This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52012DC0658
REPORT FROM THE COMMISSION TO THE COUNCIL on the basis of Member States' reports on the implementation of the Council Recommendation (2009/C 151/01) on patient safety, including the prevention and control of healthcare associated infections
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD op basis van de verslagen van de lidstaten over de uitvoering van Aanbeveling 2009/C 151/01 van de Raad betreffende patiëntveiligheid, met inbegrip van de preventie en bestrijding van zorginfecties
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD op basis van de verslagen van de lidstaten over de uitvoering van Aanbeveling 2009/C 151/01 van de Raad betreffende patiëntveiligheid, met inbegrip van de preventie en bestrijding van zorginfecties
/* COM/2012/0658 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD op basis van de verslagen van de lidstaten over de uitvoering van Aanbeveling 2009/C 151/01 van de Raad betreffende patiëntveiligheid, met inbegrip van de preventie en bestrijding van zorginfecties /* COM/2012/0658 final */
INHOUDSOPGAVE 1........... Inleiding.......................................................................................................................... 3 2........... Samenvatting van de voornaamste
maatregelen op het niveau van de lidstaten................... 4 2.1........ Algemene patiëntveiligheid.............................................................................................. 4 2.1.1..... Ontwikkeling van nationaal beleid en
nationale programma's voor patiëntveiligheid............ 4 2.1.2..... Informatie over ongewenste voorvallen............................................................................ 5 2.1.3..... Patiënten zeggenschap geven........................................................................................... 5 2.1.4..... Opleiding en scholing van
gezondheidswerkers op het gebied van patiëntveiligheid............ 6 2.1.5..... Grensoverschrijdende activiteiten voor
patiëntveiligheid.................................................... 6 2.1.6..... Onderzoek..................................................................................................................... 6 2.1.7..... Aspecten die het meest en het minst
zijn uitgevoerd.......................................................... 6 2.2........ Zorginfecties................................................................................................................... 8 2.2.1..... Aanneming en uitvoering van een
strategie voor de preventie en bestrijding van zorginfecties 8 2.2.2..... Instellen van een intersectoraal
mechanisme of soortgelijk systeem................................. 10 3........... Voornaamste activiteiten op het
niveau van de Europese Unie........................................ 10 3.1........ Algemene patiëntveiligheid............................................................................................ 10 3.2........ Zorginfecties................................................................................................................. 11 4........... Sociaaleconomische context.......................................................................................... 13 5........... Conclusies.................................................................................................................... 14 1. Inleiding In juni 2009 heeft de Raad een aanbeveling
betreffende patiëntveiligheid, met inbegrip van de preventie en bestrijding van
zorginfecties (2009/C 151/01), aangenomen, hierna "de aanbeveling"
genoemd. De aanbeveling bestaat uit twee hoofdstukken.
In het eerste hoofdstuk, dat over algemene patiëntveiligheidsaspecten gaat,
wordt de lidstaten gevraagd een reeks maatregelen te nemen om de schade voor
patiënten die zorg ontvangen tot een minimum te beperken. Deze maatregelen omvatten
de ontwikkeling van nationaal beleid inzake patiëntveiligheid, het zeggenschap
geven aan en voorlichten van patiënten, het opzetten van meldings- en
leersystemen voor ongewenste voorvallen, het bevorderen van opleiding en
scholing van gezondheidswerkers en het ontwikkelen van onderzoek. In de
aanbeveling wordt de lidstaten aanbevolen kennis, ervaring en beste praktijken uit
te wisselen en de patiëntveiligheid op EU-niveau te classificeren en te
codificeren door met elkaar en met de Commissie samen te werken. In het tweede hoofdstuk, dat over de preventie
en bestrijding van zorginfecties gaat, wordt de lidstaten aanbevolen op het passende
niveau een strategie voor de preventie en bestrijding van zorginfecties vast te
stellen en uit te voeren en te overwegen een intersectoraal mechanisme of
soortgelijk systeem in te stellen voor de gecoördineerde uitvoering van een
dergelijke strategie. Die strategie moet maatregelen bevatten ter preventie en
bestrijding van infecties op nationaal of regionaal niveau en op het niveau van
zorginstellingen, alsook surveillancesystemen, de opleiding en scholing van
gezondheidswerkers, informatie aan patiënten en onderzoek. De aanbeveling is een aanvulling op andere
EU-initiatieven. Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van
9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij
grensoverschrijdende gezondheidszorg[1],
die uiterlijk in oktober 2013 moet zijn omgezet, streeft niet alleen naar het
verduidelijken van de rechten van patiënten bij de toegang tot zorg in een
andere EU-lidstaat, maar wil eveneens waarborgen dat dergelijke zorg veilig en
van goede kwaliteit is. De richtlijn bevat dan ook diverse bepalingen op het
gebied van de veiligheid en kwaliteit van gezondheidszorg: samenwerking door
lidstaten bij normen en richtsnoeren, informatie aan patiënten over zorgaanbieders
en over de toegepaste veiligheids- en kwaliteitsnormen, en de mogelijkheid om voorafgaande
toestemming te weigeren als er twijfels zijn over de kwaliteit en veiligheid
van een zorgaanbieder in de lidstaat van behandeling. De uitvoering van de in de aanbeveling vermelde
maatregelen (bv. het delen van kennis, ervaring en beste praktijken; het
regelmatig beoordelen en bijwerken van patiëntveiligheidsnormen die van
toepassing zijn op de geleverde gezondheidszorg in de lidstaat; voorlichten van
patiënten over veiligheidsmaatregelen om schade te verminderen of te voorkomen
en over patiëntveiligheidsnormen; het aannemen en uitvoeren van een strategie
voor de preventie en bestrijding van zorginfecties, met inbegrip van het
vaststellen van een intersectoraal mechanisme of soortgelijk systeem voor de
gecoördineerde uitvoering van de strategie) wordt als maatstaf gebruikt voor de
beoordeling van de veiligheidsnormen krachtens de richtlijn. Verder betreft artikel 12 van Richtlijn
2011/24/EU de bevordering van het opzetten van expertisecentra en Europese
referentienetwerken. Als eerste stap wordt de Commissie gemachtigd om door
middel van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen de criteria en voorwaarden te
definiëren waaraan dergelijke centra en netwerken moeten voldoen. Daarbij zullen
waarschijnlijk patiëntveiligheidsvoorschriften en ‑criteria worden vastgesteld.
Daarnaast zullen de zorgcentra van de toekomstige Europese referentienetwerken
door het uitvoeren van gemeenschappelijke initiatieven of praktijken op het
gebied van patiëntveiligheid, beste praktijken in complexe procedures helpen
definiëren. Tot slot heeft de Commissie in november 2011 het
vijfjarig "Actieplan tegen het toenemende gevaar van antimicrobiële
resistentie" aangenomen, dat bedoeld is om doeltreffende maatregelen in te
voeren om microbiële infecties en de verspreiding van micro-organismen te voorkomen.
Het intensiveren van de infectiepreventie en -bestrijding in zorgomgevingen (actie 4
van het plan) zal bijdragen tot het bereiken van dit doel. In de aanbeveling wordt de Commissie verzocht
op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie een uitvoeringsverslag
aan de Raad te overleggen. In april 2011 is de lidstaten gevraagd op basis van
een gestandaardiseerde vragenlijst de Commissie verslag te doen van hun
voortgang bij het uitvoeren van de aanbeveling. De Commissie heeft antwoorden
ontvangen van alle lidstaten, één EER-land (Noorwegen[2]) op
vrijwillige basis, en vijf regio's (over algemene patiëntveiligheid)/15 regio's
(over zorginfecties). Daarnaast hebben 14 lidstaten in juli 2012 de informatie
over de algemene patiëntveiligheid bijgewerkt. In dit verslag worden de voornaamste
maatregelen samengevat die tot juni 2011 (juli 2012 voor de algemene
patiëntveiligheidsaspecten) zijn genomen op het niveau van de lidstaten en op
EU-niveau, en wordt gewezen op de onderdelen van de aanbeveling die verdere
aandacht behoeven. Het verslag gaat vergezeld van een werkdocument van de
diensten van de Commissie met een meer gedetailleerde technische analyse van de
ontvangen antwoorden. In dit verslag worden alleen de antwoorden op nationaal
niveau gepresenteerd[3];
het werkdocument van de diensten van de Commissie bevat analyses van de
antwoorden op zowel nationaal als regionaal niveau. Wanneer in dit verslag aan landen
wordt gerefereerd, worden hiermee de EU-lidstaten en Noorwegen bedoeld. 2. Samenvatting
van de voornaamste maatregelen op het niveau van de lidstaten 2.1. Algemene patiëntveiligheid 2.1.1. Ontwikkeling van nationaal beleid en nationale programma's
voor patiëntveiligheid Alle landen hebben specifiek beleid inzake
patiëntveiligheid ontwikkeld en/of als prioriteit in hun gezondheidsbeleid
opgenomen. In 19 lidstaten zijn op nationaal of regionaal niveau officieel
bevoegde autoriteiten voor patiëntveiligheid ingesteld door middel van een
wetgevingsbesluit, terwijl dit in zes andere lidstaten dit zonder
wetgevingsbesluit is gebeurd. De bevoegde autoriteiten zorgen hoofdzakelijk
voor het identificeren en bevorderen van beste praktijken, het verzamelen van
informatie over opgezette patiëntveiligheidsprogramma's en het ontwikkelen van
richtsnoeren over patiëntveiligheid. 15 lidstaten beschikken over regelmatig
bijgewerkte normen voor patiëntveiligheid, die in elf van die lidstaten verplicht
zijn. Acht andere landen hebben andersoortige patiëntveiligheidsmaatregelen
opgezet (bv. op feiten gebaseerde klinische richtsnoeren,
accreditatieprocedures en meting van de patiëntveiligheidscultuur). Vijf
lidstaten hebben echter geen melding gemaakt van bestaande patiëntveiligheidsnormen
of andere genomen maatregelen. Veruit de meeste landen (24) zijn van mening dat
een richtsnoer voor het opzetten en introduceren van patiëntveiligheidsnormen
voor hen zeer nuttig zou zijn. 2.1.2. Informatie over ongewenste voorvallen In de aanbeveling wordt de lidstaten aanbevolen
meldings- en leersystemen voor ongewenste voorvallen op te zetten. In juli 2012
waren dergelijke systemen volledig operationeel in 15 lidstaten en gedeeltelijk
geïmplementeerd in elf andere lidstaten. Deze systemen verschaffen
hoofdzakelijk informatie over de oorzaken van ongewenste voorvallen en leggen de
aantallen voorvallen per soort vast. In 18 landen staan zij los van
disciplinaire procedures teneinde een niet-punitieve meldingscontext te
waarborgen. In bijna alle landen waar meldings- en leersystemen bestaan, worden
beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg en andere gezondheidswerkers
aangemoedigd ongewenste voorvallen te melden. In twee derde van de landen is de
melding door beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg de afgelopen twee jaar
gestegen. In 13 van de 26 betreffende lidstaten bieden de
meldings- en leersystemen ook patiënten en hun gezinsleden de mogelijkheid ongewenste
voorvallen te melden. In slechts negen lidstaten wordt echter stelselmatig informatie
over de meldingspercentages verzameld, waarvan er vijf aangeven dat de melding
door patiënten tussen 2009 en 2012 is gestegen. 2.1.3. Patiënten zeggenschap geven In de aanbeveling wordt de lidstaten aanbevolen
patiënten zeggenschap te geven door patiëntenorganisaties en individuele
patiënten bij de besluitvorming te betrekken. In 14 landen zijn patiëntenorganisaties
formeel uitgenodigd om deel te nemen aan het opzetten van
patiëntveiligheidsbeleid, terwijl in zes andere landen hun betrokkenheid niet
formeel vereist, maar wel de praktijk is. De lidstaten wordt
aanbevolen onder patiënten informatie te verspreiden over de patiëntveiligheidsnormen,
bestaande veiligheidsmaatregelen om fouten te beperken of te voorkomen, het
recht op geïnformeerde toestemming voor behandeling, klachtenprocedures en de
rechtsmiddelen die hun ter beschikking staan. In alle rapporterende landen ontvangen
patiënten ten minste één van deze soorten informatie (in alle landen wordt
informatie gegeven over het recht op geïnformeerde toestemming). Slechts in vijf
lidstaten krijgen patiënten echter al deze details. De informatie over
patiëntveiligheidsnormen is het minst beschikbaar. Anderzijds meldt meer dan de
helft van de lidstaten dat er een lijst van geaccrediteerde gezondheidsinstellingen
voor de burgers beschikbaar is. De informatie aan patiënten wordt meestal via
overheidswebsites of door beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg verstrekt.
23 landen beschikken over mechanismen om de feedback van patiënten over de
beschikbaarheid en accuratesse van de verstrekte informatie vast te leggen.
Voorbeelden zijn schriftelijke of online vragenlijsten bij ontslag, jaarlijkse
onderzoeken naar patiëntervaringen en de mogelijkheid om opmerkingen achter te
laten op een speciale website. In slechts twaalf lidstaten zijn
kerncompetenties voor patiënten op het gebied van patiëntveiligheid ontwikkeld
en verspreid, en de verslagen laten zien dat de interpretatie van het concept
van land tot land verschilt. In twee lidstaten is een specifieke reeks
kerncompetenties voor patiënten ontwikkeld, terwijl de overige tien lidstaten
ook verwante elementen in ander gezondheidszorgbeleid hebben opgenomen. 2.1.4. Opleiding en scholing van gezondheidswerkers op het gebied
van patiëntveiligheid Op één na alle landen
melden dat zij de afgelopen twee jaar opleiding en scholing van
beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg op het gebied van patiëntveiligheid
hebben gestimuleerd. Er zijn echter slechts 15 landen die formele eisen hebben
vastgesteld om patiëntveiligheidsmodules in een of meer soorten opleidingen op
te nemen. Deze worden meestal aangeboden aan verpleegkundigen en artsen als
onderdeel van bij- en nascholing, postdoctorale opleidingen en
praktijkopleidingen. Er is minder aanbod voor zorgmanagers en andere gezondheidswerkers
dan artsen, verpleegkundigen en apothekers. Geen enkel land heeft de
patiëntveiligheid opgenomen in alle opleidingsniveaus voor alle groepen
beroepsbeoefenaren, maar drie landen hebben dit gedaan voor artsen,
verpleegkundigen en apothekers. 2.1.5. Grensoverschrijdende activiteiten voor patiëntveiligheid Naast activiteiten op nationaal niveau melden
sommige lidstaten voorbeelden van grensoverschrijdende activiteiten. Drie lidstaten hebben, naast hun nationale
strategie, een grensoverschrijdende strategie voor patiëntveiligheid
ontwikkeld. In twee lidstaten werken meldings- en leersystemen in een
grensoverschrijdende context. 15 landen hebben specifieke procedures
vastgesteld om patiënten uit een ander land over de patiëntveiligheidsnormen en
andere maatregelen te informeren. Er zijn echter geen verdere details over deze
procedures verstrekt. 2.1.6. Onderzoek Tien lidstaten melden dat ze een nationaal
onderzoeksprogramma over patiëntveiligheid hebben. Het bestaande onderzoek
behelst de patiëntveiligheidscultuur, het verminderen van het risico van medicatiefouten,
vergroting van de kennis van patiënten over de veiligheid van geneesmiddelen,
zorginfecties, voorkoming van vallen bij ouderen, gevolg van afwezigheid van
gezondheidswerkers voor patiënttevredenheid, gevolgen van teleradiologie bij levensbedreigende
noodgevallen, instrumenten om ongewenste voorvallen te meten en de frequentie
van ongewenste voorvallen bij patiënten die in een ziekenhuis zijn opgenomen. 2.1.7. Aspecten die het meest en het minst zijn uitgevoerd Van de 13 maatregelen uit de aanbeveling die
in dit verslag worden geanalyseerd[4]
zijn de volgende drie door het grootste aantal landen uitgevoerd:
patiëntveiligheid als prioriteit in gezondheidsbeleid opnemen (alle landen); de
bevoegde autoriteit aanwijzen die verantwoordelijk is voor patiëntveiligheid
(25 landen); en aanmoedigen van opleiding op het gebied van patiëntveiligheid
in zorgomgevingen (24 landen). De maatregelen die door het kleinste aantal
landen zijn uitgevoerd, zijn: patiëntveiligheid opnemen in de opleiding en
scholing van beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg (drie landen); patiënten volledige
informatie over patiëntveiligheid geven (vijf landen); onder gezondheidswerkers
kernkennis over patiëntveiligheid verspreiden (elf landen) en het ontwikkelen
van kerncompetenties op het gebied van patiëntveiligheid voor patiënten (twaalf
landen). De volgende tabel geeft een overzicht van het
aantal uitgevoerde maatregelen per land: Alle 13 maatregelen uitgevoerd: || 0 landen 10 tot 12 maatregelen uitgevoerd: || 9 landen: CZ, DE, DK, ES, FR, IE, IT, NL, UK 6 tot 9 maatregelen uitgevoerd: || 14 landen: AT, BE, BG, EE, FI, LT, LU, MT, NO, PL, PT, SE, SI, SK 4 tot 6 maatregelen uitgevoerd: || 3 landen: CY, HU, LV 1 tot 3 maatregelen uitgevoerd: || 2 landen: EL, RO In de effectbeoordeling uit 2008[5] heeft de
Commissie informatie verstrekt over bestaande activiteiten op het gebied van
patiëntveiligheid in de lidstaten (inclusief het bestaan en de volgroeidheid
van meldings- en leersystemen, de oprichting van een bevoegde autoriteit die
verantwoordelijk is voor patiëntveiligheid en de actieve participatie van de lidstaten
in initiatieven voor het ontwikkelen en gebruiken van kennis en feiten over
patiëntveiligheid op EU- of op internationaal niveau). Als we de huidige
situatie in 2012 vergelijken met die van 2008, wordt vooral vooruitgang waargenomen
op het gebied van meldings- en leersystemen: er zijn 16 niet-beschuldigende
systemen tegen slechts vier in 2008; elf systemen bieden patiënten de
mogelijkheid om ongewenste voorvallen te melden; in 2008 was dit bij slechts drie
systemen mogelijk. Op andere gebieden (bv. de beoordeling van bestaande
patiëntveiligheidssystemen) is echter maar weinig vooruitgang of helemaal geen
vooruitgang waargenomen. Er moet worden opgemerkt dat deze vergelijking aan
methodologische beperkingen gebonden is en uitsluitend als indicatie mag worden
beschouwd. 2.2. Zorginfecties 2.2.1. Aanneming en uitvoering van een strategie voor de preventie
en bestrijding van zorginfecties In de aanbeveling wordt de lidstaten aanbevolen
op het passende niveau een strategie voor de preventie en bestrijding van
zorginfecties aan te nemen en uit te voeren. 18 lidstaten achten het nationale
of federale niveau passend voor een dergelijke strategie. Daarvan hadden er in
juni 2011 negen een nationale strategie vastgesteld, zes een strategie in
voorbereiding en drie geen strategie vastgesteld of in voorbereiding. Negen
landen achten zowel het nationale als het regionale niveau passend. In al deze landen
zijn een nationale strategie en regionale strategieën vastgesteld. Eén lidstaat
acht het regionale niveau passend. De meeste strategieën voor de preventie en
bestrijding van zorginfecties zijn gekoppeld aan strategieën voor verstandig
gebruik van antimicrobiële stoffen in menselijke geneeskunde en/of strategieën
voor patiëntveiligheid. In de aanbeveling staat dat een strategie voor
de preventie en bestrijding van zorginfecties de volgende hoofddoelstellingen
moet nastreven: a) op nationaal of regionaal niveau
preventie- en bestrijdingsmaatregelen toepassen om zorginfecties te helpen
inperken In 22 landen zijn richtsnoeren voor
handhygiëne beschikbaar, waarvan er 19 naar de richtsnoeren van de WHO
verwijzen. Daarnaast worden er in drie lidstaten richtsnoeren voorbereid en
heeft één lidstaat wettelijke voorschriften voor handhygiëne. In twee lidstaten
zijn er geen richtsnoeren voor handhygiëne. In 18 landen zijn campagnes voor
handhygiëne uitgevoerd en in vier lidstaten worden deze voorbereid. In 23 landen zijn richtsnoeren voor de
preventie en bestrijding van zorginfecties in ziekenhuizen beschikbaar voor
andere onderwerpen dan handhygiëne, terwijl in drie lidstaten dergelijke
richtsnoeren worden voorbereid. In twee lidstaten zijn geen richtsnoeren
overeengekomen. b) verbetering van de
infectiepreventie en -bestrijding op het niveau van de zorginstellingen –
ziekenhuizen In 22 landen zijn er wettelijke vereisten
en/of beroepsrichtsnoeren vastgesteld met betrekking tot commissies voor
infectiebestrijding (of gelijkwaardige bedrijfsorganisatorische regelingen) in
ziekenhuizen. In zes lidstaten zijn er geen vereisten of richtsnoeren. Als er
vereisten of richtsnoeren zijn, is het management betrokken bij de commissie
voor infectiebestrijding. In 24 landen zijn er wettelijke vereisten
en/of beroepsrichtsnoeren vastgesteld met betrekking tot teams voor
infectiebestrijding (of gelijkwaardige bedrijfsorganisatorische regelingen) in
ziekenhuizen. Slechts vier lidstaten hebben geen vereisten of richtsnoeren
(maar één heeft een wettelijk vereiste voor een epidemioloog). In vijf lidstaten zijn er wettelijke vereisten
voor een speciaal budget op ziekenhuisniveau. In totaal melden slechts twee lidstaten dat ze
geen vereisten voor bedrijfsorganisatorische regelingen in ziekenhuizen hebben.
–
verpleeghuizen Twaalf lidstaten melden dat zij verpleeghuizen
stimuleren passende bedrijfsorganisatorische regelingen in te stellen voor het
opstellen en bewaken van een programma voor infectiepreventie en -bestrijding.
In tien van die twaalf lidstaten waren wettelijke vereisten of
beroepsrichtsnoeren voor infectiebestrijdingsstructuren in verpleeghuizen
vastgesteld. c) actieve surveillancesystemen
opzetten of versterken Op twee na alle landen hebben ten minste één
soort surveillancenetwerk voor zorginfecties opgezet; in de twee (kleinere
lidstaten) die hier niet over beschikken, wordt de surveillance uitgevoerd op
ziekenhuisniveau en niet via een nationaal of regionaal netwerk. De
surveillancenetwerken richten zich op multiresistente bacteriën (18 landen),
infecties in operatiekamers (15), infecties op intensivecare-units voor
volwassenen (16) en infecties in de bloedbaan (15). In 19 landen zijn in de
afgelopen twintig jaar prevalentieonderzoeken uitgevoerd. De bestaande surveillancesystemen voor de
tijdige detectie en melding van gezondheidszorggerelateerde organismen die
gesignaleerd moeten worden of clusters van zorginfecties betreffen met name clusters
van enkele zorginfecties. In 19 landen is een systeem voor de externe
kwaliteitsbeoordeling van het testen op antimicrobiële gevoeligheid opgezet en
in drie lidstaten is een dergelijk systeem in voorbereiding. In zes lidstaten
ontbreekt een dergelijk systeem. d) stimuleren van de opleiding en
scholing van gezondheidswerkers Een nationaal overeengekomen,
gemeenschappelijke kern van competenties (curriculum) voor gespecialiseerde
opleidings- en scholingsprogramma's voor infectiebestrijdingspersoneel is in 13
landen aanwezig en in drie lidstaten in voorbereiding. Elf landen beschikken
niet over een dergelijk overeengekomen curriculum. Niet-gesponsorde bij- en
nascholing is in negen lidstaten verplicht voor infectiebestrijdingartsen en in
elf landen voor infectiebestrijdingsverpleegkundigen. Voor de opleiding van andere gezondheidswerkers
dan infectiebestrijdingspersoneel hebben 13 landen een nationaal overeengekomen
gemeenschappelijke kern van competenties bestreffende de basisprincipes van
hygiëne en infectiepreventie en -bestrijding en wordt in één land een dergelijk
curriculum ontwikkeld. In twaalf landen bestaat een verplichte scholing bij
indiensttreding voor alle gezondheidswerkers in zorginstellingen. Regelmatige
scholing voor alle gezondheidswerkers in zorginstellingen is verplicht in 14
landen. In drie lidstaten bestaat ook scholing voor managers van
zorginstellingen. e) betere voorlichting van patiënten
door de zorginstellingen Slechts drie lidstaten hebben een nationaal of
regionaal model voor voorlichting aan patiënten tijdens hun verblijf in een
zorginstelling, inclusief voorlichting over zorginfecties. In twee daarvan
bevatten de modellen informatie over de maatregelen die door de zorginstelling
zijn uitgevoerd om zorginfecties te voorkomen. Daarnaast bevatten de modellen
informatie over het risico op zorginfecties (twee lidstaten), over hoe
patiënten kunnen helpen om infecties te voorkomen (één) en specifieke
voorlichting voor patiënten die zijn gekoloniseerd of geïnfecteerd met
gezondheidszorggerelateerde micro-organismen (twee). Elf lidstaten melden dat er mechanismen zijn
vastgesteld om zorginstellingen te stimuleren voorlichting aan de patiënt te
geven. Deze mechanismen bestaan in zes lidstaten uit bindende regelgeving, in
zes lidstaten uit beroepsrichtsnoeren en in vier lidstaten uit accreditatie- of
certificeringssystemen. f) steunen van onderzoek In zes lidstaten worden kunnen onder auspiciën
van het ministerie dat belast is met volksgezondheid of onderzoek aanbestedingen
worden uitgeschreven in verband met zorginfecties (epidemiologie, nieuwe
preventieve en therapeutische technieken en interventies, kosteneffectiviteit
van preventie en bestrijding van infecties). Tien landen gebruiken hun
intersectorale mechanisme om prioriteiten voor onderzoek op het gebied van
preventie en bestrijding van infecties te definiëren, terwijl nog eens drie
lidstaten van plan zijn hun intersectorale mechanisme erbij te betrekken. 2.2.2. Instellen van een intersectoraal mechanisme of soortgelijk
systeem 17 landen hebben een intersectoraal mechanisme
of soortgelijk systeem voor de gecoördineerde uitvoering van de strategie voor
de preventie en bestrijding van zorginfecties, terwijl zeven lidstaten bezig
zijn met het opzetten van een dergelijk systeem of mechanisme. In de meeste
gevallen (13 van de 17 landen) coördineren de intersectorale mechanismen of
soortgelijke systemen ook de strategie voor het verstandig gebruik van
antimicrobiële stoffen in menselijke geneeskunde. Vier lidstaten melden dat zij
geen intersectoraal mechanisme of soortgelijk systeem hebben. 3. Voornaamste
activiteiten op het niveau van de Europese Unie 3.1. Algemene patiëntveiligheid De Europese Commissie heeft de volgende
activiteiten ontwikkeld om lidstaten van elkaar te laten leren en
gemeenschappelijke definities en terminologie voor te stellen op het gebied van
patiëntveiligheid. De Commissie heeft via de werkgroep voor
patiëntveiligheid en zorgkwaliteit het uitwisselen van informatie over
initiatieven op dit gebied gestimuleerd. Deze groep bestaat uit alle
EU-lidstaten, vertegenwoordigers van de EVA-landen, internationale organisaties
(WHO, OESO en Raad van Europa) en overkoepelende organisaties in de EU die
patiënten, beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg, zorgmanagers en
deskundigen op het gebied van zorgkwaliteit vertegenwoordigen. In deze groep is
het werk besproken van de WHO betreffende de internationale classificatie voor
patiëntveiligheid (15 landen zijn bij dit werk betrokken en twee landen hebben
het vertaald in hun nationale taal) evenals meerdere voorbeelden van nationale
activiteiten op het gebied van patiëntveiligheid. Tot dusver is er op EU-niveau
echter nog geen classificatie voor patiëntveiligheid voorgesteld. De Europese Commissie verleent binnen het
Gezondheidsprogramma medefinanciering aan het project voor indicatoren voor
zorgkwaliteit dat door de OESO wordt geleid. In 2011 publiceerde het project
voor het eerst zes indicatoren voor patiëntveiligheid: twee betreffende obstetrisch
trauma en vier betreffende procedurele en postoperatieve complicaties. Van de rapporterende
landen zijn er twintig betrokken bij het verzamelen van gegevens binnen dit
project, waarvan er elf vergelijkbare indicatoren voor patiëntveiligheid
verzamelen. De Commissie heeft ook 3 600 000
euro toegekend aan een driejarige samenwerking op het gebied van
patiëntveiligheid, in de vorm van een gezamenlijke actie voor de jaren
2012-2015. Eén deel van de gezamenlijke actie bestaat uit het selecteren van
beste praktijken voor patiëntveiligheid op het niveau van zorgverleners en het
testen van de uitvoering ervan in andere lidstaten. Tijdens de gezamenlijke
actie worden ook bestaande strategieën voor kwaliteitsborging en
kwaliteitsverbetering in kaart gebracht en geanalyseerd en wordt een model
voorgesteld voor duurzame samenwerking op EU-niveau op het gebied van
patiëntveiligheid en zorgkwaliteit. Alle 27 lidstaten en Noorwegen zijn
betrokken bij de gezamenlijke actie die wordt gecoördineerd door de Haute
Autorité de Santé in Frankrijk. Aan dit project wordt financieel bijgedragen
door 21 landen. Van de rapporterende landen hebben er 22 een
samenwerking met andere EU-lidstaten ontwikkeld voor diverse aspecten van de
aanbeveling van de Commissie, vaak als onderdeel van projecten met medefinanciering
van de EU of internationale organisaties. De belangrijkste
samenwerkingsgebieden zijn: ontwikkeling van strategieën en programma's voor
patiëntveiligheid (twintig landen), ontwikkeling van niet-beschuldigende
meldings- en leersystemen (15 lidstaten) en ontwikkeling en beoordeling van
patiëntveiligheidsnormen (15 lidstaten). De gebieden waarop het minst wordt
samengewerkt (door slechts negen lidstaten), zijn: onder patiënten informatie
verspreiden over patiëntveiligheid en kerncompetenties op het gebied van
patiëntveiligheid voor patiënten ontwikkelen. Binnen het zevende kaderprogramma voor
onderzoek heeft de EU voor in totaal 16 miljoen euro medefinanciering verstrekt
aan zes onderzoeksprojecten op het gebied van algemene patiëntveiligheid. 3.2. Zorginfecties De preventie en bestrijding van zorginfecties
is nauw verbonden met antimicrobiële resistentie, een andere belangrijke
prioriteit voor de Commissie. Het "Actieplan tegen het toenemende gevaar
van antimicrobiële resistentie"[6]
van de Commissie bevat twaalf acties die met de EU-lidstaten moeten worden
uitgevoerd, waaronder de actie: "infectiepreventie en ‑bestrijding in
zorgomgevingen intensiveren". Als follow-up voor het actieplan worden
prioriteiten voor de financiering van projecten in heel Europa geïdentificeerd,
op basis van de bevindingen van dit verslag. Als reactie op de
aanbeveling aan de lidstaten om op EU-niveau overeengekomen gevalsdefinities[7] te gebruiken, is een algemene gevalsdefinitie voor een type
zorginfectie (nosocomiale infectie of ziekenhuisinfectie) opgenomen in een
ontwerpuitvoeringsbesluit van de Commissie tot wijziging van Beschikking
2002/253/EG tot vaststelling van gevalsdefinities voor het melden van
overdraagbare ziekten aan het communautaire netwerk krachtens Beschikking nr.
2119/98/EG[8]. Deze gevalsdefinitie
is ontwikkeld in overeenstemming met het standpunt van een commissie die werd
opgezet voor het uitvoeren van Beschikking nr. 2119/98/EG. De Commissie heeft zorginfecties reeds
aangepakt door middel van de financiering van diverse projecten in heel Europa
krachtens de Gezondheidsprogramma's 2003-2007 en 2008-2013: IPSE[9] (Improving
Patient Safety in Europe, verbeteren van de patiëntveiligheid in Europa),
BURDEN[10]
(Burden of Resistance and Disease in European Nations, Last van resistentie en
ziekte in Europese landen), en IMPLEMENT[11] (Implementing Strategic Bundles for
Infection Prevention & Management, implementeren van strategische bundels
voor infectiepreventie en -beheer). Binnen het zesde en zevende kaderprogramma
voor activiteiten op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling
(2002-2006 en 2007-2013) financiert de Commissie talrijke onderzoeksprojecten
op het gebied van zorginfecties en antimicrobiële weerstand[12]. Een voorbeeld
is het MOSAR-project, dat streefde naar een beter begrip van de
overdrachtdynamiek van resistente pathogenen en de effectiviteit van interventies
ter vermindering van zorginfecties onderzocht. Een ander voorbeeld is het nog lopende
project R-GNOSIS, dat vijf klinische onderzoeken omvat om na te gaan met welke op
feiten gebaseerde preventieve maatregelen en klinische richtsnoeren de
verspreiding en gevolgen kunnen worden bestreden van infecties die zijn
veroorzaakt door multiresistente gramnegatieve bacteriën. Tot slot analyseert
het nog lopende project PROHIBIT[13]
bestaande richtsnoeren en praktijken om zorginfecties in Europese ziekenhuizen
te voorkomen, identificeert het factoren die de naleving van beste praktijken
mogelijk maken of verminderen, en test het de effectiviteit van interventies
waarvan de werkzaamheid bekend is. Het Europees Centrum voor ziektepreventie en
-bestrijding (ECDC) coördineert de Europese surveillance van infecties in
operatiekamers, zorginfecties in intensivecare-units[14] en
antimicrobiële resistentie[15].
Daarnaast hebben deskundigen uit de lidstaten en het ECDC in 2009-2010 een
protocol en een instrument voor nationale puntprevalentieonderzoeken naar
zorginfecties en antibioticagebruik in ziekenhuizen voor acute zorg ontwikkeld die
in 2011-2012 in de lidstaten zijn toegepast. Verder ondersteunt het ECDC een
Europees netwerk voor surveillance van zorginfecties en antibioticagebruik in
faciliteiten voor langdurige zorg (HALT-2) en een project om capaciteitsopbouw
voor de surveillance van Clostridium difficile-infecties te
ondersteunen (ECDIS-Net). In 2010 heeft het ECDC de behoefte aan een
infectiebestrijdingsscholing in de lidstaten in kaart gebracht en de
kerncompetenties van IPSE9 voor infectiebestrijdingsscholing in de
EU bijgewerkt (TRICE). Het ECDC heeft een op feiten gebaseerd richtsnoer
ontwikkeld voor de preventie en bestrijding van Clostridium difficile-infecties
en aanbevelingen gedaan om de verspreiding van carbapenemaseproducerende
Enterobacteriaceae[16]
te voorkomen. Tot slot steunt het ECDC ook de ontwikkeling van richtsnoeren en
indicatoren voor de preventie van zorginfecties. 4. Sociaaleconomische
context De economische en financiële crisis heeft in
de meeste lidstaten van de Europese Unie tot financiële beperkingen geleid. Als
reactie op deze begrotingsbeperkingen hebben enkele landen uitgebreide
hervormingen hun gezondheidsstelsel sinds het begin van de crisis ingrijpend
hervormd. De lidstaten hebben maatregelen genomen om
kosten te besparen en de efficiëntie en productiviteit te verbeteren, zoals:
verlagen van uitgaven in de gezondheidszorg; invoeren van plafonds voor de
stijging van de gezondheidszorgbegroting; verlagen van de operationele kosten
van gezondheidsdiensten; verlagen van de vergoedingen voor dienstverleners;
bezuinigen op de uitgaven voor geneesmiddelen; en beperkingen voor
beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg in werkgelegenheidsbeleid en pensioenhervormingen
(zoals het ontslaan van personeel of niet vervangen van personeel dat met
pensioen gaat; uitvoeren van beperkend beleid voor het aannemen en vervangen
van personeel, en loonverlagingen in de overheidssector)[17]. In dit verband melden de meeste lidstaten dat
de uitvoering van de algemene patiëntveiligheidsaspecten van de aanbeveling door
de financiële beperkingen als gevolg van de crisis is vertraagd. Enkele
lidstaten die het minste hebben uitgevoerd, behoren tot de lidstaten die het
hardst zijn getroffen door de financiële en economische tegenspoed. Niettemin
zou het voorbarig zijn om te concluderen dat er een positief, rechtstreeks
causaal verband is tussen de financiële situatie van de lidstaten en de
uitvoering van maatregelen op het gebied van patiëntveiligheid, omdat er
voorbeelden zijn van lidstaten die ernstig zijn geraakt door de economische
crisis en desondanks aanzienlijk hebben geïnvesteerd in patiëntveiligheid. De beschikbaarheid van minder middelen mag
niet ten koste gaan van de patiëntveiligheid en zorgkwaliteit, niet alleen omwille
van de patiënten, maar ook omdat is aangetoond dat schade die voortvloeit uit
gezondheidszorg extra kosten met zich meebrengt[18]. In een
internationaal literatuuronderzoek wordt geschat dat alleen al tussen de 13 en
16 % van de ziekenhuiskosten (een op de zeven euro's) het gevolg is van
letsel en een slechte gezondheid voortvloeiend uit de gezondheidszorg. Naast
dit bedrag moet voor een volledig beeld ook rekening worden gehouden met de
behandelingskosten van de nasleep van deze gebeurtenissen die niet direct tot
de ziekenhuiskosten behoren. Bovendien is uit recente onderzoeken naar de kostenefficiëntie
van patiëntveiligheidsmaatregelen gebleken dat specifieke maatregelen voor
patiëntveiligheid kosteneffectief zijn[19]. Teneinde
effectieve beleidsmaatregelen te kunnen ontwerpen, de kosten van onveilige zorg
te verminderen en kosteneffectieve programma's voor patiëntveiligheid te kunnen
ontwikkelen, is verder onderzoek nodig, evenals bewijs dat specifiek is voor de
situatie in EU-lidstaten. Ook moeten nadere werkzaamheden worden verricht om
betere oplossingen te vinden en ontwikkelen die in de bestaande institutionele
en organisatorische kaders passen. Daarnaast wijzen de lidstaten erop dat er onvoldoende
tijd was tussen het aannemen van de aanbeveling en de verslaglegging. Enkele
lidstaten wijzen op interne coördinatiekwesties tussen ministeries voor
gezondheidszorg en onderwijs en op een mogelijk gebrek aan politieke prioriteit
op nationaal niveau. 5. Conclusies De meeste landen hebben uiteenlopende maatregelen
genomen, zoals beoogd door de aanbeveling. Op het gebied van de algemene patiëntveiligheidsaspecten
hebben de meeste lidstaten patiëntveiligheid als prioriteit in het
volksgezondheidsbeleid opgenomen en een bevoegde autoriteit aangewezen die
verantwoordelijk is voor patiëntveiligheid. Bovendien hebben de meeste landen
scholing op het gebied van patiëntveiligheid in zorgomgevingen gestimuleerd,
hoewel slechts enkele landen patiëntveiligheid formeel hebben opgenomen in de
opleidings- en scholingsprogramma's voor beroepsbeoefenaren in de
gezondheidszorg. De bestaande meldings- en leersystemen zijn aanzienlijk
verbeterd met betrekking tot twee belangrijke eigenschappen: de niet-beschuldigende
aard en de mogelijkheid dat patiënten voorvallen kunnen melden. Op dit cruciale
gebied is echter nog steeds ruimte voor verbetering. Hetzelfde geldt voor de
zeggenschap van patiënten. Bovendien zijn de inspanningen gericht op
gezondheidszorg in ziekenhuizen en zijn er slechts enkele voorbeelden van
maatregelen voor eerstelijnszorg. Wat de preventie en bestrijding van
zorginfecties betreft: 26 van de 28 reagerende landen hebben een combinatie van
maatregelen op dit gebied uitgevoerd, in de meeste gevallen (77 %) als
onderdeel van een strategie en/of actieplan op nationaal of regionaal niveau.
Dertien lidstaten hebben gemeld dat de aanbeveling aanleiding was voor
initiatieven op het gebied van zorginfecties, met name voor de uitvoering van
een intersectoraal mechanisme of soortgelijk systeem, de voorbereiding of herziening
van strategieën, en informatiecampagnes voor gezondheidswerkers. Er zijn echter nog steeds diverse gebieden van
de aanbeveling waar nog aanzienlijk ruimte is voor verbetering. Op grond van de
bevindingen in dit verslag moet in de toekomst meer aandacht worden besteed aan
de volgende prioriteitsgebieden: a) op het gebied van algemene
patiëntveiligheid: op het niveau van de lidstaten: ·
patiënten actief betrekken
bij patiëntveiligheid, met name patiënten voorlichten over
veiligheidsmaatregelen, klachtenprocedures en de hun ter beschikking staande rechtsmiddelen,
werken aan een gemeenschappelijke interpretatie en de ontwikkeling van
kerncompetenties voor patiënten en patiënten en hun gezinnen stimuleren ongewenste
voorvallen te melden; ·
informatie over ongewenste voorvallen verzamelen
door meldings- en leersystemen verder te ontwikkelen, zorgen voor een niet-punitieve
context voor het melden van ongewenste voorvallen en de
meldingsvoortgang evalueren, d.w.z. het percentage meldingen door
beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg, andere gezondheidswerkers en
patiënten. De meldingssystemen moeten een aanvulling zijn op de bepalingen van
de nieuwe wetgeving inzake geneesmiddelenbewaking (Richtlijn 2010/84/EU) betreffende
het melden van bijwerkingen; ·
de strategieën en programma's voor
patiëntveiligheid uitbreiden van ziekenhuiszorg tot zorg buiten ziekenhuizen; op EU-niveau: ·
samenwerken om richtsnoeren voor te stellen voor
de manier waarop patiëntveiligheidsnormen kunnen worden opgezet en
geïntroduceerd die verder gaan dan de aanbeveling; ·
voortgang boeken bij de gemeenschappelijke
terminologie voor patiëntveiligheid; ·
streven naar het uitwisselen van beste praktijken,
met name op de gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen omdat daar
onvoldoende binnenlandse deskundigheid is of omdat het moeilijk is toegang te
krijgen tot internationale of EU-deskundigheid, bijvoorbeeld systematische opname
van patiëntveiligheid in opleiding en scholing van beroepsbeoefenaren in
de gezondheidszorg op alle niveaus; ·
onderzoek op het gebied van patiëntveiligheid
ontwikkelen, inclusief studies naar de kosteneffectiviteit van
strategieën voor patiëntveiligheid; b) op het gebied van preventie en
bestrijding van zorginfecties: op het niveau van de lidstaten: ·
zorgen voor voldoende gespecialiseerd
infectiebestrijdingspersoneel waarbij tijd wordt vrijgemaakt voor deze taak
in ziekenhuizen en andere zorginstellingen; ·
de opleiding van gespecialiseerd
infectiebestrijdingspersoneel verbeteren en de kwalificaties beter op
elkaar afstemmen tussen de lidstaten; ·
versterking van op de specifieke situatie
toegesneden structuren en praktijken voor de basispreventie en ‑bestrijding van
infecties in verpleeghuizen en andere faciliteiten voor langdurige zorg; ·
nationale puntprevalentieonderzoeken naar
zorginfecties herhalen als middel om de prevalentie
van zorginfecties in alle typen zorginstellingen te bewaken, interventieprioriteiten
en ‑doelstellingen vast te stellen, het effect van interventies te evalueren en
het bewustzijn te vergroten; ·
waarborgen dat in intensivecare-units en operatiekamers
infectiebewaking plaatsvindt; ·
surveillancesystemen invoeren voor de tijdige
detectie en melding van gezondheidszorggerelateerde organismen die gesignaleerd moeten worden en versterking van de slagvaardigheid
om op de (grensoverschrijdende) verspreiding van dergelijke organismen te
reageren en te voorkomen dat zij in zorgomgevingen terechtkomen; ·
de voorlichting over zorginfecties aan patiënten
verbeteren en hun betrokkenheid bij de naleving van maatregelen voor
infectiepreventie en -bestrijding versterken; ·
een evaluatiesysteem met een reeks
indicatoren in de lidstaten ontwikkelen om de uitvoering van de strategie of
het actieplan te beoordelen, en na te gaan in hoeverre de preventie en
bestrijding van zorginfecties erdoor worden verbeterd; op EU-niveau: ·
verdere ontwikkeling van de begeleiding bij
de preventie en bestrijding van zorginfecties, met inbegrip van begeleiding
op maat voor verpleeghuizen en andere faciliteiten voor langdurige zorg; ·
onderzoek ontwikkelen
op het gebied van de preventie en bestrijding van zorginfecties, inclusief
studies naar de kosteneffectiviteit van maatregelen voor preventie en
bestrijding. In de aanbeveling wordt de Commissie verzocht "te
overwegen in hoeverre de voorgestelde maatregelen effectief zijn". Omdat de
maatregelen echter in veel lidstaten, alsook op EU-niveau, pas onlangs zijn
uitgevoerd en in sommige gevallen nog worden uitgevoerd, kan het raadzaam zijn over
twee jaar nog eens een dergelijke beoordeling uit te voeren, waarbij het
huidige verslag als vergelijkingsmaatstaf wordt genomen. Daarom stelt de
Commissie voor om het toezicht op de uitvoering van de algemene
patiëntveiligheidsaspecten van de aanbeveling met nog twee jaar te verlengen.
De Commissie zal in juni 2014 een tweede voortgangsverslag opstellen waarin
rekening wordt gehouden met de tussentijdse resultaten van de
gemeenschappelijke actie op het gebied van patiëntveiligheid en zorgkwaliteit. [1] PB L 88
van 4.4.2011, blz. 45. [2] Noorwegen
heeft actief deelgenomen aan activiteiten op het gebied van patiëntveiligheid
op EU-niveau en is opgenomen in de analyse van dit verslag. [3] Gelijksoortige
antwoorden uit de regio's van een lidstaat die alleen op regionaal niveau heeft
geantwoord, werden als antwoord van een land geteld. [4] De
bevoegde autoriteit aanwijzen die verantwoordelijk is voor patiëntveiligheid;
patiëntveiligheid als prioriteit in gezondheidsbeleid opnemen; veiliger en
gebruiksvriendelijke systemen, processen en hulpmiddelen ontwikkelen; de
veiligheidsnormen en/of beste praktijken op gezette tijden herzien en
bijwerken; medische beroepsorganisaties aanmoedigen een actieve rol te spelen
bij patiëntveiligheid; bevorderen van veilige praktijken ter voorkoming van de
meest voorkomende ongewenste voorvallen; patiëntorganisaties betrekken bij de
ontwikkeling van patiëntveiligheidsbeleid; onder patiënten informatie
verspreiden over patiëntveiligheidsnormen, risico's, veiligheidsmaatregelen,
klachtenprocedures en mogelijke rechtsmiddelen; meldings- en leersystemen
opzetten; aanmoedigen van opleiding en scholing op het gebied van
patiëntveiligheid voor alle medewerkers in zorgomgevingen; patiëntveiligheid
opnemen in de opleiding en scholing van beroepsbeoefenaren in de
gezondheidszorg; ontwikkeling van kerncompetenties, kennis, attituden en
vaardigheden voor alle medewerkers in de zorg. [5] http://ec.europa.eu/health/archive/ph_systems/docs/patient_ia_en.pdf. [6] Mededeling
van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad: Actieplan tegen het
toenemende gevaar van antimicrobiële resistentie, COM (2011) 748 definitief.
Beschikbaar op: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2011:0748:FIN:NL:PDF
[7] Overeenkomstig
Beschikking nr. 2119/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24
september 1998 tot oprichting van een netwerk voor epidemiologische
surveillance en beheersing van overdraagbare ziekten in de Europese
Gemeenschap, PB L 268 van 3.10.1998, blz. 1-7. [8] PB L 86
van 3.4.2002, blz. 44-62. [9] http://ipse.univ-lyon1.fr/. [10] http://www.eu-burden.info. [11] http://www.eu-implement.info/. [12] http://ec.europa.eu/research/health/infectious-diseases/antimicrobial-drug-resistance/projects_en.html. [13] https://plone2.unige.ch/prohibit. [14] http://www.ecdc.europa.eu/en/activities/surveillance/hai/Pages/default.aspx. [15] http://www.ecdc.europa.eu/en/activities/surveillance/EARS-Net/Pages/index.aspx. [16] http://ecdc.europa.eu/en/publications/Publications/110913_Risk_assessment_resistant_CPE.pdf. [17] Specifieke aanbevelingen per land van het Europees
Semester: http://ec.europa.eu/europe2020/making-it-happen/country-specific-recommendations/index_en.htm;
HOPE: http://www.hope.be/05eventsandpublications/docpublications/86_crisis/86_HOPE-The_Crisis_Hospitals_Healthcare_April_2011.pdf. [18] Canadian Patient Safety Institute, http://www.patientsafetyinstitute.ca/English/research/commissionedResearch/EconomicsofPatientSafety/Documents/Economics%20of%20Patient%20Safety%20Literature%20Review.pdf). Andere studies suggereren dat de
internationale percentages van vermijdbare schade rond de 10 % liggen
(NES; http://www.nes.scot.nhs.uk/media/6470/Overview%20of%20patient%20safety_KHowe2009.pdf). [19] Møller
A.H. (2010). A cost-effectiveness analysis of reducing ventilator-associated
pneumonia at a Danish ICU with ventilator bundle. Journal
of Medical Economics Vol. 15, No. 2, 2012, 1–8.