This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52000PC0533
Amended proposal for a Council Decision creating a European Refugee Fund (presented by the Commission pursuant to Article 250(2) of the EC Treaty)
Gewijzigd voorstel voor een beschikking van de Raad tot instelling van een Europees vluchtelingenfonds (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag ingediend)
Gewijzigd voorstel voor een beschikking van de Raad tot instelling van een Europees vluchtelingenfonds (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag ingediend)
/* COM/2000/0533 def. - CNS 99/0274 */
PB C 29E van 30.1.2001, pp. 223–238
(ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
| Relation | Act | Comment | Subdivision concerned | From | To |
|---|---|---|---|---|---|
| Adopted by | 32000D0596 |
Gewijzigd voorstel voor een beschikking van de Raad tot instelling van een Europees vluchtelingenfonds (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag ingediend) /* COM/2000/0533 def. - CNS 99/0274 */
Publicatieblad Nr. 029 E van 30/01/2001 blz. 0223 - 0238
Gewijzigd voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD tot instelling van een Europees vluchtelingenfonds (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend) Inhoud 1. ACHTERGROND 2. HET GEWIJZIGDE VOORSTEL 2.1. Wijzigingen die in hun geheel worden overgenomen 2.2. Wijzigingen die gedeeltelijk worden overgenomen 2.3. Wijzigingen die niet worden overgenomen TOELICHTING 1. ACHTERGROND De Commissie heeft op 14 december 1999 haar goedkeuring gehecht aan een voorstel voor een Beschikking van de Raad tot oprichting van een Europees Vluchtelingenfonds [1], een instrument dat is gebaseerd op artikel 63, lid 2, onder b) van het EG-Verdrag en dat ten doel heeft bij te dragen aan het tot stand brengen van een evenwicht tussen de inspanningen van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van vluchtelingen en ontheemden, door voor de komende vijf jaar een rechtsgrond te verschaffen voor het gebruik van de door het Europees Parlement goedgekeurde kredieten ter ondersteuning van de maatregelen van de lidstaten op het gebied van de opvang, de integratie en de vrijwillige terugkeer van deze personen. [1] COM(1999)686 def. Het voorstel is ingediend bij de Raad, het Europees Parlement, het Comité van de regio's en en het Economisch en Sociaal Comité. Het Comité van de regio's heeft nog geen advies uitgebracht. Overeenkomstig artikel 67 van het EG-Verdrag heeft de Raad bij schrijven van 6 maart 2000 het Europees Parlement geraadpleegd. Het Europees Parlement heeft de Commissie vrijheden en rechten van de burger, justitie en binnenlandse zaken (verantwoordelijk voor het verslag), de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Begrotingscommissie (beide geraadpleegd voor advies) belast met het onderzoek van het voorstel. De Commissie vrijheden en rechten van de burger, justitie en binnenlandse zaken heeft na ontvangst van het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (van 21 maart) en dat van de Begrotingscommissie (van 20 maart), zijn eigen verslag op 22 maart 2000 goedgekeurd. Het Parlement heeft in de plenaire vergadering van 11 april 2000 zijn eigen advies aangenomen [2], waarbij het voorstel van de Commissie werd goedgekeurd onder voorbehoud van de wijzigingen van het Parlement en de Commissie werd verzocht het voorstel te wijzigen, overeenkomstig artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag. [2] JO C...... ...... ... 2. HET GEWIJZIGDE VOORSTEL In het algemeen steunt het Europees Parlement de strekking en de uitgangspunten van het voorstel van de Commissie, vooral wat betreft de drie aspecten die in vergelijking met de gemeenschappelijke optredens en de proefprojecten van de afgelopen jaren zijn veranderd: de bundeling van de maatregelen op het gebied van de opvang, de integratie en de vrijwillige repatriëring in een enkel instrument teneinde een algemeen en samenhangend beleid te bevorderen; de instelling van een instrument voor vijf jaar, om de planning en de continuïteit van de maatregelen te verbeteren; en een gedecentraliseerd beheer door de lidstaten, om de besluitvorming beter af te stemmen op de bestaande situatie. Dat de parlementsleden veel belangstelling hadden voor het voorstel van de Commissie bleek uit het grote aantal amendementen. Daarvan neemt de Commissie er slechts enkele geheel of gedeeltelijk over, waarbij zij alle amendementen die tot gevolg zouden hebben dat de beoogde flexibiliteit zou verminderen, de werklast voor de nationale overheidsdiensten zou worden verzwaard of de beperkte middelen van het Fonds zouden worden versnipperd, heeft geschrapt. 2.1. Wijzigingen die in hun geheel worden overgenomen De volgende door het Parlement voorgestelde wijzigingen worden door de Commissie in hun geheel overgenomen in het gewijzigd voorstel: Overweging 2 Amendement 2 behelst dat het Europees Vluchtelingenfonds moet bijdragen tot een betere tenuitvoerlegging van het asielbeleid van de lidstaten. Overweging 10 Amendement 5 is een aanvulling op de oorspronkelijke overweging waaruit blijkt dat de tijdelijke bescherming van toepassing is bij een massale toevlucht van ontheemden. Overweging 11 Amendement 6 is een verbetering van de oorspronkelijke formulering omdat nadrukkelijk wordt gesteld dat bij de toewijzing van middelen rekening wordt gehouden met de relatieve inspanningen die elk van de lidstaten zich getroost, zodat wordt voorkomen dat deze opvang een zware last wordt. Artikel 8 In de amendementen 26 en 27 wordt enerzijds duidelijk gemaakt dat de selectie en het beheer van de projecten primair maar niet exclusief onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen, waardoor de bevoegdheden van de Commissie op het gebied van de selectie en de tenuitvoerlegging van de in artikel 4 bedoelde communautaire acties en de in artikel 5 bedoelde noodmaatregelen gehandhaafd blijven, en anderzijds, dat de oproepen tot het doen van voorstellen openbaar zijn, wat de bepaling van artikel 7, lid 1, onder d) bij i) inzake de doorzichtigheid van het selectieproces, versterkt. 2.2. Wijzigingen die gedeeltelijk worden overgenomen Overweging 4 bis (nieuw) In amendement 3 worden acties van vluchtelingenorganisaties expliciet genoemd; de Commissie geeft er de voorkeur aan NGO's in het algemeen te vermelden. Overweging 6 Met amendement 4 wordt beoogd vluchtelingengemeenschappen te betrekken bij het opzetten van integratieprogramma's; de Commissie geeft er de voorkeur aan naar de rol van NGO's in het algemeen te verwijzen. Artikel 2 De Commissie aanvaardt dat de doelgroep «vluchtelingen» niet uitsluitend bestaat uit onderdanen van derde landen, zoals ook in amendement 14 duidelijk wordt gemaakt. Zij is echter van mening dat de verwijzing naar artikel 1 van het Verdrag van Genève de werkingssfeer van het voorstel beperkt, omdat mensen die op een andere grond, zoals de grondwet van een lidstaat, de vluchtelingenstatus hebben gekregen, daarbuiten vallen. Bovendien vindt zij dat mensen die een subsidiaire vorm van bescherming genieten niet kunnen worden gelijkgesteld met vluchtelingen, omdat dat strijdig is met artikel 63 van het EG-Verdrag, waarin dit onderscheid wel wordt gehanteerd. Voor ontheemden moet de formulering «onderdanen van een derde land of staatlozen» worden gehandhaafd, omdat volgens het Verdrag de tijdelijke bescherming uitsluitend voor deze personen geldt. Artikel 4 Met amendement 23 wordt voorlichting van de publieke opinie aan de lijst van te financieren acties toegevoegd, met name voorlichting over de internationale verplichtingen van de lidstaten. De Commissie is echter van mening dat de technische bijstand wel moet worden genoemd, omdat deze in het kader van het gedecentraliseerde beheer dat met dit voorstel wordt ingesteld, zo nodig aan de overheidsdiensten van de lidsdtaten kan worden verleend. Artikel 8 De Commissie aanvaardt amendement 29 voor zover dit de continuïteit van de programma's en de acties beoogt te bewerkstelligen, omdat dit aansluit op de doelstelling die ook wordt nagestreefd met de invoering van een rechtsgrond die voor meerdere jaren geldt. Daarentegen kan de instelling van een partnerschap tussen de verantwoordelijke instantie in de lidstaten en andere betrokkenen het werken met gedecentraliseerd beheer, dat nu voor het eerst op het gebied van het asielbeleid wordt toegepast, alleen maar bemoeilijken. Artikel 9 De Commissie stemt in met het beginsel dat elke lidstaat een minimaal deel krijgt van de middelen van het Fonds, zoals wordt voorgesteld in amendement 30, maar dit moet nader worden uitgewerkt. Daarom wordt deze formulering niet in het huidige gewijzigde voorstel overgenomen. 2.3. Wijzigingen die niet worden overgenomen De Commissie kan de volgende door het Europees Parlement voorgestelde wijzigingen niet overnemen: Amendementen 7 en 25 Het is wenselijk dat de acties van de lidstaten een samenhangend geheel vormen, maar van de lidstaten kan niet worden verwacht dat zij een strategie op het gebied van het asiel beleid formuleren. Amendementen 8 en 29 (tweede deel) De instelling van een partnerschap zoals in andere Fondsen zou er slechts toe leiden dat de last voor de nationale overheidsdiensten zwaarder zou worden en de tenuitvoerlegging van de geplande acties zou worden vertraagd. Amendementen 9 tot 12 De begrotingstechnische amendementen zijn niet langer van toepassing nu de begrotingsrichtsnoeren voor het Fonds voor de komende jaren in het VOB 2001 zijn vastgelegd. Amendement 13 Het non-discriminatiebeginsel is uiteraard van toepassing. Het gaat hier echter om een horizontale aangelegenheid, die niet specifiek is voor vluchtelingen en waarover de Commissie algemene voorstellen heeft ingediend bij het Europees Parlement en de Raad in het kader van een «anti-discriminatiepakket». Amendementen 15, 16 en 21 Er is geen reden integratiemaatregelen niet te laten gelden voor ontheemden en voor hen een afzonderlijke regeling inzake voorbereiding op terugkeer in te stellen. Het kan zowel in het belang van de lidstaten als in dat van de betrokken zijn als degenen die tijdelijke bescherming genieten, een plaats vinden op de arbeidsmarkt. Overigens is de bepaling inzake vrijwillige terugkeer in algemene termen geformuleerd, zodat lidstaten die dat wensen, specifieke voorbereidingsregelingen kunnen treffen. Deze amendementen lijken strijdig met het in de plenaire vergadering goedgekeurde amendement 19, dat erop is gericht ontheemden uitdrukkelijk te noemen als potentiële begunstigden van integratiemaatregelen. Amendementen 17 en 28 Door de kandidaat-landen bij bepaalde aspecten van de door het Fonds gesteunde acties te betrekken zouden de beschikbare middelen versnipperd raken en zou bovendien overlapping ontstaan met andere programma's. Amendementen 18 en 19 De subsidiabele acties in het voorstel van de Commissie worden als voorbeeld genoemd. Door te veel voorbeelden te noemen wordt de indruk gewekt dat het om uitputtende opsommingen gaat. Amendement 22 Deze wijziging is bedoeld om detentiecentra uitdrukkelijk uit te sluiten van de werkingssfeer van het voorstel en is overbodig omdat dergelijke centra niet onder het voorstel vallen. Amendement 24 Het is aan de Raad om te bepalen of aan de voorwaarden voor het treffen van noodmaatregelen is voldaan. Amendement 31 De Commissie kan niet vrijelijk beschikken over de verslagen van de lidstaten, noch verslagen indienen die betrekking hebben op een te korte uitvoeringsperiode of die al voor de eindevaluatie worden opgesteld. Overigens kan de Commissie op elk gewenst moment voorstellen indienen om bepaalde aspecten van de beschikking te wijzigen als bij de tenuitvoerlegging is gebleken dat deze niet voldoen. Amendementen 32 en 33 De bepalingen van artikel 19 zijn standaard «comitologie»-bepalingen, die niet per geval kunnen worden gewijzigd. Amendement 34 Bij noodmaatregelen moet de Commissie de afzonderlijke projecten selecteren; daarom moet zij ook over de nodige middelen beschikken om de lidstaten ertoe te bewegen alleen goede projecten in te dienen, wat niet mogelijk zou zijn als elke lidstaat verzekerd zou zijn van een aandeel dat evenredig is aan de vluchtelingenstroom, ongeacht de kwaliteit van de ingediende projecten. Deze formule is uitgeprobeerd bij de toekenning van financiële steun voor de massale toestroom van ontheemden uit Kosovo in 1999; uiteraard gelden de kwaliteitscriteria van artikel 8, maar dit is de enige manier voor de Comissie om erop toe te zien dat ze ook daadwerkelijk worden toegespast. 1999/ 0274 (CNS) Gewijzigd voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD tot instelling van een Europees vluchtelingenfonds DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 63, punt 2, onder b), Gezien het voorstel van de Commissie [3], [3] JO C E 116 van 26.04.2000, p. 72 Gezien het advies van het Europees Parlement [4], [4] JO C ... du..., p. Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [5], [5] JO C 168 van 16.6.2000 p. 20 Gezien het advies van het Comité van de regio's [6], [6] JO C ... du..., p. Overwegende hetgeen volgt: (1) Het uitstippelen van een gemeenschappelijk beleid op asielgebied, dat een gemeenschappelijke Europese asielregeling omvat, is een wezenlijk aspect van de doelstelling van de Europese Unie om geleidelijk een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen, die openstaat voor diegenen die onder druk van de omstandigheden op wettige wijze bescherming in de Europese Unie trachten te verkrijgen. (2) De tenuitvoerlegging van een dergelijk beleid moet op de saamhorigheid tussen de lidstaten berusten en veronderstelt het bestaan van mechanismen die zijn bestemd om een bijdrage te leveren tot de totstandbrenging van een evenwicht tussen de inspanningen die de lidstaten zich voor de opvang van vluchtelingen en ontheemden getroosten en het dragen van de gevolgen daarvan. Daartoe dient een Europees Vluchtelingenfonds te worden ingesteld. (3) Het is nodig de door de lidstaten geleverde inspanningen te steunen en te verbeteren om vluchtelingen en ontheemden passende opvangmogelijkheden, met inbegrip van billijke en doeltreffende asielprocedures te bieden, teneinde de rechten te beschermen van hen die een internationale bescherming behoeven. (4) De integratie van vluchtelingen in de samenleving van het land waarin zij zijn gevestigd, is een van de doelstellingen van het Verdrag van Genève en met het oog daarop dienen de acties van de lidstaten te worden gesteund waarmee hun sociale en economische integratie worden bevorderd, welke integratie een factor vormt die bijdraagt tot de verwezenlijking van de economische en sociale samenhang, waarvan de handhaving en de versterking in artikel 2 en in artikel 3, lid 1, punt k), van het Verdrag als fundamentele doelstellingen van de Gemeenschap worden genoemd. (5) De integratie van vluchtelingen in het land waarin zij zijn gevestigd zou wellicht ook kunnen worden vergemakkelijkt indien de acties van niet-gouvernementele organisaties die streven naar sociale integratie, worden gesteund. (6) Het is in het belang van zowel de lidstaten als de betrokkenen dat de vluchtelingen en de ontheemden die worden toegelaten om op het grondgebied van de lidstaten te verblijven, in staat worden gesteld door eigen arbeid in hun behoeften te voorzien. (7) De maatregelen die door de Structuurfondsen worden gesteund, evenals de andere communautaire maatregelen op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding, zijn op zich niet toereikend om deze integratie te bevorderen, en het is dienstig specifieke maatregelen te steunen om de vluchtelingen en ontheemden in staat te stellen ten volle de ingerichte programma's ten nutte te maken. Willen deze volledig doelmatig zijn, dan moeten de desbetreffende niet-gouvernementele organisaties worden betrokken bij het opzetten van deze programma's. (8) Concrete hulp is nodig om de voorwaarden te scheppen of te verbeteren die het de vluchtelingen en ontheemden die zulks wensen, toelaten met volledige kennis van zaken te besluiten om het grondgebied van de lidstaten te verlaten en naar hun land van oorsprong terug te keren. (9) Het is noodzakelijk innoverende acties op deze gebieden concreet te testen en uitwisseling tussen de lidstaten te bevorderen om de doeltreffendste praktijken te kunnen identificeren en te stimuleren (10) Rekening dient te worden gehouden met de ervaring die reeds is opgedaan bij de uitvoering van de gemeenschappelijke optredens waartoe de Raad op het gebied van de opvang en de vrijwillige terugkeer van vluchtelingen, ontheemden en asielzoekers heeft besloten. (11) Overeenkomstig het verzoek van de Europese Raad in zijn bijeenkomst te Tampere op 15 en 16 oktober 1999 dient er voor de tenuitvoerlegging van noodmaatregelen in verband met het bieden van tijdelijke bescherming in geval van een massale vluchtelingen- of ontheemdentoevloed een financiële reserve te worden aangelegd. (12) Het is billijk bij de toewijzing van middelen rekening te houden met de relatieve inspanningen die elk van de lidstaten zich getroost om vluchtelingen en ontheemden op te vangen en te steunen. (13) De steun die het Europees Vluchtelingenfonds verstrekt, zal doeltreffender en gerichter zijn indien de medefinanciering van de subsidiabele acties wordt gebaseerd op een verzoek dat door de respectieve lidstaten op grond van de situatie waarin zij verkeren en op grond van de geconstateerde behoeften wordt ingediend. (14) Teneinde de medefinancieringsprocedures te versnellen en te vereenvoudigen dienen de verantwoordelijkheden van de Commissie te worden onderscheiden van die van de lidstaten; daartoe dient erin te worden voorzien dat de Commissie, na behandeling van de verzoeken van de lidstaten, de medefinancieringsbesluiten vaststelt en dat de lidstaten voor het beheer van de acties zorg dragen. (15) De gedecentraliseerde tenuitvoerlegging van de acties door de lidstaten moet gepaard gaan met waarborgen ten aanzien van de voorschriften betreffende en de kwaliteit van de tenuitvoerlegging, ten aanzien van de resultaten en de evaluatie daarvan en ten aanzien van het goede financiële beheer en de controle daarop. (16) Een van de waarborgen voor een doeltreffend optreden van het Europees Vluchtelingenfonds is gelegen in een doelmatige follow-up; het is nodig de voorwaarden vast te stellen waaronder deze follow-up gebeurt. (17) Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie op het gebied van financiële controle, dient op dat gebied een samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie op dit gebied tot stand te worden gebracht. (18) Het is nodig de verantwoordelijkheid van de lidstaten ten aanzien van de vervolging en bestraffing van onregelmatigheden en inbreuken, en die van de Commissie in geval van tekortschieten van de lidstaten vast te stellen. (19) De doelmatigheid en het effect van de door het Europees Vluchtelingenfonds gesteunde acties hangen tevens af van de evaluatie die ervan wordt gemaakt, en bijgevolg dienen de verantwoordelijkheden van de lidstaten en van de Commissie ter zake, evenals de procedures die de betrouwbaarheid van de evaluatie waarborgen, te worden vastgesteld. (20) De acties dienen te worden geëvalueerd met het oog op een tussentijdse herziening ervan en op de beoordeling van het effect ervan en het evaluatieproces dient in de follow-up van de acties te worden geïntegreerd. (21) Overeenkomstig artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie [7] verleende uitvoeringsbevoegdheden dienen de voor de uitvoering van de onderhavige beschikking nodige maatregelen volgens de in artikel 3 van genoemd besluit bedoelde raadplegingsprocedure te worden vastgesteld. [7] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23 (22) Overeenkomstig het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel die in artikel 5 van het Verdrag besloten liggen, kan de doelstelling van de overwogen maatregelen, namelijk uitdrukking geven aan de saamhorigheid tussen de lidstaten door te streven naar een evenwicht tussen de inspanningen van de lidstaten om vluchtelingen en ontheemden op te vangen en de door de lidstaten gedragen gevolgen van deze opvang, onvoldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt, hetgeen wegens de omvang of de uitwerking van de actie beter op Gemeenschapsniveau kan geschieden. Deze beschikking blijft beperkt tot het minimum dat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken en reikt niet verder dan hetgeen daartoe nodig is, HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD: HOOFDSTUK I Doelstellingen en taken Artikel 1 Instelling en doelstelling van het Europees Vluchtelingenfonds 1. Er wordt een Europees Vluchtelingenfonds ingesteld, hierna "het Fonds" genoemd, dat bestemd is de door de lidstaten geleverde inspanningen om vluchtelingen en ontheemden op te vangen en om de gevolgen van deze opvang te dragen te steunen en aan te moedigen. 2. Het Fonds wordt ingesteld voor het tijdvak van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004 Artikel 2 Doelgroepen Voor de doeleinden van deze beschikking bestaan de doelgroepen uit onderstaande categorieën: 1. "vluchtelingen" waaronder wordt verstaan, een ieder die de in het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 bedoelde status bezit en die in die hoedanigheid voor verblijf in een van de lidstaten is toegelaten, alsmede, in voorkomend geval, zij die om toelating tot die status verzoeken; 2. "ontheemden" waaronder wordt verstaan, de onderdanen van een derde land of de staatlozen die in een lidstaat onder een regeling inzake tijdelijke bescherming vallen, en, in voorkomend geval, zij die verzoeken om van deze bescherming te mogen genieten. Artikel 3 Taken 1. Ter verwezenlijking van de in artikel 1 beschreven doelstelling steunt het Fonds de acties van de lidstaten betreffende: a) de voorwaarden voor opvang van vluchtelingen en ontheemden; b) de integratie van vluchtelingen en ontheemden; c) in voorkomend geval, de vrijwillige terugkeer van deze personen; in dit verband wordt onder "vrijwillige terugkeer" verstaan, iedere terugkeer naar het land van oorsprong die niet onder dwang geschiedt, ook indien ten aanzien van de betrokkene een besluit wordt genomen waarbij de verblijfsvergunning die hem of haar was verleend toen betrokkene tot een van de in artikel 2 bedoelde doelgroepen behoorde, wordt ingetrokken. 2. Wat de opvang van vluchtelingen en ontheemden en de procedures betreft, kunnen de acties betrekking hebben op infrastructuren of op diensten om huisvesting, materiële steun, sociale bijstand of om bijstand bij administratieve stappen te verstrekken. 3. Wat de integratie betreft van degenen die de status van vluchteling bezitten of onder een regeling van tijdelijke bescherming vallen evenals die van hun gezinnen in de samenleving van de lidstaat van vestiging, kan het om acties gaan op gebieden zoals huisvesting, middelen van bestaan en medische verzorging of om acties om de betrokkenen in staat te stellen zich aan de samenleving van de lidstaat aan te passen, respectievelijk om dezen autonoom te maken. 4. Wat vrijwillige terugkeer betreft van vluchtelingen en ontheemden, met inbegrip van hen aan wie deze kwalificatie niet langer wordt toegekend of is geweigerd, of van hen die van hun verzoek hebben afgezien, voor zover zij niet een nieuwe nationaliteit hebben verkregen noch het grondgebied van de lidstaat hebben verlaten, kunnen de acties betrekking hebben op de voorlichting en op de adviesdiensten met betrekking tot de programma's voor vrijwillige terugkeer en met betrekking tot de situatie in de landen van oorsprong en/of acties op het gebied van algemeen vormende of beroepsopleiding en acties inzake steun bij de wederinschakeling Artikel 4 Communautaire acties Het Fonds kan op initiatief van de Commissie, naast acties die door de lidstaten ten uitvoer worden gelegd, en binnen de limiet van 10% van haar jaarlijkse toewijzing, acties financieren die innoverend of van communautair belang zijn, met inbegrip van studies, voorlichting van de publieke opinie, proefprojecten, uitwisselingen van ervaring en de bevordering van de samenwerking op gemeenschapsniveau, alsmede de evaluatie van de tenuitvoerlegging van de maatregelen en de technische bijstand. Voorts kunnen acties gefinancierd worden inzake voorlichting van de publieke opinie over de verplichtingen van de lidstaten jegens personen die internationale bescherming zoeken en hun verplichtingen in het kader van het asielbeleid van de Europese Unie, met inbegrip van voorlichting van de publieke opinie in aanvulling op andere acties. Deze acties kunnen door het Fonds tot 100% worden gefinancierd. Artikel 5 Noodmaatregelen 1. Het Fonds kan eveneens, naast de in artikel 3 bedoelde acties en ter aanvulling daarop, ingeval van een plotselinge en massale toevloed van vluchtelingen of van ontheemden ten behoeve van een of meer lidstaten noodmaatregelen financieren. 2. Ingeval van de in lid 1 genoemde situatie omvatten de subsidiabele noodmaatregelen de volgende soorten actie: a) opvang en huisvesting; b) verschaffing van middelen van bestaan, met inbegrip van voedsel en kleding; c) medische, psychologische of andere bijstand; d) personeels- en administratiekosten waartoe de opvang van de betrokkenen en de uitvoering van de maatregelen hebben geleid HOOFDSTUK II Modaliteiten Artikel 6 Tenuitvoerleggingsmodaliteiten De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van de acties die van steun van het Fonds genieten. Elke lidstaat benoemt daartoe een verantwoordelijke autoriteit, die de enige gesprekspartner van de Commissie zal zijn. Deze autoriteit moet een overheidsdienst zijn, welke echter de verantwoordelijkheden voor de tenuitvoerlegging aan een andere overheidsdienst of aan een niet-gouvernementele organisatie mag delegeren. Artikel 7 Verzoeken om medefinanciering 1. De lidstaten doen de Commissie volgens het in artikel 10 aangegeven tijdschema een verzoek toekomen om medefinanciering van acties als bedoeld in artikel 3, in welk verzoek het volgende wordt opgenomen: a) de behoeften die de tenuitvoerlegging rechtvaardigen van acties welke voor steun van het Fonds in aanmerking kunnen komen; b) de uit hoofde van en gedurende de looptijd van deze beschikking voorgenomen acties c) de door de lidstaat en, in voorkomend geval, door de betrokken organisatie(s) geboden financiering; d) de door de lidstaat getroffen regeling om: i) voor de selectie van de acties en de doorzichtigheid van het proces te zorgen ii) voor het beheer, de follow-up, de controle en de evaluatie van de acties te zorgen, iii) de coördinatie van de acties en de uitwisselingen tussen de met de uitvoering van de maatregelen in het veld belaste actoren te bevorderen, iv) voor de zichtbaarheid van de communautaire financiering te zorgen Het verzoek bevat voor elk van deze rubrieken voldoende nadere gegevens om de Commissie in staat te stellen met volledige kennis van zaken een beoordeling te geven. 2. Over het in lid 1 bedoelde verzoek wordt met de Commissie overleg gepleegd. Artikel 8 Selectiecriteria De individuele selectie en het financiële en administratieve beheer van de door het Fonds gesteunde acties vallen onder de primaire bevoegdheid van de lidstaten, met inachtneming van het gemeenschappelijk beleid en de subsidiabiliteitscriteria. Na een openbare oproep tot het doen van voorstellen worden met het oog op financiering uit het Fonds de acties door (nationale, regionale of lokale, centrale of gedecentraliseerde) overheidsdiensten, door onderwijs- of onderzoekinstellingen, opleidingsorganisaties, sociale partners, overheidsorganisaties, internationale organisaties of niet-gouvernementele organisaties, hetzij individueel, hetzij in partnerschap ingediend. De verantwoordelijke autoriteit selecteert de maatregelen, waarbij deze met de volgende criteria rekening houdt: (a) de situatie en de behoeften in de lidstaat; (b) de kosten- en batenverhouding van de uitgaven en de rentabiliteit van de projecten, gelet op het aantal met de actie gemoeide personen; c) het innoverend karakter van de maatregelen en de mogelijkheid de resultaten te gebruiken om de samenwerking tussen de lidstaten te versterken of om andere lidstaten de lering die zij daaruit hebben getrokken, toe te passen; d) de ervaring, de deskundigheid, de betrouwbaarheid en de financiële bijdrage van de verzoekende organisatie en van enige partnerorganisatie; e) de complementariteit tussen de acties en andere, uit de begroting van de Europese Gemeenschap of in het kader van nationale programma's gefinancierde acties. De verantwoordelijke autoriteit ziet erop toe: - dat de acties worden gebaseerd op de beginselen van partnerschap tussen alle betrokken partijen, met name van de begunstigden, wat de opzet en de tenuitvoerlegging betreft; - dat zij een multidimensionele aanpak bevorderen, die gecoördineerde activiteiten op alle dienstige gebieden omvat, bij welke aanpak rekening wordt gehouden met de complexe situatie van de begunstigden in de samenleving van ontvangst; - dat de continuïteit van de programma's en de acties indien nodig over meerdere jaren kan worden verzekerd. Artikel 9 Verdeling van de middelen De beschikbare middelen worden naar evenredigheid als volgt onder de lidstaten verdeeld: a) voor 65% van de middelen: naar het gemiddelde aantal in de loop van de drie voorgaande jaren geregistreerde personen die hebben verzocht om onder een vorm van internationale bescherming te worden toegelaten, b) voor 35% van de middelen: naar het aantal personen dat in de loop van de drie voorgaande jaren de vluchtelingenstatus heeft verkregen of dat onder een stelsel van tijdelijke bescherming is gebracht. De referentiecijfers zijn de recentste cijfers van het Bureau voor de Statistiek der Europese Gemeenschappen. Artikel 10 Tijdschema De acties worden tenuitvoergelegd in het tijdvak van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004. De Commissie verschaft de lidstaten jaarlijks uiterlijk op 1 juli een raming van de bedragen die hen voor het volgende jaar worden toegekend, binnen de limiet van de kredieten die in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure algemeen worden toegekend. De lidstaten dienen het in artikel 7 bedoelde verzoek om medefinanciering binnen twee maanden na de vankrachtwording van deze beschikking bij de Commissie in. De Commissie en de lidstaat stellen in onderling overleg binnen drie maanden na de indiening van het verzoek om medefinanciering de definitieve lijst van de geselecteerde acties vast. De Commissie en de lidstaat kunnen jaarlijks op basis van het in artikel 18 voorgeschreven jaarverslag voorstellen doen tot wijziging van de lijst of van de aard van de acties. In ieder geval gaan de Commissie en de lidstaat uiterlijk op 1 juni 2002 tot een herziening van de lijst of van de aard van de acties over, zulks op basis van de in artikel 18 voorgeschreven tussentijdse evaluatie, en stellen zij in onderling overleg de nodige wijzigingen vast. HOOFDSTUK III Financiële bepalingen Artikel 11 Financieringsstructuur De financiële steun van het Fonds bedraagt niet meer dan 50% van de totale kosten van elke maatregel. Dit percentage kan in de lidstaten die onder het Cohesiefonds vallen, tot 75% worden verhoogd. Artikel 12 Subsidiabiliteit 1. Uitgaven die daadwerkelijk zijn betaald vóór de datum waarop het verzoek om medefinanciering van de lidstaat door de Commissie is goedgekeurd, kunnen voor steun uit het Fonds niet in aanmerking worden genomen. Deze datum is de begindatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven. 2. De Commissie stelt de regels inzake de subsidiabiliteit van de uitgaven vast volgens de in artikel 19, lid 2, bedoelde procedure. Artikel 13 Beschikking inzake medefinanciering uit het Fonds Na onderzoek van het verzoek om medefinanciering stelt de Commissie volgens de in artikel 19, lid 2, bedoelde procedure de beschikking tot medefinanciering uit het Fonds vast. In de beschikking wordt het bedrag vermeld dat de lidstaat wordt toegewezen. Artikel 14 Betalingsverplichtingen De betalingsverplichtingen van de Gemeenschap worden aangegaan op basis van de door de Commissie vastgestelde medefinancieringsbeschikking. Artikel 15 Betalingen 1. De Commissie betaalt de bedragen uit het Fonds aan de verantwoordelijke autoriteit uit overeenkomstig de aangegane betalingsverplichtingen. 2. Na goedkeuring van de beschikking van de Commissie inzake de deelname van het Fonds wordt ten belope van 50% van het bedrag dat voor het desbetreffende jaar aan de lidstaat wordt toegekend een voorschot uitgekeerd. Wanneer de lidstaat verklaart daadwerkelijk de helft van het eerste voorschot te hebben uitgegeven, wordt een tussentijdse betaling van ten hoogste 30% gedaan. Het saldo wordt uitbetaald binnen ten hoogste drie maanden na de goedkeuring van de door de lidstaat ingediende financiële rekeningen en na de goedkeuring van het jaarverslag over de uitvoering van de acties. HOOFDSTUK IV Controle en evaluatie Artikel 16 Controle 1. Onverminderd de verantwoordelijkheid van de Commissie voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen dragen in eerste instantie de lidstaten de verantwoordelijkheid voor de financiële controle van de acties. Te dien einde nemen zij met name de volgende maatregelen: a) zij gaan na of er beheers- en controlesystemen zijn opgezet en worden toegepast om voor een doeltreffend en regelmatig gebruik van Gemeenschapsgelden te zorgen; b) zij verstrekken de Commissie een beschrijving van deze systemen; c) zij vergewissen zich ervan dat de acties overeenkomstig de toepasselijke communautaire bepalingen worden beheerd en dat de hun ter beschikking gestelde middelen overeenkomstig de beginselen van goed financieel beheer worden gebruikt; d) zij verklaren dat de uitgavenaangiften die bij de Commissie worden ingediend, juist zijn en zien erop toe dat deze afkomstig zijn van op controleerbare bewijsstukken gebaseerde boekhoudsystemen; e) zij doen het nodige om onregelmatigheden te voorkomen, om deze op te sporen en te herstellen; overeenkomstig de geldende wetgeving stellen zij de Commissie in kennis van onregelmatigheden en zij houden haar van het verloop van de administratieve en gerechtelijke procedures op de hoogte; f) zij werken samen met de Commissie om te garanderen dat de middelen van de Gemeenschapovereenkomstig het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt; g) zij vorderen de bedragen terug die als gevolg van geconstateerde onregelmatigheden verloren zijn gegaan, in voorkomend geval verhoogd met moratoire rente. 2. De Commissie vergewist zich in het kader van haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Gemeenschap van het bestaan en van het in de lidstaten goed functioneren van zodanige beheers- en controlesystemen dat de middelen van de Gemeenschap op regelmatige en doeltreffende wijze worden gebruikt. Onverminderd de bevoegdheden van de Europese Rekenkamer en de controle die de lidstaten overeenkomstig hun nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen uitvoeren, mogen ambtenaren of andere personeelsleden van de Commissie op grond van de regelingen die in het kader van de in lid 1, punt f), bedoelde samenwerking met de lidstaten zijn overeengekomen, ter plaatse, met name door middel van steekproeven, de uit het Fonds gefinancierde maatregelen en de beheers- en controlesystemen controleren, welke controles ten minste één werkdag van tevoren worden aangekondigd. De Commissie licht de desbetreffende lidstaat daarover in, teneinde de nodige medewerking te verkrijgen. Ambtenaren of andere functionarissen van de betreffende lidstaat mogen aan deze controles deelnemen. De Commissie kan de betreffende lidstaat verzoeken een controle ter plaatse uit te voeren om de regelmatigheid van een of meer maatregelen na te gaan. Ambtenaren of andere personeelsleden van de Commissie mogen aan deze controles deelnemen. 3. Na de nodige verificaties te hebben verricht, schort de Commissie in de volgende gevallen de tussentijdse betalinge op: a) indien een lidstaat de acties niet ten uitvoer legt zoals in de medefinancieringsbeschikking is overeengekomen, b) indien een actie of een deel van een actie geen volledige of gedeeltelijke medefinanciering door het Fonds rechtvaardigt In die gevallen verzoekt de Commissie onder vermelding van haar redenen de lidstaat zijn opmerkingen te maken en, in voorkomend geval, de eventuele correcties aan te brengen, een en ander binnen een bepaalde termijn. 4. Na het verstrijken van de door de Commissie gestelde termijn en indien geen overeenstemming is bereikt en de lidstaat de correcties niet heeft aangebracht, kan de Commissie, rekening houdend met de eventuele opmerkingen van de lidstaat, besluiten binnen een termijn van drie maanden: a) de in artikel 15, lid 2, bedoelde tussentijdse betaling te verlagen, b) tot de vereiste financiële correcties over te gaan door de deelname van het Fonds aan de betrokken maatregel geheel of gedeeltelijk in te trekken. Indien geen besluit wordt genomen om overeenkomstig punt a) of punt b) op te treden, neemt de opschorting van de tussentijdse betalingen onverwijld een einde. Artikel 17 Financiële correcties 1. Het behoort in de eerste plaats tot de taak van de lidstaten om onregelmatigheden te vervolgen en om handelend op te treden wanneer een belangrijke wijziging wordt vastgesteld die de aard of de voorwaarden van de tenuitvoerlegging of van de controle van een actie beïnvloedt, en om de nodige financiële correcties uit te voeren. De lidstaten voeren de in verband met de individuele of structurele onregelmatigheid geboden financiële correcties uit. De correcties die de lidstaat uitvoert, bestaan uit een volledige of gedeeltelijke intrekking van de communautaire bijdrage. De aldus vrijgekomen communautaire middelen kunnen, met inachtneming van een volgens de in artikel 19, lid 2, bedoelde procedure vast te stellen nadere regeling, door de lidstaat opnieuw worden aangewend voor acties die onder hetzelfde actiegebied vallen als bedoeld in artikel 3. 2. Indien de Commissie, na de nodige verificaties te hebben verricht, concludeert: dat een lidstaat de verplichtingen die uit hoofde van lid 1 van het onderhavige artikel op hem rusten, niet is nagekomen, is het bepaalde in artikel 16, leden 3 en 4, van toepassing. 3. Ieder onverschuldigd betaald bedrag moet aan de Commissie worden terugbetaald, verhoogd met moratoire rente. Artikel 18 Follow-up en evaluatie 1. In elke lidstaat neemt de verantwoordelijke autoriteit de nodige maatregelen om voor de follow-up en de evaluatie van de acties zorg te dragen. Daartoe worden in de overeenkomsten die deze autoriteit met de organisaties die met de uitvoering van de acties belast zijn, sluit, bepalingen opgenomen betreffende de verplichting om ten minste eenmaal per jaar gedetailleerd verslag uit te brengen over de stand van de uitvoering van de actie en over de verwezenlijking van de voor deze actie gestelde doelen. 2. De verantwoordelijke autoriteit doet de Commissie jaarlijks, overeenkomstig de regels die de Commissie volgens de in artikel 19, lid 2, bedoelde procedure heeft vastgesteld, financiële rekeningen toekomen en brengt haar een gedetailleerd verslag uit over de tenuitvoerlegging van de acties. Voorts laat de verantwoordelijke instantie: a) met het oog op de in artikel 10 voorgeschreven herziening, een onafhankelijke tussentijdse evaluatie van de uitvoering van de acties verrichten, b) na de voltooiing van het programma een onafhankelijke evaluatie van de uitvoering en het effect van de tenuitvoergelegde acties verrichten. Daartoe kan een bedrag van ten hoogste 1% van het aan de lidstaat toegewezen bedrag worden gereserveerd. Het evaluatieverslag wordt bij het eindverslag gevoegd. 3. De Commissie dient bij het Europees Parlement en bij de Raad uiterlijk op 31 december 2002 een tussentijds, en uiterlijk op 1 juni 2005 een eindverslag in. HOOFDSTUK V Comité Artikel 19 Comité 1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité, bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie. 2. In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, is de raadplegingsprocedure van artikel 3 van Besluit 1999/468/EG, met inachtneming van artikel 7, lid 3, van dat besluit van toepassing. 3. Het Comité kan elk door zijn voorzitter of door een vertegenwoordiger van een lidstaat voorgelegd vraagstuk dat onder deze beschikking valt, behandelen. HOOFDSTUK VI Bijzondere bepalingen betreffende de noodmaatregelen Artikel 20 Bijzondere bepalingen betreffende de noodmaatregelen 1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 6 tot en met 19 zijn de bepalingen in de leden 2 tot en met 5 van toepassing. 2. De financiële steun uit het Fonds is tot de duur van zes maanden beperkt en mag niet meer dan 80% van de kosten van elke maatregel bedragen. 3. De lidstaat, respectievelijk de lidstaten die door de in artikel 5, lid 1, bedoelde massale toevloed wordt/worden getroffen, legt, respectievelijk leggen de Commissie een behoeftenstaat voor en een plan voor tenuitvoerlegging van noodmaatregelen, dat een beschrijving van de voorgenomen acties en van de met de uitvoering ervan belaste lichamen behelst. 4. De Commissie, rekening houdend met de in artikel 8 genoemde criteria, onderzoekt en selecteert de door de lidstaat, respectievelijk de lidstaten ingediende projecten. 5. De beschikbare middelen worden in voorkomend geval als volgt onder de lidstaten verdeeld: a) voor 80% van de middelen: naar evenredigheid van het aantal personen dat in elke betrokken lidstaat in het kader van de in artikel 5, lid 1, bedoelde massale toevloed, is binnengekomen, b) voor 20% van de middelen: op basis van de kwaliteit van de ingediende projecten. HOOFDSTUK VII Overgangsbepalingen Artikel 21 Overgangsbepalingen In verband met de tenuitvoerlegging van deze beschikking gedurende het eerste jaar deelt de Commissie de lidstaten de geraamde bedragen mede welke hen uiterlijk twee weken na de vankrachtwording van deze beschikking worden toegewezen. Indien het Bureau voor de Statistiek der Europese Gemeenschappen nog niet over alle vereiste statistische gegevens als bedoeld in artikel 9, beschikt, worden de door de lidstaten verstrekte cijfers in aanmerking genomen; in dat geval stelt de Commissie volgens de in artikel 19, lid 2, bedoelde procedure de regels vast betreffende de interpretatie van de door de lidstaten verstrekte statistische gegevens. In afwijking van artikel 12 mogen voor het begrotingsjaar 2000 tussen 1 januari 2000 en de datum van goedkeuring van het verzoek om medefinanciering werkelijk betaalde uitgaven voor steun uit het Fonds in aanmerking worden genomen. CHAPITRE VIII Slotbepalingen Artikel 22 Toepassingsbepalingen 1. De Commissie is met de toepassing van deze beschikking belast. 2. In voorkomend geval stelt de Commissie overeenkomstig de in artikel 19, lid 2, bedoelde procedure elke andere voor de toepassing van deze beschikking nodige bepaling vast. Artikel 23 Herzieningsclausule Op voorstel van de Commissie beziet de Raad uiterlijk op 31 december 2004 deze beschikking opnieuw Artikel 24 Adressaten Deze beschikking is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Brussel, op [...] Voor de Raad De Voorzitter [...] FINANCIEEL MEMORANDUM 1. BENAMING VAN DE MAATREGEL Beschikking betreffende het Europees Vluchtelingenfonds. 2. BETROKKEN BEGROTINGSONDERDEEL B5-803 (nomenclatuur APB 2000) B5-810N et B5-811N (nomenclatuur Europees Parlement). 3. RECHTSGRONDSLAG Artikel 63 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. 4. OMSCHRIJVING VAN DE MAATREGEL 4.1 Algemene doelstelling van de maatregel De doelstelling van de beschikking is de Europese Unie te voorzien van een instrument waarmee zij in het kader van een meerjarenplanning steun kan verlenen aan het optreden van de lidstaten op het gebied van: a) de voorwaarden voor de opvang van vluchtelingen en ontheemden en de billijkheid, toegankelijkheid en doeltreffendheid van de asielprocedures; b) de integratie van vluchtelingen en ontheemden; c) de vrijwillige repatriëring en reïntegratie in het land van oorsprong en wel om bij te dragen aan de totstandbrenging van evenwicht tussen de door de lidstaten geleverde inspanningen om vluchtelingen en ontheemden op te vangen en het dragen van de gevolgen van die opvang. Meer in het bijzonder gaat het erom: - degenen die de status van vluchteling of tijdelijke bescherming aanvragen adequate voorwaarden voor opvang te bieden, met name wat betreft huisvesting, juridisch advies en andere vormen van ondersteuning, en de toegankelijkheid, doeltreffendheid en billijkheid van de asielprocedures te vergroten teneinde een daardwerkelijke uitoefening van het recht om asiel aan te vragen te vergemakkelijken overeenkomstig het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967; - bij te dragen aan de integratie van vluchtelingen en ontheemden in de samenleving van de lidstaat van verblijf, onder andere door het nemen van maatregelen die beogen toegang tot het arbeidsproces te bevorderen teneinde rekening te houden met de specifieke kenmerken die deze categorieën vreemdelingen onderscheiden van andere categorieën migranten, en met de bijzondere problemen waarmee zij kunnen worden geconfronteerd; - de omstandigheden te creëren waaronder vluchtelingen, ontheemden en personen die om een vorm van internationale bescherming hebben verzocht, alsmede personen die niet langer tot deze categorieën behoren, kunnen terugkeren naar hun land van oorsprong door hun enerzijds de noodzakelijke informatie te verschaffen om met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen, en hun anderzijds materiële bijstand te verlenen, met name in de vorm van een voorbereiding op de wederinschakeling in de samenleving van hun land van oorsprong; - uitwisselingen tussen de lidstaten te bevorderen teneinde bij te dragen aan de verspreiding van "goede praktijken". - ingeval van een plotselinge massale toestroom van vluchtelingen of ontheemden op het grondgebied van één of meer lidstaten het nemen van noodmaatregelen mogelijk te maken die beogen in de onmiddellijke behoeften van de betrokken personen te voorzien. 4.2 Looptijd van de maatregel en voorwaarden voor de vernieuwing ervan Van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004; op voorstel van de Commissie beziet de Raad deze beschikking uiterlijk op 31 december 2004 opnieuw 5. INDELING VAN DE UITGAVEN/ONTVANGSTEN 5.1 VERPLICHTE/NIET-VERPLICHTE UITGAVEN Niet-verplichte uitgaven. 5.2 GESPLITSTE/NIET-GESPLITSTE KREDIETEN Gesplitst. 5.3 Aard van de betrokken ontvangsten Niet van toepassing. 6. AARD VAN DE UITGAVEN/ONTVANGSTEN - subsidie voor medefinanciering tezamen met andere bronnen in de openbare of particuliere sector. De financiering van de rechtstreeks door de Commissie op basis van het daartoe bestemde deel van de jaarlijkse middelen van het Fonds beheerde werkzaamheden kan evenwel 100% bedragen. 7. FINANCIËLE GEVOLGEN 7.1 Wijze van berekening van de totale kosten van de maatregel (verband tussen de afzonderlijke en de totale kosten) De berekening van de kosten van de door de beschikking beoogde acties is gebaseerd op de uitvoering van door de Commissie sedert 1997 beheerde proefprogramma's met het doel de opvang en vrijwillige repatriëring van vluchtelingen, ontheemden en asielzoekers (begrotingslijnen B3-4113, B5-803 en B7-6008) alsmede de integratie van vluchtelingen (begrotingspost B3-4113) concreet te steunen. Het totale voor de drie genoemde begrotingslijnen uitgetrokken bedrag beliep voor: 1997: 23,75 miljoen EUR 1998: 26,75 miljoen EUR de 1e fase 1999: 20 miljoen EUR de 2e fase 1999: besluit van de begrotingsautoriteit betreffende een voorgenomen bedrag van 15 miljoen EUR nog niet genomen. Het gemiddelde jaarlijkse bedrag kan dus worden geraamd op ongeveer 28,5 miljoen EUR (uitgaande van een extra toewijzing van 15 miljoen EUR voor de 2e fase van 1999). Dit bedrag is ruim onvoldoende gebleken om te kunnen voldoen aan de in de praktijk geconstateerde behoeften. Meer in het bijzonder overschreed, wat betreft de maatregelen voor steun bij opvang en vrijwillige repatriëring, de gevraagde financiële hulp in 1997 het beschikbare begrotingsbedrag met 30%. Dit percentage steeg in 1998 tot 45% en heeft in 1999 het niveau van 850% bereikt (als gevolg van de crisis in Kosovo). Over het algemeen schatten de diensten dat meer dan de helft van de aanvragen waaraan niet kon worden voldaan in aanmerking kwamen voor communautaire medefinanciering. De uitvoering in 1999 heeft tevens duidelijk gemaakt dat de doelstelling om "structurele" maatregelen te financieren op het actiegebied van artikel 63 van het EG-Verdrag volledig onmogelijk kan worden gemaakt door de massale toestroom van vluchtelingen die zich in noodgevallen kan voordoen. Bij gebrek aan een specifieke begrotingslijn om noodsituaties het hoofd te bieden is namelijk het gehele aanvankelijke financiële toewijzing van begrotingslijn B5-803 besteed aan noodmaatregelen ten behoeve van vluchtelingen uit Kosovo. Het bestaan van een reserve is dus van wezenlijk belang om te kunnen voldoen aan zowel dringende behoeften als aan "structurele" vereisten zoals de Europese Raad van Tampere op 15 en 16 oktober 1999 heeft verlangd Na het oriënterende begrotingsdebat van de Commissie bedraagt de totale toewijzing voor de periode 2000-2004 216 miljoen euro, met de volgende jaarlijkse verdeling: a) begrotingsartikel B5-810 "Structurele maatregelen" 26 miljoen EUR voor 2000. b) reserve (B5-811 volgens de door het Europees Parlement voorgestelde nomenclatuur) "Noodmaatregelen ingeval van massale toestroom van vluchtelingen": 10 miljoen EUR voor 2000 c) begrotingsartikel B5-810 (structurele maatregelen): 35 miljoen EUR per jaar van 2001 tot 2004. d) réserve (B5-811 - noodmaatregelen ingeval van massale toestroom van vluchtelingen): 10 miljoen EUR per jaar van 2001 tot 2004. 7.2 Verdeling naar onderdeel van de maatregel De volgende verdeling kan worden overwogen op basis van in 1997-1999 verrichte voorbereidende acties en rekening houdend met de noodzaak voldoende middelen te reserveren om de verspreiding van goede praktijken op communautair niveau te bevorderen. Gezien de instabiliteit die dit soort situaties kenmerkt en de verschillen in omvang van de projecten die kunnen worden gesubsidieerd, vormt het volgende overzicht in ieder geval een voorlopige raming ten aanzien van de verdeling van de uitgaven weerspiegelend de verdeling voor de jaren 1997-1999 B5 - 810 VERDELING // // Geraamd% van de begroting Opvang // 36 Integratie // 36 Vrijwillige repatriëring // 18 Verspreiding van goede praktijken // 10 TOTAAL // 100 >RUIMTE VOOR DE TABEL> Reserve (of B5 - 811 volgens de door het EP voorgestelde nomenclatuur) Een verdeling van de kosten van de acties per soort maatregel is in dit stadium niet mogelijk. De typologie van de acties is namelijk beperkt tot de noodmaatregelen die doorgaans in hun geheel deel uitmaken van een algemeen project. Bovendien zijn de maatregelen van dit type die in 1999 zijn gefinancierd momenteel in uitvoering en kan een eventuele indeling eerst plaatsvinden nadat ze zijn voltooid. VK in miljoen EUR (lopende prijzen) >RUIMTE VOOR DE TABEL> 7.3 Beleidsuitgaven voor onderzoek, deskundigen, enz., opgenomen in deel B van de begroting Er zal een bedrag van ten hoogste 800 000 EUR per jaar worden uitgetrokken voor acties op het gebied van technische en administratieve bijstand. Deze acties beogen voor een doeltreffende en concrete uitvoering van de actie te zorgen. Deze bijstand zal ter beschikking worden gesteld van de Commissie en de begunstigden van deze verrichting voor zover daarbij niet de normale taken inzake openbare dienstverlening zijn betrokken maar de voorbereiding, het beheer, de follow-up en de evaluatie van het programma. Deze bijstand zal beperkt blijven tot de looptijd van het programma 7.4 Tijdschema voor de vastleggingskredieten / betalingskredieten B5 - 810 VK in miljoen EUR >RUIMTE VOOR DE TABEL> Reserve (B5 - 811 volgens de door het EP voorgestelde nomenclatuur) VK in miljoen EUR >RUIMTE VOOR DE TABEL> 8. FRAUDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN - Specifieke geplande controlemaatregelen De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de selectie van de acties alsmede voor het financieel en administratief beheer ervan; zij nemen in eerste instantie de verantwoordelijkheid op zich voor de financiële controle van de acties. Te dien einde dienen zij de subsidiabiliteitscriteria in acht te nemen zoals vastgesteld in deze beschikking en wordt erop gewezen dat zij het bestaan en het functioneren moeten verifiëren van passende beheer- en controlesystemen, waarvan zij een beschrijving voorleggen aan de Commissie, dat zij zich ervan dienen te vergewissen dat het beheer plaatsvindt volgens de toepasselijke communautaire regels en de beginselen van een goed financieel beheer, dat zij de uitgavendeclaraties dienen te certificeren en erop dienen toe te zien dat het boekhoudsysteem berust op controleerbare bewijsstukken, dat zij onregelmatigheden dienen te voorkomen, op te sporen en te corrigeren, dat zij de nodige vervolgingen dienen in te stellen en de Commissie hiervan op de hoogte dienen te houden, dat zij met de Commissie moeten samenwerken en dat zij als gevolg van onregelmatigheden gederfde bedragen invorderen. Bovendien moet de Commissie zich vergewissen van het bestaan en de goede werking van door de lidstaten opgezette beheer- en controlesystemen, terwijl zij tevens kan overgaan tot controles ter plaatse dan wel de betrokken lidstaat kan verzoeken controles uit te voeren waaraan ambtenaren of functionarissen van de Commissie kunnen deelnemen Tenslotte zijn bepalingen opgenomen op grond waarvan bij individuele of stelselmatige gevallen van in gebreke blijven, financiële correcties kunnen worden aangebracht. 9. ELEMENTEN VOOR EEN KOSTEN-BATENANALYSE 9.1 Kwantificeerbare specifieke doelstellingen, doelgroep -Kwantificeerbare specifieke doelstellingen *totstandbrenging of verbetering van infrastructuren of diensten, *verlening van materiële bijstand aan de begunstigden. -- Doelgroep *vluchtelingen, ontheemden zoals beschreven in artikel 2 en personen die tot één van deze categorieën hebben behoord 9.2 Motivering van de maatregel -Noodzaak van communautaire steunverlening, gezien met name het subsidiariteitsbeginsel De instelling van het Europees Vluchtelingenfonds is bedoeld ter aanmoediging en ondersteuning van de door de lidstaten geleverde inspanningen in verband met de opvang van vluchtelingen en ontheemden en het dragen van de gevolgen van deze opvang, en wel in de eerste plaats ter aanvulling op de uitvoering van nationaal beleid voor steun aan personen die internationale bescherming zoeken; in de tweede plaats ter bevordering van de ontwikkeling van programma's voor de integratie van vluchtelingen en andere categorieën personen die bescherming genieten; tot slot als ter aanmoediging van de vrijwillige terugkeer van aanvragers van de status van vluchteling, met name wanneer hun aanvraag is afgewezen, maar ook van ontheemden, vluchtelingen en personen die internationale bescherming behoeven, met name wanneer er niet langer behoefte is aan bescherming. Het is namelijk op elk van deze gebieden noodzakelijk het idee te bevorderen van gedeelde verantwoordelijkheid en van evenwicht tussen de door de lidstaten geleverde bijdragen aan de algemene inspanning om bijstand te verlenen aan deze personen gezien het feit dat de situaties aanzienlijk kunnen verschillen. In verband met het vereiste evenwicht tussen de door de lidstaten geleverde inspanningen is een inspanning in financiële zin nodig om tegelijkertijd de meest getroffen lidstaten te ontlasten en de capaciteiten van de lidstaten met onvoldoende infrastructuren uit te breiden. Dit veronderstelt tevens een herverdeling op het niveau van de Europese Unie waarvoor niet door de lidstaten afzonderlijk kan worden gezorgd. - Opties betreffende de wijze van steunverlening * voordelen ten opzichte van alternatieve maatregelen (comparatieve voordelen) Het enige alternatief voor de voorgestelde regeling is het rechtstreeks beheer van de maatregelen en afzonderlijke projecten door de diensten van de Commissie, wier ervaring met de gemeenschappelijke acties en proefprojecten die aan deze beschikking zijn voorafgegaan heeft geleerd dat dit alternatief onevenredige administratieve lasten met zich brengt zonder daarom een grotere efficiëntie te waarborgen. De optie van een aan de lidstaten gedelegeerd beheer biedt de Commissie de mogelijkheid zich te concentreren op het vaststellen van algemene doelstellingen en op de algemene samenhang van de actie en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de selectie van de individuele acties en de verwezenlijking ervan zoveel mogelijk ter plaatse geschieden, rekening houdend met de specifieke gegevenheden in de lidstaten en met hun concrete behoeften. Deze optie biedt bovendien in de toekomst de mogelijkheid inschakeling van een Bureau voor technische bijstand voor de selectie en follow-up van de uitgevoerde acties te vermijden. * analyse van gelijksoortige acties die eventueel op communautair of nationaal niveau worden uitgevoerd * verwachte afgeleide multiplier-effecten Aangezien de deelname van het Europees Vluchtelingenfonds beperkt blijft tot 50% van de totale kosten van de maatregelen (75% in de lidstaten die onder het Cohesiefonds vallen), zou zich een stijging moeten voordoen van de algemene uitgaven voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het Fonds. De ervaring heeft overigens geleerd dat de nationale overheidsfinanciering dikwijls de communautaire medefinanciering aflost wanneer het gaat om acties waarvan het belang en de doeltreffendheid zijn aangetoond. Het succes van de subsidiabele acties heeft namelijk voor zowel de lidstaten als de begunstigden een bepaald aantal secundaire voordelen, zoals: - vermindering van het aantal noodtoestanden die de inschakeling van sociale noodhulp noodzakelijk maken, - minder sociale uitsluiting en de gevolgen ervan wat betreft bijstand uit de sociale begrotingen van de lidstaten ten behoeve van vluchtelingen, ontheemden en personen die internationale bescherming behoeven, - afname van het aantal illegale vreemdelingen die volledig in de clandestiniteit verdwijnen vanwege het ontbreken van welk vooruitzicht dan ook op regularisering of terugkeer naar hun land van oorsprong, wat betreft groepen die in aanmerking komen voor maatregelen inzake vrijwillige terugkeer, met personen die de status van vluchteling hebben aangevraagd en wier verzoek definitief is afgewezen. - Belangrijkste onzekerheidsfactoren die de specifieke resultaten van de actie kunnen beïnvloeden. *onregelmatige toestroom van vluchtelingen. 9.3 Controle en evaluatie van de maatregel -Prestatie-indicatoren * indicatoren voor het nuttig effect/meting van de verrichte activiteiten *Opvang en integratie: huisvestingscapaciteit (aantal bedden, kwaliteit van de behuizing), ontwikkeling van nieuwe diensten of uitbreiding van de capaciteit van de bestaande diensten, aantal bezoeken aan deze diensten, aantal begunstigden. *Vrijwillige repatriëring: ontwikkeling van nieuwe diensten of uitbreiding van de capaciteit van bestaande diensten, het aantal personen dat zich tot de diensten wendt (informatie, opleiding), het werkelijke aantal personen dat naar het land van oorsprong terugkeert * effectindicatoren naar gelang van de nagestreefde doelstellingen *Opvang: afname van secundaire migratie van vluchtelingen (verplaatsing van een lidstaat naar een andere op zoek naar betere voorwaarden). *Integratie: afname van het sociale-uitsluitingspercentage bij de betrokken bevolkingsgroepen. *Vrijwillige repatriëring: toename van het aantal personen dat werkelijk naar het land van oorsprong terugkeert, belang van de landen van oorsprong in het kader van het zogeheten "mede-ontwikkelings"-beleid. -Procedure en periodiciteit van de voorgeschreven evaluatie Ten minste jaarlijkse verslagen van de met de uitvoering van de maatregelen belaste organen aan de verantwoordelijke instantie van de lidstaten. Jaarlijkse verslagen van de lidstaten aan de Commissie. Onafhankelijke evaluatie van iedere actie in iedere lidstaat. - Beoordeling van de geboekte resultaten (ingeval van voortzetting of vernieuwing van een bestaande actie). Een tussentijds verslag over de uitvoering in 1997 van de begrotingslijnen B7-6008 en B5-803 is op 16 juli 1998 voorgelegd aan het Europees Parlement en de Raad (werkdocument van de diensten van de Commissie SEC(1998)1263). Een tweede verslag met betrekking tot de evaluatie van de resultaten van de in 1997 gefinancierde projecten uit hoofde van dezelfde begrotingslijnen is voorgelegd aan het Europees Parlement op 13 juli 1999 (werkdocument van de diensten van de Commissie SEC(1999)1105). De conclusies van deze evaluatie kunnen als volgt worden samengevat: (a) De communautaire financiering heeft als katalysator gewerkt, door een op nationaal niveau geharmoniseerde actie te begunstigen, met name in de lidstaten die tot voor kort nog geen traditionele bestemming voor vluchtelingen vormden en waar de algemene structuren voor opvang dringend dienen te worden verbeterd. (b) Een grotere mate van coördinatie in de uitvoering van de maatregelen is noodzakelijk op twee niveaus: allereerst tussen de nationale regeringen en de Commissie om de bestaande Europese en nationale programma's op elkaar af te stemmen; in de tweede plaats tussen de nationale overheden en de NGO's om er zeker van te zijn dat hun projecten passen binnen een door alle partijen overeengekomen en goedgekeurde strategie. (c) De communautaire financiering zou in het bijzonder moeten worden gericht op de ontwikkeling van infrastructuren voor advies bij terugkeer, op specifieke opleidingsprojecten en op de verbetering van de voorzieningen voor opvang en toegang tot asielprocedures. Met name is follow-up ter plaatse van de vrijwillig gerepatrieerde personen wenselijk. (d) De vraag naar financiering overschrijdt in ruime mate het beschikbare budget, en er dient een nieuwe evaluatie te worden verricht van het effect van de financiering in vergelijking met de omvang van de op te lossen problemen. De evaluatie van de resultaten van de in 1997 uit hoofde van begrotingspost B3-4113 gefinancierde projecten is opgedragen aan een terzake deskundig extern bedrijf. Het verslag wordt momenteel afgerond en dient vóór eind 1999 aan het Europees Parlement en de Raad te worden voorgelegd. De in 1998 en 1999 gefinancierde projecten worden momenteel uitgevoerd. De Commissie zal overgaan tot een evaluatie van de resultaten na ontvangst van de eindverslagen (eerste kwartaal 2000 wat betreft de in 1998 gefinancierde projecten en de in 1999 gefinancierde noodmaatregelen). Ook is voorzien in een onafhankelijke evaluatie (procedure voor de plaatsing van de opdracht is gaande). In ieder geval kan nu reeds uit de uitgevoerde proefprojecten worden geconcludeerd dat een duur van een jaar niet past bij het middellange- of lange-termijnkarakter van de meeste projecten en dat zowel de lidstaten als de organen die projecten opzetten een overzicht op langere termijn nodig hebben om hun acties op samenhangende wijze te kunnen plannen. 10. HUISHOUDELIJKE UITGAVEN (DEEL A VAN AFDELING III VAN DE ALGEMENE BEGROTING De daadwerkelijke vrijmaking van de noodzakelijke huishoudelijke middelen geschiedt op grond van het jaarlijkse besluit van de Commissie met betrekking tot de toewijzing van de middelen, rekening houdend met onder meer de bijkomende posten en begrotingskredieten die haar zijn toegestaan door de begrotingsautoriteit 10.1 Gevolgen voor het aantal posten >RUIMTE VOOR DE TABEL> Het extra personeel moet beschikbaar zijn vanaf het jaar 2000. 10.2 Globale financiële gevolgen van het extra personeel EUR >RUIMTE VOOR DE TABEL> De bedragen geven de totale kostprijs aan van de bijkomende posten voor de gehele looptijd van de maatregel indien deze van bepaalde duur is, en voor 12 maanden indien deze van onbepaalde duur is 10.3 Verhoging van andere huishoudelijke uitgaven die uit de maatregel voortvloeien, met name de kosten in verband met vergaderingen van comités en groepen deskundigen EUR >RUIMTE VOOR DE TABEL> De in punt 10.3 in verband met titel A-7 vermelde bedragen worden gedekt door de kredieten van de totale toewijzing voor het DG.