|
Samenvatting |
|
Effectbeoordeling voor de verordening tot vaststelling van eisen inzake ecologisch ontwerp voor lichtbronnen en afzonderlijke voorschakelapparatuur en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 244/2009, (EG) nr. 245/2009 en (EU) nr. 1194/2012 van de Commissie 1 en de verordening met betrekking tot de energie-etikettering van lichtbronnen en tot intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 874/2012 van de Commissie 2 |
|
A. Noodzaak van actie |
|
Waarom? Wat is het probleem? |
|
Verlichtingsproducten zijn nog steeds een van de grootste elektriciteitsverbruikers in de Europese Unie (ongeveer 12 % van de volledige bruto elektriciteitsproductie in de EU-28). Er werd verwacht dat de bestaande eisen in 2020 een energiebesparing van 110 TWh zouden opleveren, maar volgens de meest recente ramingen zou dit slechts 70 TWh worden. Uit de evaluatie die aan de basis van de effectbeoordeling ligt, blijkt dat de verwachte besparingen wellicht niet worden gerealiseerd omdat: (1)de eisen op het gebied van energie-efficiëntie achterhaald zijn; (2)de uitvoering en het toezicht omslachtig zijn door: a) complexe wetgeving; b) onduidelijkheid en dubbelzinnigheid van toepassingsgebied en vrijstellingen; c) het te grote aantal door de markttoezichtautoriteiten te controleren parameters en te dure/lange controletests; (3)recent "volledig geïntegreerde armaturen" in de handel zijn gebracht (waaruit de lichtbron niet kan worden verwijderd voor controle): er is onduidelijkheid over de vraag of deze verlichtingsproducten binnen het toepassingsgebied van de bestaande wetgeving vallen en over de regels om te controleren of deze producten aan de eisen voldoen. Het risico bestaat dat deze verlichtingsproducten slechts beperkte energiebesparingen opleveren. |
|
Wat moet met dit initiatief worden bereikt? |
|
Geactualiseerde eisen inzake energie-efficiëntie en geactualiseerde energie-etikettering zullen het concurrentievermogen van de Europese industrie en de voorlichting aan consumenten over efficiënte producten verbeteren en tot verdere energiebesparingen leiden. Met vereenvoudigde wetgeving, een herdefiniëring van het toepassingsgebied, duidelijkere vrijstellingen en vereenvoudigde tests worden eventuele achterpoortjes gesloten zodat er voor de sector een gelijk speelveld ontstaat en de naleving en handhaving worden vergemakkelijkt. |
|
Wat is de meerwaarde van maatregelen op EU-niveau? |
|
Het op EU-niveau opleggen van minimale energie-efficiëntieniveaus en een energielabel biedt een duidelijke toegevoegde waarde. Zonder geharmoniseerde eisen op EU-niveau zouden de lidstaten worden aangemoedigd nationale productspecifieke minimumeisen inzake energie-efficiëntie vast te stellen in het kader van hun nationale energie- en milieubeleid. Dit zou een belemmering vormen voor het vrije verkeer van goederen. Voordat de huidige wetgeving inzake ecologisch ontwerp en energie-etikettering op EU-niveau bestond, was dit voor veel producten inderdaad het geval. |
|
B. Oplossingen |
|
Welke wetgevende en niet-wetgevende beleidsmaatregelen zijn overwogen? Heeft een bepaalde optie de voorkeur? Waarom? |
|
Er zijn vier beleidsopties in overweging genomen: 1.Basisscenario: geen maatregelen 2.Uitsluitend energie-etikettering: Optie 2, met een nieuwe metriek en nieuwe klassengrenzen voor energie-etikettering, de herdefiniëring van het toepassingsgebied en de vrijstellingen, en een etiket met aangepaste A-G-schaalverdeling. Zou van toepassing zijn met ingang van september 2021. De wetgeving inzake ecologisch ontwerp zou ongewijzigd blijven. 3.Energie-etikettering en ecologisch ontwerp in 2021: Optie 3, met bovendien een herziening van de wetgeving inzake ecologisch ontwerp, met nieuwe eisen inzake energie-efficiëntie en nieuwe functionele eisen en de herdefiniëring van het toepassingsgebied en de vrijstellingen. Dit is de voorkeursoptie. 4.Energie-etikettering en ecologisch ontwerp in 2021-2023: Optie 4, waarbij de toepassing van de eisen voor langwerpige T8-fluorescentielampen wordt uitgesteld tot september 2023. |
|
Wie steunt welke optie? |
|
Alle belanghebbenden steunen de herziening van zowel de eisen inzake ecologisch ontwerp als de energie-etikettering voor verlichtingsproducten. Belangrijke delen van de markt worden niet bereikt als alleen de energie-etikettering wordt herzien: uit de resultaten van de effectbeoordeling blijkt dat kansen op besparingen zouden worden gemist en dat het concurrentievermogen achteruit zou gaan ten gevolge van dumpingpraktijken. De belanghebbenden steunen ook het gebruik van kwaliteitsvolle leds, de vereenvoudiging van de wetgeving, de herziening van het toepassingsgebied en een verdere verduidelijking van de vrijstellingen. Het tijdschema voor de uitfasering van T8-fluorescentielampen is het meest gevoelige punt, aangezien sommige belanghebbenden (een deel van de industrie en een minderheid van de lidstaten) zich afvragen of alle T8-toepassingen tegen september 2021 door voldoende led-alternatieven zullen kunnen worden vervangen, en er de voorkeur aan geven deze uitfasering met een paar jaar te verlaten. De meerderheid van de lidstaten staat achter een vroege uitfasering van T8-lampen in combinatie met gerichte vrijstellingen voor probleemsectoren. Ngo’s en consumentenverenigingen zijn gekant tegen een late uitfasering van T8-lampen. |
|
C. Effecten van de voorkeursoptie |
|
Wat zijn de voordelen van de voorkeursoptie (indien van toepassing, anders van de belangrijkste opties)? |
|
Tegen 2030 zal optie 3 (energie-etikettering en ecologisch ontwerp in 2021) de volgende voordelen bieden: ·Extra energiebesparingen van 41,9 TWh/jaar en besparingen op de uitstoot van broeikasgassen van 14,3 Mt CO2-equivalent/jaar, d.w.z. 2,88 % van de doelstelling van de Commissie voor 2030 voor de besparing op het eindverbruik van energie en 1,34 % van het Commissie-streefcijfer voor 2030 wat betreft de besparingen op broeikasgasemissies; ·7,7 miljard EUR aan extra besparingen op de jaarlijkse uitgaven van de eindgebruiker en 1,1 miljard EUR extra bedrijfsinkomsten per jaar; ·Een aanpassing aan de stand van de techniek en de globale minimumeisen op het gebied van energie-efficiëntie in andere economieën; ·Een versterking van het concurrentievermogen en de leidende rol van de hoogwaardige maakindustrie in de EU; ·De bescherming van Europese kleine en middelgrote ondernemingen. |
|
Wat zijn de kosten van de voorkeursoptie (indien van toepassing, anders die van de belangrijkste opties)? |
|
De kosten worden als volgt geraamd: ·Consumenten: 1,1 miljard EUR extra aankoopkosten in 2030 (maar de totale uitgaven, inclusief energieverbruik, dalen met 7,7 miljard EUR); ·Installateurs: 0,2 miljard EUR door de dalende inkomsten in 2030 (maar totale bedrijfsinkomsten nemen toe); ·Leveranciers: eenmalig 0,03 miljard EUR voor nieuwe etikettering in 2022; ·Handelaren: eenmalig 0,004 miljard EUR voor nieuwe etikettering in 2022. De kosten voor handelaren en leveranciers vloeien voort uit de toepassing van de nieuwe kaderverordening energie-etikettering. |
|
Wat zijn de gevolgen voor bedrijven, kleine, middelgrote en micro-ondernemingen? |
|
De totale bedrijfsinkomsten zullen stijgen, met name voor de industrie, de groothandel, detailhandelaren en onderhoudsdiensten. In de verlichtingssector vergroten Aziatische fabrikanten snel hun wereldwijde marktaandeel door vooral in te zetten op prijs. De eisen inzake ecologisch ontwerp en energie-etikettering zijn van cruciaal belang voor de EU-industrie, omdat deze zich zo kan onderscheiden op basis van kwaliteit en innovatie. Een nieuwe etiketteringsschaal zal een stimulans zijn voor industriële innovatieve ontwikkeling van leds die tot de nieuwe top kunnen gaan behoren. Fabrikanten van verlichtingsarmaturen – grotendeels Europese kleine en middelgrote ondernemingen – zullen profiteren van de afschaffing van het specifieke energie-etiket voor verlichtingsarmaturen, omdat de administratieve lasten zullen afnemen. |
|
Zijn er significante gevolgen voor de nationale begrotingen en overheden? |
|
Er zijn geen andere gevolgen voor de nationale begrotingen/overheden dan hierboven vermeld. |
|
Zijn er nog andere significante gevolgen? |
|
Ja, er wordt verwacht dat de voorkeursoptie een positief effect zal hebben op het concurrentievermogen en de innovatie in de EU. |
|
D. Evaluatie |
|
Wanneer wordt dit beleid geëvalueerd? |
|
In het voorstel wordt een clausule opgenomen dat de verordening 5 jaar na vaststelling ervan wordt herzien. |