This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52013PC0107
Proposal for a DECISION OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL Establishing a space surveillance and tracking support programme
Voorstel voor een BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot instelling van een ondersteuningsprogramma voor ruimtebewaking en -monitoring
Voorstel voor een BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot instelling van een ondersteuningsprogramma voor ruimtebewaking en -monitoring
/* COM/2013/0107 final - 2013/0064 (COD) */
Voorstel voor een BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot instelling van een ondersteuningsprogramma voor ruimtebewaking en -monitoring /* COM/2013/0107 final - 2013/0064 (COD) */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL In de ruimte gestationeerde systemen maken een
breed scala van toepassingen mogelijk, die een fundamentele rol in ons
dagelijks leven vervullen (tv, internet of geografische positionering), van
vitaal belang zijn voor sleutelsectoren van de economie en bijdragen tot de
bescherming van onze veiligheid. Ruimtevaarttoepassingen en daarvan afgeleide
diensten, evenals ruimtevaartonderzoek, zijn van kritiek belang geworden voor
de tenuitvoerlegging van EU-beleidslijnen op gebieden als milieu,
klimaatverandering, zeevaartbeleid, ontwikkeling, landbouw en veiligheidsbeleid
- inclusief het GBVB/GVDB - evenals voor de bevordering van de technische
vooruitgang en de industriële innovatie en het concurrentievermogen. Met de steeds groter wordende afhankelijkheid
van ruimtegebaseerde diensten is het vermogen om de bijbehorende
ruimtevaartinfrastructuur te beschermen van essentieel belang geworden voor
onze samenleving. Stilstand van zelfs maar een gedeelte van de ruimtevaartinfrastructuren
kan zeer grote gevolgen hebben voor het functioneren van de economische
bedrijvigheid en voor de veiligheid van onze burgers, en zou de verlening van
noodhulpdiensten ernstig bemoeilijken. Deze ruimtevaartinfrastructuren worden echter
in toenemende mate bedreigd door het gevaar van botsingen tussen
ruimtevaartuigen, en vooral tussen ruimtevaartuigen en ruimteschroot.
Ruimteschroot vormt inmiddels zelfs de ernstigste bedreiging voor de
haalbaarheid op lange termijn van bepaalde ruimtevaartactiviteiten. Om het risico op botsingen terug te dringen
moeten satellieten en ruimteschroot worden geïdentificeerd en gemonitord,
moeten de posities in kaart worden gebracht en de verplaatsingen (baan) worden
bijgehouden zodra een potentieel botsingsrisico is vastgesteld, zodat de
exploitant van een satelliet kan worden gewaarschuwd om zijn satelliet te
verplaatsen. Deze activiteit staat bekend als ruimtebewaking en –monitoring
(SST – space surveillance and tracking), en is tot nu toe voornamelijk
gebaseerd op terrestrische sensoren zoals telescopen en radars. Er zijn andere acties om het risico op
botsingen of de gevolgen daarvan te verminderen. Dit zijn onder meer
onderzoeken om de satellieten beter te kunnen beschermen tegen de gevolgen van
botsingen en om technologieën te ontwikkelen voor de verwijdering van het
ruimteschroot uit de satellietbanen. Verder zijn er diverse initiatieven die er
op internationaal niveau op gericht zijn het engagement van de
ruimtevaartlanden te garanderen om minder ruimteschroot te produceren bij hun
ruimtevaartactiviteiten. De door de Unie voorgestelde Internationale
gedragscode voor ruimteactiviteiten, waarover de ruimtevaartlanden momenteel
onderhandelen, heeft tot dusver kunnen rekenen op brede internationale steun.
Hoe belangrijk deze instrumenten echter ook mogen zijn, mits de bepalingen
daarvan daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd, toch nemen ze het probleem
niet weg dat wordt gevormd door bestaand en toekomstig ruimteschroot, maar
verlagen ze slechts het exponentiële groeitempo van de hoeveelheid
ruimteschroot in de toekomst. Momenteel ligt de enige oplossing in het
voorkomen van botsingen en het monitoren van de ongecontroleerde terugkeer in
de dampkring van de aarde van ruimtevaartuigen of -schroot. In Europa bestaan echter op dit moment slechts
beperkte mogelijkheden voor het monitoren en bewaken van satellieten en
ruimteschroot of van de terugkeer van voorwerpen uit de ruimte in de dampkring
van de aarde. Ook bestaan er geen goede diensten die waarschuwingen voor botsingsgevaar
aan de satellietexploitanten kunnen afgeven. De mededeling van de Commissie getiteld
"Naar een ruimtevaartstrategie voor de Europese Unie" (COM(2011)
152), die het belang onderkent van zowel ruimtevaartinfrastructuren en de
daarvan afgeleide diensten als van de noodzakelijke bescherming daarvan,
onderstreept dat de Unie de organisatie en het bestuur moet afbakenen voor een
Europees systeem van bewaking en monitoring van ruimtevaartuigen, rekening
houdend met de tweeledige aard daarvan en met de noodzaak om een duurzame
exploitatie te waarborgen, zoals ook reeds beklemtoond wordt in de in oktober
2010 vastgestelde mededeling inzake het industriebeleid. Een optreden van de EU op dit gebied is
gerechtvaardigd op grond van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon
op 1 december 2009, waarbij de bevoegdheden van de EU worden uitgebreid op het
gebied van de ruimtevaart. Artikel 189 van het Verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie verleent aan de EU de bevoegdheid om gezamenlijke initiatieven
te bevorderen, onderzoek en technologische ontwikkeling te steunen en de nodige
inspanningen te coördineren die nodig zijn voor de verkenning en het gebruik
van de ruimte binnen het kader van een Europees ruimtevaartbeleid. De noodzakelijkheid van een EU-optreden op dit
gebied is in diverse resoluties en conclusies van de Raad[1] door de
lidstaten ondersteund. In 2008 heeft de vijfde Ruimteraad bevestigd dat Europa
"moet zorgen voor een Europees vermogen voor monitoring en bewaking van
zijn ruimtevaartinfrastructuur en van ruimteschroot"[2]. Ook werd
bevestigd dat de Unie een actieve rol moet vervullen in de uitvoering van het
SSA-systeem en de mechanismen voor het beheer daarvan. Onlangs werd in mei 2011
in de conclusies van de Raad over de Mededeling inzake de
EU-ruimtevaartstrategie nog eens herhaald dat er behoefte is aan een Europese
SST-capaciteit ter verbetering van de veiligheid van het Europese
ruimtevaartmaterieel en de lancering daarvan. Gesteld wordt dat in verband
daarmee "de Unie een zo ruim mogelijk gebruik [dient te] maken van de
systemen, deskundigheid en bekwaamheid die in de lidstaten en op Europees en
eventueel internationaal niveau reeds bestaan of in ontwikkeling zijn". In
de resolutie wordt de EU (Europese Commissie en EDEO) opgeroepen om, in nauwe
samenwerking met ESA en de lidstaten, voorstellen te doen voor een
beheerstructuur en een gegevensbeleid waarin rekening wordt gehouden met de
grote gevoeligheid van SST-gegevens. Deze standpunten worden onderschreven door
het Europees Parlement in zijn verslag van 30 november 2011 over de
ruimtevaartstrategie voor de EU[3]. De voortgang van de twee prominente Europese
programma's Galileo en Copernicus (de nieuwe naam voor het GMES-programma –
Global Monitoring for Environment and Security) heeft ook meer bekendheid
gegeven aan de noodzaak van bescherming van de Europese
ruimtevaartinfrastructuur. Galileo is het eerste vlaggenschipproject van de EU
in de ruimte, en blijft voorlopig een van de voornaamste componenten van het
ruimteoptreden van de EU, terwijl ook Copernicus een belangrijke
ruimtecomponent heeft (de Sentinel-satellieten). Copernicus, oorspronkelijk
opgezet als een O&O-project, is onlangs zijn eerste operationele fase
ingegaan. In het licht van het bovenstaande heeft dit
voorstel voor een besluit dan ook betrekking op de oprichting van een Europese
dienst die zich zal bezighouden met de voorkoming van botsingen tussen
ruimtevaartuigen of tussen ruimtevaartuigen en -schroot, en met het monitoren
van de ongecontroleerde terugkeer van volledige ruimtevaartuigen of delen
daarvan. In technische zin wordt deze dienst aangeduid als een Europese
SST-dienst. Op basis van de benadering die wordt ingezet
in de mededeling van de Commissie "Naar een ruimtevaartstrategie van de
Europese Unie ten dienste van de burger" van 2011[4], schept
dit besluit de mogelijkheid om een partnerschap te vormen, waarin de lidstaten
met hun bestaande en toekomstige middelen bijdragen aan de SST-capaciteit op
Europees niveau, en waarbij de Unie een wettelijk kader creëert voor en een
financiële bijdrage levert aan de uitvoering van de aldus omschreven acties.
Het wettelijke kader omschrijft de beheerstructuur en het gegevensbeleid in
overeenstemming met de desbetreffende conclusies van de Raad. Ten slotte strekken de beoogde Europese
SST-diensten ook tot bevordering van een wezenlijke doelstelling van het
ruimte-industriebeleid van de EU (zoals aangegeven in de in 2013 te publiceren
mededeling van de Commissie over de elementen van een EU-industriebeleid op het
gebied van de ruimtevaart), namelijk het bereiken van de technische
niet-afhankelijkheid van Europa op kritieke gebieden en het handhaven van een
zelfstandige toegang tot de ruimte. 2. RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN
EN EFFECTBEOORDELING Aan dit voorstel is een uitgebreide
raadpleging van belanghebbenden en het publiek voorafgegaan. Het gaat vergezeld
van een effectbeoordeling. Gedurende de afgelopen jaren heeft het DG
Ondernemingen en Industrie met tal van partijen die belang hebben of betrokken
zijn bij ruimtevaartaangelegenheden overleg gevoerd over diverse deelgebieden
van de mogelijke toekomstige ruimteactiviteiten van de EU, en met name over de
ontwikkeling van een Europese dienst voor ruimtebewaking en -monitoring (SST).
De ontwikkeling van deze dienst is ook het voorwerp van politieke discussies
geweest tussen de voor de ruimtevaart verantwoordelijke EU-ministers. De belangrijkste conclusies van dit overleg
kunnen als volgt worden samengevat: –
Er bestaat consensus tussen de voor ruimtevaart
verantwoordelijke ministers van de EU- en ESA-lidstaten dat de ontwikkeling van
een Europese SST-dienst onder leiding van de EU moet plaatsvinden, en niet van
het Europees Ruimteagentschap (ESA). Deze consensus komt tot uitdrukking in de
bovengenoemde resoluties van de Raad. De onderliggende redenen hiervoor kwamen
in talrijke discussies naar voren: de Europese SST-dienst heeft een
veiligheidsdimensie (via de mogelijkheid om inlichtingen te verzamelen over de
civiele en militaire ruimtevaartinfrastructuur en -activiteiten van staten), en
de EU, in tegenstelling tot ESA, is zowel bevoegd als toegerust om daarmee om
te gaan. Het VWEU verleent aan de EU de bevoegdheid om de exploitatie van
ruimtevaartsystemen te coördineren, en voorziet tevens in de bevoegdheid en
mechanismen om de veiligheidsdimensie van een dergelijke dienst aan te pakken;
de lidstaten zijn van mening dat ESA de EU daarbij dient te ondersteunen (en
dat doet zij ook via haar SSA-voorbereidingsprogramma), maar dat zij als
onderzoeks- en ontwikkelingsorganisatie niet beschikt over de noodzakelijke
bevoegdheid en mechanismen om zelfstandig een Europese SST-dienst op te zetten
en te exploiteren. –
In het bijzonder verzoeken de lidstaten de EU om
het beheer en het gegevensbeleid voor een Europese SST-dienst af te bakenen,
een actieve rol te spelen in de oprichting van de dienst en optimaal gebruik te
maken van bestaande sensoren en deskundigheid. De lidstaten geven ook
uitdrukkelijk aan hoe de desbetreffende veiligheidsaspecten in acht moeten
worden genomen: De SST-sensoren moeten onder nationaal beheer blijven. De
geheimhouding van SST-gegevens is omschreven als een kernbeginsel van het
SST-gegevensbeleid. SST-gegevens mogen slechts worden gedeclassificeerd per
individueel geval en wanneer dit noodzakelijk is. –
Er bestaat tussen de EU- en ESA-lidstaten en de
deskundigen consensus over het feit dat een toekomstige Europese SST-dienst
moet voortbouwen op de bestaande sensorsystemen en deze in geld moet omzetten.
De systemen moeten onderling worden gekoppeld en verder als netwerk worden
gebruikt. Ook bestaat er convergentie ten aanzien van het feit dat de huidige
middelen onvoldoende zijn om de gewenste resultaten te bereiken. Om het
gewenste niveau te realiseren zouden nieuwe onderdelen (zoals monitoring- en
bewakingsradars en telescopen) moeten worden gebouwd en in een Europees
SST-systeem moeten worden geïntegreerd. De lidstaten die reeds sensorcapaciteit
hebben, en die bereid zijn deze te ontwikkelen, zouden een sleutelrol moeten
vervullen bij het opzetten van de Europese SST-dienst. –
Ook is er sprake van consensus tussen de lidstaten
en de deskundigen op het gebied dat ten minste de volgende zaken noodzakelijk
zijn om met succes een Europese SST-dienst op te zetten en te exploiteren: · Koppelen van de beperkte bestaande middelen (voornamelijk terrestrische
telescopen en radars voor het vastleggen van gegevens over de posities van
satellieten) en vergroten van de capaciteit daarvan door het bouwen en
onderling koppelen van nieuwe onderdelen (sensorfunctie); · Ontwikkelen van een verwerkingsfunctie die de ontvangen SST-gegevens
combineert en analyseert (verwerkingsfunctie); · Opzetten van een permanente frontdesk, die het contact met de
gebruikers onderhoudt en aan de satellietexploitanten en relevante overheden
waarschuwingen afgeeft over risico's op botsing en terugkeer. –
In jarenlange discussies hebben de lidstaten die
beschikken over middelen relevant voor SST steeds aangedrongen op één
essentieel beheeraspect: Vanwege de veiligheidsaspecten moeten de sensor- en
verwerkingsfuncties van een toekomstig Europees SST-systeem onder het beheer
blijven van de bevoegde nationale instanties (in bepaalde gevallen de militaire
autoriteiten). De meeste lidstaten steunen het idee dat met het oog op de
nieuwe Europese SST-dienst die lidstaten die over bestaande of nieuw te bouwen
onderdelen beschikken zich zouden kunnen verenigen in een consortium,
waarbinnen zowel de sensorfunctie als de verwerkingsfunctie als netwerk wordt
gerealiseerd. Ook zijn de lidstaten van mening dat de frontdeskfunctie ofwel
door het consortium zelf moet worden afgehandeld ofwel door een ander lichaam
met voldoende veiligheidskwalificaties, zoals het satellietcentrum van de
Europese Unie. Tegelijkertijd hebben de lidstaten duidelijk aangegeven dat zij
om redenen van nationale veiligheid niet bereid zijn om op dit gebied samen te
werken met een commerciële partij. –
Er is consensus dat de ontwikkeling van een
Europese SST-dienst plaats moet vinden in nauwe samenwerking met de Verenigde
Staten van Amerika. –
De lidstaten zijn bereid om hun middelen
beschikbaar te stellen voor de oprichting van de Europese SST-dienst. Zij zijn
van mening dat in ruil daarvoor de ontwikkeling van de dienst in aanmerking
moet komen voor financiële middelen van de EU, ten minste voor wat betreft de activiteiten
die rechtstreeks verband houden met de oprichting van de dienst. Afgezien van
de beschikbaarstelling van hun middelen zijn de lidstaten bereid om ook
financieel daaraan bij te dragen. Uit de raadpleging bleek ook dat de publieke
opinie bekend is met de noodzaak van bescherming van de
ruimtevaartinfrastructuur, en deze onderschrijft. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL De rechtsgrondslag voor het voorstel van de
Commissie is gelegen in artikel 189, lid 2, van het VWEU. Het voorstel heeft de vorm van een besluit van
het Europees Parlement en de Raad, handelend in overeenstemming met de gewone
wetgevingsprocedure. De tekst is van algemene strekking en is bedoeld om
rechtstreeks te worden toegepast op alle lidstaten, ofschoon deelname aan de oprichting
en exploitatie van het Europese SST-systeem niet bindend is. Het voorstel omschrijft de doelstellingen van
de beoogde actie, namelijk de verstrekking van ruimtebewakings- en
-monitoringsdiensten, de omvang van de te verstrekken diensten, de beheeraspecten
en de benodigde begrotingsmiddelen. De hoofdtekst wordt aangevuld met een
bijlage over de beginselen van het SST-gegevensbeleid, die daarvan
onlosmakelijk deel uitmaakt. Het voorstel voldoet aan het subsidiariteits-
en het evenredigheidsbeginsel. De doelstelling van het voorstel, namelijk het
bevorderen van de oprichting van Europese SST-diensten door middel van het
samenvoegen van bestaande nationale middelen, gaat de financiële en technische
capaciteiten van individueel handelende lidstaten te boven en kan uitsluitend
op Unieniveau goed worden gerealiseerd. Wat betreft de proportionaliteit gaat
het optreden van de Unie niet verder dan hetgeen nodig is om de doelstelling
van het voorstel te realiseren, in die zin dat het beoogde budget na uitgebreide
analyse in overeenstemming blijkt te zijn met de geraamde kosten, waarbij het
gekozen beheermodel het meest geschikt lijkt te zijn. 4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING Het SST-programma blijft binnen de door de
Commissie voor het komende MFK voorgestelde totale EU-begrotingsruimte. Er
worden geen financieringsaanvragen gedaan die verder gaan dan het MFK-voorstel.
Artikel 11, lid 1, van het voorstel bepaalt dat de financiering voor het
SST-ondersteuningsprogramma moet worden gehaald uit andere relevante programma's,
geheel in overeenstemming met de juridische basis ervoor. De Unie zal de activiteiten ondersteunen door
middel van subsidies (met inbegrip van forfaitaire bedragen). De begunstigden
van deze subsidies zullen de deelnemende lidstaten zijn die met hun nationale
middelen bijdragen aan het Europese SST-systeem, en het EUSC, voor zover dit in
de hoedanigheid van "Frontdesk" van de EU met de deelnemende
lidstaten samenwerkt aan de oprichting en exploitatie van de
SST-dienstenfunctie als bedoeld in artikel 3, onder c). De indicatieve totale
bijdrage van de Unie aan de uitvoering van het ondersteuningsprogramma bedraagt
70 miljoen EUR over de periode 2014-2020 op basis van het huidige prijsniveau.
Deze totale bijdrage is echter afhankelijk van de uitkomst van de thans lopende
medebeslissingsprocedure over het MFK en de daaraan gerelateerde programma's
waaraan financiële middelen moeten worden onttrokken ten behoeve van het
SST-ondersteuningsprogramma. Verder is dit afhankelijk van de in het kader van
elk van de desbetreffende programma's nog te nemen besluiten over het gebruik
van financiële middelen voor de activiteiten die door het
SST-ondersteuningsprogramma mee zullen worden gefinancierd. De geraamde kosten van de programma's vloeien
voort uit uitgebreide analyses en besprekingen met deskundigen, met name van de
ruimteagentschappen of soortgelijke lichamen van de lidstaten en van ESA. 2013/0064 (COD) Voorstel voor een BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE
RAAD tot instelling van een ondersteuningsprogramma
voor ruimtebewaking en -monitoring HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name artikel 189, lid 2, Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Na toezending van het ontwerp van
wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Gezien het advies van het Europees Economisch
en Sociaal Comité[5],
Gezien het advies van het Comité van de
Regio's[6], Handelend volgens de gewone
wetgevingsprocedure, Overwegende hetgeen volgt: (1) In haar mededeling getiteld
"Naar een ruimtevaartstrategie van de Europese Unie ten dienste van de
burger"[7]
onderstreepte de Commissie dat de gemeenschappelijke competentie op het gebied
van de ruimtevaart, die krachtens het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie (VWEU) aan de Unie toekomt, hand in hand gaat met een versterkt
partnerschap met de lidstaten. Ook benadrukte de Commissie dat alle nieuwe
acties gebaseerd moeten zijn op bestaande middelen en op het gezamenlijk
aangeven waar nieuwe middelen nodig zijn. (2) In haar resolutie van 26
september 2008 getiteld "Vooruitgang boeken met het Europees
ruimtevaartbeleid"[8]
herinnert de Raad eraan dat ruimtevaartmaterieel onontbeerlijk is geworden voor
onze economie en dat de veiligheid daarvan moet worden gewaarborgd. Hij
onderstreept dat "Europa moet zorgen voor een Europees vermogen voor
monitoring en bewaking van zijn ruimtevaartinfrastructuur en van ruimteschroot,
dat in eerste instantie op de bestaande nationale en Europese middelen steunt
en waarbij de betrekkingen worden benut die met andere partnerlanden en hun
vermogens kunnen worden aangeknoopt". (3) In zijn resolutie getiteld
"Mondiale uitdagingen: volledig benutten van de Europese
ruimtesystemen"[9]
van 25 november 2010 onderkent de Raad de behoefte aan een toekomstig vermogen
voor omgevingsbewustzijn in de ruimte (hierna: SSA – space situational
awareness) als activiteit op Europees niveau, om de bestaande nationale en
Europese civiele en militaire middelen te ontwikkelen en te benutten, en roept
hij de Europese Commissie en de Raad op met voorstellen te komen voor een
beheerstructuur en een gegevensbeleid waarmee de lidstaten bijdragen kunnen
leveren, via hun relevante nationale competenties en in overeenstemming met de
van toepassing zijnde veiligheidsvereisten en -voorschriften. Verder worden
"alle Europese institutionele actoren [opgeroepen] geschikte maatregelen
te onderzoeken" die gebaseerd zouden moeten zijn op welomschreven civiele
en militaire gebruikersvereisten, die de desbetreffende middelen gebruiken in
overeenstemming met van toepassing zijnde veiligheidsvereisten en waarbij
rekening wordt gehouden met de eerste ontwikkelingen binnen het
SSA-voorbereidingsprogramma van het Europees Ruimteagentschap (ESA). (4) De conclusies van de Raad van
31 mei 2011 over de mededeling van de Commissie getiteld "Naar een
ruimtevaartstrategie van de Europese Unie ten dienste van de burger"[10] en de
resolutie van de Raad van 6 december 2011 getiteld "Beleidslijnen over de
toegevoegde waarde en de voordelen van de ruimte voor de veiligheid van
Europese burgers"[11]
benadrukte nogmaals de "behoefte aan een doeltreffend vermogen voor
omgevingsbewustzijn in de ruimte op Europees niveau", en riep de Unie op
"zo ruim mogelijk gebruik te maken van de systemen, competenties en
vaardigheden die in de lidstaten en op Europees en, naargelang het geval, op
internationaal niveau reeds bestaan of in ontwikkeling zijn". Indachtig
het feit dat van een dergelijk systeem tweeërlei gebruik zou worden gemaakt en de
specifieke veiligheidsdimensie daarvan, roept de Raad de Commissie "in
samenwerking met de hoge vertegenwoordiger [van de Unie voor buitenlandse zaken
en veiligheidsbeleid] op om, in nauwe samenwerking met ESA en de lidstaten die
dergelijke systemen in eigendom hebben en over capaciteit beschikken, en in
overleg met alle betrokken actoren, voorstellen aan te dragen om de systemen en
de capaciteit ten volle te exploiteren, met het oog op de ontwikkeling van een
SSA-vermogen, in de zin van een activiteit op Europees niveau, en in dat
verband een passende governance en een passend gegevensbeleid te definiëren die
recht doen aan het zeer gevoelige karakter van SSA-gegevens". (5) Ruimteschroot is inmiddels de
ernstigste bedreiging voor de haalbaarheid op lange termijn van
ruimtevaartactiviteiten. Daarom moet er een ondersteuningsprogramma voor
ruimtebewaking en -monitoring (hierna "SST") worden opgezet met het
doel om de oprichting en exploitatie te ondersteunen van diensten, bestaande
uit de monitoring en bewaking van voorwerpen in de ruimte om zo schade aan
ruimtevaartuigen ten gevolge van botsingen of schade aan terrestrische
infrastructuur of de menselijke bevolking als gevolg van de ongecontroleerde
terugkeer in de dampkring van de aarde van complete ruimtevaartuigen of
-schroot te voorkomen. (6) De verstrekking van
SST-diensten is in het belang van alle openbare en particuliere exploitanten
van infrastructuren in de ruimte, met inbegrip van de Unie in verband met haar
verantwoordelijkheden voor de EU-ruimtevaartprogramma's – Egnos (European
Geostationary Navigation Overlay Service) en Galileo, die worden uitgevoerd op
grond van Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad
van 9 juli 2008 betreffende de voortzetting van de uitvoering van de Europese
programma’s voor navigatie per satelliet (Egnos en Galileo)[12] en
Copernicus/GMES zoals ingesteld bij Verordening (EU) nr. 911/2010 van het
Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 inzake het Europees
programma voor monitoring van de aarde (GMES) en zijn initiële operationele
diensten (2011-2013)[13].
Terugkeerwaarschuwingen zijn ook in het belang van de nationale overheden die
belast zijn met de burgerbescherming. (7) De SST-diensten moeten een
aanvulling vormen op de onderzoeksactiviteiten in verband met de bescherming
van in de ruimte gestationeerde infrastructuur die plaatsvinden in het kader
van het uit hoofde van [verwijzing naar Verordening tot vaststelling van
Horizon 2020 invoegen wanneer deze eenmaal is vastgesteld] ingestelde Horizon 2020-programma,
evenals op de activiteiten van het Europees Ruimteagentschap op dit gebied. (8) Het
SST-ondersteuningsprogramma moet ook een aanvulling vormen op de bestaande
beperkingsmaatregelen, zoals de VN-richtlijnen omtrent het beperken van
ruimteschroot en andere initiatieven, zoals het voorstel van de Unie voor een
internationale gedragscode voor ruimteactiviteiten. (9) Civiel-militaire
SSA-gebruikersvereisten zijn afgebakend in het werkdocument van de diensten van
de Commissie getiteld "gebruikersvereisten van hoog niveau op
civiel-militair gebied voor het Europese systeem voor omgevingsbewustzijn in de
ruimte"[14]
dat door de lidstaten verenigd in het Politiek en Veiligheidscomité van de Raad
werd goedgekeurd op 18 november 2011[15].
De verstrekking van SST-diensten moet uitsluitend civiele doeleinden dienen.
Zuiver militaire vereisten mogen geen voorwerp van dit besluit zijn. (10) De exploitatie van
SST-diensten moet gebaseerd zijn op een partnerschap tussen de Unie en de
lidstaten en gebruikmaken van bestaande en toekomstige nationale deskundigheid
en middelen, zoals wiskundige analyses en kennis op het gebied van modellering,
terrestrische radars of telescopen die door de deelnemende lidstaten ter
beschikking worden gesteld. De respectieve lidstaten behouden de eigendom en
controle van hun middelen en blijven verantwoordelijk voor de exploitatie, het
onderhoud en de vernieuwing. (11) Het satellietcentrum van de
Europese Unie (EUSC), een bij het Gemeenschappelijk Optreden van de Raad van 20
juli 2001 betreffende de oprichting van een satellietcentrum van de Europese
Unie (2001/555/GBVB)[16]
ingesteld agentschap van de Unie dat geospatiale beeldinformatiediensten en
-producten aan civiele en militaire gebruikers levert op diverse
classificatieniveaus, zou de verantwoordelijkheid kunnen dragen voor de
exploitatie en verstrekking van SST-diensten. De deskundigheid van dit centrum
op het gebied van de verwerking van vertrouwelijke informatie in een beveiligde
omgeving, alsmede zijn nauwe institutionele banden met de lidstaten, zijn
voordelen die de verstrekking van SST-diensten ten goede zullen komen. Een
noodzakelijke voorwaarde voor deelname van het EUSC aan het
SST-ondersteuningsprogramma is een wijziging van het Gemeenschappelijk Optreden
van de Raad, dat op dit moment niet voorziet in een optreden van het EUSC op
het gebied van SST. (12) Nauwkeurige informatie over de
aard, specificaties en ligging van bepaalde voorwerpen in de ruimte kan
relevant zijn voor de veiligheid van de Europese Unie of haar lidstaten. Daarom
moet bij de oprichting en exploitatie van het netwerk van SST-sensoren, de
capaciteit voor het verwerken en analyseren van de SST-gegevens en de
verstrekking van de SST-diensten afdoende rekening worden gehouden met de
veiligheidsaspecten. Het is derhalve nodig om in dit besluit algemene
voorwaarden vast te leggen voor het gebruik en de veilige uitwisseling van
SST-gegevens en -informatie tussen de lidstaten, het EUSC en de ontvangers van
SST-diensten. Verder dienen de Europese Commissie en de Europese Dienst voor
extern optreden de benodigde coördinatiemechanismen te definiëren voor de
omgang met de veiligheidsaspecten van het SST-ondersteuningsprogramma. (13) De deelnemende lidstaten en
het EUSC moeten de verantwoordelijkheid dragen voor de totstandbrenging en
tenuitvoerlegging van de bepalingen voor het gebruik en de veilige uitwisseling
van SST-gegevens en -informatie. De in dit besluit en in de overeenkomst tussen
de deelnemende lidstaten en het EUSC vervatte bepalingen voor het gebruik en de
uitwisseling van SST-gegevens en -informatie moeten in overeenstemming zijn met
de door het Veiligheidscomité van de Raad goedgekeurde aanbevelingen voor de
beveiliging van SST-gegevens[17]. (14) Het Veiligheidscomité van de
Raad beveelt aan een risicobeheersingsstructuur op te zetten om te waarborgen
dat de aspecten van gegevensbeveiliging goed in acht worden genomen bij de
uitvoering van het SST-ondersteuningsprogramma. Daartoe moeten de deelnemende
lidstaten en het EUSC geschikte structuren en procedures voor risicobeheersing
instellen. (15) Het
SST-ondersteuningsprogramma moet door de Unie worden gefinancierd in
overeenstemming met Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees
Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende het Financieel Reglement van
toepassing op de algemene begroting van de Europese Unie[18].
Uniefinanciering voor het SST-ondersteuningsprogramma moet worden gehaald uit
relevante programma's die in het meerjarige financiële kader voor 2014-2020
zijn opgenomen. (16) De financiële belangen van de
Unie moeten gedurende de gehele uitgavencyclus worden beschermd door middel van
proportionele maatregelen, waaronder de preventie, de opsporing en het
onderzoek van onregelmatigheden, de terugvordering van verloren gegane, ten
onrechte betaalde of slecht bestede middelen en, indien nodig, sancties. (17) Om te zorgen voor uniforme
voorwaarden voor de uitvoering van dit besluit ten aanzien van de goedkeuring
van een meerjarig werkprogramma en de naleving door de lidstaten van de
voorwaarden voor hun deelname aan het SST-ondersteuningsprogramma, moeten
uitvoerende bevoegdheden aan de Commissie worden verleend. Deze bevoegdheden
moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het
Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de
algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop
de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie
controleren[19]. (18) Aangezien de doelstellingen
van dit besluit, namelijk de ondersteuning van acties ten behoeve van de
oprichting en exploitatie van het netwerk van sensoren, de instelling van de
capaciteit voor de verwerking en analyse van SST-gegevens, en de oprichting en
exploitatie van SST-diensten, niet in voldoende mate door de lidstaten kunnen
worden verwezenlijkt, omdat deze de financiële en technische vermogens van
individuele lidstaten te boven gaan en derhalve vanwege de schaal van dit
besluit beter op het niveau van de Unie kunnen worden gerealiseerd, kan de Unie
maatregelen goedkeuren in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel als
bedoeld in artikel 5 van het Verdrag van de Europese Unie, HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT
VASTGESTELD: Artikel 1 Vaststelling van het programma Er wordt een
ondersteuningsprogramma voor ruimtebewaking en -monitoring (hierna SST) opgezet
voor de periode van 1 januari 2014 tot 31 december 2020. Artikel 2 Definities Voor de toepassing van dit besluit wordt
verstaan onder: "voorwerp in de ruimte": (1)
ieder in de ruimte aanwezig, door de mens gemaakt
of natuurlijk voorwerp in. (2)
"ruimtevaartuig" houdt ieder door de mens
gemaakt voorwerp in de ruimte in dat een bepaald doel dient, met inbegrip van
kunstmanen; (3)
"ruimteschroot" houdt ruimtevaartuigen of
delen daarvan in die niet langer een bepaald doel dienen, met inbegrip van
delen van raketten of kunstmanen, of inactieve kunstmanen; (4)
"SST-sensor" houdt een inrichting of
combinatie van inrichtingen in, zoals op aarde of in de ruimte gestationeerde
radars en telescopen, die de fysische parameters van voorwerpen in de ruimte,
zoals grootte, positie en snelheid, kunnen meten; (5)
"SST-gegevens" houdt de fysische
parameters van voorwerpen in de ruimte in die door SST-sensoren zijn
geregistreerd; (6)
"SST-informatie" houdt verwerkte
SST-gegevens in die voor de ontvanger direct begrijpelijk is. Artikel 3 Doelstellingen van het
SST-ondersteuningsprogramma De doelstellingen van het
SST-ondersteuningsprogramma hebben betrekking op de ondersteuning van acties
gericht op het instellen van een SST-capaciteit, met name: (a)
de oprichting en exploitatie van een sensorfunctie
bestaande uit een netwerk van bestaande, op aarde of in de ruimte
gestationeerde, nationale sensoren voor het bewaken en volgen van voorwerpen in
de ruimte; (b)
de oprichting en exploitatie van een verwerkingsfunctie
voor de verwerking en analyse van de door de sensoren ontvangen SST-gegevens,
met inbegrip van de capaciteit voor het detecteren en identificeren van
voorwerpen in de ruimte en voor het opbouwen en bijhouden van een catalogus
daarvan; (c)
de oprichting en exploitatie van een
dienstenfunctie voor de verstrekking van SST-diensten aan de exploitanten van
ruimtevaartuigen en aan overheden. Artikel 4 SST-diensten 1. De diensten als bedoeld onder
c) van artikel 3 zijn de volgende: (a)
de beoordeling van het risico op een botsing tussen
ruimtevaartuigen of tussen ruimtevaartuigen en ruimteschroot en de afgifte van
waarschuwingen ter voorkoming van botsingen gedurende de lancering en de
operationele fase in de ruimte van ruimtevaartuigen; (b)
de detectie en beoordeling van het risico op
ontploffing, uiteenvallen of botsingen in de satellietbaan; (c)
de beoordeling van het risico op en waarschuwingen
voor de terugkeer van voorwerpen uit de ruimte en ruimteschroot in de dampkring
van de aarde, en de voorspelling van de tijd en plaats van de inslag. 2. SST-diensten worden verstrekt
aan lidstaten, de Raad, de Commissie, EDEO, openbare en particuliere
exploitanten van ruimtevaartuigen en overheden belast met burgerbescherming. De
SST-diensten worden verstrekt in overeenstemming met de bepalingen voor het
gebruik en de uitwisseling van SST-gegevens en -informatie als bedoeld in
artikel 9. 3. De deelnemende lidstaten, het
EUSC en de Commissie zijn niet aansprakelijk voor enige schade voortvloeiend
uit de afwezigheid van of onderbrekingen in de verstrekking van SST-diensten,
vertragingen in de verstrekking daarvan of enige onnauwkeurigheid in de via de
SST-diensten aangeleverde informatie. Artikel 5 Door het programma te ondersteunen
acties 1. Het
SST-ondersteuningsprogramma geeft ondersteuning aan de acties gericht op de
realisatie van de doelstellingen als bedoeld in artikel 3, waarin wordt
voorzien door het werkprogramma vermeld in artikel 6, lid 2, en aan de hand van
de specifieke voorwaarden vermeld in artikel 7. 2. Het SST-ondersteuningsprogramma
geeft geen ondersteuning aan de ontwikkeling van nieuwe SST-sensoren. 3. De Unie moet de acties als
bedoeld in lid 1 mee financieren, ook door middel van subsidies in
overeenstemming met Verordening (EU) nr. XXX/2012. Artikel 6 Rol van de Europese Commissie 1. De Commissie: (d)
beheert de voor het SST-ondersteuningsprogramma uit
te trekken financiële middelen en zorgt voor de tenuitvoerlegging van het
SST-ondersteuningsprogramma; (e)
neemt de noodzakelijke maatregelen voor het
identificeren, controleren, verminderen en bewaken van de bij het programma
behorende risico's; (f)
stelt in samenwerking met EDEO de noodzakelijke
coördinatiemechanismen vast om de veiligheid van het programma te waarborgen. 2. De Commissie stelt
uitvoeringsmaatregelen vast, die een meerjarig werkprogramma voor het
SST-ondersteuningsprogramma vastleggen, waar van toepassing in aanvulling op de
werkprogramma's waarin door de in artikel 11, lid 1, genoemde programma's wordt
voorzien. Het werkprogramma vermeldt de beoogde doelstellingen, de verwachte
resultaten, de te financieren acties, het tijdschema voor de uitvoering van die
acties, de wijze van uitvoering, het maximale percentage cofinanciering van de
Unie en de specifieke voorwaarden voor subsidies van de Unie in het kader van
het SST-ondersteuningsprogramma. Deze uitvoeringshandelingen worden aangenomen
overeenkomstig de in artikel 14, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. Artikel 7 Deelname van lidstaten 3. Lidstaten die wensen deel te
nemen aan de uitvoering van de in artikel 3 genoemde doelstellingen moeten een
aanvraag indienen bij de Commissie, waarin wordt aangetoond dat aan de
onderstaande criteria is voldaan: (a)
eigendom van SST-sensoren en voldoende technische
en personele middelen om deze te exploiteren of capaciteiten voor
gegevensverwerking; (b)
vaststelling van een actieplan voor de
tenuitvoerlegging van de in artikel 3 genoemde doelstellingen. 4. De Commissie keurt
uitvoeringsbesluiten goed met betrekking tot de vervulling van de in het eerste
lid genoemde criteria door de lidstaten. Deze uitvoeringshandelingen worden
aangenomen overeenkomstig de in artikel 14, lid 2, bedoelde
onderzoeksprocedure. 5. De lidstaten die voldoen aan
de in de eerste alinea genoemde criteria sluiten vervolgens de overeenkomst
vermeld in artikel 10. 6. De lidstaten die voldoen aan
de in lid 1 genoemde criteria en tevens partij zijn bij de overeenkomst als
bedoeld in artikel 10, komen in aanmerking voor een financiële bijdrage in het
kader van het SST-ondersteuningsprogramma. De Commissie publiceert op haar
website een lijst met de desbetreffende lidstaten en houdt deze actueel. Artikel 8 Deelname van het Satellietcentrum van
de Europese Unie Het satellietcentrum van de Europese Unie
(EUSC) neemt deel aan de tenuitvoerlegging van de doelstelling vermeld onder c)
in artikel 3 en komt in aanmerking voor een financiële bijdrage in het kader
van het SST-ondersteuningsprogramma, mits de overeenkomst als bedoeld in
artikel 10 wordt gesloten. Artikel 9 Gebruik en uitwisseling van
SST-gegevens en -informatie Voor het gebruik en de uitwisseling van
SST-gegevens en -informatie met het oog op de tenuitvoerlegging van de
doelstellingen vermeld in artikel 3 gelden de volgende regels: (a)
Ongeoorloofde openbaarmaking van gegevens en
informatie wordt voorkomen, terwijl een efficiënte exploitatie en een optimale
benutting van de gegenereerde informatie mogelijk worden gemaakt; (b)
De veiligheid van de SST-gegevens wordt
gewaarborgd; (c)
De in het kader van het SST-ondersteuningsprogramma
gegenereerde informatie wordt ter beschikking gesteld op
"need-to-knowbasis", in overeenstemming met de instructies en
veiligheidsregels van de producent van de informatie en de eigenaar van het
desbetreffende voorwerp in de ruimte. Artikel 10 Coördinatie van operationele
activiteiten De lidstaten die voldoen aan de criteria als
bedoeld in artikel 7, lid 1, en het EUSC sluiten een overeenkomst tot
vaststelling van de regels en mechanismen voor hun samenwerking bij de
tenuitvoerlegging van de in artikel 3 genoemde doelstellingen. Die overeenkomst
bevat in het bijzonder bepalingen inzake het volgende: (a)
het gebruik en de uitwisseling van SST-gegevens en
-informatie, rekening houdend met de door het Veiligheidscomité van de Raad
goedgekeurde aanbevelingen getiteld "Gegevensbeleid voor
omgevingsbewustzijn in de ruimte – aanbevelingen inzake de
veiligheidsaspecten"[20]; (b)
de instelling van een structuur voor
risicobeheersing om te waarborgen dat de bepalingen inzake het gebruik en de
veilige uitwisseling van SST-gegevens en -informatie worden uitgevoerd. Artikel 11 Financiering van het
SST-ondersteuningsprogramma 1. Uniefinanciering voor het
SST-ondersteuningsprogramma wordt gehaald uit andere programma's die in het
meerjarige financiële kader voor 2014-2020 zijn opgenomen, volledig in
overeenstemming met de wettelijke grondslag ervan. De desbetreffende programma's waaruit financiering
zou kunnen worden gehaald, betreffen onder meer de bij de volgende wetten
ingestelde programma's: (a)
Verordening (EU) nr. […] van het Europees Parlement
en de Raad inzake de invoering en exploitatie van de Europese
satellietnavigatiesystemen[21],
artikelen 1, 3, onder c) en d), en 4; (b)
Besluit van de Raad nr. […] tot vaststelling van
het specifieke programma tot uitvoering van Horizon 2020[22], artikel
2, lid 2, onder b) en c), bijlage deel II, punt 1.6.2, onder d), en bijlage
deel III, punt 6.3.4; (c)
Verordening (EU) nr. […] van het Europees Parlement
en de Raad tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne
veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking,
voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheer[23], artikel
3, lid 2, onder b), en lid 3, onder e). 2. De jaarlijkse kredieten
worden door de begrotingsautoriteit goedgekeurd binnen de grenzen die voor deze
activiteit zijn voorzien in de programma's waaraan de financiering wordt
onttrokken. Artikel 12 Bescherming van de financiële belangen van de Unie 1. De Commissie neemt passende
maatregelen om ervoor te zorgen dat bij de uitvoering van uit hoofde van dit
besluit gefinancierde acties, de financiële belangen van de Unie met de
toepassing van preventieve maatregelen tegen fraude, corruptie en andere
onwettige activiteiten worden beschermd door middel van doeltreffende controles
en, indien onregelmatigheden worden ontdekt, door middel van terugvordering van
de ten onrechte betaalde bedragen en, voor zover van toepassing, door middel
van doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties. 2. De Commissie of haar
vertegenwoordigers en de Rekenkamer hebben de bevoegdheid om audits, op basis
van documenten of controles ter plaatse, uit te voeren bij alle begunstigden,
contractanten en subcontractanten die uit hoofde van het programma middelen van
de Unie hebben ontvangen. Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)
kan overeenkomstig de procedures van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96
van de Raad[24]
controles en verificaties ter plaatse bij de direct of indirect bij de
financiering betrokken economische subjecten uitvoeren om vast te stellen of er
sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten in verband met
een subsidieovereenkomst of -besluit of een contract betreffende financiering
door de Europese Unie, waardoor de financiële belangen van de Unie zijn
geschaad. Onverminderd de eerste en de tweede alinea
verlenen de uit dit besluit voortvloeiende samenwerkingsovereenkomsten met
derde landen en internationale organisaties, subsidieovereenkomsten en
-besluiten en contracten de Commissie, de Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk de
bevoegdheid om dergelijke audits en controles en verificaties ter plaatse uit
te voeren. 3. De begunstigde van financiële
steun voor de acties vermeld in artikel 3 dient gedurende een termijn van vijf
jaar na de laatste betaling met betrekking tot enige actie alle ondersteunende
stukken met betrekking tot de uitgaven voor die actie ter beschikking van de
Commissie te houden. Artikel 13 Toezicht en evaluatie 1. De Commissie houdt toezicht
op de uitvoering van het SST-ondersteuningsprogramma. 2. Uiterlijk op 1 juli 2018
dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een evaluatierapport
in over de uitvoering van het SST-ondersteuningsprogramma. In dat rapport staan
onder meer aanbevelingen voor de verlenging, wijziging of opschorting van de
door het SST-ondersteuningsprogramma bevorderde acties, rekening houdend met
het volgende: (d)
verwezenlijking van de doelstellingen van het
SST-ondersteuningsprogramma in termen van zowel resultaten als effecten van de
door het SST-ondersteuningsprogramma bevorderde acties; (e)
het doelmatige gebruik van middelen. Artikel 14 Comitéprocedure 1. De Commissie wordt bijgestaan
door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU)
nr. 182/2011. 2. Wanneer naar dit lid wordt
verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. Artikel 15 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op de twintigste
dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese
Unie. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor
de Raad De voorzitter De
voorzitter FINANCIEEL MEMORANDUM VOOR
VOORSTELLEN 1. KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 1.1. Benaming van het voorstel/initiatief 1.2. Betrokken
beleidsterrein(en) in de ABM/ABB-structuur 1.3. Aard
van het voorstel/initiatief 1.4. Doelstelling(en)
1.5. Motivering
van het voorstel/initiatief 1.6. Duur
en financiële gevolgen 1.7. Beheersvorm(en)
2. BEHEERMAATREGELEN 2.1. Regels
inzake het toezicht en de verslagen 2.2. Beheer-
en controlesysteem 2.3. Maatregelen
ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden 3. GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET
VOORSTEL/INITIATIEF 3.1. Rubriek(en)
van het meerjarige financiële kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor
uitgaven 3.2. Geraamde
gevolgen voor de uitgaven 3.2.1. Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de
uitgaven 3.2.2. Geraamde
gevolgen voor de beleidskredieten 3.2.3. Geraamde
gevolgen voor de administratieve kredieten 3.2.4. Verenigbaarheid
met het huidige meerjarige financiële kader 3.2.5. Bijdrage
van derden aan de financiering 3.3. Geraamde gevolgen voor de
ontvangsten FINANCIEEL
MEMORANDUM VOOR VOORSTELLEN 1. KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 1.1. Benaming van het
voorstel/initiatief Besluit
van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een
ondersteuningsprogramma voor ruimtebewaking en -monitoring (SST) 1.2. Betrokken beleidsterrein(en)
in de ABM/ABB-structuur[25]
Titel XX – Administratieve uitgaven Titel 02 – Ondernemingen en Industrie Titel 18 – Binnenlandse Zaken 1.3. Aard van het
voorstel/initiatief ý Het
voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie ¨ Het
voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie na een proefproject/een
voorbereidende actie[26]
¨ Het
voorstel/initiatief betreft de verlenging van een bestaande actie ¨ Het
voorstel/initiatief betreft een actie die wordt omgebogen naar een nieuwe
actie 1.4. Doelstellingen 1.4.1. De met het voorstel/initiatief
beoogde strategische meerjarendoelstelling(en) van de Commissie De
doelstelling van het voorstel betreft het opzetten van het noodzakelijke kader
voor de instelling van de benodigde structuren ter waarborging van de
beschikbaarheid en veiligheid op lange termijn van de Europese en nationale
ruimtevaartinfrastructuren en -diensten die van essentieel belang zijn voor het
goed functioneren van de Europese economieën en samenlevingen en voor de
veiligheid van de Europese burgers, door middel van de verstrekking van een
dienst voor ruimtebewaking en -monitoring (space surveillance and tracking –
SST). Meer
in het bijzonder beoogt de ingestelde structuur het verbeteren van de capaciteit
van de EU voor het: i)
verminderen van de risico's in verband met de lancering van Europese
ruimtevaartuigen; ii)
beoordelen en verminderen van de risico's voor de operationele diensten van
zich in hun baan bevindende Europese ruimtevaartuigen met betrekking tot
botsingen; exploitanten van ruimtevaartuigen in staat stellen de
beperkingsmaatregelen efficiënter te plannen en uit te voeren (bijvoorbeeld
nauwkeuriger uitwijkmanoeuvres ter voorkoming van botsingen of vermijding van
onnodige, op zich al riskante manoeuvres die de levensduur van de satelliet
kunnen bekorten); iii)
bewaken van de ongecontroleerde terugkeer in de atmosfeer van ruimtevaartuigen
of -schroot; geven van nauwkeurigere en efficiëntere vroegtijdige
waarschuwingen voor de overheidsdiensten belast met de nationale veiligheid en
burgerbescherming/rampenbestrijding, met als doel het verminderen van de
potentiële risico's voor de veiligheid en gezondheid van de Europese burgers en
het verminderen van potentiële schade aan kritieke terrestrische
infrastructuur. Daarom
draagt dit voorstel bij aan het welslagen van de Europese
vlaggenschipprogramma's Galileo, Egnos en Copernicus,GMES, die integraal deel
uitmaken van de Europa 2020-strategie en het beleid voor duurzame groei. 1.4.2. Specifieke doelstelling(en) en
betrokken ABM/ABB-activiteiten Specifieke doelstelling nr. 1 Opzetten
van het regelgevingskader voor de instelling en exploitatie van een
SST-sensorfunctie (netwerk van SST-sensoren in eigendom van de lidstaten) en
van een verwerkingsfunctie Specifieke doelstelling nr. 2 Opzetten
van het regelgevingskader voor de instelling en exploitatie van SST-diensten
verstrekt aan openbare en particuliere exploitanten van ruimtevaartuigen en
gebruikers uit overheidsdiensten Betrokken ABM/ABB-activiteit(en) Hoofdstuk
XX 01 – Administratieve uitgaven voor beleidsterreinen 1.4.3. Verwachte resulta(a)t(en) en
gevolg(en) Vermeld de gevolgen
die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen. Verwacht
wordt dat als gevolg van het voorstel effectieve, tijdig uitgevoerde diensten
zullen kunnen worden verleend aan openbare en particuliere exploitanten van
ruimtevaartuigen evenals aan lidstaten, hetgeen hen in staat zal stellen de
economische, sociale en milieueffecten te voorkomen van: i)
schade aan of vernieling van ruimtevaartuigen ten gevolge van botsingen tussen
ruimtevaartuigen en andere voorwerpen in de ruimte of van een ongecontroleerde
terugkeer in de atmosfeer; ii)
kosten ten gevolge van nodeloze manoeuvres voor gevolgenvermindering of
uitwijkmanoeuvres als gevolg van onzekerheden in de risicobeoordeling (ieder
uitwijkmanoeuvre verkort de levensduur van de satelliet); iii)
schade of vernielingen op aarde ten gevolge van een ongecontroleerde terugkeer
in de atmosfeer van ruimtevaartuigen of -schroot. 1.4.4. Resultaat- en
effectindicatoren Vermeld de indicatoren
aan de hand waarvan kan worden nagegaan in hoeverre het voorstel/initiatief is
uitgevoerd. De
resultaat- en effectindicatoren van de programma's waaraan ten behoeve van het
SST-ondersteuningsprogramma financiering wordt onttrokken zullen waar relevant
van toepassing zijn. Voor zover deze indicatoren niet voldoende specifiek zijn
om de uitvoering van het voorstel te monitoren, kunnen de onderstaande
indicatoren worden toegepast: In
overeenstemming met het bij dit voorstel ingestelde regelgevingskader zal een
groep van deelnemende lidstaten, die over de relevante competenties beschikken,
actie ondernemen met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van
het ondersteuningsprogramma als bedoeld in artikel 3, onder a) en b), met name
de instelling en exploitatie van de SST-sensorfunctie en de
SST-verwerkingsfunctie volgens een passende beheerstructuur. Specifieke doelstelling nr. 1: Resultaatindicatoren in verband met de
instelling en exploitatie van de SST-sensor- en verwerkingsfunctie: - De
lijst van deelnemende lidstaten wordt uiterlijk eind 2014 vastgelegd in
overeenstemming met artikel 7 van het besluit; - SST-sensorfunctie
(op basis van sensoren in eigendom van en ter beschikking gesteld door de
deelnemende lidstaten): start van de initiële operationele fase uiterlijk eind
2015; - Verwerkingsfunctie
op basis van bestaande capaciteiten van de lidstaten (bijvoorbeeld bestaande
gegevenscentra): start van de initiële operationele fase uiterlijk eind 2015; - Een
catalogus van voorwerpen in de ruimte wordt uiterlijk eind 2015 vastgelegd; - Sensor-
en verwerkingsfunctie: Start van de volledige operationele fase uiterlijk eind
2016; Specifieke doelstelling nr. 2: In
overeenstemming met het bij dit voorstel ingestelde regelgevingskader worden op
een effectieve, tijdige wijze actuele SST-diensten verstrekt aan een groot
aantal Europese en nationale openbare en particuliere/commerciële actoren die
behoefte hebben aan SST-informatie. Hiertoe zullen de deelnemende lidstaten als
bedoeld in artikel 7, en het satellietcentrum van de Europese Unie als bedoeld
in artikel 8, actie ondernemen tot uitvoering van de doelstelling van het
programma als bedoeld in artikel 3, onder c), met name de oprichting en
exploitatie van de SST-dienstenfunctie. Resultaatindicatoren in verband met de
instelling en exploitatie van de SST-dienstenfunctie: - De
benodigde capaciteiten voor de instelling en exploitatie van de
SST-dienstenfunctie en de SST-diensten zullen uiterlijk eind 2014 formeel
gedefinieerd en overeengekomen worden; - De
overeenkomst waarin de regels en mechanismen voor de samenwerking tussen de
lidstaten en het satellietcentrum van de Europese Unie worden vastgelegd, zal
uiterlijk eind 2014 tot stand zijn gekomen; - Kwaliteitsnormen
en -mechanismen voor het vergaren van feedback van exploitanten over de
kwaliteit van de SST-diensten worden uiterlijk eind 2014 ingesteld; - SST-diensten:
Start van de initiële operationele fase eind 2015, en van de definitieve
operationele fase eind 2016; Effectindicatoren voor doelstellingen 1 en 2
kunnen onder meer het volgende zijn: - Het
uitblijven van botsingen; - Het
uitblijven van storingen in de satelliet- of lanceringsactiviteiten door
problemen of onzekerheden in de risicoanalyse; - Effectindicatoren
kunnen onder meer het volgende zijn: positieve feedback van exploitanten en
overheden over de via de SST-diensten verstrekte informatie en over de
uitgevoerde acties ter beperking van botsingen op basis van de verstrekte
SST-informatie. 1.5. Motivering van het
voorstel/initiatief 1.5.1. Behoefte(n) waarin op korte of
lange termijn moet worden voorzien De
ruimtevaartsector is een sector van strategisch belang voor Europa. De
economie, samenleving, veiligheid en politieke onafhankelijkheid van de EU zijn
in sterke mate afhankelijk van in de ruimte gestationeerde systemen en
infrastructuren. Dit is de reden waarom de EU kostbare, grootschalige
ruimtevaartprojecten als Galileo, Egnos en Copernicus heeft opgezet. Deze
systemen en infrastructuren moeten worden beschermd tegen schade of vernieling
ten gevolge van botsingen of ongecontroleerde terugkeer in de atmosfeer,
teneinde de actuele werking en verstrekking van diensten te waarborgen. Deze
bescherming vormt een blijvende vereiste. 1.5.2. Toegevoegde waarde van de
deelname van de EU Uit
besprekingen met belanghebbenden gedurende de afgelopen jaren is gebleken dat
EU-optreden noodzakelijk is voor het opzetten van operationele Europese
SST-diensten. Er
bestaat consensus tussen de voor ruimtevaart verantwoordelijke ministers van de
EU en ESA dat de ontwikkeling van deze dienst onder leiding van de EU moet
plaatsvinden, en niet van ESA. Deze consensus komt tot uitdrukking in diverse
resoluties van de Ruimteraad (resolutie van de Ruimteraad van 26 november 2010,
deel 24; conclusies van de Raad concurrentievermogen van 31 mei 2011, deel
14-15; resolutie van de Ruimteraad van 6 december 2011, hst. II). In het bijzonder verzochten de lidstaten de EU om
het beheer en het gegevensbeleid voor een Europese SST-dienst af te bakenen,
een actieve rol te spelen in de oprichting van de Europese dienst, en optimaal
gebruik te maken van de op nationaal en Europees niveau reeds bestaande
sensoren en deskundigheid. De lidstaten gaven ook zeer uitdrukkelijk aan hoe de
desbetreffende veiligheidsaspecten in acht moeten worden genomen: De
SST-sensoren moeten onder nationaal beheer blijven. Geheimhouding van
SST-informatie werd gezien als het kernbeginsel van het SST-gegevensbeleid
(bijvoorbeeld alle gegevens mogen slechts per individueel geval apart worden
geclassificeerd en gedeclassificeerd). De
reden van dit standpunt werd niet formeel vastgelegd, maar kwam in talrijke
besprekingen naar voren: De Europese SST-dienst heeft een veiligheidsdimensie
(via de mogelijkheid om inlichtingen te verzamelen over de civiele en militaire
ruimtevaartinfrastructuur en -activiteiten van staten), en de EU, in
tegenstelling tot ESA, is zowel bevoegd als toegerust om daarmee om te gaan.
Het VWEU verleent aan de EU de bevoegdheid om de exploitatie van
ruimtevaartactiviteiten te coördineren en het VWEU maakt de EU bevoegd voor
veiligheidsaspecten zoals die zich in verband met SST voordoen. De EU heeft de
noodzakelijke wetgevende capaciteit om beheerinrichtingen en een gegevensbeleid
voor SST in te stellen. ESA
daarentegen is een onderzoeks- en ontwikkelingsagentschap van wereldformaat,
dat zich richt op het bepalen en ten uitvoer leggen van
ontwikkelingsprogramma's voor wetenschappelijke, technologische en ruimtevaarttoepassingen.
ESA is niet opgezet om het ingewikkelde beleids- en wetgevingswerk te doen dat
nodig is voor de instelling van een SST-systeem waarvan de middelen overwegend
in militaire handen zijn, en evenmin om ruimtegebaseerde diensten te exploiteren
(iets wat ESA zelf onderstreept in haar beleidsstukken). De
lidstaten zouden in beginsel ook een nieuwe organisatie kunnen oprichten om SSA
aan te pakken. Een dergelijke organisatie zou echter veel van de eigenschappen
moeten hebben die de EU reeds heeft. Daarom zou een dergelijke nieuwe
organisatie slechts aanleiding geven tot duplicatie en inefficiëntie. Bovendien
hebben bepaalde lidstaten aangegeven bezorgd te zijn dat een oplossing buiten
het EU-kader om zou kunnen worden overheerst door die lidstaten die nu reeds
over een bepaalde sensorcapaciteit beschikken, waardoor andere lidstaten niet
de mogelijkheid zouden krijgen om hun eigen capaciteit te ontwikkelen in het
kader van een echte Europese dienst. Ten
slotte beoogt de EU niet in de plaats te treden van de door lidstaten
individueel of in het kader van ESA genomen initiatieven. Zij beoogt slechts de
op dat niveau ondernomen acties aan te vullen en de coördinatie daarvan te
versterken, voor zover die coördinatie nodig is om de gemeenschappelijke doelstellingen
te realiseren. De
betrokkenheid van de EU is nodig om de vereiste investeringen voor de
financiering van bepaalde ruimtevaartprojecten bijeen te brengen, om de
benodigde beheerstructuren in te stellen, om een gegevensbeleid te formuleren
en om te waarborgen dat de bestaande en toekomstige capaciteiten op een
gecoördineerde, efficiënte manier worden benut, zodanig dat er een robuust,
interoperabel systeem tot stand komt waarvan alle relevante Europese
belanghebbenden de vruchten plukken. Voorts
beoogt het hier voorgestelde EU-optreden niet in de plaats te treden van
bestaande beperkingsmaatregelen op internationaal of multilateraal niveau - of
deze te dupliceren - zoals de VN-richtlijnen voor het terugdringen van
ruimteschroot of het EU-voorstel voor een internationale gedragscode voor
ruimteactiviteiten. Deze maatregelen lossen het voorliggende probleem niet op,
maar leiden op langere termijn tot een verminderde productie van nieuw
ruimteschroot. 1.5.3. Nuttige ervaring die bij
soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan Er
bestaat op dit gebied geen ervaring. Uitwisseling van informatie en gegevens
heeft echter altijd een onmiskenbare toegevoegde waarde. 1.5.4. Samenhang en eventuele
synergie met andere relevante instrumenten Het
voorstel COM(2011) 814 definitief voor een verordening inzake de invoering en
exploitatie van de Europese satellietnavigatiesystemen noemt de noodzaak van
bescherming van het systeem door middel van een SSA-systeem (overweging 15,
artikel 3c) en voorziet in financiering voor die activiteiten (artikel 7.1a),
zonder vooruit te lopen op de uitkomst van de wetgevingsprocedure en van het
komende MFK. Het
ruimtesegment van Copernicus vereist een soortgelijke bescherming. Daarom zou
Copernicus kunnen bijdragen aan de financiering van de SST-activiteiten,
afhankelijk van de uitkomst van het komende MFK. Verder
zal dit voorstel synergieën creëren en is het in overeenstemming met de
doelstellingen voor ruimtevaart- en veiligheidsonderzoek in het kader van het
voorgestelde "Horizon 2020"-kader (COM(2011) 809 definitief), evenals
met de doelstellingen ter bescherming van kritieke infrastructuur van het
voorgestelde "Fonds voor interne veiligheid" (COM(2011) 753
definitief). Binnen beide instrumenten is financiering beschikbaar voor
SST-activiteiten, zonder vooruit te lopen op de uitkomst van de
wetgevingsprocedure en van het komende MFK. 1.6. Duur en financiële gevolgen ý Voorstel/initiatief met een beperkte
geldigheidsduur –
ý Voorstel/initiatief is van kracht vanaf 1.1.2014 tot en met
31.12.2020 –
ý Financiële gevolgen vanaf 2014 tot en met 2020 ¨ Voorstel/initiatief met een onbeperkte
geldigheidsduur –
Uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en
met JJJJ, –
gevolgd door een volledige uitvoering. 1.7. Beheervorm(en)[27] ý Direct gecentraliseerd beheer door de Commissie ¨ Indirect gecentraliseerd beheer door uitvoeringstaken te delegeren aan: –
¨ uitvoerende agentschappen –
¨ door de Unie opgerichte organen[28] –
¨ nationale publiekrechtelijke organen of organen met een
openbaredienstverleningstaak –
¨ personen aan wie de uitvoering van specifieke acties in het kader van
titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die
worden genoemd in het betrokken basisbesluit in de zin van artikel 49 van het
Financieel Reglement ¨ Gedeeld beheer met
lidstaten ¨ Gedecentraliseerd beheer met derde landen ¨ Gezamenlijk beheer
met internationale organisaties (geef aan welke) Verstrek, indien meer
dan een beheervorm is aangekruist, extra informatie onder
"Opmerkingen". Opmerkingen 2. BEHEERMAATREGELEN 2.1. Regels inzake het toezicht en
de verslagen Vermeld frequentie en
voorwaarden. Financiering
van de Unie voor het SST-ondersteuningsprogramma zal worden gehaald uit andere
relevante programma's waarin het komende MFK voorziet, volledig in
overeenstemming met de rechtsgrondslag van die programma's. Deze programma's
kunnen onder meer Galileo, Horizon 2020 en het Fonds voor interne veiligheid
van de EU zijn. De toezichts- en verslagleggingseisen van deze programma's zijn
van toepassing. Naast
de toezichts- en verslagleggingseisen van de programma's die de financiering
voor het SST-programma leveren, zal ook een specifiek toezichtsysteem worden
opgezet om te zorgen voor outputs van de hoogste kwaliteit en voor een maximaal
efficiënt gebruik van middelen. Het toezicht zal gedurende de hele looptijd van
het programma worden uitgevoerd. Het zal plaatsvinden op basis van de van de
begunstigden ontvangen feedback over het programma. Er
is een uitgebreide effectbeoordeling uitgevoerd die tevens voldoet aan de eisen
inzake een evaluatie vooraf. Na een vergelijkende evaluatie van de beschikbare
beleidsopties, werd bepaald naar welke beleidsoptie de voorkeur uitging en
werden de impact, risico's, uitgangspunten en kosteneffectiviteit daarvan
geëvalueerd. Dit voorstel is volledig in overeenstemming met de conclusies van
de evaluatie. In
het vijfde jaar van de tenuitvoerlegging vindt een tussentijdse evaluatie van
het programma plaats, ruim op tijd voor de voorbereiding van het daaropvolgende
meerjarige financiële kader. De evaluatie richt zich voornamelijk op de
bereikte resultaten en de kwalitatieve aspecten van de tenuitvoerlegging van
het programma. Ook zal er een evaluatie achteraf plaatsvinden. 2.2. Beheer- en controlesysteem 2.2.1. Mogelijke risico's Tenuitvoerlegging
van de subsidieovereenkomsten met de deelnemende lidstaten en het EUSC: Het
risiconiveau wordt als gering beschouwd, omdat de begunstigden
overheidsdiensten zijn. 2.2.2. Controlemiddel(en) Aangezien
de financiering voor de tenuitvoerlegging van het SST-ondersteuningsprogramma
uit bestaande programma's onder het komende MFK zal worden gehaald, gelden
daarvoor de controlemechanismen waarin die programma's voorzien. Naast deze
mechanismen worden in de subsidieovereenkomst met de begunstigden van het
ondersteuningsprogramma (overheidsdiensten van de deelnemende lidstaten en het
EUSC) de voorwaarden voor de financiering van de onder de subsidie vallende
activiteiten vastgelegd, inclusief een hoofdstuk over controlemethoden. Alle
deelnemende overheidsdiensten verbinden zich ertoe om de financiële en
administratieve uitgaveregels van de Commissie in acht te nemen. Voor
het Commissie geldt het bepaalde in het Financieel Reglement met betrekking tot
de controle vooraf op verbintenissen en betalingen door de financiële dienst
evenals de door de AOSD af te geven schriftelijke verklaringen. Het houden van
administratief toezicht op de subsidies en de bijbehorende betalingen is de
verantwoordelijkheid van de centrale diensten van de Commissie. Bijzondere
aandacht zal uitgaan naar de aard van de uitgaven (subsidiabiliteit) en de
controle van ondersteunende stukken en relevante documentatie. 2.3. Maatregelen ter voorkoming
van fraude en onregelmatigheden Vermeld de bestaande
en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen. Aangezien
de financiering voor de tenuitvoerlegging van het SST-ondersteuningsprogramma
uit bestaande programma's onder het komende MFK zal worden gehaald, gelden waar
van toepassing de maatregelen ter voorkoming van fraude en ongeregeldheden
waarin die programma's voorzien. Naast deze maatregelen voorzien de uit dit
besluit voortvloeiende overeenkomsten verder in follow-up en financiële
controle door de Commissie of een gemachtigde vertegenwoordiger, evenals in
controle door de Rekenkamer of door OLAF wanneer daarvoor aanleiding is. 3. GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET
VOORSTEL/INITIATIEF 3.1. Rubriek(en) van het
meerjarige financiële kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor
uitgaven · Bestaande begrotingsonderdelen voor uitgaven (niet van toepassing) In volgorde van de rubrieken van het meerjarige
financiële kader en de begrotingsonderdelen. Rubriek van het meerjarige financiële kader || Begrotingsonderdeel || Soort krediet || Bijdrage Nummer [Rubriek ……………………………………..] || GK/NGK || van EVA landen || van kandidaat-lidstaten || van derde landen || in de zin van artikel 18, lid 1, onder a bis), van het Financieel Reglement || [XX.YY.YY.YY] || || JA/NEE || JA/NEE || JA/NEE || JA/NEE · Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen In volgorde van de
rubrieken van het meerjarige financiële kader en de begrotingsonderdelen Rubriek van het meerjarige financiële kader || Begrotingsonderdeel * || Soort krediet || Bijdrage Nummer [Omschrijving ………………………...……….] || GK/NGK ([29]) || van EVA[30]-landen || van kandidaat-lidstaten[31] || van derde landen || in de zin van artikel 18, lid 1, onder a bis), van het Financieel Reglement 1.1 || 02.04.01.01 [02.02.02.01] Ruimtevaartonderzoek || GKGKGK || JA || NEE || JA || NEE 1.1 || 02.04.01.02 [02.02.03.02] Veiligheidsonderzoek || GKGKGK || JA || NEE || JA || NEE 1.1 || 02.05.01 Europese programma's voor navigatie per satelliet (Egnos en Galileo) || GKGKGK || JA || NEE || JA || NEE 1.1 || 02.01.05.03 Overige beheeruitgaven voor onderzoek || NGK || JA || NEE || JA || NEE 1.1 || 02.01.04.05 Europese programma's voor navigatie per satelliet (Egnos en Galileo) — Uitgaven voor administratief beheer || NGK || JA || NEE || JA || NEE 3.1 || 18.05.08 Preventie, paraatheid en beheersing van de gevolgen van terrorisme || GKGKGK || JA || NEE || NEE || NEE 5 || XX.01.01.01 Uitgaven voor personeel in actieve dienst bij de instelling || NGK || JA || NEE || NEE || NEE 5 || XX.01.02.01 Extern personeel bij de instelling || NGK || JA || NEE || NEE || NEE 5 || XX.01.02.11 Overige beheeruitgaven van de instelling || NGK || JA || NEE || NEE || NEE 5 || XX.01.03.01 Uitgaven voor uitrusting, meubilair en diensten van de Commissie || NGK || JA || NEE || NEE || NEE * De begrotingsonderdelen worden
genoemd volgens het huidige meerjarige financiële kader 2007-2013, onder
voorbehoud van het komende meerjarige financiële kader 2014-2020. Verder zijn
de benamingen van de begrotingsonderdelen gebaseerd op de wetgevingsvoorstellen
voor Horizon 2020, Galileo en het Fonds voor interne veiligheid, zodat deze nog
kunnen worden gewijzigd in equivalente benamingen volgens de definitieve
nomenclatuur van de begroting. 3.2. Geraamde gevolgen voor de
uitgaven 3.2.1. Samenvatting van de geraamde
gevolgen voor de uitgaven in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen) Rubriek van het meerjarige financiële kader || 1.1 || "Slimme en inclusieve groei" DG: ENTR * || || || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || TOTAAL || Beleidskredieten || || || || || || || || || 02.04.01.01 [02.02.02.01] || Vastleggingen || (1) || 0,640 || 0,960 || 1,280 || 1,600 || 1,760 || 1,920 || 1,920 || 10,080 || Betalingen || (2) || 0,640 || 0,960 || 1,280 || 1,600 || 1,760 || 1,920 || 1,920 || 10,080 || 02.04.01.02 [02.02.03.02] || Vastleggingen || (1) || 0,480 || 0,720 || 0,960 || 1,200 || 1,320 || 1,440 || 1,440 || 7,560 || Betalingen || (2) || 0,480 || 0,720 || 0,960 || 1,200 || 1,320 || 1,440 || 1,440 || 7,560 || 02.05.01 || Vastleggingen || (1) || 2,880 || 4,320 || 5,760 || 7,200 || 7,920 || 8,640 || 8,640 || 45,360 || Betalingen || (2) || 2,880 || 4,320 || 5,760 || 7,200 || 7,920 || 8,640 || 8,640 || 45,360 || Uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten[32]** || || || || || || || || || 02.01.05.03 || || (3) || 0,072 || 0,072 || 0,072 || 0,072 || 0,072 || 0,072 || 0,072 || 0,504 02.01.04.05 || || || 0,028 || 0,028 || 0,028 || 0,028 || 0,028 || 0,028 || 0,028 || 0,196 TOTAAL kredieten voor DG ENTR || Vastleggingen || =1+1a +3 || 4,100 || 6,100 || 8,100 || 10,100 || 11,100 || 12,100 || 12,100 || 63,700 || Betalingen || =2+2a +3 || 4,100 || 6,100 || 8,100 || 10,100 || 11,100 || 12,100 || 12,100 || 63,700 || * De tabel geeft de financiering voor het
SST-ondersteuningsprogramma die zal worden gehaald uit de relevante programma's
waarin het komende MFK voorziet. Deze cijfers zijn indicatief en onder
voorbehoud van het definitieve akkoord over de verdeling van de middelen over
de onderzoeksgebieden en -activiteiten van Horizon 2020. Er is geen
herprogrammering voorzien. De genoemde jaarbedragen voor elk
begrotingsonderdeel zijn het resultaat van een herverdeling van de totale
vereiste jaarbedragen voor dit voorstel. De herverdeling is gebaseerd op het
relatieve gewicht van elk programma ten opzichte van het totale bedrag in de
desbetreffende Commissievoorstellen (Galileo 72%, ruimteonderzoek 16%, veiligheidsonderzoek
12%). Alle genoemde bedragen zijn echter indicatief. Ze moeten mogelijk nog
bijgesteld worden afhankelijk van de definitieve uitkomsten van de
wetgevingsprocedure voor de desbetreffende programma's en de besprekingen over
het volgende MFK. Op dezelfde post kan ook financiering worden gehaald uit het
Copernicus-programma, afhankelijk van de definitieve uitkomsten van de
besprekingen over het MFK. ** Verdeling over de begrotingsonderdelen: 72%
naar 02.01.05.03 en 28% naar 02.01.04.05. Rubriek van het meerjarige financiële kader || 3.1 || "Vrijheid, veiligheid en recht" DG: HOME * || || || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || TOTAAL Beleidskredieten || || || || || || || || 18.05.08 || Vastleggingen || (1) || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 7,000 Betalingen || (2) || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 7,000 Uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten[33]** || || || || || || || || Nummer begrotingsonderdeel || || (3) || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 TOTAAL kredieten voor DG HOME || Vastleggingen || =1+1a +3 || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 7,000 Betalingen || =2+2a +3 || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 1,000 || 7,000 * Het voorstel van de
Commissie voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot
vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het
instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en
bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheer (COM(2011) 753 definitief van
15.11.2011) voorziet in financiering voor de bescherming van kritieke infrastructuur.
Daarom zou financiering voor het SST-ondersteuningsprogramma ook aan het ISF
kunnen worden onttrokken. Er is geen herprogrammering voorzien. Bovendien zijn
de genoemde bedragen slechts indicatief. Ze moeten mogelijk nog worden
bijgesteld, in nauwe samenwerking met DG HOME, in het licht van het definitieve
resultaat van de wetgevingsprocedure met betrekking tot het programma en de
besprekingen over het volgende MFK. TOTAAL beleidskredieten || Vastleggingen || (4) || 5,000 || 7,000 || 9,000 || 11,000 || 12,000 || 13,000 || 13,000 || 70,000 Betalingen || (5) || 5,000 || 7,000 || 9,000 || 11,000 || 12,000 || 13,000 || 13,000 || 70,000 TOTAAL uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten || (6) || 0,100 || 0,100 || 0,100 || 0,100 || 0,100 || 0,100 || 0,100 || 0,700 TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 4 van het meerjarige financiële kader (referentiebedrag) || Vastleggingen || =4+ 6 || 5,100 || 7,100 || 9,100 || 11,100 || 12,100 || 13,100 || 13,100 || 70,700 Betalingen || =5+ 6 || 5,100 || 7,100 || 9,100 || 11,100 || 12,100 || 13,100 || 13,100 || 70,700 Rubriek van het meerjarige financiële kader || 5 || "Administratieve uitgaven" in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen) || || || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || TOTAAL DG: ENTR || Personele middelen || 0.096 || 0.191 || 0.0191 || 0.0191 || 0.0191 || 0.0191 || 0.0191 || 1.242 Andere administratieve uitgaven || 0.059 || 0.167 || 0.167 || 0.167 || 0.167 || 0.167 || 0.167 || 1.061 TOTAAL DG ENTR || Kredieten || 0.155 || 0.358 || 0.358 || 0.358 || 0.358 || 0.358 || 0.358 || 2.303 TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || (Totaal vastleggingen = totaal betalingen) || 0.155 || 0.358 || 0.358 || 0.358 || 0.358 || 0.358 || 0.358 || 2.303 in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen) || || || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || TOTAAL TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 5 van het meerjarige financiële kader || Vastleggingen || 5.255 || 7.458 || 9.458 || 11.458 || 12.458 || 13.458 || 13.458 || 73.003 Betalingen || 5.255 || 7.458 || 9.458 || 11.458 || 12.458 || 13.458 || 13.458 || 73.003 3.2.2. Geraamde gevolgen voor de
beleidskredieten –
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig –
ý Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals
hieronder nader wordt beschreven: Vastleggingskredieten, in miljoenen euro's (tot op 3
decimalen) Vermeld doelstellingen en outputs ò || || || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || TOTAAL OUTPUTS Soort output || Gem. kosten van de output || Nummer outputs || Kosten || Nummer outputs || Kosten || Nummer outputs || Kosten || Nummer outputs || Kosten || Nummer outputs || Kosten || Nummer outputs || Kosten || Nummer outputs || Kosten || Totaal aantal outputs || Totale kosten SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 1 Instellen en exploiteren van een netwerk van sensoren en een verwerkingsfunctie || || || || || || || || || || || || || || || || - sensorfunctie || Producten || || || 4,000 || || 5,500 || || 7,000 || || 9,000 || || 9,500 || || 10,000 || || 10,000 || || 55,000 - verwerking van gegevens || Dienst || || || || || || || || || Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1 || || || || || || || || || || || || || || || || SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 2 Opzetten en exploiteren van SST-diensten || || || || || || || || || || || || || || || || - Verstrekking van diensten || Dienst || || || 1,000 || || 1,500 || || 2,000 || || 2,000 || || 2,500 || || 3,000 || || 3,000 || || 15,000 Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2 || || || || || || || || || || || || || || || || TOTALE KOSTEN || || 5,000 || || 7,000 || || 9,000 || || 11,000 || || 12,000 || || 13,000 || || 13,000 || || 70,000 3.2.3. Geraamde gevolgen voor de
administratieve kredieten 3.2.3.1. Samenvatting –
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten
nodig –
ý Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig,
zoals hieronder nader wordt beschreven: in miljoenen euro's
(tot op 3 decimalen) || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || TOTAAL RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || || || || || || || || Personele middelen || 0.096 || 0.191 || 0.191 || 0.191 || 0.191 || 0.191 || 0.191 || 1.242 Andere administratieve uitgaven || 0.059 || 0.167 || 0.167 || 0.167 || 0.167 || 0.167 || 0.167 || 1.061 Subtotaal RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || 0.155 || 0.358 || 0.358 || 0.358 || 0.358 || 0.358 || 0.358 || 2.303 Buiten RUBRIEK 5[34] van het meerjarige financiële kader || || || || || || || || Personele middelen || || || || || || || || Andere administratieve uitgaven || || || || || || || || Subtotaal buiten RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || || || || || || || || TOTAAL || 0.155 || 0.358 || 0.358 || 0.358 || 0.358 || 0.358 || 0.358 || 2.303 3.2.3.2. Geraamde personeelsbehoeften – ¨ Voor het
voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig –
ý Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals
hieronder nader wordt beschreven: Raming in een geheel getal (of met hoogstens 1
decimaal) || || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen) || || XX 01 01 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie) || 1 || 1 || 1 || 1 || 1 || 1 || 1 || XX 01 01 02 (delegaties) || || || || || || || || XX 01 05 01 (onderzoek door derden) || || || || || || || || 10 01 05 01 (eigen onderzoek) || || || || || || || || Extern personeel (in voltijdequivalenten: FTE)[35] || || XX 01 02 01 (AC, INT, END van de "totale financiële middelen") || 1 || 1 || 1 || 1 || 1 || 1 || 1 || XX 01 02 02 (AC, INT, JED, AL en END in de delegaties) || || || || || || || || XX 01 04 jj[36] || - zetel[37] || || || || || || || || - delegaties || || || || || || || || XX 01 05 02 (AC, INT, END – onderzoek door derden) || || || || || || || || 10 01 05 02 (AC, INT, END – eigen onderzoek) || || || || || || || || Ander begrotingsonderdeel (te vermelden) || || || || || || || || TOTAAL || 2 || 2 || 2 || 2 || 2 || 2 || 2 XX is het beleidsterrein of de begrotingstitel. De benodigde personele middelen zullen worden
gefinancierd uit de middelen die reeds voor het beheer van deze actie zijn
toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met
middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met
inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden
toegewezen. Beschrijving van de
uit te voeren taken: Ambtenaren en tijdelijke functionarissen || Eén AD-functionaris om de functies van de Commissie binnen het programma waar te nemen, zoals het leveren van het secretariaat voor de twee comités (met inbegrip van het opstellen van de goed te keuren documenten), voorbereiden van het jaarlijkse werkprogramma en de jaarbegroting, doorlopen van de jaarlijkse subsidieprocedure, verzorgen voor internationale betrekkingen. Extern personeel || Eén arbeidscontractant die de nodige ondersteuning aan de AD-functionaris biedt. 3.2.4. Verenigbaarheid met het
huidige meerjarige financiële kader –
ý Het voorstel/initiatief is verenigbaar met het huidige meerjarige
financiële kader –
¨ Het voorstel/initiatief vergt herprogrammering van de betrokken
rubriek van het meerjarige financiële kader Zet uiteen welke herprogrammering nodig is, onder
vermelding van de betrokken begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen. –
¨ Het voorstel/initiatief vergt toepassing van het
flexibiliteitsinstrument of herziening van het meerjarige financiële kader[38]. Zet uiteen wat nodig is, onder vermelding van de
betrokken rubrieken en begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen. 3.2.5. Bijdrage van derden aan de
financiering –
¨ Het voorstel/initiatief voorziet niet in medefinanciering door derden
–
ý Het voorstel/initiatief voorziet in medefinanciering, zoals hieronder
wordt geraamd: Het SST-ondersteuningsprogramma voorziet in
medefinanciering door de lidstaten, met inbegrip van bijdragen in natura. De
precieze bedragen zijn afhankelijk van de deelnemende lidstaat, en worden in
een later stadium nader bepaald. Kredieten in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen) || Jaar N || Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || … invullen: zoveel jaren als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) || Totaal Medefinancieringsbron || || || || || || || || TOTAAL medegefinancierde kredieten || || || || || || || || 3.3. Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
–
ý Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de
ontvangsten. –
¨ Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële
gevolgen: –
¨ voor de eigen middelen –
¨ voor de diverse ontvangsten in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen) Begrotingsonderdeel voor ontvangsten: || Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten || Gevolgen van het voorstel/initiatief[39] Jaar N || Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || … invullen: zoveel kolommen als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) Artikel …………. || || || || || || || || Voor de diverse
ontvangsten die worden "toegewezen", vermeld het (de)
betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven. Vermeld de wijze van
berekening van de gevolgen voor de ontvangsten. [1] Zie Raad
van de Europese Unie, Resolutie over het Europees ruimtevaartbeleid, Brussel,
25 mei 2007, 10037/07, waarbij het Europese ruimtevaartbeleid werd ingesteld;
Resolutie van de Raad "Vooruitgang boeken met het Europees
ruimtevaartbeleid" van 26 september 2008 (Raadsdocument 13569/08);
Resolutie van de Raad "Bijdrage van de ruimtevaart tot innovatie en
concurrentievermogen in de context van het Europees economisch herstelplan, en
verdere stappen" van 29 mei 2009 (10500/09); Resolutie van de Raad
"Mondiale uitdagingen: volledig benutten van de Europese
ruimtesystemen" van 25 november 2010 (16864/10); Conclusies van de Raad
"Naar een ruimtevaartstrategie voor de Europese Unie ten dienste van de
Europese burger" van 31 mei 2011; en resolutie van de Raad "Beleidslijnen
over de toegevoegde waarde en de voordelen van de ruimte voor de veiligheid van
Europese burgers" van 6 december 2011 (18232/11). [2] Raad van
de Europese Unie, Resolutie "Vooruitgang boeken met het Europees
ruimtevaartbeleid", Brussel, 26 september 2008, 13569/08. [3] Verslag
van het Europees Parlement over de mededeling van de Commissie "naar een
ruimtevaartstrategie voor de Europese Unie ten dienste van de burger"
(2011/2148(INI)). [4] Mededeling
van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch
en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: "Naar een
ruimtevaartstrategie van de Europese Unie ten dienste van de burger",
COM(2011) 152 definitief van 4.4.2011. [5] PB C […]
van […], blz. […]. [6] PB C […]
van […], blz. […]. [7] COM
(2011) 152 van 4 april 2011. [8] CS
13569/08 van 29.9.2008. [9] CS
16864/10 van 26.11.2010. [10] CS
10901/11 van 31.5.2011. [11] PB
C 377 van 23.12.2011, blz. 1. [12] PB L 196 van 27.4.2008, blz. 1. [13] PB L 276 van 20.10.2010, blz. 1. [14] SEC(2011)
1247 definitief van 12.10.2011. [15] Raadsdocument
15715/11 van 24.10.2011. [16] PB L 200
van 25.7.2001, blz. 5. [17] Raadsdocument
14698/12 van 9.10.2012. [18] PB L 298
van 26.10.2012, blz. 1. [19] PB L 55
van 28.2.2011, blz. 13. [20] CS
14698/12 van 9.10.2012. [21] COM(2011)
814 definitief van 31.11.2011. Verwijzing aanpassen na vaststelling. [22] COM(2011)
811 definitief van 30.11.2011. Verwijzing aanpassen na vaststelling. [23] COM(2011)
753 definitief van 15.11.2011. Verwijzing aanpassen na vaststelling. [24] PB L 292
van 15.11.1996, blz. 2. [25] ABM:
Activity Based Management – ABB: Activity Based Budgeting. [26] In de zin
van artikel 49, lid 6, onder a) of b), van het Financieel
Reglement. [27] Nadere
gegevens over de beheervormen en verwijzingen naar het Financieel Reglement
zijn beschikbaar op BudgWeb: http://www.cc.cec/budg/man/budgmanag/budgmanag_en.html [28] In de zin
van artikel 185 van het Financieel Reglement. [29] GK =
gesplitste kredieten/NGK = niet-gesplitste kredieten. [30] EVA:
Europese Vrijhandelsassociatie. [31] Kandidaat-lidstaten
en, in voorkomend geval, potentiële kandidaat-lidstaten van de Westelijke
Balkan. [32] Technische
en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering
van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen),
onderzoek door derden, eigen onderzoek. [33] Technische
en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering
van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen),
onderzoek door derden, eigen onderzoek. [34] Technische
en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering
van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen),
onderzoek door derden, eigen onderzoek. [35] AC = Agent
Contractuel (arbeidscontractant); INT = Intérimaire (uitzendkracht); JED =
Jeune Expert en Délégation (jonge deskundige in delegaties); AL = Agent Local
(plaatselijk functionaris); END = Expert National Détaché (gedetacheerd
nationaal deskundige). [36] Onder het
maximum voor extern personeel uit beleidskredieten (vroegere
"BA"-onderdelen). [37] Vooral
voor structuurfondsen, het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling
(ELFPO) en het Europees Visserijfonds (EVF). [38] Zie de
punten 19 en 24 van het Interinstitutioneel Akkoord. [39] Voor
traditionele eigen middelen (douanerechten en suikerheffingen) moeten
nettobedragen worden vermeld, d.w.z. na aftrek van 25% aan inningskosten.