Europa pas in mei 2024 is bekendgemaakt, meer dan drie jaar na de start van het programma; merkt op dat begunstigden zonder een volledige versie van dit document niet volledig op de hoogte zijn van de juridische en financiële voorwaarden in verband met de ondertekening van een subsidieovereenkomst; herinnert eraan dat de eerste versie van de geannoteerde modelsubsidieovereenkomst voor Horizon 2020 vóór de officiële start van het programma werd bekendgemaakt; merkt op dat de vertraagde bekendmaking kennelijk te wijten is aan de institutionele benadering van modelsubsidieovereenkomsten die de Commissie heeft gevolgd voor de programma’s van de EU in het kader van het huidige meerjarig financieel kader;

26.

merkt op dat verscheidene begunstigden verschillende meningen en ervaringen met betrekking tot de functionaliteit van forfaitaire bedragen hebben; erkent dat de invoering van forfaitaire financiering in de ogen van sommige begunstigden voor hen geen vereenvoudiging is; benadrukt dat de beoordeling van forfaitaire financiering voor 2024 onduidelijke gegevens bevat, waardoor niet wordt ingegaan op belangrijke zorgen en vragen, zoals de onzekerheid over het effect van een controle achteraf, onbeantwoord blijven, terwijl andere bezwaren, zoals de kunstmatige toename van het aantal werkpakketten, worden gestaafd (17); is van mening dat deze beoordeling bevestigt dat forfaitaire financiering een vereenvoudiging kan zijn voor sommige, maar niet voor alle begunstigden (18);

27.

is van mening dat de vereenvoudiging die wordt geboden door forfaitaire financiering erin bestaat alle verplichtingen inzake de verslaglegging van de werkelijke kosten door de begunstigden aan de Commissie alsmede financiële controles achteraf voor projecten af te schaffen; is ingenomen met het feit dat dit leidt tot een lager foutenpercentage; onderstreept echter dat het foutenpercentage een instrument is om een correcte besteding van overheidsmiddelen te waarborgen en geen doel op zich; waarschuwt er in dit verband voor de kwaliteit van de uitgaven van een zeer succesvol programma niet in gevaar te brengen door het gebruik van forfaitaire bedragen te snel op te voeren;

28.

merkt op dat de gemiddelde omvang van consortia in Horizon Europa aanzienlijk groter is dan die in Horizon 2020 (19); is van mening dat consortia samenwerking bevorderen en dat grotere consortia bijdragen tot bredere en mogelijk meer diverse samenwerking; onderstreept echter dat het beheer van grotere consortia ook meer tijd en inspanningen vergt, zowel in de voorbereidingsfase van het voorstel als in de projectuitvoeringsfase, waardoor middelen worden onttrokken aan het verrichten van onderzoek; is voorts van mening dat het voor nieuwkomers minder aantrekkelijk is om zich aan te sluiten bij complexere consortia, gezien de complexiteit, de middelen en de ervaring die nodig zijn om deze te beheren;

29.

onderstreept het belang van een open en toegankelijk programma met lage drempels voor aanvragen om de deelname van nieuwkomers en kmo’s te waarborgen; onderstreept dat meer dan de helft van de kmo-deelnemers aan Horizon Europa nieuwkomers zijn (20); is van mening dat administratieve lasten, de benodigde tijd en de complexiteit van de aanvragen kmo’s ervan kunnen weerhouden aan het programma deel te nemen (21); merkt op dat de eenvoudige, kleine en snelle subsidies van het kmo-instrument in het kader van Horizon 2020 nieuwkomers hebben aangetrokken (22);

30.

is van mening dat de Commissie er niet in is geslaagd een flexibel maar sterk beheer van het programma Horizon Europa tot stand te brengen, wat tot een complexe uitvoering ervan heeft geleid; verwacht dat in het tussentijdse evaluatieverslag tekortkomingen en mogelijke oplossingen worden behandeld;

Opmerkingen over pijler I

31.

erkent het belang van pijler I voor het bevorderen van wetenschappelijke excellentie en het aantrekken van hooggekwalificeerd onderzoek, via de Europese Onderzoeksraad (ERC) en programma’s zoals de Marie Skłodowska-Curie-acties (MSCA’s);

32.

is ingenomen met het aanhoudende succes van de ERC; benadrukt dat het succes ervan afhangt van de onafhankelijkheid van de Wetenschappelijke Raad; wijst erop dat de afgelopen paar jaren is gebleken dat de aanwezigheid van een bekwame en toegewijde voorzitter van de Wetenschappelijke Raad met erkende wetenschappelijke referenties van essentieel belang is voor de werking en onafhankelijkheid van de ERC; merkt op dat de bottom-upoproepen en onafhankelijke governance van de Wetenschappelijke Raad van de ERC zeer doeltreffend zijn gebleken;

33.

benadrukt het vermogen van zowel de ERC als de MSCA’s om wetenschappelijk talent naar Europa aan te trekken; wijst op de waardevolle bijdrage van de MSCA’s aan het wetenschappelijk leiderschap van Europa; neemt met bezorgdheid kennis van de lage succespercentages van de MSCA’s;

34.

benadrukt dat onderzoeksprojecten die in het kader van pijler I worden gefinancierd, aan het beginsel van “hoog risico/hoog rendement” moeten voldoen; oppert het verduidelijken van de evaluatiecriteria om bij de beoordeling van onderzoeksvoorstellen strikt te waarborgen dat sprake is van “hoog risico/hoog rendement”; merkt op dat “hoog risico” ook het gebruik van nieuwe onderzoeksmethoden inhoudt;

35.

benadrukt dat onderzoeksinfrastructuren, met name digitale onderzoeksinfrastructuren, een essentieel platform bieden voor onderzoekers en innovatoren uit verschillende disciplines en sectoren om gegevens, methoden en expertise uit te wisselen, waarbij de ontwikkeling en toepassing van nieuwe technologieën voor het versterken van de technologische soevereiniteit van Europa worden bevorderd; is in dit verband met name ingenomen met de vooruitgang die is geboekt op het gebied van de Europese openwetenschapscloud en de Europese museumcloud;

Opmerkingen over pijler II

36.

benadrukt dat gezamenlijk onderzoek de kern vormt van de Europese kaderprogramma’s; erkent het belang van pijler II, die een essentieel strategisch instrument is dat pan-Europese samenwerking bevordert door middelen en kennis te bundelen en publieke en private agenda’s voor O&I op elkaar af te stemmen; merkt op dat samenwerking zonder EU-financiering niet in een vergelijkbaar tempo zou plaatsvinden, en benadrukt de unieke meerwaarde van EU-samenwerkingsprogramma’s, met name om Europa in staat te stellen complexe maatschappelijke uitdagingen aan te pakken en bedrijven in essentiële, continentale waardeketens te integreren; is van mening dat pijler II onderzoekssamenwerking heeft bevorderd en met name gezamenlijke agenda’s voor onderzoek en innovatie voor technologische rijping via de gemeenschappelijke ondernemingen heeft kunnen ondersteunen, hetgeen bijdraagt aan het concurrentievermogen van de EU;

37.

beschouwt pijler II als een strategisch instrument om pan-Europese samenwerking en bundeling van kennis en middelen mogelijk te maken, particuliere investeringen aan te trekken en publieke en private belanghebbenden in heel Europa samen te brengen om complexe maatschappelijke uitdagingen aan te pakken; acht het belangrijk deze samenwerkingsverbanden te blijven ondersteunen; erkent echter de complexiteit van pijler II; is van mening dat de uitvoering van deze pijler te complex blijft en moet worden verbeterd, vereenvoudigd en gestroomlijnd met het oog op concrete resultaten, in plaats van alleen uitgaven aan te pakken; merkt op dat het aantal desbetreffende instrumenten, zoals een veelheid aan partnerschappen, de complexe, top-down administratieve uitvoering van missies en de vele begrotingsverschuivingen hebben geleid tot onnodige complexiteit die aanvragers, en met name nieuwe aanvragers, ervan weerhoudt deel te nemen; benadrukt het belang van de toegankelijkheid van deze instrumenten, met name voor kmo’s uit alle Europese regio’s, om deelname voor alle excellente onderzoekers en innovatoren mogelijk te maken en de absorptiecapaciteit van ondernemingen te bevorderen; is ingenomen met de aankondiging van de herbalancering in pijler II, waarbij beter rekening wordt gehouden met de verschillende soorten O&I-activiteiten, van fundamenteel onderzoek tot marktgerichte innovatie, zoals aangekondigd in het tweede strategische plan van Horizon Europa; neemt in dit verband nota van de conclusie in het advies van het Comité Europese Onderzoeksruimte en Innovatie over het KP10 dat de clusterstructuur van Horizon Europa een onnodige belemmering vormt voor deelnemers die op zoek zijn naar financiering, met name nieuwkomers, en van de conclusie van het Draghi-verslag dat het programma de over het algemeen gefragmenteerde en heterogene activiteiten moet consolideren;

Opmerkingen over pijler III

38.

merkt op dat de opschaling en commercialisering van onderzoeksresultaten nog steeds de grootste uitdaging voor Europa vormt; wijst op de beslissende rol van ondernemerschap, bijvoorbeeld bij de commerciële en economische exploitatie van excellent toegepast onderzoek naar baanbrekende innovatie;

39.

benadrukt dat de Europese Innovatieraad werkt aan het dichten van een algemeen erkende investeringskloof voor financiering van scale-ups voor baanbrekende innovaties (23); neemt kennis van het zeer lage succespercentage in het kader van de EIC en is van mening dat dit aantoont dat EIC-financiering belangrijk is, maar dat er sprake is van zorgwekkende onderfinanciering van het programma; is ingenomen met het feit dat de EIC als instrument is voltooid door de invoering van transitieactiviteiten, omdat deze het innovatietraject van een pril idee tot opschaling voltooien door technologische rijping en validering te vergemakkelijken; benadrukt de kwaliteit en relevantie van het advies van het EIC-college en wijst in dit verband op het belang van deskundig advies als leidraad voor de uitvoering van het kaderprogramma;

40.

is van mening dat de EIC in beginsel een noodzakelijk en uitstekend instrument is; is het ermee eens dat het stroomlijnen en stimuleren van de EIC, het aantrekken van particuliere investeringen en het ondersteunen van de commercialisering van onderzoek centraal staan in pijler III, zoals wordt bevestigd in het Heitor-verslag; betreurt echter dat de Commissie enkele uitvoeringsbesluiten heeft genomen die de EIC hebben doen afstappen van zijn beoogde doel om ondernemingen te helpen uitbreiden; erkent dat de EIC de flexibiliteit moet hebben om zijn potentieel om baanbrekende technologie te ondersteunen strategisch optimaal te benutten; is er stellig van overtuigd dat de EIC zijn volledige potentieel kan verwezenlijken als het juridische en institutionele kader van het programma wordt verduidelijkt en versterkt;

41.

betreurt dat niet alle aanbevelingen van het Parlement in zijn resolutie van 22 november 2022 over de uitvoering van de Europese Innovatieraad zijn uitgevoerd, met name de aanbeveling om een grondige beoordeling uit te voeren van manieren om de uitvoering van de EIC te verbeteren, waarbij de oprichting van een onafhankelijk EU-orgaan op grond van artikel 187 VWEU als de belangrijkste entiteit die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de EIC als optie wordt beschouwd; betreurt bovendien dat zijn aanbeveling om ervoor te zorgen dat de uitvoering van zowel de eigenvermogens- als de subsidiecomponent met directe coördinatie tussen de twee componenten is veronachtzaamd;

42.

vestigt de aandacht op het werk van de programmabeheerders bij de EIC; gelooft stellig in de benadering van strategische intelligentie die is ontwikkeld door deskundigen met alom erkende expertise op het gebied van doeltreffende programmering van strategische, op uitdagingen gebaseerde oproepen; waardeert met name het werk van programmabeheerders om projecten te helpen meerwaarde te vinden en te realiseren door projecten van gemeenschappelijk belang samen te brengen;

43.

neemt kennis van de in het algemeen positieve beoordelingen (met name qua EU-meerwaarde) van onafhankelijke deskundigen van de kennis- en innovatiegemeenschappen; merkt op dat de EIT-KIG’s bijdragen tot het versterken van de banden tussen het hoger onderwijs en het bedrijfsleven alsmede om de vaardigheidskloof te dichten en dat synergieën moeten worden onderzocht met de academies die in recente EU-wetgeving zijn ingevoerd (zoals de verordening voor een nettonulindustrie, de verordening kritieke grondstoffen en het cyberbeveiligingspakket); benadrukt bovendien dat de activiteiten in het kader van het regionaal innovatieprogramma (RIS) van het EIT bijdragen tot het verkleinen van de Europese innovatiecapaciteitskloof; wijst erop dat er meer synergieën moeten worden gecreëerd om de innovatiekloof te overbruggen tussen het EIT en andere acties, zoals de voorbereidende actie van de EU “Innovatie voor plaatsgebonden transformatie”, en is van mening dat de KIG’s van het EIT de synergieën binnen het kaderprogramma (in pijler III-activiteiten en tussen pijlers) kunnen verbeteren en concrete synergieën tot stand kunnen brengen tussen excellentiegerichte en plaatsgebonden innovatie, bijvoorbeeld door de uitvoering van opvolgers van activiteiten op het gebied van O&I onder leiding van het directoraat-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling, zoals het instrument voor interregionale innovatie-investeringen (I3);

44.

betreurt echter te moeten concluderen dat de relevantie van het EIT als programma in twijfel wordt getrokken door verschillende belanghebbenden, waaronder enkele van de grootste begunstigden; benadrukt dat het concept “kennis- en innovatiegemeenschappen” in beginsel door belanghebbenden wordt gewaardeerd als een nuttig instrument voor de doeltreffende ontwikkeling en integratie van innovatie-ecosystemen; is van mening dat de twee belangrijkste punten van zorg zijn dat KIG’s financieel zelfstandig moeten zijn (24) en dat het centrale beheer door de EIT-organisatie te bureaucratisch en omslachtig is en tot problemen op governancegebied voor KIG’s leidt (25); concludeert dat voor veel belanghebbenden de financiële en andere kosten, waaronder de hoge last van deelname aan een KIG, zwaarder wegen dan de voordelen van de relatief geringe financieringssteun die voor hen relevant is;

45.

betreurt dat, hoewel er al enige inspanningen zijn geleverd, de synergieën tussen de EIC, het EIT en de ERC onvoldoende ontwikkeld zijn;

Opmerkingen over deel 4

46.

is ingenomen met het feit dat de deelname van entiteiten uit verbredingslanden aan Horizon Europa is toegenomen; erkent dat de innovatiekloof blijft bestaan ondanks een lichte afname van de verschillen in innovatieprestaties in Europa, en ondanks twee decennia van verbredingsinspanningen; benadrukt echter dat het bestaan van deze innovatiekloof in Europa negatieve gevolgen heeft voor de EU als geheel, aangezien het betekent dat beschikbaar talent onbenut blijft en de economische verschillen binnen de EU naar verwachting zullen toenemen; merkt op dat deze geringe deelname deels kan worden verklaard door structurele factoren, waaronder ontoereikende nationale overheidsinvesteringen in O&O, waardoor de doeltreffendheid van de nationale O&I-systemen wordt ondermijnd, zoals blijkt uit lage scores op het Europees innovatiescorebord; merkt voorts op dat er een verband bestaat tussen het hoge niveau van deelname aan kaderprogramma’s en een hoog niveau van nationale overheidsinvesteringen in O&O; is er stellig van overtuigd dat de innovatiekloof zonder nationale hervormingen niet kan worden gedicht, ongeacht de inspanningen die op Europees niveau worden geleverd, en verwijst naar Speciaal verslag 09/2022 van de Europese Rekenkamer over deze kwestie; erkent dat er nieuwe en doeltreffendere mechanismen nodig zijn om de verbreding te vergroten, maar dat de financiering van deze acties hoofdzakelijk afkomstig moet zijn van het nationale niveau en met fondsen van het cohesiebeleid moet worden aangevuld; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de komende wetgevingshandeling inzake de Europese onderzoeksruimte voorziet in strenge verplichtingen voor de lidstaten om de werking van hun O&I-systeem te verbeteren teneinde een einde te maken aan tekortschietende prestaties als gevolg van structurele uitdagingen;

47.

benadrukt het belang van het excellentiekeurmerk in het kader van Horizon Europa; is van mening dat het keurmerk het aanhoudende probleem van onderfinanciering in Horizon Europa gedeeltelijk beperkt, hetgeen een aanzienlijke belemmering vormt om alle voorstellen van hoge kwaliteit naar behoren te kunnen ondersteunen; erkent voorts dat het keurmerk kan bijdragen tot het verbeteren van de relatieve deelname van onderzoekers uit verbredingslanden; benadrukt echter dat het keurmerk niet kan worden beschouwd als een vervanging voor directe financiële steun, met name omdat het geen garantie voor financiering vormt;

48.

merkt op dat een bloeiend Europees innovatie-ecosysteem sterke en goed verbonden plaatsgebonden innovatie-ecosystemen vereist en dat een beter verbonden Europees innovatie-ecosysteem van essentieel belang zal zijn om het concurrentievermogen, de veerkracht en de strategische autonomie van Europa te versterken; erkent dat dankzij samenwerking tussen territoriale ecosystemen Europese regio’s hun gecombineerde sterke punten kunnen benutten om innovatieve oplossingen efficiënter te ontwikkelen; onderstreept dat deze samenwerking ook de commercialisering en schaalvergroting van technologieën versnelt, waardoor het concurrentievermogen van de EU ook wereldwijd wordt versterkt; erkent de cruciale rol van publieke onderzoeksorganisaties, waaronder universiteiten, als drijvende krachten achter plaatsgebonden innovatie;

Opmerkingen over missies en partnerschappen

49.

benadrukt de rol van de missies op het gebied van wetenschapscommunicatie en de noodzaak om deze nog verder te versterken, omdat dit onderzoeksresultaten dichter bij de samenleving zal brengen en zal helpen de uitdaging van wantrouwen in O&I aan te pakken, terwijl het tegelijkertijd helpt een maatschappelijk draagvlak voor overheidsinvesteringen in O&I te creëren; wijst erop dat in de mededeling van de Commissie getiteld “EU-missies twee jaar later: evaluatie van de voortgang en aangewezen koers” de missies niet positief zijn beoordeeld en dat werd geconcludeerd dat tijdens deze missies de belangrijkste doelstellingen, waaronder het mobiliseren van externe financiering, niet zijn bereikt;

50.

wijst op de fundamentele rol van partnerschappen bij het samenbrengen van de Commissie en particuliere en/of publieke partners en is van mening dat zij voortdurende steun moeten krijgen met een vastgestelde doelstelling en reikwijdte; benadrukt dat de beheersstructuren van publiek-private partnerschappen moeten worden gestroomlijnd en vereenvoudigd om onnodige lasten te vermijden en meer nadruk op belangrijke prioriteiten te leggen; beschouwt de gemeenschappelijke ondernemingen als zeer nuttige instrumenten om betere coördinatie en afstemming van onderzoeksagenda’s in de hele EU te bevorderen en om mede-investeringen in O&O tussen de publieke en de particuliere sector te bevorderen; betreurt dat de gemeenschappelijke ondernemingen nog niet hebben geleid tot hogere O&O-uitgaven van de Europese industrie in het algemeen;

Aanbevelingen voor het resterende deel van Horizon Europa

51.

stelt vast dat er zich sinds de publicatie van de mededeling geen noemenswaardige ontwikkelingen hebben voorgedaan bij de uitvoering van de missies; concludeert dat de huidige aanpak van missies onvoldoende gericht is op het bevorderen van creatieve nieuwe ideeën en ideeën op het gebied van O&I om uitdagingen aan te pakken; is van mening dat missiegerichte programmering doelstellingen moet nastreven die door middel van O&I kunnen worden bereikt, moet worden uitgevoerd door middel van open oproepen voor bottom-upideeën om de missie te verwezenlijken en moet worden beheerd door middel van een portefeuillebenadering die voortbouwt op de ervaring van de EIC-programmabeheerders; is van mening dat missiegerichte programmering in de eerste plaats een nieuwe benadering van onderzoeksprogrammering moet zijn, waarbij meer nadruk wordt gelegd op bottom-up-onderzoeksideeën, hetgeen interdisciplinariteit bevordert en met name ruimte creëert voor synergieën tussen alfa- en gammawetenschappen en op technologie gebaseerde activiteiten om problemen aan te pakken; verzoekt de Commissie daarom deze aanpak in de resterende jaren van Horizon Europa te testen door het grootste deel van de aan de missies toegewezen middelen uit te geven door middel van openbare oproepen waarbij voorstellen worden ingediend voor activiteiten op het gebied van O&I die kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van een specifieke doelstelling; moedigt de Commissie aan na te gaan of het passend is de financiering van elke missie in het kader van Horizon Europa voort te zetten en aanvullende financiering en steun te vinden voor de voortzetting van de missies in andere delen van de EU-begroting en, in voorkomend geval, op nationaal en regionaal niveau;

52.

staat achter het voorstel in het Heitor-verslag om in het kader van Horizon Europa een experimentele eenheid op te richten voor het experimenteren met nieuwe uitvoeringsmethoden en -instrumenten teneinde echte vereenvoudiging voor deelnemers te bevorderen en een flexibelere uitvoering van het programma te ontwikkelen; dringt er bij de Commissie op aan om vanaf 2025 een taskforce op te richten om de doeltreffendheid van het Europees Semester te verbeteren, in overeenstemming met het aandeel van de Unie in de richting van de doelstelling van 3 %, zoals duidelijk beschreven in de verslagen van Draghi en Heitor, en herhaald door Europese leiders in de Verklaring van Boedapest over de nieuwe deal voor het Europees concurrentie-vermogen;

53.

dringt erop aan dat de Commissie het gebruik van forfaitaire financiering in het kader van Horizon Europa voortzet en blijft toepassen op begunstigden wanneer uit hun beoordelingen blijkt dat dit duidelijk als een vereenvoudiging wordt ervaren, zoals kmo’s en projecten waarvoor deugdelijk bewijs is dat het echt om vereenvoudiging gaat; onderstreept in dit verband dat de beoogde uitbreiding van het gebruik van forfaitaire bedragen voor het werkprogramma 2026-2027 twijfelachtig blijft gezien de bestaande bezorgdheid over en onzekere factoren inzake de impact van forfaitaire bedragen met betrekking tot de vereenvoudiging die zij sommige begunstigden bieden en de gevolgen ervan voor de kwaliteit van de gefinancierde projecten; verzoekt de Commissie alle nodige stappen te nemen om een degelijk en efficiënt gebruik van EU-middelen te waarborgen alvorens het aandeel van de begroting van Horizon Europa dat in de laatste jaren van Horizon Europa via forfaitaire bedragen wordt besteed, te verhogen en na te gaan of het systeem verder kan worden verbeterd om ervoor te zorgen dat forfaitaire financiering leidt tot echte vereenvoudiging voor begunstigden; steunt de aanbeveling van de Europese Rekenkamer om voor forfaitaire subsidies de reikwijdte van de controles achteraf te bepalen;

54.

steunt de dringende oproep in het Heitor-verslag om een medefinancieringsonderdeel “Kies Europa” in te stellen en de huidige “Europese braindrain” uiterlijk in 2035 om te buigen in een “braingain”, en wijst erop dat dit moet worden gezien als een belangrijke en unieke kans voor Europa in de huidige onzekere geopolitieke context, met name na de recente Amerikaanse verkiezingen, en daarom met spoed uitgevoerd moet worden vanaf 2025;

55.

verzoekt de Commissie de autonomie en flexibiliteit van de EIC onverwijld te herstellen teneinde zich te ontdoen van bestaande complexe processen die tot geringere uitvoering leiden; is van mening dat de transitieactiviteiten van de EIC open moeten staan voor voorstellen op basis van de resultaten van elk kaderprogrammaproject, ongeacht door welk programmaonderdeel het is gefinancierd;

56.

dringt er bij de Commissie, als Hoedster van de Verdragen, op aan zich te beroepen op overweging 72 van de Horizon Europa-verordening om meer eerbiediging van de academische vrijheid in de EU en in geassocieerde landen af te dwingen, met name om deze te gebruiken als grondslag om flagrante schendingen van de academische vrijheid door nationale regeringen openlijk en direct aan te pakken;

57.

beveelt aan dat de toepassing van het beginsel “geen (ernstige) afbreuk doen” vergezeld gaat van gedetailleerde richtsnoeren van de Commissie over de wijze waarop de naleving van het beginsel zal worden beoordeeld in het kader van de specifieke oproep waarin het beginsel wordt toegepast;

Aanbevelingen met betrekking tot het tiende kaderprogramma voor onderzoek (KP10)

58.

dringt erop aan dat het KP10 een op zichzelf staand EU-programma wordt, in het kader van de komende discussie over het Fonds voor concurrentievermogen, zoals aangekondigd door Commissievoorzitter Ursula von der Leyen in haar toespraak van 17 juli 2024 in Straatsburg, die gewijd was aan excellentie op het gebied van onderzoek en innovatie in de EU en strategische technologische ontwikkeling, met een aanzienlijk hogere begroting die geschikt is om de uitgavendoelstelling van 3 % van het bbp te halen en om ten minste 75 % van de excellente (26) ingediende voorstellen te financieren; beveelt aan dat het KP10 wordt toegespitst op drie kerndoelstellingen:

a)

het creëren van een Europese ideeënstrijd en een trechter om de ontwikkeling van fundamentele wetenschap tot opschaling van innovatie te versnellen, het verlenen van steun voor fundamenteel onderzoek en het versterken van de introductie en exploitatie van innovatieve oplossingen;

b)

het ondersteunen van strategische onderzoeksinitiatieven die grootschalige en Europese samenwerking vereisen, aangezien het vermogen van het programma om prioriteit te geven aan deze initiatieven van het grootste belang zal zijn voor het vermogen van Europa om de maatschappelijke uitdagingen aan te pakken waarmee het wordt geconfronteerd, alsook voor de Europese industrie en kmo’s, onder meer voor de technologische rijping en bevordering van Europese ecosystemen, om de concurrentiekloof met onze mondiale concurrenten aan te pakken, waarbij de nadruk wordt gelegd op de ontwikkeling van prioritaire innovatieve geavanceerde technologieën en de omzetting daarvan in concrete toepassingen van innovatieve producten, processen en diensten;

c)

het bevorderen van de EOR, onder meer door de innovatiekloof in Europa aan te pakken;

59.

beveelt de Commissie aan te zorgen voor een gebruikersgerichte, door de wetenschap aangestuurde, doelmatige en doeltreffende uitvoering van het programma, onder meer door:

(a)

gebaseerd op de bevindingen van de deskundigengroep van Heitor en het Draghi-verslag een verbeterde governance in te stellen waarmee tegemoet wordt gekomen aan de noodzaak om de wendbaarheid van het programma te verbeteren, dat:

i.

erop gericht moet zijn excellentie op het gebied van wetenschap, technologische ontwikkeling en innovatie te bevorderen;

ii.

moet bijdragen aan de prioriteiten van de EU op het niveau van wetenschap en innovatie;

iii.

gebaseerd moet zijn op het beginsel van zelfbestuur, waarbij erkende onafhankelijke specialisten uit het desbetreffende vakgebied die in het algemeen belang handelen, kunnen adviseren over de wijze waarop onderzoek en innovatie het best kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van de beleidsprioriteiten die door beleidsmakers zijn vastgesteld; beveelt in het kader van de tenuitvoerlegging van dit beginsel aan om in overeenstemming met het Heitor-verslag nieuwe raden op te richten om deskundig advies te verstrekken over de strategische prioriteiten van het programma en over de formulering van de teksten van oproepen om de kwaliteit ervan te waarborgen;

(b)

met inbegrip van posten voor programmabeheerders voor de EIC, vergelijkbaar met programmabeheerders bij de Amerikaanse ARPA-achtige agentschappen die van buiten de Commissie aangestelde deskundigen met een bewezen staat van dienst op het relevante gebied zijn, die voor een vooraf bepaalde duur worden aangesteld als bijzondere adviseurs van de commissaris die verantwoordelijk is voor onderzoek en innovatie om hun anciënniteit binnen de Commissie te waarborgen, en die strategische visionaire portefeuilles van projecten beheren, samenwerking tussen projecten te bevorderen waar dat relevant is in het hele programma voor hun wederzijds voordeel, en uitdagingen te bepalen op basis van strategische informatie en om het wereldwijde leiderschap van Europa te bevorderen binnen specifieke domeinen van hun vakgebied;

(c)

een ingrijpende vereenvoudiging van de administratieve werkzaamheden met betrekking tot de aanvraag en het beheer van KP10-projecten door te voeren, naar aanleiding van het voorstel in het Heitor-verslag om eerst vertrouwen te hebben en later in het aanvraagsysteem te controleren, en de in aanvragen gevraagde informatie tot een absoluut minimum te beperken — informatie die niet absoluut noodzakelijk is voor een goede kwalitatieve beoordeling van de wetenschappelijke of innovatieve kwaliteit van een voorstel mag niet in de fase van het voorstel worden opgenomen;

(d)

synergieën en gecoördineerde programmering en uitvoering met andere programma’s en sectoraal beleid te bevorderen, met name met het toekomstige nieuwe industriebeleid en de volgende belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en innovatie op nationaal en EU-niveau;

60.

beveelt aan dat gendergelijkheidsplannen als subsidiabiliteitscriteria in het KP10 in hun huidige vorm als een permanent en integrerend onderdeel van de financieringsvereisten van de EU voor onderzoek worden gehandhaafd;

61.

beveelt aan dat de algemene doelstelling inzake de bevordering van de EOR moet leiden tot de ontwikkeling van een excellente, uniforme en goed functionerende Europese onderzoeksruimte die talent aantrekt, nieuwkomers in bestaande netwerken integreert en toegang biedt tot wereldwijd toonaangevende infrastructuur voor onderzoek en technologie, maar open blijft staan voor excellente onderzoeksvoorstellen ongeacht de ondersteunende onderzoeksinstelling, en gezamenlijke onderzoeksprogramma’s in een vroeg stadium met nationale financiers ondersteunt; benadrukt dat de aanstaande wetgevingshandeling inzake de Europese onderzoeksruimte moet zorgen voor meer nationale investeringen, nationale hervormingen en het wegnemen van belemmeringen voor het vrije verkeer van kennis, technologie en onderzoekers, om de voorwaarden te scheppen voor het KP10 om de totstandbrenging van een goed functionerende EOR te ondersteunen;

62.

is van mening dat de programma’s voor onderzoeksinfrastructuren, Europese samenwerking inzake wetenschap en technologie (COST) en teambuilding moeten bijdragen tot de verwezenlijking van deze algemene doelstelling; is ervan overtuigd dat het KP10 moet voorzien in een instrument voor strategische investeringen in technologie-infrastructuren; is van mening dat de MSCA’s een cruciaal instrument zijn om deze doelstelling te verwezenlijken, aangezien zij de mobiliteit bevorderen van de beste en meest vooraanstaande onderzoekers in de hele EU en tussen sectoren, die worden geselecteerd op basis van de excellentie van hun voorstel; is van mening dat, om de integratie van de EOR te bevorderen, de deelname van entiteiten uit gebieden met lage onderzoeksprestaties in het programma moet worden aangemoedigd;

63.

is er stellig van overtuigd dat het KP10 een nieuw Europees beurzenprogramma ter ondersteuning van onderzoekers die gevaar lopen moet omvatten, waarbij rekening wordt gehouden met de lessen die uit de lopende voorbereidende actie zijn getrokken, om deze algemene doelstelling te verwezenlijken;

64.

blijft steun verlenen aan de benadering van de kennisdriehoek van het EIT om innovatie in Europa te bevorderen; is van mening dat een hervormd en geheroriënteerd EIT moet bijdragen tot de verwezenlijking van deze algemene doelstelling, gezien de bijzondere rol van het EIT bij de integratie van het Europese innovatie-ecosysteem;

65.

is van mening dat in het KP10 de uitbreiding en netwerkvorming van ERC en EIC de drijvende kracht moeten zijn voor een Europese ideeënstrijd en dat prioriteit moet worden gegeven aan een verhoging van hun begrotingen in de KP10-begroting; beveelt aan om deze programma’s zo op te zetten dat er een Europese bottom-uptrechter op het gebied van innovatie ontstaat, waardoor de stap van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek naar de grootschalige ontwikkeling van innovatie snel kan worden gezet;

66.

is van mening dat de EIC alleen kans van slagen heeft als i) de verstrekking van gemengde financiering een project op zich vormt en ii) deze raad met dezelfde voorspelbaarheid en wendbaarheid kan handelen als particuliere actoren op de risicokapitaalmarkt door middel van een speciaal op de uitvoering toegesneden juridische entiteit; onderstreept dat de versterkte autonomie en het zelfbestuur van zowel de ERC als de EIC cruciaal zijn om dit te bereiken; is in dit verband van mening dat nieuwe opties moeten worden onderzocht om hun onafhankelijkheid en stabiliteit op lange termijn te waarborgen, zoals de oprichting van specifieke juridische entiteiten;

67.

is van mening dat de uitbreiding van de EIC en de ERC meer financiering moet omvatten voor fundamentele, collaboratieve onderzoeksprojecten en onderzoeksprojecten in een vroeg stadium; beveelt aan dat met deze uitbreiding kleinere projecten en consortia worden gefinancierd teneinde de drempel voor deelname te verlagen, het succespercentage te verhogen en experimenten met nieuwe ideeën en samenwerkingsverbanden aan te moedigen; is van mening dat zowel de Pathfinder van de EIC als de ERC-synergiesubsidies een rol moeten spelen in deze uitgebreide ruimte voor bottom-uponderzoek in samenwerkingsverband; benadrukt dat de Pathfinder van de EIC uitdagingen moet blijven financieren, maar dat deze moeten worden hervormd van op uitdagingen gebaseerde oproepen tot ARPA-achtige uitdagingen die ruimte laten voor bottom-upvoorstellen en tegelijkertijd strategische technologische ontwikkeling waarborgen;

68.

dringt er bij de Commissie op aan het KP10 zodanig te ontwerpen dat het strategisch onderzoek, technologische ontwikkeling en initiatieven voor de uitrol doeltreffend kan ondersteunen, waarbij de nadruk wordt gelegd op een beperkt aantal prioriteiten ter ondersteuning van op onderzoek gebaseerd concurrentievermogen en de veerkracht van belangrijke sectoren in de Europese economie, alsook om maatschappelijke uitdagingen aan te pakken die 2040 als tijdshorizon hebben en die grensoverschrijdende samenwerking vereisen vanwege de omvang en complexiteit van het probleem in kwestie; is van mening dat deze initiatieven de vorm kunnen aannemen van i) maatschappelijke missiegerichte programma’s die sociaal-economische en/of ecologische uitdagingen aanpakken, ii) technologiemissiegerichte programma’s om de ontwikkeling van strategische technologieën in Europa te versnellen en iii) gemeenschappelijke ondernemingen om gezamenlijke investeringen door de particuliere sector, de lidstaten en de EU veilig te stellen;

69.

is er voorts van overtuigd dat een deel van de begroting van het KP10 beschikbaar moet blijven voor samenwerkingsoproepen voor hogere niveaus van technologische paraatheid ter ondersteuning van strategische samenwerking die niet door de strategische initiatieven wordt bestreken, en dat deze begroting met name kan worden gebruikt voor door de programmabeheerders samengestelde strategische oproepen voor de verdere ontwikkeling van een opkomend ecosysteem;

70.

benadrukt dat missiegerichte programma’s in het kader van het KP10 fundamenteel anders moeten worden georganiseerd dan de huidige missies in het kader van Horizon Europa; verzoekt de Commissie in het kader van het KP10 missiegerichte programma’s uit te voeren waarin doelstellingen worden vastgesteld die kunnen worden bereikt door middel van O&I, die worden uitgevoerd door middel van openbare oproepen tot het indienen van bottom-up-ideeën, waarbij interdisciplinariteit wordt bevorderd, onder meer tussen alfa- en gammawetenschappen gestuurde en technologiegerichte activiteiten, om de missie te verwezenlijken, en die worden beheerd door middel van een portefeuillebenadering die voortbouwt op de ervaring die is opgedaan met het proefproject in het kader van Horizon Europa; onderstreept dat voor een succesvol beheer van deze missiegerichte programma’s een uitstekende expertise op het gebied van de missies vereist is in plaats van generieke expertise;

71.

onderstreept dat de procedures voor het verkrijgen van steun in het kader van het KP10 in overeenstemming moeten zijn met de omstandigheden waarin de ondernemingen verkeren; is van mening dat daartoe in het kader van het KP10 opnieuw een op de industrie gerichte aanvraagprocedure moet worden ingevoerd, die voortbouwt op de ervaring met het sneltraject naar innovatie van Horizon 2020, met name wanneer het programma gericht is op de ondersteuning van strategische initiatieven;

72.

is ervan overtuigd dat een strategische benadering van internationale samenwerking belangrijker is dan ooit; is van mening dat wereldwijde samenwerking op het gebied van wetenschap van essentieel belang is voor de kennisontwikkeling van de mensheid, maar niet op een naïeve wijze mag worden nagestreefd; beveelt aan dat de Commissie een duidelijk strategisch beleidskader voor haar besluiten over internationale samenwerking ontwikkelt, met inbegrip van i) een duidelijk beleid inzake de associatie van derde landen waarin wordt erkend dat associatie een instrument is voor politieke partnerschappen, ii) een gestructureerd proces om te bepalen hoe open of gesloten KP10-projecten moeten zijn om het best mogelijke onderzoek te bevorderen, waarbij ook rekening wordt gehouden met de strategische belangen van de EU, en iii) een plan om wereldwijde samenwerking via het programma te stimuleren;

73.

benadrukt hoe belangrijk het is dat het KP10 gevolg geeft aan de aanbeveling van de Raad inzake onderzoeksveiligheid; verzoekt de Commissie in de strategische benadering aan te geven of het juiste evenwicht tussen veiligheid en openheid het best kan worden bereikt op het niveau van programma’s, oproepen of geselecteerde projecten; is ook van mening dat, naast de flexibiliteit van het kaderprogramma zelf, de verwezenlijking van veerkracht moet worden gemainstreamd om een integrerend deel uit te maken van alle activiteiten op het gebied van toegepast onderzoek, ontwikkeling en innovatie van het volgende kaderprogramma, op een gedifferentieerde manier afhankelijk van het onderwerp en het soort activiteit; meent met name dat bij innovatieactiviteiten dicht bij de markt rekening moet worden gehouden met het risico van een grotere afhankelijkheid van derde landen als gevolg daarvan, alsook met de noodzakelijke grotere strategische autonomie van de EU;

74.

beveelt in beginsel aan het civiele karakter van het volgende kaderprogramma te handhaven en oproepen specifiek voor defensietoepassingen over te laten aan de opvolger van het Europees Defensiefonds; dringt er bij de Commissie op aan opties verder te ontwikkelen teneinde de synergieën tussen uitgaven op het gebied van civiele en defensie-O&O te versterken; verzoekt de Commissie met name na te gaan hoe de exploitatie van het potentieel voor tweeërlei gebruik kan worden gemaximaliseerd, met name door middel van interventies na de projectselectie in plaats van bij de vaststelling van oproepen of programma’s; benadrukt dat academische vrijheid het recht van onderzoekers omvat om te beslissen aan welk onderzoek en welke ontwikkeling zij willen bijdragen;

75.

beveelt aan dat het programma de rol van interdisciplinair onderzoek bij het aanpakken van maatschappelijke uitdagingen moet erkennen, alsook bij een betere integratie van alfa- en gammawetenschappen; wijst nogmaals op de noodzaak van voldoende financiering voor onderzoeksprojecten die maatschappelijke uitdagingen aanpakken en die binnen de alfa- en gammawetenschappen vallen;

76.

beveelt aan onderzoeksacties in te voeren teneinde meer onderzoek met een lager niveau van technologische paraatheid en fundamenteel onderzoek te bevorderen en aan te moedigen;

77.

merkt op dat de toewijzing van ten minste 35 % van de uitgaven van Horizon Europa aan klimaatdoelstellingen in overeenstemming was met de algemene EU-doelstelling om klimaatactie in haar sectorale beleidsmaatregelen en fondsen te integreren; beschouwt dit als een ambitieuze doelstelling om ervoor te zorgen dat in het kader van het KP10 voldoende middelen worden uitgetrokken voor wetenschap, onderzoek en innovatie ter ondersteuning van de klimaatdoelstellingen van de EU;

78.

benadrukt dat elke mogelijke toepassing van het beginsel “geen (ernstige) afbreuk doen” in het kader van het KP10 moet worden vastgelegd in de KP10-wetgeving, overeenkomstig artikel 33, lid 2, punt d), van het Financieel Reglement;

79.

beveelt aan dat de centrale rol van normalisatie bij het stimuleren van innovatie, het vergroten van het concurrentievermogen en het waarborgen van doeltreffende, marktklare oplossingen in het KP10 wordt erkend door ervoor te zorgen dat kosten in verband met normalisatieactiviteiten, waar relevant in projecten, duidelijk worden erkend als in aanmerking komend voor vergoeding in het kader van het programma, en door onderzoekers bij hun normalisatieactiviteiten te ondersteunen;

80.

dringt erop aan dat de regels betreffende de associatie van derde landen met het KP10 vereisen dat deze associaties alleen via internationale overeenkomsten kunnen worden gesloten waarbij de goedkeuring van het Parlement vereist is voor elke specifieke associatie met een specifiek EU-programma, met inbegrip van de reikwijdte van die associatie;

81.

merkt op dat het KP10 rekening moet houden met het gebruik van artificiële intelligentie (AI) als een manier om Europese ontwikkeling en onderzoek te bevorderen, terwijl specifieke risico’s die zich kunnen voordoen als gevolg van misbruik van AI in de wetenschappelijke omgeving en de bijbehorende mitigatiemaatregelen in kaart moeten worden gebracht;

°

° °

82.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede de regeringen van de lidstaten.

(1)   PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.

(2)   PB L 170 van 12.5.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/695/oj.

(3)   PB L 167 I van 12.5.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2021/764/oj.

(4)   PB L 189 van 28.5.2021, blz. 61, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/819/oj.

(5)   PB L 189 van 28.5.2021, blz. 91, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2021/820/oj.

(6)   PB L 427 van 30.11.2021, blz. 17, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/2085/oj.

(7)   PB L 170 van 12.5.2021, blz. 149, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/697/oj.

(8)   PB C 434 van 15.11.2022, blz. 23.

(9)   PB C 167 van 11.5.2023, blz. 8.

(10)   PB C, C/2024/4183, 2.8.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4183/oj.

(11)   PB C, C/2024/5713, 17.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5713/oj.

(12)  Draghi-verslag over de toekomst van het Europese concurrentievermogen, blz. 236.

(13)  Resolutie van het Europees Parlement van 8 februari 2024 over associatieovereenkomsten betreffende de deelname van derde landen aan programma’s van de Unie, PB C, C/2024/6341, 7.11.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6341/oj.

(14)  Europese Commissie: Directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie, “ Evaluation study of the European framework programmes for research and innovation for an innovative Europe – Report phase 2 – Supporting the interim evaluation of Horizon Europe ”, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2024, blz. 47-48.

(15)  Heitor-verslag, blz. 90.

(16)  Europese Commissie: directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie, “ Evaluation study of the European framework programmes for research and innovation for an innovative Europe – Report phase 2 – Supporting the interim evaluation of Horizon Europe ”, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2024, blz. 49.

(17)  Europese Commissie: Directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie, Assessment of Lump Sum Funding in Horizon 2020 and Horizon Europe – Analysis of implementation data and feedback from surveys, 25 juli 2024.Een belangrijk punt van discussie was dat het volledige effect van forfaitaire financiering op projecten onbekend is, aangezien er geen substantiële gegevens over volledig afgesloten projecten beschikbaar waren. Bovendien is in een vroeg stadium erkend dat forfaitaire bedragen waarschijnlijk zouden werken voor kleinere projecten (en projecten met één begunstigde), maar het belangrijkste punt van twijfel is de impact ervan op grotere, complexere projecten. Zie bijvoorbeeld de gezamenlijke verklaring van 2021 van Earto, EUA en CESAER (https://www.eua.eu/news/eua-news/eua-cesaer-and-earto-call-for-caution-in-the-use-of-lump-sum-funding-in-horizon-europe.html). Het verzet tegen het wijdverbreide gebruik van forfaitaire bedragen vloeit voort uit het feit dat, zonder substantiële gegevens over ervaringen met forfaitaire bedragen en zonder resultaten van grote projecten met meerdere begunstigden, de effecten van forfaitaire bedragen op die projecten onbekend zijn. Dit is derhalve de kwestie die in de beoordeling van 2024 had moeten worden aangepakt. Een groot deel van het proefproject in het kader van Horizon 2020 betrof “proof of concept”-projecten van de ERC; dit betrof kleine subsidies met één begunstigde. Vanwege hun specifieke aard worden de proof of concept-projecten uitgesloten van de meeste, maar niet van alle, forfaitaire financieringsanalyses. Zij lijken bijvoorbeeld te zijn opgenomen in het aantal afgesloten projecten (proof of concept-projecten zijn goed voor 44 % van de projecten (zie blz. 8 van de beoordeling van de Commissie van 2024), dus moeten zij worden opgenomen in de 96 % van de afgesloten Horizon 2020-projecten (zie figuur 6)). Door dit selectieve en ondoorzichtige gebruik van gegevens is de beoordeling niet overtuigend.

(18)  Slide 2 van de presentatie van de Europese Commissie voor het webinar getiteld “Lump Sum Funding in Horizon Europe: How does it work? How to write a proposal?”, 16 mei 2024,

https://ec.europa.eu/research/participants/docs/h2020-funding-guide/other/event240516.htm. European Commission: EU Science & Innovation, promotional video on lump sums entitled “How to evaluate lump sum proposals: Get started”, 2023, https://www.youtube.com/watch?v=VsSO_s1Ec84.Europese Commissie: EU wetenschap & innovatie, webinar getiteld “Lump Sum Funding in Horizon Europe: How does it work and what are the next steps?”, 2022, https://www.youtube.com/watch?v=gUFYkhxE70I. In minuut 3.05 verwijst directeur Will naar de verlaging van het foutenpercentage als reden voor het gebruik van forfaitaire bedragen. In minuut 10.35 wordt op de eerste slide van de eerste presentatie de verlaging van het foutenpercentage vermeldt als eerste doelstelling van het gebruik van forfaitaire bedragen.

(19)  Het gemiddelde aantal deelnemers aan een subsidie is gestegen van 5,0 in het kader van Horizon 2020 tot 7,1 in het kader van Horizon Europa (zie: “Horizon Europe Strategic Plan 2025-2027 Analysis”). Tegelijkertijd is het aandeel samenwerkingssubsidies gedaald van 78 % in het kader van Horizon 2020 tot 56 % in het kader van Horizon Europa (zie kader 9.1 van het Heitor-verslag).

(20)  Europese Commissie: Directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie, SME participation in Horizon Europe – Key figures (and key issues) in the first three years, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2024, blz. 11.

(21)  Europees Parlement, panel voor de toekomst van wetenschap en technologie, The Horizon Europe Programme: A strategic assessment of selected items, 2024, blz. 48.

(22)  90 % procent van de deelnemers aan fase 1 van het kmo-instrument bestond uit nieuwkomers, terwijl tot dusver slechts 70 % van de deelnemers aan de Accelerator van de EIC uit nieuwkomers bestaat. Europese Commissie: Directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie, SME participation in Horizon Europe – Key figures (and key issues) in the first three years, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2024, blz. 11.

(23)  Europese Commissie: Directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie, “ Evaluation study of the European framework programmes for research and innovation for an innovative Europe – Report phase 2 (support study for the interim evaluation of Horizon Europe) ”, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2024, blz. 98.

(24)  Zie bijvoorbeeld de visie van de European University Association’s op het KP10, blz. 14: https://www.eua.eu/publications/positions/paving-the-way-for-impactful-european-r-i.html.

(25)  Zie bijvoorbeeld het standpunt van het Fraunhofer Gesellschaft: https://www.fraunhofer.de/content/dam/zv/en/institutes/international/brussels/finalpapers/Fraunhofer_PositionPaper_EIT.pdf.

(26)  Hierbij wordt benadrukt dat een wijziging van de drempel voor “excellent” om het streefcijfer van 75 % te halen geen aanvaardbare aanpak zou zijn als de begroting niet tegelijkertijd wordt verhoogd.


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/3147/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)


Top