EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 30.7.2024
COM(2024) 329 final
2024/0190(NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité dat is ingesteld bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen ten aanzien van de vaststelling van de algemene voorwaarden met betrekking tot elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong overeenkomstig artikel 17, lid 4, van aanhangsel A van protocol nr. 3 bij die overeenkomst
TOELICHTING
1.Onderwerp van het voorstel
Dit voorstel betreft het besluit tot bepaling van het standpunt dat namens de Unie in het Gemengd Comité van de overeenkomst tussen de EU en Noorwegen moet worden ingenomen in verband met de voorgenomen aanneming van een besluit tot vaststelling van de algemene voorwaarden met betrekking tot elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong.
2.Achtergrond van het voorstel
2.1.De Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen
Met de overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen (de overeenkomst) wordt beoogd de harmonische ontwikkeling van de economische betrekkingen tussen de partijen te bevorderen door uitbreiding van het wederzijdse handelsverkeer. De overeenkomst is op 1 juli 1973 in werking getreden.
2.2.Het Gemengd Comité
Het bij artikel 29 van de overeenkomst ingestelde Gemengd Comité kan aanbevelingen doen en besluiten nemen. Aanbevelingen en besluiten van het Gemengd Comité worden in onderlinge overeenstemming tussen beide partijen vastgesteld.
2.3.De beoogde handeling van het Gemengd Comité
Het Gemengd Comité zal op zijn volgende vergadering of bij briefwisseling een besluit tot vaststelling van de algemene voorwaarden met betrekking tot elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong (de beoogde handeling) aannemen.
3.Namens de Unie in te nemen standpunt
Tijdens de eerste technische vergadering over de overgangsregels van oorsprong die op 5 februari 2020 in Brussel plaatsvond, zijn de meeste partijen bij de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels (de conventie) overeengekomen de herziene regels van de conventie (de overgangsregels van oorsprong) parallel aan de regels van de conventie uit te voeren, op een bilaterale overgangsbasis, in afwachting van de vaststelling van de herziene regels van de conventie.
Sinds 1 september 2021 is al een netwerk van bilaterale protocollen inzake oorsprongsregels tussen partijen bij de conventie in werking getreden, op grond waarvan de overgangsregels van toepassing zijn geworden, onder andere tussen de EU en Noorwegen.
Het doel van de overgangsregels van oorsprong is soepelere oorsprongsregels in te voeren om de kwalificatie van preferentiële oorsprong voor goederen te vergemakkelijken, en de mogelijkheid te creëren om gebruik te maken van elektronisch afgegeven en/of elektronisch ingediende bewijzen van oorsprong.
De EU en Noorwegen zijn overeengekomen om de bepalingen van artikel 17, lid 4, van aanhangsel A van protocol nr. 3 bij de overeenkomst toe te passen wat elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong betreft, en er moet derhalve een kader van algemene voorwaarden worden vastgesteld.
Tijdens de vergadering van het Gemengd Comité van de conventie op 7 december 2023 hebben de partijen met eenparigheid van stemmen de aanbeveling van het Gemengd Comité over het gebruik van elektronische certificaten in het kader van de huidige conventie aangenomen. De aanbeveling bevat een lijst van voorwaarden waaraan een bewijs van oorsprong in de vorm van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 moet voldoen om door de partij van invoer te kunnen worden aanvaard.
Deze voorwaarden zijn dezelfde als de algemene voorwaarden met betrekking tot elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong die in dit voorstel worden vastgesteld.
Om te garanderen dat de bepalingen betreffende bewijzen van oorsprong in de vorm van elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer in de Europese Unie op uniforme wijze worden toegepast, wil de Commissie een elektronisch systeem opzetten voor de indiening van aanvragen voor certificaten inzake goederenverkeer die elektronisch worden afgegeven, voor de afgifte van die certificaten en voor de opslag en de uitwisseling van informatie tussen de douaneautoriteiten van de lidstaten onderling alsook met partijen bij de conventie. Dit systeem van elektronische certificaten ten bewijze van de oorsprong (het zogenaamde “e-PoC-systeem van de EU”) moet worden opgezet overeenkomstig Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad en de uitvoeringsbepalingen daarvan. Het door de EU in het Gemengd Comité in te nemen standpunt moet door de Raad worden vastgesteld.
Het voorgestelde kader is technisch van aard; het heeft betrekking op de thans geldende overgangsregels van oorsprong tussen de partijen en is niet van invloed op de inhoud van het protocol betreffende de oorsprongsregels. Er is dus geen effectbeoordeling vereist.
4.Rechtsgrondslag
4.1.Procedurele rechtsgrondslag
4.1.1.Beginselen
Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.
Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt”.
4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval
Het Gemengd Comité is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, te weten de overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen.
De door het Gemengd Comité vast te stellen handeling is een handeling met rechtsgevolgen.
De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.
De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.
4.2.Materiële rechtsgrondslag
4.2.1.Beginselen
De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt moet worden ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of overwegende component, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is gelet op de hoofddoelstelling of de overwegende component.
4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval
De doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op het gemeenschappelijke handelsbeleid.
De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 207, lid 4, eerste alinea, VWEU.
4.3.Conclusie
De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.
5.Gevolgen voor de begroting
De algemene voorwaarden met betrekking tot elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong hebben geen meetbare impact op de EU-begroting omdat zij hoofdzakelijk beperkt blijven tot het faciliteren van het handelsverkeer en het consolideren van moderne praktijken van de douaneautoriteiten. Zij zorgen voor vereenvoudiging op de gebieden die onder de bevoegdheid van de autoriteiten blijven zonder te raken aan de inhoud van de regels op basis waarvan goederen de oorsprong verkrijgen. Het gebruik van elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong verbetert de doeltreffendheid van douanecontroles en vermindert het risico op fraude door een veilige omgeving voor afgifte en verificatie te creëren.
6.Bekendmaking van de beoogde handeling
Aangezien de handeling van het Gemengd Comité een aanvulling vormt op protocol nr. 3 bij de overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen, moet deze na de vaststelling ervan bekend worden gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2024/0190 (NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité dat is ingesteld bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen ten aanzien van de vaststelling van de algemene voorwaarden met betrekking tot elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong overeenkomstig artikel 17, lid 4, van aanhangsel A van protocol nr. 3 bij die overeenkomst
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)De overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen (de overeenkomst) is door de Unie gesloten bij Verordening (EEG) nr. 1691/73 van de Raad en is op 1 juli 1973 in werking getreden.
(2)Overeenkomstig artikel 29 van de overeenkomst kan het bij dat artikel ingestelde Gemengd Comité besluiten nemen.
(3)Op zijn volgende vergadering zal het Gemengd Comité een besluit tot vaststelling van de algemene voorwaarden met betrekking tot elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong aannemen.
(4)Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité, aangezien het besluit van het Gemengd Comité bindend zal zijn voor de Unie.
(5)Tijdens de eerste technische vergadering over de overgangsregels van oorsprong die op 5 februari 2020 in Brussel plaatsvond, zijn de meeste partijen bij de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels (de conventie) overeengekomen de herziene regels van de conventie (de overgangsregels van oorsprong) parallel aan de regels van de conventie uit te voeren, op een bilaterale overgangsbasis, in afwachting van de vaststelling van de herziene regels van de conventie.
(6)De toepassing van de overgangsregels van oorsprong zorgt ervoor dat de handelsstromen en douanepraktijken worden aangepast in afwachting van de inwerkingtreding van de herziene regels van de conventie, waarop de overgangsregels van oorsprong zijn gebaseerd, op 1 januari 2025.
(7)Sinds 1 september 2021 is al een netwerk van bilaterale protocollen inzake oorsprongsregels tussen verschillende partijen bij de conventie in werking getreden, op grond waarvan de overgangsregels van oorsprong van toepassing zijn geworden in afwachting van de inwerkingtreding van de wijziging van de conventie.
(8)De twee belangrijkste doelstellingen van de overgangsregels van oorsprong zijn soepelere oorsprongsregels in te voeren om de kwalificatie van preferentiële oorsprong voor goederen te vergemakkelijken, en de mogelijkheid te creëren om gebruik te maken van elektronisch afgegeven of elektronisch ingediende bewijzen van oorsprong.
(9)De EU en Noorwegen zijn overeengekomen om de bepalingen van artikel 17, lid 4, van aanhangsel A van protocol nr. 3 bij de overeenkomst toe te passen wat elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong betreft. Derhalve moet er een kader van algemene voorwaarden worden vastgesteld.
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het namens de Unie in het Gemengd Comité in te nemen standpunt is gebaseerd op de aan dit besluit gehechte ontwerphandeling van het Gemengd Comité.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de Commissie.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter