Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52009PC0142

Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot aanpassing aan Besluit 1999/468/EG van de Raad van een aantal besluiten waarop de procedure van artikel 251 van het Verdrag van toepassing is, wat de regelgevingsprocedure met toetsing betreft - Aanpassing aan de regelgevingsprocedure met toetsing - Vijfde Deel

/* COM/2009/0142 def. - COD 2009/0048 */

52009PC0142

Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot aanpassing aan Besluit 1999/468/EG van de Raad van een aantal besluiten waarop de procedure van artikel 251 van het Verdrag van toepassing is, wat de regelgevingsprocedure met toetsing betreft - Aanpassing aan de regelgevingsprocedure met toetsing - Vijfde Deel /* COM/2009/0142 def. - COD 2009/0048 */


[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 30.3.2009

COM(2009) 142 definitief

2009/0048 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot aanpassing aan Besluit 1999/468/EG van de Raad van een aantal besluiten waarop de procedure van artikel 251 van het Verdrag van toepassing is, wat de regelgevingsprocedure met toetsing betreft

Aanpassing aan de regelgevingsprocedure met toetsing Vijfde Deel

TOELICHTING

1. Besluit 2006/512/EG van de Raad en de nieuwe regelgevingsprocedure met toetsing

Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden[1] werd gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG van de Raad van 17 juli 2006[2].

Bij artikel 5 bis van het gewijzigde Besluit 1999/468/EG werd een nieuwe regelgevingsprocedure met toetsing ingevoerd voor maatregelen van algemene strekking tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van een volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag aangenomen basisbesluit, ook wanneer de wijziging behelst dat sommige van deze niet-essentiële onderdelen worden geschrapt of dat het besluit wordt aangevuld met nieuwe niet-essentiële onderdelen.

2. Prioritaire aanpassingsoperatie en algemene aanpassingsoperatie

Het Parlement, de Raad en de Commissie hebben in een gemeenschappelijke verklaring[3] een lijst vastgesteld van basisbesluiten die dringend aan het gewijzigde besluit moesten worden aangepast om de nieuwe regelgevingsprocedure met toetsing erin op te nemen (prioritaire aanpassingsoperatie). De Commissie heeft in december 2006 alle voorstellen betreffende de prioritaire aanpassingsoperatie ingediend. Deze voorstellen werden onderzocht en goedgekeurd door het Parlement en de Raad[4].

Met het oog op toepassing van de regelgevingsprocedure met toetsing in het kader van de andere volgens de medebeslissingsprocedure aangenomen besluiten die reeds golden toen Besluit 2006/512/EG van kracht werd, wordt in de gemeenschappelijke verklaring tevens opgeroepen tot aanpassing van die besluiten volgens de geldende procedures (algemene aanpassingsoperatie). In een verklaring die niet is bekendgemaakt in het Publicatieblad[5], heeft de Commissie zich ertoe verbonden al die besluiten te onderzoeken teneinde deze indien nodig aan de nieuwe regelgevingsprocedure met toetsing aan te passen.

De Commissie heeft besloten over te gaan tot de aanpassing door het voorstellen van “omnibus”-verordeningen. Elke verordening zal tegelijkertijd meerdere tientallen instrumenten groeperen en wijzigen. Deze methode moet ervoor zorgen dat de aanpassing op rationele en consistente wijze plaatsvindt. Zij maakt een efficiënter en sneller onderzoek door de wetgevers mogelijk alsook een consistente en horizontale behandeling. Daar de basisbesluiten inhoudelijk niet worden gewijzigd, is het via deze methode mogelijk zich te richten op de juridische aspecten van de teksten.

Voorafgegaan door een mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, die op 23 november 2007 werd goedgekeurd[6], werden de eerste drie voorstellen door de Commissie goedgekeurd op 23 november[7] en 19 december 2007[8]. Het laatste voorstel werd op 11 februari 2008 door de Commissie goedgekeurd[9].

De aanpassing heeft tot doel de regelgevingsprocedure met toetsing zoals vastgelegd in artikel 5 bis van het gewijzigde Besluit 1999/468/EG in de geldende besluiten op te nemen. In dit verband kan, als dat in het licht van met name de aard van de beoogde maatregelen gerechtvaardigd is, de aanpassing overeenkomstig lid 5 van het genoemde artikel 5 bis bepalingen behelzen om de termijnen die normaal gesproken in het kader van de regelgevingsprocedure met toetsing gelden, te verlengen of in te korten. Overeenkomstig lid 6 van het genoemde artikel 5 bis kan ook worden bepaald dat eventueel, als de omstandigheden dat vereisen, de spoedprocedure wordt toegepast.

3. RESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Op 23 september 2008 hechtte het Europees Parlement zijn goedkeuring aan een resolutie met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de aanpassing van de wetsbesluiten aan het nieuwe comitologiebesluit[10].

In deze resolutie verzoekt het Europees Parlement de Commissie nieuwe wetsvoorstellen in te dienen om de algemene aanpassing tot een goed einde te brengen. Tot dit doel verstrekt het Parlement de Commissie een lijst met instrumenten die naar de mening van het Parlement aangepast dienen te worden aan de nieuwe comitéprocedure, en die niet voorkwamen in de mededeling van de Commissie van 23 november 2007[11].

4. Standpunt van de Commissie over het gevolg dat aan de resolutie van het Europees Parlement gegeven dient te worden

Vóór de presentatie van genoemde mededeling heeft de Commissie alle volgens de medebeslissingsprocedure aangenomen instrumenten nauwkeurig onderzocht om na te gaan welke instrumenten de Commissie machtigen om maatregelen van algemene strekking te nemen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van het betrokken basisbesluit. De Commissie kon aldus een lijst opstellen van meer dan 200 wetsbesluiten die gewijzigd moeten worden, waarbij werd erkend dat deze lijst achteraf nog gewijzigd zou kunnen worden.

De Commissie heeft met bijzondere aandacht gekeken naar de 14 instrumenten die het Europees Parlement in zijn resolutie van 23 september 2008 had aangegeven. Alle bepalingen op grond waarvan in deze basisbesluiten bepaalde uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie worden gedelegeerd, werden met zorg onderzocht.

4.1. Na onderzoek is de Commissie van oordeel dat niet voor al deze basisbesluiten voorstellen moeten worden ingediend. De volgende instrumenten moeten naar het oordeel van de Commissie niet worden aangepast aan de nieuwe comitéprocedure:

INSTRUMENTEN WAARVAN DE AANPASSING REEDS IS GESCHIED OF VOORGESTELD.

- Richtlijn 2000/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2000 inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door motoren bestemd voor het aandrijven van landbouw- of bosbouwtrekkers en houdende wijziging van Richtlijn 74/150/EEG van de Raad.

Dit instrument werd reeds aangepast aan de regelgevingsprocedure met toetsing bij artikel 19 van Richtlijn 2003/37/EG, die genoemd wordt onder de basisbesluiten waarvan de aanpassing aan de nieuwe procedure werd gerealiseerd in de “omnibus”-verordening, eerste deel, goedgekeurd op 22 oktober 2008 (Verordening (EG) nr. 1137/2008, PB L 311 van 21 november 2008, bijlage, deel 3.7, punt 1).

Krachtens artikel 19 van Richtlijn 2003/37/EG, als gewijzigd bij de “omnibus I”-verordening, wordt immers elke wijziging om reden van technische aanpassing van de bijzondere richtlijnen die worden vermeld in bijlage II, hoofdstuk B, onderworpen aan de regelgevingsprocedure met toetsing. Richtlijn 2005/25/EG maakt deel uit van deze bijzondere richtlijnen.

- Richtlijn 2001/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 houdende wijziging van Richtlijn 92/23/EEG van de Raad betreffende banden voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan alsmede de montage ervan.

- Richtlijn 2004/3/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot wijziging van de Richtlijnen 70/156/EEG en 80/1268/EEG van de Raad wat betreft de meting van de emissie van kooldioxide en het brandstofverbruik van voertuigen van categorie N1.

Deze beide richtlijnen werden automatisch onderworpen aan de regelgevingsprocedure met toetsing na hun opname in bijlage IV bij Richtlijn 2007/46/EG van 5 september 2007 (PB L 263 van 9 oktober 2007). Alle wijzigingen van de bepalingen van de “bijzondere richtlijnen” die deel uit maken van bijlage IV, zijn onderworpen aan de regelgevingsprocedure met toetsing, overeenkomstig artikel 39, leden 2 en 9, van Richtlijn 2007/46/EG. De aanpassing van deze twee wetsbesluiten is daarom niet meer nodig.

- Richtlijn 2005/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen inzake herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing, en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad.

- Richtlijn 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad.

Deze beide instrumenten staan ook in bijlage IV bij Richtlijn 2007/46/EG van 5 september 2007, na wijziging bij Verordening (EG) nr. 1060/2008 van de Commissie van 7 oktober 2008. Bijgevolg is elke wijziging van deze beide richtlijnen voortaan onderworpen aan de regelgevingsprocedure met toetsing op grond van voornoemd artikel 39 van Richtlijn 2007/46/EG. Aanpassing ervan is daarom niet meer nodig.

- Richtlijn 2005/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2005 tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG wat het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen betreft.

Richtlijn 1999/32/EG wordt vermeld in het voorstel voor de “omnibus”-verordening, tweede deel (COM(2007) 824 definitief). Bij het opstellen van dit voorstel heeft de Commissie terdege rekening gehouden met de wijzigingen aan dit instrument, aangebracht bij Richtlijn 2005/33/EG. De Commissie is bijgevolg van oordeel dat alle bepalingen die moeten worden aangepast aan de regelgevingsprocedure met toetsing vermeld worden in haar voorstel “omnibus II” en het niet nodig is om voor dit instrument een ander voorstel te doen.

INSTRUMENT DAT NIET ONDER DE MEDEBESLISSINGSPROCEDURE VALT.

- Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999.

De rechtsgrondslag voor dit instrument is niet artikel 251 van het Verdrag; dit betekent dat de regelgevingsprocedure met toetsing niet van toepassing is.

INSTRUMENT GOEDGEKEURD NA INWERKINGTREDING VAN DE HERVORMING VAN 2006.

- Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking.

Dit instrument werd goedgekeurd na 23 juli 2006, dit wil zeggen na inwerkingtreding van de hervorming waarmee de regelgevingsprocedure met toetsing werd ingesteld, en moet bijgevolg niet worden aangepast; naar aanleiding van de goedkeuring waren het Europees Parlement en de Raad niet van oordeel dat de overdracht van bevoegdheden aan de Commissie van aard was om de nieuwe comitéprocedure van kracht te doen worden.

De Commissie beschikt momenteel over geen element waardoor deze inschatting van de feiten door de wetgever zou moeten worden herzien; geen enkele bepaling van dit instrument verleent de Commissie de bevoegdheid om algemene maatregelen goed te keuren tot wijziging of aanvulling ervan.

INSTRUMENTEN DIE GEEN BEPALING BEVATTEN DIE BETREKKING HEEFT OP DE REGELGEVINGSPROCEDURE MET TOETSING.

- Richtlijn 2001/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2001 houdende wijziging van Richtlijn 95/53/EG van de Raad tot vaststelling van de beginselen inzake de organisatie van de officiële controles op het gebied van diervoeding alsmede van de Richtlijnen 70/524/EEG, 96/25/EG en 1999/29/EG van de Raad inzake diervoeding.

Deze richtlijn wijzigt de overdracht van bevoegdheden aan de Commissie krachtens Richtlijn 95/53/EG. Zij verleent de Commissie echter niet de bevoegdheid algemene maatregelen goed te keuren tot wijziging of aanvulling van het basisbesluit. De aan de Commissie verleende bevoegdheden betreffen de goedkeuring van niet-bindende richtsnoeren (artikel 4 bis, lid 3), het treffen van individuele maatregelen (artikel 15 bis, leden 1 en 2) en de instelling van een systeem voor snelle uitwisseling van informatie (artikel 16 quater, lid 3).

- Richtlijn 2002/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2002 tot wijziging van de Richtlijnen 90/425/EEG en 92/118/EEG van de Raad met betrekking tot de gezondheidsvoorschriften voor dierlijke bijproducten.

Deze richtlijn wijzigt Richtlijn 92/118/EG en draagt de Commissie op een lijst op te stellen van inrichtingen waaruit bepaalde producten naar de Gemeenschap mogen worden ingevoerd. De opname op deze lijst is een individuele maatregel die niet onder de regelgevingsprocedure met toetsing valt.

- Richtlijn 2004/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 houdende intrekking van bepaalde richtlijnen inzake levensmiddelenhygiëne en tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong, en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG en 92/118/EEG van de Raad en van Beschikking 95/408/EG van de Raad.

De Commissie is van oordeel dat deze richtlijn geen overdracht van bevoegdheden omvat of deze wijzigt en bijgevolg geen gevolgen heeft voor de bepalingen van de gewijzigde instrumenten wat de comitéprocedure betreft.

- Beschikking nr. 676/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap (Radiospectrumbeschikking).

De Commissie is van oordeel dat de uitvoeringsbevoegdheden die haar uit hoofde van dit instrument krachtens artikel 4, leden 2, 3, 4 en 6, zijn verleend, niet vallen onder de regelgevingsprocedure met toetsing. De maatregelen als bedoeld in artikel 4, lid 2, zijn louter uitvoeringsmaatregelen zonder algemene strekking. In het kader van artikel 4, leden 3, 4 en 6, kan de Commissie alleen de bepalingen van het basisbesluit ten uitvoer leggen en beschikt zij niet over de bevoegdheid dezelve te wijzigen of aan te vullen. Aan de criteria voor toepassing van de nieuwe procedure is bijgevolg niet voldaan.

4.2. Daarnaast erkent de Commissie, met het Europees Parlement, dat de volgende basisbesluiten een aantal bepalingen bevatten die moeten worden aangepast aan de regelgevingsprocedure met toetsing:

- Richtlijn 2000/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 april 2000 tot wijziging van Richtlijn 64/432/EEG van de Raad inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens.

- Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad.

Dit voorstel heeft tot doel de aanpassing van deze beide basisbesluiten aan de regelgevingsprocedure met toetsing te verwezenlijken.

2009/0048 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot aanpassing aan Besluit 1999/468/EG van de Raad van een aantal besluiten waarop de procedure van artikel 251 van het Verdrag van toepassing is, wat de regelgevingsprocedure met toetsing betreft

Aanpassing aan de regelgevingsprocedure met toetsing Vijfde Deel

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 152,

Gezien het voorstel van de Commissie[12],

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[13],

Na raadpleging van het Comité van de Regio's[14],

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag[15],

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden[16] werd gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG[17], waardoor de regelgevingsprocedure met toetsing werd ingevoerd voor de aanneming van maatregelen van algemene strekking tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van een volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag aangenomen basisbesluit, onder meer door sommige van deze niet-essentiële onderdelen te schrappen of door het basisbesluit aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen.

(2) Opdat de regelgevingsprocedure met toetsing zou kunnen worden toegepast op op grond van de procedure van artikel 251 van het Verdrag vastgestelde, reeds geldende besluiten, moeten, overeenkomstig de verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie[18] betreffende Besluit 2006/512/EG, deze besluiten volgens de geldende procedures worden aangepast.

(3) Daar de wijzigingen die daartoe moeten worden aangebracht aan de besluiten alleen betrekking hebben op de comitéprocedures, dienen zij in het geval van richtlijnen niet te worden omgezet door de lidstaten,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de lijst in bijlage genoemde besluiten worden overeenkomstig die bijlage aangepast aan Besluit 1999/468/EG, zoals gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG.

Artikel 2

De verwijzingen naar de bepalingen van de in de bijlage genoemde besluiten moeten worden gelezen als verwijzingen naar deze bepalingen, zoals aangepast bij deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

BIJLAGE

1. Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens [19].

Wat Richtlijn 64/432/EEG van de Raad betreft, dient de Commissie te worden gemachtigd om voorschriften goed te keuren over de informatie die in de nationale gecomputeriseerde gegevensbestanden in verband met varkens moet worden opgeslagen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging en aanvulling van niet-essentiële onderdelen van die richtlijn, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Richtlijn 64/432/EEG als volgt gewijzigd:

1. In artikel 14, lid 3, punt C, komt punt 4 als volgt te luiden:

“4. Teneinde de bruikbaarheid van de nationale gecomputeriseerde gegevensbestanden in verband met varkens te verzekeren, worden de voorschriften over de informatie die in de nationale gecomputeriseerde gegevensbestanden moet worden opgeslagen, door de Commissie goedgekeurd. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 17 bis , lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Andere passende uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 17.”

2. De tekst van artikel 17 bis , leden 2 en 3, komt als volgt te luiden:

“2 Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis , leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.”

2. Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad[20].

Wat Verordening (EG) nr. 1760/2000 betreft, dient de Commissie te worden gemachtigd om uitvoeringsmaatregelen goed te keuren voor een aantal bepalingen van titel I, meer bepaald de bepalingen die betrekking hebben op de verlenging van maximumtermijnen, oormerken, paspoorten, het register en de minimaal te verrichten controles, alsook de overgangsmaatregelen van algemene strekking die noodzakelijk zijn om de uitvoering van deze titel te vergemakkelijken. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging en aanvulling van niet-essentiële onderdelen van die verordening, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 1760/2000 als volgt gewijzigd:

1. Artikel 4, lid 2, tweede alinea, komt als volgt te luiden:

“Op verzoek van een lidstaat kan de Commissie evenwel bepalen in welke gevallen de lidstaten de maximumtermijn mogen verlengen. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”

2. Artikel 6, lid 1, vierde alinea, komt als volgt te luiden:

“Op verzoek van een lidstaat kan de Commissie evenwel bepalen in welke gevallen de maximumtermijn mag worden verlengd. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”

3. In artikel 7 wordt het bepaalde in lid 1, tweede streepje, vervangen door:

“— stelt, zodra het gecomputeriseerde gegevensbestand volledig operationeel is, de bevoegde autoriteit binnen een door de lidstaat vastgestelde termijn, die zich uitstrekt over drie tot zeven dagen, in kennis van alle verplaatsingen van en naar het bedrijf en van elke geboorte of sterfte van een dier op het bedrijf, samen met de data waarop een en ander heeft plaatsgevonden. De Commissie kan evenwel op verzoek van een lidstaat bepalen in welke gevallen de lidstaten de maximumtermijn mogen verlengen en specifieke regels mogen vaststellen die van toepassing zijn op de verplaatsingen van runderen die bestemd zijn om in de zomer op verschillende plaatsen in de bergen te grazen. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”

4. Artikel 10 wordt vervangen door:

“Artikel 10

1. De volgende maatregelen, die vereist zijn voor de uitvoering van deze titel, worden door de Commissie goedgekeurd:

a) de voorschriften betreffende de oormerken;

b) de voorschriften betreffende het paspoort;

c) de voorschriften betreffende het register;

d) de minimaal te verrichten controles.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

2. Overgangsmaatregelen van algemene strekking die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, en in het bijzonder verdere preciseringen van de vereisten die in deze verordening zijn vastgelegd, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 4, vermelde regelgevingsprocedure met toetsing.

3. De volgende, voor de uitvoering van deze titel vereiste maatregelen worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde beheersprocedure:

a) de toepassing van administratieve sancties;

b) de noodzakelijke overgangsmaatregelen voor de uitvoering van deze titel, andere dan bedoeld in lid 2.”

5. Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

(a) In lid 1 wordt punt a) vervangen door:

“a) voor de uitvoering van artikel 10, door het Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen als bedoeld in artikel 141 van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad;”

(b) Lid 4 komt als volgt te luiden:

“4. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis , leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.”

[1] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

[2] PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11.

[3] PB C 255 van 21.10.2006, blz. 1.

[4] PB L 76 van 19.3.2008, blz. 33-38 en blz. 42-55; PB L 81 van 20.3.2008, blz. 38-72; PB L 97 van 9.4.2008, blz. 60-71.

[5] PE 376.314v01-00 – A6-0236/2006 (aan het verslag van het Parlement gehechte verklaring).

[6] COM(2007) 740 definitief.

[7] COM(2007) 741 definitief.

[8] COM(2007) 822 definitief en COM(2007) 824 definitief.

[9] COM(2008) 71 definitief.

[10] A6-0345/2008.

[11] Zie voetnoot 6.

[12] PB C […] van […], blz. […].

[13] PB C […] van […], blz. […].

[14] PB C […] van […], blz. […].

[15] PB C […] van […], blz. […].

[16] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

[17] PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11.

[18] PB C 255 van 21.10.2006, blz. 1.

[19] PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977.

[20] PB L 204 van 11.8.2000, blz. 1.

Top