Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52012DC0040

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD over de evaluatie van de financiën van de Unie aan de hand van de bereikte resultaten

/* COM/2012/040 final */

52012DC0040

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD over de evaluatie van de financiën van de Unie aan de hand van de bereikte resultaten /* COM/2012/040 final */


VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

over de evaluatie van de financiën van de Unie aan de hand van de bereikte resultaten

1. opmerkingen vooraf

Dit is het eerste verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de evaluatie van de financiën van de Unie aan de hand van de bereikte resultaten zoals bedoeld in artikel 318 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

In artikel 318 VWEU is het navolgende bepaald:

"De Commissie dient bij het Europees Parlement en de Raad ook een evaluatieverslag over de financiën van de Unie in, waarin de bereikte resultaten met name worden getoetst aan de door het Europees Parlement en de Raad krachtens artikel 319 verstrekte aanwijzingen."

In artikel 319 VWEU is vastgelegd dat het Europees Parlement aan de Commissie, op aanbeveling van de Raad, kwijting voor de uitvoering van de begroting verleent. Overeenkomstig datzelfde artikel onderzoeken het Parlement en de Raad te dien einde de rekeningen, de financiële balans, het evaluatieverslag als bedoelt in artikel 318 VWEU, het jaarverslag van de Rekenkamer en de antwoorden van de gecontroleerde instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer. Daarnaast beoordelen het Parlement en de Raad de verklaring waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid en de wettigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd zoals bedoeld in artikel 287 VWEU.

De Commissie bestudeert op dit moment de wijze waarop de verslagen die op grond van de verschillende procedures vereist zijn, onderling afgestemd kunnen worden, rekening houdend met de verschillen in tijdsplanning en reikwijdte van de evaluatie- en kwijtingswerkzaamheden en het streven om dubbel werk te voorkomen. Hierop zal later in dit verslag nader worden ingegaan. In dit verband is er sprake van een doorlopend proces: elk jaar zal er voortgebouwd worden op de ervaringen die in de voorgaande jaren zijn opgedaan. Vanaf de kwijtingsprocedure over 2011 streeft de Commissie ernaar om het evaluatieverslag medio november van elk jaar vast te stellen.

2. Inleiding

Een van de belangrijkste aspecten van artikel 318 VWEU is dat in het evaluatieverslag de nadruk op de financiën van de Unie moet worden gelegd vanuit het perspectief van de resultaten die op basis van de relevante programma's zijn bereikt.

Om een bijdrage te leveren aan de beoordeling van de totale resultaten en effecten, voert de Commissie tijdens en na de voltooiing van de verschillende financiële programma's evaluaties uit teneinde te analyseren in welke mate de programma's hun doelstellingen hebben verwezenlijkt en om de impact te meten die deze programma's op de samenleving hebben gehad.

Een vast onderdeel van de uitvoering van de programma's is een opstartfase waarin capaciteit wordt opgebouwd, hetgeen betekent dat het een aantal jaren kan duren voordat de in gang gezette veranderingen in de praktijk gestalte krijgen en de uitgaven derhalve ook over een langere periode verspreid moeten worden. Dat is ook de reden dat de langetermijneffecten pas na verloop van tijd zichtbaar zijn en dus niet noodzakelijkerwijs op een uniforme basis of jaarbasis in kaart kunnen worden gebracht.

Om gefundeerde conclusies te kunnen trekken, is het daarnaast van belang dat de evaluatie van de resultaten en de daaruit voortvloeiende besluitvorming eerder op trends in data gebaseerd worden dan op "losse" cijfers. Toereikende en betrouwbare informatie over de resultaten en effecten van specifieke programma's zijn echter doorgaans pas enkele jaren na de afronding van het volledige programma beschikbaar.

Daarentegen is het verlenen van de kwijting voor de jaarlijkse uitgaven op grond van de EU-begroting een specifiek proces dat bedoeld is om een definitief oordeel over de uitgaven van de betrokken jaren te vellen. Bij dit proces wordt een vast tijdsschema gevolgd waardoor de werkzaamheden voor een bepaald begrotingsjaar X in mei van het jaar X+2 afgerond kunnen worden. Bovendien lag de nadruk bij het kwijtingsproces voor de begroting voornamelijk op de wettigheid en regelmatigheid, hoewel momenteel een breder perspectief wordt ontwikkeld.

Dat betekent dat er geen directe koppeling is tussen de planning en omvang van de evaluatie van financiële programma's enerzijds en het verlenen van kwijting voor de jaarlijkse uitgaven anderzijds. De aanwijzingen die het Europees Parlement en de Raad hebben gegeven in verband met de procedure voor de financiële kwijting in een bepaald jaar, zijn niet altijd even relevant voor de fase waarin een financieel programma verkeerd en voor de evaluatieresultaten die op of rond dat tijdstip beschikbaar zijn.

Een groot deel van de uitgebreide informatie over de beoordeling van de resultaten en effecten van verschillende financiële EU-programma's is reeds beschikbaar dankzij de afzonderlijke evaluaties en effectbeoordelingen en de jaarlijkse activiteitenverslagen[1], het samenvattend verslag over de beheersresultaten, de activiteitenoverzichten[2] en het verslag over de follow-up van kwijtingsresoluties en ‑aanbevelingen, die allemaal jaarlijks openbaar worden gemaakt. Daarnaast mogen de werkzaamheden ten behoeve van het evaluatieverslag zoals bedoeld in artikel 318 VWEU geen herhaling vormen van de evaluaties die op grond van de basisbesluiten tot vaststelling van de EU-programma's vereist zijn.

Dat is de reden dat de Commissie zich heeft afgevraagd of het evaluatieverslag systematisch elk jaar alle programma's moet bestrijken, of dat elk verslag zich ieder jaar beter kan beperken tot de programma's waarvoor voldoende relevante en nieuwe informatie beschikbaar is. Indien elk jaar alle programma's worden bestreken die door de EU worden gefinancierd, bestaat het risico dat dit tot een zeer omvangrijk en diffuus resultaat leidt, met een herhaling van informatie die al in eerdere verslagen is opgenomen over programma's die in het verslagjaar geen noemenswaardige ontwikkelingen hebben doorgemaakt. Verslagen die zich elk jaar echter op een beperkt aantal programma's richten, zullen tot een duidelijker en veel specifieker resultaat leiden, aangezien er rekening gehouden kan worden met het belang van elk programma en met de beschikbaarheid van recente evaluatieresultaten, terwijl tegelijkertijd gewaarborgd kan worden dat er op middellange termijn een breed scala aan financiële sectoren wordt bestreken.

Om het rapportageproces in gang te zetten (en om dubbel werk te voorkomen), heeft de Commissie besloten om de aandacht in dit evaluatieverslag op een aantal specifieke beleidsterreinen te richten. Het onderhavige verslag richt zich op de volgende twee gebieden: Onderwijs en cultuur en Onderzoek. Deze beide gebieden lijken het meest geschikt voor dit verslag aangezien zij een bijdrage leveren aan het verwezenlijken van de centrale streefcijfers en de kerninitiatieven van de Europa 2020-strategie.[3] Hiermee zijn substantiële bedragen gemoeid: in 2010 bedroegen de uitgaven op deze twee gebieden bijna 8 miljard EUR. Daarnaast gaat het om schoolvoorbeelden van beleidsmaatregelen die op een gecentraliseerde basis worden uitgevoerd en niet op een gedeelde basis met de lidstaten. De Commissie is voornemens om het verslag de komende jaren uit te breiden tot de belangrijkste financiële programma's die op een gecentraliseerde basis of middels gedeeld of gedecentraliseerd beheer worden uitgevoerd. De nadruk zal daarbij elk jaar op andere specifieke gebieden liggen, zoals het regionaal beleid (of een van de andere structuurfondsen) of op onderwerpen als het bedrijfsleven, belastingen, energie, mobiliteit en vervoer of de informatiesamenleving.

Dankzij de beschikbaarheid van de recente evaluatieresultaten, waarnaar verderop in dit verslag verwezen wordt, zijn deze twee beleidsterreinen uitermate geschikt om als onderwerp van het evaluatieverslag te dienen, ook al is er dit jaar voor veel andere financiële programma's eveneens recent evaluatiemateriaal voorhanden als gevolg van de lopende voorbereidingen voor het nieuwe meerjarige financiële kader. De beschikbaarheid van recente evaluatieresultaten over andere jaren zal variëren, aangezien die evaluaties zo veel mogelijk gepland worden als ondersteuning van het besluitvormingsproces. De Commissie streeft er in dat verband naar om de regelingen voor de monitoring en evaluaties beter op de programmeringcyclus af te stemmen. Dat betekent dat er doorgaans meer evaluaties beschikbaar zullen zijn in jaren waarin nieuwe voorstellen opgesteld moeten worden dan in andere jaren.

Op grond van artikel 318 VWEU zou de beoordeling van de twee geselecteerde beleidsterreinen gekoppeld moeten worden aan de aanbeveling voor de kwijting over 2009, d.w.z. aan de verzoeken die door het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot deze gebieden zijn gedaan. De kwijtingsautoriteit heeft in de resolutie en aanbeveling over 2009 echter geen specifieke aanwijzingen gegeven betreffende de beleidsresultaten qua onderwijs en cultuur of qua onderzoek.

In de navolgende gedeelten van het verslag zullen eerst de betreffende programma's worden beschreven, met inbegrip van een samenvatting van hun rol en de huidige doelstellingen. Vervolgens zal de aandacht uitgaan naar de recente evaluatieresultaten die zijn verzameld en die betrekking hebben op de mate waarin de programma's erin zijn geslaagd hun doelstellingen en de verwachte effecten te verwezenlijken. Aangezien de programma's nog lopen, bevat dit verslag de belangrijkste conclusies over de resultaten die tot nu toe zijn bereikt. Tot slot wordt in het onderhavige verslag ook naar evaluaties van eerdere programma's verwezen om een redelijk compleet en samenhangend beeld te schetsen. In het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie wordt een overzicht gegeven van de relevante referentiedocumenten.

3. Onderwijs en cultuur 3.1. Inleiding

Voor het beleidsterrein Onderwijs en cultuur worden de volgende algemene doelstellingen gehanteerd:

(1) het verhogen van het niveau en de relevantie van de vaardigheden die een bijdrage leveren aan het benutten van talent en aan gelijke kansen en die de mobiliteitsmogelijkheden van alle jonge studenten, stagiairs en onderzoekers bevorderen;

(2) het bevorderen van de creativiteit, interculturele dialoog en culturele en taalkundige rijkdom en het opbouwen van het potentieel dat een creatieve economie kan bieden wat betreft het scheppen van werkgelegenheid;

(3) het versterken van de participatie van en de solidariteit en de uitwisselingen tussen mensen, met name gericht op jongeren;

(4) het wereldwijd samenwerken met partnerlanden, partnerregio's en internationale organisaties ter bevordering van de Europese waarden overal ter wereld en ter verbetering van de onderlinge contacten tussen mensen.

(5) De belangrijkste financiële instrumenten om de algemene doelstellingen te verwezenlijken (met een totale begroting voor de periode 2007-2013 van bijna 14 miljard EUR), worden gevormd c.q. geleverd door het programma Een leven lang leren, het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT), de Marie Curie-acties (op grond van het programma Mensen van het zevende kaderprogramma), Jeugd in actie, het programma Cultuur en Media 2007. Als zodanig leveren zij ook een bijdrage aan een aantal kerninitiatieven van het Europa 2020-agenda (Jongeren in beweging, de Agenda voor nieuwe vaardigheden en banen, de Innovatie-Unie, de Digitale Agenda en het Platform tegen armoede) en aan het realiseren van de centrale streefcijfers van het Europa 2020-strategie op onderwijsgebied.[4]

Deze programma's hebben een toegevoegde waarde door het internationale karakter van hun activiteiten, die een aanvulling vormen op de nationale en regionale acties. Daarnaast waarborgen de Europese acties een bredere verspreiding van de resultaten waardoor een bijdrage geleverd kan worden tot beter gefundeerd beleid in de Unie en daarbuiten.

3.2. Een leven lang leren

Het programma Een leven lang leren (hierna "LLL-programma" genoemd) is opgebouwd uit vijf sectorale programma's:

(1) Comenius (basis- en middelbaar onderwijs);

(2) Erasmus (hoger/tertiair onderwijs)

(3) Leonardo da Vinci (beroepsonderwijs en beroepsopleidingen);

(4) Grundtvig (volwassenenonderwijs);

(5) Horizontale acties en Jean Monnet (ondersteuning van sectoroverschrijdende activiteiten zoals beleidssamenwerking en innovatie).

Het LLL-programma ondersteunt de mobiliteit van scholieren, studenten en docenten uit alle vakgebieden om enige tijd onderwijs te volgen in het educatieve stelsel van een andere lidstaat. In overeenstemming met het Europa 2020-strategie is de algemene doelstelling gericht op het leveren van een bijdrage tot de ontwikkeling van de EU tot een geavanceerde, op kennis gebaseerde samenleving met een duurzame economische ontwikkeling, met meer en betere banen en met een grotere sociale samenhang.

In het kader van de tussentijdse evaluatie in 2011[5] is geconstateerd dat het LLL-programma in het algemeen op effectieve wijze inspeelt op de bestaande behoeften in de sector. De uitgevoerde acties geven een duidelijke toegevoegde waarde aan de nationale activiteiten. Over het programma wordt ofwel opgemerkt dat het de meeste van zijn doelstellingen verwezenlijkt ofwel dat uit de uitvoering en de resultaten blijkt dat het die doelstellingen naar alle waarschijnlijkheid zal gaan realiseren. Daarnaast worden de belangrijkste doelgroepen daadwerkelijk bereikt. Uit de evaluatie van het programma blijkt dat het de vaardigheden, het aanpassingsvermogen en de inzetbaarheid van studenten verbetert en dat het de openheid en efficiëntie van de arbeidsmarkten vergroot. Ook wordt de professionele ontwikkeling van docenten verbeterd, hetgeen tot een grotere effectiviteit van het Europese onderwijs leidt.

Uit de tussentijdse resultaten blijkt verder dat sinds 1987 2,4 miljoen studenten gebruik hebben gemaakt van het subprogramma Erasmus. In de eerste jaren was het aantal studenten nog laag, maar het streefcijfer voor 2013 is dat drie miljoen mensen deelnemen aan een uitwisseling in het kader van Erasmus. De marktwaarde van dit soort uitwisselingen wordt bevestigd door het feit dat 40% van de werkgevers van mening is dat afgestudeerden met internationale ervaring over betere competenties beschikken dan degenen zonder die ervaring. Bovendien maken elk jaar ook meer dan 40 000 universiteitsmedewerkers van datzelfde programma gebruik.

Uit de tussentijdse evaluatie van het LLL-programma komt eveneens naar voren dat meer dan 77 000 mensen als student of docent hebben deelgenomen aan het subprogramma Leonardo da Vinci. 85% van de deelnemers die een beroep hebben gedaan op de mobiliteitsmogelijkheden van Leonardo da Vinci, is van mening dat deze opleiding een positief effect op hun loopbaan heeft gehad.

In de tussentijdse evaluatie wordt aangegeven dat het LLL-programma op alle gebieden en in alle subprogramma's zijn meerwaarde heeft bewezen wat het vergroten van de Europese dimensie van leren betreft. Uit Erasmus, het subprogramma voor het hoger onderwijs, blijkt bijvoorbeeld dat er van een meetbare toegevoegde EU-waarde sprake is[6] die verder gaat dan "inspirerend" of "effectief".

De algemene conclusie luidt dat de efficiëntie en effectiviteit van het LLL-programma goed zijn en dat de doelstellingen nog steeds relevant zijn. Wanneer er problemen bij de uitvoering zijn geconstateerd, bleken die meestal het gevolg van negatieve externe factoren zoals een gebrek aan talenkennis onder de potentiële deelnemers. Deze factor wordt het meest direct via het subprogramma Erasmus zelf aangepakt.

De resultaten van de tussentijdse evaluatie wijzen er echter ook duidelijk op dat de prestaties van de verschillende subprogramma's uiteenlopen en dat het ambitieniveau van de doelstellingen in bepaalde gevallen niet in verhouding staat tot de toegewezen financiële middelen, met name bij het subprogramma Comenius. Het aantal specifieke en operationele doelstellingen is te groot, hetgeen een negatieve invloed kan hebben op het reeds gefragmenteerde karakter van het LLL-programma. Daarnaast ontbreekt er bij sommige specifieke doelstellingen een duidelijke koppeling met de algemene doelstellingen en in sommige gevallen overlappen doelstellingen elkaar. Deze bevindingen dienen als kritische input te worden gebruikt voor de gestroomlijnde opzet van het programma "Erasmus voor iedereen".

3.3. Europees Instituut voor innovatie en technologie

Het onlangs opgerichte Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT) houdt zich bezig met de integratie van hoger onderwijs, onderzoek en innovatie. De prioriteit van het EIT is gericht op de langetermijneffecten van de overdracht van innovatieve activiteiten naar commerciële toepassingen, met name via starterbedrijven en spin-offbedrijven.

De eerste door het EIT ondersteunde kennis- en innovatiegemeenschappen (KIG's) zijn in 2010 met hun werkzaamheden begonnen, maar 75% van de begroting van die KIG's is afkomstig van andere financieringsbronnen. Uit de eerste evaluatie is gebleken dat het EIT in algemene zin de belangrijkste doelstellingen in zijn opstartfase heeft gerealiseerd, hoewel er vanwege de inherente complexiteit sprake is geweest van vertragingen.[7]

In het evaluatieverslag wordt ook opgemerkt dat het EIT in deze vroege ontwikkelingsfase nog steeds bezig is met het verwezenlijken van de doelstelling om uit te groeien tot een referentiemodel. Op alle functieniveaus moet het EIT nog een toereikend expertise- en ervaringsniveau opbouwen. Daarnaast is geconstateerd dat de participatie van topuniversiteiten en vooraanstaande innovatiecentra nog verbetering behoeft. Dat geldt ook voor de wisselwerking tussen het EIT en andere EU-programma's. Bovendien zouden de procedure en de criteria voor het selecteren van participerende partijen beter toegelicht kunnen worden. De bevindingen van deze evaluatie zijn als input gebruikt voor het recente voorstel van de Commissie tot wijziging van de EIT-verordening (Verordening (EG) nr. 294/2008). Daarnaast zal er aan de hand van die bevindingen een actieplan worden opgesteld.

3.4. Marie Curie-acties[8]

De Marie Curie-acties ter ondersteuning van de mobiliteit en opleiding van onderzoekers worden gefinancierd via het specifieke programma "Mensen" uit hoofde van het zevende kaderprogramma voor onderzoek (KP7). Uit de recente tussentijdse evaluatie van het KP7 is gebleken dat het programma Mensen tot nu toe succesvol is geweest en dat de ondernomen acties goed gestructureerd en evenwichtig zijn. Die acties vormen een waardevolle benchmark voor de arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden voor EU-onderzoekers. In het evaluatieverslag wordt overigens de aanbeveling gedaan om in de resterende jaren van het KP7 geen nieuwe ondersteuningsregelingen meer op te starten.

3.5. Jeugd in actie

In het kader van de Europa 2020-strategie richt het programma Jeugd in actie zich op het bevorderen van mogelijkheden voor een grensoverschrijdende leermobiliteit en op het verbeteren van de inzetbaarheid van jonge mensen en werknemers, evenals op het stimuleren van de persoonlijke ontwikkeling en de ondernemingsgeest. Volgens de tussentijdse evaluatie hebben meer dan 500 000 jonge mensen en werknemers sinds 2007 deelgenomen aan projecten die door het programma zijn ondersteund.[9] Tot 2011 zijn er meer dan 130 000 jongerenpassen afgegeven voor afgeronde, niet-formele onderwijsactiviteiten waarmee de nieuw verworven vaardigheden kunnen worden aangetoond met het oog op het verbeteren van de inzetbaarheid van jongeren.

De tussentijdse evaluatie bevestigt ook de meerwaarde van het programma. Het ondersteunt namelijk jongeren met beperktere mogelijkheden en dat is een uniek aspect vergeleken met andere programma's. 95% van de deelnemende jongeren is van mening dat zij beter hebben leren communiceren met mensen die een andere taal spreken en 66% vindt dat de kansen op een baan toegenomen zijn. Daarnaast blijkt uit de evaluatie en het recente monitoringverslag dat het programma op effectieve wijze de actieve participatie van jonge mensen aan de samenleving stimuleert.[10]

Er is echter ook geconstateerd dat het programma door het te grote aantal doelstellingen en acties niet voldoende doelgericht is en te weinig interne samenhang vertoont. Het kader van het toekomstige overkoepelende programma Erasmus voor iedereen biedt de mogelijkheid om de huidige doelstellingen te hergroeperen en te herzien om de consistentie en de samenhang te vergroten.

3.6. Cultuur

Het programma Cultuur is gericht op het bevorderen van de grensoverschrijdende mobiliteit van degenen die in de culturele sector werkzaam zijn. Daarnaast wordt de transnationale verspreiding van culturele en artistieke outputs gestimuleerd en wordt de interculturele dialoog geïntensiveerd.

De essentiële meerwaarde van het Cultuurprogramma is zijn bijdrage tot een groter bewustzijn van het bestaan van een gemeenschappelijk Europees erfgoed, het bevorderen van de interculturele dialoog, het waarborgen en promoten van de verscheidenheid en rijkdom van de Europese culturen en het stimuleren van de transnationale mobiliteit van kunstenaars en mensen uit de culturele sector en hun werk. In overeenstemming met het Europa 2020-strategie leveren de culturele en creatieve sectoren die door EU-acties worden ondersteund (bijv. in het kader van de culturele hoofdsteden van Europa, de vertaling van fictie en Europese prijzen e.d.), een bijdrage aan innovatie, het creëren van werkgelegenheid, lokale en regionale ontwikkeling en sociale integratie.

Alleen al in 2010 zijn bijna 20 000 kunstenaars en mensen uit de culturele sector grensoverschrijdend actief geweest in transnationale samenwerkingsprojecten. Daarnaast waren duizenden culturele en artistieke producties overal in Europa te zien dankzij de EU-steun. Hierdoor hebben miljoenen Europeanen toegang gekregen tot Europese culturele werken. Zo hebben circa 25 miljoen mensen meer dan 22 600 locaties bezocht die in 2010 voor het publiek toegankelijk waren in het kader van de Europese Erfgoeddagen, die door het Cultuurprogramma medegefinancierd werden.

Volgens de tussentijdse evaluatie speelt het programma een unieke rol bij het bevorderen van een grensoverschrijdende samenwerking, bij het stimuleren van "peer learning" en bij de professionalisering van de sector, waardoor de toegang van Europese burgers tot buitenlandse werken van Europese origine wordt vergroot.[11]

In het evaluatieverslag wordt echter ook geconstateerd dat het noodzakelijk is om de drie specifieke doelstellingen van het huidige Cultuurprogramma aan te passen aan de concrete behoeften van de projectpromotors. Uit de ervaringen van de samenwerkingsprojecten blijkt tevens dat er een duidelijk probleem bestaat bij de interpretatie, invulling en bevordering van de doelstellingen van het programma. Daarnaast is er wat het beheer van het programma zelf betreft, nog ruimte voor verbeteringen in bepaalde aspecten van de informatiesystemen die het programma ondersteunen. Op basis van deze leerervaringen wordt er in het voorstel van de Commissie voor het toekomstige kaderprogramma Creatief Europa naar gestreefd de noodzakelijke aanpassingen door te voeren om de uitdagingen aan te kunnen gaan waarmee de culturele en creatieve sectoren in Europa op dit moment worden geconfronteerd.

3.7. Media 2007

In overeenstemming met het Europa 2020-strategie is de belangrijkste doelstelling van het Media-programma gericht op het vergroten van het concurrentievermogen van de Europese audiovisuele sector. Het programma ondersteunt opleidingen en netwerkactiviteiten voor professionals, evenals de ontwikkeling van grensoverschrijdende verspreiding van Europese films en andere audiovisuele producties. Via het nieuwe productiegarantiefonds van Media wordt de toegang tot het verkrijgen van financiering voor Europese audiovisuele productiemaatschappijen bevorderd. Daarnaast ondersteunt Media Mundus de samenwerking tussen professionals uit de EU en uit derde landen.

Dankzij het hefboomeffect van het garantiefonds van Media verwacht de Commissie dat er meer dan 100 miljoen EUR aan leningen aan filmproducenten zal worden verstrekt. Elk jaar worden er op basis van de ontwikkelingsregeling van Media 300 nieuwe films ondersteund. De films die steun ontvangen in het kader van de distributieregeling van Media, vormen de helft van de Europese films die in de bioscopen worden vertoond. Naar schatting genereert elke euro die door het programma Media 2007 is geïnvesteerd, zes euro aan financiering uit particuliere bronnen, terwijl er in de bioscoopsector zelfs sprake is van een multipliereffect van 14.

In de tussentijdse evaluatie van Media 2007 is geconstateerd dat de belangrijkste doelstelling van het programma wordt verwezenlijkt. Het levert een substantiële bijdrage tot het bevorderen van de culturele verscheidenheid in Europa. Daarnaast is in het kader van die evaluatie zowel de effectiviteit van de medegefinancierde acties als de meerwaarde voor de nationale interventies bevestigd. Uit de beschikbare evaluaties van Media Plus en Media 2007 is gebleken dat deze programma's aan een meer gelijkmatige productie van audiovisuele werken bij hebben gedragen uit Europese landen met uiteenlopende capaciteiten op audiovisueel gebied.[12]

In het tussentijdse evaluatieverslag wordt echter ook geconcludeerd dat er sprake is van een slechte effectiviteit van de ondersteuning door het Media-programma voor tv-uitzendingen en voor de ontwikkeling van interactieve online- en offlineproducties. Hoewel er maatregelen worden genomen om het Media-programma aan te passen, is het in een aantal gevallen door de traditionele interventiemethoden van het programma niet mogelijk gebleken om volledig in te spelen op de snel veranderende behoeften in deze sector. De Commissie heeft voorgesteld om deze situatie in het kader van het toekomstige programma Creatief Europa te verbeteren.

4. Onderzoek[13] 4.1. Inleiding

In overeenstemming met het Verdrag, het Europa 2020-strategie en het kerninitiatief Innovatie-Unie[14] zijn er drie algemene doelstellingen voor het Europese onderzoeksbeleid:

(1) het ontwikkelen van een economie gebaseerd op kennis en innovatie;

(2) het op adequate schaal mobiliseren en coördineren van onderzoeks- en innovatie-inspanningen om maatschappelijke uitdagingen aan te pakken, zoals de klimaatverandering, de energie- en grondstoffenschaarste, gezondheid en vergrijzing;

(3) het versterken van de kennisbasis en het tot stand brengen van onderzoek van topkwaliteit in Europa.

Met een totale begroting van meer dan 50 miljard EUR is het zevende kaderprogramma (KP7) het belangrijkste beleidsinstrument van de Europese Unie op het gebied van onderzoek.[15]

Uit hoofde van KP7 wordt geïnvesteerd in toonaangevend onderzoek van wereldklasse en worden activiteiten op dit gebied bevorderd. KP7 wordt door middel van vier specifieke programma's ten uitvoer gelegd: Samenwerking, Ideeën, Mensen[16] en Capaciteiten.

In het kader van het specifieke programma Samenwerking worden financiële middelen beschikbaar gesteld voor onderzoeksacties die in transnationale industriële en wetenschappelijke samenwerkingsverbanden worden uitgevoerd aan de hand van tien thema's: gezondheid; voeding, landbouw en visserij, biotechnologie; informatie- en communicatietechnologieën; nanowetenschappen, nanotechnologieën, materialen en nieuwe productietechnologieën; energie; milieu (inclusief klimaatverandering); vervoer (inclusief luchtvaart); sociaaleconomische wetenschappen en geesteswetenschappen; ruimtevaart; en veiligheid.[17]

In het kader van het specifieke programma Ideeën worden financiële middelen toegewezen aan individuele personen en teams die zich bezighouden met grensverleggend onderzoek op nieuwe gebieden waarop wetenschappelijke en technologische vooruitgang geboekt kan worden. Het programma wordt ten uitvoer gelegd door de Europese Onderzoeksraad, die is opgericht met het doel om topkwaliteit, dynamiek en creativiteit te bevorderen en om een grotere Europese aantrekkingskracht uit te oefenen op de beste, door onderzoekers geïnitieerde onderzoeksprojecten.

In het kader van het specifieke programma Capaciteiten worden acties gefinancierd die gericht zijn op het verbeteren van de Europese onderzoeksinfrastructuur en de onderzoekscapaciteiten van kmo's. Dit specifieke programma omvat ook kleinere programma's verband houdende met de thema's Wetenschap in de maatschappij, Kennisregio's, Onderzoekspotentieel, Internationale samenwerkingsactiviteiten en de Samenhangende ontwikkeling van het onderzoeksbeleid.

Gedurende de eerste vier jaar van het KP7 (2007 tot en met 2010) zijn er op 245 afgeronde uitnodigingen tot het indienen van voorstellen in totaal 59 140 voorstellen ontvangen[18] waarbij circa 312 600 aanvragers waren betrokken. Daarvan zijn ongeveer 12 500 voorstellen (met circa 69 300 deelnemers) geselecteerd voor financieringsonderhandelingen, waarvoor een totale EU-bijdrage was voorzien van 20,4 miljard EUR.[19]

In 2010 was 35% van de geselecteerde voorstellen afkomstig uit het hogere en middelbaar onderwijs, dat wil zeggen voornamelijk van universiteiten. 27% van de deelnemers was afkomstig uit het bedrijfsleven terwijl onderzoeksorganisaties 24% van de deelnemers leverden.

In het kader van het specifieke programma Samenwerking besteedt de Commissie speciale aandacht aan de financiering van kmo's, waarvoor op grond van het KP7-besluit een streefcijfer van 15% is vastgesteld.[20] Door die nadruk op de kmo-participatie is uiteindelijk iets meer dan 14% van de begroting van het Samenwerkingsprogramma aan kmo's toegewezen. Gezien de geplande specifieke kmo-uitnodigingen in de werkprogramma's voor 2011 en 2012 zou dat streefcijfer van 15% nog vóór het einde van het KP7 in 2013 gehaald moeten worden.

Het sterke internationale karakter van het kaderprogramma wordt geïllustreerd door het feit dat er 169 landen bij de KP7-activiteiten betrokken zijn.

Het KP7 loopt van 2007 tot en met 2013. De cijfers die hier worden gepresenteerd, zijn gebaseerd op de tussentijdse evaluatie van het KP7 die in 2010 is uitgevoerd en op de wat uitgebreidere ex-postevaluatie van het KP6 (waarvan het verslag in 2009 is gepresenteerd).

4.2. Kaderprogramma's 6 en 7

In het verslag over de ex-postevaluatie van het KP6 wordt geconstateerd dat het kaderprogramma een krachtig katalysatormechanisme voor onderzoek en ontwikkeling in Europa vormt en wel op een wijze die uitsluitend door een actie op Europees niveau mogelijk is. In het verslag wordt opgemerkt dat de KP6-activiteiten een Europese meerwaarde hebben gegenereerd, in het algemeen een bijdrage hebben geleverd tot een groter industrieel concurrentievermogen alsmede tot netwerkexternaliteiten hebben geleid en de kennisinfrastructuur in Europa hebben versterkt.[21]

Meer in het bijzondere, zij het dat het nog steeds de resultaten van het algemene programma betreft, is geconstateerd dat het KP6 tot aansprekende projecten heeft geleid die door onderzoekers van topkwaliteit en goed georganiseerde samenwerkingsverbanden zijn uitgevoerd. Dat heeft een bijdrage geleverd aan een betere mobiliteit van onderzoekers en aan de internationalisering van onderzoeksteams. Daardoor heeft Europa zijn capaciteiten vergroot om op wetenschappelijk en technologisch gebied internationaal concurrerend grensverleggend onderzoek uit te voeren op onderzoeksterreinen die van maatschappelijk en industrieel belang zijn.

Er zijn echter nog aspecten die verbetering behoeven. Zo is de verwezenlijking van de doelstelling van een participatie van vrouwen van 40% nog niet echt in zicht. Een specifieke uitdaging op dit punt is dat slechts circa 30% van de beroepsbevolking op onderzoeksgebied in de EU uit vrouwen bestaat. Het percentage vrouwen op de hoogste onderzoeksniveaus is zelfs nog kleiner, ook al is de verwachting dat dit in de loop der tijd geleidelijk zal verbeteren.

Hoewel onderkend wordt dat de onderzoeksparticipatie van zowel grote ondernemingen als kmo's van belang is om de kloof tussen onderzoeksresultaten en innovatie te dichten, neemt de participatie van het bedrijfsleven af. Dat geldt zowel voor het aandeel van de financiering als het aantal deelnemers. De deelname van ondernemingen is gedaald van 39% in het KP4 tot 31% in het KP6 en bedraagt op dit moment voor het KP7 slechts 25%. Er zijn nog steeds aanwijzingen dat kleine ondernemingen eerder afgeschrikt worden door complexe procedures en vertragingen in de contracten. Die tendens zal waarschijnlijk niet veel verbeteren, ook al is de verwachting dat de nieuwe gezamenlijke technologie-initiatieven tot een grotere participatie van het bedrijfsleven zullen leiden. Die initiatieven komen echter maar langzaam van de grond.

Niettemin blijkt uit de evaluatie dat het KP7 een breed scala aan netwerkactiviteiten tussen een groot aantal nationale onderzoekscentra heeft gecreëerd en gestimuleerd, met nieuwe onderzoeksmogelijkheden voor wetenschappers en aanvullingen op de bestaande financiering via bijvoorbeeld de financieringsfaciliteit met risicodeling. De rol van het KP7 is bevestigd door de bevordering van de samenwerking bij onderzoeksprojecten met een sterke internationale dimensie, getuige de 169 landen die hieraan wereldwijd deelnemen.[22] Zowel afgemeten aan het aantal betrokken onderzoekers en de geografische spreiding van de onderzoekteams als aan het scala aan onderzochte onderwerpen, blijkt uit de evaluatie dat het KP7 een indrukwekkend grote reikwijdte heeft.[23]

Het KP7 wordt weliswaar gedefinieerd als een precommercieel onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma, maar niettemin wordt in het tussentijdse evaluatieverslag over het KP7 gesteld dat het programma over een aantal essentiële elementen beschikt die bevorderlijk zijn voor innovatieve processen en capaciteiten en zo een bijdrage leveren tot de efficiëntie van de industrie en de markt. Daarbij wordt gewezen op de manieren waarop onderzoeksteams uit verschillende landen en op uiteenlopende vakgebieden samenwerken, wat een specifieke voorwaarde is voor dynamische innovatieve systemen. Mede hierdoor wordt geconcludeerd dat deelnemers uit het bedrijfsleven, de onderzoekswereld en het hoger onderwijs een hoge mate van interdisciplinaire samenwerking en een toepassingsgerichte aanpak bewerkstelligen.[24]

Uit de evaluaties blijkt ook dat het kaderprogramma op de juiste wijze wordt uitgevoerd, waarbij benadrukt wordt dat de manier waarop de evaluatie van dat programma de afgelopen jaren is opgezet, aanzienlijk is verbeterd[25]. Daarnaast zijn er op procedureel niveau uitnodigingen tot het indienen van voorstellen ontwikkeld en op effectieve wijze in praktijk gebracht. Dankzij deze procedures wordt gewaarborgd dat de financiële middelen binnen een redelijke termijn en op integere wijze worden toegewezen.[26]

Tegelijkertijd is in beide evaluaties op KP-niveau vastgesteld dat er een grote behoefte bestaat aan een eenvoudigere opzet van het kaderprogramma, waarbij wordt gewezen op de uiteenlopende problemen in verband met de ingewikkelde werking. In het kader van de ex-postevaluatie van het KP6 is opgemerkt dat er bij dit kaderprogramma voortdurend sprake is geweest van omslachtige administratieve procedures. De deskundigen wijzen in dit verband op het feit dat die administratieve belasting met name voor nieuwe deelnemers groot is, zowel voor kmo's en jonge onderzoekers als voor deelnemers uit de nieuwe lidstaten of uit derde landen.[27]

Twee jaar later, in 2010, onderstreepte het panel voor de tussentijdse evaluatie van het KP7 dat sommige veranderingen die voor dit kaderprogramma zijn doorgevoerd positief door de onderzoeksgemeenschap zijn ontvangen en zonder meer geslaagd genoemd kunnen worden. Daarbij kan met name worden gedacht aan de unieke registratiewijze (URF - Unique Registration Facility), aan het instrument om voorstellen elektronisch in te dienen (EPSS – Electronic Proposal Submission System) en aan minder omslachtige auditvereisten. Niettemin zijn de deskundigen van oordeel dat het gebrek aan vooruitgang bij veel bekende problemen teleurstellend is.[28]

4.2.1. Het specifieke programma Samenwerking

Het samenwerkingsprogramma is een van de belangrijkste bronnen van overheidsfinanciering voor grensoverschrijdende samenwerking in de EU met een Europese meerwaarde. Uit de beschikbare evaluaties blijkt hoe belangrijk het programma is voor het creëren van netwerken overal in Europa. In het kader van de tussentijdse evaluatie van het KP7 is geconcludeerd dat samenwerkingsprojecten de kern van de Europese Onderzoeksruimte vormen en dat het KP7 grote leemten vult die er tussen de nationale onderzoeksactiviteiten bestaan waardoor op veel gebieden een kritieke massa en toegevoegde waarde worden gewaarborgd. Over veel KP7-activiteiten wordt opgemerkt dat deze zonder financiering op EU-niveau waarschijnlijk nooit plaats zouden hebben gevonden.[29]

Een van de belangrijkste conclusies van de evaluaties van de onderzoeksnetwerken en hun totstandkoming is dat de kaderprogramma's bevorderlijk zijn geweest voor het stimuleren van een cultuur waarin in toenemende mate kennisuitwisselingen plaatsvinden. Volgens een van de studies heeft het KP6 de oprichting van de Europese Onderzoeksruimte bevorderd door de integratie en coördinatie van het onderzoek in Europa te verbeteren, hetgeen tot een groter concurrentievermogen heeft geleid. In de studie wordt benadrukt dat er een significante wijziging in attitudes en gedragingen onder de vele KP6-deelnemers heeft plaatsgevonden en dat daardoor met name een grotere bereidheid tot internationale kennisuitwisseling en onderzoek in samenwerkingsverband is ontstaan.[30]

Een van de conclusies van de KP7-evaluatie is daarnaast dat de grootste meerwaarde van de onderzoekssamenwerking op gezondheidsgebied op EU-niveau een gevolg is van de transnationale samenwerking, van de integratie van verschillende activiteiten en deelnemers in uiteenlopende projecten en van de nadruk van de Europese inspanningen op minder, maar wel belangrijkere prioriteiten. In die evaluatie wordt ook aangegeven dat in onderzoeken naar vervoersactiviteiten uit hoofde van het KP7 zowel een gerichter als een bredere benadering wordt gehanteerd om de uitdagingen aan te pakken, met inbegrip van integratie van de verschillende vervoerswijzen, het belang van de rol van de infrastructuur en de gebruikspatronen. Tevens wordt bevestigd dat multimodale activiteiten, waarbij verschillende vormen van transport worden gecombineerd (bijvoorbeeld over de weg en het water, per spoor en door de lucht), een grote Europese meerwaarde hebben aangezien de betreffende kwesties in nationale programma's veel minder vaak aan de orde worden gesteld. Uit de evaluatie van het KP7 blijkt tot slot dat dankzij het specifieke programma Samenwerking het potentieel en de capaciteiten van kleinere landen worden ontwikkeld om deel te nemen aan en samen te werken in onderzoeksverbanden.

4.2.2. Het specifieke programma Ideeën

In het gedeelte van het verslag over de tussentijdse evaluatie van het KP7 wordt over het specifieke programma Ideeën geconcludeerd dat het beginsel van het selecteren van projecten van topkwaliteit grotendeels in praktijk is gebracht, met name gezien het feit dat toonaangevende onderzoekers financiële ondersteuning ontvangen, dat de kwaliteit van de voorstellen doorgaans als hoog wordt aangemerkt en dat de concurrentie voor de subsidies aanzienlijk is. In dit verband is benadrukt dat de Europese Onderzoeksraad erin is geslaagd om kwalitatief hoogstaand onderzoek aan te trekken en te financieren en daarnaast een belangrijke rol heeft gespeeld bij het aantrekken en vasthouden van onderzoekstalent in de EU.

Het feit dat de Europese Onderzoeksraad projecten ondersteunt die direct relevant zijn voor de beleidsbehoeften van de EU en een rol kunnen spelen bij het aangaan van de toekomstige uitdagingen, is volgens de evaluaties mede te danken aan de financiering van een combinatie van door onderzoekers geïnitieerde competitieve onderzoeksvoorstellen. Ter illustratie: resultaten van door de Europese Onderzoeksraad gefinancierde projecten zijn door de onderzoeksgemeenschap bijvoorbeeld betiteld als "mijlpalen" en "buitengewone vorderingen".

4.2.3. Het specifieke programma Capaciteiten

Uit de resultaten die tot nu toe beschikbaar zijn, blijkt dat het KP7 de capaciteit voor hoogwaardig onderzoek en hoogwaardige kennis in Europa heeft verbeterd door een impuls te geven aan netwerkactiviteiten van meer dan 500 nationale onderzoeksinfrastructuren[31] op uiteenlopende gebieden en door jonge onderzoekers te laten profiteren van kwaliteitsonderwijs en ‑opleidingen door middel van interacties die in het kader van die onderzoeksinfrastructuren gestimuleerd zijn. Uit de betreffende evaluaties blijkt eveneens dat KP7-onderzoeksinfrastructuren van invloed zijn op het Europese concurrentievermogen omdat zij als proeftuin fungeren voor het bevorderen van innovaties en tegelijkertijd nieuwe mogelijkheden scheppen voor het bedrijfsleven op de "onderzoeksmarkt".[32]

5. Conclusies

Overeenkomstig artikel 318 VWEU heeft de Commissie in het onderhavige verslag een overzicht gegeven van de belangrijkste resultaten van recente evaluaties van de verschillende fasen in de ontwikkeling van twee gebieden die aanzienlijke financiële EU-steun ontvangen: Onderwijs en cultuur en Onderzoek.

De nadruk in dit verslag ligt voornamelijk op de geconstateerde resultaten en effecten van de EU-financiering zoals die door de meest recente substantiële evaluaties van de geselecteerde programma's en acties zijn vastgesteld. In sommige gevallen is die informatie aangevuld met verwijzingen naar eerdere evaluatiebevindingen. In dit verslag wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste recente evaluatieresultaten die voor de geselecteerde programma's relevant zijn. Het betreft dus niet de uitgebreidere verslagen en andere documenten die reeds beschikbaar zijn met betrekking tot specifieke elementen van de programma's.

Het verslag bestrijkt de thema's Onderwijs en cultuur en Onderzoek, met name tegen de achtergrond van de streefcijfers en kerninitiatieven van de EU 2020-strategie, de beschikbare informatie over de resultaten en andere gegevens over de evaluaties en de gecentraliseerde beheersmethode. Het verslag is gebaseerd op de uitgebreide informatie uit de talrijke bronnen waarnaar in de tekst wordt verwezen. Er is getracht een overzicht te geven van de doelstellingen van de programma's die (mede) door de Unie worden gefinancierd en van de effecten en resultaten die zijn bereikt. De aard van de informatie is afhankelijk van de fase waarin de betreffende programma's zich ten tijde van de relevante evaluaties bevonden.

Met betrekking tot Onderwijs en cultuur blijkt uit dit verslag dat de gehanteerde financiële instrumenten, afhankelijk van de uitvoeringsfase van het programma, goed gefunctioneerd hebben wat het realiseren van tastbare resultaten betreft (of wat de waarschijnlijkheid betreft dat de meeste doelstellingen van deze instrumenten in de toekomst gerealiseerd worden). Bovendien bevat het verslag uiteenlopende concrete voorbeelden van de gegenereerde meerwaarde door onder andere de toevoeging van een transnationale dimensie, door een grensoverschrijdende samenwerking en ruimere spreiding van kennis en door het genereren van hefboomeffecten (zoals bij het programma Media 2007). Daarnaast zijn in dit verslag echter ook aspecten in kaart gebracht die verbetering behoeven. Zo is het noodzakelijk om de doelstellingen beter en doelgerichter te definiëren en het programmabeheer te verbeteren. Aan beide kwesties is aandacht besteed in de voorgestelde opvolgers van de geëvalueerde programma's.

Wat het thema Onderzoek betreft, wordt in het verslag geconstateerd dat de kaderprogramma's de verwachte resultaten hebben gerealiseerd dan wel dat zij deze in de toekomst zullen realiseren. De kaderprogramma's worden aangemerkt als een krachtig katalysatormechanisme voor onderzoek op een wijze die uitsluitend door een actie op Europees niveau mogelijk is. Daarnaast wordt opgemerkt dat zij Europese meerwaarde genereren, het industrieel concurrentievermogen vergroten, tot netwerkexternaliteiten leiden en de kennisinfrastructuur in Europa versterken. Het KP7 levert ongetwijfeld een aanzienlijke bijdrage aan de Europese wetenschap en aan de ontwikkeling van de Europese Onderzoeksruimte en het kaderprogramma heeft een omvangrijk en indrukwekkend bereik. In het verslag wordt echter ook onderkend dat verbeteringen noodzakelijk zijn. Zo moeten er bijvoorbeeld meer maatregelen worden genomen met het oog op de vereenvoudiging en uitvoering van het kaderprogramma. Bij de opzet van de nieuwe programma's voor het volgende financiële kader zijn al stappen in die richting gezet, meer in het bijzonder in de voorstellen voor het programma Horizon 2020.

Door elk jaar aandacht aan een beperkt aantal programma's te besteden waarvoor relevante evaluaties beschikbaar zijn, is de Commissie met dit verslag in staat om op de middellange termijn een breed scala aan financiële programma's met uiteenlopende beheersmethoden te bestrijken.

De evaluaties waarnaar in dit verslag wordt verwezen, zijn ook gebruikt voor het opstellen van de voorstellen voor het nieuwe meerjarige financiële kader voor de periode 2014-2020. De ervaring die is opgedaan bij de evaluatiewerkzaamheden, wordt daarnaast als input gebruikt voor de opzet van toekomstige evaluaties om het proces te versterken en de resultaten te verbeteren. De Commissie zal zich inspannen om een betere coördinatie en informatie-uitwisseling te waarborgen. Daarnaast zal zij zorg dragen voor meer coördinatie, uitwisseling van informatie en samenhang, zowel binnen de Commissie als met de lidstaten, met betrekking tot de programmering, de organisatie en het gebruik van monitoring en evaluaties in het volgende financiële kader.

Bij het opstellen van dit verslag heeft de Commissie ook de functie van het verslag en de planning ervan aan de orde gesteld ten opzichte van de procedure die voor het verlenen van de jaarlijkse kwijting voor de begroting wordt gehanteerd, wat betreft het verschil in tijdstip en duur van de perioden waarop de evaluaties betrekking hebben ten opzichte van de veel specifiekere jaarlijkse focus van de kwijtingsprocedure voor de begroting.

De Commissie zal zich nog verder buigen over de wijze waarop de inhoud van dit verslag beter vormgegeven kan worden, rekening houdend met de criteria van artikel 318 VWEU en de aandachtspunten die door het Parlement en de Raad naar voren zijn gebracht. De Commissie is uiteraard bereid om de opzet in de toekomst aan te passen aan de reacties op het onderhavige verslag.

[1]               Alle directeuren-generaal/diensthoofden overleggen een jaarlijks activiteitenverslag aan hun instelling vergezeld van de relevante financiële en beheersinformatie. In dat verslag wordt verantwoording afgelegd over de belangrijkste beleidsdoelstellingen en de kernactiviteiten van de betrokken directoraten-generaal of diensten, waarbij ook aandacht wordt besteed aan de gebruikte middelen.

[2]               In de activiteitenoverzichten worden de belangrijkste elementen genoemd ter onderbouwing van de middelen waarom de Commissie in haar ontwerpbegroting heeft verzocht. Daartoe behoren nadere informatie over de (personele en financiële) middelen per activiteit en de daaraan gekoppelde doelstellingen, indicatoren en outputs. Ook wordt aandacht besteed aan de belangrijkste (evaluatie)resultaten. Deze overzichten dienen dus ter rechtvaardiging van de ontwerpbegroting van de Commissie qua informatie over de resultaten (doelstellingen, indicatoren, evaluatieresultaten en outputs), d.w.z. er wordt een overzicht gegeven van wat de EU-programma's voor de begunstigden hebben opgeleverd.

[3]               COM(2010)2020 definitief.

[4]                      Het terugbrengen van het percentage voortijdige schoolverlaters onder 18- tot 24-jarigen tot minder dan 10% in 2020 (dat percentage is inmiddels afgenomen van 17,6% in 2000 tot 14,4% in 2009); het percentage van de bevolking in de leeftijdsgroep van 30-34 jaar met een hogeronderwijsdiploma moet in 2020 tot minstens 40% zijn gestegen (dat percentage is inmiddels toegenomen van 22,4% in 2000 tot 32,3% in 2009).

[5]               Tussentijdse evaluatie van het programma Een leven lang leren (2007-2013), 2011: http://ec.europa.eu/dgs/education_culture/evalreports/education/2011/llpreport_en.pdf.

[6]               Zie voor meer informatie over de toegevoegde waarde van de EU-bijdragen het werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2011)867) getiteld "The added value of the EU budget" ter begeleiding van het document COM(2011)500: "Een begroting voor Europa 2020".

[7]               Evaluatie van het Instituut voor innovatie en onderzoek, 2011: http://ec.europa.eu/dgs/education_culture/evalreports/education/2011/eitreport_en.pdf.

[8]               Hoewel de Marie Curie-acties deel uitmaken van het programma Mensen, dat uit hoofde van het zevende kaderprogramma wordt gefinancierd, worden zij op grond van de ABB-nomenclatuur ingedeeld onder het beleidsgebied Onderwijs en cultuur. Dat is de reden dat zij ook in dit gedeelte worden besproken.

[9]               Tussentijdse evaluatie van Jeugd in actie, 2011:            http://ec.europa.eu/dgs/education_culture/evalreports/youth/2011/interimreport_en.pdf.

[10]             Monitoringverslag over Jeugd in actie:           http://ec.europa.eu/youth/focus/doc/monitoring_survey/report_monitoring_survey_2011.pdf.

[11]             Tussentijdse evaluatie van het Cultuurprogramma (2007-2013), 2011:        http://ec.europa.eu/dgs/education_culture/evalreports/culture/2010/progreport_en.pdf.

[12]             Tussentijdse evaluatie van het programma Media 2007, 2010:     http://ec.europa.eu/dgs/education_culture/evalreports/culture/2010/media_en.pdf. Eindevaluatie van het programma MEDIA Plus en MEDIA Formation, 2007: http://ec.europa.eu/culture/media/programme/docs/overview/evaluation/reports/media%20plus/rapport_finale_m_plus.pdf.

[13]             In dit gedeelte ligt de nadruk op de onderzoeksactiviteiten zoals die zijn opgenomen in titel 8 van de algemene begroting "Onderzoek". Aan activiteiten in het zevende kaderprogramma die op grond van de ABB-nomenclatuur deel uitmaken van andere beleidsterreinen, wordt in dit verband geen aandacht besteed.

[14]             SEC(2010)1161.

[15]             Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013), PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1.

[16]             Over de verwezenlijking van de doelstellingen van de Marie Curie-acties wordt verslag gedaan onder het onderdeel Onderwijs en cultuur aangezien dit programma sinds 2010 wordt beheerd door het DG EAC.

[17]             Twee onderdelen van het specifieke programma Samenwerking (ruimtevaart en veiligheid) worden beheerd door het DG Ondernemingen, terwijl het DG INFSO verantwoordelijk is voor het onderdeel Informatie- en communicatietechnologieën.

[18]             Deze cijfers zijn gebaseerd op de subsidiabele voorstellen, exclusief voorstellen in de eerste fase van een uitnodiging tot het indienen van voorstellen met een procedure in twee fasen.

[19]             Deze cijfers en de cijfers in de drie volgende paragrafen zijn afkomstig uit het "Vierde KP7-monitoringverslag – Monitoringverslag 2010":     http://ec.europa.eu/research/evaluations/index_en.cfm?pg=fp7-monitoring.

[20]             Doel is om te waarborgen dat minimaal 15% van de financiële middelen van het programma aan kmo's wordt toegewezen.

[21]             Evaluatie van het zesde kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling 2002 – 2006:            http://ec.europa.eu/research/reports/2009/pdf/fp6_evaluation_final_report_en.pdf.

[22]             Tussentijdse evaluatie van het zevende kaderprogramma:           http://ec.europa.eu/research/evaluations/pdf/archive/other_reports_studies_and_documents/fp7_interim_evaluation_expert_group_report.pdf.

[23]             Tussentijdse evaluatie van het zevende kaderprogramma:           http://ec.europa.eu/research/evaluations/pdf/archive/other_reports_studies_and_documents/fp7_interim_evaluation_expert_group_report.pdf.

[24]             Tussentijdse evaluatie van het zevende kaderprogramma:           http://ec.europa.eu/research/evaluations/pdf/archive/other_reports_studies_and_documents/fp7_interim_evaluation_expert_group_report.pdf.

[25]             Ex-postevaluatie KP6, blz. vii.

[26]             Tussentijdse evaluatie KP7, blz. 7.

[27]             Ex-postevaluatie KP6, blz. 36.

[28]             Tussentijdse evaluatie KP7, blz. 56-57.

[29]             Tussentijdse evaluatie KP7:               http://ec.europa.eu/research/evaluations/pdf/archive/other_reports_studies_and_documents/fp7_interim_evaluation_expert_group_report.pdf.

[30]             NetPact: "Structuring effects of Community research. The impact of the RTD Framework Programme on network formation." Eindverslag aan de Europese Commissie: http://ec.europa.eu/research/evaluations/pdf/archive/fp6-evidence-base/evaluation_studies_and_reports/evaluation_studies_and_reports_2009/structuring_effects_of_community_research_-_the_impact_of_the_framework_programme_for_rtd_on_network_formation.pdf#view=fit&pagemode=none.

[31]             NB: bepaalde onderdelen van de onderzoeksinfrastructuren in het specifieke programma Capaciteiten (de op ICT gebaseerde onderzoeksinfrastructuren / e-infrastructuren) worden beheerd door het DG Informatiemaatschappij en media.

[32]             Fotkis C. (2010), "FP7 Interim Evaluation: Analyses of FP7 supported research infrastructures initiatives in the context of the European Research Area", beschikbaar via http://ec.europa.eu/research/evaluations/pdf/archive/fp7-evidence-base/experts_analysis/c.%20fotakis_-_research_infrastructure.pdf#view=fit&pagemode=none.

Top