Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 51999PC0654

Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake ongewenste stoffen en producten in diervoeding

/* COM/99/0654 def. - COD 99/0259 */

PB C 89E van 28.3.2000, pp. 70–79 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

51999PC0654

Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake ongewenste stoffen en producten in diervoeding /* COM/99/0654 def. - COD 99/0259 */

Publicatieblad Nr. C 089 E van 28/03/2000 blz. 0070 - 0079


Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake ongewenste stoffen en producten in diervoeding

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

ACHTERGROND

Voeder kan ongewenste stoffen of producten bevatten die een gevaar kunnen betekenen voor de diergezondheid of, omdat ze voorkomen in van de veehouderij afkomstige producten, voor de gezondheid van de mens. Dat ongewenste stoffen en producten voorkomen, is niet in alle gevallen volledig uit te sluiten, maar het komt erop aan het gehalte ervan zo te beperken dat ongewenste en schadelijke effecten worden voorkomen.

In Richtlijn 74/63 van 17 december 1973 van de Raad inzake ongewenste stoffen in diervoeding [1] worden maximumgehalten vastgesteld voor ongewenste stoffen en producten in voeder. Deze richtlijn van de Raad is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd en uit rationele overwegingen is ze, met het oog op meer duidelijkheid, gecodificeerd in Richtlijn 1999/29/EG van 22 april 1999 inzake ongewenste stoffen en producten in diervoeding [2].

[1] PB L 38 van 11.2.1974, blz.31.

[2] PB L 115 van 4.5.1999, blz.32.

Richtlijn 1999/29 van de Raad voorziet in maximumgehalten voor de aanwezigheid van ongewenste stoffen en producten in voedermiddelen en diervoeders. Wanneer die voedermiddelen en diervoeders niet beantwoorden aan de eisen inzake het maximumgehalte, mogen ze niet in de handel worden gebracht.

Wanneer in voedermiddelen de vastgestelde maximumgehalten worden overschreden, mogen deze voedermiddelen toch onder strikte voorwaarden in mengvoeders worden gebruikt, voor zover daardoor het voor de mengvoeders vastgestelde maximumgehalte niet wordt overschreden.

Voorts mogen de lidstaten van de maximumgehalten afwijken wanneer het gaat om voedergewassen die op een landbouwbedrijf worden geteeld en daar in dezelfde toestand worden gebruikt, voor zover dit om bijzondere redenen vereist is en mits de gezondheid van mens en dier daardoor niet wordt geschaad.

ONDERHAVIG VOORSTEL

De huidige dioxinecrisis heeft aangetoond dat de huidige Gemeenschapsvoorschriften voor voedermiddelen de veiligheid van diervoeding en voedselketen niet volledig garanderen. Daarom omvatten de conclusies van de Landbouwraad van juni 1999 een verzoek aan de Commissie om zich te beraden op grondige wijzigingen in de diervoedingsvoorschriften. De Commissie heeft de Landbouwraad van juli een werkprogramma met onder andere een aanpassing van die voorschriften voorgelegd. Het programma is ook meermaals aan het Europese Parlement voorgelegd. Met dit voorstel wordt gevolg gegeven aan een van de punten van dat werkprogramma.

Aangezien in Richtlijn 1999/29/EG van de Raad van 22 april 1999 verschillende belangrijke wijzigingen zijn aangebracht, wordt deze in dit voorstel om redenen van duidelijkheid en rationaliteit opnieuw geformuleerd.

Werkingssfeer

Voorgesteld wordt dat de Richtlijn voortaan ook voor toevoegingsmiddelen zou gelden, omdat verontreiniging van toevoegingsmiddelen door ongewenste stoffen of producten is geconstateerd. Het is dan ook dienstig in de mogelijkheid te voorzien om horizontaal in het kader van deze richtlijn maximumgehalten voor ongewenste stoffen en producten in toevoegingsmiddelen vast te stellen.

Schrapping van de mogelijkheid tot "verdunning" en van de uitzonderingen

Om de veiligheid van de in diervoeding gebruikte voedermiddelen te garanderen moeten door de bedrijven in alle stadia van de productieketen van diervoeder voorzorgsmaatregelen worden genomen en toegepast. De maximumgehalten voor ongewenste stoffen en producten in voedermiddelen, diervoeders en toevoegingsmiddelen voor diervoeders moeten worden vastgesteld op een peil dat voor de gezondheid van mens en dier geen gevaar oplevert en bovendien op het laagst mogelijke niveau. De maximumgehalten moeten op zulk een peil worden vastgesteld dat producenten ertoe gedwongen worden de nodige maatregelen te nemen om te garanderen dat de voedermiddelen en het diervoeder aan het vereiste inzake het maximumgehalte voeldoen.

Derhalve mag het gebruik van voedermiddelen die niet voldoen aan de vereisten inzake het maximumgehalte, niet langer worden toegestaan zelfs niet onder stringente voorwaarden, en moet ook een einde worden gemaakt aan de uitzondering om bijzondere redenen. In het voorliggende voorstel zijn beide uitzonderingen geschrapt.

Mogelijkheid tot vaststelling van een actiedrempel

Voorts moeten de maximumgehalten voor ongewenste stoffen en producten op een redelijk peil worden vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande situatie en met de noodzaak alles in het werk te stellen om de aanwezigheid van deze ongewenste stoffen en producten in de voedselketen van mens en dier alsmaar verder te beperken. Deze Richtlijn moet daarom voorzien in de mogelijkheid een actiedrempel vast te stellen, die duidelijk lager ligt dan het maximumgehalte. Wanneer deze actiedrempel wordt overschreden, moet door de autoriteiten een onderzoek worden gestart, om de oorzaak van de verontreiniging te achterhalen en om maatregelen te nemen om de bron van verontreiniging weg te nemen of te beperken. Een dergelijke aanpak zal geleidelijk leiden tot een bewuste vermindering van de aanwezigheid van een bepaalde ongewenste stof of een ongewenst product in de voedsel- en voederketen.

Regelingsprocedure

De regelgevingsprocedure is gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van Beschikking 1999/468/EG van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [3].

[3] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

1999/0259(COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

inzake ongewenste stoffen en producten in diervoeding

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 152,

Gezien het voorstel van de Commissie [4],

[4] PB C [...], [...], blz. [...].

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [5],

[5] PB C [...], [...], blz. [...].

Gezien het advies van het Comité van de Regio's [6],

[6] PB C [...], [...], blz. [...].

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [7]

[7] PB C [...], [...], blz. [...].

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Talrijke wijzigingen moeten worden aangebracht in Richtlijn 1999/29/EG van de Raad van 22 april 1999 inzake ongewenste stoffen en producten in diervoeding [8]. De genoemde richtlijn moet daarom duidelijkheidshalve en met het oog op een rationele ordening opnieuw worden geformuleerd.

[8] PB L 115 van 4.5. 1999, blz. 32.

(2) De dierlijke productie neemt een zeer belangrijke plaats in in de landbouw van de Gemeenschap en goede bedrijfsresultaten hangen in verregaande mate af van het gebruik van goede en geschikte diervoeders.

(3) Een regeling op het gebied van de diervoeders is een essentiële factor voor de verhoging van de productiviteit van de landbouw.

(4) Er is geconstateerd dat toevoegingsmiddelen door ongewenste stoffen of producten kunnen worden verontreinigd. toevoegingsmiddelen dienen dan ook in de werkingssfeer van de richtlijn te worden opgenomen.

(5) Voedermiddelen, diervoeders en toevoegingsmiddelen voor diervoeders kunnen ongewenste stoffen of producten bevatten die een gevaar kunnen betekenen voor de diergezondheid of, door hun aanwezigheid in dierlijke producten, voor de gezondheid van de mens.

(6) De aanwezigheid van deze stoffen en producten kan niet volledig worden uitgesloten en het is op zijn minst noodzakelijk het gehalte ervan in voedermiddelen en toevoegingsmiddelen zo te beperken dat zich geen ongewenste, schadelijke gevolgen kunnen voordoen. Het heeft geen zin voor deze gehalten waarden vast te stellen beneden de bepaalbaarheidsgrens van de op communautair vlak vast te stellen analysemethoden.

(7) Ongewenste stoffen en producten mogen slechts onder de in deze richtlijn vastgestelde voorwaarden in voedermiddelen, diervoeders en toevoegingsmiddelen voor diervoeders voorkomen en zij mogen niet op andere wijze in diervoeding worden gebruikt. Derhalve moet deze richtlijn worden toegepast onverminderd de andere communautaire bepalingen inzake diervoeders, en met name de voorschriften voor mengvoeders.

(8) Deze richtlijn is ook van toepassing op voedermiddelen, diervoeders en toevoegingsmiddelen voor diervoeders die in de Gemeenschap zijn binnengebracht. Bijgevolg moet worden bepaald dat de vastgestelde maximumgehalten aan ongewenste stoffen en producten over het algemeen gelden zodra voedermiddelen en diervoeders in het verkeer - alle handelsstadia daarin begrepen - worden gebracht en in het bijzonder vanaf de datum van invoer.

(9) De voedermiddelen, diervoeders en toevoegingsmiddelen voor diervoeders moeten van gezonde handelskwaliteit zijn. Derhalve moet een verbod worden ingesteld op het gebruik of het in het verkeer brengen van voedermiddelen, diervoeders of toevoegingsmiddelen voor diervoeders die, wegens het te hoge gehalte ervan aan ongewenste stoffen of producten, leiden tot een overschrijding van de in bijlage 1 van deze richtlijn voorgeschreven maximumgehalten.

(10) Het is dan ook dienstig de aanwezigheid van bepaalde ongewenste stoffen of producten in aanvullende diervoeders te beperken door passende maximumgehalten vast te stellen.

(11) In bepaalde gevallen wordt bij de vaststelling van een maximumgehalte zoveel mogelijk met de huidige achtergrondniveaus rekening gehouden, maar het is raadzaam de inspanningen voort te zetten om zoveel mogelijk de aanwezigheid van bepaalde ongewenste stoffen of producten in voedermiddelen, diervoeders of toevoegingsmiddelen voor diervoeders te blijven beperken ten einde ook hun aanwezigheid in de voedselketen te verminderen. In deze richtlijn moet dus worden voorzien in de mogelijkheid een actiedrempel vast te stellen, die duidelijk lager ligt dan het vastgestelde maximumgehalte. Bij overschrijding van deze actiedrempel moet onderzoek worden gevoerd naar de oorzaak van de verontreiniging en moeten maatregelen worden genomen om de oorzaak van de verontreiniging weg te nemen of te beperken.

(12) De lidstaten moet de mogelijkheid worden gelaten bij gevaar voor de gezondheid van dier of mens de vastgestelde maximumgehalten tijdelijk te verlagen of een maximumgehalte voor andere stoffen of producten vast te stellen, dan wel de aanwezigheid van dergelijke stoffen of producten in diervoeders te verbieden. Om te voorkomen dat een lidstaat deze mogelijkheid misbruikt, is het dienstig om over eventuele wijzigingen in bijlage 1 bij deze richtlijn een beslissing te nemen volgens een communautaire spoedprocedure op basis van bewijsmateriaal.

(13) Voor voedermiddelen, diervoeders en toevoegingsmiddelen voor diervoeders die aan de eisen van deze richtlijn voldoen, mogen met betrekking tot het gehalte aan ongewenste stoffen en producten, geen andere dan de in deze richtlijn vastgelegde beperkingen voor het in het verkeer brengen worden toegepast.

(14) De lidstaten moeten de nodige controlemaatregelen vaststellen om te garanderen dat bij het verkeer van voedermiddelen, diervoeders en toevoegingsmiddelen voor diervoeders aan de eisen met betrekking tot ongewenste stoffen en producten wordt voldaan.

(15) In het kader van het bij deze richtlijn ingevoerde informatiesysteem op het niveau van de officiële controlediensten, dienstig is dat de lidstaten ook door de marktdeelnemers in kennis worden gesteld van de gevallen waarin het bepaalde in deze richtlijn niet in acht is genomen. De lidstaten moeten in die gevallen al het nodige doen om te voorkomen dat die ongewenste stoffen en producten in diervoeding worden gebruikt. De lidstaten moeten er zich in voorkomend geval van vergewissen dat de partij voedermiddelen, diervoeders of toevoegingsmiddelen voor diervoeders, is vernietigd, als daartoe is besloten door de eigenaar.

(16) Een passende communautaire procedure is nodig om de in bijlage 1 vastgestelde technische bepalingen aan te passen aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis.

(17) Om de uitvoering van de overwogen maatregelen te vergemakkelijken, moet een procedure worden ingesteld waarbij een nauwe samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie tot stand wordt gebracht in het bij Besluit 70/372/EEG [9] ingestelde Permanent Comité voor diervoeders.

[9] PB L 170 van 3.8.1970, blz. 1.

(18) Aangezien de maatregelen ter uitvoering van deze richtlijn maatregelen van algemene strekking zijn in de zin van artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [10], moeten zij worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure van artikel 5 van dat besluit.

[10] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(19) Deze richtlijn laat de bij Richtlijn 1999/29/EG vastgestelde verplichtingen van de lidstaten aangaande de in deel B van bijlage III daarvan vastgestelde termijnen voor de omzetting in nationaal recht onverlet,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Deze richtlijn heeft betrekking op ongewenste stoffen en producten in diervoeding.

2. Deze richtlijn geldt onverminderd de voorschriften betreffende:

a) toevoegingsmiddelen in diervoeders;

b) het verkeer in diervoeders;

c) de vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen op en in producten die voor dierlijke voeding zijn bestemd, voorzover deze residuen niet in deel B van bijlage 1 van deze richtlijn zijn vermeld;

d) micro-organismen in diervoeders;

e) bepaalde in diervoeding gebruikte producten;

f) diervoeders met bijzonder voedingsdoel.

Artikel 2

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) diervoeders: producten van plantaardige of dierlijke oorsprong in natuurlijke staat, vers of verduurzaamd, en de afgeleide producten van industriële verwerking ervan, alsmede organische of anorganische stoffen, al dan niet gemengd, met of zonder toevoegingsmiddelen en bestemd voor vervoedering;

b) voedermiddelen: de verschillende producten van plantaardige of dierlijke oorsprong in natuurlijke staat, vers of verduurzaamd, en de afgeleide producten van de industriële verwerking ervan, alsmede organische of anorganische stoffen, met of zonder toevoegingsmiddelen, en bestemd voor vervoedering, hetzij als zodanig, hetzij na verwerking, voor de bereiding van mengvoeders of als drager bij voormengsels;

c) volledige diervoeders: mengsels van diervoeders die door hun samenstelling op zichzelf een totaal dagrantsoen vormen;

d) aanvullende diervoeders: mengsels van diervoeders, die een hoog gehalte aan bepaalde stoffen bevatten en door hun samenstelling slechts samen met andere diervoeders een totaal dagrantsoen vormen;

e) mengvoeders: mengsels van voedermiddelen, al dan niet met toevoegingsmiddelen en bestemd voor vervoedering in de vorm van volledige diervoeders of aanvullende diervoeders;

f) dagrantsoen: de totale hoeveelheid diervoeders, omgerekend op een vochtgehalte van 12 %, die een dier van een bepaalde soort, leeftijdsklasse en prestatievermogen gemiddeld dagelijks nodig heeft om volledig in zijn voederbehoefte te voorzien;

g) dieren: dieren behorend tot de soorten die gewoonlijk door de mens worden gevoederd en gehouden of gegeten, alsmede in de vrije natuur levende dieren voorzover hun voeding deels uit diervoeders bestaat;

h) gezelschapsdieren: dieren behorend tot de soorten die in de regel door de mens worden gevoederd en gehouden, maar niet gegeten, met uitzondering van dieren die worden gehouden voor de pelsproductie.

i) toevoegingsmiddelen: toevoegingsmiddelen als omschreven in artikel 2 van Richtlijn 70/524/EEG van de Raad van 23 november 1970 inzake toevoegingsmiddelen in de diervoeding [11].

[11] PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1.

Artikel 3

1. Voedermiddelen, diervoeders en toevoegingsmiddelen voor diervoeders mogen in de Gemeenschap alleen in het verkeer worden gebracht als ze van gezonde handelskwaliteit zijn.

2. Voedermiddelen, diervoeders en toevoegingsmiddelen voor diervoeders worden met name geacht niet van gezonde handelskwaliteit te zijn, als het gehalte aan ongewenste stoffen of producten zo hoog is dat het onmogelijk wordt de in bijlage 1 bij deze richtlijn voor voedermiddelen, diervoeders en toevoegingsmiddelen voor diervoeders vastgestelde maximumgehalten in acht te nemen.

Artikel 4

1. De lidstaten schrijven voor dat de in bijlage 1 bij deze richtlijn vermelde stoffen en producten slechts onder de in deze bijlage vastgestelde voorwaarden in voedermiddelen, diervoeders en toevoegingsmiddelen voor diervoeders mogen worden gebruikt.

2. Om de aanwezigheid van bepaalde onvermijdelijke stoffen en producten in voedermiddelen, diervoeders en toevoegingsmiddelen zo veel mogelijk te beperken, schrijven de lidstaten voor dat onderzoek wordt verricht naar de oorzaken van de verontreiniging en naar methodes om deze weg te nemen of te beperken, niet alleen bij overschrijding van de vastgestelde maximumgehalten, maar ook wanneer een hoog gehalte aan bepaalde onvermijdelijke stoffen en producten is geconstateerd. Daartoe wordt eventueel in bijlage 1 bij deze richtlijn een actiedrempel vastgesteld.

Artikel 5

De lidstaten schrijven voor dat een partij voedermiddelen diervoeders of toevoegingsmiddelen voor diervoeders, waarin het gehalte aan een ongewenste stof of product het in kolom 3 van de tabel in bijlage 1 bij deze richtlijn vastgestelde maximumgehalte overschrijdt, niet mag worden vermengd met andere partijen voedermiddelen, diervoeders of toevoegingsmiddelen voor diervoeders.

Artikel 6

De lidstaten schrijven voor dat in aanvullende diervoeders, voorzover daarvoor geen bijzondere bepalingen bestaan, het gehalte aan de in bijlage 1 genoemde stoffen en producten, rekening houdende met van de voor het gebruik ervan vastgestelde verdunning, niet hoger mag zijn dan het voor volledige diervoeders bepaalde gehalte.

Artikel 7

1. Als een lidstaat, op basis van nieuwe gegevens die na de vaststelling van de desbetreffende bepalingen beschikbaar zijn gekomen, of van een nieuwe beoordeling van de bestaande gegevens die na die vaststelling is uitgevoerd, gegronde redenen heeft om te concluderen dat een in bijlage 1 bij deze richtlijn vastgesteld maximumgehalte of een niet in die bijlage genoemde stof of product een gevaar oplevert voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu, kan deze lidstaat dit gehalte voorlopig verlagen, een maximumgehalte vaststellen of de aanwezigheid van deze stof of dit product in diervoeders of in voedermiddelen verbieden. Hij stelt de overige lidstaten en de Commissie hiervan onmiddellijk op de hoogte en geeft daarbij de redenen van zijn beslissing op.

2. Volgens de procedure van artikel 12 wordt onverwijld besloten of bijlage 1 dient te worden gewijzigd.

Zolang door de Raad of door de Commissie geen besluit is genomen, kan de lidstaat de door hem ingevoerde maatregelen handhaven.

Artikel 8

Volgens de procedure van artikel 11 en rekening houdend met de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis:

a) worden de in bijlage 1 aan te brengen wijzigingen vastgesteld;

b) wordt op gezette tijden een gecodificeerde versie van bijlage 1 opgesteld om er de opeenvolgende wijzigingen in op te nemen die krachtens het bepaalde onder a) zijn aangebracht;

c) kunnen de criteria worden vastgesteld voor de aanvaardbaarheid van voedermiddelen die bepaalde zuiveringsprocédés hebben ondergaan.

Artikel 9

De lidstaten zien erop toe dat aan het in het verkeer brengen van voedermiddelen, diervoeders en toevoegingsmiddelen voor diervoeders die aan deze richtlijn voldoen, geen andere beperkingen worden opgelegd ten aanzien van de aanwezigheid van ongewenste stoffen en producten.

Artikel 10

1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om voedermiddelen, diervoeders en toevoegingsmiddelen officieel, ten minste steekproefgewijs, op de naleving van de in deze richtlijn opgenomen voorwaarden te controleren.

2. De lidstaten delen aan de overige lidstaten en aan de Commissie de naam van de door hen voor de uitvoering van deze controles aangewezen diensten mede.

3. De lidstaten schrijven voor dat, wanneer een marktdeelnemer (importeur, producent enz.) of een persoon die uit hoofde van zijn beroepsactiviteiten in het bezit is of is geweest van, dan wel rechtstreeks in aanraking is geweest met een partij voedermiddelen, diervoeders of toevoegingsmiddelen voor diervoeders, over gegevens beschikt waaruit blijkt dat:

- de partij voedermiddelen ongeschikt is voor gebruik in diervoeding hetzij vanwege verontreiniging met een ongewenste stof die of een ongewenst product dat is opgenomen in bijlage 1, met als gevolg dat zij daardoor niet aan artikel 3, lid 1, voldoet en derhalve een ernstig gevaar voor de gezondheid van mens of dier vormt, hetzij vanwege verontreiniging met een ongewenste stof die of een ongewenst product dat niet in bijlage 1 is genoemd, maar een ernstig gevaar kan vormen voor de gezondheid van mens of dier,

- de partij diervoeders ongeschikt is voor gebruik in diervoeding hetzij vanwege verontreiniging met een ongewenste stof die of een ongewenst product dat is opgenomen in bijlage 1, met als gevolg dat hij niet beantwoordt aan het bepaalde in bijlage 1 en derhalve een ernstig gevaar vormt voor de gezondheid van mens of dier, hetzij vanwege een verontreiniging met een ongewenste stof die of een ongewenst product dat niet in bijlage 1 is genoemd, maar een ernstig gevaar kan vormen voor de gezondheid van mens of dier,

- de partij toevoegingsmiddelen ongeschikt is voor gebruik in diervoeding hetzij vanwege verontreiniging met een ongewenste stof die of een ongewenst product dat in bijlage 1 is opgenomen, met als gevolg dat hij niet beantwoordt aan het bepaalde in bijlage 1 en derhalve een ernstig gevaar vormt voor de gezondheid van mens of dier, hetzij vanwege een verontreiniging met een ongewenste stof die of een ongewenst product dat niet in bijlage 1 is genoemd, maar een ernstig gevaar kan vormen voor de gezondheid van mens of dier,

deze persoon of marktdeelnemer de officiële autoriteiten hiervan onverwijld op de hoogte brengt, zelfs wanneer vernietiging van de partij wordt overwogen.

Na verificatie van de ontvangen informatie ziet de lidstaat erop toe dat, als het een verontreinigde partij betreft, de nodige maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat de partij niet voor diervoeding wordt gebruikt.

De lidstaten zorgen ervoor dat de uiteindelijke bestemming van de verontreinigde partij, met inbegrip van de eventuele vernietiging ervan, geen schadelijke gevolgen kan hebben voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu.

4. Als de mogelijkheid bestaat dat een partij voedermiddelen, diervoeders of toevoegingsmiddelen voor diervoeders naar een lidstaat zal worden verstuurd, terwijl deze partij in een andere lidstaat niet in overeenstemming met de bepalingen van deze richtlijn is bevonden wegens een te hoog gehalte aan ongewenste stoffen of producten, deelt deze lidstaat onverwijld alle dienstige inlichtingen betreffende deze partij mee aan de andere lidstaten en aan de Commissie.

Artikel 11

1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 1 van Besluit 70/372/EEG van de Raad van 20 juli 1970 [12] ingestelde Permanent Comité voor diervoeders.

[12] PB L 170 van 3.8.1970, blz. 1.

2. Bij verwijzing naar dit lid is de in artikel 5 van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure van toepassing overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, lid 3, en artikel 8 van dat besluit.

3. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn bedraagt drie maanden.

Artikel 12

1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 1 van Besluit 70/372/EEG van de Raad ingestelde Permanent Comité voor diervoeders.

2. Bij verwijzing naar dit lid is de in artikel 5 van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure van toepassing overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, lid 3, en artikel 8 van dat besluit.

3. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn bedraagt 15 dagen.

Artikel 13

1. Voor diervoeders die bestemd zijn voor uitvoer naar derde landen, passen de lidstaten ten minste de bepalingen van deze richtlijn toe.

2. Lid 1 laat het recht van de lidstaten onverlet om toe te staan dat partijen diervoeders die niet aan deze richtlijn voldoen, naar het derde land van uitvoer worden teruggezonden.

Artikel 14

1. Richtlijn 1999/29/EG wordt ingetrokken, onverminderd de voor de lidstaten geldende verplichting met betrekking tot de in deel B van bijlage III bij de genoemde richtlijn vermelde termijnen voor de omzetting van de in deel A van die bijlage vermelde richtlijnen in nationaal recht.

2. Verwijzingen naar Richtlijn 1999/29/EG gelden als verwijzingen naar deze richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 15

De lidstaten stellen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en publiceren deze uiterlijk op 30 juni 2000. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

De vastgestelde bepalingen zijn van toepassing met ingang van 1 juli 2000.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hierna verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 16

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 17

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(1) De lidstaten kunnen ook een maximumgehalte aan fluor voorschrijven gelijk aan 1,25% van het fosforgehalte.

(2) Gehalte aan fluor per 1% forsfor in het diervoeder.

(3) De lidstaten kunnen ook een maximumgehalte aan cadmium voorschrijven gelijk aan 0,5 mg per 1% fosfor in het diervoeder.

(4) De lidstaten kunnen ook een maximumgehalte aan cadmium voorschrijven gelijk aan 0,75 mg per 1% fosfor in het diervoeder.

(5) Bij de berekening van bovengrensconcentraties wordt aangenomen dat de onder de detectiegrens liggende waarden van de verschillende congenerische elementen aan de detectiegrens gelijk zijn.

BIJLAGE II

CONCORDANTIETABEL

Richtlijn 1999/29 // Onderhavige Richtlijn

Artikel 1 // Artikel 1

Artikel 2 a) // Artikel 2 a)

Artikel 2 b) // Artikel 2 b)

Artikel 2 c) // Artikel 2 c)

Artikel 2 d) // Artikel 2 d)

Artikel 2 e) // Artikel 2 e)

Artikel 2 f) // Artikel 2 f)

Artikel 2 g) // Artikel 2 g)

Artikel 2 h) // Artikel 2 h)

--- // Artikel 2 i)

Artikel 3 // Artikel 3

Artikel 4 1) // Artikel 4 1)

Artikel 4 2) // ---

---- // Artikel 4 2)

Artikel 5 // ---

Artikel 6 // ---

Artikel 7 // Artikel 5

Artikel 8 // Artikel 6

Artikel 9 // Artikel 7

Artikel 10 // Artikel 8

Artikel 11 // Artikel 9

Artikel 12 // Artikel 10

Artikel 13 // Artikel 11

Artikel 14 // Artikel 12

Artikel 15 // Artikel 13

Artikel 16 // ---

--- // Artikel 14

--- // Artikel 15

Artikel 17 // Artikel 16

Artikel 18 // Artikel 17

Bijlage I // Bijlage I

Bijlage II // ---

Bijlage III // ---

Bijlage IV // Bijlage II

Top