This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52013PC0230
Proposal for a COUNCIL DECISION on the conclusion of the Framework Agreement on Comprehensive Partnership and cooperation between the European Community and its Member States, of the one part, and the Republic of Indonesia, of the other part
Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting van de kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Indonesië, anderzijds
Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting van de kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Indonesië, anderzijds
/* COM/2013/0230 final - 2013/0120 (NLE) */
Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting van de kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Indonesië, anderzijds /* COM/2013/0230 final - 2013/0120 (NLE) */
TOELICHTING In november 2004 heeft de Raad de Commissie
gemachtigd om over individuele kaderovereenkomsten inzake partnerschap en
samenwerking te onderhandelen met Thailand, Indonesië, Singapore, de
Filippijnen, Maleisië en Brunei. De onderhandelingen met Indonesië zijn in 2005
van start gegaan en in juni 2007 afgerond. De Commissie parafeerde de
kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking in juli 2007 en Indonesië
deed hetzelfde in juli 2009. De overeenkomst werd op 9 november 2009 in Jakarta
door beide partijen ondertekend. Deze brede kaderovereenkomst inzake
partnerschap en samenwerking tussen de EU en Indonesië was de eerste van haar
soort tussen de EU en een ASEAN-land. De overeenkomst getuigt van het snel
groeiende belang van de banden tussen de EU en Indonesië en opent een nieuw
tijdperk voor de bilaterale betrekkingen, gebaseerd op gedeelde beginselen
zoals gelijkheid, wederzijds respect, wederzijds voordeel, democratie, de
rechtsstaat en de mensenrechten. De overeenkomst versterkt de politieke,
economische en sectorale samenwerking over een breed spectrum van
beleidsgebieden, onder meer handel, milieu, energie, wetenschap en technologie,
goed bestuur, toerisme en cultuur, migratie, terrorismebestrijding en de
bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad. De overeenkomst stimuleert
verder de samenwerking voor de aanpak van mondiale problemen, waar zowel
Indonesië als de EU een steeds belangrijker rol vervullen, bijvoorbeeld in de
G-20. De kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking
stelt de EU in staat een grotere verantwoordelijkheid op te nemen en invloed
uit te oefenen in de regio. Via de kaderovereenkomst inzake partnerschap en
samenwerking kan de EU Europese waarden bevorderen en concrete samenwerking
stimuleren op talrijke terreinen van wederzijds belang. De overeenkomst wordt
beschouwd als een positief voorbeeld van dialoog tussen culturen en
godsdiensten, aangezien Indonesië het op twee na volkrijkste land in Azië en
het grootste moslimland ter wereld is. De sluiting van de kaderovereenkomst inzake
partnerschap en samenwerking past in het kader van de doelstelling van de EU om
een omvattend en samenhangend economisch en politiek kader voor de betrekkingen
tussen de EU en de ASEAN-landen in te stellen. Overeenkomstig de bestaande jurisprudentie van
het Hof is de Commissie van mening dat sedert de inwerkingtreding van het
Verdrag van Lissabon en de integratie van het GBVB in het beleid van de Unie
kaderovereenkomsten zoals die inzake partnerschap en samenwerking met Indonesië
volledig worden gedekt door de bevoegdheden die door de verdragen aan de EU
worden toegewezen. De Commissie is derhalve van mening dat dergelijke
overeenkomsten bilaterale overeenkomsten zijn die alleen van de EU afhangen. Het feit dat de Commissie haar voorstel heeft
ingediend als een overeenkomst van de Unie en haar lidstaten met Indonesië is
uitsluitend te wijten aan de totstandkoming van deze specifieke overeenkomst
uit hoofde van het Verdrag vóór inwerkintreding van het Verdrag van Lissabon en
de internationale verplichtingen die daaruit voor de Unie voortvloeien. De Commissie merkt op dat de slotakte de
volgende eenzijdige verklaring van de Europese Gemeenschap bevat: “De bepalingen
van de overeenkomst die binnen de toepassingssfeer van deel III,
titel IV, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap
vallen, binden het Verenigd Koninkrijk en Ierland als afzonderlijke
overeenkomstsluitende partijen, en niet als deel van de Europese Gemeenschap,
totdat het Verenigd Koninkrijk of Ierland (naar gelang van het geval) de
Republiek Indonesië ervan in kennis stelt dat het Verenigd Koninkrijk of
Ierland is gebonden als deel van de Europese Gemeenschap overeenkomstig het
Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland dat aan
het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht. Hetzelfde
geldt voor Denemarken, overeenkomstig het Protocol betreffende de positie van
Denemarken dat aan die Verdragen is gehecht.” Aangezien het voorstel voor een besluit van de
Raad betreffende de sluiting van de kaderovereenkomst inzake partnerschap en
samenwerking met Indonesië niet is gebaseerd op enige rechtsgrondslag van Titel
V van Deel III van het VWEU, is de Commissie van oordeel dat de eenzijdige
verklaring waarvan sprake overbodig is geworden. De Commissie meent
daarom dat bij de vaststelling van het besluit van de Raad betreffende de
sluiting de Raad en de Commissie de volgende gezamenlijke verklaring moeten
afleggen: “De Raad en de Commissie merken op dat het
besluit tot sluiting van de overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking
met Indonesië wordt vastgesteld op basis van artikel 207 en artikel 209 VWEU en
niet krachtens Titel V van Deel III van het VWEU. De eenzijdige
verklaring van de Europese Gemeenschap naar aanleiding van de ondertekening van
de slotakte is bijgevolg overbodig geworden.” 2013/0120 (NLE) Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting van de
kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de
Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Indonesië,
anderzijds DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name de artikelen 207 en 209, in samenhang
met artikel 218, lid 6, onder a), Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Gezien de instemming door het Europees
Parlement, Overwegende hetgeen volgt: (1) Overeenkomstig het besluit
van de Raad van 5 november 2009[1]
werd de kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen
de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek
Indonesië, anderzijds, ondertekend op 9 november 2009, onder voorbehoud van
sluiting op een later tijdstip. (2) De Overeenkomst dient te
worden goedgekeurd namens de Europese Unie, HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel
1 De kaderovereenkomst inzake een breed
partnerschap en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten,
enerzijds, en de Republiek Indonesië, anderzijds, wordt namens de Unie
goedgekeurd. De tekst van de overeenkomst is aan dit
besluit gehecht. Artikel
2 De hoge vertegenwoordiger van de
Unie/vicevoorzitter van de Commissie of een vertegenwoordiger van de hoge
vertegenwoordiger van de Unie/vicevoorzitter van de Commissie zit het in
artikel 41 van de overeenkomst bedoelde Gemengd Comité voor. Artikel
3 De voorzitter van de Raad wijst de persoon aan
die bevoegd is om namens de Europese Unie de in artikel 48, lid 1, van de
overeenkomst bedoelde kennisgeving te verrichten. Artikel
4 Dit besluit treedt
in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld. Het besluit wordt
bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Gedaan te Brussel, Voor
de Raad De
voorzitter
KADEROVEREENKOMST INZAKE EEN BREED PARTNERSCHAP EN SAMENWERKING TUSSEN DE
EUROPESE GEMEENSCHAP EN HAAR LIDSTATEN, ENERZIJDS, EN DE REPUBLIEK INDONESIË,
ANDERZIJDS
DE EUROPESE GEMEENSCHAP, hierna "de Gemeenschap" genoemd, en HET KONINKRIJK BELGIË, DE REPUBLIEK BULGARIJE, DE TSJECHISCHE REPUBLIEK, HET KONINKRIJK DENEMARKEN, DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND, DE REPUBLIEK ESTLAND, IERLAND, DE HELLEENSE REPUBLIEK, HET KONINKRIJK SPANJE, DE FRANSE REPUBLIEK, DE ITALIAANSE REPUBLIEK, DE REPUBLIEK CYPRUS, DE REPUBLIEK LETLAND, DE REPUBLIEK LITOUWEN, HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG, DE REPUBLIEK HONGARIJE, MALTA, HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN, DE REPUBLIEK OOSTENRIJK, DE REPUBLIEK POLEN, DE PORTUGESE REPUBLIEK, ROEMENIË, DE REPUBLIEK SLOVENIË, DE SLOWAAKSE REPUBLIEK, DE REPUBLIEK FINLAND, HET KONINKRIJK ZWEDEN, HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË
EN NOORD-IERLAND, Verdragsluitende partijen bij het Verdrag tot
oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese
Unie, hierna “de lidstaten” genoemd, enerzijds,
en DE REGERING VAN DE REPUBLIEK INDONESIË, anderzijds, hierna gezamenlijk “de partijen” genoemd, GELET OP de nauwe vriendschapsbanden tussen de
Republiek Indonesië en de Gemeenschap, en op de nauwe historische, politieke en
economische relaties die hen binden, GEZIEN het bijzondere belang dat de partijen
hechten aan het alomvattende karakter van hun wederzijdse betrekkingen, BEVESTIGEND dat de partijen gehecht zijn aan
de eerbiediging van de beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de
Verenigde Naties, BEVESTIGEND dat de partijen gehecht zijn aan
de eerbiediging, bevordering en bescherming van de democratische beginselen en
de fundamentele rechten van de mens, de rechtsstaat, vrede en internationaal
recht, zoals neergelegd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens
van de Verenigde Naties, het Statuut van Rome en in andere relevante
internationale mensenrechteninstrumenten die voor beide partijen gelden, BEVESTIGEND dat de soevereiniteit, de
territoriale onschendbaarheid en de nationale eenheid van de Republiek
Indonesië worden geëerbiedigd, BEVESTIGEND dat de partijen gehecht zijn aan
de beginselen van de rechtsstaat en goed bestuur en streven naar economische en
sociale vooruitgang ten bate van hun bevolking, rekening houdende met het
beginsel van duurzame ontwikkeling en milieubescherming, BEVESTIGEND dat de ernstigste misdrijven die
de internationale gemeenschap aangaan, niet ongestraft mogen blijven, dat de
beschuldigden moeten worden berecht, waarna bij veroordeling een passende straf
dient te volgen, en dat de effectieve vervolging ervan moet worden gewaarborgd
door maatregelen op nationaal niveau te nemen en de wereldwijde samenwerking te
intensiveren, VERKLAREND dat zij zich maximaal inzetten voor
de bestrijding van alle vormen van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad
en terrorisme, overeenkomstig het internationale recht, onder meer op het
gebied van mensenrechten, humanitaire beginselen inzake migratie en
vluchtelingen en internationaal humanitair recht, en voor de ontwikkeling van
effectieve internationale instrumenten om deze uit te bannen, AANGEZIEN de partijen erkennen dat de
goedkeuring van relevante internationale verdragen en resoluties van de
VN-Veiligheidsraad, waaronder Resolutie 1540, ten grondslag liggen aan de
verbintenis van de hele internationale gemeenschap om de verspreiding van
massavernietigingswapens tegen te gaan, ERKENNEND dat het noodzakelijk is om de
verplichtingen met betrekking tot zowel ontwapening als non-proliferatie binnen
het internationaal recht te versterken, onder andere om het gevaar van
massavernietigingswapens uit te sluiten, HET BELANG ERKENNEND van de
samenwerkingsovereenkomst van 7 maart 1980 tussen de Europese Economische
Gemeenschap en Indonesië, Maleisië, de Filippijnen, Singapore en Thailand,
lidstaten van de ASEAN (de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten) en de
daaropvolgende toetredingsprotocollen, ERKENNENDE dat de versterking van de
betrekkingen tussen de partijen van groot belang is ter stimulering van hun
samenwerking, en zich bewust van hun gemeenschappelijke streven om de
betrekkingen op gebieden van wederzijds belang te consolideren, te verdiepen en
te diversifiëren, op basis van gelijkwaardigheid, op niet-discriminerende
grondslag, met inachtneming van het milieu en wederzijds tot voordeel
strekkend, BEVESTIGEND dat de partijen in overeenstemming
met de in regionaal verband ondernomen activiteiten, de samenwerking tussen de
Gemeenschap en de Republiek Indonesië willen verdiepen, op grond van
gemeenschappelijke waarden en tot wederzijds voordeel, CONFORM hun respectieve wet- en regelgeving, ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN: TITEL I AARD EN
TOEPASSINGSGEBIED
ARTIKEL 1
Algemene beginselen 1. Eerbiediging van de democratische
beginselen en de fundamentele rechten van de mens, zoals vastgelegd in de
Universele Verklaring van de rechten van de mens van de Verenigde Naties en
andere relevante internationale mensenrechteninstrumenten die van toepassing
zijn voor beide partijen, vormt de grondslag van het binnenlandse en
buitenlandse beleid van de partijen en is een essentieel element van deze
overeenkomst. 2. De partijen bevestigen dat zij de
waarden delen die zijn vastgelegd in het Handvest van de Verenigde Naties. 3. De partijen bevestigen dat zij zich
ertoe verbinden duurzame ontwikkeling te stimuleren, samen te werken om het
probleem van klimaatverandering aan te pakken en bij te dragen aan de
verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling. 4. De partijen bevestigen opnieuw hun
gehechtheid aan de Verklaring van Parijs van 2005 inzake de doeltreffendheid
van hulp en komen overeen hun samenwerking te versterken om betere resultaten
op het gebied van ontwikkeling te verwezenlijken. 5. De partijen bevestigen dat zij
belang hechten aan de beginselen van goed bestuur, de rechtsstaat, waaronder de
onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, en corruptiebestrijding. 6. Deze partnerschaps- en
samenwerkingsovereenkomst wordt ten uitvoer gelegd op basis van de beginselen
van gelijkheid en wederzijds voordeel. ARTIKEL
2
Doel van de samenwerking Met het oog op de versterking van hun
bilaterale betrekkingen voeren de partijen een brede dialoog en stimuleren ze
verdere samenwerking in alle sectoren van gezamenlijk belang. Hun inspanningen
zijn met name gericht op: a) het opzetten van bilaterale samenwerking
in alle relevante regionale en internationale fora en organisaties; b) het ontwikkelen van handel en
investeringen tussen de partijen tot wederzijds voordeel; c) het opzetten van samenwerking op
alle handels- en investeringsgerelateerde gebieden van gezamenlijk belang,
teneinde de handels- en investeringsstromen te vergemakkelijken en barrières
voor handel en investeringen te voorkomen en weg te nemen, waar mogelijk binnen
de lopende en toekomstige EG-ASEAN-initiatieven; d) het opzetten van samenwerking in
andere sectoren van gezamenlijk belang, met name toerisme, financiële
dienstverlening, belastingen en douane, macro-economisch beleid,
industriebeleid en midden- en kleinbedrijf, informatiemaatschappij, wetenschap
en technologie, energie, vervoer en vervoersveiligheid, onderwijs en cultuur,
mensenrechten, milieu en natuurlijke hulpbronnen met inbegrip van het mariene
milieu, bosbouw, landbouw en plattelandsontwikkeling, samenwerking voor mariene
zaken en visserij, gezondheid, voedselveiligheid, diergezondheid, statistiek,
bescherming van persoonsgegevens, samenwerking voor de modernisering van de
overheid en het openbaar bestuur, intellectuele-eigendomsrechten; e) het opzetten van samenwerking op het
gebied van migratievraagstukken, waaronder legale en illegale migratie,
mensensmokkel en mensenhandel; f) het opzetten van samenwerking op
het gebied van mensenrechten en juridische zaken; g) het opzetten van samenwerking inzake
de bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens; h) het opzetten van samenwerking ter
bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende misdaad, zoals de productie
en smokkel van illegale drugs en precursoren en het witwassen van geld; i) het bevorderen van de bestaande
deelname en het aanmoedigen van verdere deelname van de partijen aan de
relevante subregionale en regionale samenwerkingsprogramma’s; j) het vergroten van de zichtbaarheid
van de partijen in elkaars regio; k) het bevorderen van het begrip tussen
mensen door middel van samenwerking tussen verschillende non-gouvernementele
entiteiten, zoals denktanks, wetenschappers, maatschappelijke organisaties en
de media, in de vorm van workshops, conferenties, contacten tussen jongeren en
andere activiteiten. ARTIKEL
3
Bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens 1. De partijen zijn van oordeel dat de
verspreiding van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor,
onder zowel staten als niet-statelijke actoren, een van de ernstigste
bedreigingen voor de internationale stabiliteit en veiligheid vormt. 2. De partijen komen daarom overeen
samen te werken en bij te dragen aan het tegengaan van de verspreiding van
massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor, door te voldoen aan
de bestaande verplichtingen in het kader van multilaterale
ontwapeningsverdragen en non-proliferatieverdragen en deze op nationaal niveau
ten uitvoer te leggen, alsmede andere multilaterale overeenkomsten en
internationale verplichtingen in het kader van het Handvest van de Verenigde
Naties. De partijen komen overeen dat deze bepaling een essentieel element van
deze overeenkomst vormt. 3. De partijen komen daarnaast overeen
samen te werken aan de tenuitvoerlegging van voor de partijen geldende
internationale instrumenten op het gebied van ontwapening en non-proliferatie
van massavernietigingswapens, onder meer door middel van het uitwisselen van
informatie, kennis en ervaringen. 4. De partijen komen ook overeen samen
de verspreiding van massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen tegen
te gaan door te werken aan de ondertekening en ratificatie van of naargelang
van het geval de toetreding tot alle andere relevante internationale
instrumenten en de volledige tenuitvoerlegging daarvan. 5. De partijen komen overeen samen te
werken aan de instelling van een doeltreffend systeem van nationale
exportcontrole, waarbij zowel de uitvoer als de doorvoer van met
massavernietigingswapens verband houdende goederen worden gecontroleerd, met
inbegrip van controle van het eindgebruik van technologieën voor tweeërlei
gebruik vanuit het oogpunt van gebruik voor massavernietigingswapens en met
effectieve sancties op inbreuken op de exportcontrole. 6. De partijen stellen een regelmatige
politieke dialoog in ter begeleiding en consolidatie van deze elementen. Deze
dialoog kan op regionale basis plaatsvinden. ARTIKEL
4
Juridische samenwerking 1. De partijen werken samen op het
gebied van de ontwikkeling van hun rechtssystemen, wetten en rechtsinstanties,
onder meer wat betreft hun doeltreffendheid, met name door de uitwisseling van
standpunten en deskundigheid, alsmede door middel van capaciteitsopbouw. Voor
zover mogelijk en binnen hun bevoegdheden streven de partijen naar de
ontwikkeling van wederzijdse juridische bijstand in strafzaken en bij
uitlevering. 2. De partijen bevestigen dat de
ernstigste misdrijven die de internationale gemeenschap aangaan, niet
ongestraft mogen blijven en dat de beschuldigden moeten worden berecht, waarna
bij veroordeling een passende straf dient te volgen. 3. De partijen komen overeen samen te
werken met betrekking tot de uitvoering van het presidentiële decreet inzake
het nationale actieplan voor de mensenrechten 2004-2009, waaronder
voorbereiding van de ratificatie en tenuitvoerlegging van internationale
mensenrechteninstrumenten, zoals het Verdrag inzake de voorkoming en de
bestraffing van genocide en het Statuut van Rome inzake het Internationaal
Strafhof. 4. De partijen zijn het erover eens dat
het nuttig zou zijn een dialoog over dit thema te voeren. ARTIKEL 5
Terrorismebestrijding 1. De partijen bevestigen het belang
van terrorismebestrijding en komen overeen samen te werken om terrorisme te
voorkomen en tegen te gaan, overeenkomstig de geldende internationale
verdragen, waaronder mensenrechteninstrumenten en internationaal humanitair
recht, alsmede hun respectieve wet- en regelgeving, en rekening houdend met de
mondiale terrorismebestrijdingsstrategie van de VN zoals beschreven in
Resolutie 60/288 van de Algemene Vergadering van de VN van 8 september 2006 en
de Gezamenlijke verklaring van de EU en de ASEAN over samenwerking ter
bestrijding van terrorisme van 28 januari 2003. 2. In het kader van de uitvoering van
Resolutie 1373 van de VN-Veiligheidsraad en andere relevante VN-resoluties,
internationale verdragen en instrumenten die op de partijen van toepassing
zijn, werken de partijen samen aan terrorismebestrijding, onder meer door
middel van: –
uitwisseling van informatie over terroristische
groepen en de netwerken die hen ondersteunen, overeenkomstig internationale en
nationale wetgeving; –
uitwisseling van ideeën en methoden op het gebied
van terrorismebestrijding, waaronder op technisch gebied en met betrekking tot
opleiding, en door de uitwisseling van ervaringen op het gebied van
terrorismepreventie; –
samenwerking met betrekking tot wetshandhaving,
versterking van het juridisch kader en aanpak van de omstandigheden die leiden
tot verspreiding van terrorisme; –
samenwerking ter bevordering van grensbewaking en
-beheer, capaciteitsopbouw door middel van netwerken, programma’s voor opleiding
en onderwijs, wederzijdse bezoeken van hoge ambtenaren, wetenschappers,
analisten en mensen uit de praktijk, en workshops en conferenties.
TITEL II
SAMENWERKING IN REGIONALE EN INTERNATIONALE ORGANISATIES
ARTIKEL 6 De partijen wisselen standpunten uit en werken
samen in het kader van regionale en internationale fora en organisaties zoals
de Verenigde Naties, de dialoog tussen de ASEAN en de EU, het regionale forum
van de ASEAN (ARF), de bijeenkomst Azië-Europa (ASEM), de Conferentie van de
Verenigde Naties voor Handel en Ontwikkeling (UNCTAD) en de
Wereldhandelsorganisatie (WTO).
TITEL III
BILATERALE EN REGIONALE SAMENWERKING
ARTIKEL 7 1. Voor elke sector waarbinnen uit
hoofde van deze overeenkomst een dialoog wordt gevoerd en samenwerking plaatsvindt,
en met de nodige nadruk op zaken in het kader van bilaterale samenwerking,
komen de partijen overeen de daarmee verband houdende activiteiten uit te
voeren binnen een bilateraal of regionaal kader, of een combinatie daarvan. Bij
het kiezen van het passende kader pogen de partijen de voordelen voor en de
betrokkenheid van alle geïnteresseerde partijen te optimaliseren, waarbij zij
zo goed mogelijk gebruik maken van de beschikbare middelen, rekening houden met
de politieke en institutionele haalbaarheid, en voor zover passend zorgen voor
samenhang met andere activiteiten waarbij de Gemeenschap en ASEAN-partners
betrokken zijn. 2. De Gemeenschap en Indonesië kunnen
eventueel besluiten financiële steun te verlenen aan samenwerkingsactiviteiten
op de in de overeenkomst beschreven of daarmee samenhangende gebieden,
overeenkomstig hun respectieve financiële procedures en middelen. Dit kan met
name de organisatie omvatten van opleidingen, workshops en seminars,
uitwisseling van deskundigen, onderzoeken en andere activiteiten waarover de
partijen overeenstemming bereiken. TITEL IV
SAMENWERKING INZAKE HANDEL EN INVESTERINGEN
ARTIKEL 8
Algemene beginselen
1. De partijen voeren een dialoog over
bilaterale en multilaterale handel en handelsgerelateerde kwesties met het oog
op de versterking van de bilaterale handelsbetrekkingen en de bevordering van
het multilaterale handelssysteem. 2. De partijen streven ernaar de
verdere ontwikkeling en diversifiëring van hun handelsbetrekkingen zo veel
mogelijk en tot wederzijds voordeel te bevorderen. Zij streven naar betere
voorwaarden voor markttoegang door toe te werken naar de afschaffing van
handelsbelemmeringen, met name door middel van de tijdige opheffing van
niet-tarifaire belemmeringen en door het nemen van maatregelen ter verbetering
van de transparantie, rekening houdend met de werkzaamheden van internationale
organisaties op dit gebied. 3. De partijen erkennen dat handel
onontbeerlijk is voor ontwikkeling en dat bijstand in de vorm van
handelspreferenties zijn nut voor ontwikkelingslanden heeft bewezen; zij
streven ernaar hun overleg over dergelijke bijstand te intensiveren, met
volledige eerbiediging van de WTO-regels. 4. De partijen houden elkaar op de
hoogte van de ontwikkeling van het handelsbeleid en handelsgerelateerd beleid,
zoals op het gebied van landbouw, voedselveiligheid, diergezondheid,
consumenten, gevaarlijke chemische stoffen en afvalbeheer. 5. De
partijen sporen aan tot dialoog en samenwerking om hun handels- en
investeringsbetrekkingen te ontwikkelen, waaronder vergroting van de technische
capaciteit om problemen op te lossen, op de in de artikelen 9 tot en met 16
beschreven terreinen. ARTIKEL 9
Sanitaire en fytosanitaire kwesties De partijen plegen overleg en wisselen
informatie uit over wetgeving, certificering en inspectie- en
toezichtsprocedures, in het kader van de WTO-Overeenkomst inzake sanitaire en
fytosanitaire maatregelen, het Internationaal Verdrag voor de bescherming van
planten (IPPC), het Internationaal Bureau voor besmettelijke veeziekten (OIE)
en de Codex Alimentarius (CAC). ARTIKEL 10
Technische handelsbelemmeringen
De partijen
stimuleren het gebruik van internationale normen, en werken samen en wisselen
informatie uit aangaande normen, conformiteitsbeoordelingsprocedures en technische
regelgeving, met name in het kader van de WTO-Overeenkomst inzake technische
handelsbelemmeringen. ARTIKEL 11
Bescherming van intellectuele eigendomsrechten
De partijen werken samen aan de verbetering en
handhaving van de bescherming en de toepassing van
intellectuele-eigendomsrechten, op basis van beste praktijken, en aan de
bevordering van de kennis daarvan. Deze samenwerking kan de uitwisseling van
informatie en ervaringen omvatten, op gebieden als uitoefening, bevordering,
verspreiding, stroomlijning, beheer, harmonisatie, bescherming en effectieve
toepassing van intellectuele-eigendomsrechten, het voorkomen van misbruik van
dergelijke rechten en de bestrijding van namaak en piraterij. ARTIKEL 12
Vergemakkelijking van de handel
De partijen wisselen ervaringen uit en gaan na
in hoeverre het mogelijk is de invoer-, uitvoer- en andere douaneprocedures te
vereenvoudigen, de transparantie van de handelsregelgeving te verbeteren en
samenwerking op het gebied van douane te ontwikkelen, waaronder wederzijdse
administratieve hulpmechanismen; zij pogen ook hun standpunten op elkaar af te
stemmen en tot gezamenlijke activiteiten te komen in de context van
internationale initiatieven. De partijen besteden speciale aandacht aan de
veiligheid van de internationale handel, waaronder vervoersdiensten, en aan een
juiste balans tussen handelsbevordering en bestrijding van fraude en
onregelmatigheden. ARTIKEL 13
Samenwerking op douanegebied
Zonder afbreuk te doen aan andere vormen van
samenwerking, zoals in deze overeenkomst geregeld, verklaren de partijen dat
zij bereid zijn te overwegen om in de toekomst een protocol te sluiten over
douanesamenwerking, inclusief wederzijdse bijstand, binnen het institutionele
kader dat in deze overeenkomst is vastgelegd. ARTIKEL 14
Investeringen
De partijen bevorderen sterkere
investeringsstromen, en wel door het scheppen van een aantrekkelijk en stabiel
wederzijds investeringsklimaat, met behulp van een consistente dialoog die
gericht is op verbetering van wederzijds begrip en samenwerking op het gebied
van investeringskwesties, onderzoek van administratieve mechanismen om
investeringsstromen te vergemakkelijken, en stimulering van stabiele,
transparante, open en niet-discriminerende investeringsregels. ARTIKEL 15
Mededingingsbeleid
De partijen stimuleren de vaststelling en
toepassing van mededingingsregels en informatieverspreiding om de transparantie
en juridische zekerheid voor in Indonesië en de Europese Unie werkzame
ondernemingen te bevorderen. ARTIKEL 16
Diensten
De partijen gaan een consistente dialoog aan
die met name gericht is op het uitwisselen van informatie over hun respectieve
regelgeving, het stimuleren van toegang tot elkaars markt, het bevorderen van
toegang tot bronnen van kapitaal en technologie, en het stimuleren van de
handel in diensten tussen beide regio’s en in derde landen. TITEL V
SAMENWERKING IN ANDERE SECTOREN
ARTIKEL 17
Toerisme
1. De partijen kunnen samenwerken ter
verbetering van de uitwisseling van informatie en het instellen van goede
praktijken om evenwichtig en duurzaam toerisme te ontwikkelen, overeenkomstig
de mondiale gedragscode voor toerisme van de Wereldorganisatie voor Toerisme en
de duurzaamheidsbeginselen die de grondslag vormen voor het lokale Agenda
21-proces. 2. De partijen kunnen samenwerking
ontwikkelen met betrekking tot het beschermen en optimaal benutten van het
natuurlijke en culturele erfgoed, het verzachten van de negatieve gevolgen van
toerisme en het vergroten van de positieve bijdrage van de toeristische industrie
aan de lokale duurzame ontwikkeling, onder meer door middel van ecotoerisme,
het respecteren van de integriteit en de belangen van lokale gemeenschappen en
het verbeteren van opleiding op toeristisch gebied. ARTIKEL 18
Financiële diensten
De partijen komen overeen hun samenwerking op
het gebied van financiële diensten te bevorderen, naargelang van hun behoeften
en in het kader van hun respectieve programma’s en wetgeving. ARTIKEL 19
Dialoog over het economische beleid
1. De partijen komen overeen het
uitwisselen van informatie en ervaringen over hun economische ontwikkelingen en
beleid te bevorderen, alsmede het delen van ervaringen op het gebied van
economisch beleid, onder meer in het kader van de regionale economische
samenwerking en integratie. 2. De partijen streven naar
intensivering van de dialoog tussen hun autoriteiten over door de partijen
overeengekomen economische aangelegenheden, zoals monetair en fiscaal beleid
(waaronder belastingen), overheidsfinanciën, macro-economische stabilisatie en
buitenlandse schuld. 3. De partijen erkennen het belang van
meer transparantie en van het uitwisselen van informatie om de handhaving van
maatregelen ter voorkoming van belastingontwijking en -ontduiking te
vergemakkelijken, binnen hun respectieve wettelijke kaders. Ze komen overeen de
samenwerking op dit terrein te verbeteren. ARTIKEL 20
Industriebeleid en midden- en kleinbedrijf
1. De partijen, rekening houdend met
hun respectieve economische beleidsmaatregelen en doelstellingen, komen overeen
het industriële beleid op alle passend geachte terreinen te bevorderen met het
oog op de verbetering van het concurrentievermogen van het midden- en
kleinbedrijf, en wel door middel van onder meer: –
de uitwisseling van gegevens over en ervaringen met
het scheppen van een klimaat waarbinnen het midden- en kleinbedrijf zijn
concurrentievermogen kan verbeteren; –
het bevorderen van de contacten tussen economische
actoren, het stimuleren van gemeenschappelijke investeringen en de
totstandbrenging van joint-ventures en informatienetwerken, met name via
bestaande horizontale EU-programma’s, waarbij met name de overdracht van zachte
en harde technologie tussen de partners wordt gestimuleerd; –
het vergemakkelijken van de toegang tot kredieten
en marketing, het verstrekken van informatie, het stimuleren van innovatie, het
uitwisselen van goede praktijken met betrekking tot de toegang tot kredieten
die met name voor het midden- en kleinbedrijf zijn bedoeld; –
gezamenlijke industriële onderzoeksprojecten en
samenwerking met betrekking tot normen, conformiteitsbeoordelingsprocedures en
technische regelgeving, in overleg vast te stellen. 2. De partijen bevorderen en
ondersteunen de relevante activiteiten die aan weerszijden door de particuliere
sector worden ontwikkeld. ARTIKEL 21
Informatiemaatschappij
De partijen erkennen dat informatie- en
communicatietechnologieën cruciaal zijn in ons leven en voor de economische en
sociale ontwikkeling en streven daarom naar samenwerking met betrekking tot
onder meer: a) bevordering van een brede dialoog
over de verschillende aspecten van de informatiemaatschappij, met name beleid
en regelgeving voor elektronische communicatie, waaronder universele
dienstverlening, vergunningen en algemene machtigingen, bescherming van privacy
en persoonsgegevens, en onafhankelijkheid en efficiëntie van de regelgevende
instantie; b) interconnectie en interoperabiliteit
van Europese, Indonesische en Zuidoost-Aziatische netwerken en diensten; c) normalisatie en verspreiding van
nieuwe informatie- en communicatietechnologieën; d) stimulering van onderzoeksprojecten
tussen de Gemeenschap en Indonesië op het gebied van informatie- en
communicatietechnologieën; e) gezamenlijke onderzoeksprojecten op
het gebied van informatie- en communicatietechnologieën; f) veiligheidsvraagstukken/-aspecten
van informatie- en communicatietechnologieën. ARTIKEL 22
Wetenschap en technologie
1. De partijen komen overeen samen te
werken op het gebied van wetenschap en technologie op terreinen die van
wederzijds belang zijn, zoals energie, vervoer, milieu, natuurlijke hulpbronnen
en gezondheid, waarbij rekening wordt gehouden met hun respectieve beleid. 2. De doelstellingen van deze
samenwerking zijn: a) uitwisseling van informatie en
kennis over wetenschap en technologie, in het bijzonder over de uitvoering van
beleidsvormen en programma’s; b) bevordering van duurzame
betrekkingen tussen de wetenschappelijke gemeenschappen, onderzoekscentra en de
industrie van beide partijen; c) bevordering van de ontwikkeling van
het menselijk potentieel; d) bevordering van gezamenlijk
overeengekomen andere vormen van samenwerking. 3. De samenwerking kan plaatsvinden in
de vorm van gezamenlijke onderzoeksprojecten en uitwisselingen, bijeenkomsten
en opleiding van wetenschappers via internationale mobiliteitsprojecten,
waardoor onderzoeksresultaten optimaal verspreid worden. 4. In het kader van deze samenwerking
stimuleren de partijen de deelname van hun instellingen voor hoger onderwijs,
onderzoekscentra en productieve sectoren, met name het midden- en kleinbedrijf. ARTIKEL 23
Energie
De partijen streven naar meer samenwerking in
de energiesector. Daartoe bevorderen de partijen wederzijds voordelige
contacten met het oog op: a) diversificatie van de
energievoorziening teneinde de continuïteit ervan te garanderen, ontwikkeling
van nieuwe, duurzame energiebronnen en samenwerking in toeleverende en
afnemende sectoren van industriële energie; b) rationalisering van het
energiegebruik aan zowel de aanbod- als de vraagkant en bevordering van de
samenwerking om klimaatverandering tegen te gaan, onder meer door middel van
het mechanisme voor schone ontwikkeling in het kader van het Kyoto-protocol; c) bevordering van de overdracht van
technologie die op duurzame energieproductie en duurzaam energiegebruik is
gericht; d) aanpak van het verband tussen
toegang tot betaalbare energie en duurzame ontwikkeling. ARTIKEL 24
Vervoer
1. De partijen streven naar
samenwerking op relevante terreinen van het vervoersbeleid met het oog op de
verbetering van het verkeer van goederen en personen, de bevordering van de
veiligheid, maritieme beveiliging en veiligheid van de luchtvaart,
milieubescherming en verhoging van de efficiëntie van hun vervoerssystemen. 2. De samenwerking kan onder meer
omvatten: a) informatie-uitwisseling over hun
respectieve vervoersbeleid en -praktijken, in het bijzonder over vervoer in
steden, op het platteland, over binnenwateren en over zee, en de logistiek
daarvan, en de koppeling en interoperabiliteit van multimodale
vervoersnetwerken, alsook over het beheer van spoorwegen, havens en
luchthavens; b) mogelijkheden van het gebruik van
het Europese mondiale satellietnavigatiesysteem (Galileo), met nadruk op
onderwerpen van wederzijds belang; c) dialoog op het gebied van
luchtvervoersdiensten, gericht op verdere ontwikkeling van de bilaterale
betrekkingen tussen de partijen op gebieden van wederzijds belang, waaronder
wijziging van elementen van bestaande bilaterale overeenkomsten inzake
luchtvervoersdiensten tussen Indonesië en individuele EU-lidstaten om deze in
overeenstemming te brengen met de respectieve wet- en regelgeving van de
partijen, en om na te gaan in hoeverre het mogelijk is de betrekkingen op het
gebied van luchtvervoer verder te ontwikkelen; d) een dialoog over maritieme
vervoersdiensten die gericht is op onbeperkte toegang tot de internationale
maritieme markt en handel op commerciële basis, afzien van bepalingen inzake
vrachtverdeling, nationale behandeling en meestbegunstigingsbehandeling voor
schepen van inwoners of ondernemingen van de andere partij en het recht om
‘door-to-door’-vervoersdiensten aan te bieden; e) de invoering van veiligheids- en
milieunormen, met name wat betreft maritiem vervoer en luchtvaart,
overeenkomstig de relevante internationale conventies. ARTIKEL 25
Onderwijs en cultuur
1. De partijen komen overeen om,
rekening houdende met hun verschillen, de samenwerking op het gebied van
onderwijs en cultuur te stimuleren, teneinde het wederzijds begrip en de kennis
van elkaars cultuur te vergroten. 2. De partijen streven ernaar om
passende maatregelen te nemen om culturele uitwisselingen te stimuleren en
gemeenschappelijke culturele initiatieven uit te voeren, waaronder de
organisatie van culturele evenementen. In dit verband komen de partijen ook
overeen de activiteiten van de Asia-Europe Foundation te blijven steunen. 3. De partijen komen overeen te
overleggen en samen te werken binnen de relevante internationale fora, zoals de
Unesco, en ideeën uit te wisselen over culturele diversiteit, waaronder
ontwikkelingen zoals de ratificatie en implementatie van het Unesco-verdrag
betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van
cultuuruitingen. 4. De partijen leggen daarnaast de
nadruk op maatregelen voor de opbouw van banden tussen elkaars gespecialiseerde
instellingen, de bevordering van uitwisseling van informatie en publicaties,
kennis, studenten, deskundigen en technische middelen en de bevordering van
informatie- en communicatietechnologieën in het onderwijs, daarbij zowel
gebruikmakend van de faciliteiten van de Europese onderwijs- en
cultuurprogramma’s in Zuidoost-Azië, als de ervaringen die de partijen op dit
gebied hebben opgedaan. De partijen komen ook overeen de uitvoering van het
programma Erasmus Mundus te bevorderen. ARTIKEL 26
Mensenrechten
1. De partijen komen overeen samen te
werken aan de bevordering en bescherming van mensenrechten. 2. Deze samenwerking kan onder meer
omvatten: a) steun voor de uitvoering van het
Indonesische nationale actieplan voor de mensenrechten; b) bevordering van en voorlichting over
de mensenrechten; c) versterking van de instellingen op
het gebied van de mensenrechten. 3. De partijen zijn het erover eens dat
het nuttig zou zijn een dialoog over dit thema te voeren. ARTIKEL 27
Milieu en natuurlijke hulpbronnen
1. De partijen komen overeen dat het
noodzakelijk is de natuurlijke rijkdommen en biodiversiteit duurzaam te
beschermen en te beheren als basis voor de ontwikkeling van de huidige en
toekomstige generaties. 2. Bij alle activiteiten die de
partijen in het kader van deze overeenkomst ondernemen, wordt rekening gehouden
met de resultaten van de wereldtop over duurzame ontwikkeling en met de
tenuitvoerlegging van relevante multilaterale milieuverdragen die op beide
partijen van toepassing zijn. 3. De partijen streven ernaar hun
samenwerking binnen regionale programma’s voor milieubescherming voort te
zetten, met name wat betreft: a) milieuvoorlichting en
wetshandhaving; b) capaciteitsopbouw op het gebied van
klimaatverandering en zuinig energiegebruik, gericht op onderzoek en
ontwikkeling, controle en analyse van klimaatverandering en broeikaseffecten,
programma’s voor verzachting en aanpassing; c) capaciteitsopbouw voor deelname aan
en uitvoering van multilaterale milieuverdragen, onder meer op het gebied van
biodiversiteit, bioveiligheid en CITES; d) bevordering van milieutechnologie,
-producten en -diensten, waaronder capaciteitsopbouw voor milieubeheersystemen
en milieukeursystemen; e) voorkomen van illegaal
grensoverschrijdend verkeer van gevaarlijke stoffen, gevaarlijk en ander afval;
f) kust- en zeemilieu, behoud,
tegengaan van vervuiling en schade; g) plaatselijke deelname aan
milieubescherming en duurzame ontwikkeling; h) bodem- en landbeheer; i) maatregelen om grensoverschrijdende
smog tegen te gaan. 4. De partijen moedigen wederzijdse
toegang tot elkaars programma’s op dit terrein aan, overeenkomstig de
specifieke voorwaarden van deze programma’s. ARTIKEL 28
Bosbouw
1. De partijen komen overeen dat het
noodzakelijk is de natuurlijke rijkdommen en biodiversiteit duurzaam te
beschermen, te bewaren en te beheren voor huidige en toekomstige generaties. 2. De partijen streven naar
voortzetting van hun samenwerking ter verbetering van het beheer van bos- en
andere branden en het bestrijden van illegale houtkap en de daarmee
samenhangende handel, bestuur in de bosbouw, en het bevorderen van duurzaam
bosbeheer. 3. De partijen ontwikkelen
samenwerkingsprogramma’s op onder meer de volgende terreinen: a) samenwerking via de relevante
internationale, regionale en bilaterale fora ter bevordering van de instelling
van juridische instrumenten ter bestrijding van illegale houtkap en de daarmee
samenhangende handel; b) capaciteitsopbouw, onderzoek en
ontwikkeling; c) steun voor de ontwikkeling van een
duurzame bosbouwsector; d) de ontwikkeling van certificering
voor de bosbouw. ARTIKEL 29
Landbouw en plattelandsontwikkeling
De partijen komen overeen samenwerking te
ontwikkelen op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling. Onder meer
op de volgende terreinen kan de samenwerking verder worden ontwikkeld: a) landbouwbeleid en internationale
landbouwvooruitzichten in het algemeen; b) de mogelijkheden om barrières voor
de handel in gewassen, vee en producten daarvan weg te nemen; c) het ontwikkelingsbeleid voor plattelandsgebieden; d) kwaliteitsbeleid voor gewassen en
vee en beschermde geografische aanduidingen; e) marktontwikkeling en bevordering van
de internationale handelsbetrekkingen; f) ontwikkeling van een duurzame
landbouw. ARTIKEL 30
Zee en visserij
De partijen stimuleren de samenwerking op het
gebied van de zee en de visserij op bilateraal en multilateraal niveau, met
name met het oog op duurzame en verantwoorde ontwikkeling en beheer van de zee
en de visserij. De samenwerking kan onder meer omvatten: a) de uitwisseling van informatie; b) steun voor duurzaam en verantwoord
zee- en visserijbeleid op lange termijn, waaronder behoud en beheer van kust-
en mariene hulpbronnen; c) bevordering van de inspanningen ter
bestrijding van illegale, niet-gemelde en niet-gereguleerde
visserijactiviteiten; d) marktontwikkeling en
capaciteitsopbouw. ARTIKEL 31
Gezondheidszorg
1. De partijen komen overeen op
gezondheidsgebied samen te werken op terreinen van wederzijds belang, met het
oog op de versterking van de activiteiten op het gebied van onderzoek, beheer
van de gezondheidszorg, voeding, geneesmiddelen, preventieve geneeskunde,
ernstige besmettelijke ziekten, zoals vogelgriep, pandemische griep, hiv/aids
en SARS, alsmede niet-besmettelijke ziekten zoals kanker, hartkwalen,
verkeersletsels en andere gezondheidsproblemen, zoals drugsverslaving. 2. Samenwerking vindt voornamelijk
plaats door: a) de uitwisseling van informatie en
ervaringen op de hierboven genoemde terreinen; b) programma’s op het gebied van
epidemiologie, decentralisatie, financiering van de gezondheidszorg, vergroting
van de weerbaarheid van de gemeenschappen en beheer van de gezondheidszorg; c) capaciteitsopbouw door middel van
technische bijstand en de ontwikkeling van programma’s voor beroepsopleiding; d) programma’s ter verbetering van de
gezondheidszorg en ter ondersteuning van daarmee samenhangende activiteiten,
onder meer de daling van de baby- en moedersterfte. ARTIKEL 32
Statistieken
De partijen komen overeen om overeenkomstig de
bestaande statistische samenwerkingsactiviteiten tussen de Gemeenschap en de
ASEAN, de harmonisatie van statistische methoden en werkwijzen te bevorderen,
waaronder de vergaring en verspreiding van statistische gegevens, waardoor zij
op een onderling overeengekomen wijze gebruik kunnen maken van statistische
gegevens over de handel in goederen en diensten en, meer in het algemeen, over
alle andere gebieden die onder deze overeenkomst vallen en die zich lenen voor
statistische verwerking, zoals vergaring, analyse en verspreiding. ARTIKEL 33
Bescherming van persoonsgegevens
1. De partijen komen overeen samen te
werken op dit vlak, teneinde de bescherming van persoonsgegevens te verbeteren
overeenkomstig de strengste internationale normen, zoals vervat in de
Guidelines for the Regulation of Computerized Personal Data Files van de
Verenigde Naties (Resolutie 45/95 van de Algemene Vergadering van de VN van 14
december 1990). 2. Samenwerking inzake de bescherming
van persoonsgegevens omvat onder meer technische bijstand in de vorm van de
uitwisseling van informatie en expertise, waarbij rekening wordt gehouden met
de wet- en regelgeving van de partijen. ARTIKEL 34
Migratie
1. De partijen bevestigen opnieuw het belang van gezamenlijke inspanningen
inzake de beheersing van de migratiestromen tussen hun grondgebieden en met het
oog op de versterking van de samenwerking voeren zij een brede dialoog over
alle met migratie verband houdende vraagstukken, waaronder illegale migratie,
mensensmokkel en -handel en de bescherming van mensen die internationale
bescherming behoeven. In de nationale
strategieën met betrekking tot economische en sociale ontwikkeling van de
partijen wordt rekening gehouden met migratieaspecten. De partijen komen
overeen humanitaire beginselen te eerbiedigen bij de aanpak van
migratievraagstukken. 2. De samenwerking tussen de partijen
moet gebaseerd worden op een specifieke analyse van de behoeften, uitgevoerd in
wederzijds overleg tussen de partijen en overeenkomstig de relevante wetgeving.
De samenwerking richt zich onder meer op: a) aanpak van de belangrijkste oorzaken
van migratie; b) ontwikkeling en implementatie van
nationale wetgeving en praktijken overeenkomstig de relevante internationale
wetten die van toepassing zijn op de partijen, en met name eerbiediging van het
non-refoulementbeginsel; c) kwesties van wederzijds belang op
het gebied van visa, reisdocumenten en grensbewaking; d) de toelatingscriteria, alsmede de
rechten en de status van de toegelaten personen, eerlijke behandeling en
integratiemogelijkheden voor legale buitenlandse ingezetenen, onderwijs en
opleiding, maatregelen tegen racisme en vreemdelingenhaat; e) capaciteitsopbouw op het gebied van
techniek en personeel; f) de opzet van een doelmatige en
preventieve aanpak van illegale migratie, mensensmokkel en -handel, alsmede de
vraag hoe netwerken en criminele organisaties van handelaars en smokkelaars
kunnen worden bestreden en de slachtoffers van deze praktijken kunnen worden
beschermd; g) de humane en waardige terugkeer van
illegale personen, alsmede bevordering van vrijwillige terugkeer, en de
overname van dergelijke personen overeenkomstig lid 3. 3. In het kader van de samenwerking ter
voorkoming en beperking van illegale migratie komen de partijen, onverminderd
de noodzaak van de bescherming van slachtoffers van mensenhandel, eveneens het
volgende overeen: a) desgevraagd vermeende onderdanen te
identificeren en illegaal op het grondgebied van een partij verblijvende
onderdanen zonder verdere formaliteiten over te nemen zodra de nationaliteit is
vastgesteld; b) hun onderdanen hiertoe de nodige
identiteitsdocumenten te verstrekken. 4. De partijen komen overeen op verzoek
een overeenkomst te sluiten waarin wordt voorzien in specifieke
overnameverplichtingen, inclusief een verplichting voor de overname van hun
eigen onderdanen, van onderdanen van andere landen en statenloze personen.
Hiermee wordt ook het probleem van de staatlozen aangepakt. ARTIKEL 35
Bestrijding van georganiseerde misdaad en corruptie
De partijen komen overeen samen te werken aan
en bij te dragen tot de bestrijding van georganiseerde, economische en
financiële misdaad en corruptie door volledig te voldoen aan hun bestaande
internationale verplichtingen in dit verband, onder meer met betrekking tot
effectieve samenwerking om beslag te leggen op uit corruptie verkregen
bezittingen of gelden. Deze bepaling vormt een essentieel element van deze
overeenkomst. ARTIKEL 36
Drugsbestrijding
1. Binnen hun respectieve juridische
kaders werken de partijen samen aan een brede, evenwichtige aanpak door middel
van effectieve maatregelen en coördinatie tussen de bevoegde autoriteiten op
het terrein van gezondheidszorg, onderwijs, wetshandhaving, waaronder douane,
sociale zaken, justitie en binnenlandse zaken en de regels voor legale markten
teneinde het aanbod van, de handel in en de vraag naar drugs alsook het effect
daarvan op druggebruikers en de samenleving in het algemeen zo veel mogelijk
terug te dringen, alsmede tot een effectievere preventie te komen van het
onrechtmatig gebruik van chemische precursoren voor de illegale vervaardiging
van verdovende middelen en psychotrope stoffen. 2. De partijen bereiken overeenstemming
over de wijze van samenwerking om deze doelstellingen te verwezenlijken. De
activiteiten worden gebaseerd op onderling overeengekomen beginselen,
overeenkomstig de desbetreffende internationale verdragen, de Politieke
Verklaring en de Speciale Verklaring inzake richtsnoeren om de vraag naar drugs
te verminderen, goedgekeurd door de twintigste speciale zitting van de Algemene
Vergadering van de Verenigde Naties inzake drugs van juni 1998. 3. De samenwerking tussen de partijen
kan de uitwisseling van ideeën omvatten over wettelijke kaders en goede
praktijken, alsmede technische en administratieve bijstand op de volgende
terreinen: preventie en behandeling van drugsgebruik op allerlei verschillende
manier, waaronder beperking van de schade als gevolg van drugsgebruik; centra
voor voorlichting en toezicht; opleiding van personeel; onderzoek in verband
met drugs; samenwerking tussen politie en justitie en het voorkomen van het
onrechtmatig gebruik van chemische precursoren voor de illegale vervaardiging
van verdovende middelen of psychotrope stoffen. De partijen kunnen overeenkomen
de samenwerking tot andere terreinen uit te breiden. 4. De partijen kunnen samenwerken ter
bevordering van beleidslijnen voor duurzame alternatieve ontwikkeling, gericht
op een zo groot mogelijke beperking van de teelt van illegale drugs, met name
cannabis. ARTIKEL 37
Samenwerking ter bestrijding van het witwassen van geld
1. De partijen zijn het erover eens dat
moet worden geprobeerd te voorkomen dat hun financiële systeem wordt gebruikt
voor het witwassen van de inkomsten van criminele activiteiten zoals
drugshandel en corruptie. 2. De partijen komen overeen samen te
werken op het gebied van technische en administratieve bijstand gericht op de
ontwikkeling en implementatie van regelgeving en het goed functioneren van
mechanismen ter bestrijding van witwassen en de financiering van terrorisme,
waaronder de inbeslagname van uit misdaden verkregen bezittingen of gelden. 3. Door de samenwerking
moet het mogelijk worden relevante informatie uit te wisselen in het kader van
de respectieve wetgevingen en passende normen vast te stellen voor de bestrijding
van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, die vergelijkbaar
zijn met die van de Gemeenschap en de internationale instanties op dit gebied,
zoals de Financial Action Task Force (FATF). ARTIKEL 38
Maatschappelijk middenveld
1. De partijen erkennen de rol en
mogelijke bijdrage van organisaties uit het maatschappelijk middenveld, met
name de wetenschap, aan de dialoog en het samenwerkingsproces uit hoofde van
deze overeenkomst en komen overeen een effectieve dialoog met maatschappelijke
organisaties en hun actieve deelname te stimuleren. 2. Overeenkomstig de democratische
beginselen en de wet- en regelgeving van elke partij kunnen maatschappelijke
organisaties: a) deelnemen aan het
besluitvormingsproces op nationaal niveau; b) over ontwikkelings- en
samenwerkingsstrategieën en sectoraal beleid worden ingelicht en aan overleg
daarover deelnemen, met name op terreinen die hen betreffen, met inbegrip van
alle fasen van het ontwikkelingsproces; c) ter ondersteuning van hun
activiteiten toegewezen financiële middelen transparant beheren; d) deelnemen aan de uitvoering van
samenwerkingsprogramma’s, onder meer met betrekking tot capaciteitsopbouw, op
gebieden die hen betreffen. ARTIKEL 39
Samenwerking inzake de modernisering van de overheid en het openbaar bestuur
Op basis van een in overleg uitgevoerde
specifieke analyse van de behoeften komen de partijen overeen samen te werken
aan de modernisering van hun openbaar bestuur, onder meer op de volgende
terreinen: a) verbetering van de organisatorische
doelmatigheid; b) verbetering van de effectiviteit van
de dienstverlening door de instellingen; c) transparant beheer van de
overheidsfinanciën en verantwoording; d) verbetering van het juridische en
institutionele kader; e) opbouw van het vermogen om beleid te
ontwikkelen en uit te voeren (openbare dienstverlening, opstelling en
uitvoering van de begroting, corruptiebestrijding); f) versterking van het justitiële
apparaat; g) verbetering van de mechanismen en
instanties voor wetshandhaving. ARTIKEL 40
Vormen van samenwerking
1. De partijen stellen de nodige
middelen, waaronder financiële middelen, beschikbaar om de
samenwerkingsdoelstellingen van deze overeenkomst te realiseren, voor zover hun
respectieve middelen en regelgeving hiertoe de mogelijkheid bieden. 2. De partijen moedigen de Europese
Investeringsbank aan haar activiteiten in Indonesië voort te zetten,
overeenkomstig haar procedures en financieringscriteria en de Indonesische wet-
en regelgeving. TITEL VI
INSTITUTIONEEL KADER
ARTIKEL 41
Gemengd Comité
1. De partijen komen overeen een
gemengd comité in te stellen, dat bestaat uit vertegenwoordigers van beide
partijen op het hoogst mogelijke niveau, met de volgende taken: a) zorgen voor de goede werking en
uitvoering van deze overeenkomst; b) prioriteiten vaststellen met
betrekking tot de doelstellingen van deze overeenkomst; c) geschillen oplossen die zich
voordoen met betrekking tot de toepassing of de interpretatie van de
overeenkomst; d) aanbevelingen doen aan de partijen
met betrekking tot de bevordering van de doelstellingen van de overeenkomst en
indien nodig voor het oplossen van geschillen die zich voordoen met betrekking
tot de toepassing of de interpretatie van de overeenkomst. 2. Het gemengd comité komt normaal
gesproken ten minste eenmaal per twee jaar bijeen, afwisselend in Indonesië en
in Brussel, op een datum die in onderling overleg wordt vastgesteld. De
partijen kunnen tevens besluiten tot buitengewone bijeenkomsten van het gemengd
comité. Het voorzitterschap van het gemengd comité wordt beurtelings door de
partijen bekleed. De agenda van de vergaderingen van het gemengd comité wordt
door de partijen in overleg vastgesteld. 3. Het gemengd comité kan
gespecialiseerde werkgroepen instellen die het bij de uitvoering van zijn taken
ondersteunen. Deze werkgroepen brengen op elke vergadering van het gemengd
comité gedetailleerd verslag uit over hun vergaderingen. 4. De partijen komen overeen het
gemengd comité ook op te dragen toe te zien op de goede werking van alle tussen
hen gesloten of nog te sluiten sectorale overeenkomsten of protocollen. 5. Het gemengd comité stelt zijn eigen
reglement van orde vast voor de toepassing van de overeenkomst. TITEL VII
SLOTBEPALINGEN
ARTIKEL 42
Aanpassingsclausule
1. De partijen kunnen deze overeenkomst
met wederzijdse goedkeuring wijzigen, herzien of uitbreiden met het oog op
intensivering van het samenwerkingsniveau, onder andere door deze aan te vullen
met overeenkomsten of protocollen voor specifieke sectoren of activiteiten. 2. Wat de toepassing van deze
overeenkomst betreft, kan elke partij voorstellen formuleren met het oog op de
uitbreiding van de wederzijdse samenwerking, rekening houdend met de bij de
uitvoering van de overeenkomst opgedane ervaring. ARTIKEL 43
Andere overeenkomsten
1. Onverminderd de desbetreffende
bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, doet
deze overeenkomst of in het kader daarvan te ondernemen actie op generlei wijze
afbreuk aan de bevoegdheden van de lidstaten om bilaterale samenwerkingsbanden
met Indonesië aan te knopen of, indien wenselijk, nieuwe partnerschaps- en
samenwerkingsovereenkomsten met Indonesië te sluiten. 2. Deze overeenkomst doet geen afbreuk
aan de toepassing of de uitvoering van verbintenissen die de partijen in
betrekkingen met derden zijn aangegaan. ARTIKEL 44
Geschillenbeslechting
1. Elke partij kan een geschil dat
verband houdt met de toepassing of de interpretatie van deze overeenkomst aan
het gemengd comité voorleggen. 2. Het gemengd comité behandelt het
geschil overeenkomstig artikel 41, lid 1, onder c) en d). 3. Indien een partij meent dat de
andere partij een van haar verplichtingen krachtens de overeenkomst niet is
nagekomen, kan zij passende maatregelen treffen. Behalve
in bijzonder spoedeisende gevallen dient hij, alvorens zulks te doen, aan het
gemengd comité alle ter zake doende informatie te verstrekken die nodig is voor
een grondige bestudering van de situatie met het oog op het vinden van een voor
beide partijen aanvaardbare oplossing. 4. Voor de juiste interpretatie en
praktische toepassing van deze overeenkomst komen de partijen overeen dat de in
lid 3 genoemde term “bijzonder spoedeisende gevallen” een inbreuk ten gronde op
de overeenkomst door een van de partijen betekent. Een inbreuk ten gronde houdt
in: i) afwijzing van de overeenkomst die
niet strookt met de algemene regels van het internationaal recht, of ii) schending van een essentieel
element van de overeenkomst als vermeld in artikel 1, lid 1, artikel 3, lid 2,
en artikel 35. 5. Hierbij moeten in eerste instantie
maatregelen worden gekozen die de goede werking van de overeenkomst het minst
verstoren. De andere partij wordt onmiddellijk op de hoogte gebracht van deze
maatregelen; op verzoek van de andere partij wordt daaromtrent overleg gepleegd
in het gemengd comité. ARTIKEL 45
Faciliteiten
Om de samenwerking in het kader van deze
overeenkomst te vergemakkelijken, komen beide partijen overeen de bevoegde
deskundigen en ambtenaren die betrokken zijn bij de uitvoering van de samenwerking
de nodige faciliteiten te verlenen voor de uitoefening van hun taak,
overeenkomstig de interne regels en voorschriften van beide partijen. ARTIKEL 46
Territoriale toepassing
Deze overeenkomst
is van toepassing op het grondgebied waar het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap van toepassing is, op de in dat Verdrag neergelegde
voorwaarden, enerzijds, en het grondgebied van Indonesië, anderzijds. ARTIKEL
47
Definitie van de partijen
Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt
met de term “partijen” bedoeld de Gemeenschap, of de lidstaten, of de
Gemeenschap en haar lidstaten, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden,
enerzijds, en de Republiek Indonesië, anderzijds. ARTIKEL 48
Inwerkingtreding en looptijd
1. Deze overeenkomst treedt in werking
op de eerste dag van de maand volgende op de datum waarop de laatste partij de
andere partij in kennis heeft gesteld van de voltooiing van de daartoe vereiste
juridische procedures. 2. De overeenkomst is geldig voor een
periode van vijf jaar. Zij wordt automatisch verlengd met volgende perioden van
één jaar, tenzij een van de partijen de andere partij zes maanden voor het
verstrijken van een periode van een jaar schriftelijk op de hoogte stelt van
haar voornemen de overeenkomst niet te verlengen. 3. Deze overeenkomst kan met onderlinge
instemming tussen de partijen worden gewijzigd. De wijzigingen worden pas van
kracht nadat de partijen elkaar ervan in kennis hebben gesteld dat alle
noodzakelijke formaliteiten vervuld zijn. 4. Deze overeenkomst kan door een
partij worden beëindigd door middel van een schriftelijke kennisgeving van
opzegging aan de andere partij. De beëindiging gaat in zes maanden na ontvangst
van de kennisgeving door de andere partij. ARTIKEL 49
Kennisgeving
De kennisgevingen worden respectievelijk aan
de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie en het ministerie van
Buitenlandse Zaken van de Republiek Indonesië gericht. ARTIKEL 50
Authentieke teksten
Deze overeenkomst wordt opgesteld in de
Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de
Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de
Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse,
de Spaanse, de Tsjechische, de Zweedse en de Indonesische taal, zijnde alle
teksten gelijkelijk authentiek. Gedaan
in tweevoud te ………………. [plaats] op […………] tweeduizend […].
SLOTAKTE De gevolmachtigden van DE EUROPESE GEMEENSCHAP, hierna “de
Gemeenschap” genoemd, en HET KONINKRIJK BELGIË, DE REPUBLIEK BULGARIJE, DE TSJECHISCHE REPUBLIEK, HET KONINKRIJK DENEMARKEN, DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND, DE REPUBLIEK ESTLAND, IERLAND, DE HELLEENSE REPUBLIEK, HET KONINKRIJK SPANJE, DE FRANSE REPUBLIEK, DE ITALIAANSE REPUBLIEK, DE REPUBLIEK CYPRUS, DE REPUBLIEK LETLAND, DE REPUBLIEK LITOUWEN, HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG, DE REPUBLIEK HONGARIJE, MALTA, HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN, DE REPUBLIEK OOSTENRIJK, DE REPUBLIEK POLEN, DE PORTUGESE REPUBLIEK, ROEMENIË, DE REPUBLIEK SLOVENIË, DE SLOWAAKSE REPUBLIEK, DE REPUBLIEK FINLAND, HET KONINKRIJK ZWEDEN, HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË
EN NOORD-IERLAND, verdragsluitende partijen bij het Verdrag tot
oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese
Unie, hierna “de lidstaten” genoemd, enerzijds,
en
DE REPUBLIEK INDONESIË, anderzijds,
op […] te […] bijeen voor de ondertekening van
de kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de
Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Indonesië,
anderzijds, hebben deze overeenkomst goedgekeurd. De gevolmachtigden van de lidstaten en van de
Republiek Indonesië nemen kennis van de volgende eenzijdige verklaring van de
Europese Gemeenschap: “De bepalingen
van de overeenkomst die binnen de toepassingssfeer van deel III,
titel IV, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap
vallen, binden het Verenigd Koninkrijk en Ierland als afzonderlijke
overeenkomstsluitende partijen, en niet als deel van de Europese Gemeenschap,
totdat het Verenigd Koninkrijk of Ierland (naar gelang van het geval) de
Republiek Indonesië ervan in kennis stelt dat het Verenigd Koninkrijk of
Ierland is gebonden als deel van de Europese Gemeenschap overeenkomstig het
Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland dat aan
het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht. Hetzelfde geldt voor Denemarken, overeenkomstig het
Protocol betreffende de positie van Denemarken dat aan die Verdragen is
gehecht.” Gedaan te […],
[…] De Europese Gemeenschap || De Republiek Indonesië [1] Documenten ST 14028 van 21 oktober 2009, ST 14032 van 21
oktober 2009 en ST 14032 COR 1.