This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52014DC0165
REPORT FROM THE COMMISSION TO THE EUROPEAN PARLIAMENT AND THE COUNCIL A SMARTER VISA POLICY FOR ECONOMIC GROWTH
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD EEN SLIMMER VISUMBELEID VOOR ECONOMISCHE GROEI
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD EEN SLIMMER VISUMBELEID VOOR ECONOMISCHE GROEI
/* COM/2014/0165 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD EEN SLIMMER VISUMBELEID VOOR ECONOMISCHE GROEI /* COM/2014/0165 final */
Inhoudsopgave 1............ INLEIDING.. 3 2............ DOELSTELLINGEN
VAN DE VISUMCODE EN VOORGAANDE BEOORDELINGEN 4 2.1......... Doelstellingen
van de Visumcode. 4 2.2......... Voorgaande
beoordelingen. 5 2.2.1...... Uitvoering en
ontwikkeling van het gemeenschappelijk visumbeleid voor snellere groei 5 2.2.2...... Verslag over
de werking van de plaatselijke Schengensamenwerking tijdens de eerste twee
jaren van de uitvoering van de Visumcode. 6 3............ ALGEMENE
UITVOERING VAN DE VISUMCODE.. 7 3.1......... Algemene
overwegingen. 7 3.2......... Gebrek aan
statistische gegevens. 7 3.3......... Evaluatie
per specifieke doelstelling. 8 3.3.1...... Vereenvoudiging
van het rechtskader 8 3.3.2...... Versterking
van het rechtskader voor een betere harmonisatie van de praktijken. 8 3.3.3...... Versterking van
procedurele waarborgen en waarborging van gelijke behandeling en transparantie 8 3.3.4...... Verbetering
van de consulaire organisatie en samenwerking (mede in verband met de invoering
van het VIS) 14 4............ CONCLUSIES. 15 1. INLEIDING Een gemeenschappelijk visumbeleid is een
wezenlijk onderdeel van de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ruimte
zonder controles aan de binnengrenzen. Het Schengenacquis dat tot stand is
gebracht in het kader van de intergouvernementele Schengensamenwerking, werd na
het van kracht worden van het Verdrag van Amsterdam opgenomen in het
institutionele en rechtskader van de Europese Unie[1]. In de Visumcode[2]
zijn geharmoniseerde procedures en voorwaarden vastgesteld voor de afgifte van
visa voor kort verblijf. In de Visumcode worden alle rechtshandelingen die de
voorwaarden en procedures voor de afgifte van visa voor kort verblijf regelen,
herzien en samengevoegd en worden verouderde onderdelen van het Schengenacquis
ingetrokken. De herziening had betrekking op de Gemeenschappelijke
Visuminstructies, alsook op delen van de Overeenkomst van Schengen en elf
besluiten van het Uitvoerend Comité van Schengen. Bovendien werd het
Gemeenschappelijk Optreden 96/197/JBZ van 4 maart 1996 met betrekking tot de
luchthaventransitregeling in het rechtskader van de Europese Unie opgenomen. De Visumcode had onder meer tot doel het
rechtskader samen te voegen en daarmee te vereenvoudigen. Daarnaast werd beoogd
legaal reizen te bevorderen en onregelmatige immigratie te bestrijden door
verdere harmonisatie van de manier waarop de plaatselijke consulaire
vertegenwoordigingen van de lidstaten visumaanvragen behandelen. Legaal reizen
diende onder andere te worden bevorderd, omdat ervan werd uitgegaan dat
frequente en regelmatige reizigers die bekend zijn bij de consulaten, sneller
een visum dienden te kunnen krijgen dan onbekende, eerste aanvragers. De voornaamste procedurele versoepelingen
hebben betrekking op de afgifte van meervoudige inreisvisa en minder strenge
vereisten op het gebied van bewijsstukken. Zo maakt de Visumcode het mogelijk
om de behandeling van aanvragers af te stemmen op hun visumverleden. Daarnaast
wordt beoogd ervoor te zorgen dat soortgelijke gevallen gelijk worden
behandeld. Sedert de vaststelling van de Visumcode is in
politieke kringen het besef gegroeid dat het gemakkelijker moet worden gemaakt
om in een veilige omgeving naar Europa te reizen. Hiertoe voert de EU momenteel
dialogen over visumliberalisering met een aantal partnerlanden en de komende
jaren zullen er waarschijnlijk nog meer van dergelijke gesprekken volgen.
Voorts heeft de EU negen visumversoepelingsovereenkomsten gesloten met
partnerlanden[3].
Het sluiten van deze overeenkomsten kan worden beschouwd als een eerste stap op
weg naar visumliberalisering en toont aan hoeveel belang de EU hecht aan het
bevorderen van de mobiliteit en het vereenvoudigen van het reizen naar Europa
voor meer onderdanen van derde landen. De EU heeft er belang bij dat bezoekers
met open armen worden ontvangen, want reizigers dragen bij aan de economische
groei. Bovendien zijn contacten tussen volkeren en culturen bevorderlijk voor
het wederzijds begrip en de interculturele dialoog. Volgens een recent onderzoek[4] over de economische
gevolgen van de versoepeling inzake visa voor korte verblijven tot de conclusie
dat heeft het aantal reizigers dat door de huidige visumvereisten voor de zes
in de studie onderzochte derde landen ervan wordt weerhouden om naar het
Schengengebied te reizen een aanzienlijke negatieve impact (direct en indirect)
op het bbp. Volgens een voorzichtige schatting bedraagt het jaarlijks verlies 4,2
miljard EUR, maar een verlies van 12,6 miljard EUR is aannemelijker. Dit komt
neer op een verlies van 80 000 arbeidsplaatsen als gevolg van directe en
indirecte effecten in het Schengengebied volgens de voorzichtige schatting en
van 250 000 arbeidsplaatsen volgens het aannemelijke scenario. Sinds de inwerkingtreding van de Visumcode
drie jaar geleden zijn de visumprocedures in het Schengengebied aanmerkelijk
verbeterd, maar de wereld heeft niet stilgestaan en de doelstellingen en
prioriteiten zijn geëvolueerd (zie bijvoorbeeld punt 2.2.1 hieronder). Het feit
dat de onderlinge samenhang van de beleidslijnen van de Europese Unie moet
worden vergroot (zo dient de Europese Unie overeenkomstig artikel 167 van het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bij haar optreden uit hoofde
van andere bepalingen van de Verdragen ook rekening te houden met de culturele
aspecten van de Verdragen) en de huidige economische vooruitzichten hebben
ertoe geleid dat het ‘genereren van groei’ als doelstelling in het
gemeenschappelijk visumbeleid is opgenomen. In dit verband moet er ook voor
meer samenhang met het handelsbeleid worden gezorgd. Bij de afwegingen inzake eventuele
onderhandelingen over visumversoepelingsovereenkomsten kunnen bijvoorbeeld de handelsbetrekkingen,
waaronder handelsovereenkomsten, in aanmerking worden genomen. In deze context
is dit verslag opgesteld. In het verslag wordt aangegeven hoe het
gemeenschappelijk visumbeleid verder kan worden verbeterd en vereenvoudigd,
zodat de EU aantrekkelijker wordt voor het bedrijfsleven, onderzoekers,
studenten en kunstenaars alsmede professionals uit de culturele sector, en
wordt een antwoord geformuleerd op bestaande en toekomstige uitdagingen. 2. DOELSTELLINGEN VAN DE VISUMCODE
EN VOORGAANDE BEOORDELINGEN 2.1. Doelstellingen van de Visumcode De Visumcode heeft als hoofddoel om de
voorwaarden en procedures vast te stellen voor de afgifte van visa voor
doorreis door of beoogd verblijf in het Schengengebied, voor kort verblijf
alsmede voor doorreis via de internationale transitzones van luchthavens.
Daarnaast heeft de Visumcode tot doel om het legaal reizen te bevorderen en de
onregelmatige immigratie aan te pakken. Met het oog op het verwezenlijken van
de doelstellingen als bedoeld in de toelichting[5]
bij het voorstel van Commissie van 2006 dient de Visumcode: - de
consulaire organisatie en samenwerking te verbeteren (mede in verband met de
invoering van het Visuminformatiesysteem (VIS))[6]; – de
procedurele waarborgen te versterken; – de
gelijke behandeling van visumaanvragers te verbeteren door een aantal
onderwerpen/punten te verduidelijken, waardoor/teneinde de geharmoniseerde
toepassing van de wettelijke bepalingen wordt verbeterd/te verbeteren. Overeenkomstig artikel 57, lid 1, van de
Visumcode dient de Commissie twee jaar na de toepassing van alle bepalingen
(d.w.z. op 5 april 2013) verslag uit te brengen aan het Europees Parlement en
de Raad over de toepassing van de verordening. Daarin dienen de bereikte
resultaten te worden getoetst aan de doelstellingen en moet worden nagegaan hoe
de verordening is toegepast. Middels dit verslag, dat is gebaseerd op een
gedetailleerde evaluatie van de uitvoering van de Visumcode die is vastgesteld
in het werkdocument van de diensten van Commissie[7] (WDDC), wordt aan die
verplichting voldaan en worden suggesties gegeven om werk te maken van de nog
niet volledig verwezenlijkte doelstellingen en de vastgestelde moeilijkheden
met de toepassing. 2.2. Voorgaande beoordelingen Vooruitlopend op deze evaluatie van de
uitvoering van de Visumcode publiceerde de Commissie in november 2012 een
mededeling over de uitvoering en ontwikkeling van het gemeenschappelijk
visumbeleid voor snellere groei en een verslag over de werking van de
plaatselijke Schengensamenwerking tijdens de eerste twee jaren van de
uitvoering van de Visumcode. 2.2.1. Uitvoering
en ontwikkeling van het gemeenschappelijk visumbeleid voor snellere groei[8] Gelet op de verklaring van de G20-ministers
tijdens hun bijeenkomst in mei 2012 in Mérida (Mexico) over de groei die met
versoepeling van de visumprocedures kan worden verwezenlijkt, heeft de
Commissie zich gebogen over de economische gevolgen van het visumbeleid voor de
economie van de EU in ruimere zin. Daarbij onderzocht zij met name de
toeristische sector en de manier waarop het beleid kan worden afgestemd
op de groeidoelstellingen van de Europa 2020-strategie. Het gemeenschappelijk visumbeleid en de
gemeenschappelijke regels voor controles aan de buitengrenzen hebben tot doel
bij te dragen tot de afschaffing van het toezicht aan de binnengrenzen, d.w.z.
de totstandbrenging van het Schengengebied[9].
Het is de hoofddoelstelling van het visumbeleid om het reizen voor legale
reizigers eenvoudiger te maken, onregelmatige migratie tegen te gaan en de
openbare orde en veiligheid te beschermen. De huidige economische inzinking
toont echter aan dat het gemeenschappelijk visumbeleid zich ook moet richten op
de mogelijkheden om economische groei te creëren. Enerzijds werd in de mededeling vastgesteld
dat "(i)n vergelijking met de vroegere situatie (…) de Visumcode een
grote stap vooruit (is) en (…) de visumprocedures drastisch zijn
verbeterd." Vervolgens werd een aantal belangrijke verbeteringen met
betrekking tot de wettelijke bepalingen opgesomd. Anderzijds werd geconcludeerd
dat er ruimte voor verbetering is "omdat de Visumcode nog niet over de
hele lijn optimaal wordt toegepast" en dat de "meeste
belemmeringen [voor de vereenvoudiging van de procedures voor de afgifte van
visa] kunnen worden weggenomen als de consulaten van de lidstaten de Visumcode
correct toepassen en de Commissie daarop toeziet". In de mededeling
worden tevens problemen genoemd die bij een toekomstige herziening van de
Visumcode dienen te worden opgelost om ervoor te zorgen dat "de
procedures voor legale reizigers kunnen worden verbeterd en versoepeld, zonder
uit het oog te verliezen dat sommige reizigers uit het oogpunt van migratie of
veiligheid een risico vormen." 2.2.2. Verslag
over de werking van de plaatselijke Schengensamenwerking tijdens de eerste twee
jaren van de uitvoering van de Visumcode[10] De bepalingen van de Visumcode hebben een
universeel karakter. De medewetgevers hebben evenwel erkend dat de plaatselijke
omstandigheden in aanmerking dienen te worden genomen bij de geharmoniseerde
toepassing van algemene wettelijke bepalingen. In artikel 48 van de Visumcode
wordt het rechtskader voor de plaatselijke consulaire samenwerking in het
Schengengebied (plaatselijke Schengensamenwerking) vastgesteld, waardoor een
coherente samenwerking tussen de lidstaten[11]
op plaatselijk niveau een wezenlijk onderdeel wordt van de toepassing van het
gemeenschappelijk visumbeleid. Deze samenwerking blijft vooralsnog beperkt
tot het beoordelen van de noodzaak om specifieke bepalingen aan de plaatselijke
omstandigheden aan te passen, met name wat de bewijsstukken betreft die de
aanvragers dienen te verstrekken. Bij een positieve beoordeling dient de
Commissie de gemeenschappelijke 'plaatselijke' voorschriften via een
uitvoeringsbesluit goed te keuren. De activiteiten in verband met de kerntaak
van de plaatselijke Schengensamenwerking, namelijk de harmonisatie van de
bewijsstukken, activiteiten die ook het duidelijkst zichtbaar zijn voor het
algemene publiek, hebben tot dusverre evenwel alleen geleid tot de goedkeuring
van zes uitvoeringsbeslissingen van de Commissie voor 15 derde landen en één
EU-lidstaat. Hieruit blijkt dat het versterkte rechtskader
tot nu toe niet de beoogde resultaten heeft opgeleverd. De meerwaarde van
plaatselijke Schengensamenwerking wordt onvoldoende onderkend en de lidstaten
dienen deze taak gezamenlijk op te pakken. Deze bevindingen werden bevestigd
door de jaarverslagen voor de periode 2012-2013. Het is derhalve van groot
belang om het rechtskader voor de plaatselijke Schengensamenwerking te
versterken, aangezien met name het gebrek aan consistentie tussen de praktijken
van de lidstaten in hetzelfde ambtsgebied leidt tot klachten en frustraties
onder visumaanvragers, ongeacht hun nationaliteit, beroep of status. De Commissie stelt voor om in het kader van de plaatselijke Schengensamenwerking bindende voorschriften in te voeren voor de harmonisatie van bewijsstukken. Het nieuwe Schengenevaluatiemechanisme dat van toepassing wordt in 2015 en dat het mogelijk zal maken om thematische evaluaties uit te voeren, kan een belangrijke rol spelen bij de handhaving van de bepalingen inzake de plaatselijke Schengensamenwerking. Op dit moment moet er in elk ambtsgebied een afzonderlijk
jaarverslag worden opgesteld en dient de Commissie deze door te sturen naar het
Europees Parlement en de Raad om volledige transparantie te waarborgen. De Commissie stelt voor dat er één alomvattend jaarverslag over de plaatselijke Schengensamenwerking wordt opgesteld, dat met de medewetgevers wordt gedeeld, om een consistente transparantie te waarborgen. 3. ALGEMENE UITVOERING VAN DE
VISUMCODE 3.1. Algemene
overwegingen Hoewel het niet mogelijk is om aan te tonen
dat de Visumcode rechtstreeks van invloed was op het aantal visa voor kort
verblijf dat in de periode 2010–2012 werd aangevraagd en afgegeven, heeft verduidelijking
van het rechtskader bijgedragen tot een aanzienlijke stijging van het aantal
visumaanvragen. Tussen 2009 en 2012 nam het totale aantal aanvragen met 48 %
toe, een jaarlijkse stijging van ca. 15 %. Op een paar uitzonderingen na[12] is het aantal visumaanvragen
dat jaarlijks wordt verwerkt, in alle lidstaten toegenomen. Tegelijkertijd is
het totale afwijzingspercentage geslonken[13],
hoewel er grote verschillen zijn tussen de verschillende regio's van de wereld[14]. In het algemeen wordt ervan uitgegaan dat de
algemene doelstelling om de onregelmatige immigratie aan te pakken, is gehaald.
Noch de onderzoeksresultaten noch de uitkomsten van de openbare raadpleging
wijzen op veiligheidsrisico's of -problemen als gevolg van de Visumcode of de
toepassing daarvan. Vanuit de lidstaten worden deze evenmin gemeld. Uiteraard
dient een hoog niveau van veiligheid te worden gehandhaafd wanneer nieuwe
versoepelingen voor legale reizigers worden voorgesteld. Ook dient er rekening mee
te worden gehouden dat de veiligheid toeneemt als gevolg van de invoering van
het VIS (Visuminformatiesysteem), die in oktober 2011 is begonnen en in de loop
van 2015 moet zijn afgerond. 3.2. Gebrek aan statistische gegevens Adequate, betrouwbare en vergelijkbare
statistische gegevens zijn een noodzakelijke voorwaarde voor een empirisch
onderbouwde evaluatie van de tenuitvoerlegging van de wetgeving en de
doeltreffendheid en doelmatigheid daarvan. Volgens artikel 46 moeten de lidstaten ieder
jaar statistieken aan de Commissie verstrekken over het voorgaande jaar. In
bijlage XII worden de gegevens beschreven die dienen te worden verstrekt (bijv.
het type visum, het aantal aangevraagde/afgegeven/geweigerde visa, eenmalige of
meervoudige inreisvisa). Hoewel de door de lidstaten verstrekte
gegevens hun nut bij de beoordeling van de toepassing van bepaalde onderdelen
van de Visumcode hebben bewezen, zijn de gegevens onvoldoende uitgesplitst om
de gevolgen van specifieke bepalingen te kunnen beoordelen. Zo worden voor
meervoudige inreisvisa alleen totaalcijfers verzameld, zonder rekening te
houden met de geldigheidsduur. De totaalcijfers hebben derhalve betrekking op
meervoudige inreisvisa met een geldigheidsduur die uiteenloopt van twee weken
tot vijf jaar. Gegevens worden verzameld op basis van het ambtsgebied (d.w.z.
waar het visum is aangevraagd/afgegeven) en het aangevraagde type visum (visum
voor kort verblijf of luchthaventransitvisum), maar er zijn geen gegevens
beschikbaar over de nationaliteit van de aanvrager of het doel van de reis.
Daardoor is het onmogelijk om trends in kaart te brengen, bijvoorbeeld met
betrekking tot het aantal aangevraagde toeristenvisa. De Commissie stelt voor om bijlage XII zodanig te herzien dat er gedetailleerdere gegevens worden verzameld teneinde in de toekomst naar behoren te kunnen evalueren in hoeverre is voldaan aan de doelstellingen. 3.3. Evaluatie
per specifieke doelstelling 3.3.1. Vereenvoudiging
van het rechtskader De samenvoeging van alle wetgeving over de
verwerking van aanvragen van visa voor kort verblijf en de wijziging van
afgegeven visa tot één instrument heeft duidelijk bijgedragen tot een
vereenvoudiging van de wetgeving en geleid tot meer transparantie en meer
rechtszekerheid. 3.3.2. Versterking
van het rechtskader voor een betere harmonisatie van de praktijken Het doel om een duidelijk rechtskader tot
stand te brengen voor het gemeenschappelijk visumbeleid inzake verblijven van
ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen is in het algemeen
gehaald. De afgelopen jaren is de aandacht van de Commissie evenwel gevestigd
op de situatie van de onderdanen van derde landen die gegronde redenen hebben
om langer dan 90 dagen binnen een periode van 180 dagen te blijven (zie
punt 2.1.9 van WDDC). Dergelijke, al dan niet visumplichtige, personen willen
weliswaar langer dan 90 dagen in het Schengengebied blijven, maar niet langer
dan 90 dagen in één bepaalde lidstaat. Tot deze categorie personen behoren bijvoorbeeld
uitvoerende kunstenaars die gedurende langere tijd in het Schengengebied
rondreizen, alsook individuele reizigers, zoals kunstenaars, professionals uit
de cultuursector, studenten en gepensioneerden. Aangezien zij niet in
aanmerking komen voor een nationaal visum voor verblijf van langere duur noch
voor een Schengenvisum voor kort verblijf of een andere vergunning, verkeren
zij in een rechtsvacuüm. Een en ander leidt ertoe dat lidstaten vaak ‘creatief’
met bepaalde rechtsinstrumenten omgaan. De Commissie sluit haar ogen niet voor
dergelijke praktijken en stelt voor om een specifieke verblijfsvergunning in te
voeren om aan de behoeften van deze personen tegemoet te komen. De Commissie stelt een rechtsinstrument voor tot invoering van een nieuwe verblijfsvergunning voor een verblijf in het Schengengebied dat langer duurt dan de huidige 90 dagen binnen een periode van 180 dagen. 3.3.3. Versterking
van procedurele waarborgen en waarborging van gelijke behandeling en transparantie De resultaten van de openbare raadpleging[15], het hierboven
genoemde onderzoek naar de economische gevolgen en individuele klachten wijzen
erop dat de doelstellingen op het gebied van procedurele waarborgen onvoldoende
zijn verwezenlijkt. Zowel individuele aanvragers als professionele
belanghebbenden ervaren bepaalde aanvraagprocedures als langdurig,
omslachtig en kostbaar. Bij elke visumaanvraag moet de aanvrager eerst
bepalen welke lidstaat bevoegd is om zijn aanvraag te behandelen (2.1.1.1,
paragraaf 1, WDDC). Er zijn duidelijke, objectieve criteria aan de hand waarvan
kan worden vastgesteld welke lidstaat bevoegd is om een aanvraag te
onderzoeken. In de praktijk blijken zowel aanvragers als consulaten hier
evenwel een harde dobber aan te hebben in gevallen waarin de aanvrager met één
visum meerdere lidstaten wil bezoeken. De huidige regels zijn blijkbaar
verwarrend en de eerste ervaringen van aanvragers met het visumbeleid van het
Schengengebied zijn vaak negatief. In de volgende fase dient het aanvraagformulier
te worden ingevuld (2.1.1.2, paragraaf 10, WDDC). Hoewel het formulier in de
regel niet tot veel problemen leidt, is het voor vereenvoudiging vatbaar. Zo
kan de verplichting om bepaalde informatie te verstrekken komen te vervallen,
aangezien deze te zijner tijd beschikbaar is in het VIS, wanneer de invoering
daarvan is afgerond. Daarnaast zouden de aanvragers gebaat zijn bij een betere
uitleg over het invullen van het formulier. De Commissie stelt voor om de regels voor het bepalen van de bevoegde lidstaat te verduidelijken en het aanvraagformulier te vereenvoudigen. De verplichting tot 'verschijning in
persoon' bij het indienen van een aanvraag (punt 2.1.1.1, paragrafen 7- 9,
WDDC) vormt een belangrijke hinderpaal, omdat deze vaak als bijzonder
omslachtig wordt ervaren. In bepaalde gevallen moeten aanvragers hiervoor naar
een buurland reizen, omdat de bevoegde lidstaat niet aanwezig of
vertegenwoordigd is in het land waar zij verblijven. Het is duidelijk dat dit
de totale kosten voor aanvragers opdrijft. Hoewel de lidstaten toestaan dat
aanvragers de aanvraag via een externe dienstverlener of een commercieel
bemiddelaar indienen, worden bekende aanvragers maar zelden vrijgesteld van de
verplichting tot ‘verschijning in persoon’ bij het indienen van een aanvraag. Tot nu toe moeten visumaanvragen steeds in
persoon bij een consulaat of via een externe dienstverlener worden ingediend.
De geleidelijke invoering van het VIS houdt in dat eerste aanvragers zich in
ieder geval bij een consulaat of externe dienstverlener moeten vervoegen om hun
vingerafdrukken te laten afnemen. De meeste lidstaten hebben echter te maken met
een toename van het aantal aanvragen en bezuinigingen op de overheidsuitgaven.
Daardoor wordt in toenemende mate gebruikgemaakt van externe dienstverleners
voor de inontvangstneming van visumaanvragen, worden er commerciële
bemiddelaars erkend (d.w.z. reisbureaus/reisorganisatoren) die aanvragen
indienen namens (groepen van) visumaanvragers en stellen individuele lidstaten bekende
aanvragers vrij van de verplichting tot ‘verschijning in persoon’ bij het
indienen van een aanvraag. Een en ander lijkt erop te wijzen dat een
bezoek aan het consulaat eerder een uitzondering wordt. Op bepaalde consulaten
wordt nog maar 30 % van de visumaanvragen ‘in persoon ingediend’. Te
oordelen naar de informatie die in het kader van de Schengenevaluaties is
vergaard, wordt er bij het indienen van een aanvraag door de indiener zelden
een persoonlijk gesprek met de persoon in kwestie gevoerd. Anderzijds staan
lidstaten, overeenkomstig de hedendaagse technologische ontwikkelingen,
aanvragers steeds meer toe om hun aanvraag langs elektronische weg in te
dienen. Op dit moment mogen aanvragers hun aanvraag ten
hoogste drie maanden voor de geplande reis indienen (punt 2.1.1.1,
paragraaf 5, WDDC). Deze termijn levert problemen op voor zeevarenden (zie ook
blz. 11) en personen die de drukste tijdstippen, wanneer er lange wachttijden
zijn, willen vermijden. Het is in het belang van zowel de aanvragers als de
consulaten om toe te staan dat een aanvraag tot zes maanden voor de geplande
reis wordt ingediend. De Commissie stelt voor om het beginsel van de ‘verschijning in persoon’ bij het indienen van een aanvraag af te schaffen (onverminderd de verplichting om bij eerste aanvragers vingerafdrukken af te nemen) en tegelijkertijd de mogelijkheid van een persoonlijk onderhoud te handhaven. Daarnaast stelt zij voor om de regels te verduidelijken die het online indienen van aanvragen toestaan en alle aanvragers toe te staan om hun aanvraag ten hoogste zes maanden voor de geplande reis in te dienen. Wanneer een aanvraag eenmaal is ingediend,
gaan er diverse termijnen in. Hoewel gewoonlijk binnen de gestelde termijn
wordt beslist, kan de procedure langer duren indien op het betrokken derde land
voorafgaande raadpleging van toepassing is (2.1.1.5, paragraaf 20,
WDDC). Bij gebruik van betere IT-systemen kunnen de reactietermijnen bij
voorafgaande raadpleging echter worden verkort tot minder dan de huidige zeven
kalenderdagen. Het moet ook mogelijk zijn om sneller tot een beslissing te
komen. De Commissie stelt voor om de maximumtermijnen te herzien, met inbegrip van de reactietermijnen bij voorafgaande raadpleging, die dienen te worden verkort tot vijf kalenderdagen. De bepalingen van de Visumcode beogen de
procedures te stroomlijnen en te verkorten, zodat de procedures voor aanvragers
van wie de consulaten weten dat zij integer en betrouwbaar zijn, kunnen worden
versoepeld en zij bijvoorbeeld ook rechtmatig gebruik kunnen maken van eerder
afgegeven visa. Deze potentiële versoepelingen, met name van de vereisten ten
aanzien van bewijsstukken en de afgifte van meervoudige inreisvisa, worden
echter niet door alle lidstaten op eenvormige en consistente wijze toegepast. De meeste aanvragers vinden het bezwaarlijk
dat ze herhaaldelijk een groot aantal bewijsstukken (2.1.1.2, paragraaf 12,
WDDC) moeten overleggen om te bewijzen dat ze aan de toegangsvoorwaarden
voldoen. Velen beklagen zich over het feit dat de vereisten in hetzelfde derde
land van consulaat tot consulaat verschillen, zelfs wanneer het reisdoel
hetzelfde is. Overeenkomstig de Visumcode kunnen aanvragers
van wie de consulaten weten dat zij integer en betrouwbaar zijn, reeds
profiteren van bepaalde procedurele versoepelingen (ontheffing van de
verplichting tot ‘verschijning in persoon’ bij het indienen van een aanvraag en
tot overlegging van bepaalde/alle bewijsstukken). Het lijkt er echter op dat de
lidstaten bij het toekennen van ontheffingen aan bekende aanvragers niet
stelselmatig te werk gaan. Dit is hoofdzakelijk te wijten aan de omstandigheid
dat in dit geval sprake is van een facultatieve bepaling en dat niet nader is
omschreven aan welke voorwaarden men moet voldoen om als 'integer' en
'betrouwbaar' te worden beschouwd. Bovendien wordt 70 % van alle aanvragen
ingediend via een externe dienstverlener die geen kwalitatieve beoordeling van
de aanvraag/aanvrager mag uitvoeren. De meerwaarde van de verplichting om een ‘reisverzekering
tot dekking van ziektekosten’ te overleggen (2.1.1.2, paragraaf 14, WDDC)
is twijfelachtig. Zij moet derhalve worden geschrapt. De Commissie stelt voor om een uitgebreide en vereenvoudigde lijst van bewijsstukken op te stellen en de verplichte reisverzekering tot dekking van ziektekosten te schrappen. Hoewel het artikel van de Visumcode over de
afgifte van meervoudige inreisvisa (2.1.1.6, paragraaf 24, WDDC) een
verplichting inhoudt, wordt deze ondermijnd door de discretionaire beoordeling
van de voorwaarden waaraan men moet voldoen om in aanmerking te komen voor een
meervoudig inreisvisum, waarin opnieuw sprake is van de begrippen ‘integriteit’
en ‘betrouwbaarheid’. Verder blijkt uit de openbare raadpleging dat de
consulaten van de lidstaten huiverachtig zijn om meervoudige inreisvisa voor
meer dan zes maanden af te geven. Weliswaar dienen consulaten in beginsel
meervoudige inreisvisa met een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar te
verstrekken aan de categorieën van personen die in het artikel worden opgesomd
(die in hoofdzaak regelmatige reizigers en derhalve bekend zijn), maar als
gevolg van de beoordelingsmarge die de consulaten hebben en hun
terughoudendheid bij de afgifte van meervoudige inreisvisa met een lange
geldigheidsduur, worden er veel minder meervoudige inreisvisa met een lange
geldigheidsduur afgegeven dan het geval zou kunnen zijn. Dit is betreurenswaardig, aangezien een
meervoudig inreisvisum de belangrijkste versoepeling is waarvoor reizigers in
aanmerking kunnen komen. De afgifte van meer meervoudige inreisvisa zou tevens
leiden tot een verlichting van de administratieve lasten voor zowel aanvragers
als consulaten. Versterking van het artikel over meervoudige inreisvisa zou een
oplossing zijn voor veel van de problemen die tijdens de openbare raadpleging
en in diverse onderzoeken naar voren zijn gekomen. Met name de aanvragers
zouden zich niet langer keer op keer aan aanvraagprocedures hoeven te onderwerpen.
In de praktijk maken consulaten echter geen of weinig onderscheid tussen
aanvragers: eerste aanvragers worden vaak op dezelfde manier behandeld als
regelmatige reizigers. Het VIS, dat geleidelijk wordt ingevoerd en in
de loop van 2015 wereldwijd volledig operationeel zou moeten zijn, maakt het
mogelijk om onderscheid te maken tussen de aanvragers, aangezien alle gegevens
over hun visumaanvragen in het systeem worden ingevoerd en door de consulaten
van alle lidstaten kunnen worden geraadpleegd. De gegevens in het VIS worden
gedurende vijf jaar bewaard. Op die manier zal men moeiteloos onderscheid
kunnen maken tussen eerste, onbekende aanvragers die nog niet zijn geregistreerd
in het VIS en geen visumverleden hebben, en aanvragers van wie de gegevens wel
al zijn geregistreerd. Verder kan onderscheid worden gemaakt tussen
degenen die al in het VIS zijn geregistreerd maar in de twaalf maanden
voorafgaand aan hun aanvraag geen enkel visum hebben verkregen en degenen die
in deze periode twee visa hebben verkregen en rechtmatig gebruikt. Deze
laatsten kunnen worden aangemerkt als ‘regelmatige reizigers’ en dienen te
profiteren van de maximale versoepelingen wat betreft de vereiste bewijsstukken
en de geldigheidsduur van het af te geven meervoudige inreisvisum. Op grond hiervan dienen er bindende
voorschriften te worden ingevoerd ter versoepeling van de specifiek voor
‘regelmatige reizigers’ bestemde procedures. Dergelijke versoepelingen behelzen
bijvoorbeeld het (gedeeltelijk) afzien van de verplichte bewijsstukken en de
afgifte van meervoudige inreisvisa met een lange geldigheidsduur. In concreto
betekent dit dat aanvragers die in de twaalf voorgaande maanden twee visa
hebben verkregen en rechtmatig gebruikt, alleen bewijsstukken hoeven over te leggen
die het reisdoel aantonen en dat zij een meervoudig inreisvisum voor drie jaar
dienen te ontvangen. Aanvragers die eerder een meervoudig inreisvisum voor drie
jaar hebben verkregen en rechtmatig gebruikt, dienen bij de volgende aanvraag
een meervoudig inreisvisum met een lange geldigheidsduur van vijf jaar te
ontvangen. Eerste aanvragers, daarentegen, profiteren
weliswaar van de algemene versoepelingen, maar moeten nog steeds grondig worden
gecontroleerd, aangezien zij bij de volgende aanvraag van aanzienlijke versoepelingen
profiteren. Deze controle is noodzakelijk om de veiligheid van het systeem te
waarborgen. De Commissie stelt bindende voorschriften voor, op basis van duidelijk omschreven en objectieve criteria, om een duidelijk onderscheid tussen de verschillende categorieën van aanvragers mogelijk te maken. In beginsel dienen aanvragers voor wie in het VIS een positief ‘visumverleden’ is geregistreerd in de twaalf maanden voorafgaand aan hun aanvraag, te profiteren van de maximale versoepelingen wat betreft de over te leggen bewijsstukken en de af te geven meervoudige inreisvisa. Om ervoor te zorgen dat de voorstellen over
meervoudige inreisvisa met een lange geldigheidsduur (drie en vijf jaar) een zo
groot mogelijke impact hebben, dient het consulaten te worden toegestaan om een
meervoudig inreisvisum af te geven met een langere geldigheidsduur dan het reisdocument
van de aanvrager (2.1.1.2, paragraaf 11, WDDC). De Commissie stelt voor om regels in te voeren die de afgifte mogelijk maken van visa met een geldigheidsduur die langer is dan die van het reisdocument waarin de visumsticker wordt aangebracht. In de Visumcode zijn voor bepaalde categorieën
van aanvragers verplichte en facultatieve vrijstellingen van visumleges
(2.1.1.3, paragraaf 15, WDDC) opgenomen. Bij de toepassing van de
desbetreffende bepalingen zijn twee problemen aan het licht gekomen. Ten eerste
zijn de categorieën van personen die voor een verplichte of facultatieve
vrijstelling in aanmerking komen niet in alle gevallen duidelijk omschreven en
ten tweede passen de consulaten in een bepaald ambtsgebied de facultatieve
vrijstellingen zelden consistent toe. Als gevolg hiervan profiteren slechts
weinig aanvragers van een vrijstelling, hoewel zij er mogelijk wel voor in
aanmerking komen. De Commissie stelt voor om alle vrijstellingen van visumleges verplicht te stellen en de categorieën waarvoor zij gelden, duidelijker te omschrijven. Visa kunnen alleen in uitzonderlijke
gevallen aan de buitengrenzen worden afgegeven (2.1.1.8,
paragraaf 35, WDDC). Mensen die werkzaam zijn in de scheepvaart- en de
cruisesector zijn vanwege de aard van hun beroep echter vaak genoodzaakt om een
visum aan te vragen bij de grens. Voor deze zeevarenden zijn in de Visumcode
een specifiek artikel en een specifieke bijlage opgenomen. Ondanks deze regels
blijft de afgifte van visa voor zeevarenden een ingewikkelde procedure, niet in
de laatste plaats vanwege de complexiteit van bijlage IX, waarin het formulier
is vastgesteld dat zeevarenden dienen in te vullen om een visum aan te vragen. De Commissie stelt voor om bijlage IX te herzien en het aanvraagformulier te vereenvoudigen. Zoals hierboven is aangegeven, kunnen visa
alleen in uitzonderlijke gevallen aan de buitengrenzen worden afgegeven.
Niettemin heeft de Commissie onlangs een proefproject van een lidstaat
goedgekeurd dat het mogelijk maakt om gedurende het zomerseizoen aan de
buitengrenzen visa voor één binnenkomst af te geven aan toeristen, zodat zij
een kort bezoek aan de lidstaat kunnen afleggen. Aangezien het gemeenschappelijk
visumbeleid een grotere rol speelt bij het bevorderen van de reismogelijkheden
voor legale reizigers, met inbegrip van toeristen, stelt de Commissie voor om
alle lidstaten deze mogelijkheid te bieden teneinde de groei in de EU te stimuleren. De Commissie stelt voor om in de Visumcode een bepaling op te nemen die de afgifte van visa voor één binnenkomst aan de buitengrenzen toestaat om het kortverblijftoerisme aan te moedigen. Ofschoon de Commissie erkent dat de lidstaten
de mogelijkheid moeten hebben om transitvisa voor luchthavens te eisen (2.1.7,
WDDC) wanneer zij worden geconfronteerd met een plotselinge en aanzienlijke
toename van het aantal onregelmatige migranten, dienen de geldende
voorschriften te worden herzien om ervoor te zorgen dat de reikwijdte en de
duur van dergelijke maatregelen binnen redelijke grenzen blijven. De Commissie stelt voor om de geldende voorschriften voor transitvisa voor luchthavens te herzien om de evenredigheid ervan te waarborgen. De Visumcode is van toepassing op
visumaanvragen die worden ingediend door alle onderdanen van derde landen, met
inbegrip van familieleden van burgers van de Unie (2.1.5, paragrafen 47-52,
WDDC). Teneinde de mobiliteit te bevorderen, met name door familiebezoek te
vergemakkelijken, voor de onderdanen van derde landen die naaste verwanten
willen bezoeken die verblijven op het grondgebied van de lidstaat waarvan zij
onderdaan zijn en voor naaste verwanten van burgers van de Unie die in een
derde land verblijven en samen de lidstaat willen bezoeken waarvan de burger
van de Unie onderdaan is, dienen procedurele versoepelingen te worden
opgenomen. Voor geen van beide gevallen voorziet het recht van de Unie
momenteel in specifieke versoepelingen. De onlangs gesloten
visumversoepelingsovereenkomsten bieden deze categorie overigens wel bepaalde
procedurele versoepelingen (bijv. vereenvoudiging van de vereisten in verband
met de bewijsstukken, vrijstellingen van visumleges, verplichte afgifte van
meervoudige inreisvisa). Deze praktijk zou algemeen moeten worden toegepast in
de Visumcode. Artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2004/38/EG[16] biedt begunstigden van
deze richtlijn bepaalde versoepelingen, zoals de "kosteloze
afgifte" van visa "via een versnelde procedure". De
Commissie ontvangt veel klachten over en verzoeken om verduidelijking van de
relatie tussen Richtlijn 2004/38/EG en de Visumcode, aangezien de
versoepelingen die de familieleden van burgers van de Unie op grond van de
richtlijn worden geboden in de nationale wetgeving van de lidstaten blijkbaar
op uiteenlopende wijze worden toegepast. Deze toestand leidt tot onzekerheid
onder de familieleden. Derhalve dienen de versoepelingen die worden voorgesteld
voor de onderdanen van derde landen in de twee hierboven genoemde gevallen op
zijn minst ook te worden toegekend aan familieleden in gevallen die onder
Richtlijn 2004/38/EG vallen. De Commissie stelt voor dat maatregelen ter versoepeling van de afgifte van visa worden opgenomen voor onderdanen van derde landen die naaste verwanten willen bezoeken die burger van de Unie zijn en verblijven op het grondgebied van de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn en voor naaste verwanten van burgers van de Unie die verblijven in een derde land en samen de lidstaat willen bezoeken waarvan de burger van de Unie onderdaan is. Dezelfde versoepelingen dienen op zijn minst ook te gelden voor familieleden van EU-burgers die profiteren van Richtlijn 2004/38/EG. 3.3.4. Verbetering
van de consulaire organisatie en samenwerking (mede in verband met de invoering
van het VIS) Middels
de Visumcode is een rechtskader vastgesteld voor verschillende vormen van consulaire
samenwerking (2.1.4, paragrafen 40-46, WDDC) teneinde de kosten voor de
lidstaten te verminderen en de consulaire vertegenwoordiging ten behoeve van de
aanvragers te verbeteren. Er zijn echter ernstige twijfels gerezen over de
doeltreffendheid en doelmatigheid van deze bepalingen. Ten
eerste worden de lidstaten in beginsel pas geacht te besluiten om met een
externe dienstverlener in zee te gaan nadat zij de andere
samenwerkingsmogelijkheden hebben geëvalueerd. Deze maatregel dient als
'laatste redmiddel' te worden gebruikt, aangezien deze extra kosten voor de
aanvragers meebrengt en de lidstaten voor alle aanvragers de mogelijkheid
moeten behouden om hun aanvraag rechtstreeks bij hun diplomatieke missies of
consulaire posten in te dienen. In de praktijk geven de lidstaten in de meeste
gevallen echter de voorkeur aan samenwerking met een externe dienstverlener,
zonder dat zij de overige mogelijkheden evalueren, aangezien uitbesteding
verreweg de goedkoopste, snelste en meest doelmatige manier is om het hoofd te
bieden aan een grote stijging van het aantal visumaanvragen en de consulaire
vertegenwoordiging te verbeteren. Bovendien heeft men in geval van uitbesteding
vaak niet de mogelijkheid om zich rechtstreeks tot het consulaat te wenden. Ten
tweede worden de in de Visumcode vastgestelde nieuwe vormen van samenwerking,
zoals beperkte vertegenwoordiging (alleen voor de ontvangst van aanvragen en de
afname van biometrische gegevens), co-locatie, gemeenschappelijke
aanvraagcentra en de machtiging van honorair consuls om aanvragen in ontvangst
te nemen, nog niet algemeen toegepast. Er zijn geen gevallen van beperkte
vertegenwoordiging en co-locatie en alleen mengvormen van gemeenschappelijke
aanvraagcentra, terwijl slechts een handvol lidstaten zijn honorair consuls
heeft gemachtigd om aanvragen in ontvangst te nemen. Ten derde dient, wat het in ontvangst nemen
van visumaanvragen en de dienstverlening (de zogenaamde ‘consulaire
vertegenwoordiging’) betreft, de consulaire vertegenwoordiging nog steeds
aanzienlijk te worden uitgebreid, hoewel er enige vooruitgang is geboekt,
overwegend door het sluiten van vertegenwoordigingsregelingen en uitbesteding.
Aanvragers moeten niet naar het buitenland hoeven reizen om hun aanvraag in te
dienen omdat de bevoegde lidstaat geen consulaat heeft of niet wordt
vertegenwoordigd in hun land van verblijf. Daarnaast kan het veel moeite, tijd en geld
kosten om toegang te krijgen tot een consulaat in derde landen waar de meeste
lidstaten in de hoofdstad zijn vertegenwoordigd, maar aanvragers nog steeds
grote afstanden moeten afleggen om er te komen. Dit is bijvoorbeeld het geval
in China, India en Rusland. Zowel vertegenwoordigingsregelingen als
uitbesteding worden alom toegepast, maar de meeste visumaanvragen worden nog
steeds ontvangen en verwerkt in de hoofdstad en enkele grote steden. Tot slot
is er in negen derde landen waarvan de onderdanen visumplichtig zijn, geen
lidstaat vertegenwoordigd en is er ook geen externe dienstverlener. Met name in
deze landen zouden lidstaten de handen ineen kunnen slaan om gemeenschappelijke
aanvraagcentra op te richten of op andere manieren samen te werken. In dit verband zij opgemerkt dat uit het
onderdeel buitengrenzen en visa van het Fonds voor interne veiligheid[17] acties worden
medegefinancierd die verband houden met de infrastructuur, de gebouwen en de
operationele uitrusting (met inbegrip van het onderhoud van het VIS) die
vereist zijn voor de verwerking van visumaanvragen en voor
opleidingsdoeleinden. Nog belangrijker is het dat de personeelskosten van
consulaten volledig voor financiering uit het onderdeel operationele steun van
het Fonds voor interne veiligheid in aanmerking komen. De Commissie stelt voor om de bestaande definities van consulaire samenwerking te herzien om deze flexibeler te maken en om het vertegenwoordigingsbeginsel voortaan in beginsel verplicht te stellen. 4. CONCLUSIES De Visumcode heeft als overkoepelende
doelstelling om het gemeenschappelijk visumbeleid op dezelfde leest te schoeien
en ervoor te zorgen dat dit door alle lidstaten en in alle ambtsgebieden wordt
toegepast, door middel van één stelsel van rechtsbepalingen en één geheel van
werkinstructies. Bovendien dienen de gemeenschappelijke regels legaal reizen te
vereenvoudigen, met name voor frequente en regelmatige reizigers, en
onregelmatige immigratie tegen te gaan. In deze evaluatie wordt de aandacht
gevestigd op een aantal voordelen, maar ook op gebieden waarop verbetering
mogelijk is wat de procedures en voorwaarden voor de afgifte van visa betreft. Hoewel de bevordering van legaal reizen ipso
facto economische voordelen biedt, behoren het stimuleren van de
economische groei en het scheppen van werkgelegenheid middels een versoepeling
van de regels voor de afgifte van visa niet tot de doelstellingen van de
Visumcode. Deze doelstellingen zijn pas in de mededeling van de Commissie van
november 2012 opgenomen vanwege de noodzaak om de samenhang tussen
EU-beleidsterreinen te verbeteren en gezien de economische vooruitzichten. In
dit verslag is derhalve geëvalueerd in hoeverre de oorspronkelijke algemene
doelstelling om legaal reizen te bevorderen en gelijke behandeling in
vergelijkbare gevallen te waarborgen, is verwezenlijkt, zonder specifiek te
beoordelen hoe doeltreffend zij heeft bijgedragen tot de economische groei. In het algemeen verduidelijkt en vereenvoudigt
de Visumcode het rechtskader voor het gemeenschappelijk visumbeleid, vergeleken
met de situatie vóór de goedkeuring van de Visumcode. De Visumcode heeft geleid
tot een aanzienlijke modernisering en standaardisering van de visumprocedures,
en juiste toepassing ervan kan bepaalde problemen te die in deze evaluatie aan
de orde worden gesteld. De uitvoering van de wettelijke bepalingen laat
daarentegen vooralsnog te wensen over. Dit komt grotendeels doordat de meeste
flexibele elementen facultatief zijn geformuleerd (facultatieve bepalingen),
niet als bindende voorschriften. De bepalingen van de Visumcode die gericht waren
op de bescherming van de buitengrenzen, zijn consistent en doeltreffend
gebleken en zijn van wezenlijk belang voor wat het systeem beoogt. De
bepalingen die tot doel hebben om de procedures voor bepaalde categorieën van
personen te versoepelen en die ook de administratieve lasten van de consulaten
van de lidstaten zouden kunnen verlichten, hebben echter niet tot de beoogde
resultaten geleid. Dat is onbevredigend, niet alleen voor legale reizigers,
maar ook voor de lidstaten en de EU als geheel, vanwege de onbenutte economische
voordelen. De Visumcode heeft een universeel karakter en
de bepalingen ervan zijn van toepassing op alle personen die onderdaan zijn van
landen waarvoor de visumplicht geldt. Het is derhalve van vitaal belang dat
specifieke bepalingen aan de plaatselijke omstandigheden worden aangepast. Op
lokaal niveau heeft het rechtskader echter nooit werkelijk ingang gevonden en
alleen in een handvol ambtsgebieden is er sprake van duurzame en blijvende
samenwerking, terwijl in andere ambtsgebieden bepaalde wettelijke
verplichtingen eenvoudigweg zijn genegeerd. Teneinde een werkelijk gemeenschappelijk
visumbeleid te verwezenlijken, stelt de Commissie voor om Verordening (EG) nr. 810/2009
van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een
gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) te herzien. De bevindingen van de
evaluatie zijn meegenomen in het verslag van de effectbeoordeling dat door de
Commissie is opgesteld. Het voorstel van de Commissie tot herziening
van de Visumcode is in hoofdzaak gebaseerd op de volgende vaststellingen: Ø de bepalingen van de Visumcode worden op dezelfde manier
toegepast op alle aanvragers, ongeacht hun individuele situatie, hoewel de
Visumcode een rechtsgrondslag biedt voor de toepassing van procedurele versoepelingen
op aanvragers die bekend zijn bij de consulaten. In de praktijk maken de
consulaten onvoldoende onderscheid tussen onbekende aanvragers en aanvragers
met een duidelijk visumverleden; Ø de in de Visumcode opgenomen procedurele versoepelingen voor
bekende aanvragers worden te weinig toegepast; Ø wegens de grootschalige toepassing van uitbesteding kan in de
praktijk geen gebruik gemaakt worden van de mogelijkheid om ontheffing te
verlenen van de verplichting tot ‘verschijning in persoon’ bij het indienen van
een aanvraag en tot overlegging van bepaalde/alle bewijsstukken. Het beoordelen
van de situatie van de aanvrager aan de hand van naar hun aard discretionaire
begrippen als ‘integriteit’ en ‘betrouwbaarheid’ kan niet aan externe
dienstverleners worden overgelaten. Het feit dat er onvoldoende onderscheid
wordt gemaakt is een van de voornaamste redenen waarom de aanvragers – en tot
op zekere hoogte ook de consulaten – de bestaande visumprocedure lang,
omslachtig en kostbaar vinden. De Commissie stelt derhalve voor om: (1) de administratieve lasten voor
zowel aanvragers als consulaten te verlichten door ten volle te profiteren van
de voordelen van het Visuminformatiesysteem en bij de behandeling van
visumaanvragen onderscheid te maken tussen bekende/regelmatige reizigers en
onbekende aanvragers op basis van duidelijke, objectieve criteria; (2) legaal reizen verder te
vereenvoudigen door de procedures te stroomlijnen en volledig te harmoniseren
en door specifieke bepalingen een bindend karakter te geven op gebieden waar
consulaten nu zelf beslissen. Goedkeuring van deze nieuwe regels zal
aanzienlijke procedurele versoepelingen inhouden voor de aanvragers, zoals blijkt
uit het onderstaande overzicht: || Verschijning in persoon || Afname van vingerafdrukken || Bewijsstukken || Af te geven visum Eerste aanvrager, niet geregistreerd in het VIS || JA || JA || Volledige lijst overeenkomstig alle toegangsvoorwaarden || In beginsel een visum voor eenmalige inreis, met de mogelijkheid van een meervoudig inreisvisum indien het consulaat de aanvrager als betrouwbaar beschouwt In het VIS geregistreerde (maar geen regelmatige) reiziger || NEE || NEE (indien in de afgelopen 59 maanden vingerafdrukken zijn afgenomen) || Volledige lijst overeenkomstig alle toegangsvoorwaarden || Visum voor eenmalige inreis of meervoudig inreisvisum In het VIS geregistreerde reiziger die in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag rechtmatig twee visa heeft gebruikt || NEE || NEE || Alleen bewijs van reisdoel; een ‘positief visumverleden’ is reden om te veronderstellen dat aan de toegangsvoorwaarden is voldaan || Meervoudig inreisvisum voor drie jaar In het VIS geregistreerde reiziger die rechtmatig een meervoudig inreisvisum voor drie jaar heeft gebruikt || NEE || NEE || Alleen bewijs van reisdoel || Meervoudig inreisvisum voor vijf jaar Eerste aanvragers dienen niet automatisch in
aanmerking te komen voor een meervoudig inreisvisum, aangezien hun aanvragen
grondig dienen te worden onderzocht om een hoog niveau van veiligheid in het
Schengengebied te waarborgen. Zij zullen echter wel profiteren van alle
algemene procedurele versoepelingen die de Commissie voorstelt, zoals het
schrappen van de verplichte reisverzekering tot dekking van ziektekosten,
verkorte beslissingstermijnen en het vereenvoudigde aanvraagformulier.
Daarnaast zullen zij profiteren van de status van ‘in het VIS geregistreerde
reiziger', met de bijbehorende versoepelingen, wanneer zij binnen twaalf
maanden na het rechtmatig gebruik van het eerste visum voor de derde keer een
visum aanvragen. Doordat het in vele derde landen ontbreekt aan
faciliteiten om visumaanvragen in ontvangst te nemen en te behandelen, is het
indienen van een visumaanvraag er zeer kostbaar en tijdrovend. De Commissie
stelt derhalve voor om: (3) het huidige kader te herzien om
de consulaire samenwerking te versterken en de toegang tot de procedures voor
Schengenvisumaanvragen op zoveel mogelijk plaatsen te vereenvoudigen. In overeenstemming met de doelstelling om de
economische groei via een slimmer visumbeleid te stimuleren, dient de
mogelijkheid te worden geboden om specifieke bepalingen in de Visumcode
tijdelijk toe te passen ter bevordering van het kortverblijftoerisme. De
Commissie stelt derhalve voor om: (4) een artikel in de Visumcode op
te nemen dat de afgifte van visa aan de buitengrenzen tijdelijk toestaat onder
strikte voorwaarden. Ter vereenvoudiging van de mobiliteit van
personen door familiebezoek te vergemakkelijken wordt voorgesteld om: (5) bepaalde procedurele
versoepelingen te bieden voor de onderdanen van derde landen die naaste verwanten
willen bezoeken die burger van de Unie zijn en verblijven op het grondgebied
van de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn en voor naaste verwanten van burgers
van de Unie die in een derde land verblijven en samen de lidstaat willen
bezoeken waarvan de burger van de Unie onderdaan is. Ter verduidelijking van de procedurele
versoepelingen in de Visumcode die uit hoofde van Richtlijn 2004/38/EG gelden
voor de familieleden van burgers van de Unie[18],
wordt voorgesteld om: (6) vast te stellen dat de
procedurele versoepelingen als bedoeld in punt (5) als minimum moeten gelden
voor de familieleden van burgers van de Unie op wie Richtlijn 2004/38/EG van
toepassing is. Tot slot worden onderdanen van derde landen
geconfronteerd met problemen, omdat de toegestane verblijfsduur in het
Schengengebied ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen bedraagt.
Omdat er geen passende autorisatie is voor mensen die langer dan 90 dagen
willen blijven, moeten deze hun verblijfsduur beperken of gebruikmaken van
rechtsinstrumenten die niet bedoeld zijn om het toegestane verblijf in het
Schengengebied in dit soort gevallen te ‘verlengen’. Derhalve: (7) wordt een wetgevingsinitiatief
voorgesteld om de lacunes op wetgevingsgebied te vullen tussen de regels voor
kort verblijf en de regels inzake de toelating van onderdanen van derde landen
tot de afzonderlijke lidstaten. In het voorstel tot herziening van de
Visumcode wordt tevens rekening gehouden met andere problemen die in het
werkdocument van de diensten van de Commissie aan de orde zijn gesteld en die
van minder belang zijn en/of hoofdzakelijk technisch van aard. Met de goedkeuring van deze veelomvattende
herziening van de Visumcode zou een werkelijk slimmer visumbeleid tot stand
worden gebracht, dat op zijn beurt zou leiden tot een toename van het aantal
bezoeken aan de EU. In afwachting van de goedkeuring door de
medewetgevers van het voorstel tot herziening van de Visumcode vindt de
Commissie het belangrijk en noodzakelijk om de harmonisatie en uitvoering van
de huidige bepalingen te bevorderen. De Commissie zal derhalve in het kader van
het visumcomité en andere relevante fora samenwerken met de lidstaten om ervoor
te zorgen dat de huidige bepalingen volledig worden uitgevoerd, mede door het
bevorderen van beste praktijken. Wat de huidige bepalingen betreft, zal de
aandacht vooral uitgaan naar de afgifte van meervoudige inreisvisa en
bespoediging van de harmonisatie van de lijsten van bewijsstukken in
rechtsgebieden waar dit nog niet is gebeurd. Ten aanzien van dit laatste punt
zal de Commissie zich inspannen om de plaatselijke Schengensamenwerking te
helpen bij haar werkzaamheden binnen de rechtsgebieden van groot politiek en/of
economisch belang die de beste kansen bieden voor toerisme. Met betrekking tot
beste praktijken kunnen nieuwe voorstellen voor proefprojecten inzake de
afgifte van visa aan de buitengrenzen door de Commissie worden beoordeeld. Tot
slot zal er voor toekomstige herzieningen van de bijlagen bij Verordening 539/2001
ook rekening worden gehouden met economische en commerciële overwegingen, in
lijn met de nieuwe criteria voor het beoordelen van de visumplicht die de
medewetgevers op korte termijn zullen goedkeuren. Hiertoe zal een nieuw artikel
als volgt in Verordening 539/2001 worden opgenomen: "Deze verordening beoogt
de vaststelling van de derde landen waarvan de onderdanen onderworpen zijn of
vrijgesteld zijn van de visumplicht, aan de hand van een toetsing van geval tot
geval aan een aantal criteria dat onder meer verband houden met illegale
immigratie, openbare orde en veiligheid, de economische voordelen, in het
bijzonder op het gebied van toerisme en buitenlandse handel, en met de externe
betrekkingen van de Europese Unie met de betrokken derde landen, waarbij in het
bijzonder gekeken wordt naar mensenrechten en fundamentele vrijheden alsmede
naar de implicaties voor de regionale samenhang en de wederkerigheid."
--------------------------------------------------- [1] Artikel 62, lid 2, onder b); thans het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), artikel 77, lid 2, onder
a). [2] Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement
en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke
visumcode (Visumcode), PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1. [3] Dergelijke visumversoepelingsovereenkomsten houden in de
regel verband met overnameovereenkomsten. [4] http://ec.europa.eu/enterprise/sectors/tourism/international/index en.htm [5] COM(2006) 403 definitief/2. [6] Oorspronkelijk zou het VIS in 2007 in gebruik worden
genomen. Daarom besloot de Commissie om een afzonderlijk wetsvoorstel vast te
stellen met normen voor de af te nemen biometrische kenmerken, alsook een
aantal mogelijkheden voor de praktische organisatie van diplomatieke en
consulaire posten van lidstaten met het oog op de registratie van biometrische
gegevens van visumaanvragers en voor de totstandbrenging van een rechtskader
voor de samenwerking van lidstaten met externe dienstverleners. De inhoud van
de uiteindelijk goedgekeurde Verordening (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 1)
is opgenomen in en aangepast aan de structuur van de Visumcode die in juli 2009
is aangenomen. [7] SWD(2014) 101. [8] COM(2012) 649. [9] http://ec.europa.eu/dgs/home-affairs/what-we-do/policies/borders-and-visas/schengen/index_en.htm. [10] COM(2012) 648. [11] In deze tekst worden, tenzij anders aangegeven, onder
‘lidstaten’ de EU-lidstaten verstaan die het
gemeenschappelijk visumbeleid ten volle toepassen (alle EU-lidstaten met
uitzondering van Bulgarije, Kroatië, Ierland, Cyprus, Roemenië en het Verenigd
Koninkrijk) alsook de geassocieerde landen IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en
Zwitserland. [12] Voor Oostenrijk bedroeg de totale toename in deze periode
slechts 1,5 %, terwijl voor Slovenië een afname van 58,5 % werd
opgetekend. In beide gevallen is er waarschijnlijk een verband met de
afschaffing van de visumplicht voor onderdanen van de landen van de westelijke
Balkan in 2009 en 2010. [13] 2010: 5,8 %; 2012: 4,8 %. [14] Van een afwijzingspercentage van 1 % in de Russische
Federatie tot 44 % in Guinee. [15] http://ec.europa.eu/dgs/home-affairs/what-is-new/public-consultation/2013/consulting_0025_en.htm. [16] Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het
grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden,
tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van
Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG,
90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 27). [17] COM(2011) 750. [18] PB L 158 van 30.04.2004, blz. 77